CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Bijlage 1.2 en 1.3 PlanMER_versie2.1_incl_samenvatting.pdf

RAAD 11 december 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Uiten van wensen en bedenkingen inzake het voorgenomen collegebesluit over het Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA) en het PlanMER (VN2024-013643)26.116 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Toelichting afkortingen: GO = gevoelig object, OO = overig object, TWh/jr = Terawattuur per jaar, EH = ernstig gehinderden, GES = Gezondheidseffectscreening

Effectbeoordeling zoekgebieden

43

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

3.4.2

Rekenmethode Met behulp van speciale software is berekend tot waar de slagschaduw van de onderzoeksopstellingen reikt. Van elk tijdstip in de toekomst is bekend waar de zon precies aan de hemel staat, waardoor ook de richting en afmeting van de slagschaduw bekend is. Omdat het niet altijd waait, en de zon niet altijd schijnt, gebruikt de berekening aannames op basis van gemiddelde weersomstandigheden in een jaar. Resultaat van deze berekening zijn ‘slagschaduwcontouren’ waarbinnen de jaarlijkse slagschaduw meer dan 30 minuten bedraagt. Vervolgens kan met behulp van GIS worden berekend hoeveel woningen zich binnen deze contour bevinden.

Figuur 26

Ligging van de 30-minuten slagschaduwcontour en de gevoelige objecten daarbinnen. Ter illustratie is zoekgebied 4A (Science Park) gebruikt.

Voor alle zoekgebieden is op deze manier het aantal slagschaduwgevoelige objecten bepaald dat minstens 30 minuten per jaar slagschaduw ontvangt. WindPRO kan ook berekenen hoeveel slagschaduw een windturbine op objecten veroorzaakt. De stilstand die nodig is om alle slagschaduw op alle slagschaduwgevoelige objecten te voorkomen is natuurlijk gelijk aan de hoeveelheid slagschaduw die een onderzoeksopstelling veroorzaakt. Dit is een beoordelingscriterium dat niet zozeer een milieueffect vertegenwoordigd, als wel een indruk geeft van de uitvoerbaarheid van een opstelling. Slagschaduw treedt alleen overdag op, op momenten dat het waait en de zon schijnt. Daarnaast geldt dat slagschaduw vooral relevant is als de zon laag aan Effectbeoordeling zoekgebieden

44

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

de hemel staat. Hoe hoger de zon staat, des te dichter blijft de slagschaduw bij de windturbine zelf. Daarom is de benodigde stilstand beperkt. Tenslotte is berekend hoeveel slagschaduw valt op overige terreinen (tuinparken, recreatiegebieden en panden met een logiesfunctie, zoals hotels).

Resultaten

3.4.3

Onderstaande tabellen tonen de resultaten voor alle beoordelingcriteria, waarbij (net als voor geluid) ook de resultaten relatief ten opzichte van de elektriciteitsproductie zijn gegeven (relatief beoordelingscriterium).

Tabel 9

Resultaten effectbeoordeling Slagschaduw. SGO: slagschaduwgevoelige objecten. Aantal SGO Aantal SGO met % Stilstand Totale slagschamet >30 minu> 30 minuten om aan 0- duwduur op oveten slagschaslagscha- uur norm te rige terreinen Zoekgebieden duw per jaar duw/GWh/jr voldoen (u/jr)

Haven Haven-Zuid Ring A10 Noord Science Park S/B-eiland Ijburg Baai Diemerpark Diemerscheg Weesperkarspel Gaasperplas Holendrecht Land. Noord IJmeer

1A 1B 3 4A 4C 4D 4E 5A 5B 5C 6A X1 X2

5.878 6.241 22.738 15.506 5.207 17.448 9.286 6.077 7.046 15.103 3.762 13.416 6.289

17 346 207 843 60 237 505 169 383 274 204 17 8

0,26% 0,69% 2,02% 3,31% 0,77% 2,56% 4,59% 0,72% 3,57% 2,96% 2,03% 1,93% 0,46%

226 358 1631 140 53 384 74 301 64 205 107 1681 382

Beoordeling

3.4.4

Per beoordelingscriterium zijn klassegrenzen gedefinieerd om een goed vergelijk tussen de zoekgebieden mogelijk te maken. Zie ook de algemene inleiding van dit hoofdstuk voor een toelichting. Beoordelingscriterium9 Aantal SGO binnen 30 minuten contour Aantal SGO binnen 30 minuten contour/GWh/jr % Stilstand om aan 0-uur norm te voldoen % Stilstand om aan 0-uur norm te voldoen /GWh/jr Totale slagschaduwduur op overige terreinen (uu:mm)

9

->10.000 >500 >3% >0,05% >300

5.000-10.000 100-500 1-3% <0,05% 100-300

0 <5.000 <100 <1% 0,00% <100

Toelichting afkortingen: GO = gevoelig object, OO = overig object, TWh/jr = TeraWattuur per jaar, EH = ernstig gehinderden, GES = Gezondheidseffectscreening

Effectbeoordeling zoekgebieden

45

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

Beoordelingscriteria SGO binnen 30 min.-contour

IJmeer

Land. Noord

Holendrecht

Gaasperplas

Weesperkarspel

Diemerscheg

Diemerpark

Ijburg Baai

S/B-eiland

Science Park

Ring A10 Noord

Haven-Zuid

Resultaat slagschaduw. SGO: slagschaduwgevoelige objecten. OT: overige terreinen.

Haven

Tabel 10

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

5878

6241

22738

15506

5207

17448

9286

7325

7046

15103

3762

13416

6289

SGO/GWh/jr binnen 30 min.-contour

17

346

207

843

60

237

505

203

383

274

204

17

8

% Stilstand voor 0-uur norm

0,3%

0,7%

2,0%

3,3%

0,8%

2,6%

4,6%

0,9%

3,6%

3,0%

2,0%

1,9%

0,5%

Slagschaduw op OT (u/jr)

231

357

1632

139

52

384

74

299

64

208

106

1682

381

3.5

Externe veiligheid Externe veiligheid kijkt naar de kans dat iemand komt te overlijden als gevolg van een windturbine die stuk gaat (of bijvoorbeeld een gastank die ontploft doordat een stuk van een windturbine hierop terecht komt). Bij externe veiligheid gaat het over kansen en statistieken. De Nederlandse wetgeving kent regels ter bescherming van de leefomgeving. Daarbij wordt gebruik gemaakt van ‘faalstatistieken’: de ingeschatte kans op falen van heel veel windturbinetypes op basis van daadwerkelijke ongelukken en ‘faalscenario’s’: de kans op mastbreuk, gondelafworp en wiekbreuk.

3.5.1

Beoordelingscriteria Het MER beoordeelt het thema ‘externe veiligheid’ aan de hand van een groot aantal criteria, die allerlei verschillende aspecten belichten:

3.5.1.1

Ligging t.o.v. (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties

Kwetsbare gebouwen en locaties zijn panden en terreinen waar grote aantallen mensen verblijven, of waar mensen langdurig verblijven. Denk aan bijvoorbeeld woningen, ziekenhuizen, scholen, kinderopvang, grote kantoorgebouwen, grote hotels en grote kampeerterreinen. In dit planMER worden onder kwetsbare objecten ook verstaan: tuinparken waar maximaal 7 maanden per jaar overnacht mag worden. Welke parken dit zijn, is gebaseerd op informatie van de gemeente Amsterdam. Met ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’ wordt bedoeld: panden en terreinen waar mensen aanwezig zijn, maar niet in groten getale en niet langdurig, zoals kleinere bedrijfspanden, kleine hotels, sporthallen en (specifiek voor dit planMER) tuinparken waar niet overnacht mag worden. De beoordeling in het MER is afhankelijk van de afstand tussen de windturbines in de onderzochte opstellingen en (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties. 3.5.1.2

Hoogspanning en Buisleidingen

Wanneer een windturbine faalt kan een onderdeel op een hoogspanningskabel of -mast terechtkomen als de onderlinge afstand klein is. Dit heeft een (zeer kleine) kans op menselijk overlijden, maar kan ook grote gevolgen voor de Effectbeoordeling zoekgebieden

46

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

leveringszekerheid van elektriciteit hebben. Daarom werkt TenneT (de landelijke netbeheerder) met een ‘adviesafstand’. Als de afstand van een windturbine tot hoogspanningsinfrastructuur groter is dan deze adviesafstand is er niets aan de hand. Is de afstand kleiner dan de adviesafstand, dan vraagt TenneT om in overleg te treden. Dit is geen wettelijk voorgeschreven grenswaarde, maar wel een belangrijk aspect in de ruimtelijke inpassing. Ook voor buisleidingen geldt een adviesafstand (ditmaal vanuit Gasunie). Voor de in het MER onderzochte windturbinetypes geldt dat de adviesafstand voor zowel hoogspanning als buisleidingen gelijk is aan de tiphoogte van de windturbines. De beoordeling in het MER is afhankelijk van de afstand tussen de windturbines in de onderzochte opstellingen en hoogspanning- of buisleidinginfrastructuur. 3.5.1.3

