CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. 2021616 bijlage zienswijze omgevingsverordening NH2022 gem Amsterdam.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 8 september 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over de zienswijze op de ontwerp Omgevingsverordening NH 2022. (ZD2021-008044)6.207 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente Amsterdam

Bijlage zienswijzen ontwerp omgevingsverordening NH2022 per artikel

Pa g

Ontwerp Omgevingsverordening NH 2022 Hoofdstukken en afdelingen Hoofdstuk 2 Toedeling van taken en bevoegdheden Artikel 2.4 Het nautisch beheer van het water van de Amstel, tussen de Berlagebrug en de gemeentegrens, berust momenteel bij de provincie Noord-Holland. De gemeente Amsterdam heeft in de Nota’s Varen Deel 1 en 2 beleid vastgesteld om het gebruik van het openbare water te reguleren en overlast op het water aan te pakken. Enkele beheersmaatregelen tegen drukte en overlast hebben geleid tot een toename van overlast buiten het centrum. Met name op de Amstel nabij park Somerlust wordt veel overlast ervaren van pleziervaartuigen. De overlast betreft onder andere geluidsoverlast en afmeren aan boeien en ankeren in de vaargeul. Dat heeft geleid tot veel klachten van bewoners. De toegenomen drukte en overlast zorgen voor een verandering in omstandigheden die vragen om een actieve aanpak. Het overdragen van het vaarweg- en nautisch beheer van de Amstel, geeft de gemeente Amsterdam de bevoegdheden om op adequate en efficiënte manier haar handhavende taken uit te kunnen voeren en beheersmaatregelen te kunnen nemen binnen de gemeentegrenzen.

De gemeente Amsterdam verzoekt om de begrenzingen zoals genoemd in artikel 2.4 en de omschrijving in Bijlage 8, Vaarwegenlijst te wijzigen zodat het vaarwegbeheer van de Berlagebrug tot aan de gemeentegrens ter hoogte van de Kalfjeslaan wijzigt naar gemeente Amsterdam.

15 15

Hoofdstuk 4 Regels over activiteiten Afdeling 4.1 Algemeen

1

Gemeente Amsterdam

Helaas geen regels of omgevingswaarde ten behoeve van de Energietransitie en Circulaire economie De omgevingsverordening bevat naast instructieregels voor gemeentelijke omgevingsplannen ook (beleids)regels voor provinciale omgevingsvergunningen milieu. Daarbij kunnen ook omgevingswaarden worden vastgelegd die in programma’s, projecten en vergunning tot uiting komen. Helaas is er bij het opstellen van deze verordening voornamelijk gekeken naar de regels die reeds bestonden en onvoldoende naar regels en waarden die in de toekomst nodig zullen zijn om de transities in goede banen te leiden. De gemeente Amsterdam vraagt daarom aandacht voor vier onderwerpen: Circulariteit, CCSU (afvang en gebruik van CO2), waterstof en biomassa als energiebron. Circulaire economie In de omgevingsvisie NH2050 neemt de circulaire economie een prominente rol in. Net als het Rijk en de gemeente Amsterdam is door de provincie de ambitie uitgesproken in 2050 een volledig circulaire economie gerealiseerd te hebben. Bij de circulaire transitie zijn nog veel vraagtekens, bijv. over de benodigde ruimte (fysiek, milieu, geluid) in de nabije toekomst maar bijv. ook over de huidige grondstofstromen en toepassingen (gebrek aan data).

De omgevingsverordening NH 2022 zou, in aansluiting op de circulaire ambities zoals geformuleerd in de omgevingsvisie NH 2050, regels kunnen stellen die de juiste randvoorwaarden scheppen voor een circulaire economie. Dat kan door regels te stellen over de oorsprong of herkomst van materialen, maar ook door een informatieplicht over grondstofstromen. Daarnaast zouden de regels ook gericht kunnen zijn op de noodzakelijke flexibiliteit. Op dit moment is het proces waarin partijen via de milieuvergunning worden verplicht volgens de nieuwste inzichten te werken (BBT) onvoldoende om een snelle transitie te kunnen bewerkstelligen. -

Vraag: Is de provincie bereid om te kijken waar in de verordening aanvullingen mogelijk zijn die de circulaire transitie vergemakkelijken/versnellen?

Afvang en (her)gebruik van CO2, CCSU In de omgevingsvisie NH 2050 neemt, binnen de energietransitie, het reduceren van de CO2-uitstoot in de regio ook een prominente rol in. Net als de EU, het Rijk en de gemeente Amsterdam is door de provincie NH de ambitie uitgesproken om in 2050 klimaatneutraal te zijn, waarbij de eerste stap van NH 49% CO2-reductie in 2030 is. De gemeente gaat uit van 5% reductie in 2025 en 55% reductie in 2030 (t.o.v. 1990). Wat opvalt is dat in de Omgevingsverordening 2022 helemaal niets over de uitstoot, afvang en de inzet als grondstof van CO2 wordt geregeld. Omdat de ambities groot zijn en er nog veel moet gebeuren kan er met behulp van de verordening mogelijk meer nadruk gelegd worden op deze ambities en ook via regels en omgevingswaarden afvang, opslag en gebruik van CO2 gestimuleerd worden. -

Vraag: Zou het mogelijk zijn om de onderwerpen die worden aangehaald in de omgevingsvisie, omtrent heb behalen van de CO2 reductie doelen, vertaald kunnen worden naar regels en/of omgevingswaarden? Wellicht is het ook nodig de energietransitie beter te kunnen monitoren teneinde in te grijpen waar nodig. Mogelijke onderwerpen die verwerkt kunnen worden (gebaseerd op de omgevingsvisie): o regels over de reductie in uitstoot van CO2 die behaald moet worden binnen bepaalde sectoren o regels omtrent grondgebruik om de CO2 die vrijkomt te verminderen

2

Gemeente Amsterdam o

regels omtrent het realiseren voor de benodigde infrastructuur en transportregelingen voor CO2 zodat deze kan worden opgeslagen of kan worden hergebruikt. (Zoals bijvoorbeeld een reservering/zoekgebied voor pijpleidingen, opslagtanks enzovoort.)

