2. adviespanel verantwoord groeien
Tekst van het document
En nu écht samen stadmaken!
Panel verantwoorde groei
Lyongo Juliana
Hans Karssenberg
Jannes Willems
Nies Medema
Ria Braaf-Fränkel
Architect and director at lyongo architecture
Partner, Oprichter van Stipo, Auteur van The City at Eye Level
Assistant Professor in Urban Planning at University of Amsterdam
Social innovator at Jonge Sla
Senior Projectleider/ Adviseur WomanMakeTheCity | WomenMakeSoutheast
Inleiding Dit advies is gebaseerd op het bijwonen van vier bijeenkomsten om “de geluiden van de stad” te horen over de Ontwikkelstrategie 2035 van de gemeente Amsterdam. Deze sessies waren bedoeld om te kijken waar we welke verdichting in Amsterdam mogelijk kunnen maken, met zoveel mogelijk meerwaarde voor stad en regio en rekening houdend met de toekomst. Hieronder treft u de bevindingen en suggesties die hebben geleid tot een gezamenlijk advies over hoe Amsterdam verantwoord kan groeien. Het advies is afkomstig van het panel Verantwoorde Groei, bestaande uit: Hans Karssenberg (STIPO), Jannes Willems (UvA, Planologie), Ria Braaf-Fränkel (WomenMakeTheCity/ WomenMakeSoutheast), Nies Medema (Jonge Sla/ Amsterdams Stadmaken) en Lyongo Juliana (lyongo architecture).
1. Breid het proces uit: ga nu écht samen stadmaken
Heel kundig, maar niet representatief De deelnemers aan de bijeenkomsten brachten veel ervaring en deskundigheid in over wonen, werken en gebiedsontwikkeling. Het waren veelal betrokken bewoners die als geen ander de sterke en zwakke punten van hun buurt en van de Amsterdamse gebiedsontwikkeling wisten aan te geven. Dat leverde uiteindelijk een rijke oogst op die van grote waarde is voor de toekomstige ontwikkeling.
En nu écht samen stadmaken!
De deelnemers waren echter duidelijk geen volledige afspiegeling van de Amsterdamse bevolking en niet representatief voor de desbetreffende buurt. Dat werd tijdens de sessies in Zuidoost, Nieuw-West en Noord meteen ook door de deelnemers zelf opgemerkt. De meeste deelnemers waren vaak professioneel met stadsontwikkeling bezig (werkend bij de gemeente, woningcorporatie, adviesbureau of kennisinstelling) of ‘goed georganiseerde en enthousiaste bewoners’ (betrokken bij buurtinitiatieven en dergelijke). Jongeren, ondernemers, bewoners met een lager inkomen en bewoners van kleur waren op één hand te tellen – en dit terwijl bijvoorbeeld 56% van de Amsterdammers een migratieachtergrond heeft. Ook het beleid wordt hoofdzakelijk gemaakt door mensen zonder migratieachtergrond, die zijn opgeleid en werken in een context waar het westerse narratief de norm is. Hierdoor mis je mogelijk andere woon- en leefwensen, en het beperkt je horizon. Dit resulteert bijvoorbeeld in een aanname dat het maken van betere fietspaden vanzelf zal leiden tot meer fietsbewegingen. Echter, het besef ontbreekt dat een grote groep kinderen opgroeit zonder fiets, zeker in Zuidoost en Nieuw-West waar de groei van Amsterdam is voorzien. Dus naast betere fietspaden zal je ook een sociaal programma moeten hebben waar kinderen leren fietsen en een fiets kunnen
4
bemachtigen. Of accepteer dat niet iedereen fietst. Een ander voorbeeld van een eenzijdig narratief is de veronderstelling dat een jongere een kleine woning voor zichzelf zoekt; een grote groep is juist op zoek naar een woning om daar een gezin te kunnen stichten. De opzet: “Participeren op deze manier is ten einde.” De opzet van de bijeenkomsten is nu niet aansprekend voor alle Amsterdammers. Deze vorm van participatiebijeenkomsten is niet hetzelfde als samen stadmaken. “Deze vorm van participatie is voorbij”, verwoordde iemand. “Achterhaald en niet meer van deze tijd.” Voorkom het idee van ‘koekoeksklokparticipatie’: de gemeente wil dat we participeren, de luiken gaan open en de koekoek verschijnt, en daarna gaan de luiken weer dicht. Deze gedachten en gevoelens worden nog meer versterkt door de manier waarop vooraf wordt gecommuniceerd, gebruik wordt gemaakt van foto’s en de muziekkeuze op de avonden. Veel aanwezigen gaven ook aan dat ze graag meedenken over deze complexe materie, maar hiervoor meer tijd nodig hebben. “Ik kan niet in een uurtje hier iets over zeggen”, zei iemand. Gesprekken op de markten en scholen vormen een mooi startpunt om de verschillende Amsterdamse buurten in te gaan. Het vervolgens aansluiting zoeken bij de diverse georganiseerde bewonersverbanden is de volgende stap naar volwaardig ‘samen stadmaken’.