Risicovolle installaties

Risicovolle installaties zijn onderdelen van bedrijven waar een groot risico vanuit gaat. Vaak gaat het om bedrijven waar zeer grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen worden opgeslagen en/of bewerkt. Vaak is er een ‘kwantitatieve risicoanalyse’ nodig: een berekening waaruit blijkt hoezeer de kans toeneemt dat er iets misgaat met de risicovolle installatie doordat de windturbines er in de buurt worden geplaatst. De beoordeling in het MER is afhankelijk van de afstand tussen de windturbines in de onderzochte opstellingen en de risicovolle installaties. 3.5.1.4

Vaarwegen

Als een windturbine faalt kan een onderdeel op een nabijgelegen vaarweg terechtkomen. Daarnaast kan een windturbine die vlak langs de vaarweg staat verstoring van wal- en of scheepsradar veroorzaken. Daarom heeft Rijkswaterstaat in een Beleidsregel opgenomen dat windturbines minstens 50 meter van vaarwegen moet aanhouden, tenzij uit nader onderzoek blijkt dat een kortere afstand toch toelaatbaar is. De beoordeling in het MER is afhankelijk van de ligging van de windturbines in de onderzochte opstellingen ten opzichte van de vaarweg en de 50-meterzone. 3.5.1.5

Wegen en spoorwegen

Voor rijkswegen geldt (vanuit dezelfde beleidsregel als voor vaarwegen) een minimale afstand van 1/2 rotordiameter tot de verharding. Andere wegen kennen een dergelijke minimumafstand niet. Voor spoorwegen met bovenleiding hanteert ProRail een afstandseis tussen windturbines en de spoorweg (halve rotordiameter + 7,85 meter). De beoordeling in het MER is afhankelijk van de afstand van de windturbines in de onderzochte opstellingen tot de rijkswegen en spoorwegen.

Effectbeoordeling zoekgebieden

47

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030 3.5.1.6

Waterkeringen

Windturbines kunnen effect hebben op de stabiliteit van waterkeringen. Daarom is het gebruikelijk om dergelijk effect in een (plan)MER inzichtelijk te maken. Op het detailniveau van een gemeentebreed planMER is het voldoende om aan te kaarten in hoeverre windturbines binnen een beschermingszone gelegen zijn. Binnen de gemeente Amsterdam liggen waterkeringen van zowel Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (ten noorden van het IJ) en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (ten zuiden van het IJ). Deze hebben op een legger (kaart) aangegeven waar van elke waterkering de kernzone, de beschermingszone (of Beschermingszone A) en de buitenbeschermingszone (of Beschermingszone B) ligt. Uit de ruimtelijke analyse blijkt dat alle onderzoeksopstellingen in de zoeklocaties buiten de beschermingszone (A) liggen. Ligging in de buitenbescher-mingszone leidt tot een negatieve beoordeling. Dit is alleen het geval bij de zoekgebieden 3 en Landelijk Noord.

3.5.2

Methode Alle beoordelingscriteria zijn gerelateerd aan de ligging van de windturbines ten opzichte van andere ruimtelijke elementen. Daarom volgen de resultaten uit een GIS-analyse. Zie de technische bijlage voor een nadere toelichting.

3.5.3

Resultaten en beoordeling Per beoordelingscriterium zijn klassegrenzen gedefinieerd om een goed vergelijk tussen de zoekgebieden mogelijk te maken. Zie ook de algemene inleiding van dit hoofdstuk voor een toelichting.

Tabel 11 Beoordelingskader externe veiligheid. BKGL: Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. KGL: (zeer) Kwetsbare gebouwen en locaties. Beoordelingscriterium -0 Ligging t.o.v. BKGL (incl recreatie en Binnen PR 10-5 Binnen PR 10-6 maar Buiten PR 10-6 -5 volkstuinen zonder overnachting) buiten PR 10 Ligging t.o.v. KGL Binnen PR 10-6 n.v.t Buiten PR 10-6 (incl volkstuinen met overnachting) Ligging t.o.v. buisleidingen en hoogVoldoet niet aan de Voldoet aan de advies- Voldoet aan de spanning adviesafstand afstand maar binnen de adviesafstand werpafstand bij overtoeren Ligging t.o.v. risicovolle installaties Installatie binnen de Installatie binnen werp- Geen installatie binafstand bij overtoeren, nen werpafstand bij tiphoogte afstand maar buiten tiphoogte overtoeren contour afstand Ligging t.o.v. vaarwegen Windturbines gepro- Voldoet niet aan beVoldoet aan beleidsjecteerd binnen vaar- leidsregel vaarwegen regel wegen Rijkswaterstaat Ligging t.o.v. rijkswegen en spoorwegen Voldoet niet aan be- Voldoet aan de beleids- Voldoet aan de beleidsregel regel maar binnen de leidsregel

Effectbeoordeling zoekgebieden

48

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

Ligging t.o.v. waterkeringen

Windturbines geprojecteerd binnen beschermingszone A

werpafstand bij overtoeren Windturbines geprojec- Geen windturbines teerd binnen beschergeprojecteerd binmingszone B nen de beschermingszones

Voor de beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is aangegeven hoeveel objecten liggen binnen de PR 10-5. Na de schuine streep ( “/”) is aangegeven hoeveel objecten binnen de PR 10-6 contour, maar buiten de PR 10-5 contour liggen. Voor de beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is enkel het aantal objecten binnen de PR 10-6 contour aangegeven (het enige criterium).

Ijburg Baai

Diemerpark

Diemerscheg

Weesperkarspel

Land. Noord

IJmeer

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

5/104 0

0/2 1

0 4

0 0

0 0

0 0

0/1 0

0 1

0 0

0/7 0

0/1 0

0/15 1

0 0 --

Buisleidingen en hoogspanning Risicovolle installaties Vaarwegen Rijkswegen en spoorwegen Waterkeringen

Holendrecht

S/B-eiland

1A

Bep. kwetsbare gebouwen/locaties (Zeer) kwetsbare gebouwen/locaties

Gaasperplas

Science Park

Zoekgebieden

Haven

Ring A10 Noord

Effectbeoordeling externe veiligheid.

Haven-Zuid

Tabel 12

-

-

--

-

0

0

--

-

-

0

0

--

--

0

--

0

0

0

0

0

0

0

0

-

0

0

0

0

0

--

--

0

-

0

0

0

0

--

--

-

--

--

0

0

0

-

0

0

--

0

0

0

0

-

0

0

0

0

0

0

0

0

-

0

N.B. externe-veiligheidsaspecten zijn sterk locatiegebonden. Met een verschuiving van enkele tientallen meters kan een significant negatief effect vaak al teniet worden gedaan. Daarnaast geldt dat de zoekgebieden maximaal met windturbines zijn volgezet voor deze beoordeling. Het is belangrijk de bovenstaande beoordeling met deze nuance te interpreteren. Met behulp van mitigerende maatregelen zoals het verschuiven of laten vervallen van bepaalde windturbines is het in alle zoekgebieden mogelijk de effecten te verminderen of te voorkomen. Dit is echter meer iets voor vervolgonderzoeken op het detailniveau van individuele zoekgebieden, en niet voor een gemeentebreed planMER.

Effectbeoordeling zoekgebieden

49

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

3.6

Ecologie Bij het beoordelen van de ecologische milieueffecten maken wij onderscheid in effecten op beschermde (natuur)gebieden en effecten op beschermde soorten. De beoordeling van de effecten van windenergie op ecologische aspecten is uitgevoerd met behulp van bestaande gegevens en openbaar wetenschappelijk onderzoek en met behulp van (lokale gebieds)kennis van de stadsecologen. De bestaande gegevens bestaan o.a. Vogelatlas Amsterdam, kaartmateriaal van SOVON en verspreidingsgegevens van vleermuizen en (zee)zoogdieren.

