CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2023 def

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 25 mei 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van het Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2023Nr. VN2023-0083985.680 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2023 Eerste herziening

Opgesteld door:

Nick Smit (Fondsbeheerder) Cor Ligthert

In opdracht van:

Wethouder Zita Pels

Vastgesteld op: Besluitkenmerk:

28-03-2023 Nog niet bekend

Voorwoord

We zitten midden in een klimaat- en energiecrisis. De transitie komt steeds sneller op gang, maar het tempo is nog niet hoog genoeg. Overheden moeten samenwerken om tot versnelling te komen, ook als investeringen zichzelf nog niet (volledig) terugverdienen, want de klimaatcrisis kent geen pauzeknop. Met het Klimaatfonds neemt de gemeente Amsterdam verantwoordelijkheid om de transitie uit te breiden en te versnellen. Hier hebben we de resterende 20 miljoen van het Klimaatfonds hard voor nodig. Maar we moeten op zoek naar aanvullende financiering die hard nodig is om onze doelen te bereiken. Voor de komende jaren doet Amsterdam dan ook een beroep op de medeoverheden om financieel fors bij te gaan dragen aan de Amsterdamse transitie. Daarnaast brengen we focus aan in de resterende middelen van het Klimaatfonds, waarmee we nog steeds een belangrijk verschil kunnen maken. Op 13 februari 2019 besloot de gemeenteraad van Amsterdam een bestemmingsreserve van €150 miljoen in te stellen met als doel om investeringen in de stad, die bijdragen aan een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraal en aardgasvrij te ondersteunen. Deze bestemmingsreserve heet het Klimaatfonds.

Eén van de voorwaarden voor onttrekking aan het Klimaatfonds was dat voorstellen tot investering toelichten op welke wijze ze passen binnen de visie op de inzet van het fonds, zoals dat is vastgelegd in het bestedingsperspectief. De Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal is maart 2020 vastgesteld en kort daarvoor stelde het college het Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020 vast. Bij het raadsbesluit tot inrichting van het Klimaatfonds is ook gesteld dat het college het bestedingsperspectief gelijktijdig actualiseert met de jaarlijkse programmatische actualisatie van de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal. In de praktijk is er echter geen sprake van een jaarlijkse programmatische actualisatie. Bij de vaststelling van de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal is besloten tot een jaarlijkse monitor waar wordt gerapporteerd over de voortgang en niet tot actualisatie. Zonder een gepast moment of directe noodzaak is het bestedingsperspectief niet geactualiseerd. Het voorgaande doet er niet aan af dat de raad, onder andere met het sociaal en duurzaam perspectief ‘Samen Sterker uit de Crisis’ van 2 september 2020, heeft besloten tot een aantal onttrekkingen die een dusdanige impact hebben op de beschikbaarheid van middelen in het Klimaatfonds, dat het Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020 nog maar een zeer beperkte

2

bruikbaarheid kent. De verkiezingen van 2022 en de totstandkoming van het ‘Amsterdams Akkoord’ coalitieakkoord 2022 - 2026 geven nog een verder aanleiding tot deze herziening. Deze eerste herziening kent een ander karakter dan het Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020. Daar waar het Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020 vooral de grote open bestedingsruimte van €150 miljoen mogelijke invulling gaf zal deze herziening door de relatief beperkte resterende middelen logischerwijs een veel kleinere scope kennen. In deze herziening worden daarom ook de transitiepaden uit de Routekaart losgelaten, ten behoeve van zo concreet en nauwkeurige mogelijk omschrijvingen van de beoogde besteding. Het zal ook ingaan op de omgang met vrijval en onderbesteding op reeds eerder geoormerkte bestedingen.

3

Inhoudsopgave Voorwoord...................................................................................2 2 Criteria en uitgangspunten........................................................5 2.1 Hoe werkt het Klimaatfonds............................................................................5 2.3 Uitgangspunten...............................................................................................6 3 Dotaties, oormerking en bestedingsruimte.................................8 3.1 Inleiding...........................................................................................................8 3.2 Dotaties...........................................................................................................8 3.1 Oormerking.....................................................................................................9 3.2 Risicoreserveringen.......................................................................................11 3.3 Vrije bestedingsruimte..................................................................................11 3.4 Vrijkomende bestedingsruimte.....................................................................11 3.5 Samenvatting bestedingsruimte...................................................................14 4 Beoogde besteding..................................................................15 4.1

Inleiding.........................................................................................................15 4.2 Energietransitie gebouwde omgeving buurtgerichte aanpak.......................15 4.3 Andere concrete bestedingen.......................................................................19 5 Samenvatting..........................................................................22

4

2 Criteria en uitgangspunten

2.1 Hoe werkt het Klimaatfonds Bij het instellen van het Klimaatfonds is een aantal criteria en uitgangspunten vastgesteld om te borgen dat de gemeente de middelen zodanig inzet dat in samenwerking met andere partijen een klimaatneutrale en aardgasvrije stad wordt bereikt. Om gebruik te kunnen maken van een financiële bijdrage uit het Klimaatfonds moet de initiatiefnemer een concreet bestedingsvoorstel voorleggen aan het bestuur, conform de notitie governance en beheer Klimaatfonds1. De fondsbeheerder toetst bestedingsvoorstellen aan de kwaliteitscriteria (2.2), de uitgangspunten (2.3) en de financiële strategie zoals beschreven in dit bestedingsperspectief en geeft advies aan de directeur Ruimte en Duurzaamheid en betrokken wethouder(s), waarna de gebruikelijke bestuurlijke besluitvorming volgt. Dit betekent dat aan de beschrijving in de volgende hoofdstukken van de financiële strategie en het verwachte beroep op het Klimaatfonds geen rechten kunnen worden ontleend, zolang de raad of het college (voor bedragen onder 1 miljoen euro) daarvoor geen bestedingsvoorstel heeft vastgesteld. De verdeling van middelen, zoals beschreven in dit bestedingsperspectief 2023, beperkt in principe wel sterk het aantal onderwerpen waaraan de middelen uit het Klimaatfonds uitgegeven kan worden en plaatst harde schotten tussen die onderwerpen.