Waterstof als belangrijke energiedrager voor duurzame energie Zowel in de omgevingsvisie NH 2050 als in de omgevingsverordening 2022 wordt eigenlijk niet over waterstof gesproken. Ontwikkelingen rondom waterstof gaan echter hard en ook in de provincie en het Noordzeekanaalgebied zijn er allerlei initiatieven om grootschalige waterstofketens van productie, opslag, distributie en afname op te zetten. De benodigde infrastructuur moet hiervoor op orde worden gebracht in de komende jaren en ook de wet & regelgeving zal hierop moeten worden aangepast. -

Vraag: Is het mogelijk, gezien de huidige (inter)nationale ontwikkelingen, dat waterstof en de benodigde opgave rondom waterstof een meer prominente plek zou kunnen krijgen in zowel de omgevingsvisie als in de omgevingsverordening? Mogelijke onderwerpen die aangekaart zouden kunnen worden: o Grootschalig transport (H-backbone) en opslag en de daarbij noodzakelijk milieuruimte o Verzwaring en intensivering van het elektriciteitsnetwerk, dat nodig is om groene waterstof te maken o Aanlanding van elektriciteit van windenergie op de Noordzee, alsmede waterstofproductie op zee

Biomassa als energiebron De inzet van biomassa als alternatief voor fossiele brandstoffen is alleen wenselijk onder strikte voorwaarden. De op papier te behalen winst wordt door de praktijk niet waargemaakt, omdat de inzet van biomassa als energiebron kan leiden tot ontbossing, vergroten van de CO2-uitstoot op de korte en middellange termijn en een grotere uitstoot van bijvoorbeeld fijnstof. Daarnaast zorgt de directe en indirecte subsidiering van biomassa installaties ervoor dat de hoogwaardige verwerking van reststromen wordt belemmerd. De laagwaardige toepassing, verbranding, is immers financieel aantrekkelijk. Over de mogelijkheden om regie te voeren op biomassa en onze beleidsinstrumenten hiervoor in te zetten zijn we in gesprek. De omgevingsverordening zou bij uitstek geschikt kunnen zijn om zowel voor omgevingsvergunningen milieu als omgevingsplannen regels te stellen die de inzet van biomassa als energiebron in goede banen leidt. In dit licht is ons verzoek om in deze omgevingsverordening aandacht te besteden aan biomassa en indien mogelijk om regels en/of omgevingswaarden in de verordening op te nemen die randvoorwaarden stellen aan (nieuwe) biomassa-installaties.

Daarbij is het bijvoorbeeld belangrijk om te denken aan: Aard/status van de reststroom, Herkomst van de reststroom, Specifieke eisen aan de uitstoot (stikstof/CO2/fijnstof e.d.) Maximale vergunning termijn (bijv. max 15 jaar i.v.m. SDE duur), Doel van de installatie (warmte/stoom/elektriciteit, liever niet die laatste) De nuttige toepassing van restproducten van de verbranding 49

Afdeling 4.14 Transformatorstations

3

Gemeente Amsterdam

art 4.127 t/m 4.131 transformatorstations Bij de artikelen over de transformatorstations (4.127 t/m 4.131) is er geen aandacht voor magneetvelden afkomstig van transformatorstations. In de ontwerp Omgevingsverordening wordt gesteld dat een vergunningaanvraag zal worden beoordeeld aan de hand van artikel 8.9 van het Bkl. Daarin staan beoordelingsregels, maar geen specifieke normen. Voor elektromagnetische straling wordt nieuw beleid of regelgeving vanuit het Rijk afgewacht. Amsterdam verzoekt de provincie om vanuit het oogpunt van gezondheid in de toelichting op te nemen dat “bij de beoordeling van de elektromagnetische straling vooralsnog wordt uitgegaan van 0,4 microtesla als norm voor het magneetveld bij omliggende woningen en bestemmingen waar kinderen langdurig verblijven bij het wijzigen of oprichten van een niet in een gesloten gebouw ondergebracht transformatorstation met een elektrisch vermogen van 200 MVA of meer”. 50 51

Hoofdstuk 5 Omgevingswaarden Afdeling 5.3 Omgevingswaarden geluidproductie Artikel 5.7 + 5.8 Geluidproductieplafonds provinciale wegen + industrieterreinen In artikel 5.7 en 5.8 wordt geschreven dat “In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten de geluidproductieplafonds vaststellen”. In de provinciale omgevingsverordening en het delegatiebesluit wordt niet toegelicht hoe het geluidproductieplafond wordt bepaald. Gedeputeerde Staten heeft de vrijheid om de plafonds zo hoog als maximaal toegestaan te maken. Dat betekent in de praktijk waarschijnlijk het huidige geluidsniveau plus een marge die het mogelijk maakt dat het verkeer nog fors kan toenemen de komende jaren. Vanuit gezondheidsoogpunt is dat niet wenselijk. - Vraag: Hoe wordt rekening gehouden met gezondheid bij het vaststellen van het geluidproductieplafond van provinciale wegen? Artikel 5.8 Geluidproductieplafonds provinciale industrieterreinen proces en procedure De overgang naar de Omgevingswet vereist dat de voor de huidige provinciale gezoneerde industrieterreinen geluidproductieplafond industrie worden vastgesteld. In het artikel worden alleen de werkingsgebieden bepaald. Deze lijken gebaseerd op de huidige gezoneerde industrieterreinen.