De bewoners en betrokken partijen zijn daar klaar voor. Dit werd duidelijk tijdens de bijeenkomsten in Zuidoost, Nieuw-West en Noord, waar bewoners aangaven graag actief betrokken te willen worden. De gemeente werd uitgenodigd aan te sluiten bij bestaande trajecten en netwerken. Deze behoefte aan duurzame betrokkenheid werd tijdens een bijeenkomst mooi geformuleerd: “Wij (gemeente en
Advies: • Sluit aan bij bestaande wijknetwerken en -bijeenkomsten die al door bewonersorganisaties, buurtplatforms en ondernemersverenigingen worden georganiseerd. Dit in plaats van parallelle infrastructuren te creëren. Draai de uitnodiging dus om en zorg voor een stitchup in plaats van een meet-up (uit: Hart voor de K-buurt). Dat kost misschien (iets) meer tijd, maar is duurzaam, levert veel meer op en draagt bij aan de vijfde ontwikkelambitie van Amsterdam: “Samen stadmaken”.
•
Start nu met het aangaan van langdurige relaties in de stad. Nut en noodzaak hiervan wordt helder omschreven in een video met landschapsarchitect Ruwan Aluvihare van de gemeentelijke dienst Ruimte en Duurzaamheid.
•
Knoop deze relaties aan met sleutelfiguren van verschillende gemeenschappen in de wijken. Die zouden voor hun meedenken een vergoeding moeten krijgen. Bedenk met de sleutelfiguren hoe deze beloning eruit zou moeten zien. Bied sowieso ondersteuning voor participatie, financieel of in andere vormen.
•
Een langdurige investering in wijken en buurten is nodig om meer en diverse groepen die doorgaans niet participeren, mee te laten doen. Zet de kennis en het netwerk van de mensen die wél kwamen hiervoor in.
•
Het vertrouwen in de overheid als geheel is niet altijd (meer) aanwezig, zeker niet in zogenaamde ‘ontwikkelbuurten’. Daar heb je als ambtenaar mee te maken, omdat je dat vertrouwen moet winnen. Betrek bestaande, georganiseerde bewonersverbanden daarom al vroeg bij ontwikkelprocessen.
•
Maak het ontwikkelproces van Ontwikkelstrategie 2035 niet tot een eenmalig iets.Input vragen bij de 90-100% versie van de Ontwikkelstrategie 2035 is te laat! Zorg ervoor dat je bij de 50%, 65% en de 80-90%-versie input vraagt van groepen die zich met vraagstukken rond gebiedsontwikkeling bezighouden.
•
Besteed in dat proces extra aandacht aan de jongeren over wie het over tien jaar gaat, we doen dit voor hún toekomstige stad. Vervolgens moet de participatie ook per ontwikkelbuurt/ -gebied verder worden opgepakt. De gemeente heeft al goede voorbeelden waarvan geleerd kan worden. Zoals het succesvolle co-creatietraject met Hart voor de K-buurt. Dankzij inbreng van bewoners worden er bij de ontwikkeling van K-Midden in plaats van de 750 geplande woningen nu 1250 woningen gerealiseerd, waarvan 500 voor jongeren uit de buurt zelf. Een ander voorbeeld is de Kolenkit-aanpak, waarbij de meerderheid (55%) van de bewoners die dat wilden, terug kon keren naar haar eigen, vernieuwde buurt. Als je het proces samen met bewoners en belanghebbenden organiseert, kan eropeens veel meer en komt er creativiteit naar boven. In dit verband werd opgemerkt: “Bij Corona wist de gemeente tot vervelens toe iedereen te bereiken. Waarom lukt dat nu dan niet? Als de gemeente het wil, kan die echt meer mensen bereiken.”
5
En nu écht samen stadmaken!
bewoner) hebben elkaar nodig”. Dit is een belangrijke opstap naar ‘samen stadmaken’, om wederkerige relaties op te bouwen.
•
En nu écht samen stadmaken!
