17. Bijlage PN 3a onderzoek archeologie Marineterrein 2022.pdf
Tekst van het document
Archeologisch bureauonderzoek Marineterrein BO 22-070 Amsterdam 2022 Monumenten en Archeologie
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
Inhoud Inhoud ........................................................................................................................................... 3 Samenvatting................................................................................................................................. 4 1 Inleiding.................................................................................................................................. 5 Basisgegevens................................................................................................................................ 6 2 Wet- en regelgeving ................................................................................................................7 2.1 Algemeen........................................................................................................................7
3
2.2
Rijk ..................................................................................................................................7
2.3
Provincie Noord-Holland .................................................................................................7
2.4
Gemeente Amsterdam ................................................................................................... 8
2.5
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie ...................................................................... 8
Historische en archeologische inventarisatie .........................................................................10 3.1 Geomorfologie en bodem algemeen .............................................................................10 3.2
Historie algemeen .........................................................................................................10
3.3
Historie van het onderzoeksgebied ............................................................................... 11
3.3.1
Ontwikkelingen aan het IJ ......................................................................................... 11
3.3.2
Van nieuw eiland tot Kattenburg ............................................................................... 11
3.3.3
De Admiraliteit op het eiland Kattenburg .................................................................. 13
3.3.4
Het dok bassin ...........................................................................................................16
3.3.5
Rijkswerf ...................................................................................................................18
3.3.6
Marineterrein ............................................................................................................19
3.4
Archeologische inventarisatie van het plangebied ........................................................ 20
3.4.1
Landelijke en Provinciale waardenkaarten ............................................................... 20
3.4.2
Informatie uit vindplaatsen .......................................................................................21
3.4.3
Bodemopbouw, diepte van archeologische lagen en grondwaterstand .................... 24
3.5
Conclusie: gespecificeerde verwachting ....................................................................... 25
4 Archeologische verwachtingskaart ....................................................................................... 26 5 Archeologische beleidskaart ................................................................................................. 29 6 Conclusie en advies................................................................................................................ 31 Bronnen ........................................................................................................................................34 Appendix I: beleidsvarianten en stroomschema ........................................................................... 36
3
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
Samenvatting In opdracht van Grond en Ontwikkeling, Gemeente Amsterdam, heeft Monumenten en Archeologie een bureauonderzoek opgesteld voor de Projectnota Marineterrein. Het onderzoek betreft een actualisatie van het bureauonderzoek voor het Marineterrein door Monumenten en Archeologie uit 2010 (BO 10-130) d.d. 17 december 2010. De Nota van Uitgangspunten voor de Projectnota omvat een raamwerk voor ontwikkelingen op het Marineterrein, waaronder de aanleg van openbaar groen, bebouwing en een ondergrondse parkeergarage. Het bureauonderzoek is bedoeld om een beeld te krijgen van de archeologische waarden die door deze ontwikkelingen verstoord kunnen worden en een eerste advies af te geven omtrent de omgang met dit ondergronds erfgoed. Het bureauonderzoek gaat uit van een overzicht van de historische ontwikkeling van het plangebied. Het historisch overzicht wordt aangevuld met archeologische informatie afkomstig van vindplaatsen in de omgeving van het plangebied. Hieruit komt naar voren dat binnen het plangebied Marineterrein materiële overblijfselen zijn te verwachten die samenhangen met de gebruiksgeschiedenis van het IJ als vaarweg sinds de 12de eeuw en met de periode vanaf het midden van de 17de eeuw tot in de late 19de eeuw, toen het terrein achtereenvolgens in gebruik was door de Admiraliteit en Koninklijke Marine.
De historische en archeologische informatie is omgezet naar een beeld van archeologische verwachtingen. De archeologische verwachting betreft zeven zones, zoals aangegeven op de verwachtingskaart (hoofdstuk 4). Aan de hand van deze verwachtingskaart is een kaart opgesteld waarin de voorgestelde beleidsregels en maatregelen voor de vereiste archeologische monumentenzorg zijn vastgelegd. Aangezien het gemeentelijk archeologiebeleid voor het Marineterrein nog een vertaling moet krijgen in het toekomstige, voor het Marineterrein vast te stellen omgevingsplan, is de archeologische beleidskaart indicatief van aard. De indicatieve beleidskaart telt vijf zones (hoofdstuk 5). Vooruitlopend op de vaststelling van het omgevingsplan en concretisering van de bouwplannen is geadviseerd een inventarisend veldonderzoek door middel van proefsleuven op te nemen in nadere planvorming, gericht op de bouwlocaties binnen de zone met beleidsvariant 2. Verder dient rekening te worden gehouden met een archeologische begeleiding van de ontgraving voor de ondergrondse parkeergarage. De uitgangspunten van deze onderzoeken dienen vooraf te worden vastgelegd in een archeologisch programma van eisen. Ook waar geen archeologische maatregelen voorzien zijn, geldt volgens de Erfgoedwet een vondstmeldingsplicht.
Als tijdens de uitvoering van werkzaamheden vondsten (voorwerpen, structuren of andere overblijfselen van menselijke aanwezigheid) worden gedaan, waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat die van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie gemeld zodat in overleg maatregelen worden getroffen tot documentatie en berging van de vondsten.