Het is echter goed denkbaar dat de overgang naar GPP in sommige gevallen tot gevolg heeft dat de begrenzing van het industrieterrein en de geluidniveaus worden aangepast, bijvoorbeeld vanwege gewijzigde ruimtelijke inzichten over een gebied. Over de totstandkoming van deze geluidproductieplafonds heeft de Gemeente Amsterdam de volgende vragen: - Wat is de planning om de GPPs vast te stellen? - Hoe worden gemeenten en andere stakeholders daarbij betrokken? - Kunnen de werkingsgebieden in de verordening meteen worden aangepast als de GPPs worden vastgesteld? - Hoe bepaalt de provincie welke (delen van) bedrijventerreinen nog met een provinciaal GPP worden geregeld en welke ook lokaal door gemeenten kunnen worden gemaakt en vastgesteld? (mede gezien het ‘lokaal, tenzij’-principe)

53 56

Hoofdstuk 6 Instructieregels Afdeling 6.2 Omgevingsplannen Artikel 6.10, lid 2 bestaande situaties 4

Gemeente Amsterdam

Het omgevingsplan kan het mogelijk maken om bestaande bebouwing te vervangen van ‘gelijke aard, omvang en karakter’. Een toelichting wat wordt verstaan onder de term ‘karakter’ ontbreekt in de artikelsgewijze toelichting. - Vraag: Kan de term karakter vervallen? Artikel 6.12 Toepassingsbereik en art 6.14 Kleinschalige ontwikkelingen Er wordt verzocht om kleine uitbreidingen van bestaande (woon)bebouwing, zoals een uitbouw of bijgebouw, niet onmogelijk te maken. Kleine woninguitbreidingen in de dorpen en andere kleinschalige ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld een kleine uitbreiding van een school of sportkantine, binnen het werkingsgebied Landelijk Gebied zijn niet meer toegestaan doordat artikel 6.14 van toepassing is op alle omgevingsplannen en buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. In de omgevingsverordening NH2020 waren alleen de kruimelgevallen ‘gebruikswijziging in of bij een bestaand gebouw’ en ‘tijdelijke afwijkingen’ (lid 9 en 11, artikel 4 bijlage II Bor) opgevat als ‘ruimtelijk plan’, waarop de bepalingen voor kleinschalige ontwikkelingen van toepassing waren. In de ontwerp omgevingsverordening NH2022 is dit onderscheid niet meer aanwezig. Hiermee is de omzetting niet beleidsarm, zoals aangegeven op pagina 47 van de toelichting. Een toelichting op deze wijziging van het toepassingsbereik ontbreekt.

Een gevolg is dat, ongeacht de situatie, sprake is van strijd met de Omgevingsverordening als de bouwmogelijkheden met 1 m² toenemen of als 1 m² buiten het betreffende bestemmingsvlak/werkingsgebied van een stedelijke functie zoals een bestaande woning wordt getreden. De ontheffingsmogelijkheid uit artikel 6.11 biedt geen soelaas voor een maatwerkoplossing. Afwegingsruimte om de gebruiks- en bouwmogelijkheden, uiteraard rekening houdend met de omgevingskwaliteiten, aan te passen en te actualiseren is grotendeels afwezig met de huidige opzet van de Omgevingsverordening NH2022. Deze beperking van de bouwmogelijkheden draagt niet bij aan een vitaal Landelijk Gebied en is een onwenselijke inperking van de mogelijkheden om lokaal maatwerk te leveren bij kleinschalige ontwikkelingen, bijvoorbeeld bij de dorpen in het landelijk gebied van Amsterdam-Noord. De gemeente Amsterdam verzoekt de provincie (om kleine uitbreidingen van bestaande (woon)bebouwing, zoals een uitbouw of bijgebouw, niet te beperken ten opzichte van de omgevingsverordening NH2020 en te voorzien in maatwerkmogelijkheden voor kleinschalige ontwikkelingen bij bestaande functies in Landelijk Gebied. art.

6.13 Nieuwe stedelijke ontwikkelingen De gemeente Amsterdam constateert dat de huidige regeling van regionale afspraken zoals opgenomen in artikel 6.13 van de (ontwerp-) Omgevingsverordening en nader uitgewerkt in de GS-regels niet optimaal functioneert. Hoewel de gemeente het belang van regionale afstemming onderschrijven, blijft het in de praktijk een lastige zoektocht wanneer en op welke tafel die afstemming het beste plaats kan vinden. De uitkomst van de zoektocht verschilt sterk per plan en is afhankelijk van meerdere factoren (aard en omvang, situering, fasering etc.). Naar onze mening biedt de huidige regeling met vastgelegde afspraken op college-niveau niet de gewenste flexibiliteit om de passende vorm van afstemming (maatwerk) te kiezen. Daarom verzoekt de gemeente Amsterdam de provincie (samen met Amsterdam en andere gemeenten) te onderzoeken hoe deze regeling in de praktijk functioneert en waar de verbeterkansen liggen. 5

Gemeente Amsterdam

In dat verband wijzen we ook graag op de ontwikkelingen binnen het Metropoolregio Amsterdam (MRA) en Platform Noordzeekanaalgebied (NZKG). De plannen voor een nieuwe organisatiestructuur van de MRA en betere samenwerking binnen het NZKG bieden wellicht mogelijkheden om de regionale afstemming beter te laten aansluiten bij die regionale samenwerkingstrajecten. Wij begrijpen dat dergelijk onderzoek te omvangrijk is om bij de vaststelling van de OV NH2022 mee te nemen. Graag vernemen wij of u bereid bent om dergelijk onderzoek te starten. Vooruitlopend op dat voorgestelde onderzoek en mogelijk daaruit volgende aanpassingen, willen we graag hierbij enkele kleine aanpassingen in de Verordening en de GS-regels voorstellen om enkele onduidelijkheden te verhelderen. - In artikel 6.13 van de Verordening verduidelijken dat de verplichting tot regionale afstemming geldt ten aanzien van nieuwe stedelijke ontwikkelingen met bovenlokale effecten. De verplichting zoals nu opgenomen in artikel 6.13 geldt ten aanzien van alle nieuwe stedelijke ontwikkelingen, ook al worden de effecten beperkt tot de gemeentegrens. - Een verduidelijking op te nemen van het begrip regio.