6
Samen stadmaken: De gemeente is niet de enige partij die beslist over de toekomst Samenwerking met projectontwikkelaars, bedrijven en grondeigenaren is noodzakelijk. Alleen met bewoners overleggen is niet genoeg, omdat de gemeente niet altijd het mandaat heeft. Nodig dus ook andere partijen uit voor de ontwikkeling van specifieke gebieden. We kunnen daarbij leren van de ‘ateliers’ bij Haven-Stad, waar samen met huidige bewoners en ondernemers wordt nagedacht over de toekomstige woningbouw. Zo kan ook het DNA, de identiteit van de huidige omgeving, bijdragen aan de verantwoorde groei. Dat creëert draagvlak en eigenaarschap en een kwalitatief beter plan, al moet participatie ook niet worden overschat. Bevraag de bewoner of ondernemer als expert van het gebruik van de ruimte; niet als planoloog, stedenbouwer, architect of beleidsadviseur.
2. “Zij krijgen alles, wij krijgen niets”: investeer in bestaande buurten
‘Zij’ zijn de nieuwe bewoners in de nieuwe woningen; ‘wij’ zijn de huidige bewoners in de bestaande wijken. De verwachting is dat veel nieuwe woningen na 2035 in bestaande Amsterdamse buurten worden gerealiseerd. Niet voor niets ging de grootste aandacht tijdens de bijeenkomsten dan ook uit naar de bestaande wijken. De strategie die zich richt op het verbeteren van bestaande wijken staat met stip op nummer 1, gevolgd door centra en stadslanen, en dan stations en kenniscentra, omdat die ook in bestaande buurten liggen. Zorgen De huidige bewoners in de bestaande wijken van Amsterdam zijn bezorgd of zij zelf – en helemaal hun kinderen – nog wel in Amsterdam kunnen blijven wonen. Men vraagt zich af: kan ik straks een betaalbare woning vinden of behouden? Voel ik me straks nog thuis in mijn buurt als er zoveel woningen bijkomen? Is al die nieuwbouw voor ons? Zijn we daar wel welkom? De aanwezigen bij de bijeenkomsten dachten veel meer vanuit de kwaliteit van hun leefomgeving, het wonen in een prettige buurt waar zij zich thuis voelen met de gewenste voorzieningen in de buurt.
Terwijl de gemeente lijkt te worden gedreven door het realiseren van ambitieuze aantallen woningen (zoals 7500 woningen per jaar), zijn bewoners meer bezig met de vraag: hoe krijg je (of behoud je) een fijne buurt? Want juist in de bestaande buurten liggen de grootste opgaves: hier zijn relatief veel woningen met label G en H en met schimmel op de muren. Terugkerende zorgen zijn verloedering, individualisering, het ‘efficiency-denken’ (stapelen van woningen), achterstallig onderhoud en de druk op de groene ruimte.
Er heerst een gevoel van bewust vergeten te worden. Dat wordt versterkt doordat de nieuwbouw nieuwe namen krijgt waarbij de bestaande naam – in de ogen van de bewoners – bewust wordt vermeden. Bewoners uit de Bijlmer voelen heel goed aan waarom ‘Amstel III’ niet gewoon ‘Bijlmer West’ heet. Daar spreekt een negatief vooroordeel over de bestaande gemeenschappen uit. Als de gemeente deze koppeling tussen nieuw en bestaand niet veel actiever maakt, zullen bestaande bewoners verdichting vooral als verlies zien. Als mensen zeggen: “Het wordt te druk in mijn buurt”, zeggen ze eigenlijk: “Die nieuwbouw levert ons niets op.” Dan zal er nog veel meer verzet ontstaan en zal de nieuwbouw stagneren. Als er nieuwe, rijkere bewoners komen, moet bijvoorbeeld net die ene waardevolle betaalbare markt weg en komt er een duurdere markt voor in de plaats. Oplossingen Het uitgangspunt voor verdichting zou daarom moeten zijn om de verdichting in bestaande buurten te benutten om bestaande buurten sociaal te verrijken en de bestaande gemeenschappen te versterken. Verbind enerzijds de zorgen en wensen uit de buurt met anderzijds de (nieuwe) opgaven van de gemeente. De ‘buddygedachte’ kan op allerlei fronten uitkomst bieden: schrijf de tender zo uit dat nieuwbouw altijd gekoppeld is aan investeringen in naastgelegen, bestaande wijken.
Laat elke gemeentelijke projectleider van nieuwbouw ook projectleider zijn van de vernieuwing in de naastgelegen wijken. Door deze keuzes wordt bij bestaande bewoners het gevoel van gelijkwaardigheid en ‘erbij horen’ versterkt, wat de leefbaarheid van zowel de bestaande als de nieuwe wijk ten goede komt.