4
Gemeente Amsterdam
1
BO 22-070 Marineterrein
Inleiding
In opdracht van Grond en Ontwikkeling, Gemeente Amsterdam, heeft Monumenten en Archeologie een bureauonderzoek opgesteld voor het Marineterrein, stadsdeel Centrum. Het onderzoek betreft een actualisatie van het bureauonderzoek voor het Marineterrein door Monumenten en Archeologie uit 2010 (BO 10-130) d.d. 17 december 2010. Het bureauonderzoek is opgesteld in het kader van de Projectnota Marineterrein. Het plangebied c.q. onderzoeksgebied wordt ruwweg begrensd door de Dijksgracht, de Kattenburgerstraat en het Oosterdok. Het Scheepvaartmuseum valt buiten de plangrenzen (afb. 1). In de Nota van Uitgangspunten voor de Projectnota worden ontwikkelingen binnen dit gebied voorzien, waaronder de aanleg van openbaar groen, bebouwing en een ondergrondse parkeergarage. De voorziene ontwikkelingen betreffen vooralsnog slechts een raamwerk. Over de omvang van de bodemingrepen bestaan nog geen details. Het bureauonderzoek is bedoeld om een beeld te krijgen van de archeologische waarden die door deze ontwikkelingen kunnen worden verstoord en de consequenties hiervan te bepalen voor de verdere planvorming. Hoofdstuk 2 gaat in op de relevante archeologische wet- en regelgeving en biedt een vooruitblik op het toekomstige omgevingsplan voor het Marineterrein.
Kern van het onderzoek is een overzicht van de historische ontwikkeling van het onderzoeksgebied aan de hand van oude kaarten, relevante publicaties en archiefbronnen in samenhang met archeologische informatie over al bekende vindplaatsen (hoofdstuk 3). Hieruit volgt een archeologische verwachtingskaart (hoofdstuk 4), gekoppeld aan een beleidskaart (hoofdstuk 5) die inzichtelijk maakt bij welke oppervlakte en diepte van bodemingrepen rekening dient te worden gehouden met archeologische waarden. Ten slotte volgt een conclusie en advies ten aanzien van het behoud van archeologische waarden (hoofdstuk 6).
5
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
Basisgegevens Project Opdrachtgever Contactpersoon Uitvoerder bureauonderzoek Bevoegd gezag Beheer en plaats documentatie
Ruimte en Duurzaamheid – M. Rienstra L. Gratama Monumenten en Archeologie – T. Terhorst Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam
Onderzoeksgebied Provincie Plaats Stadsdeel ARCHIS onderzoeksnummer Centrum coördinaat Kadastrale aanduiding (huidig)
Noord-Holland Amsterdam Centrum 5279016100 X: 122.962 Y: 487.417 Amsterdam N 4420; N 4421; N3773; N3783; N 3774
1 Het plangebied (rood omlijnd) geprojecteerd op de topografische kaart van Amsterdam (Gemeente Amsterdam)
6
Gemeente Amsterdam
2
Wet- en regelgeving
2.1
Algemeen
BO 22-070 Marineterrein
Het archeologisch erfgoed bestaat uit structuren, grondsporen en voorwerpen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Deze materiële overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving. Het beleid voor het archeologisch erfgoed heeft dan ook veel raakvlak met dat van de ruimtelijke ordening. De bescherming van archeologisch erfgoed in de fysieke leefomgeving wordt per 1 januari 2023 geregeld in de Omgevingswet.1 Daarnaast bevat de Erfgoedwet 2016 bepalingen over het opgraven van archeologische vindplaatsen, de aanwijzing van archeologische Rijksmonumenten en een meldingsplicht voor toevalsvondsten.
2.2
Rijk
In 1992 hebben de Europese ministers van Cultuur het Verdrag van Valletta opgesteld (ook bekend als het Verdrag van Malta). Deze overeenkomst had tot doel om meer bewustzijn van het Europese erfgoed te creëren en in het bijzonder het archeologische erfgoed voor toekomstige generaties beter in stand te houden. In Nederland wordt aan dit uitgangspunt invulling gegeven door behoud van archeologisch erfgoed in de bodem (in situ) tijdens de planontwikkeling mee te wegen. Als behoud in de bodem (bijvoorbeeld door middel van technische maatregelen of planaanpassing) geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven (behoud ex situ). De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en de financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. In de Omgevingswet is een bepaling opgenomen dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de in de grond aanwezige, dan wel aantoonbaar te verwachten archeologische waarden.2 In de Erfgoedwet is een certificeringsstelsel opgenomen voor het onderzoeken van archeologisch waardevolle terreinen. Ook zijn hierin de aanwijzingsprocedures vastgelegd voor archeologische Rijksmonumenten3 en bevat de Erfgoedwet een verplichting om toevalsvondsten te melden (de zogenaamde meldingsplicht).4
2.3
Provincie Noord-Holland
Als toetsingskader voor ruimtelijke plannen gebruikt de provincie Noord-Holland de omgevingsvisie, de leidraad Landschap en Cultuurhistorie en de Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie (ILC).5 Op de ILC zijn enkele archeologisch verwachtingsvolle gebieden opgenomen. Naast de ILC beheert de provincie de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van het rijk. Op de AMK staan de provinciale en van rijkswege beschermde archeologische
1 Ten tijde van het schrijven is op dit punt nog de Monumentenwet 1988 (jo. Erfgoedwet) van kracht. 2
Artikel 5.130 Besluit kwaliteit leefomgeving.
3 Artikel 3.1 Erfgoedwet 2016. 4
Artikel 5.10, tweede lid, Erfgoedwet 2016.
5
Provincie Noord-Holland, 2018.
7
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
monumenten, de terreinen van zeer hoge en hoge archeologische waarde en de gebieden met een archeologische betekenis. De waardestellingen van de ILC en AMK zijn bedoeld als algemene indicaties die per specifiek plangebied nadere invulling en precisering nodig hebben.