Beoordelingscriteria en methode

3.6.1

In het kader van gebiedsbescherming kijkt het MER naar (het effect op) Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN), weidevogelgebieden, ganzenfoerageergebieden en de Ecologische Structuur10. In het kader van soortenbescherming focust het MER op het voorkomen van (beschermde) soorten dieren en planten, waarbij met name vogels en vleermuizen kwetsbaar zijn voor windparken. 3.6.1.1

Natura 2000-gebieden

Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Elk van deze gebieden is aangewezen voor bepaalde habitattypen en/of bepaalde soorten. Windturbines die in of in de buurt van een Natura 2000-gebied staan, kunnen een (negatief) effect hebben op aangewezen soorten/habitattypen. De beoordeling gebeurt in eerste instantie op basis van de afstand van de windturbines van een onderzoeksopstelling tot nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Indien een windturbinelocatie buiten Natura 2000-gebied gelegen is, betekent dit niet dat er geen mogelijke effecten kunnen optreden. Er kan namelijk sprake zijn van externe effecten. Dit geldt met name voor aangewezen vogelsoorten (Vogelrichtlijnsoorten). Naast de ligging is daarom ook gekeken naar maximale foerageerafstanden van vogels (en habitatrichtlijnsoort meervleermuis) aangewezen voor de Natura 2000-gebieden. Figuur 27 geeft de Natura 2000-gebieden weer in/nabij gemeente Amsterdam en de zoekgebieden inclusief de onderzoeksposities van de windturbines.

10

De Amsterdamse Ecologische Structuur wordt toegevoegd aan de Hoofdgroenstructuur 2.0. Door de Ecologische Structuur in de Hoofdgroenstructuur op te nemen krijgt deze dezelfde status (Omgevingsvisie Amsterdam 2050).

Effectbeoordeling zoekgebieden

50

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030 Figuur 27

Ligging Natura 2000-gebieden in/nabij gemeente Amsterdam t.o.v. zoekgebieden wind inclusief onderzoeksposities

3.6.1.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN) heeft als doel om natuurgebieden en omringend agrarisch gebied beter te verbinden. Binnen NNN komen verschillende ‘beheertypen’ voor, met elk bepaalde dieren- en plantensoorten die daar kunnen voorkomen. Sommige soorten zijn gevoelig voor windenergie. De beoordeling gebeurt op basis van de afstand van de windturbines van een onderzoeksopstelling tot nabijgelegen NNN-gebieden, waarbij rekening wordt gehouden met de natuurbeheertypes en de gevoeligheid van de soorten voor windturbines. Figuur 28 geeft de Natura 2000-gebieden weer in/nabij gemeente Amsterdam en de zoekgebieden inclusief de onderzoeksposities van de windturbines.

Effectbeoordeling zoekgebieden

51

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030 Figuur 28

Ligging NNN rond Amsterdam t.o.v. zoekgebieden wind inclusief onderzoeksposities

3.6.1.3

Weidevogelgebieden

De provincie Noord-Holland beschermt weidevogels door bepaalde gebieden aan te wijzen als weidevogelgebieden; dit zijn grote, open gebieden waar verstoring wordt beperkt en graslandgebruik en het waterpeil zijn ingericht ten behoeve van weidevogels. Om de effecten op weidevogelgebieden in kaart te brengen is gekeken naar de ligging van de onderzoeksopstellingen ten opzichte van de weidevogelgebieden, waarbij rekening wordt gehouden met de verstoringsafstand van weidevogels. Figuur 29 geeft de weidevogelgebieden weer in/nabij gemeente Amsterdam en de zoekgebieden inclusief de onderzoeksposities van de windturbines.

Effectbeoordeling zoekgebieden

52

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030 Figuur 29

Ligging weidevogelgebieden in/nabij gemeente Amsterdam t.o.v. zoekgebieden wind inclusief onderzoeksposities windturbines

3.6.1.4

Ganzenfoerageergebieden

Het doel van ganzenfoerageergebieden is om voldoende rust te kunnen bieden aan trekkende (winter)ganzen. De beoordeling gebeurt op basis van de afstand van de windturbines van de onderzoeksopstellingen tot nabijgelegen ganzenfoerageergebieden, waarbij rekening wordt gehouden met de verstoringsafstand van ganzen. Figuur 30 geeft de ganzenfoerageergebieden weer in/nabij gemeente Amsterdam en de zoekgebieden inclusief de onderzoeksposities van de windturbines.

Effectbeoordeling zoekgebieden

53

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030 Figuur 30

Ligging ganzenfoerageergebieden t.o.v. onderzoeksposities windturbines.

3.6.1.5

Ecologische structuur

De Amsterdamse Ecologische Structuur is een netwerk van grote en kleine gebieden die het groene netwerk binnen de stad en de verbinding met het omringende land zichtbaar maakt. Windturbines kunnen effecten hebben op de functionaliteit en verbindingen binnen de Ecologische Structuur. De beoordeling gebeurt op basis van de ligging van windturbines ten opzichte van de Ecologische Structuur. Figuur 31 geeft de Ecologische Structuur en ecopassages11 weer binnen gemeente Amsterdam en de zoekgebieden inclusief de onderzoeksposities van de windturbines.

11

Het gaat hierbij om de versie Ecologische Structuur onder de Hoofdgroenstructuur 1.0.

Effectbeoordeling zoekgebieden

54

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030 Figuur 31

Ligging Ecologische structuur en ecopassages binnen gemeente Amsterdam t.o.v. zoekgebieden wind inclusief onderzoeksposities windturbines

3.6.1.6

Soortenbescherming: vogels

Windturbines kunnen zorgen voor directe sterfte onder vogels, aangezien vogels met de rotorbladen in aanraking kunnen komen. Sterfte als gevolg van aanvaringen met windturbines kunnen zorgen voor effecten op de gunstige staat van instandhouding van vogels. Daarnaast kan habitatverlies of verstoring van vogels optreden door de realisatie van windturbines. Per zoekgebied is (kwantitatief) onderzocht welke en hoeveel gevoelige vogels (broedvogels en wintervogels) gemiddeld zijn aangetroffen. Hierbij is eveneens onderzocht of er Rode Lijst vogelsoorten binnen het gebied waargenomen zijn. Daarbij is onder andere gebruik gemaakt van informatie uit de Vogelatlas Amsterdam. Ook zijn de relatieve effecten in kaart gebracht. 3.6.1.7

Soortenbescherming: vogeltrek

Trekvogels zijn extra gevoelig voor windturbines, vooral bij ongunstige weersomstandigheden, zoals bij tegenwind, mist en regen. Op basis van SOVON-gevoeligheidskaarten is de treksterkte in verschillende delen van de gemeente in beeld gebracht. Het treksterkteregime ter plaatse van de onderzoeksopstellingen bepaalt de beoordeling.

Effectbeoordeling zoekgebieden

55

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030 Figuur 32

Vogeltrek in/nabij gemeente Amsterdam

3.6.1.8

Soortenbescherming: vleermuizen

Windturbines kunnen tot sterfte leiden onder vleermuizen wanneer zij in aanvaring komen met de wieken. Verschillende soorten zijn meer of minder gevoelig voor aanvaringen. Met name de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis, de rosse vleermuis, de bosvleermuis, de laatvlieger en de tweekleurige vleermuis lopen in Nederland risico. De meervleermuis betreft een laagvliegende soort, maar kan op tientallen meters hoogte jagen (Ahlén et al., 2007; A.J., Haarsma, 2016). Aangezien de maximale vlieghoogte onbekend is van de soort, wordt in het planMER uitgegaan dat de soort een mogelijke risicosoort is voor aanvaring met middelgrote en grote windturbines. De beoordeling per onderzoeksopstelling is gebaseerd op de waargenomen vleermuisregistraties (batlogger) en/of waarnemingen van vleermuizen in de omgeving van de windturbines. 3.6.1.9

Soortenbescherming: overige zoogdieren

Door de komst van windturbines kan leefgebied van zoogdieren verloren gaan of kunnen zij verstoring ervaren. Onderzoeksopstellingen die op korte afstand (minder dan 200 meter) liggen van locaties waar beschermde zoogdieren voorkomen worden negatief op dit aspect beoordeeld. NB. Overige soorten zoals amfibieën en reptielen ondervinden voornamelijk effecten in de aanlegfase, zie paragraaf 3.11. Wel kan er oppervlakteverlies plaatsvinden van leefgebied in de aanlegfase en exploitatiefase. Voor deze Effectbeoordeling zoekgebieden

56

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

soorten geldt dat deze niet doorslaggevend kunnen zijn voor effecten en vaststelling van de zoekgebieden. Reden hiervoor is dat deze soorten minder/niet vestoringsgevoelig zijn dan zoogdieren. Daarnaast zijn er veel mitigerende maatregelen mogelijk om effecten op deze soorten te voorkomen/beperken. Derhalve worden deze soortgroepen in een latere fase meegewogen in de projectMER's die volgen op het planMER. 3.6.1.10

