2. Bijlage Notitie Zomercomfort
Tekst van het document
Notitie Zomercomfort Versie 24 januari 2022 Inhoudsopgave 1 Aanleiding 2 Context 3 Zomercomfort in nieuwbouw en bestaande bouw 4 Hitte in woningen 5 Maatregelen 6 Koeling en de Transitievisie Warmte 7 Koeling en het elektriciteitsnet 8 Bronnen Bijlage: Maatregelenlijst 1 Aanleiding Deze notitie is geschreven naar aanleiding van de motie (1125.20) die is ingediend bij het vaststellen van de Transitievisie Warmte (hierna TVW). De motie vraagt om: 1. Naast de Transitievisie Warmte ook een aantal Koelingsscenario’s uit te werken. 2. De uitkomsten van deze scenarioverkenning te koppelen aan de herijking van de Transitievisie Warmte. Bij het afdoen van de motie is aan de raad beloofd om eind 2021/begin 2022 een nota zomercomfort1 te delen waarin wordt ingegaan op: 1. Een indicatie van de omvang van het probleem en de noodzaak voor acties schetsen aan de hand van de verwachtte hittestress in de stad en oververhitting in gebouwen. 2. Een inventarisatie van maatregelen die oververhitting kunnen tegengaan of oplossen gekoppeld aan hun duurzaamheid en het handelingsperspectief van de gemeente. 3. Scenario’s opstellen voor het behoud van zomercomfort en beschrijven in een nota. Deze notitie is geschreven naar aanleiding van een motie die is ingediend bij vaststelling van de TVW en geeft invulling aan de toezegging om een nota zomercomfort met de raad te delen.
In de verkenning van zomercomfort in de stad blijven we dichtbij de Transitievisie Warmte; wat betekent (toenemende) hitte voor gebouwen en het (toekomstige) energiesysteem van Amsterdam? De inzet op het terugdringen van hittestress in de stad zoals deze is vastgelegd in de Strategie Klimaatadaptatie (2020) en het Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (2021) wordt in deze notitie niet meegenomen.
1 De motie vraagt om de uitwerking van koelingsscenario’s. Er is invulling aan deze vraag gegeven door het begrip
‘zomercomfort’ centraal te stellen, dit is omvattender. Het voorkomen van oververhitting wordt zomercomfort genoemd; koeling is een middel om oververhitting tegen te gaan, net als zonwering of het terugdringen van hitte in de stad.
Gemeente Amsterdam
Pagina 2 van 12
Deze notitie is een feitelijke opsomming van wat er nu bekend is over zomercomfort in woningen en kan als basis dienen om vervolgstappen te zetten. In deze notitie wordt de omvang van het probleem geschetst evenals een overzicht van maatregelen die oververhitting kunnen tegengaan. Mogelijke implicaties van maatregelen voor zomercomfort op de TVW en op het elektriciteitsnetwerk van Amsterdam zijn beschreven om duiding te geven aan de samenhang tussen deze verschillende opgaven in de stad. Scenario’s ter verkenning van oplossingsrichtingen zijn op dit moment niet uitgewerkt; om hier een goed beeld van te geven is een gedetailleerder beeld van oververhitting in de stad en woningen nodig. 2 Context Het KNMI heeft samen met de Gemeente Amsterdam en de Metropoolregio Amsterdam berekend dat de gemiddelde temperatuur in de stad sterk is gestegen en ook komende jaren verder zal toenemen. Er zullen jaarlijks meer zomerse dagen (>25 °C) en tropische nachten (>20 ºC) voorkomen; naar schatting neemt het aantal zomerse dagen toe van 20 (heden) naar maximaal 40 (in 2085), en stijgt het aantal tropische nachten van 7 (heden) naar 21 (in 2050) in de meest dichtbebouwde gebieden in de stad (KNMI, et al., 2018). Naast de warmere en langere zomers, worden woningen luchtdicht gebouwd en beter geïsoleerd, stelt het Lente-akkoord Zeer Energiezuinige Nieuwbouw (2021).