2.2 Kwaliteitscriteria De raad heeft bij het instellen van het Klimaatfonds ingestemd met een aantal voorwaarden aan de kwaliteit van de onderbouwing van voorstellen om middelen uit het fonds te onttrekken. i. De besteding past binnen het doel van het fonds: bijdragen aan investeringen die bijdragen aan de realisatie van de ambities om (a) Amsterdam in 2050 klimaatneutraal te laten zijn en/of om (b) Amsterdam in 2040 aardgasvrij te laten zijn. ii. Investeringen dienen gerealiseerd te worden binnen de gemeentegrenzen. Een beperkt deel van investeringen waar het Klimaatfonds een bijdrage aan levert kan gelegen zijn buiten de gemeente maar binnen de Metropool Regio Amsterdam. iii. In het voorstel wordt toegelicht op welke wijze de investering past binnen de visie op de inzet van het Klimaatfonds, zoals opgenomen in het bestedingsperspectief.

5

iv. Cijfermatig wordt toegelicht hoe de voorgestelde besteding bijdraagt aan (één van) de doelen van het fonds. v. Er wordt aangegeven hoe en in welke mate de investering wordt gedekt uit de reguliere investeringsplanning van betrokken instelling of sector, uit besparingen op de energie- en onderhoudslasten en/of uit bijdragen van andere overheden en derden. vi. Er wordt aangegeven welk financieel instrumentarium ten laste van het Klimaatfonds wordt ingezet. Daarbij gelden de gemeentelijke beleidskaders voor dit instrumentarium en worden de lasten van de inzet van het instrumentarium integraal ten laste van het Klimaatfonds gebracht. vii. De risico’s van de investering en de maatregelen om deze te beheersen zijn beschreven. Deze kwaliteitscriteria blijven bij het bestedingsperspectief 2023 van toepassing.

2.3 Uitgangspunten Bij het instellen van het Klimaatfonds zijn voor de besteding een aantal uitgangspunten geformuleerd. Deze uitgangspunten blijven bij het bestedingsperspectief 2023 van toepassing. 1. Bereik maximaal resultaat voor de ingezette euro (kostenefficiency) De gemeente kiest de route waarbij maximaal het doel wordt bereikt met de beschikbare middelen: de uitstoot van CO2 wordt gereduceerd en woningen en vastgoed gaan van het gas. Dat rendement hoeft zich niet altijd op korte termijn voor te doen. Investeringen in de transitie kunnen soms pas op termijn renderen in termen van CO2-reductie – bijvoorbeeld als eerst wordt overgestapt op elektriciteit en pas in de loop der jaren de opwek van elektriciteit wordt verduurzaamd. 2. Heb inzicht in de opgave, de omvang van investeringen, besparingen, resterende onrendabele top: Als gemeente hebben we zicht nodig op de omvang van de opgave. Er zijn omvangrijke investeringen nodig, maar hoeveel dan? In welke mate kunnen die meelopen in de reguliere investeringsplanning van betrokken partners? Naar mate de plannen beter aansluiten op de afschrijf- en vervangingscycli van onze partners is de opgave beter te beheersen.

In welke mate verdienen de investeringen zich terug door besparing op energie en onderhoud? Wat resteert er dan nog als onrendabele opgave? Zonder een onderbouwde businesscase en eigen inbreng van initiatiefnemers en eigenaren zal de gemeente geen middelen vanuit het Klimaatfonds inzetten. 3. Kies als gemeente bewust de eigen rol per transitiepad:

6

De Energietransitie en klimaatneutraliteit zijn opgaves van de hele stad, waar de gemeente een actieve rol in speelt. Niet op ieder transitiepad is het logisch om als gemeente dezelfde rol te nemen en zijn andere partijen als bedrijven, de industrie of het Rijk aan zet. De door het college beoogde rol van het klimaatfonds wordt in de volgende hoofdstukken echter niet per transitiepad bepaald. De concrete voorstellen vallen wel binnen de transitiepaden die de raad heeft bepaald en geven daarmee dus ook duidelijkheid over de rol van de gemeente binnen die transitiepaden. Voor resultaat is partnerschap onvermijdelijk, het gaat immers om de woon- en werkomgeving van mensen en bedrijven en zij zullen willen beslissen of ze investeren in een klimaatneutrale stad. Geld is lang niet altijd het meest effectieve instrumentarium vanuit de gemeente. Soms zijn wetgeving en regulering, of communicatie en informatie veel effectiever. 4. De gemeente heeft een actieve regulerende en financiële rol van het Rijk nodig: Op dit moment is het speelveld van de energievoorziening nog niet gunstig voor de Energietransitie of klimaatneutraliteit. Zo kan de gemeente maatregelen die bijdragen aan een klimaatneutrale stad – zoals scherpe EPC-normen of wijkgewijs afsluiten van het gas - vaak nog niet in regelgeving opnemen. Bovendien worden fossiele en duurzame energie nog niet gelijk belast.