Soortenbescherming: Amsterdamse beleidssoorten

Naast de landelijk of Europees beschermde soorten kent Amsterdam nog een aantal aanvullende soorten flora en fauna die binnen de gemeente beschermd worden. Onderzoeksopstellingen die op korte afstand (minder dan 200 meter) liggen van locaties waar dergelijke soorten voorkomen worden negatief op dit aspect beoordeeld. Figuur 33 geeft de waargenomen Amsterdamse beleidssoorten weer t.o.v. de zoekgebieden en onderzoeksposities. Figuur 33

Amsterdamse beleidssoorten (NDFF) en zoekgebieden wind inclusief onderzoeksposities

3.6.1.11

Compensatiegebieden

Soms wordt er natuurgebied gecompenseerd vanwege ontwikkelingen die een negatief effect op natuurgebieden hebben. Over het algemeen landen deze compensatiegebieden in de Ecologische Structuur en/of de Hoofdgroenstructuur (waardoor de effecten in dit MER al beoordeeld worden), maar sommige compensatiegebieden vallen hierbuiten. Het gaat daarbij om de twee mosselbanken, de Vijfhoek en de Zuidelijke IJmeerkust die in het kader van het aanleggen van IJburg fase 2 zijn gerealiseerd, zie Figuur 34. Onderzoeksopstellingen Effectbeoordeling zoekgebieden

57

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

worden beoordeeld op basis van hun ligging in of overdraai boven dergelijke compensatiegebieden. Figuur 34

Ligging compensatiegebieden die buiten Ecologische Structuur vallen

3.6.2

Resultaten De resultaten van de analyse zijn uitgebreid beschreven in de technische bijlage en samengevat in de tabel in de volgende paragraaf.

3.6.3

Beoordeling Het beoordelingskader is als volgt samen te vatten:

Beoordelingscriterium

--

Effecten op Natura 2000

In Natura 2000-gebied of overdraaiend over Natura 2000-gebied Effecten op NNN en natuurverErnstige aantasting: ligging bindingen (inclusief toekomstige (of overdraai) in NatuurnetNNN aangewezen uit HGS) werk Nederland-gebied Effecten op weidevogelgebieden

Effectbeoordeling zoekgebieden

Ernstige aantasting: ligging (of overdraai) in weidevogelgebied

-

0

Geen overdraai, wel binnen Geen overdraai, buiten foefoerageerafstand. rageerafstand Geringe aantasting: ligging binnen (externe werkings)afstand van 200 meter Geringe aantasting: ligging binnen verstoringsafstand van 200 meter

Ligging op meer dan 200 meter van Natuurnetwerk Nederland Ligging op meer dan 200 meter van weidevogelgebieden

58

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030 Effecten op ganzenfoerageergebieden

Effecten op Ecologische Structuur (en passages) Compensatiegebieden

Effecten op beschermde soorten: wintervogels Relatieve effecten: aantal wintervogels per GWh/jr Effecten op beschermde soorten: broedvogels (in paren/territoria) Relatieve effecten: aantal broedvogels per GWh/jr Effecten op beschermde soorten: vogeltrek Effecten op beschermde soorten: vleermuizen

Effecten op beschermde soorten: Amsterdamse beleidssoorten Effecten op beschermde soorten: overige soorten

Ernstige aantasting: ligging Geringe aantasting: ligging (of overdraai) in ganzenfoe- binnen verstoringsafstand van 500 meter (of ligging in rageergebied mogelijke vliegroute) Ernstige aantasting: ligging Geringe aantasting: overin Ecologische structuur draai over Ecologische structuur Ernstige aantasting: ligging Geringe aantasting: overbinnen compensatiegebie- draai over compensatiegeden bieden > 1000 individuen van 1 - 1000 individuen van kwetsbare soorten aanwe- kwetsbare soorten aanwezig zig >25 individuen per GWh/jr 1-25 individuen per GWh/jr

Ligging op meer dan 500 meter van weidevogelgebieden

> 100 broedparen/territoria van kwetsbare soorten aanwezig > 2 broedparen/territoria per GWh/jr Hoge treksterkte

1 - 100 broedparen/territoria van kwetsbare soorten aanwezig 0,1 - 2 broedparen/territoria per GWh/jr Gemiddelde treksterkte

Geen broedparen/territoria van kwetsbare soorten aanwezig 0 broedparen/territoria per GWh/jr Lage treksterkte

Veel registraties (batlogger) en/of waarnemingen van vleermuizen/verblijfplaatsen binnen 200 meter van het zoekgebied n.v.t (effecten kunnen goed gemitigeerd worden)

Gemiddeld/laag aantal registraties (batlogger) en/of waarnemingen van vleermuizen binnen 200 meter van het zoekgebied Soorten op locatie of binnen <200m aanwezig

Geen registraties (batlogger) en geen waarnemingen binnen 200 meter van het zoekgebied

n.v.t (effecten kunnen goed Soorten op locatie of bingemitigeerd worden) nen <200m aanwezig

Ligging en overdraai niet in Ecologische structuur Ligging en overdraai niet in/over compensatiegebieden Geen individuen van kwetsbare soorten aanwezig 0 individuen per GWh/jr

Geen effecten / soorten

Geen effecten / soorten

Op basis van de in voorgaande paragrafen beschreven aanpak zijn de beoordelingen van de zoekgebieden als volgt.

Effectbeoordeling zoekgebieden

Ring A10 Noord

Science Park

S/B-eiland

Ijburg Baai

Diemerpark

Diemerscheg

Weesperkarspel

Gaasperplas

Holendrecht

Land. Noord

IJmeer

Zoekgebied Effecten op Natura 2000 Effecten op NNN en natuurverbindingen (inclusief toekomstige NNN aangewezen uit HGS) Effecten op weidevogelgebieden Effecten op ganzenfoerageergebieden Effecten op Ecologische Structuur (en passages)

Haven-Zuid

Effectbeoordeling ecologie

Haven

Tabel 13

1A 0

1B --

3 --

4A 0

4C ---

4D ---

4E 0

5A --

5B 0

5C --

6A --

X1 ---

X2 ---

0

0

--

0

0

0

0

0

0

0

0

--

--

0

0

--

0

-

-

0

-

0

0

0

--

--

0

--

--

-

0

0

--

--

--

-

-

0

0

59

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030 Compensatiegebieden Effecten op beschermde soorten Wintervogels – aanwezige individuen Wintervogels – relatief

0

0

0

0

0

--

0

0

0

0

0

0

0

11170

105

6384

273

749

1019

315

549

216

405

246

54446*

17515*

33

6

58

15

9

14

17

15

12

7

13

71

23

Broedvogels - paren/territoria Broedvogels - relatief Vogeltrek Vleermuizen

347

8

678

22

304

317

34

61

23

62

47

2802

657*

1

0,44

6

1,2

3,5

4,3

1,8

1,7

1,3

1,1

2,6

3,6

0,9

-

0

-

-

--

--

--

-

-

-

-

--

--

-

-

--

-

--

--

--

--

-

-

0

--

--

Amsterdamse beleidssoorten Overige zoogdiersoorten

-

-

-

0

0

0

-

-

-

-

0

-

0

-

0

-

-

0

0

0

-

0

0

0

-

-

* De gemiddelde aantallen winter- en broedvogels zijn betrokken uit de Amsterdamse Vogelatlas. Delen van deze zoekgebieden vallen buiten het onderzoeksgebied van de Vogelatlas, waardoor de gepresenteerde waarden hoogstwaarschijnlijk een onderschatting van de daadwerkelijke aantallen zijn.

Effectbeoordeling zoekgebieden

60

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

3.7

Ondergrond (bodem, water & archeologie) Bij het aanleggen van windturbines vinden bodemwerkzaamheden plaats. De windturbines worden met een betonnen voet (de fundering) verankerd, waardoor in de aanlegfase een hoeveelheid grond moet worden ontgraven. Voor het ontgraven van grond gelden regels, om te voorkomen dat verontreinigde grond op schone grond wordt aangebracht. Tijdens de bouw van windturbines kunnen ook archeologische vondsten worden gedaan. Naast regels voor het ontgraven van de bodem, gelden bij de bouw van windturbines regels voor de waterhuishouding. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht zorgt in de gemeente Amsterdam voor het functioneren van het watersysteem en heeft regels om te zorgen voor: ➢ schoon en genoeg water in de sloten, grachten en meren; ➢ sterke dijken tegen overstromingen; ➢ en gezonde waterplanten en dieren.