7
En nu écht samen stadmaken!
HET grootste sentiment tijdens alle avonden was: pas op voor een “zij krijgen alles, wij krijgen niets”.
Ook zouden bewoners in de bestaande buurten, na vernieuwing terug moeten kunnen keren in hun buurt als ze dat willen. Of – en dan het liefst in één keer – binnen hun eigen buurt naar een nieuwe woning kunnen verhuizen, zoals in de Kolenkitbuurt.
En nu écht samen stadmaken!
Samengevat: de verdichting in bestaande buurten vraagt om een ommezwaai in de gemeentelijke aanpak. Een die investeringen in groei verbindt met investeringen in bestaande wijken en zo (kansen) gelijkheid bevordert. Een verantwoorde groei die bruggen slaat en de huidige kloof verkleint. Een groei gestuurd vanuit de buurtgedachte, het maken van (of behouden van) een community. Niet hoeveel huizen we moeten bouwen, maar welke huizen en ruimtes zodat mensen zich (weer) thuis voelen in hun buurt. Anders wordt de tweedeling tussen de haves en de have-nots steeds sterker in onze stad. Deze scheiding loopt veelal ook langs een etnische lijn, al moeten we de witte Amsterdammer met sociaaleconomische uitdagingen niet uit het oog verliezen. Amsterdam is altijd een stad geweest waar velen uit verschillende windstreken, religieuze overtuiging, en sociaal economische achtergrond een thuis hebben gevonden. Het schuurt af en toe, maar het doel is altijd geweest om één Amsterdam te zijn voor álle Amsterdammers.
8
Advies: • Doe recht aan de bestaande fysieke en sociale structuren en bouw daarop voort. Gemeente en partners moeten gebiedsontwikkeling benutten om de buurt te verbeteren. Als er woningen, werkgelegenheid of voorzieningen worden toegevoegd, kijk dan hoe die kunnen helpen bij het oplossen van bestaande problematiek, en hoe die kunnen voldoen aan de behoeften van bestaande bewoners? Bouw betaalbare en toekomstbestendige woningen en (werk voorzieningen die divers zijn in grootte, prijssegment en toegankelijkheid; • Koppel de tender voor nieuwbouw aan investeringen in bestaande, aangrenzende wijken;
•
Breid de grondexploitatie (GREX) uit naar aangrenzend gebied – vaak een achtergestelde wijk – zodat die kan meeprofiteren van de ontwikkeling van de nieuwe of vernieuwing van de bestaande wijk;
•
Het programma Verantwoorde Groei zou een voorbeeldfunctie kunnen vervullen in de samenwerking en aanpak van gebiedsontwikkeling. Sociale plannen als Aanpak Noord en de masterplannen Zuidoost en Nieuw-West stuiten op barrières binnen de gemeente en andere partners van de sociale en fysieke vernieuwing. Samenwerking tussen gemeente, bewoners(organisaties) en bedrijven komt soms moeizaam tot stand. De systeemwereld en de leefwereld zijn onvoldoende op elkaar afgestemd. Het programma Verantwoorde Groei zou een uitgelezen kans kunnen zijn om hierin verandering te brengen.
3. Investeer sociaal, investeer in ruimte voor ontmoeting
Deelnemers tijdens meerdere bijeenkomsten benadrukten het belang van interactie en de ruimte voor (spontaan) contact. We gaan met steeds meer kleinere huishoudens in de buurten wonen. Vereenzaming ligt op de loer. Stel daarom ontmoetingsplekken centraal. Compenseer verlies van groene oppervlakte met hogere kwaliteit van de openbare ruimte, maar bijvoorbeeld ook op de daken en met collectieve ruimtes in de gebouwen. Benut daken door bijvoorbeeld sport of andere voorzieningen erop te plaatsen en koppel dit (als gemeente) aan social return-afspraken met bedrijven. Die afspraken worden nu al gemaakt bij zowel grote aanbestedingen als kleine opdrachten.
Terwijl een langdurige investering in sociale cohesie en samenhang in oude én nieuwe wijken noodzakelijk is. Maak de dus ontwikkelaanpak integraal: niet alleen ruimtelijk, maar ook juridisch, economisch én sociaal: “We zeggen dat er geen geld is voor de bestaande stad, maar iemand die chronisch ziek is kost ons zo € 100.000 per jaar aan belastinggeld.”
En nu écht samen stadmaken!