Mede daardoor zijn de opgave van de Energietransitie en klimaatneutraliteit nog erg kostbaar. De ambitie van het college past in nationale en internationale doelstellingen, maar hogere overheden moeten daar wel de condities voor scheppen. De energietransitie en klimaatneutraliteit zijn echt te groot om als gemeente alleen voor onze rekening te nemen. 5. Kies voor een lerende, adaptieve strategie: We zijn eigenlijk pas kort bezig met de energietransitie en moeten nog veel leren: technisch, procesmatig, maatschappelijk en financieel. Door innovatie en schaal zal de transitie ook goedkoper worden. De gemeente zoekt innovatie vanuit de samenleving en de markt actief op, ondersteunt pilots en experimenten en lokt innovatie uit via tenders op de markt. Ze maakt ruimte om wendbaar te zijn in de af te leggen route. 6. Maak onderscheid tussen financiering en bekostiging: Er is een verschil tussen het beschikbaar stellen van kapitaal voor investeringen die zich terugverdienen en het leveren van dekking voor dat deel van de investering dat zich niet laat terugverdienen, maar vanuit publieke doelen wel waardevol is. De energietransitie en klimaatneutraliteit vragen grote investeringen, die zich in belangrijke mate maar zeker niet helemaal terugverdienen. De financiering van die investeringen met leningen kan vaak door de markt gebeuren.

Daar is wel een sluitende businesscase voor nodig en daar ontbreekt het vaak nog aan. De overheid zal juist in de bekostiging van de onrendabele top een zet moeten geven. 7. Zorg voor een vliegwiel met de gemeentelijke investeringen:

7

De middelen in het klimaatfonds zijn bij lange na niet genoeg om de Energietransitie en klimaatneutraliteit te financieren. De kunst zal zijn de middelen zo in te zetten dat ze investeringen genereren van andere partijen: private partijen, instellingen, particulieren, medeoverheden. Dat veronderstelt dat we ook slim meeliften op de investeringsplanning van onze partners. Door het fonds slim in te zetten, kunnen de middelen uit het fonds in een keten worden ingezet en werken als een hefboom. Soms zijn garanties al genoeg om investeringen van anderen los te trekken. 8. Geen energiearmoede! De transitie moet financieel rechtvaardig zijn: De Energietransitie zal ook voor huishoudens financiële consequenties hebben. Per woning zal er moeten worden geïnvesteerd om het energieverbruik te reduceren en de woning te voorzien van een duurzame warmtebron. Als die investeringen voorlopig nog uitblijven is het denkbaar dat de kosten van fossiele verwarming op gaan lopen – als op rijksniveau wordt besloten tot aanpassing van de energiebelasting. De inspanning van de gemeente is er op gericht dat de Energietransitie rechtvaardig verloopt. Iedereen moet mee kunnen in de transitie – inkomen mag daarvoor geen beletsel zijn. Zeker voor mensen met een smalle beurs zal de transitie woonlastenneutraal moeten verlopen.

3 Dotaties, oormerking en bestedingsruimte

3.1 Inleiding Het Klimaatfonds bestaat 4 jaar. In hoofdstuk wordt daarom kort geschetst wat de stand van zaken is. Hoeveel geld is er in de reserve gestopt, hoeveel geld is een bestemming gegeven en hoeveel geld is er inmiddels daadwerkelijk uit gehaald?

3.2 Dotaties Het Klimaatfonds is gevuld door middel van een viertal jaarlijkse dotaties vanuit het Vereveningfonds van €37,5 miljoen. Het totaal aan dotaties vanuit het Vereveningsfonds bedraagt in 2023 €150 miljoen. Er staan geen nieuwe dotaties meer gepland. Opgemerkt moet worden dat op 10 november 2020 een specifieke uitkering met referentienummer 2020-92381 van € 7,74 miljoen vanuit het Rijk ten

8

behoeve van het aardgasvrij maken van de Van der Pekbuurt is toegevoegd aan de bestemmingsreserve. Deze middelen worden echter niet ingezet volgens de spelregels van het Klimaatfonds, maar zijn specifiek bedoeld voor de aardgasvrij maken van de Van der Pekbuurt. Gevolg daarvan is dat dit bestedingsperspectief geen uitspraken doet over de besteding van de middelen uit deze Specifieke Uitkering van het Rijk.

3.1 Oormerking Sinds de oprichting van het Klimaatfonds zijn verschillende bedragen door het college of de raad in het fonds geoormerkt. Geoormerkte bedragen kunnen niet aan andere zaken besteed worden dan hetgeen ze voor geoormerkt zijn. Tabel 1 bevat een overzicht.