Deze goede isolatie is voordelig gedurende het stookseizoen – warmte blijft langer binnen hangen – in het zomerseizoen kan dit een risico tot oververhitting vormen. Wanneer woningen goed geïsoleerd worden, is het belangrijk om samen met de isolatiemaatregelen ook maatregelen tegen oververhitting te treffen. Denk hierbij met name aan zonwering (voorkomen dat warmte binnenkomt) of goede ventilatie. Oververhitting is voor steeds meer bewoners een belangrijk punt van discomfort, het leidt tot afname van productiviteit en welzijn. Voor ouderen, chronisch zieken, mensen met overgewicht en jonge kinderen vormt het een direct gezondheidsrisico. De GGD Amsterdam benoemt dat de effecten van hittestress in de stad zich lastig laten kwantificeren. Wel is bekend dat een hittegolf in het huidige klimaat landelijk tot 500 extra sterfte gevallen als gevolg heeft; hitte is vaak één van de factoren die een kwetsbaar persoon verder verzwakt. Naast extra sterfte en verergering van ziekte, ziet de GGD andere grootschalige effecten zoals de afname van concentratievermogen en het verlies van arbeidsproductiviteit onder de gehele bevolking die in warme ruimtes verblijft. 3 Zomercomfort in nieuwbouw en bestaande bouw Per 1 januari 2021 is er, met de invoering van de BENG-eisen, voor woningbouw ook regelgeving ingevoerd om oververhitting in nieuwbouwwoningen tegen te gaan.
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning moet een woning voldoen aan energieprestatie eisen (BENG 1, 2 en 3) en aan eisen voor temperatuuroverschrijding: hiervoor is de TOjuli indicator geïntroduceerd. De TOjuli is een grenswaarde voor het toegestane risico op temperatuuroverschrijding in een woning; aan de TOjuli kan voldaan worden door genoeg maatregelen te nemen om oververhitting te voorkomen, of door een systeem voor actieve koeling aan te leggen. De TOjuli geldt niet voor utiliteitsbouw, omdat in tegenstelling tot woningbouw het merendeel van de utiliteitsbouw al wordt voorzien van (actieve koeling en daarmee is het risico op oververhitting in de utiliteitsbouw
Gemeente Amsterdam
Pagina 3 van 12
beperkt. De definitie van TOjuli is vastgelegd in de Nederlandse Technische Afspraak (NTA) 8800; deze indicator laat in de meeste gevallen zonder extra rekenwerk zien of de kans op temperatuuroverschrijding acceptabel is. Naast nieuwbouwwoningen geldt de TOjuli ook voor vergunningplichtige (ingrijpende) renovatie van woningen. Er zijn nog weinig gebouwen opgeleverd sinds de invoering van de TOjuli. De gemeente Amsterdam is zich er van bewust dat uit de praktijk moet blijken of deze indicator voldoende stuurt op zomercomfort in woningen. In deze notitie wordt de focus gelegd op de bestaande bouw: voor zomercomfort in bestaande woningen is geen norm vastgelegd in wet- en regelgeving. Voor gebieden met veel utiliteitsbouw is koude al meegenomen in de Transitievisie Warmte: “Voor gebieden met relatief veel utiliteitsbouw wordt een bronnet interessant vanwege de hoge koudevraag en vanwege de relatief lage energiebelasting op elektriciteit die grotere gebouwen betalen vanwege het hogere verbruik.”. De vraag uit de motie spitst zich zodoende toe op gebieden waar woningbouw dominant is: daar worden in de TVW veelal geen koudeoplossingen meegenomen, terwijl er mogelijk wel een koudevraag bestaat of zal bestaan in de toekomst.
4 Hitte in woningen Een indicatie van de verwachte oververhitting van woningen kan geschetst worden op basis van een modelstudie uitgevoerd door adviesbureau DGMR in opdracht van de Gemeente Amsterdam en een onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam (HvA) over de praktijkervaring van oververhitting tijdens een hittegolf. Onderzoek DGMR In de modelstudie van DGMR zijn temperatuuroverschrijdingsberekening gemaakt voor drie typen woningen: de tussenwoning, de galerijwoning en de portiekflat. Deze typen woningen zijn de meest voorkomende woningtypen in Amsterdam. Een temperatuuroverschrijdingsberekening geeft inzicht in het aantal uren dat een woning als te warm ervaren wordt door een gemiddelde gebruiker. Voor het bepalen of een woning te warm wordt ervaren wordt de ATG-norm (Adaptieve Temperatuur Grenswaarde) gebruikt. Deze methode is gangbaar om het thermisch comfort in de bestaande bouw te bestuderen en bepaalt het aantal uur in een jaar dat de binnentemperatuur in een ruimte boven een met de buitentemperatuur meebewegende grenswaarde komt. De grenswaarde voor onaangename warmte beweegt mee met de buitentemperatuur – mensen vinden een hogere binnentemperatuur veelal acceptabel wanneer het buiten erg warm is. Volgens deze methode staat oververhitting gelijk aan meer dan 200 uur onaangename warmte in woningen in de maanden april t/m september.