De kaart met de regio’s die als bijlage onderdeel uitmaakte van de Uitvoeringsregeling regionale afspraken nieuwe stedelijke ontwikkelingen 2017 is niet meer te vinden in de concept GS-regels zoals opgenomen in bijlage 10 bij de verordening. Graag deze toevoegen. - Een verduidelijking of bevestiging op te nemen dat de gemeente Amsterdam een zelfstandig regio is voor de toepassing van de GS-regels. Dit laat uiteraard onverlet dat de gemeente bij ontwikkelingen met bovenlokale effecten verplicht is in overleg te treden met de betrokken gemeenten en andere bestuursorganen (op grond van het Besluit ruimtelijke ordening). Artikel 6.14 Kleinschalige ontwikkelingen De (ongewijzigde) aanwijzing van de ‘boog’ met stedelijke functies zoals sportparken en volkstuincomplexen ten noorden van de A10 als ‘Landelijk gebied’ leidt tot beperkingen die een verdere ontwikkeling van die bestaande functies verhindert. Ook in stadsparken zoals het Amstelpark bestaat de wens voor meer flexibiliteit. Zeker bezien in relatie tot artikel 6.12 Landelijk Gebied, ontbreekt de mogelijkheid om, in voorkomend geval, de bouwmogelijkheden van de betreffende functies te kunnen vergroten. Dat gaat bijvoorbeeld om kleedkamers en sportkantines, die vanwege een goede ruimtelijke inpassing anders worden uitgevoerd dan het geldende bestemmingsplan aangeeft.

De gemeente Amsterdam verzoekt de provincie de betreffende zone niet meer als ‘Landelijk gebied’ aan te wijzen. De verdere bescherming kan plaatsvinden via de aanwijzing van de zone als MRA Landelijk Gebied en BPL. Artikel 6.14 Landelijk Gebied, artikel 6.18 MRA Landelijk Gebied, artikel 6.56 Bijzonder provinciaal Landschap De gemeente Amsterdam vraagt voor een aantal concrete situaties de begrenzingen van de werkingsgebieden aan te passen. Zie verderop onder ‘Viewer begrenzing werkingsgebieden’. Artikel 6.14 Kleinschalige ontwikkelingen en artikel 6.18 MRA Landelijk Gebied De gemeente Amsterdam verzoekt de provincie een delegatiemogelijkheid op te nemen voor herbegrenzing van de werkingsgebieden Landelijk Gebied en MRA Landelijk Gebied vergelijkbaar met de herbegrenzingsmogelijkheid voor NNN in artikel 6.54 van de 6

Gemeente Amsterdam

ontwerpverordening, omdat bij herbegrenzing van NNN ook aanpassingen nodig kunnen zijn voor deze werkingsgebieden. Artikel 6.15, leden 3, 4 en 6 Voormalige agrarische bouwpercelen De verlaging van de sloopondergrens voor de VAB-regeling en de verruiming van het aantal mogelijke woningen, geven betere mogelijkheden om meer voormalige agrarische bedrijfslocaties een nieuwe invulling te geven en de ruimtelijke kwaliteit van het landelijke gebied te vergroten. Dit neemt niet weg dat de aanpassingen naar verwachting geen oplossing kan bieden voor situaties waarin twee bedrijfswoningen vergund zijn. In dergelijke situaties kan nu hoogstens in één extra burgerwoning worden voorzien. Dat is scheef in vergelijking met situaties waarin sprake is van één bedrijfswoning en een vergelijkbare verbetering van de omgevingskwaliteit. Zo is er vaak meer te slopen agrarische bebouwing bij agrarische bedrijven met twee bedrijfswoningen, waardoor de kosten hoger liggen. De gemeente Amsterdam verzoekt de provincie de regeling zo vorm te geven dat het bestaande aantal bedrijfswoningen burgerwoning mag worden (en dat er daarnaast op basis van m2 te slopen bebouwing nieuwe woningen mogen bijkomen).

Artikel 6.18 MRA Landelijk Gebied Onveranderd is dat de vier dorpen in het landelijk gebied van Amsterdam-Noord in het werkingsgebied ‘MRA – landelijk gebied’ liggen, met uitzondering van het zuidelijke deel van Zunderdorp. Binnen de dorpen is een kleinschalige woningbouwontwikkeling daardoor niet mogelijk. In deze dorpen goed voorstelbaar en inpasbaar kan zijn om in specifieke situaties in enkele nieuwe woningen te voorzien, bij wijze van herontwikkeling en inbreiding. Recent is bijvoorbeeld een initiatief afgewezen om in Zunderdorp om een locatie voor een vrijstaande woning in te vullen met twee halfvrijstaande woningen. Ruimtelijk was dit plan inpasbaar en het betreffende perceel werd aan drie zijden begrensd door andere (toekomstige) woonpercelen. De gemeente Amsterdam verzoekt de provincie opnieuw de dorpen geheel buiten ‘MRA – landelijk gebied’ te leggen of te voorzien in een grondslag voor het toestaan van kleinschalige ontwikkelingen in de bestaande dorpskernen. Artikel 6.18 lid 2, onder e MRA Landelijk Gebied Hier wordt gesproken over een sloopoppervlakte van 1500 m². Volgens de toelichting zou dit 1.000 m² moeten zijn, in aansluiting op artikel 6.15. Artikel 6.21 Detailhandel op bedrijventerreinen en kantoorlocaties Dit artikel gaat over afhaalpunten en volumineuze detailhandel. Er zijn vier kritiekpunten. Deze punten hebben wij in 2020 ook al aangekaart.

Hoewel deze punten aansluiten bij het detailhandelsbeleid van de provincie zijn ze destijds niet overgenomen in de Omgevingsverordening 2020. We vinden ze desalniettemin van groot belang. Als iets in Amsterdam beleidsmatig verboden is en elders in de provincie/MRA niet of niet expliciet genoeg, krijg je verstoring van het speelveld en dat ondermijnt uiteindelijk de detailhandelsstructuur in de hele provincie. De provincie Noord-Holland heeft in de nota van beantwoording NH2020 aangegeven de verordening en de omgevingsregels in de OV2022 op dit punt verder te integreren. Dit is wat ons betreft onvoldoende gedaan. Daarom dient de gemeente Amsterdam haar kritiekpunten wederom in, voorzien van aanvullende argumentatie.