2.4
Gemeente Amsterdam
In de overgangsperiode na invoering van de Omgevingswet worden alle bestemmingsplannen binnen de gemeentegrenzen opgenomen in het omgevingsplan voor Amsterdam. Onder het omgevingsplan geldt voor grondroerende werkzaamheden in archeologische beschermingszones een onderzoeksplicht. Afhankelijk van het door de aanvrager ingediende onderzoeksrapport kunnen aanvullende voorschriften, zoals het doen van opgravingen, aan de omgevingsvergunning worden verbonden.6 Deze beschermingsregeling komt grotendeels overeen met het bestaande vergunningstelsel, zoals vastgelegd in de huidige bestemmingsplannen. Zo worden ook in het omgevingsplan uitzonderingsregels opgenomen voor bodemingrepen die aan bepaalde oppervlakte- of dieptecriteria voldoen. Monumenten en Archeologie is voornemens om de archeologische beschermingsgebieden over de hele stad te uniformeren, door deze niet per bestemmingsplan, maar als thematisch geheel op te nemen in het omgevingsplan. De nieuwe Archeologische Waardenkaart Amsterdam (AWA) vormt hiervoor de onderlegger. Omdat de AWA momenteel nog in ontwikkeling is geeft de indicatieve beleidskaart die in dit rapport is opgenomen slechts een indicatief beeld van de archeologische beschermingszones die onder het omgevingsplan voor het plangebied zullen gelden. De uiteindelijke beschermingszones en daaraan gekoppelde aanlegregels kunnen hiervan op details afwijken.
In het kader van het op te stellen omgevingsplan en vergunningverlening voor concrete (bouw)ontwikkelingen is aanvullend advies nodig voor het bepalen van het geschikte archeologisch vervolgtraject.
2.5
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
De uitvoering van archeologisch onderzoek is wettelijk gebonden aan de Beoordelingsrichtlijn Archeologie (BRL SIKB 4000) en daarmee samenhangend de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA gaat uit van een gefaseerde aanpak. Er wordt onder meer onderscheid gemaakt tussen Bureauonderzoek, een Inventariserend Veldonderzoek, en het doen van Opgravingen (Appendix: stroomschema). Het inventariserend veldonderzoek is bedoeld om de resultaten van het bureauonderzoek te toetsen. Het geeft inzicht in de aanwezigheid en toestand van de archeologische overblijfselen in de bodem. Een opgraving wordt uitgevoerd wanneer er sprake is van een vindplaats met waardevolle archeologische resten. Archeologisch veldonderzoek wordt, afhankelijk van de bodemingreep en de verwachting, voorafgaand aan of tijdens de civieltechnische werkzaamheden (variant archeologische begeleiding) uitgevoerd. Elke onderzoeksfase wordt afgesloten met een selectiebesluit. Hierin wordt vastgesteld welke delen van een plangebied in aanmerking komen voor verder archeologisch onderzoek of voor bescherming en welke delen van het plangebied worden vrijgegeven.
6 Omgevingsplan Amsterdam, afdeling 4.2.
8
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
Voor archeologisch veldonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) vereist. Hierin zijn de kwalitatieve randvoorwaarden en onderzoeksvragen voor het werk vastgelegd. Het vormt de basis voor verdere planning en kostenraming. Het laten opstellen ervan behoort tot de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer van het plan.
9
Gemeente Amsterdam
3
Historische en archeologische inventarisatie
3.1
Geomorfologie en bodem algemeen
BO 22-070 Marineterrein
Het huidige natuurlijke landschap in en om Amsterdam is in grote mate bepaald door de landschapsvorming in het Holoceen. Dat is de geologische periode na de laatste IJstijd (vanaf ca. 10.000 v.Chr.). Er heerste toen een gematigd klimaat waarin in enkele duizenden jaren (mariene) afzettingen van klei en zand en daarop veengroei plaatsvond in de kuststreek. De top van dit Hollandveen bevindt zich in de huidige ondergrond op gemiddeld NAP -2 à -3 m. Het natuurlijke landschap werd vanwege grootschalige veenontginningen vanaf de 12de eeuw omgevormd tot een veenweidegebied. Aan de noordzijde van het IJ, in Waterland, begon deze ontwikkeling al in de 10de eeuw. Ter hoogte van de huidige binnenstad vond de ontginning plaats in de 11de en 12de eeuw vanaf de Amstel richting het achterland. Aangezien de waterhuishouding een cruciale rol speelde bij de veenontginningen, begon tegelijkertijd de aanleg van het stelsel van (zee)dijken ter bescherming van het nieuwe bouw- en akkerland. Het grootste deel van de Amsterdamse bodem bestaat tegenwoordig uit ophooglagen die in de loop der eeuwen werden opgebracht om de drassige bodem bewoonbaar te maken.
3.2
Historie algemeen
De vroegste sporen van menselijke bewoning of activiteiten binnen het gemeentelijk gebied van Amsterdam7 gaan, zo blijkt uit recente vondsten in de Noord/Zuidlijn bouwputten op het Damrak en Rokin, terug tot het late Neolithicum (ca. 2400 v. Chr.). Ook rond de stad, op vooral de hoger gelegen strandwallen, zijn dergelijke oude vindplaatsen bekend. De oudste stedelijke bewoningssporen met een relatie tot Amsterdam beginnen, voor zover nu archeologisch bekend, eind 12de eeuw en zijn teruggevonden aan de Nieuwendijk / Kalverstraat en de Warmoesstraat/Nes. Elders in de tegenwoordige gemeenten kwamen op dat moment al kleinschalige ontginningsnederzettingen voor, die een eigen ontwikkeling doormaakten. Met de aanleg van de (Nieuwezijds en Oudezijds) voorburgwallen in de 14de eeuw startte in Amsterdam het proces van stadsvorming. De laatmiddeleeuwse stad was omsloten door het huidige Singel aan de westkant en de Geldersekade en Kloveniersburgwal aan de oostkant. In de periode 1585-1663 groeide de stad explosief door vier stadsuitbreidingen. Ten tijde van de Eerste Uitleg (1585-1586) verplaatste de stadsrand zich naar de huidige Herengracht en de Oudeschans. Bij de Tweede Uitleg (1592-1596) kwamen er vier nieuwe woon- en werkeilanden (Marken, Uilenburg, Rapenburg en Vlooienburg) aan de oostkant van de stad.