9

Tabel 1 – Oormerkingen Klimaatfonds Besteding

1 Programma’s 1.1 Financiering Duurzaam en Sociaal Herstelplan 1.2 Banenmotoren Duurzaam Herstel 1.3 Vliegwielmiddelen 2 Subsidies 2.1 Aardgasvrij subsidie Dobbebuurt Rochdale 2.2 Aardgasvrij subsidie Stadsbreed 2.3 Aardgasvrij subsidie Wildemanbuurt 2.4 Aardgasvrij subsidie Bernard Loderbuurt 2.5 Aardgasvrij subsidie Reimerswaalbuurt 2.6 Aardgasvrij subsidie Banne Noord 2.7 Aardgasvrij subsidie Molenwijk 2.8 Aardgasvrij subsidie Bedr. en Maatsch. Org. 2.9 Initiatieven subsidie Klimaatneutrale buurten 2.10 Pilotprojecten verduurzaming schoolgeb. 2.11 Hortus Drieklimatenkas 3 Investeringen en risicoreserveringen 3.1 Warmtedistributienet Middenmeer Noord

Besluitken merk

Datum besluit

Samen Sterker uit de Crisis Samen Sterker uit de Crisis ZD2020004283

2-9-2020

Bedra g (x €1 miljoe n) 93,00 10,00

2-9-2020

78,00

23-62020

5,00

Gemeentebla d, afd. 1, nr. 1406 Gemeentebla d, afd. 1, nr. 2033 Gemeentebla d, afd. 1, nr. 2033 Gemeentebla d, afd. 1, nr. 776 Gemeentebla d, afd. 1, nr. 776 VN2021026674 ZD2021 017368 VN2021026674 Gemeentebla d, afd. 1, nr. 500 ZD2020013356 ZD2022001236

11-92019

Gemeentebla d, afd. 1, nr.

11-72019

21,16 2,39

19-122019

3,15

19-122019

2,82

1-7-2020

1,50

1-7-2020

2,10

1-122021 16-22022 1-122021 19-052020

0,75

8-122020 12-42022

1,00

3,62 1,04 2,73

0,06 13,89 12,00

10

3.2 Zorgcentrum Dufaystraat verduurzamen 3.3 Apollohallen aardgasvrij 3.4 Risicoreservering lening Wind in Noord 3.5 Zonneweide Strandeiland

1181 ZD2020008206 ZD2021007805 VN2021018556 VN2023005849

4 Oprichtings- beheerskosten

25-82020 6-7-2021

0,58

16-22022 21-22023

0,50

0,34

0,47 0,7

3.2 Risicoreserveringen Er is zijn twee risicoreservering gedaan ten laste van het Klimaatfonds. Voor de risicoreservering voor de lening Wind in Noord (3.4) geldt dat deze in tabel 1 voor 100% is opgenomen. De precieze hoogte van deze risicoreservering voor het Warmtedistributienet in de Middenmeer Noord (3.1) is geheim, maar deze is afdoende opgenomen in het bedrag in tabel 1.

3.3 Vrije bestedingsruimte De vrije bestedingsruimte in het Klimaatfonds bestaat uit het verschil tussen de som van de dotaties en gemaakte oormerkingen. Op basis van de gegevens in paragrafen 3.2, 3.3 en 3.5 komt een vrije bestedingsruimte naar voren van €21,25 miljoen. De onderstaande tabel 2 verschaft overzicht. Tabel 2 – Berekening vrije bestedingsruimte Klimaatfonds

Dotaties 1 Programma’s 2 Subsidies 3 Investeringen 4 Oprichtings- beheerskosten Vrije bestedingsruimte

Bedrag (x €1 miljoen) 150,00 -93,00 -21,16 -13,89 -0,70 21,25

3.4 Vrijkomende bestedingsruimte Voor sommige bestaande oormerkingen geldt dat ze voor een beperkte duur zijn. Subsidies kennen bijvoorbeeld een door het plafond beperkte looptijd.

11

Programma’s hebben een beoogde uitvoeringstermijn. Op een bepaald moment staat voor risico’s vast of ze zich zullen manifesteren. Als de looptijd van een oormerking tot een einde komt, dan vallen de niet onttrokken of verplichte middelen weer vrij binnen het Klimaatfonds. Bij tegenvallende realisatie kan de vrije bestedingsruimte in het Klimaatfonds daardoor weer toenemen. Dit wordt vrijkomende bestedingsruimte genoemd. Als de termijn voor realisatie nog maar beperkt verstreken is, is het lastiger om te beoordelen of er sprake zal zijn van vrijkomende bestedingsruimte. In de onderstaande tabel 3 wordt een overzicht gegeven de datums waarop de verschillende bestaande oormerkingen aflopen. Indien mogelijk wordt een zeer grove raming gegeven van vrijkomende bestedingsruimte die daarmee samenhangt.

12

Tabel 3 – Verwachte vrijkomende bestedingsruimte Klimaatfonds per besteding Datum einde oormerk 1 Programma’s 1.1 Financiering Duurzaam en Sociaal Herstelplan 1.2 Banenmotoren Duurzaam Herstel 1.3 Vliegwielmiddelen 2 Subsidies 2.1 Aardgasvrij subsidie Dobbebuurt Rochdale 2.2 Aardgasvrij subsidie Stadsbreed 2.3 Aardgasvrij subsidie Wildemanbuurt 2.4 Aardgasvrij subsidie Bernard Loderbuurt 2.5 Aardgasvrij subsidie Reimerswaalbuurt 2.6 Aardgasvrij subsidie Banne Noord 2.7 Aardgasvrij subsidie Molenwijk 2.8 Aardgasvrij subsidie Bedr. en Maatsch. Org. 2.9 Initiatieven subsidie Klimaatneutrale buurten 2.10 Pilotprojecten verduurzaming schoolgeb. 2.11 Hortus Drieklimatenkas 3 Investeringen 3.1 Warmtedistributienet Middenmeer Noord 3.2 Zorgcentrum Dufaystraat verduurzamen 3.3 Apollohallen aardgasvrij 3.4 Risicoreservering lening Wind in Noord 4 Oprichtings- beheerskosten

Bedra g (x €1 miljoe n)

Verwachte vrijkomende bestedingsr uimte (x €1 miljoen)

n.v.t.