7

Gemeente Amsterdam

1. In deze verordening worden alleen regels gesteld over volumineuze detailhandel en ondergeschikte detailhandel. Wat mist in deze verordening zijn de criteria voor grootschalige detailhandel en algemene detailhandel in bijvoorbeeld de bestaande winkelgebieden. Ten aanzien van artikel lid 2 van 6.21 zou moeten gelden dat ook voor grootschalige en algemene detailhandel van meer dan 1.500 m2 moet worden aangetoond dat het initiatief niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand en dat een advies van de adviescommissie (ADZ) ook vereist is. 2. Ten aanzien van lid 3 is niet duidelijk of een solitaire vestiging alleen op bedrijventerreinen ongewenst is of overal. Het lid staat namelijk in artikel 6.21 dat de kop draagt: “Detailhandel op bedrijventerreinen en kantoorlocaties”. Maar omdat er in het artikel wordt gesproken van “bestaande winkelgebieden” is onduidelijk waar dit lid zich nu op richt. Wat ons betreft, is in principe nergens (dus niet alleen op een bedrijventerrein, maar ook niet in een woonwijk) een solitaire vestiging toegestaan, omdat winkels in een winkelcluster (al dan niet met andere commerciële dienstverlening) toekomstbestendiger zijn. Onder meer omdat winkeliers kunnen profiteren van elkaars passantenstromen. Solitaire winkels verzwakken in onze ogen vroeg of laat in de regel de (aantrekkingskracht van) bestaande winkelgebieden. Er staat ‘in principe’.

Hiermee bedoelen wij dat er uitzonderingen zouden moeten zijn op het verbod van solitaire winkels. De uitzonderingen zijn kleine (levensmiddelen)winkels in dorpskernen, kleine levensmiddelenwinkels in stedelijke wijken waar binnen een straal van 750 meter lopen geen supermarkt te vinden is, de zogenaamde food desserts en bij zogenaamde traffic locaties (bijvoorbeeld trein-, bus of metrostations). Wij stellen dan ook voor art. 6.21 lid 3 scherper te formuleren, zodat duidelijk is dat solitaire winkels zijn verboden met uitzondering van kleine winkels in dorpskernen, ‘food deserts’ in stedelijke wijken en op traffic locaties. 3. In lid 3 van artikel 6.21 wordt gesteld dat solitaire vestigingen wel mogelijk zijn als wordt gemotiveerd c.q. aangetoond dat er geen leegstand optreedt in bestaande winkelgebieden. Aantonen middels een motiverend onderzoek dat een solitaire winkel niet tot leegstand leidt, is ons inziens van tevoren zeer lastig aan te tonen, c.q. bijna onmogelijk. Zoals onder punt 2 gesteld zijn solitaire winkels wat ons betreft niet toekomstbestendig. Solitaire winkels moeten wat de gemeente Amsterdam betreft, weliswaar met een aantal uitzonderingen (zie onder 2) gewoon worden verboden. Dus een motiverend onderzoek waaruit zou moeten blijken dat er geen leegstand ontstaat in bestaande winkelgebieden zou in de Omgevingsverordening niet moeten worden voorgeschreven. 4.

De toelichting op pagina 111 is niet consistent met de tekst van artikel 6.21 zelf. In de toelichting staat namelijk dat solitaire vestigingen zijn verboden buiten de winkelgebieden. Er wordt een uitzondering gemaakt voor de solitaire supermarkt in een kleine kern, hetgeen begrijpelijk is, omdat in een kleine kern het draagvlak kan ontbreken voor een echt winkelcluster. In artikel 6.21 zelf wordt echter niet zo stellig gesproken over een verbod. Een toelichting is echter niet bindend. De regels in artikel 6.21 wel. De gemeente Amsterdam vraagt of de redactie van lid 3 van artikel 6.21 net zo streng geformuleerd kan worden als de toelichting op pagina 111. Dus dat solitaire winkels zonder motiverend onderzoek zijn verboden met uitzondering van kleine winkels in dorpskernen en stedelijke wijken waar binnen een straal van 750 meter lopen geen supermarkt te vinden is, de zogenaamde food deserts en op traffic locaties. Artikel 6.29 Industrieterreinen van provinciaal belang NZKG - milieucategorie De verwachting is dat de systematiek van het opnemen van milieuregels op basis van ‘milieucategorie’ en ‘staat van bedrijfsactiviteiten’ in het omgevingsplan op basis van de

8

Gemeente Amsterdam

Omgevingswet niet meer aansluit bij de genoemde begrippen in artikel 6.29. Er wordt verzocht om het artikel vorm te geven op basis van de Omgevingswet. In artikel 6.29 voor industrieterreinen van provinciaal belang wordt geregeld dat in omgevingsplannen de milieucategorie niet verlaagd mag worden en wordt de huidige regeling beleidsneutraal voortgezet. De instructieregels veronderstellen dat omgevingsplannen ook in de toekomst gebruik zullen maken van de werkwijze met milieuhindercategorieën die gebaseerd is op de VNG-Handreiking Bedrijven en milieuzonering. De gemeente Amsterdam wil hierbij graag opmerken dat de VNG die Handreiking zal intrekken (en dat met het oog hierop de Handreiking al jarenlang niet meer is geactualiseerd). In de staalkaarten voor het omgevingsplan stelt VNG een nieuwe systematiek met emissie-eisen voor. Het is nog niet bekend hoe de gemeente Amsterdam voortaan zal willen sturen op de vestigingsmogelijkheden van bedrijven in het omgevingsplan (in relatie tot milieuhinder). Het lijkt ons in ieder geval niet wenselijk dat de provinciale instructieregels gemeenten dwingen om een verouderde systematiek te blijven gebruiken waarvan de VNG al jaren geleden afstand heeft genomen. -

Vraag: Hoe ziet u de samenhang van deze instructieregels tot de intrekking van de VNG-Handreiking Bedrijven en milieuzonering en de staalkaarten? Hoeveel ruimte is er voor gemeenten om in het omgevingsplan op een andere wijze te sturen op de vestigingsmogelijkheden van bedrijven (in relatie tot milieuhinder), bv. door het gebruik van emissie-eisen?