In 1613 ontstond met de Derde Uitleg aan de westzijde van de stad de woon- en werkbuurt de Jordaan en het eerste deel van de grachtengordel tot aan de Leidsegracht. Met de Vierde Uitleg van 1663 werd in de Gouden Eeuw het halfcirkelvormige stadsplan van Amsterdam voltooid. Het oostelijk deel van de grachtengordel werd aangelegd over de Amstel en aan het IJ kwamen de drie oostelijke haveneilanden Kattenburg, Wittenburg, Oostenburg. 7 Het nieuwe stadsgebied Weesp is niet meegenomen in dit overzicht.
10
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
De eerste woonwijken buiten de Singelgracht ontstonden naar aanleiding van het uitbreidingsplan Kalff in 1877, gevolgd door een tweede ring na annexatie van grote delen van de gemeenten Nieuwer-Amstel en Sloten in 1896. De 20ste-eeuwse groei van de stad valt uiteen in vier fasen. Tussen 1915 en 1940 werd in Noord, Oost, Zuid en West de Gordel 20-40 gebouwd. Deze werd gevolgd door de naoorlogse tuinsteden in West, Buitenveldert en Noord, en in de jaren zestig en zeventig door het volbouwen van de Bijlmermeerpolder. Met IJburg borduurt de stad begin 21ste eeuw weer voort op het concept van vier eeuwen tevoren, het creëren van stedelijk areaal in en aan het IJ. Daarnaast wordt door de bouw van woningen binnen het bestaande stedelijk gebied ingezet op verdichting van de stad.
3.3
Historie van het onderzoeksgebied
3.3.1 Ontwikkelingen aan het IJ De huidige loop van het IJ is in belangrijke mate bepaald door landschappelijke ontwikkelingen die voortvloeiden uit de ontginning van het Hollandse veengebied (3.1). Tijdens stormvloeden aan het eind van de 12de eeuw en in het bijzonder die van 1170 kreeg het Almere – de binnenzee ter hoogte van het tegenwoordige IJsselmeer – door veendoorbraken bij Wieringen en het Waddengebied een directe verbinding met de Noordzee. In dezelfde periode werd het IJ door erosie van het laaggelegen veenweidegebied een aanzienlijk bredere waterloop die in het oosten aansluiting kreeg met de uit het Almere ontstane Zuiderzee. Waarschijnlijk kwam in deze periode het plangebied binnen de grenzen van het IJ te liggen (afb. 2). Dankzij deze landschappelijke veranderingen ontstond een knooppunt van handelswegen waaraan Amsterdam zich vanaf de 12de eeuw kon ontwikkelen. Zo vormde het IJ een vaarroute tussen Amsterdam en Haarlem, maar nam ook het ook het (internationale) handelsverkeer via de Zuiderzee in belang toe. Vanaf de late middeleeuwen, maar vooral vanaf het einde van de 16de eeuw, was het IJ dan ook een druk kruispunt van schepen en groeide Amsterdam uit tot een internationale handelsmetropool.
3.3.2 Van nieuw eiland tot Kattenburg De snelle toename van de scheepvaart voor handel en visserij, de groeiende behoefte aan aanlegplaatsen en de verzanding van de haven in de Oude Waal (tussen de Geldersekade en de Oude Schans) noodzaakten de stad in 1642 tot een uitbreiding van het oostelijke havenareaal. De palenrij (‘de Laag’) die het water voor de stad afschermde van het open IJ werd naar het noorden verlegd. De oostelijke stadswal langs de Nieuwe Herengracht (aangelegd bij de stadsontwikkeling van 1592, de Tweede Uitleg) werd vanaf het laatste bolwerk Rijssenhoofd tot in het IJ doorgetrokken (afb. 2, 3). Er werd voor dat doel een langgerekt eiland in het IJ aangelegd met een walstuk (courtine of gordijn) en twee bolwerken. Dit ‘Nieuwe Eylandt’ was door een ophaalbrug met het bolwerk verbonden en was zowel een verdedigingswerk als een golfbreker.8
8 Lemmers 2005, 26-27.
11
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
1600
1642
1700
1800
2 De schematische ontwikkeling van het plangebied (rood omlijnd) en stedelijke omgeving (Monumenten en Archeologie)
3 De eerste aanzet tot de ontwikkeling van het eiland Kattenburg (plangebied rood omlijnd). Op de uitsnede van de stadsplattegrond van Balthasar Florisz van Berckenrode uit 1625 (links) zijn de eilanden Marken (linksboven), Uilenburg (rechtsboven) en Rapenburg (onder) te zien met links daarvan de stadswal met aan de IJ-oever bolwerk Rijssenhoofd. Op de kaart van Blaeu uit 1649 (rechts) is voorbij bolwerk Rijssenhoofd het ‘Nieuwe Eylandt’ te zien als een gekromd stuk vestingwal in het IJ
12
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
Tijdens de Eerste Engelse Oorlog (1652-1654) bleek de oorlogsvloot van de Republiek niet adequaat te functioneren. Voor verdere verbeteringen was een goede vlootbasis met bijbehorende faciliteiten nodig. De toenmalige Amsterdamse Admiraliteitswerf op Uilenburg en Rapenburg kon hierin niet voorzien. Daarom besloot het gemeentebestuur in 1654 tot de aanleg van een nieuwe Admiraliteitswerf, Kattenburg genaamd, op het kort daarvoor gerealiseerde ‘Nieuwe Eylandt’ De stadswal op dat eiland werd geslecht en met de vrijgekomen grond werd het eiland verbreed (afb. 2, 3). Het eiland werd in de lengterichting in tweeën verdeeld door de twee parallelle hoofdstraten. Naast een scheepswerfcomplex voor de Admiraliteit aan de noord(west)elijke oever, verrezen er woonhuizen in de middenzone langs de Grote- en Kleine Kattenburgerstraat en kwamen er particuliere scheepswerven op de oostelijke oever (afb. 4).