10

0

31-122025 31-122022

78

-

5

0,5

31-122023 31-122022 31-122024 31-122025 31-122025 31-122025 31-122025 31-122022 31-122023 31-122022 1-4-2024

2,39

0

3,15

0,5

2,82

2

1,5

0,2

2,1

0

0,75

0,25

3,62

0

1,04

0,8

2,73

1,5

1

0

0,06

0

31-122025 25-82020 31-122022 31-122025

12

-

0,58

0

0,34

0

0,5

-

0,7

0

13

3.5 Samenvatting bestedingsruimte Samengevat is er een vrije bestedingsruimte van € 21,25 miljoen. Er is tot en met 2025 een vrijkomende bestedingsruimte te verwachten van € 5,75 miljoen. De oormerkingen voor Banenmotoren duurzaam Herstel (1.2) en de aanleg van het warmtedistributienet Middenmeer Noord (3.1) beslaan echter 60% van de ruimte in het Klimaatfonds. Financiële meevallers bij besteding van de middelen in die oormerkingen kunnen leiden tot een aanzienlijke vergroting van de vrije of vrijkomende bestedingsruimte.

14

4 Beoogde besteding

4.1 Inleiding In het voorgaande hoofdstuk is inzichtelijk gemaakt hoeveel er nog te besteden is. Dit hoofdstuk zal omschrijven waaraan het college beoogt dit geld te besteden. In tegenstelling tot het Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020 worden de doelen en de daarmee samenhangende bestedingsvoorstellen vrijwel geheel beperkt tot de buurtgerichte aanpak van de energietransitie in de gebouwde omgeving. Ook worden er concrete voorwaarden gesteld waar bestedingsvoorstellen aan moeten voldoen om binnen het nieuwe bestedingsperspectief te passen. Wat ook anders is, is dat er harde schotten tussen verschillende doelen worden geplaatst, waardoor bestedingsvoorstellen die de beschikbare ruimte voor dat doel overschrijden niet binnen het bestedingsperspectief zullen passen.

4.2 Energietransitie gebouwde omgeving buurtgerichte aanpak De kern van dit bestedingsperspectief is dat bijna alle vrije bestedingsruimte (paragraaf 3.5) en alle vrijkomende bestedingsruimte (paragraaf 3.6) in het Klimaatfonds ingezet dienen te worden voor buurtgerichte aanpakken van de energietransitie in de gebouwde omgeving. De nadruk ligt daarbij op het ondersteunen Amsterdammers met een laag inkomen en een klein financieel vermogen en het stimuleren van collectieven van Amsterdammers. Buurtgerichte aanpakken die beogen gebruik te maken van het stadswarmtenet van Vattenfal of Westpoort Warmte zijn uitgesloten. Dit omdat er al 50 miljoen geoormerkt is in het Klimaatfonds voor aansluitingen op het stadswarmtenet van Vattenfall of Westpoort Warmte. Uitzondering op deze voorgaande hoofdbesteding is een aantal concrete andere bestedingen die nader omschreven worden in paragraaf 4.3. Wat is precies de buurtgericht aanpak van de energietransitie in de gebouwde omgeving? Antwoord op de vraag volgt uit een toelichting van deze begrippen afzonderlijk en in samenhang. Wat is de energietransitie?

15

De energietransitie is overgang van het gebruik van energie die is vrijgemaakt op een manier die leidt tot de ongecompenseerde uitstoot van broeikasgassen, naar het gebruik van energie die is vrijgemaakt zonder ongecompenseerde broeikasgassen uit te stoten. Ook wel de overstap naar duurzaam opgewekte energie genoemd. Het is heel moeilijk om deze overstap in één keer volledig te doen. Maatregelen die de uitstoot van ongecompenseerde broeikasgassen terugdringen dragen ook bij aan de energietransitie. Wat is de gebouwde omgeving? De gebouwde omgeving beslaat alle bestaande gebouwen en openbare ruimte in Amsterdam. De focus ligt echter op de gebouwen en dan in het bijzonder op woningen. De opgave met betrekking tot het energieverbruik van de inrichting van de openbare ruimte, zoals bijvoorbeeld straatverlichting, bruggen en slagbomen, valt buiten de scope van het Klimaatfonds. Wat is de energietransitie in de gebouwde omgeving? De energietransitie in de gebouwde omgeving richt zich dus op maatregelen aan gebouwen in Amsterdam die ertoe leiden dat deze zo min mogelijk gebruik maken van niet-duurzaam opgewekte energie. Gelet op de schaarste van duurzaam opgewekte energie vallen maatregelen die leiden tot verminderd gebruik van duurzaam opgewekte energie ook binnen de scope van dit begrip, omdat deze bespaarde duurzame opgewekte energie dan op een andere plaats ingezet kan worden.