De drie woningtype zijn bestudeerd in de huidige situatie en een toekomstige situatie waarbij rekening is gehouden met beoogde verbeteringen van isolatieniveaus en verandering van het klimaat. De isolatieniveaus komen overeen met de niveaus zoals benoemd Transitievisie Warmte
Gemeente Amsterdam
Pagina 4 van 12
en de landelijke isolatiestandaard: woningen in de huidige staat, woningen met een basisisolatieniveau die geschikt zijn voor verwarming met MT-warmte (70 °C) en woningen met een hoog isolatieniveau die gereed zijn voor de toepassing van LT-warmte (40 °C). De berekening is uitgevoerd op basis van de klimaatgegevens van een huidig klimaatjaar en een toekomstbestendig klimaatjaar. De DGMR studie is een modelstudie waarbij schaduwwerking door andere gebouwen, door bomen en eventuele bestaande zonwering niet is meegenomen. Bouwdelen die kenmerkend zijn voor het woningtype en die zon weren, zoals een galerij (overstek) in het geval van de galerijflat, zijn wel meegenomen. Daarnaast is voor ieder woningtype de noord-, oost-, west- en zuidoriëntatie doorgerekend. Op basis van de resultaten van deze modelstudie kan geconcludeerd worden dat in een huidig jaar bijna alle bestudeerde woningtypen en oriëntaties de huidig situatie al als “slecht” beoordeeld wordt volgens de ATG-norm. Met andere woorden: huidige woningen waarin geen zonwerende maatregelen of koelingsmaatregelen getroffen zijn, worden nu al zeer vaak onaangenaam warm volgens de norm. In sommige woningen wordt de grens voor een acceptabel aantal overschrijdingsuren tot wel een factor vijf overschreden. Er zijn wel onderlinge verschillen tussen de woningtypen te zien.
Woningen en ruimtes georiënteerd op het noorden oververhitten relatief veel minder (de zon staat niet of veel minder direct op deze gevels). Portiekwoningen oververhitten gemiddeld genomen de meeste uren, galerijwoningen de minste uren. Hierop vormen galerijwoningen op de bovenste verdieping een uitzondering, omdat daar vaak geen bouwkundige zonwering (door de bovengelegen galerij of balkons) aanwezig is. Daarnaast laten de resultaten zien dat een toekomstbestendig klimaatjaar voor een grote toename van temperatuuroverschrijdingsuren in alle woningen zal zorgen en dat het isoleren van woningen ook een beperkt negatief effect heeft. Onderzoek HvA Het onderzoek van de HvA uit 2020 beschrijft een kleinschalig praktijkonderzoek waarbij er tijdens een hittegolf in 2019 metingen zijn gedaan en bewoners zijn bevraagd over hun ervaring tijdens de periode. Hoewel het onderzoek is uitgevoerd met een zeer kleine groep respondenten plaatst het onderzoek het geschetste beeld van de modelstudie van DGMR in perspectief. Uit het onderzoek van de HvA blijkt dat in 75% van de metingen de temperatuur boven de theoretische acceptatiegrens viel, terwijl ‘slechts’ 14% van de respondenten de hitte daadwerkelijk als probleem ervoer. De studie laat zien dat het acceptatieniveau van bewoners tijdens de hittegolf (periode van een week) hoger dan verwacht gebleken is.