Ook is het van belang functies te mengen, zowel in bestaande als in nieuwe buurten. Door wonen, werken en sociale voorzieningen te mengen, kunnen mensen elkaar ontmoeten en kan er sociale cohesie ontstaan – bouw dus geen anonieme, op zichzelf staande hokken. Daarnaast gaven deelnemers aan dat er ook lege, ongeplande ruimtes moeten blijven bestaan, waar nieuwe interacties kunnen ontstaan. Het gaat om rafelranden of ongeplande stukken stad waar spontaan ontwikkeling kan plaatsvinden. Voorbeelden uit de sessies zijn nachtclubs, volkstuinen en sportclubs. Maar alleen ruimtes voor ontmoeting is niet genoeg. “Heb met de aanpak van bestaande wijken ook aandacht voor de sociale infrastructuur”, was een veelgehoorde opmerking tijdens de gesprekken. Sociale infrastructuur kan ontstaan door bewoners(groepen) te faciliteren om samen te dingen te organiseren en problemen op te lossen, wat weer kan leiden tot een hechte buurtgemeenschap. Echter, juist op het gebied van sociale infrastructuur lijken veel middelen weg te vallen.
9
Advies: • Maak het sociale programma integraal onderdeel van het ruimtelijke programma. Niet alleen bij aanvang, maar juist ook later als alles gebouwd is. Reserveer hiervoor een percentage van de bouwkosten voor een fonds voor (co financiering sociale samenhang. Een fonds waarmee bewoners(initiatieven) en -organisaties structureel worden ondersteund, en ook formele en informele samenwerking met bedrijven (bijvoorbeeld met social return);
En nu écht samen stadmaken!
•
Investeer in ontmoetingsplekken in de openbare ruimte en in collectieve ruimtes. Stel niet de inrichting en het beheer, maar de ontmoeting centraal bij de aanpak van de openbare ruimte, het gaat allereerst om de sociale waarde.
•
Hou in de plinten van nieuwbouw ruimte (deels) vrij voor ontmoeting tegen een maatschappelijke huurprijs; bewoners zouden laagdrempelig toegang moeten hebben tot ontmoetingsplekken en buurthuizen. Bij voorkeur via (zelf)beheer op een collectieve/coöperatieve manier (in plaats van de huidige beheerorganisaties die drempels opwerpen).
•
Reserveer en financier betaalbare plekken in de plinten voor sociaal ondernemers; dit zijn de partners van de gemeente bij het oplossen van maatschappelijke problematiek.
•
De opdracht aan/van de gemeentelijke dienst Grond en Ontwikkeling zou opnieuw geformuleerd moeten worden met inachtneming van sociale waarden in een gebied. Ofwel: het gaat niet alleen om de euro’s die een stuk grond oplevert, maar ook hoe een opdracht kan bijdragen aan het algehele welbevinden in de stad, de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de Amsterdammer.
10
• •
• •
• •
•
• •
Nog een ander sociaal punt is het versterken van bestaande, informele zorgstructuren en deze in nieuwe wijken te faciliteren door: Een deel (à la de 1%-kunstregeling bij Rijksgebouwen) van de bouwkosten te reserveren voor sociale samenhang; Betaalbare woningen voor jongeren te bouwen met perspectieven om door te stromen; zo kunnen zij blijven zorgen voor hun ouderen; Verbied in dat licht ook tijdelijke contracten: jongeren worden na contractperiode dakloos en kunnen niet meer wonen in de steeds duurder wordende stad; Maak multigenerationeel wonen mogelijk; Realiseer flexibele bouw. Dat maakt doorstromen makkelijker: een kleine jongerenwoning kan groter worden als je deze kunt samenvoegen, een gezinswoning kan kleiner worden door deze te splitsen waardoor ouder wordende bewoners kleiner kunnen wonen en tegelijkertijd een nieuw aanbod wordt gecreëerd. Hou bestaande, informele zorgstructuren in stand door betaalbaar en divers (klein/groot geschakeld, toegankelijk) te bouwen en gemeenschappen in staat te stellen bij elkaar in de buurt te kunnen blijven wonen; Zorg voor ontmoetingsplekken die toegankelijk zijn voor álle buurtbewoners; Hou ruimte in de ontwikkelstrategie voor ‘lege’, ongeplande ruimtes; bestem niet alles. Door niet alles vol te plannen en te bouwen, hou je plek over voor spontane en creatieve ontwikkeling (rafelrandjes).