De voornaamste bronnen van niet duurzaam opgewekte energie in gebouwen in Amsterdam zijn momenteel aardgas, elektriciteit en warmte. Het voornaamste gebruik van deze energie is voor verwarming van verblijfsruimten en water. Ook voor de voedselbereiding en voor elektronische apparaten wordt in de gebouwde omgeving energie gebruikt. Ongecompenseerd gebruik van aardgas is per definitie niet duurzaam en er zijn onvoldoende duurzame alternatieven voorhanden, waardoor het terugdringen van het gebruik van aardgas in de gebouwde omgeving een belangrijk onderdeel is van de energietransitie. Isolatie is ook een onderdeel van de energietransitie, maar als gevolg van het feit dat het aanbrengen van isolatie in veel gevallen rendabel is, is het vaak slecht te verenigen met de criteria (paragraaf 2.2, punt v) en uitgangspunten van het fonds (paragraaf 2.3, punt 6). Elektriciteit en warmte worden gedistribueerd op een manier die bij verbruik in de gebouwde omgeving niet tot uitstoot van broeikasgassen leiden. De opwek van deze elektriciteit en warmte gaat echter wel vaak gepaard met de uitstoot van broeikasgassen. De elektriciteitscentrale gebruikt immers vaak aardgas of zelfs kolen. Ook de blokverwarming of het stadwarmtenet kunnen daardoor leiden tot de uitstoot van broeikasgassen.

Over het algemeen geldt nu al dat deze bronnen per opgewekte eenheid elektriciteit en warmte minder broeikasgassen uitstoten, dan een bijvoorbeeld een aardgasgestookte CV-ketel.

16

Het Klimaatakkoord van 28 juni van 2019 bevat bovendien concrete afspraken voor verdere vermindering van die uitstoot. De focus van de besteding van de middelen in het klimaatfonds ligt niet op de vergroening van de bron, omdat dat geen onderdeel is van de buurtgerichte aanpak. Wat is de buurtgerichte aanpak? De buurtgerichte aanpak is een begrip dat hoofdzakelijk dient om de schaalgrootte van maatregelen (de aanpak) te bepalen. Het begrip buurt is intentioneel vaag. Een buurt is meer dan een enkele verblijfsruimte. Een buurt is meestal ook groter dan één gebouw1. Een buurt bestaat meestal uit een aantal tot een veelheid aan gebouwen. Een buurt kent door haar schaalgrootte meestal een verschillende gebouweigenaren. Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft een buurtindeling van Amsterdam. Die indeling kan dienen als indicatie van wat een buurt constitueert en kan helpen om duidelijk te maken waar de maatregelen gericht zijn. Een buurtgerichte aanpak hoeft echter niet per definitie een volledige CBS-buurt te beslaan. Het kan ook twee of meer (delen van) aan elkaar grenzende CBS-buurten beslaan, zodat rekening gehouden kan worden met bepaalde typische gebouwkenmerken of geografische kenmerken. Een buurt is echter kleiner dan een stadsdeel of een stadsgebied en een buurt is in principe een aaneengesloten gebied.

Op een kleinere schaal dan buurtniveau is het minder wenselijk om de middelen in het Klimaatfonds in te zetten, omdat de rol van de gemeente op die schaal kleiner is. Op het kleinere schaalniveau bekeken is de energietransitie een opgave van de individuele gebouweigenaar. Het gaat dan niet meer over het tot stand brengen van collectieve oplossingen. De rol van de gemeente zou daarmee de positie van regisseur die door kader te stellen streeft naar een efficiënte energietransitie verliezen. Het kan ook beschuldigingen van willekeur en het bevoordelen van te specifieke partijen in de hand werken. Het werken op buurtniveau geniet bovendien de voorkeur, omdat dat de schaal is waarop werkzaamheden aan de energie-infrastructuur gebeuren. Warmteonderstations en elektriciteitsonderstations werken op buurtniveau. Ook de aanleg van gasleidingen (en andere leidingen zoals riolering en water) en dus ook het planmatig onderhoud aan die leidingen gebeurt op buurtniveau. Wie zijn Amsterdammers met een laag inkomen en weinig vermogen die ondersteund moeten worden? In de Amsterdamse Agenda Armoede en Schulden is becijferd dat 88.000 huishoudens een inkomen hebben tot 120% van het Wettelijk Sociaal Minimum. Als gecorrigeerd wordt voor vermogen komen ruim 70.000 Amsterdammers in aanmerking voor inkomensondersteuning.

Het Klimaatfonds richt zich specifiek op deze groep, onder andere door gebruik te maken van de oudste minimaregeling van de stad: de Stadspas. Stadspashouders met groene stip vallen in die groep van Amsterdammers met een laag inkomen en weinig 1

Er zijn natuurlijk ook gebouwen die zo zijn ontworpen zijn dat ze op zichzelf een buurt vormen.