Daarbij moet de kanttekening geplaatst worden dat het onderzoek wel laat zien dat er bij 14% van de bewoners problemen met hitte zijn; indien dit representatief is voor grotere delen van de stad is dit een aanzienlijke groep bewoners. Conclusies Conclusie van de twee onderzoeken is dat in de huidige situatie veel van de woningen volgens de acceptatiegrens al oververhit raken. Het lijkt er echter op dat de acceptatiegrens van bewoners in
Gemeente Amsterdam
Pagina 5 van 12
de praktijk hoger is tijdens een hittegolf. Verder lijkt het warmer worden van het klimaat een veel grotere impact te hebben op de oververhitting dan het isoleren van woningen. Beide studies benoemen dat het grootste deel van de opwarming van woningen veroorzaakt wordt door zontoetreding. Zonwering is een effectieve maatregel tegen de opwarming van woningen. Buitenzonwering is het meest effectief, gevolgd door zonwerende beglazing of folie en binnenzonwering. Beschaduwing van woningen door bomen is effectief voor grondgebonden woningen en lager gelegen meergezinswoningen. Het gedrag van bewoners is ook een belangrijke factor, denk aan het sluiten van zonwering voordat de zon binnentreedt, ramen pas openen als het binnen warmer is dan buiten, en de woning ’s nachts ventileren. Klimaatadaptatieve maatregelen die de opwarming van de stedelijke omgeving tegengaan hebben een beperkt positief effect op het voorkomen van oververhitting van woningen. Het aandeel in de opwarming van woningen door een hoge buitentemperatuur, via transmissie (opwarming door de verplaatsing van warmte door de gevel van een woning), ventilatie (opwarming door ventilatie wanneer de buitentemperatuur hoger is dan de binnentemperatuur) of infiltratie (onbewuste ventilatie via kleine openingen/kieren), is klein vergeleken met het aandeel dat wordt veroorzaakt door instraling van de zon.
Klimaatadaptieve maatregelen hebben mogelijk wel een grotere effectiviteit ten aanzien van nachtkoeling door ventilatie (wanneer de buitentemperatuur lager is dan de binnentemperatuur). Bij deze conclusies moet de kanttekening geplaatst worden dat de uitgevoerde modelstudie haken en ogen kent in wat wel en niet is meegenomen in berekeningen. Daarnaast bestaat er een verschil tussen de modelmatige werkelijkheid en de ervaring van mensen in de praktijk; dit wordt onderschreven door de studie van de HvA. Het onderzoek van de HvA bestond echter uit een zeer kleine steekproef. Beide studies geven een indicatie van oververhitting, maar eventuele beleidskeuzes voor het behoud van zomercomfort in de stad vragen meer gedegen onderzoek als fundament. 5 Maatregelen De bijlage geeft een overzicht van maatregelen die genomen kunnen worden om oververhitting van woningen te voorkomen of tegen te gaan. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen passieve en actieve maatregelen, en tussen maatregelen die genomen kunnen worden op het schaalniveau van een woning, een gebouw, of de buurt/wijk. Daarnaast zijn maatregelen om hitte in de stad tegen te gaan of om oververhitting van personen tegen te gaan opgenomen in de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie (2021).
Passieve maatregelen zijn maatregelen die oververhitting voorkomen of tegengaan zonder zelf energie te verbruiken; denk aan zonwering, spuiventilatie of het toepassen van groen. Actieve maatregelen gebruiken wel energie om te koelen, denk aan airco’s, warmtepompen of collectieve koudenetten. Het handelingsperspectief voor de gemeente ten aanzien van de geïnventariseerde maatregelen is van vele factoren afhankelijk. Grofweg kan gesteld worden, dat de gemeente meer
Gemeente Amsterdam
Pagina 6 van 12
sturingsmogelijkheid heeft op maatregelen in de openbare ruimte, dan op maatregelen in/aan gebouwen van particuliere eigenaren. Dit neemt niet weg dat er mogelijkheden en instrumenten zijn die sturing kunnen geven aan zomercomfort in particulier bezit; denk bijvoorbeeld aan het verstrekken van subsidies voor bepaalde maatregelen, of het geven van voorlichting. Hoewel hier nog geen ervaring mee is opgedaan, is de verwachting dat de gemeente in zeer ernstige gevallen wellicht zelfs handhavend zou kunnen optreden.