Artikel 6.29, 6.30 en 6.31 Industrieterrein van provinciaal belang - begrenzing In deze verordening wordt, net als in de Omgevingsverordening NH2020, het havengebied én de stedelijke bedrijventerreinen in Sloterdijken-West aangewezen als Industrieterrein van Provinciaal belang. Dat leidt tot onnodige en ongewenste beperking van de verdichting van deze stedelijke bedrijventerreinen. Net als in de zienswijze van de gemeente op de vorige verordening pleit de gemeente Amsterdam voor een juiste begrenzing van het havenindustriegebied, zodat de benodigde fysieke en milieuruimte voor de transities kan worden beschermd. Maatwerk Sloterdijken-West Bij de vaststelling van de Omgevingsverordening NH2020 is afgesproken dat provincie en gemeente zoeken naar oplossingen voor de ontwikkeling en verdichting van SloterdijkenWest. Deze gesprekken verlopen constructief, maar hebben nog niet geleid tot een oplossing. Ondernemers en ontwikkelaars in dit gebied, alsook de gemeente, kunnen daardoor nog niet verder met de intensivering en verdichting van de gebieden ten zuiden van de A5. Verzoek begrenzing De gemeente Amsterdam vraagt de provincie om aan te sluiten aan de indeling van het gebied zoals deze is opgenomen in de (concept) Omgevingsvisie van de gemeente Amsterdam (zie afbeelding 1).

9

Gemeente Amsterdam

Afbeelding 1: (concept) Omgevingsvisie en indicatieve begrenzing in rood

De indicatieve begrenzing is op bovenstaande afbeelding rood weergegeven. Deze afbeelding is een uitsnede uit de kaart ‘Economische structuur’ van de omgevingsvisie Amsterdam. (Deze kaart betreft het concept dat het college aan de raad heeft aangeboden ter vaststelling.) De rode lijn geeft de grens aan van de terreinen die geschikt zijn voor zware industrie en/of een integraal onderdeel vormen van het havencomplex (donkerpaars). De terreinen daarbuiten zijn logistieke en stedelijke bedrijventerreinen waar een mix van stedelijke (werk)functies nodig is (zalmkleur). Binnen die gebieden wordt geen woningbouw voorzien. De gemeente Amsterdam verzoekt het werkingsgebied van het ‘industrieterrein van provinciaal belang’ aan te passen, zodat het zich alleen richt op de gebieden die geschikt zijn voor industrie en havenfuncties. De bedrijventerreinen daaromheen die als buffer tussen stad en havengebied liggen horen daar niet in. Het handhaven van de begrenzing frustreert de verdichtingsmogelijkheden op deze terreinen en gaat daarom juist ten koste van ruimte voor industrie. Artikel 6.34-6.39 Windenergie De gemeente Amsterdam is verheugd dat de bovenwettelijke provinciale regels ten aanzien van de realisatie van windparken zijn vervallen.

Met deze provinciale verordening verwacht de gemeente uitvoering te kunnen geven aan de opgave ten aanzien van het opwekken van duurzame energie volgens het programma van de RES. De inwerkingtreding van de Omgevingsverordening NH2022 is afhankelijk gemaakt van de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet is nog onzeker en wordt in de loop van 2022 verwacht. Het zou voor de verdere uitvoering van de RES nodig zijn om te kunnen anticiperen op voorliggende Omgevingsverordening NH2022 en vragen daarbij in voorkomende gevallen om de medewerking. Volgens de toelichting op de Omgevingsverordening NH2020 vormen de RES’sen 1.0 uitgangspunt voor wind op land en de opwekking van zonne-energie. De RES is echter een continue cyclus dat samengaat met het omgevingsbeleid. Om te komen tot een goed 10

Gemeente Amsterdam

ruimtelijke afgewogen bod is in eerste instantie gekozen voor een verkennend onderzoek. Dit heeft geresulteerd in de RES 1.0. In een volgende fase worden de zoekgebieden verder onderzocht en concreter gemaakt. Indien blijkt dat de opgave voor energie niet geheel kan worden gerealiseerd onder het omgevingsbeleid dan zal daar waar mogelijk het omgevingsbeleid moeten worden aangepast en volgt een RES 2.0. De gemeente geeft de provincie in overweging naar dit cyclische proces te verwijzen in de toelichting van de Omgevingsverordening zodat bij vaststelling van de RES 2.0 deze en daarna een volgende RES het uitgangspunt zal vormen. De gemeente Amsterdam vertrouwt hierbij op de samenwerking tussen provincie en gemeente bij de verdere uitwerking en uitvoering van de RES 1.0 (en volgende) zodat wij onze doelstellingen kunnen realiseren. Artikel 6.56 Toepassingsbereik Bijzonder provinciaal landschap De gemeente Amsterdam verzoekt de provincie een delegatiemogelijkheid op te nemen voor herbegrenzing van het Bijzonder provinciaal landschap vergelijkbaar met de herbegrenzingsmogelijkheid voor NNN in artikel 6.54 van de ontwerpverordening, omdat deze begrenzingen vaak op elkaar aansluiten en dus bij herbegrenzing gelijktijdig aanpassing nodig is.

Artikel 6.57 Kernkwaliteiten Bijzonder provinciaal landschap De gemeente Amsterdam verzoekt de provincie op een aantal punten bijlage 5 aan te passen aan de bestaande landschappelijke situatie. Zie verderop onder ‘Bijlagen’.

Artikel 6.58 Bescherming en activiteiten Bijzonder Provinciaal Landschap De gemeente Amsterdam verwacht de komende jaren meer vraag naar (lokale en regionale) biobased materialen. Zie ook de in voorbereiding zijnde Green Deal houtbouw MRA, waar de provincie voornemens is aan deel te nemen. De vraag naar ruimte voor deze teelt voor biobased materialen zal naar verwachting toenemen. -

103 103 103

Vraag: In hoeverre geeft de verordening NH2022 voldoende ruimte voor de teelt van biobased materialen voor de bouw, zoals lisdodde of vlas?