17

vermogen. Uit de voortgangsrapportage Agenda Armoede en Schulden blijkt dat er in 2020 122.588 volwassen minimapashouders in Amsterdam waren. Duidelijk is dat mensen of organisaties die vastgoed verhuren in het vrije segment van de markt niet in deze doelgroep horen. Duidelijk is ook dat de voordelen van een buurtgerichte aanpak in een buurt met veel eigen grond, hoge WOZ-waarden en veel vrijstaande woningen gemiddeld genomen meer terecht zal komen bij mensen met een aanzienlijk vermogen, dan een buurtgerichte aanpak in een buurt met veel sociale huurwoningen, hoge dichtheid gestapelde bouw en lage(re) WOZ-waarden. Een maatregel die ertoe leidt dat sociale huurwoningen klimaatneutraal worden, komt mogelijk ook voor een deel terecht bij scheefwoners. Het is echter in veel gevallen onwenselijk en soms zelfs onmogelijk om bij elk bestedingsvoorstel na te gaan of met strenge controles te borgen wat de inkomens- en vermogenspositie van alle potentiële begunstigden is. Het bepalen van harde criteria om te bepalen hoe mensen met een bepaalde belastingaangifte of buurten met een bepaalde samenstelling in aanmerking komen voor een besteding van middelen uit het Klimaatfonds is daarom achterwege gelaten. Het verdient noot dat deze nadruk sterk in lijn ligt met het uitgangpunt met betrekking tot tegengaan van energiearmoede in de voorwaarden van het Klimaatfonds (paragraaf 2.3, punt 8).

Wat zijn de collectieven van Amsterdammers die gestimuleerd worden? Het gaat om georganiseerde en geformaliseerde samenwerkingsverbanden tussen Amsterdamse burgers. Het gaat om verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, stichtingen en Verenigingen van Eigenaren (VvE's). Onder verenigingen vallen nadrukkelijk ook coöperatieve verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid. Het is daarbij van belang dat er het collectief statuten heeft en dat die passen bij een rol in een buurtgerichte aanpak van de energietransitie in de gebouwde omgeving. Samenwerkingsverbanden die nog niet geformaliseerd zijn en nog geen statuten hebben kunnen natuurlijk aangemoedigd worden, maar zijn organisatorisch vaak te kwetsbaar om een meer dan oppervlakkige rol te spelen in het soort grootschalige activiteiten en bestedingen waar het Klimaatfonds zich op richt. Het is van belang dat de leden een concreet belang bij de buurtgerichte aanpak hebben, bijvoorbeeld doordat tenminste een aanzienlijk en relevant deel van de leden in de bewuste buurt wonen of vastgoed bezitten. Collectieven of uitsluitend mensen met een laag inkomen en minder vermogen? Het ligt voor de hand dat de leden van een collectief verschillende inkomens en vermogens hebben. De nadruk op het stimuleren van collectiviteit en het beperken van de steun tot minder vermogende mensen kan elkaar daarom tegenwerken.

Het zal VvE's bijvoorbeeld weinig goed doen, en zelfs tot ingewikkelde besluitvorming leiden, als een VvE een subsidie krijgt waarvan het voordeel ongelijkmatig verrekend moet worden in de VvE bijdrage van de leden. Hoewel het dus de voorkeur geniet om zowel de collectieven te stimuleren als de steun te richten op de minder vermogende Amsterdammers kan het dat er

18

soms gekozen moet worden voor het één of voor het ander. Een bestedingsvoorstel dat noch een collectief van Amsterdammers stimuleert, noch overwegend de minder vermogende Amsterdammers ondersteunt past daarom niet binnen dit bestedingsperspectief. Waarom zijn bestedingen aan buurtoplossingen met het stadwarmtenet van Vattenfal of Westpoort warmte uitgesloten? Met betrekking tot plannen met het stadswarmtenet van Vattenfal en Westpoort warmte zijn in het kader van de Warmtemotor al afspraken gemaakt om €50 miljoen euro uit het Klimaatfonds te gebruiken. Deze €50 miljoen is onderdeel van de Banenmotoren Duurzaam Herstel waarvoor in al €78 miljoen is geoormerkt (paragraaf 3.3, tabel I, onderwerp 1.2). Het is nadrukkelijk de bedoeling om die middelen aan te wenden om de energietransitie in de gebouwde omgeving met stadwarmte van Vattenfal en Westpoort te realiseren. Het is daarom in principe niet nodig of wenselijk om de beperkte vrije bestedingsruimte in het Klimaatfonds daartoe aan te wenden.

4.3 Andere concrete bestedingen In de voorgaande paragraaf is uitgelegd dat bijna alle vrije bestedingsruimte (paragraaf 3.5) en alle vrijkomende bestedingsruimte (paragraaf 3.6) in het Klimaatfonds ingezet dienen te worden voor buurtgerichte aanpakken van de energietransitie in de gebouwde omgeving. Deze paragraaf zal concreet invullen en onderbouwen welke concrete bestedingen binnen die bijna passen. Het gaat om ondergeschikte bestedingen waaraan concrete maximale besteedbare bedragen en in sommige gevallen voorwaarden zijn verbonden. Het zijn bestedingen die nabij besluitvorming zijn of in het geval van fondsbeheerskosten moeilijk te vermijden zijn. De onderstaande tabel 5 geeft een overzicht van de deze andere concrete bestedingen. Als niet vóór de gespecificeerde uiterlijke datum besluitvorming door raad of college is besloten over deze oormerking van deze middelen, dan kunnen deze middelen alsnog ingezet worden ten behoeve van de buurtgerichte aanpak van de energietransitie in de gebouwde omgeving, zoals omschreven in de voorgaande paragraaf.

19

Tabel 5 – Concrete verwachte andere bestedingen Klimaatfonds # Onderwerp

1 2 3

Het De Mirandabad Nadeelcompensatie milieuzone brom- en snorfietsen Beheerkosten (jaarlijks)

Verwachte besteding (x €1 miljoen) 2,20 1,00

Uiterlijk datum besluitvorm ing 31-12-2024 31-12-2023

0,15

n.v.t.