6 Koeling en de Transitievisie Warmte De TVW laat per buurt zien welk duurzaam alternatief voor aardgas de laagste maatschappelijke kosten heeft en wanneer buurten aan de beurt zijn. Met de motie is aandacht gevraagd voor het vraagstuk koeling; gemeentelijke inzet op koeling kan een aanleiding vormen om aardgasvrije warmteopties te heroverwegen. De TVW benoemt de volgende duurzame warmteopties: all-electric, een aardgasvrij gasnet, lokale bronnetten, middentemperatuur warmtenetten (70°C), en laagtemperatuur warmtenetten (40°C). De mogelijke synergie tussen verwarming en koeling verschilt voor ieder van deze opties. -
-
-
-
Lokale bronnetten (zeer laag temperatuurnet) worden veelal toegepast bij gebieden met veel utiliteitsbouw, en bieden de mogelijkheid om zowel te verwarmen als te koelen. De wijken in de TVW waarvoor een lokaal bronnet gepland is, zijn daarmee al voorzien in zomercomfort. All-electric wijken zullen enkel gebruik maken van de elektricteitsinfrastructuur voor verwarming. Gebouweigenaren kiezen zelf voor de warmte-opwekinstallatie (bijv. een warmtepomp of infraroodpanelen) en een afgiftesysteem. Hierbij is de keuze aan de woningeigenaar om een optie te kiezen die ook ingezet kan worden voor koeling. Allelectric buurten zijn veelal buurten met veel eengezinswoningen. Aardgasvrije gasnetten worden voornamelijk voorzien in de oude stad. Synergie tussen aardgasvrije gasnetten en koelingsmaatregelen is lastig, voor koeling zal hier met name naar passieve oplossingen en elektrische oplossingen gekeken moeten worden, die los staat van de duurzame warmteoplossing. Middentemperatuur warmtenetten (70°C) zijn de voorziene oplossing voor het grootste deel van de Amsterdamse woningen buiten de binnenstad. De woningdichtheid is relatief hoog, en de maatschappelijke kosten zijn het laagst bij een MT-net en een isolatieniveau dat hier passen bij is. Voor nieuwbouwwoningen worden laagtemperatuur warmtenetten (40°C) – eventueel in combinatie met lokale bronnetten – voorzien.
Een gekoppelde warmte en koude levering impliceert de noodzaak om buurten die in de TVW zijn aangewezen om middels een middentemperatuur warmtenet aardgasvrij te worden, gereed te maken voor een laag temperatuuroptie. Concreet betekent dit het aanpassen van de woningen (een beter isolatieniveau en een geschikt afgiftesysteem voor warmte en koude in de woning) en het toevoegen van infrastructuur voor koude.
Bij dit laatste punt ligt een knelpunt voor de 248.000 woningequivalenten die volgens de TVW in de periode tot 2040 aangesloten worden op een middentemperatuur warmtenet. Het
Gemeente Amsterdam
Pagina 7 van 12
renovatietempo in de bestaande stad is te laag is om al deze woningen voor 2040 geschikt te maken voor laag temperatuur. Om tempo te maken in de transitie naar een aardgasvrije stad, laat de aansluiting op een middentemperatuur warmtenet het toe om het treffen van gebouwgebonden maatregelen en de aansluiting op een nieuwe warmte-infrastructuur van elkaar los te koppelen. De volgorde isoleren en dan aansluiten op een warmtenet, of eerst aansluiten en daarna isoleren is beiden mogelijk. Wanneer een laagtemperatuurwarmtenet in combinatie met koude infrastructuur gewenst is, is deze volgordelijkheid wel van belang: de gebouwgebonden maatregelen (hoog isolatieniveau, warmteafgiftesysteem geschikt voor laagtemperatuur en koeling) moeten getroffen worden voordat aansluiting op een laagtemperatuurwarmtenet mogelijk is. Dit heeft vergaande gevolgen voor de haalbaarheid van de ambitie aardgasvrij in 2040. Daarnaast zou een enorme opgave toegevoegd worden om de circa 100.000 woningen die al zijn aangesloten op een (hoogtemperatuur) warmtenet gereed te maken voor koudelevering en laagtemperatuur warmte. Daarnaast is betaalbaarheid een van de leidende principes in de TVW.