Hoofdstuk 12 Overgangsrecht Afdeling 12.1 Algemene overgangsbepalingen Afdeling 12.2 Overgangsbepalingen per onderwerp Afdeling 12.2 Overgangsbepalingen per onderwerp In artikel 12.1 Overgangsrecht, wordt verwezen naar de artikelen 4.46 tot en met 4.52. Er lijkt wat mis te zijn gegaan met de nummering. Dit moeten de artikelen 4.45 tot en met 4.51 zijn. Het gevolg van de huidige formulering zou zijn dat de bestaande RWZI in grondwaterbeschermingsgebied Horstermeerpolder niet meer is toegestaan, maar is verboden op basis van artikel 4.45 en bijlage 1b onder n. De gemeente Amsterdam verzoekt de provincie artikel 12.1 aan te passen.

11

Gemeente Amsterdam

BIJLAGEN bij Ontwerp omgevingsverordening 4 Bijlage 1 Waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden 4 Bijlage 1a Bord aanduiding grondwaterbeschermingsgebied 4 Bijlage 1b Verbonden activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden Bijlage 1b Verboden activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden De gemeente Amsterdam verzoekt de provincie bij verboden activiteiten onder ‘r. aardolieof aardgaswinning’ toe te voegen dat er ook geen activiteiten mogen worden uitgevoerd in het kader van geothermie (navolging Structuurvisie Ondergrond) of andere activiteiten waarbij boringen plaats moeten vinden in het kader van andere bodemenergie–systemen.

1 4

Bijlage 5 Kernkwaliteiten Bijzonder provinciaal landschap provincie NoordHolland BPL Tuinen van West Sportcentrum Ookmeer, volkstuinpark Lutkemeer en Sportpark De Eendracht zijn stedelijke voorzieningen. De begrenzingen van het Landelijk Gebied en hier ook het Bijzonder Provinciaal Landschap komen niet overeen met het huidige gebruik en de aanwezige waarden. Grote delen van de Tuinen van West, waaronder de sportvelden zijn belangrijke uitloopgebieden met functies voor die volle stad. Het is van groot belang dat we hier ook in de toekomst aanpassing of modernisering mogelijk blijft al naar gelang de maatschappelijke behoefte. In de beschrijving van het BPL Tuinen van West, waar zowel Sportpark Ookmeer als Sportpark De Eendracht onderdeel van uitmaken, lijkt het alsof op (top)sportparken de vrijwel rechthoekige verkaveling van de droogmakerijen nog intact is. Dit komt niet overeen met de bestaande situatie. Door deze verkaveling en het groene karakter van het landschap voorop te stellen, lijkt het gebruik van deze sportparken beperkt te worden. In de beschrijving van het BPL Waterland wordt hier daarentegen wel ruimte geboden. Hier zijn stedelijke ontwikkeling op terreinen met een stedelijke recreatieve functie mogelijk, mits landschappelijk ingepast.

BPL Amstelscheg In de beschrijving van het BPL Amstelscheg wordt niet duidelijk dat belangrijke stedelijke recreatieve functies, zoals het Sportpark ’t Loopveld en Sportpark APGS Amsterdam, afwijken van de beschreven historische verkaveling en ecologische waarde. Dit komt niet overeen met de bestaande situatie. Ook hier lijkt daarmee het gebruik van deze sportparken beperkt te worden. In de beschrijving van het BPL Waterland wordt hier daarentegen wel ruimte geboden. Hier zijn stedelijke ontwikkeling op terreinen met een stedelijke recreatieve functie mogelijk, mits landschappelijk ingepast. Het lijkt de gemeente Amsterdam logisch een dergelijke beschrijving toe te voegen voor alle stedelijke sportparken die liggen in BPL en Landelijk Gebied. We vragen de provincie dit aan te passen.

54 59

Toelichting ontwerp omgevingsverordening Artikelsgewijze Toelichting Hoofdstuk 4 Regels over activiteiten

12

Gemeente Amsterdam

Artikel 4.112 Luchthavengebied Amsterdam Heliport In de toelichting geeft u aan dat exploitant van helihaven 5 jaar de tijd heeft om aan te tonen dat met gebruik van het volledige aantal vluchten uit de oude BIGNAL-beschikking voldaan kan worden aan de wetgeving rondom stikstof. Hierbij is niet vermeld wat de startdatum is voor die termijn van 5 jaar. De gemeente Amsterdam gaat ervan uit dat die termijn begon te lopen wanneer de provincie de exploitant deze eis heeft meegedeeld. Dat tijdstip is echter voor de buitenwereld niet bekend. De gemeente Amsterdam veronderstelt dat die mededeling in ieder geval voor de terinzagelegging van het ontwerpluchthavenbesluit plaats vond, aangezien dit vereiste reeds in dat ontwerpbesluit opgenomen was. De gemeente Amsterdam verzoekt de provincie de toelichting te verduidelijken op dit punt.

Viewer begrenzingen werkingsgebieden Werkingsgebieden Landelijk Gebied/MRA Landelijk Gebied/BPL/NNN Zuid/ Zuidasdok In het ontwerpbesluit is voor de begrenzing van het Landelijk Gebied de huidige begrenzing van de A10 is aangehouden. Dit betekent dat de uitbreiding van de A10 Zuid en een deel van de voor Zuidasdok aangewezen werkterreinen binnen de grenzen van het landelijk gebied komen te liggen. Dit is een onwenselijke situatie. Het Tracébesluit Zuidasdok is onherroepelijk sinds 2018. De gemeente Amsterdam verzoekt de provincie ter hoogte van het Amstelpark, de Rozenoordbrug en de zuidzijde van knooppunt Amstel de begrenzing van de werkingsgebieden Landelijk Gebied, MRA Landelijk Gebied en BPL aan te passen aan dit besluit, zodat de infrabundel buiten deze werkingsgebieden komt te liggen. Westpoort/Sloterdijk -Zijkanaal F: Bij zijkanaal F is er een overlap tussen de werkingsgebieden ‘industrieterrein van provinciaal belang’ en ‘Landelijk gebied/MRA Landelijk Gebied/ BPL’. Dat spreekt elkaar tegen. In het bijzonder is de begrenzing als Landelijk Gebied en BPL in conflict met de bedrijfsbestemmingen van de kavels aan de west- en oostzijde. Deze kavels zijn in het bestemmingsplan bestemd voor (havengebonden) bedrijvigheid t/m milieucategorie 5.