Het De Mirandabad Al enige tijd wordt gewerkt aan de voorbereiding van een grootschalige verduurzamende renovatie van het De Mirandabad. Ten behoeve van de uitvoering van dit project is een bijdrage vanuit het Klimaatfonds van maximaal € 2,2 miljoen gepast. Dit is bepaald op basis van het vermeden gasverbruik; per woningequivalent vermeden gasverbruik is een bedrag van €5.000 voorzien. Dat is het maximale bedrag dat een woning aan gemeentelijke subsidie kan ontvangen om aardgasvrij te worden. Op grond van eerdere afstemming over deze bijdrage zijn er echter een aantal concrete aanvullende voorwaarden waaraan een bestedingsvoorstel en de bijbehorende besluitvorming met betrekking tot dit renovatieproject moeten voldoen om binnen dit bestedingsperspectief te passen: I. het gaat nadrukkelijk om een bijdrage voor uitvoeringskosten en dus niet voor voorbereidingskosten; II. berekening van het bespaarde aardgasgebruik en de CO2-uitstoot door de aanpassingen aan het zwembad dient te gebeuren op basis van het Definitief Ontwerp; III. de hoogte van de gevraagde bijdrage in het bestedingsvoorstel hangt af van het bespaarde aardgasgebruik in het Definitief Ontwerp, maar is in geen geval hoger dan €2,2 miljoen; de grondslag is daarbij in principe een bijdrage van €5.000 per jaarlijks bespaarde woningequivalent aardgasgebruik; IV.

besluitvorming over het bestedingsvoorstel gebeurt door middel van een afzonderlijk en expliciet beslispunt gelijktijdig met het definitieve investeringsbesluit voor de gehele renovatie door de gemeenteraad. De bijdrage maakt onderdeel uit van de dekking van dat definitieve investeringsbesluit; en V. besluitvorming over het investeringsvoorstel vindt plaats voor 31 december 2024. Nadeelcompensatie uitstootvrije zone brom- en snorfietsen De gemeente Amsterdam voert in 2025 een uitstootvrije zone in om de transitie naar volledig uitstootvrije brom- en snorfietsen te versnellen. Vooral de Amsterdammers met een laag inkomen en een laag vermogen die afhankelijk

20

zijn van hun brom- en snorfiets om zich te verplaatsen zal dit raken. Ongeveer 15% van de brom- en snorfiets eigenaren in Amsterdam heeft een laag inkomen (stadpashouders) en zijn in veel gevallen noodgedwongen afhankelijk van het gebruik van de brom- en of snorfiets. Ook willen we voorkomen dat de brom- of snorfiets wordt ingeruild voor een (vieze) benzineauto. Om te proberen dit nadeel voor deze groep te beperken wordt gewerkt aan een maatregel om voor stadspashouders (met groene stip) de mogelijkheid te maken om een vergoeding te ontvangen als ze hun oude brom- en snorfiets inleveren. Op basis van eerste ramingen van de beoogde vergoeding en de aantallen brom- en snorfietsen in het bezit van stadspashouders lijkt een bijdrage vanuit het Klimaatfonds van € 1 miljoen gepast. Op grond van eerdere afstemming over deze bijdrage zijn er echter een aantal concrete aanvullende voorwaarden waaraan een bestedingsvoorstel en de bijbehorende besluitvorming met betrekking tot deze nadeelcompensatie moeten voldoen om binnen dit bestedingsperspectief te passen: I. de nadeelcompensatie moet uitsluitend gericht zijn op Amsterdammers met een laag inkomen en een laag vermogen; II.

een concrete berekening van de bespaarde CO2-uitstoot, waarin ook de uitstoot veroorzaakt door de energieopwek voor het vervangend vervoersmiddel wordt meegenomen, ligt aan de basis van de bepaling van de aan te vragen bijdrage. De bijdrage is in principe niet groter dan €2,78 per jaarlijks bespaarde kilogram uitstoot; III. besluitvorming over deze besteding dient plaats te vinden voor 31 december 2023.

21

5 Samenvatting

In dit bestedingsperspectief schetst het college van B&W waaraan zij beoogt de vrije bestedingsruimte van €21,25 miljoen (paragraaf 3.5) en vrijkomende bestedingsruimte in het Klimaatfonds te besteden. De grootte van de vrijkomende bestedingsruimte is afhankelijk van de realisatie van een aantal zeer grote ambities en daardoor zeer onzeker. Deze kan daardoor tot 2025 variëren tussen enkele miljoenen en circa €90 miljoen (paragraaf 3.6). Het college beoogt alle bestedingsruimte en alle vrijkomende bestedingsruimte aan te wenden om voor buurtgerichte aanpakken van de energietransitie in de gebouwde omgeving. De nadruk ligt daarbij op het ondersteunen Amsterdammers met een laag inkomen en een klein financieel vermogen en het stimuleren van collectieven van Amsterdammers. Buurtgerichte aanpakken die beogen gebruik te maken van het stadswarmtenet van Vattenfal of Westpoort Warmte zijn uitgesloten (paragraaf 4.2). Er zijn enkele tijdelijke uitzondering op deze algemene beoogde besteding, namelijk voor het De Mirandabad en de gerichte nadeelcompensatie voor de gevolgen van milieuzonering voor bromen snorfietsen (paragraaf 4.3).

22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12770444/2