3.3.3 De Admiraliteit op het eiland Kattenburg In augustus 1655 startte de bouw van de werf. Het bedrijfsterrein beperkte zich toen nog tot de zuidwestelijke helft tot voorbij de knik in de Kattenburgerstraat (afb. 4). Een muur langs de Kattenburgerstraat sloot het bedrijfsterrein af van de woonbuurt. In het midden van de muur bevond zich een poortgebouw dat toegang bood tot de werf. Dit gebouw was circa 7 m diep en symmetrisch van opzet met een bedrijfsgebouw aan weerszijden van de doorgang: het schrijverskantoor en het spijkerhuis (afb. 5). Verder waren aan elke zijde van het poortgebouw drie woonhuizen tegen de muur gebouwd. Deze bebouwing wordt tegenwoordig als het Voorwerfgebouw aangeduid en geldt als het enige nog resterende bouwelement van de 17deeeuwse werf, daterend uit 1657 (Kattenburgerstraat 7 – Rijksmonument 2206). Achter de poort lag een open plein dat de Beurs werd genoemd, omdat het werkvolk daar werd uitbetaald. De werf breidde zich gestaag in oostelijke richting uit en rond 1700 werd de strook langs de muur vanaf de smederij bebouwd met een imposant pakhuis van twee verdiepingen (afb. 5). Dit ‘Groot Magazijn’ had een kenmerkende bogengalerij op de begane grond en huisvestte verschillende werkplaatsen: de riemenmakerswinkel, loodgieterswinkel en kuiperswinkel.
Ook werden er allerlei scheepsbenodigdheden opgeslagen en eronder bevonden zich waterreservoirs met een capaciteit van ruim 120.000 liter. De rooilijn van het pand lag gelijk met die van de smederij. In de 18de eeuw (rond 1780) werd het lange pand in tweeën gesplitst. Het westelijke deel werd gesloopt en hier kwamen verschillende losse werkplaatsen voor in de plaats. Volgens een kaart van Kattenburg uit 1788 lagen hier (gezien vanaf de smederij) een schuitenmakers-loods, een houtopslag (‘houttuynen’) met aan de werfzijde werkplaatsen van de huistimmerlieden, en werkplaatsen van de gereedschaps-, rampaarden-9 en blokmakers (afb. 6). Het oostelijke deel werd in de laatste kwart van de 18de eeuw opgedeeld in een pakhuis en het ‘Agterste Magazyn’ Dit laatste gebouw bleef tot 1854 in gebruik en werd daarna verbouwd tot marinekazerne. Bij de bouw in 1919 van een nieuwe kazerne zijn de laatste restanten ervan gesloopt.10
9 Een rampaard of rolpaard is een houten onderstel van een scheepskanon. 10 Lemmers 2005, 44.
13
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
N
4 Detail van de stadsplattegrond van De Broen (1774-1782, noorden rechtsonder). Op de noordzijde van Kattenburg was de werf van de Admiraliteit. Het water langs deze werf, het ’s Lands Dok of Hok genoemd, was in het noorden en westen afgeschermd van het IJ door een paalbarrière en in het oosten door het uiteinde van de dubbele palenrij (Laag) die voorlangs de stad liep (Stadsarchief Amsterdam)
groot magazijn smederij
poortgebouw
5 Detail van een aanzicht van voorwerf uit ca. 1720 met het nog complete ‘Groot Magazijn’ (Stadsarchief Amsterdam)
14
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
6 Boven: Het Zeemagazijn met de voorwerf en het dok op Kattenburg in ca. 1788 (Stadsarchief Amsterdam). Midden: detail met het zuidwestelijk deel van de voorwerf waartoe het bedrijfsterrein zich beperkte tot de uitbreidingen in 1660, met links het Zeemagazijn, in het midden het poortgebouw en langs de oever enkele scheepshellingen. Onder: het noordoostelijk deel van de werf met de verschillende werkplaatsen, ‘het ‘Pakhuys’ en het ‘Agterste Magazyn’.
15
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
In de oeverzone van de werf lagen verschillende scheepshellingen (afb. 6). Deze bestonden in principe uit houten plankieren die naar het water afliepen en mogelijk op palen waren gefundeerd. In het deel van de voorwerf het dichtst bij het Zeemagazijn waren in de 18de eeuw vier hellingen gesitueerd. Op de kaart uit 1788 zijn van west naar oost eerst twee kleine hellingen zichtbaar: ‘de Helling bij het Magazijn’ en ‘de Houthelling’. Meer naar het oosten liggen twee grotere hellingen: ‘de Grote Helling’ en ‘de Smitshelling’ (afb. 6). Tussen de eerste en de tweede helling en ten oosten van de ‘Smitshelling’ bevond zich een insteekhaventje (‘sloot’). Hier konden schepen worden afgetimmerd na de te waterlating of reparaties worden uitgevoerd. Op het tweede oostelijke deel van de werf lagen ook twee grote hellingen (afb. 6): ‘de Schuytemakershelling’ en ‘de Mastemakershelling’ met hierlangs enkele gebouwen op de oever. Direct ten oosten van de ‘Smitshelling’ sloot lag ‘het koolkot’, waar waarschijnlijk steenkool was opgeslagen. Aan de andere kant van de schuitenmakershelling was ‘het Pikhuys’ voor de teer opslag. Hiernaast lag een grote timmerloods met ten noorden daarvan aan de waterkant ‘het Olyhuys’. Naast de ‘Mastenmakershelling’ tegenover de werkplaats van de blokmakers lag ‘de Blokkemakerssloot’.