3.7.1

Beoordelingscriteria Om de impact van windturbines op de bodem en archeologie binnen gemeente Amsterdam te beoordelen en de zoekgebieden hierop te vergelijken kijkt het MER naar de ligging van de onderzoeksopstellingen ten opzichte van: ➢ de kwaliteit van de bodem oftewel of de bodem op de locatie van de windturbineposities schoon of verontreinigd is. In de beoordeling wordt onderscheid gemaakt in verschillende kwaliteitszones die voortkomen uit de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Amsterdam (Figuur 35): o zones 1 t/m 3 betreffen zones met schone tot licht verontreinigde grond; o zones 4 t/m 7 betreffen zones met sterk verontreinigde grond. ➢ locaties met dubbelbestemming voor archeologische waarden (Figuur 36). Bij de beoordeling is onderscheid gemaakt in de verschillende waarden. Voor elke waarde is aangegeven vanaf welke oppervlakte en diepte archeologisch onderzoek nodig is.

Effectbeoordeling zoekgebieden

61

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030 Figuur 35

Bodemkwaliteitskaart Amsterdam inclusief onderzoeksposities

Figuur 36

Locaties met archeologische waarden (dubbelbestemmingen) en onderzoeksposities

62 Effectbeoordeling zoekgebieden

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

Daarnaast kijkt het MER om de effecten van windturbines op de waterhuishouding12 in kaart te brengen naar de ligging van de onderzoeksopstellingen ten opzichte van waterwingebieden engrondwaterbeschermingsgebieden. Figuur 37

Ligging waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden en onderzoeksposities

12

Waterkeringen zijn in het kader van externe veiligheid beoordeeld (paragraaf 3.5).

Effectbeoordeling zoekgebieden

63

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

3.7.2

Resultaten en beoordeling Alle beoordelingscriteria zijn gerelateerd aan de ligging van de windturbines ten opzichte van bodemzones en belangrijke gebieden voor water en archeologie. Daarom volgen de resultaten uit een GIS-analyse.

Beoordelingscriterium Ligging van windturbines ten opzichte van bodemkwaliteit (in zones).

-Meerdere windturbines op sterk verontreinigde grond (zone 4 t/m 7)

1 windturbine op sterk verontreinigde grond (zone 4 t/m 7) of saneringsgebied 1 of meer windturbineposities binnen (dubbel)bestemmingsplan met archeologische waarden 4, 5 of 6 1 windturbine gelegen in oppervlakte water

Ligging t.o.v. gebieden met dubbelbestemming voor archeologische waarden

1 of meer windturbines binnen (dubbel)bestemmingsplan met archeologische waarden 1, 2 of 3

Ligging t.o.v. oppervlaktewater

Meer dan 1 windturbine binnen oppervlaktewater

Ligging t.o.v. waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden

Meer dan 1 windturbine gele- 1 windturbine gelegen in gen in waterwin- en/of grond- waterwin- en/of grondwaterbeschermingsgebied waterbeschermingsgebied

0 Geen windturbines op verontreinigde grond (zone 1 t/m 3) Geen windturbineposities gelegen binnen dubbelbestemming waarde archeologie. Geen windturbines gelegen in oppervlaktewater Geen windturbines gelegen in waterwinen/of grondwaterbeschermingsgebied

Op basis van bovenstaand beoordelingskader worden de onderzoeksopstellingen in de zoekgebieden als volgt beoordeeld:

Effectbeoordeling zoekgebieden

Science Park

S/B-eiland

Diemerpark

Diemerscheg

Weesperkarspel

Gaasperplas

Holendrecht

Land. Noord

IJmeer

1A

1B

3

4A

4C 4D 4E

5A

5B

5C 6A

X1

X2

--

--

0

0

0

0

-

0

0

0

0

--

0

--

--

-

0

0

0

0

--

0

0

0

--

-

0

0

0

0

--

--

0

0

0

--

0

--

--

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Ijburg Baai

Ring A10 Noord

Zoekgebieden Ligging van windturbines ten opzichte van kwaliteit bodem (Bodemkwaliteitskaart). Ligging t.o.v. gebieden met archeologische waarden Ligging t.o.v. oppervlaktewater Ligging t.o.v. waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden

Haven-Zuid

Effectbeoordeling ondergrond.

Haven

Tabel 14

64

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

3.8

Landschap & Cultuurhistorie In hoeverre de plaatsing van windturbines invloed heeft op het landschap is altijd enigszins subjectief. Het MER probeert, met behulp van een groot aantal beoordelingscriteria, zo goed en objectief mogelijk het landschappelijke effect in beeld te brengen. De beoordeling sluit waar mogelijk aan bij bestaand landschappelijk beleid.

3.8.1

Beoordelingscriteria

3.8.1.1

Kwantitatieve beoordelingscriteria

Kwantitatieve beoordelingscriteria meten een hoeveelheid. In het geval van landschap is dit altijd een afstand tot bepaalde andere landschappelijke elementen. Uitgangspunt daarbij is hoe dichter bij, des te groter het (negatieve) effect. Dit MER beoordeelt de landschappelijke impact op basis van de ligging ten opzichte van: ➢ Bijzonder Provinciaal Landschap ➢ UNESCO Werelderfgoed ➢ Bestaande windturbines en hoogspanningsmasten (t.b.v. visuele interferentie) ➢ Amsterdamse Scheggenstructuur In de beoordeling wordt de afstand van windturbines tot deze gebieden vaak uitgedrukt in een aantal keer de tiphoogte (bijvoorbeeld 10x tip). Per zoekgebied is dan het grootste daar toegepaste type aangehouden. 3.8.1.2

Kwalitatieve beoordelingscriteria

Naast kwantitatieve beoordelingscriteria zijn er ook aspecten waar een beoordeling op basis van landschappelijke expertise nodig is. Dit zijn zogenaamde kwalitatieve beoordelingscriteria. Het gaat dan om; ➢ de impact op bestaande landschappelijke waarden, ➢ mate van aansluiting bij bestaande structuren, ➢ de herkenbaarheid van de opstelling, ➢ de aansluiting van de afmetingen van de windturbines bij het landschap ➢ lichthinder

3.8.2

Methode Voor wat betreft de kwantitatieve beoordelingscriteria zijn de verschillende afstanden gemeten met behulp van GIS-software (GIS: Geografisch Informatiesysteem). Voor de overige criteria is eerst een landschappelijke analyse uitgevoerd, bestaande uit ➢ Een inventarisatie en analyse van het provinciale en gemeentelijke beleid

Effectbeoordeling zoekgebieden

65

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030 ➢ ➢

Een inventarisatie en analyse van de landschappelijke hoofdstructuren Een inventarisatie en analyse van voorkomende landschapstypen

Zie voor deze landschappelijke analyse paragraaf 3.8.2 van de technische bijlage. Vervolgens is per kwalitatief beoordelingscriterium een beoordelingskader geformuleerd: ‘welke effecten leiden tot welke beoordeling’ en zijn de individuele onderzoeksopstellingen hiermee beoordeeld.

3.8.3

Visualisaties Hoewel het voor een gemeentebreed planMER niet haalbaar is om van alle opstellingen een volledige indruk te geven zijn toch representatieve visualisaties gemaakt waarmee de onderzoeksopstellingen geïllustreerd worden. Deze visualisaties hebben ook deels bijgedragen aan de landschappelijke beoordeling. De visualisaties zijn te vinden in paragraaf 3.8.3 van de technische bijlage.

3.8.4

Resultaten en beoordeling Bij de presentatie van de resultaten van de kwantitatieve beoordelingscriteria tonen onderstaande paragrafen steeds de kortste afstand van een windturbine binnen de onderzoeksopstellingen tot het betreffende gebied.

3.8.4.1

Ligging t.o.v. Bijzonder Provinciaal Landschap

1A 1B 1406 0

Minimale afstand tot BPL (m)

3 0

4A 4C 4D 4E 5A 1566 1332 902 914 21

5B 5C 6A X1 951 641 386 0

X2 26

De beoordeling is gedaan aan de hand van de hieronder beschreven beoordelingen. -0

Het zoekgebied bevindt zich in het bijzonder provinciaal landschap en tast daardoor de kernkwaliteiten aan. Het zoekgebied bevindt zich binnen de 10 x tip waardoor er sprake is van negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het BPL Het zoekgebied bevindt zich buiten de 10 x tip waardoor er geen negatieve effecten zijn op het BPL

Ligging t.o.v. Bijzonder Provinciaal Landschap

3.8.4.2

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

-

--

--

0

0

-

-

--

-

-

-

--

-

Ligging t.o.v. Unesco Werelderfgoed

Minimale afstand tot Unesco (m)

Effectbeoordeling zoekgebieden

1A 1B 3 4A 4C 4D 4E 5A 5B 5C 6A X1 X2 2022 4587 276 1266 0 0 197 1598 1333 1824 1407 0 0

66

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

De beoordeling is gedaan aan de hand van de hieronder beschreven beoordelingen. -0

Het zoekgebied is gelegen in, of in een straal van 1km van het Unesco erfgoed waardoor het harde afbreuk doet aan de karakteristieken van het erfgoed. Het zoekgebied is tussen de 1 en 2 km van het Unesco erfgoed gelegen waardoor het afbreuk doet aan de karakteristieken van het erfgoed. Het zoekgebied ligt verder dan 2 km van het Unesco erfgoed waardoor de afbreuk aan de karakteristieken van het erfgoed beperkt blijft.