“Als we 40-40-20 voor wonen doen, moeten we ook 40-40-20 voor werken doen.” Met de verdichting staat bedrijvigheid onder druk. Deelnemers vrezen dat de maakindustrie en ‘stadsverzorgende bedrijven’ langzamerhand uit de stad verdwijnen. Anders verliezen veel mensen hun baan, verhuizen de bedrijven de stad uit en komen nooit meer terug, kunnen de stedelingen nergens meer hun schoenen of kleren laten repareren. Er ontstaan dan veel meer autoverplaatsingen op grotere afstanden, een pendel van lagere inkomens buiten Amsterdam die dagelijks de stad in komen. En dan gebeurt wat we nu al zien gebeuren: in de plinten van nieuwbouw is dan alleen ruimte voor kantoren en koffietenten voor hen, die meer kunnen betalen. Aandacht voor (V)Mbo’ers en de onmisbare beroepen die zij uitoefenen staat niet los van de toekomst van de stad. Zij vormen de helft van de beroepsbevolking. Denk aan verpleegkundigen, onderwijsassistenten, loodgieters, onderwijzers, politieagenten… Ook alle gebouwen die je maakt, hebben (technisch) onderhoud, beveiliging, schoonmaak nodig, en daarmee dus vakmensen! Hoe zorgen we ervoor dat er deze beroepsgroepen kunnen blijven/komen? Met de bouw van vooral veel kleine woningen in het sociaal en middensegment wordt niet toekomstbestendig gebouwd voor deze beroepsgroepen, omdat er geen rekening wordt gehouden met de behoefte om te kunnen doorstromen.
Advies • Zorg ervoor dat er werkgelegenheid blijft voor elke groep. Met een 40-40-20-regel voor werken kun je de uittocht van de maakindustrie en ‘stadsverzorgende bedrijven’ tegengaan. Onderzoek en ontwikkel per buurt richtlijnen voor het type werkgelegenheid, die aansluit op de identiteit van die buurt. Zo ontstaat een diversificatie per kern. Maak bijvoorbeeld ruimte voor lokale en sociaal ondernemers uit de Bijlmer in Bijlmer West. Laat de loodgieter en de elektricien ook een plek krijgen, maak daar in elke buurt een straatje voor. Maak hiervoor beleid. Want het kan: zo is in De Hallen in Amsterdam West een gedeelte van de verhuur aan bedrijven sociaal en een gedeelte commercieel van prijs. De opzet is samen met betrokken buurtbewoners tot stand gekomen.
•
Maak in elke buurt een werkcorporatie om betaalbare werklocaties (in de plint van gebouwen) te realiseren en te beheren, zoals de gemeente nu in het Hamerkwartier aan het regelen is. Bedrijven moeten ook na tien jaar (bijvoorbeeld als nieuwe bewoners komen of na contractperiode) kunnen blijven. Zorg ervoor dat ze niet worden weggepest met juridische procedures als gevolg van de menging van bedrijvigheid en wonen. Maak gebruik van techniek om passende geluidsbarrières te maken.
•
Zorg ervoor dat vakmensen kunnen blijven wonen in de stad. Hou rekening met de behoefte dat deze groep kan doorstromen en maak dus meer grotere woningen die voor deze groepen ook betaalbaar zijn. Of maak woningen die kunnen worden aangepast aan de verschillende levensfasen.
11
En nu écht samen stadmaken!
4. Hou makers en verzorgers in de stad
5. Voeg scenario 5 toe: benut bestaande woningen en ruimtes beter
“Er wonen veel mensen in grote woningen die ze graag zouden willen delen.” Elke woning die we niet hoeven te bouwen doordat we bestaande woningen en leegstaande panden beter benutten, is positief. Veel bewoners gaven tijdens de bijeenkomsten aan dat er binnen de bestaande stad nog veel mogelijk is. Dit betreft het ‘inbreiden’ binnen de huidige bebouwde omgeving. Denk aan het ombouwen van parkeergarages, leegstaande kantoren en scholen of het realiseren van een betere doorstroming op de woningmarkt, iets wat elke avond werd genoemd en een nieuwe, vijfde strategie opleverde: benut het bestaande. En nu écht samen stadmaken!