Voor de bestaande bouw liggen de maatschappelijke kosten van een laagtemperatuur warmtenet hoger dan de maatschappelijke kosten van een middentemperatuur warmtenet, gezien het hogere isolatieniveau, het vervangen van alle radiatoren door afgiftesystemen geschikte voor laagtemperatuur verwarming. Synergie tussen laagtemperatuurwarmte en koude brengt ook een aantal voordelen met zich mee: verhoging van comfort en energiebesparing op gebouwniveau. Een ander voordeel is dat in tegenstelling tot bij de toepassing van airco’s minder geluidsoverlast wordt veroorzaakt en de buitenruimte wordt niet verder opgewarmd. 7 Koeling en het elektriciteitsnet Een autonome ontwikkeling op het vlak van zomercomfort in de stad is het toenemende gebruik van airco’s als individuele maatregel om te koelen. Voor bewoners is het relatief eenvoudig om een (mobiele) airco of een split-unit aan te schaffen, afhankelijk van het betreffende apparaat is het een comfortabele en al dan niet efficiënte wijze om ruimtes te koelen. Deze toename is mogelijk van invloed op de elektriciteitsvoorziening van de stad. In het kader van de Themastudie Elektriciteit (2021) is de trend in aanschaf van airco’s bestudeerd: drie mogelijke scenario’s beschrijven een verwachte toename van 6-40% in aantallen airco’s tot 2050. Hiermee wordt de totale elektriciteitsvraag van de stad vergroot, met een piekvraag tijdens hittegolven.
De huidige inschatting is dat voor de onderstations (transformatie hoogspanning naar middenspanning) de ontwikkeling in elektriciteitsvraag door warmtepompen maatgevend is voor verzwaring; de piekvraag door warmtepompen op zeer koude winterdagen wordt significant hoger geschat dan de piekvraag door airco’s in de zomer. Moderne warmtepompen kunnen vaak ook ingezet worden voor koeling; ook hier geldt dat de piekvraag in de winter hoger is dan in de zomer. Op basis van bovenstaande inzichten, is op stadsniveau op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat airco’s zorgen voor congestie op het hoog- en tussenspanningsnet.
Gemeente Amsterdam
Pagina 8 van 12
Echter, op een kleiner schaalniveau (wijk- of buurtniveau) ligt ook de vraag of transformatorhuisjes toegevoegd moeten worden door de diverse ontwikkelingen op het vlak van elektriciteit (warmtepompen, airco’s, maar bijvoorbeeld ook elektrische voertuigen en de toename in zonnepanelen). Een nadere analyse van de verwachte ontwikkelingen op het elektriciteitsnet per buurt (op middenspanning en laagspanning netvlak) is nodig om te bepalen welke ontwikkelingen en bijbehorende piekbelastingen (samen) maatgevend zijn voor het lokale net. Dit vraagstuk is relevant vanuit het oogpunt dat airco’s waarschijnlijk eerder worden toegepast naast een middentemperatuur warmtenet, dan in wijken waar veel warmtepompen geïnstalleerd worden (all-electric buurten, daar kunnen warmtepompen vaak gebruikt worden voor koeling). Verzwaring van een onderstation kost relatief meer tijd dan het toevoegen van een extra “transformatorhuisje” of middenspanningsruimte. Naast eventuele impact op de elektriciteitsinfrastructuur, voegt een toename in aanschaf van airco’s een energievraag toe aan de huidige energiebehoefte van de stad. Om energie- en klimaatneutraal te worden, zal deze elektriciteit duurzaam opgewekt moeten worden. Hierbij moet gezegd worden dat airco’s vooral in de zomer en overdag gebruikt zullen worden en op deze momenten zal er ook veel zonne-energie opgewekt worden.
Tot slot voegen airco’s een warmtelast toe aan de openbare ruimte op warme zomer dagen, omdat de werking van airconditioning systemen gebaseerd is op het verplaatsen van warme lucht van binnen naar buiten; dit geldt ook voor warmtepompen die gebruikt worden om te koelen.