Ligging t.o.v. Unesco Werelderfgoed

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

0

0

-

-

--

--

--

-

-

0

-

--

--

Ondanks de kleine afstand van 1 windturbine scoort zoekgebied 3 ‘slechts’ licht negatief doordat het merendeel van de opstelling tussen de 1 en 2 km is gelegen. 3.8.4.3

Ligging t.o.v. bestaande windturbines/hoogspanningsmasten 1A

Minimale afstand tot hoogspanning Minimale afstand tot bestaande windturbine

1B

834 4889 324

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

152 1551 1466

3

4A

534

223

170

236

544 3744

184

241

488 3247 6988 7170 8925 7940 5459 4543 3362

922 3521 2217

Het criterium ‘Ligging t.o.v. bestaande windturbines/ hoogspanningsmasten’ heeft minder met landschappelijke structuren te maken, maar meer met de (mogelijke) interferentie die een windpark heeft met andere windparken of hoogspanningsmasten. Er wordt beoordeeld op (eventuele) interferentie tussen windparken en/of hoogspanningsmasten. Dit criterium is mede beoordeeld n.a.v. de ‘Ruimtelijke handreiking wind op land’; ontwikkelprincipe: VI Aansluiten bij bestaande opstellingen ‘. Onder interferentie (of samenhang) wordt verstaan dat windturbines invloed uitoefenen op elkaars opstellingsvorm. Dit kan zowel storend als positief worden ervaren. Voor hoogspanningsmasten geldt voornamelijk dat de omgeving als ‘’extra rommelig’’ beleefd kan worden. Wieken die draaien met op de voorgrond hoogspanningsmasten vormen gezamenlijk een ander karakter (meer negatief) dan alleen één van de twee bouwwerken. Wat betreft de windturbines wordt er naar alle bestaande windturbines gekeken binnen een omtrek van enkele kilometers. Gezien de verwachte hogere impact wordt er binnen de 10x de tiphoogte strenger beoordeeld t.a.v. mogelijk interferentie tussen de voorgestelde windturbines van de zoekgebieden en de bestaande windturbines. Gezien de omvang van de hoogspanningsmasten wordt ervan uitgegaan dat tot 500 meter storende interferentie kan ontstaan met de voorgestelde windturbines.

Interferentie met hoogspanningsmasten weegt minder zwaar dan interferentie met bestaande windparken (omdat de hoogspanningsmasten een stuk kleiner zijn en geen bewegende onderdelen kennen. De beoordeling is gedaan aan de hand van de hieronder beschreven beoordelingen. Effectbeoordeling zoekgebieden

67

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

--

-

0

Wanneer het windpark ernstig storende interferentie vertoont met andere bestaande windparken, of er meerdere andere bestaande windparken en hoogspanningsmasten binnen een straal van de verhoogde storende afstand (10x tip en 500 m) van elkaar staan en er geen eenduidige opstellingsstructuur is tussen de bouwwerken. Wanneer het windpark storende interferentie vertoont met andere bestaande windparken, of er meerdere andere bestaande windparken en/of hoogspanningsmasten binnen een straal van de verhoogde storende afstand (10x tip en 500 m) van elkaar staan en de opstellingsstructuur tussen de windparken (licht) verschillen of er een rommelig beeld ontstaat door de verschillende bouwwerken. Wanneer er in de omgeving van het windpark geen andere bestaande windparken en of hoogspanningsmasten staan, of de andere bestaande windparken geen storende factor vormen voor de herkenbaarheid van de opstelling.

Ligging t.o.v. bestaande windturbines/ hoogspanningsmasten

3.8.4.4

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

--

--

--

-

-

-

-

--

-

-

-

--

--

Impact op de Scheggenstructuur

Afstand tot scheggenstructuur

1A 1B 387 0

3 4A 4C 4D 4E 5A 5B 5C 6A X1 X2 0 1162 896 869 1650 0 45 250 112 0 87

Het beoordelingscriterium ‘Impact op de Scheggenstructuur’ wordt beoordeeld aan de hand van de locatie van het zoekgebied en of deze zich in de scheggenstructuur bevindt. Bij de beoordeling is ervan uitgegaan dat windturbines in een zoekgebied beter ‘passen’ bij een grootschalig, statische en industrieel landschap dan bij een kleinschalig en natuurrijk landschap. De beoordeling is gedaan aan de hand van de hieronder beschreven beoordelingen. -0

Het zoekgebied bevindt zich in de Scheggenstructuur waardoor de waarde en beleving negatief wordt beïnvloed. Het zoekgebied bevindt zich binnen de 10 x tip van de Scheggenstructuur waardoor de waarde en beleving in mindere mate wordt aangetast Het zoekgebied bevindt zich buiten de 10 x tip van de Scheggenstructuur waardoor de waarde en beleving niet wordt aangetast.

Impact op de Scheggenstructuur

3.8.4.5

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

-

--

--

-

-

-

-

--

-

-

-

--

-

Impact op landschappelijke waarden

Het beoordelingscriterium ‘Impact op de landschappelijke waarden’ wordt beoordeeld aan de hand van de locatie van het zoekgebied en in welk landschapstype deze is gesitueerd. Elk landschapstype kent zijn eigen structuren en kwaliteiten. In de technische bijlage zijn de gebiedskenmerken (landschapstypen) geïnventariseerd. Bij de beoordeling is ervan uitgegaan dat windturbines in een

Effectbeoordeling zoekgebieden

68

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

zoekgebied beter ‘passen’ bij een grootschalig, statisch en industrieel landschap dan bij een kleinschalig en natuurrijk landschap. Bij elk zoekgebied is gekeken in hoeverre het ‘aansluit’ bij en impact heeft op de gebiedskenmerken. De beoordeling is gedaan aan de hand van de hieronder beschreven beoordelingen. --

-

0 +

Het zoekgebied doet afbreuk aan het landschapstype omdat het toepassen van wind afbreuk doet aan de kwaliteiten/waarden van het landschap zoals openheid en stiltegebied. Dit betreft ook zoekgebieden die buiten een landschapstype staan met deze waarden maar door hun formaat wel een negatieve invloed heeft op dit landschapstype. Het zoekgebied doet in mindere mate afbreuk aan het landschapstype omdat het toepassen van wind in mindere mate afbreuk doet aan de kwaliteiten/waarden van het landschap. Dit betreft zoekgebieden die op de rand een stedelijke omgeving zijn gelegen. Het zoekgebied doet geen afbreuk aan het landschapstype en doet geen afbreuk aan de kwaliteiten/waarden van het landschap maar voegt ook geen kwaliteiten toe. Het zoekgebied sluit aan bij de kwaliteiten van het landschapstype en voegt nieuwe kwaltieten/waarden toe aan het landschap.