Doorstroming is één gedachte, maar mensen zijn vaak (begrijpelijk) honkvast, omdat ze in hun eigen buurtje willen blijven. Wat als het eenvoudiger wordt om zelf te blijven wonen en je grote woning met anderen te delen? Er zijn bijvoorbeeld ouderen die groter wonen dan ze zouden willen. De aanwezigen waren ook veel flexibeler in het denken over het gebruik van hun woning dan nu wettelijk is toegestaan. "Ik splits graag een deel van mijn woning af zodat mijn dochter daar haar eigen woning heeft." Bestaande regelgeving laat samenwonen echter niet altijd toe, mensen worden dan gekort op een uitkering. Amsterdam zou hierop mogelijk eigen beleid en regelgeving kunnen ontwikkelen, want er staan regels in de weg. Ruimte in de regels, zoals verruimen van mogelijkheden voor woningdelen, kan dus extra woonruimte opleveren. Dat is ingewikkeld, maar nieuwbouw door verdichting is dat ook. Veel gemeenschappen willen overigens juist ook collectief wonen. Denk aan duowoningen voor jongeren, friendsconcepten, meergeneratiewonen en wooncoöperaties.
12
Advies: • Kijk of en hoe (landelijke) regelgeving in de weg staat bij woonruimteverdeling en of daar een Amsterdamse aanpak voor kan komen, bijvoorbeeld de voordeurdelersregeling.
6. Erken de eigen identiteit en trots van de buitenwijk
Door de druk op de stad komen de buitenwijken van Amsterdam sinds de laatste tien jaar meer en meer in de belangstelling te staan. De wijken rondom het centrum zijn al verder verdicht. Verdere verdichting zal in de buitenwijken gaan plaatsvinden, de ‘urbanisation of suburbia’. Het idee uit de Omgevingsvisie 2050 (‘meerkernige stad’) sorteert hier op voor. De verstedelijking zal per wijk sterk kunnen verschillen, ook afhankelijk van de zorgen en wensen in die wijken.
En nu écht samen stadmaken!
Tijdens de bijeenkomsten in de stadsdelen kwam de eigen identiteit ter sprake. Denk aan bedrijvigheid en de maakindustrie in Noord, en de sociale structuren in Zuidoost en Nieuw-West. Het is tijd voor een ‘emancipatie van de buitenwijk’: erken de eigen identiteiten en ga met buurten samen aan de slag om hun buurt te verbeteren. Voorkom dat er een eenheidsworst ontstaat. Bewaak de identiteit van het bestaande in het nieuwe en maak geen zielloze, lelijke gebouwen die niet in verbinding staan met hun omgeving. Bewoners hebben recht op een mooie, inspirerende woon- en leefomgeving. Een aantal deelnemers toonde zich kritisch op de kwaliteit van onlangs opgeleverde projecten in hun stadsdeel. Advies: • Laat de kernen in de buitenwijken ‘diversifiëren’: laat elke kern haar eigen ‘verdichtingspad’ ontwikkelen waarin verder wordt gebouwd op de bestaande identiteit.
13
7. Groei verantwoord en duurzaam
Hoe kan verantwoorde groei een hoopvol perspectief worden?
En nu écht samen stadmaken!
Een ‘wenkend perspectief’ op de nieuwe buurten van de toekomst ontbreekt. Het idee van ‘verantwoorde groei’ is nog niet uitgewerkt door de gemeente. De verdichtingsopgave wordt nu gebracht als een set “grote opgaven”: wat komt er allemaal op Amsterdam af, wat moet er gebeuren? Er wordt niet ingespeeld op de verbeelding: waar kunnen we met de stad naartoe? Er ontbreekt nu een sterke visie op de openbare ruimte, terwijl hier door bewoners veel kritiek op is. Er ontbreekt “een satéprikker” of overkoepelend concept. Uit de bijeenkomsten komen veel ideeën naar voren. Verdichting zou moeten leiden tot hoogwaardige openbare ruimte die onderling contact stimuleert, met gebouwen van hoogwaardige kwaliteit (bouwmaterialen), die groen en leefbaar is, en voor meerdere generaties bewoonbaar (“betaalbaar voor Bijlmerbaby’s”). Bewoners spraken over een “Amsterdamse School 2.0” of “Tuinsteden 2.0”. Advies: Gebruik het vooruitdenken in zeven generaties als overkoepelend concept om de buurten van de toekomst te bouwen. Hoe komt verdichting ten goede aan de zevende generatie die na ons volgt? Deze vraagstelling neemt sociale en ecologische zorgen mee en dwingt voorbij kortetermijn-opgaven en -winst te kijken. Ga uit van groen en circulaire economie Tijdens elke bijeenkomst werden de waarden van groen benoemd (zoals gezondheid, ecologie, recreatie).