Aan de oostzijde van Zijkanaal F ligt daarnaast een groenbestemming, die echter bedoeld is als reservering voor een goederenspoorverbinding. De gemeente Amsterdam verzoekt de provincie de aanduidingen ‘Landelijk Gebied/MRA Landelijk Gebied en BPL’ van dit deel van Zijkanaal F en de naastgelegen gronden te verwijderen waar deze gronden ook zijn aangeduid als ‘werkingsgebied índustrieterrein van provinciaal belang’. Zie onderstaande afbeelding 2.

13

Gemeente Amsterdam

Afbeelding 2: Zijkanaal F en voorstel herbegrenzing

Zuidoost/ Herbegrenzen A9 – noordzijde Gaasperplas De gemeente Amsterdam verzoekt de provincie bij de A9 de begrenzing van het werkingsgebied Landelijk Gebied aan te passen aan de begrenzing van het NNN, zie onderstaande afbeelding 3. Dit betreft het gebied bij het viaduct van de A9 over de Gaasp. Dit gebied is ruimtelijk gewijzigd door de ondertunneling van de A9 en ingericht met infrastructuur en verharding. De komende jaren worden plannen gemaakt voor een herinrichting.

Afbeelding 3: A9 viaduct Gaasp en voorstel herbegrenzing

Zuidoost / Gaasperplas – Valburgdreef 1001 De begrenzing van het NNN is recent gewijzigd rondom het pand Valburgdreef 1001 (Ballorig) naar aanleiding van het overleg dat gevoerd is over de aanbouw van een serre en horecavoorziening. De gemeente Amsterdam verzoekt de provincie de begrenzing Landelijk Gebied aan te passen conform deze begrenzing en zodat deze planologisch mogelijk worden gemaakt.

14

Gemeente Amsterdam

Zuidoost/ Gaasperplas - Landelijk gebied en NNN De komende jaren worden plannen gemaakt voor een herinrichting van het gebied aan de noordzijde van de Gaasperplas. Het doel is een goede inrichting met passende functies in deze zone aan het Gaasperplaspark. Op 16 maart jl. hebben B&W het Toekomstplan voor de Gaasperplas vastgesteld. In het Toekomstplan is een zonering opgenomen van gebieden met de nadruk op recreatie en gebieden met de nadruk op natuur. De gemeente Amsterdam is ambtelijk in overleg met de provincie over mogelijkheden om het NNN te ontgrenzen en om het oppervlak dat daarmee gemoeid is, te compenseren. Naast overleg met de provincie, is daarover overleg met grondeigenaren en erfpachters nodig. De gemeente Amsterdam vraagt de provincie daarom nu niet om het NNN te ontgrenzen. Wel verzoekt de gemeente om voldoende mogelijkheden in de verordening om in één ronde met aanpassing van het NNN ook eventuele aanpassingen van het werkingsgebied Landelijk Gebied mogelijk te maken of daarin bebouwingsmogelijkheden op te nemen.

Afbeelding 4: Toekomstplan Gaasperplas

Nieuw-West/Business Park Amsterdam Osdorp - Herbegrenzen NNN / Landelijk Gebied/ BPL Ter plaatse van de Etnastraat op het bestaande en deels nog te realiseren bedrijventerrein Business Park Amsterdam Osdorp (BPAO) vallen in NH 2022delen onder de beschermingsregimes voor het Landelijk Gebied. Deze begrenzingen van het Landelijk Gebied, MRA Landelijk Gebied, BPL en NNN, etc. houden onvoldoende rekening met de vigerende mogelijkheden voor ontwikkeling van het bedrijventerrein, waarvoor in 2013 het bestemmingsplan Lutkemeerpolder is vastgesteld. Het gevolg is dat deze provinciale agrarische/ecologische beschermingsregimes gelden ter plaatse van de geldende bestemmingen Bedrijf, Gemengd – 1, Groen, Water en Verkeer . De bestemming Gemengd-1 ziet bijvoorbeeld op bebouwing voor bedrijfsactiviteiten tot milieucategorie 3.1 en/of maatschappelijke dienstverlening, lunch- tearoom, Fastfood. Van landbouw dan wel natuur is in planologisch opzicht, sinds 2013, geen sprake maar ook feitelijk is de uitbreiding van BPAO reeds in uitvoering. De gemeente Amsterdam verzoekt om de beschermingsregimes, in het bijzonder NNN, te laten aansluiten op de begrenzing van de bestemming Natuur, zoals vastgelegd in het geldende bestemmingsplan Lutkemeerpolder (2013). Zie afbeelding 5.

15

Gemeente Amsterdam

Afbeelding 5: Uitsnede bestemmingsplan Lutkemeerpolder 2013 en voorstel herbegrenzing

Voor alle bovenstaande verzoeken om wijzigingen van de begrenzingen zijn we bereid om in gesprek te gaan over de exacte begrenzing of daarvoor digitale bestanden aan te leveren.

Voorbereidingsbesluit 3 Artikel II In de ontwerp omgevingsverordening NH2022 worden nieuwe instructieregels opgenomen voor windenergie. Daarnaast is het de bedoeling om in het voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels op te nemen waarin de huidige bovenwettelijke regels voor windenergie zijn opgenomen. De regel in het voorbereidingsbesluit is een bouwverbod windturbines. In de regels wordt niet verwezen naar de instructieregels (art 6.35 e.v. ) in de omgevingsverordening NH2022. De gemeente Amsterdam verzoekt de provincie te verduidelijken hoe kan worden afgeweken van het verbod in de voorbeschermingsregels?

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10469522/1