Impact op landschappelijke waarden

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

0

-

--

0

0

0

0

--

-

-

-

--

--

De zoekgebieden met negatieve beoordeling (--) staan in weids en open gebied met de kernwaarde openheid of staan er dusdanig dichtbij dat deze waarde wordt aangetast. De zoekgebieden 3, X1 (Landelijk Noord) en X2 (IJmeer) bevinden zich in of zeer nabij stiltegebieden waardoor deze waarde ook wordt aangetast. De zoekgebieden die licht negatief beoordeeld zijn (-) hebben in mindere mate een negatief effect op het landschap. Dit betreft zoekgebieden die zich op de rand van de stedelijke omgeving en het buitengebied bevinden waardoor de impact op de landschappelijke waarden beperkt blijft. De zoekgebieden die neutraal beoordeeld zijn (0) bevinden zich in industriële omgeving of op het water waardoor de waarde van het landschap niet zal worden aangetast. Zoekgebied X2 bevindt zich op het water maar door de omvang van het zoekgebied en het aantal turbines zal dit een grote impact hebben op de waarde van het landschap ten noorden van Amsterdam. 3.8.4.6

Mate van aansluiting bij bestaande lijnstructuren

Het beoordelingscriterium ‘mate van aansluiting bij bestaande lijnstructuren’ wordt beoordeeld aan de hand van de locatie van het windpark ten opzichte van de landschappelijke structuren. Er wordt gekeken of het windpark aansluit bij (parallel loopt aan) de landschappelijke structuren (op macroniveau). De beschouwde structuren komen uit de Basiskaart Landschap van de provincie Noord-Holland: ➢ Vaarwegen ➢ Spoorwegen ➢ Provinciale wegen ➢ Rijkswegen Effectbeoordeling zoekgebieden

69

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

➢

Dijken

--

Het alternatief sluit niet aan bij de landschappelijke lijnen (structuren). Hieronder wordt verstaan dat de windturbines van het alternatief een andere richting aannemen/ niet parallel lopen ten opzichte van de hoofdstructuren van het landschap. Het alternatief sluit niet volledig aan op de landschappelijke lijnen (structuren). Hieronder wordt verstaan dat de windturbines van het alternatief net iets afwijken van de richting van de hoofdstructuren van het landschap. Het alternatief sluit aan op de landschappelijke lijnen (structuren). Hieronder wordt verstaan dat de windturbines van het alternatief in dezelfde richting lopen van de hoofdstructuren van het landschap of buiten de 10 x tip afstand zijn gelegen waardoor er geen relatie is met een structuur. Een solitaire windturbine die geen relatie aangaat met een structuur Wanneer dankzij het alternatief de landschappelijke lijn(en) (structuren) van het landschap worden verduidelijkt, deze de structuur leesbaarder maakt en dit een positief effect geeft aan de leesbaarheid van het landschap. Een solitaire windturbine die wel een relatie aangaat met een structuur waardoor het als een herkenningspunt gaat fungeren.

-

0

+

Mate van aansluiting bij bestaande (lijn) structuren

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

--

+

0

+

-

-

0

-

0

-

+

--

--

De zoekgebieden die negatief beoordeeld zijn (--) sluiten niet aan bij de landschappelijke structuren. De zoekgebieden die licht negatief beoordeeld zijn (-) sluiten niet volledig aan op de bestaande landschappelijke structuren. De zoekgebieden die neutraal beoordeeld (0) zijn zoekgebieden die bestaan uit een solitaire windturbine of bestaan uit zoekgebieden die aansluiten op de landschappelijke structuren. De zoekgebieden die positief beoordeeld zijn (+) sluiten aan op de bestaande structuren in het landschap en versterken deze. Zoekgebied 4A bestaat uit één windturbine maar deze is gelegen naast knooppunt watergraafsmeer waardoor deze turbine als een landmark/ herkenningspunt in het landschap kan gaan functioneren. Hetzelfde geldt voor 6A (knooppunt Holendrecht). 3.8.4.7

Herkenbaarheid van de opstelling

Het beoordelingscriterium ‘Herkenbaarheid van de opstelling’ beoordeelt de opstelling van het windpark. Daarbij wordt ook meegenomen hoe dit patroon visueel overkomt op waarnemers in de omgeving. Ten behoeve van dit criterium zijn er visualisaties opgesteld Om te kunnen beoordelen hoe de opstelling gelegen is in het landschap en of deze herkenbaar overkomt voor de waarnemer. Plaatsing en plaatsingsafstand Bij de herkenbaarheid van de opstelling wordt vaak onderscheid gemaakt tussen diverse ‘typen opstellingen’ zoals ook beschreven in de Ruimtelijke handreiking wind op land (2021) van de Provincie Noord-Holland. Grofweg kan er onderscheid worden gemaakt in vijf verschillende varianten, te weten: solitaire turbine, cluster, lijnopstelling, grid en familie van solitairen. Strakke duidelijke geometrische lijnen zijn vaak eerder herkenbaar dan willekeurig geplaatste windturbines met verschillende afstanden ten opzichte van Effectbeoordeling zoekgebieden

70

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

elkaar. Door de afstand van de windturbines (binnen een windpark) ten opzichte van elkaar en het daardoor ontstane perspectief, kan ook een lichte knik of vervorming in een lijn een negatieve invloed hebben op de leesbaarheid van de opstelling en daarmee op de beleving van het windpark in het landschap. Alle zoekgebieden zijn individueel beoordeeld. Bij elk alternatief is gekeken in hoeverre de herkenbaarheid verstoord wordt vanuit verschillende locaties rondom het projectgebied. De beoordeling is gedaan aan de hand van de hieronder beschreven beoordelingen.

3.8.4.8

S/B-eiland

IJburg Baai

Diemerpark

Diemerscheg

Weesperkarspel Gaasperplas

Holendrecht

Land. Noord

IJmeer

Herkenbaarheid van de opstelling

Science Park

+

Ring A10 Noord

0

Havan-Zuid

-

De opstelling is een ernstig storende factor voor de waarnemer. De herkenbaarheid van de opstelling wordt vanuit het oogpunt van de waarnemer ernstig verstoord, omdat de opstelling een onduidelijk patroon kent. De opstelling is een storende factor voor de waarnemer. De herkenbaarheid van de opstelling wordt vanuit het oogpunt van de waarnemer verstoord, omdat de opstelling een patroon heeft maar deze niet van meerdere perspectieven duidelijk is. De opstelling is in kleine mate een storende factor voor de waarnemer. De herkenbaarheid van de opstelling wordt vanuit het oogpunt van de waarnemer niet tot nauwelijks verstoord of de opstelling bestaat uit 1 windturbine, De opstelling is duidelijk herkenbaar in het landschap en vormt vanuit meerdere perspectieven een rechte lijn.

Haven

--

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

--

+

-

0

-

-

0

-

0

+

0

--

0

Mate verhouding maatvoering/dimensie tot landschap

Het criterium ‘Mate verhouding/dimensie tot landschap’ beoordeelt de onderzoeksopstellingen t.o.v. van de omgeving en het type landschap. Over het algemeen worden windturbines meer gewaardeerd en beter passend geacht in een grootschalig open landschap met grote structuren. Minder bij kleine landschappen met veel opgaand groen. In dit criterium wordt onderzocht of het zoekgebied met windturbines passend is bij de dimensie van het landschap of dat het juist geen goede combinatie vormt met de omgeving. Of een zoekgebied passend is in het type landschap wordt gebaseerd op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland. De beoordeling is gedaan aan de hand van de hieronder beschreven beoordelingen. --

De onderzoeksopstelling past niet bij de dimensie van het landschap. De onderzoeksopstelling sluit niet volledig aan bij de dimensie van het landschap.

0

De onderzoeksopstelling doet geen afbreuk aan de kwaliteiten/waarden van het landschap maar voegt ook geen extra dimensies toe.

Effectbeoordeling zoekgebieden

71

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

Mate verhouding dimensie tot landschap

3.8.4.9

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

0

-

--

0

0

0

-

--

-

-

-

--

--

Lichthinder

Het beoordelingscriterium ‘obstakelverlichting’ wordt beoordeeld aan de hand van de eventuele verlichting die aanwezig is op de windturbines. In relatie tot luchtvaartveiligheid dienen windturbines te worden voorzien van obstakelverlichting. Deze verlichting kan vooral tijdens de nachtlichturen erg dominant overkomen en daarmee een rustig landschapsbeeld verstoren. De mate waarin en de manier waarop obstakelverlichting dient te worden toegepast is sterk afhankelijk van de geldende wet- en regelgeving. Hoewel op voorhand nog niet vaststaat welk type obstakelverlichting wordt toegepast, is in het MER toch een beoordeling gegeven voor het te verwachten effect van de obstakelverlichting. Wanneer een opstelling slechts in beperkte mate met obstakelverlichting hoeft te worden uitgevoerd wordt deze meer positief beoordeeld. In het ‘Informatieblad aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland’ wordt het volgende gezegd over het aanbrengen van obstakelverlichting op windturbines: ➢ Windturbines tot 210m tiphoogte moeten één keer midden op de mast en één keer op de gondel verlichting toepassen. ➢ Windturbines groter dan 210 moeten 2x op de mast en één keer op de gondel verlichting toe passen. -0

Verplichting tot het aanbrengen van drie obstakellichten of opstellingen van meer dan 5 windturbines die elk 2 obstakellichten dragen. Verplichting tot het aanbrengen van twee tot drie obstakellichten en bestaat uit max. 5 windturbines. Geen verplichting tot het aanbrengen van verlichting.

Lichthinder

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

0

0

-

-

-

-

-

0

-

-

-

--

--

Zoekgebied 1A (gelegen in de haven) zou door de ligging naast het Noordzeekanaal obstakelverlichting nodig hebben. Desondanks scoort dit zoekgebied neutraal doordat dit gebied al veel industriële verlichtingsvormen kent. NB. Bovenstaande beoordeling staat los van eventuele toepassing van naderingsdetectie of transpondertechnologie waarmee de obstakelverlichting enkel in werking treedt wanneer er daadwerkelijk een vliegtuig of helikopter in de nabijheid van het windpark komt. Zie ook paragraaf 5.2.3.4.