Aan de oostzijde van deze sloot lag een grote loods met aan de ene zijde een houtwal en aan de andere ‘het kuypersstookhuys’ waar vaten en tonnen werden vervaardigd. Naast het stookhuis lag ‘de kuyperssloot’ met ten oosten hiervan het laatste perceel van de werf dat geheel omsloten was door water en met een brug met het ‘Agterste Magazyn’ verbonden was. Op de hoek van dit perceel stond een kraaninstallatie. Vanaf het begin van de 19de eeuw was hier de mastenmakerij.
3.3.4 Het dok bassin Het water voor de Admiraliteitswerf was uit veiligheidsredenen aan de noord- en westzijde van het IJ afgesloten door een palenbarrière die aansloot op de ‘Laag’. Zo ontstond een bassin, ’s Lands Dok of het Hok, waarvan de contouren de vorm van het huidige Marineterrein volgen (afb. 4, 6). Aanvankelijk was het de bedoeling om hier een van het buitenwater af te sluiten dok van te maken, maar de daarvoor benodigde sluizen zijn door geldgebrek nooit gerealiseerd. Door voortdurende bezinking van modder werd de waterdiepte in het bassin steeds problematischer. Het water voor de werf zou 4 meter diep moeten zijn, maar vaak was dit niet het geval – dat terwijl het eiland Kattenburg juist was uitgekozen vanwege de ligging aan diep vaarwater met een goede doorstroming. In de 18de eeuw viel bijna niet meer tegen de aanslibbing op te baggeren. Op voorstel van de equipagemeester William May werd in 1794 een dam rond het Hok gebouwd om verdere ‘verslijking’ tegen te gaan. Twee sluizen zouden dan toegang bieden.11 De dam was samengesteld uit sedimenten die moddermolens opbaggerden uit de grachten en het IJ. De dienst ‘Stads Graaf- en Modderwerken’ was voortdurend op zoek naar afzetmogelijkheden voor de vele tonnen bagger die jaarlijks werden opgehaald en zag hier een goede dumplocatie.
De palen van de ‘Laag’ en de palenbarrière die het dok omsloot zijn waarschijnlijk in de dam opgenomen. Al snel raakte de dijk in de 19de eeuw bebouwd met functies waarvoor op de voorwerf geen plaats meer was. Van de toenmalige bebouwing is alleen de voormalige TOKM kazerne (Technische Opleiding Koninklijke Marine) en het gebouwtje van het Zeekadettenkorps bewaard gebleven. Vermoedelijk werd de oever van Kattenburg in deze
11 Lemmers 2005, 40-46.
16
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
periode uitgebreid tot de ca. 90 m brede strook met bebouwing die op het kadastraal minuutplan van 1832 te zien is (afb. 9). Ter verbetering van de toegankelijkheid van de haven was in 1830 besloten tot de aanleg van het Oosterdok, een luwe binnenhaven afgesloten door een dijk. Schepen konden via de Oosterdoksluis in het Oosterdok en het ’s Lands dok komen. Ondanks deze maatregelen zette de verlanding van de haven zich voort. In 1869 werd daarom besloten om het havenfront af te sluiten. Tussen 1872 en 1877 zijn drie eilanden waaronder het Oosterdokseiland en een spoordijk ten behoeve van het nieuw te bouwen Centraal Station in het IJ aangelegd. Het IJ werd toen tot NAP 5 m NAP uitgebaggerd.12
7 De huidige situatie geprojecteerd op het kadastrale minuutplan uit 1820 (versie HisGIS) met percelen in zwarte omlijning en bebouwing in oranje. Rood omlijnd is het huidige Marine Etablissement. Op de kaart is de dam uit 1794 te zien die het ’s Lands Dok omsloot. Links de IJ-tunnel die het oostelijke deel van het voormalige ’s Lands Dok doorsnijdt.
12 Monumenten en Archeologie 2008, 2010.
17
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
3.3.5 Rijkswerf Na de opheffing van de Admiraliteit in 1795 kwam het werfcomplex in 1813 onder de naam Rijkswerf in gebruik bij de Koninklijke Marine. In 1867 werd de werf ingericht voor de bouw van ijzeren schepen (afb. 8). De hoofdindeling van het terrein bleef grotendeels hetzelfde als in de voorgaande eeuwen, maar een aantal gebouwen kreeg andere functies en op de eind-18deeeuwse dam kwam nieuwe bebouwing. Het bassin werd in tweeën gesplitst. Verder werden alle sloten en insteekhavens op het voorwerfterrein gedempt. Op het westelijk deel van de voorwerf, tot aan de smederij, bevonden zich langs de Kattenburgerstraat woningen, kantoren en de geneeskundige dienst. De drie hellingen ten noorden hiervan bleven in gebruik. Aan weerszijden van de hellingen werden bergplaatsen voor allerhande materiaal gebouwd (o.a. artilleriematerieel, inventarisgoederen, rijwielen en gereedschapskisten).