8 Bronnen Caverzam Barbosa, E., Kluck, J., & de Groot, M. (2020). Hitteproef in woningen: resultaten zomer 2020. Hogeschool van Amsterdam. DGMR (2020) Temperatuuroverschrijding Amsterdamse woningtype. (niet publiek) Gemeente Amsterdam. (2020). Strategie Klimaatadaptatie Amsterdam Gemeente Amsterdam. (2021). Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Gemeente Amsterdam, Liander. (2021). Themastudie Elektriciteit Amsterdam 2.0 KNMI, Gemeente Amsterdam, Metropoolregio Amsterdam, Waternet, Waterschap Amstel Vecht en Gooi. (2018). Ons klimaat verandert. klimaatverandering-mra.vormgeving.com. Geraadpleegd op 6 december 2021, van http://klimaatverandering-mra.vormgeving.com/ Lente-akkoord Zeer Energiezuinige Nieuwbouw. (2021). Zomercomfort in nieuwe woningen - De TOjuli-eis voor de kans op temperatuuroverschrijding.
Gemeente Amsterdam
Pagina 9 van 12
Bijlage: Maatregelenlijst De hieronder beschreven maatregelen tegen oververhitting van woningen zijn onderverdeeld in drie niveaus. Hierbij is gekeken naar waar ze aangebracht kunnen worden namelijk, woning, gebouw of wijk. Tussen maatregelen op woning- en gebouwniveau is enige overlap, bij grondgebonden eengezinswoningen zijn de categorieën uitwisselbaar.
A. Woningniveau Actief Mobiele Airco’s Een mobiele airco voert de warme, vochtige lucht af via een luchtslang die uit het raam kan worden gehangen, of via een opening in de buitenwand of -muur. Een mobiele airco kan in bijna elke ruimte worden toegepast en is goedkoper dan een vast systeem. De mobiele airco is één van de minst efficiënte actieve systemen om een ruimte te koelen. Split-Unit Een split-unit werkt efficiënter dan een mobiele airco. Wel heeft een splitunit meer onderhoud nodig aan de binnen en buitensystemen om schimmel en onaangename geuren te voorkomen. Een splitunit is in de regel duurder dan de aanschaf van een mobiele airco. De buitenunit kan voor geluidsoverlast en verhoogde warmtelast in de omgeving zorgen. Lucht-Water Warmtepomp De warmtepomp onttrekt warmte aan het gebouw en geeft die warmte af aan de buitenlucht. Koelen met een warmtepomp kan in gebouwen met een voldoende lage energiebehoefte: energielabel B of beter. Om koude te kunnen afgeven moet de warmteafgifte geschikt zijn, zoals lage temperatuur convectoren en vloerverwarming. De buitenunit kan voor geluidsoverlast en verhoogde warmtelast in de omgeving zorgen.
Gemeente Amsterdam
Pagina 10 van 12
Passief: Zonwering Zonwering kan breed worden toegepast, maar werkt vooral goed bij ramen waar direct zonlicht (en daarmee warmte) het gebouw binnenkomt. Zonwering zorgt voor minder warmte maar ook voor minder natuurlijke lichtinval in het gebouw. Daarnaast kan de zonwering het uitzicht belemmeren. Zonwering is robuust en kent relatief weinig onderhoud. Nachtventilatie Spuiventilatie of het openen van ramen en deuren kan helpen bij het afkoelen van een woning in de zomer als het in de avond, nacht of ochtend buiten koeler is dan binnen. Een deel van deze openingen kan ook automatisch worden geopend en gesloten. Het heeft direct waarneembare invloed op het binnenklimaat. Via een spuiventilatieopening komt geluid van buiten het gebouw binnen. Vooral in slaapkamers kan dat overlast geven. PCM’s PCM (phase change material) is een passieve koudetechniek waarbij warmte wordt opgeslagen. Deze warmteopslag vindt plaats bij een faseovergang tussen bijvoorbeeld vast en vloeibaar. Op paraffine-gebaseerde systemen werken rond de 30oC passief en kunnen in de loop van een warme zomerdag opwarming van een verblijfsruimte vertragen, warmte wordt dus niet afgevoerd. PCM’s zijn in de demonstratiefase; veel producten en projecten zijn pilots. Zonwerende Beglazing Ramen die de zonnestraling tegenhouden verminderen de warmte die binnen ontstaat, ook in de winter.