Effectbeoordeling zoekgebieden

72

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

Science Park

S/B-eiland

Ijburg Baai

Diemerpark

Diemerscheg

Weesperkarspel

Gaasperplas

Holendrecht

Land. Noord

IJmeer

Effectbeoordeling landschap

Ring A10 Noord

Tabel 15

Haven-Zuid

Samenvatting landschappelijke beoordelingscriteria

Haven

3.8.4.10

1A -

1B --

3 --

4A 0

4C 0

4D -

4E -

5A --

5B -

5C -

6A -

X1 --

X2 -

0 --

0 --

--

-

--

--

--

--

-

0 -

-

---

---

0

--

---

0

0

0

0

---

-

-

-

---

--

--

+

0

+

-

-

0

-

0

-

+

--

--

Verhouding tot landschap

-0

+ -

--

0 0

0

0

0 -

--

0 -

+ -

0 -

---

0 --

Lichthinder

0

0

-

-

-

-

-

0

-

-

-

--

--

Beoordelingscriteria Bijzonder Provinciaal Landschap Unesco Werelderfgoed Interferentie Scheggenstructuur Landschappelijke waarden Aansluiting bij bestaande structuren Herkenbaarheid van de opstelling

Effectbeoordeling zoekgebieden

73

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

3.9

Recreatie

3.9.1

Beoordelingscriteria Om de impact van windturbines op recreatie in en om Amsterdam te beoordelen en de zoekgebieden hierop te vergelijken kijkt het MER naar de ligging van de onderzoeksopstellingen ten opzichte van een aantal recreatieve objecten: ➢ Wandel-, sport- en hondenuitlaatgebieden ➢ (Tuin)parken ➢ (Water)recreatie ➢ Hoofdgroenstructuur

3.9.2

Methode Alle beoordelingscriteria op het thema recreatie zijn kwantitatief van aard. Hiervoor is een GIS-analyse uitgevoerd, waar afstanden uit voortkomen die tot een beoordeling leiden.

3.9.3

Resultaten en beoordeling

3.9.3.1

Ligging t.o.v. wandel- sport en hondenuitlaatgebieden

Het criterium ‘Ligging t.o.v. wandel- sport en hondenuitlaatgebieden’ gaat in op de mate en wijze van aantasting op deze type recreatiegebieden. Voor het beoordelen wordt gekeken naar de combinatie van hondenuitlaatgebieden en sportcomplexen. 1A Afstand tot sportlocaties Afstand tot hondenuitlaatgebieden

1B

1073 799

3

4A

4C

4D

4E

X1

X2

538 283 395 60

600 532

1212 1304

463 556

373 955 457 408 1167 382 7 2518 4799 4183 5799 41

5A

5B

5C

6A

993 869

De beoordeling is gedaan aan de hand van de hieronder beschreven beoordelingen. -0

Het zoekgebied bevindt zich in een wandel- sport of hondenuitlaatgebied waardoor de waarde en beleving van het gebied negatief wordt beïnvloed. Het zoekgebied bevindt zich binnen de 10 x tip afstand van een wandel- sport en hondenuitlaatgebied waardoor de waarde en beleving in mindere mate wordt aangetast. Het zoekgebied bevindt zich buiten de 10 x tip afstand van een wandel- sport en hondenuitlaatgebied waardoor de waarde en beleving niet wordt aangetast.

Ligging t.o.v. sport- wandel en hondenuitlaatgebieden

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

0

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Zoekgebied 1A scoort neutraal omdat de wandel, sport en hondenuitlaatgebieden gemiddeld gezien buiten de 10 x tip zijn gelegen en deze gebieden al worden beïnvloed door het industrieel karakter van de haven.

Effectbeoordeling zoekgebieden

74

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030 3.9.3.2

Ligging t.o.v. (tuin)parken

Voor het beoordelen van dit criterium wordt gekeken naar parken, plantsoenen, de binnenstad van Amsterdam en naar volkstuincomplexen. De minimale afstand tot een park, plantsoen of volkstuincomplex is leidend voor de score van het zoekgebied. 1A

1B

3

4A

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

Afstand tot (tuin)parken

560

19

11

194

2295 1432

4C

602

135

793

662

633

95 1122

Afstand tot parken/plantsoenen

383

0 128

718

1740

0

0

0

0

703

X2

580 485 1428

De beoordeling is gedaan aan de hand van de hieronder beschreven beoordelingen. -0

Het zoekgebied bevindt zich in een (tuin)park waardoor de waarde en beleving van het gebied negatief wordt beïnvloed. Het zoekgebied bevindt zich binnen de 10 x tip afstand van een (tuin)park waardoor de waarde en beleving in mindere mate wordt aangetast. Het zoekgebied bevindt zich buiten de 10 x tip afstand van een (tuin)park waardoor de waarde en beleving niet wordt aangetast.

Ligging t.o.v. (tuin)parken

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

*X1

*X2

0

--

-

-

0

-

--

--

--

--

-

-

-

Zoekgebied 1A scoort neutraal omdat de (tuin)parken en plantsoenen gemiddeld gezien buiten de 10 x tip zijn gelegen en deze gebieden al worden beïnvloed door het industrieel karakter van de haven. *Zoekgebied X1 en X2 scoren licht negatief ondanks dat deze gemiddeld genomen buiten de 10 x tip afstand zijn gelegen. De waarde en beleving van groen in de vorm van (tuin)parken en plantsoenen zal negatief worden beinvloed door de windturbines. Ligging t.o.v. (water)recreatie Het criterium ‘Ligging t.o.v. waterrecreatie’ gaat in op de mate en wijze van aantasting op recreatiegebieden gelegen in het water. Voor het beoordelen wordt gekeken naar de ligging van de zoekgebieden t.o.v. van recreatiegebieden bevinden met de focus op waterrecreatie en openbare zwemplekken. Alle zoekgebieden zijn individueel beoordeeld. Bij elk zoekgebied is gekeken in hoeverre deze binnen of nabij een recreatiebestemming met water is gelegen. De beoordeling is gedaan aan de hand van de hieronder beschreven beoordelingen. -0

Het zoekgebied bevindt zich in een waterrecreatiegebied Het zoekgebied bevindt zich binnen de 10 x tip afstand van een waterrecreatiegebied Het zoekgebied bevindt zich buiten de 10 x tip afstand van waterrecreatiegebied.

Ligging t.o.v. waterrecreatie

3.9.3.3

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

0

-

0

-

--

--

-

-

--

--

-

-

--

Ligging t.o.v. hoofdgroenstructuur

Het criterium ‘ligging t.o.v. hoofdgroenstructuur’ gaat in op de mate en wijze van aantasting van de aanwezige stedelijke groenstructuur door grootschalige Effectbeoordeling zoekgebieden

75

PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030

windparken. Bij dit criterium wordt beoordeeld in hoeverre de komst van een eventueel windpark invloed heeft op de beleving van het aanwezige groen, de beperkingen in bestaande of toekomstige verbindingen. Windturbines zullen geen positief effect hebben op de stedelijke groenstructuur omdat er bij het inpassen van een windturbine geen groen zal worden toegevoegd en de beleving van het bestaande groen altijd minder zal worden dan de bestaande situatie. Windturbines zorgen daarnaast niet voor nieuwe verbindingen in de groenstructuur. Afstand tot hoofdgroenstructuur (m)

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

6

0

0

4

86

80

0

0

5B 5C 0

6A

X1

X2

0

0

0

0

In twee zoekgebieden staan onderzoeksposities zeer dicht tegen de hoofdgroenstructuur aan (<10m). Omdat een windturbine op deze afstand met zijn fundering alsnog in de hoofdgroenstructuur zou komen gaan wij voor deze locaties uit van ligging in de hoofdgroenstructuur. De beoordeling is gedaan aan de hand van de hieronder beschreven beoordelingen. --

0

In het zoekgebied liggen windturbines in de hoofdgroenstructuur waardoor de waarde en beleving van de stedelijke groenstructuur negatief wordt beïnvloed. In het zoekgebied liggen windturbines binnen de 10 x tip afstand van de hoofdgroenstructuur waardoor de waarde en beleving van de stedelijke groenstructuur in mindere mate negatief wordt beïnvloed. In het zoekgebied liggen geen windturbines binnen de 10 x tipafstand van de hoofdgroenstructuur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14896427/1