8 Situatie van de Rijkswerf in 1878. Op de kaart is de dam uit 1794 te zien die het ’s Lands Dok of Hok omsloot. Verder is de inrichting van het terrein eind 19de eeuw weergegeven
Het oostelijk deel van de voorwerf langs de Kattenburgerstraat, van de smederij tot het ‘Agterste Magazyn’, werd nu ingericht ten behoeve van metaalbewerking. De ‘oude’ smederij bleef op zijn plaats en ten oosten hiervan werden onder andere werkplaatsen ingericht voor bankwerken, koperslaan, galvaniseren en het maken van geweren. Ook bevond zich hier een ijzermagazijn en een elektrische centrale. Het ‘Agterste Magazyn’ werd in 1854 ingericht als
18
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
marinekazerne. Ten noorden van de bebouwing bevonden zich twee hellingen, die oostelijker lagen dan de 18de-eeuwse hellingen. De bebouwing ten westen hiervan betrof een werkplaats voor scheepsmakers. Ten oosten van de hellingen waren nog een bankwerkerij, een ketelmakerij en een ijzermagazijn. Het ronde gebouw in de noordoost hoek betrof de geschutgieterij (afb. 8). Alle voorzieningen voor houtbewerking werden verplaatst naar het westelijk deel van de dam, parallel aan de IJ-gracht. Dit deel van de werf kreeg de naam Hout-Haven en werd door een houten dam van het Marine-dok gescheiden. Op de zuidwestelijk punt van dam, tegenover het Zeemagazijn, werd eind 19de eeuw het ‘marine-paleis’ gebouwd met daarin de directiewoningen (1882-1884). Op de noordwestarm van de dam, langs het Oosterdok, kwam in 1888 de torpedodienst met magazijnen, een werkplaats en een montagehal. In de oksel van de dam lagen sleephellingen voor de vervaardiging van torpedoboten. Aan de oostzijde, langs de ‘Pijp’, waren op de dam verschillende bergplaatsen voor hout, houtskool en steenkool aanwezig. Op de hoek stond een loods waar sloepen werden gebouwd en opgeslagen. De noordoostarm van de dam bood plaats aan werkplaatsen voor takelaars, schilders en blokmakers. In de dam langs het Oosterdok zat een doorgang naar het Marinedok die met een pontonbrug werd afgesloten.
3.3.6 Marineterrein In 1915 viel definitief het doek voor de scheepsbouw op Kattenburg.13 Het zuidwestelijke deel van het dok, en alle bebouwing aan de Hout-Haven, moest in 1965-68 plaatsmaken voor de aanleg van de IJ-tunnel . Het dok werd gedempt en de nieuwe inrichting van het terrein werd in 1966 voltooid.14 Het complex werd in gebruik genomen door de Koninklijke Marine als het Marine Etablissement Amsterdam. Sinds het besluit van het ministerie van Defensie in 2011 om het terrein (deels) te verkopen en verlaten hebben diverse bedrijven en instellingen hun intrek genomen in de nog bestaande bebouwing van het terrein (afb. 9) en worden de mogelijkheden tot herontwikkeling onderzocht. Het Voorwerfgebouw (Kattenburgerstraat 7 – Rijksmonument 2206) is nu het enige zichtbare bovengrondse overblijfsel uit de tijd dat de Admiraliteit het terrein in gebruik had.
13 Bosscher 1965, 538. 14 Lemmers 2005, 178.
19
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
9 De huidige situatie van het plangebied (rood omlijnd) op een luchtfoto uit 2020 (Gemeente Amsterdam)
3.4
Archeologische inventarisatie van het plangebied
3.4.1
Landelijke en Provinciale waardenkaarten
Binnen het plangebied zijn volgens de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geen beschermde archeologische monumenten aangewezen. Wel ligt het gebied binnen een zone van hoge archeologische waarde – de Amsterdamse binnenstad (AMK-nummer 14611; afb. 10). De Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie (ILC) van de provincie Noord-Holland bevat geen informatie over het onderzoeksgebied. De verwachtingen op deze kaarten zijn algemeen van aard en dienen in het geval van planvorming nader te worden uitgewerkt. Een inhoudelijke en ruimtelijke specificatie van de archeologische verwachtingen volgt in hoofdstuk 4.
20
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
10 Overzicht van onderzoekslocaties binnen het plangebied (aanduiding met projectcode – zie 3.4.2) en zonering van de Archeologische Monumentenkaart
3.4.2
Informatie uit vindplaatsen
In het plangebied heeft tot op heden op vier locaties archeologisch veldonderzoek plaatsgevonden (afb. 10). De vindplaatsen worden hieronder besproken. DEMS-loods Marine-Etablissement (KAT (1997) en KAT2 (1998) – Archis: niet beschikbaar). In 1997 en 1998 is archeologisch onderzoek verricht op het Amsterdamse Marine-Etablissement.15 Deze opgravingen vonden plaats na de sloop van de voormalige DEMS-loods langs de Kattenburgerstraat ter voorbereiding van de nieuwbouw van het depot van het Scheepvaartmuseum. Het werfterrein bleek een rijke vindplaats met archeologische sporen van hoge fysieke en inhoudelijke kwaliteit. Er zijn toen overblijfselen uit verschillende fasen van de Admiraliteitswerf gedocumenteerd. Hert ging om resten van huizen van de werfeigenaren uit de eerste gebruiksfase van het eiland rond het midden van de 17de eeuw. Verder was er een uitbreiding van het Voorwerfgebouw die in een eerder stadium was verwijderd. Omvangrijke 15 Vindplaatsen KAT en KAT2, uitgevoerd door BMA.
21
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
funderingsresten zijn gelokaliseerd van het Grootmagazijn, het grote pakhuis uit het einde van de 17de eeuw, zijn. Het archeologisch onderzoek richtte zich ook op sporen van de 19de-eeuwse industrialisering van de scheepsbouw op Kattenburg, waarbij funderingsresten van de galvaniseerinrichting archeologisch zijn gedocumenteerd (afb. 11).16 Door aanpassing van het palenplan voor de bouw van het nieuwe depot van het Scheepvaartmuseum zijn de archeologische resten in situ bewaard.