Ook de gemeente doet dit in haar beleidsdocumenten. Desondanks staat groen (zwaar) onder druk in de stad. Binnen de Ring neemt het aandeel groene ruimte af in Amsterdam (zie onderzoek Balikçi et al., 20221). Buiten de Ring zien we deze ontwikkeling nog niet, maar met de grote
14
verdichtingsopgave is het waarschijnlijk dat ook het groen in de buitenwijken in de verdrukking komt. Bewoners uiten hun zorgen of bestaande parken en groene ruimtes blijven bestaan (in het bijzonder de Lutkemeerpolder). Groen mag niet lijden onder de verdichting en is voor de kwaliteit van het leven en het tegengaan van verhitting hard nodig. Van kijkgroen op daken, groenstroken langs de weg tot functioneel groen op sportlocaties. Bouw om bomen heen en kap niet onnodig. Bewoners geven wel aan dat er in de buitenwijken veel ‘kijkgroen’ is, ofwel groen waar je weinig mee kan; de verdichting biedt kansen om hier gebruiksgroen van te maken, van moestuintjes tot en recreatief groen in parken. Enkele deelnemers spraken verder hun zorgen uit over ecologie en het klimaat, maar het verbruik van hulpbronnen is nauwelijks ter sprake gekomen. Onze lineaire economie (‘take-make-waste’) is weinig ter discussie gesteld. De transformatie naar een circulaire economie heeft grote implicaties voor stedelijke ontwikkeling, bijvoorbeeld door het creëren van gesloten systemen op stedelijke schaal (hergebruik van afvalwater, decentrale energiesystemen). De gemeente Amsterdam heeft grote ambities met de circulaire economie (denk aan de ‘donut-economie’) en al op kleinere schaal geëxperimenteerd met circulaire gebiedsontwikkeling (Buiksloterham).
Advies: • Verantwoorde groei is groei die gestuurd wordt door de ecologie van de natuur. Daarbij kan de overheid handig gebruik maken van de kennis van bestaande groengroepen. Die zijn al verenigd nu vanwege het referendum over de Hoofdgroenstructuur. • Onderzoek hoe circulaire principes de standaard kunnen worden in stadsontwikkeling / stadsvernieuwing.
Advies: • Houd in deze paden rekening met het tempo en de schaal van de verdichting. “Laat het niet aan de markt over” Tijdens de bijeenkomsten leefde bij veel deelnemers de indruk dat de markpartijen dicteren en de gemeente en bewoners daar weinig tegenin kunnen brengen. Nu klopt het dat veel gronden al uitgegeven zijn. Daar staan nu gebouwen op en die hebben eigenaren; hierdoor kan de gemeente minder afdwingen dan bij gronden die nieuw uitgegeven worden, maar de gemeente kan wel adviseren. Toch lieten veel aanwezigen merken dat ze via de gemeente méér invloed willen uitoefenen op de ontwikkelingen. Daarbij klonk de behoefte aan een betrouwbare overheid: eentje die ervoor uitkomt welke (politieke) keuzes er zijn gemaakt en die deze keuzes uitlegt en verdedigt. Sommige aanwezigen hadden daar hun twijfels over. Nu wordt vaak met de mond beleden dat Amsterdam inclusief is en blijft, maar in de praktijk werd soms een andere ontwikkeling ervaren. Zo blijkt bij het principe van 40-40-20 dat er nog steeds sociale woningbouw kunnen verdwijnen. Als voorbeeld werd de sloop of grote renovatie van sociale huurwoningen in G-Buurt Noord genoemd, die nu 100 procent sociale huurwoningen heeft. Dat vraagt om extra oplettendheid bij de kaderafspraken en het naleven daarvan, en ook bij de verhouding in een wijk of buurt tussen koop-, sociale-, midden- en vrije sector huurwoningen.
Advies: • Kijk hoe gemeente en bewoners – waar mogelijk – meer invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkelingen; Tot slot: Leer van niet-westerse steden. De vraagstukken die we in Amsterdam hebben, zijn daar vele malen groter. Bijvoorbeeld Medellín, waar het gelukt is om de openbare ruimte weer terug te geven aan het publiek. Waar grote transformaties van sloppenwijken hebben plaatsgevonden en waar criminaliteitscijfers enorm zijn gedaald. Dit is gelukt omdat ze werkten vanuit de gedachte van Projectos Urbanos Integrales (PUI): in iedere euro die er in stenen ging, ging er twee euro naar sociale programma’s.
15
En nu écht samen stadmaken!
Groei gestaag Het tempo en de schaal van verandering lijken nu te hoog te liggen. Veel deelnemers uitten hun zorgen over hun snel veranderende buurt. De gemeente Amsterdam heeft het over ‘verantwoorde groei’: dit zou ook gestage groei moeten kunnen betekenen, ofwel een tempo dat bewoners kunnen behappen.