In elk gebouw kan zonwerende beglazing worden gebruikt. In praktijk komt het vooral voor bij hoogbouw en op andere plekken waar buitenzonwering minder geschikt is. Buitenzonwering is vaak effectiever. Zonwerende folie en beglazing aanbrengen bij een vervangingsopgave is relatief eenvoudig. B. Gebouwniveau Actief: Compressiekoelmachines De werking van compressiekoelmachine’s (CKM) is vergelijkbaar met die van luchtwaterwarmtepompen en conventionele airco’s. Deze systemen worden echter vaak op gebouwniveau aangebracht en via een centraal ventilatiesysteem ingezet. Vaak is hiervoor een ingrijpende aanpassing aan het energiesysteem benodigd. Deze manier van koelen is minder efficiënt, maar wel goedkoper, dan koelen vanuit een bodembron en neemt ruimte op het dak in. Absorptiekoelmachines Absorptiekoeling gebruikt warmte om te koelen. Op dit moment wordt het nog niet op grote schaal toegepast in woningen. Absorptiekoeling kan qua efficiëntie niet concurreren met traditionele airco’s. Als de koelers gebruik maken van restwarmte of zonne-energie kunnen ze vaak toch economisch rendabel zijn. Absorptiekoeling is een rendabele optie als er voldoende
Gemeente Amsterdam
Pagina 11 van 12
grote koudevraag is (> 400 kW) en de warmteprijs lager is dan de elektriciteitsprijs. Daarnaast is absorptiekoeling betrouwbaar en relatief stil. Warmtepomp met bodembron Een warmtepomp koelt een gebouw door koud water uit de bron te pompen. De temperatuur van de bron is laag genoeg om comfortabel mee te koelen (10-12°C). Dit is een zeer efficiënte manier van koelen. Hiervoor is wel een afgiftesysteem benodigd dat geschikt is voor LT- verwarming. Zijn er lagere temperaturen benodigd dan moet de warmtepomp actief koelen en daalt het rendement. Passief: Vergroenen van gebouwen Groene daken en gevels bevorderen lokale beschaduwing, verkoeling en effect op luchtkwaliteit. Deze vragen regelmatig onderhoud en bijbehorende deskundigheid. Het succes ervan valt of staat hiermee. Verkoeling door verdamping werkt niet bij aanhoudende warmte in combinatie met droogte. Het effect van begroeiing (daken, gevels, bomen) wordt niet meegenomen in energieprestatieberekeningen (energielabel, BENG). Bouwkundig ontwerp aanpassen Een goed gekozen bouwkundig ontwerp van een gebouw kan ervoor zorgen dat de koudevraag kleiner wordt. Minder glas en meer massa zijn twee goede voorbeelden. Dit is zeer moeilijk om in de bestaande bouw toe te passen. Wordt dan ook vooral gezien als maatregel voor nieuwbouw.
Het gebouwontwerp heeft vaak geen doorslaggevende invloed op de binnentemperatuur, dat zijn de bewoners of gebruikers van het gebouw. C. Wijkniveau Actief: Koudenet Een koudenet levert koude aan meerdere gebouwen. Koudenetten komen voor in combinatie met warmte- koudeopslag (WKO), maar ook losstaand, waarbij de koude afkomstig is uit diep oppervlaktewater (efficiënt) of opgewekt wordt met koelmachines (minder efficiënt). In een gebouw dat is aangesloten op een koudenet is geen koelinstallatie nodig, alleen een afleverset en geschikte afgiftesystemen. Passief: Verminderen verharding Bij herinrichting en groot onderhoud waar mogelijk de verharding vervangen door groen. Zo kunnen bewoners samen genieten van een prettige, gezonde en natuurlijke leefomgeving. Deze maatregel is minder effectief dan een straat waar een frisse wind doorheen waait of mechanische verkoeling.
Gemeente Amsterdam
Pagina 12 van 12
Groene wijken Door het toevoegen van schaduw en groen in de wijk door vegetatie kan de omgevingstemperatuur omlaag gebracht worden. Uit onderzoek van de HVA blijkt dat vooral het creëren van schaduwrijke plekken in de stad een effectieve ruimtelijke adaptie maatregel tegen hittestress is. Wat de invloed hiervan is op de binnentemperatuur in gebouwen is situatieafhankelijk.