11 De galvaniseerinrichting aan de Kattenburgerstraat, bedoeld om de ijzeren platen voor de scheepsbouw van een beschermende zinklaag te voorzien, werd in 1867 in gebruik genomen. Bij de opgraving in 1997 (vindplaats KAT) zijn de stookgangen en de kelderruimte van het gebouwtje gedocumenteerd
Districtsgebouw Koninklijke Marechaussee, Kattenburgerstraat 7 (KAT3 – Archis: 2063015100) In 2005 heeft Monumenten en Archeologie een archeologische opgraving (AO) uitgevoerd op de nieuwbouwlocatie van het districtsgebouw van de Koninklijke Marechaussee op het MarineEtablissement te Amsterdam. Het archeologisch onderzoek richtte zich op de bebouwings- en ontwikkelingsgeschiedenis van de werf en de landwinning rond 1800. De belangrijkste archeologische sporen hielden verband met de aanleg van de dam in 1790-1794 ter afsluiting van het bassin van de Admiraliteits werf (het Hok). De opgraving leverde informatie over de technische aspecten van dit infrastructurele werk. De grond was opgebracht op een mat van rijshout die op de bodem van het IJ was afgezonken. De slibbodem van het IJ daalde vanaf de beschoeiing naar het noorden over een afstand van circa 20 m van 1,40 m tot 3,45 m ÷ NAP. Het zinkstuk van rijshout was verzwaard met hopen stadsafval (afb. 12) dat op basis van scherfmateriaal en een munt 16 Veerkamp 2000.
22
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
dateerde uit de (tweede helft van de) 18de eeuw. Een opvallende vondst was de geheel gave baardmankruik uit 1675-1700. De goede staat waarin de kruik verkeerde bevestigt het idee dat de (voormalige) waterbodem en de oevers in de historische stadskern een rijk bodemarchief vertegenwoordigen. Verder zijn funderingen van tenminste drie gebouwen uit de 19de eeuw aangetroffen. De betroffen onder andere een bergplaats voor verfwaren uit het begin van de 19de eeuw en muurresten van de geschutgieterij uit 1894.17
12 Enkele 18de-eeuwse vondsten uit het damlichaam van 1794. Op de voorgrond een tinnen snuifdoos (deksel ontbreekt, KAT33-4), daarachter een fruitbakje (KAT3-3-2) en een steengoed kruikje (KAT3-3-1)
Inventariserend Veldonderzoek Marine Etablissement Amsterdam (KAT5 – Archis: 54233) In 2012 heeft Monumenten en Archeologie een inventariserend veldonderzoek (IVO) uitgevoerd op het Marine Etablissement Amsterdam op basis van een begeleiding van 14 kleinschalige milieutechnische proefsleuven en 5 mechanische boringen. Het bodemonderzoek leidde tot een precisering van de gegevens over de bodemopbouw van het onderzoeksgebied. Met het oog op de herontwikkeling van het Marineterrein bevatte het onderzoek ook een waardering van de verwachte archeologische resten. Hierbij werd de volgende zone-indeling gehanteerd:
17 Gawronski en Veerkamp, 2009
23
Gemeente Amsterdam
-
BO 22-070 Marineterrein
de 17de-19de-eeuwse voorwerf langs de Kattenburgerstraat (waardering: hoog) de in 1794 aangelegde dam rondom het Dok (waardering: middelhoog) het de (voormalige) waterbodem van het dok bassin (waardering: laag tot negatief)
De gegevens met betrekking tot de bodemopbouw zijn verwerkt in 3.4.3. De archeologische waardering op basis van het inventariserend veldonderzoek is verwerkt in de gespecificeerde verwachting (3.4.4) en de verwachtingskaart (hoofdstuk 4). 3.4.3
Bodemopbouw, diepte van archeologische lagen en grondwaterstand
Het huidige maaiveld van het Marineterrein ligt volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland op gemiddeld NAP +1,50 m (afb. 11). De waterspiegel ligt op ca. NAP -0,40 m en de grachtbodem wordt op een diepte van ca. NAP -4,30 m gehouden.18 De landbodem wordt gevormd door (historische) ophooglagen en op een dieper niveau door de voormalige IJ-bodem (laagpakket van Walcheren). De verwachte diepteligging van archeologische sporenniveau’s kan mede op basis van archeologische gegevens (zie 3.4.2) in drie hoofdzones worden onderscheiden (zie de verwachtingskaart in hoofdstuk 4 ter referentie): -
-
-
de voorwerf langs de Kattenburgerstraat. Bij de opgravingen langs de Kattenburgerstraat (KAT en KAT2) is vastgesteld dat 19de-eeuwse archeologische sporen in de oeverzone van de werf voorkomen vanaf een diepte van NAP +1,5 m (ca. 0,5 m onder maaiveld). Op basis van het IVO KAT5 konden de 18de/vroeg 19de-eeuwse over de gehele strook gelokaliseerd worden op NAP +0,5 à +1 m (1 tot 1,5 m onder maaiveld). De oorspronkelijke 17de-eeuwse sporenlagen liggen op ca. NAP-niveau (1,5 à 2 m onder maaiveld). de dam om het dok bassin. In deze zone bevinden eventuele archeologische sporen van het damlichaam zich op ca. NAP +1 à +0,5 m (0,5 tot 1 m onder maaiveld), zoals bleek uit de onderzoeken KAT3 en KAT5. Resten van de slibbodem van het IJ onder het damlichaam zijn aangetoond tussen NAP -2,80 en -5,30 m.19 de (voormalige) waterbodem. Een deel van de waterbodem van het dok bassin is in de 20ste eeuw gedempt met zand. Uit het inventariserend veldonderzoek KAT5 bleek dat onder dit pakket vanaf NAP -3,30 à -4,50 m (4,80 à 6 m onder maaiveld) nog een intacte sliblaag aanwezig is. In de resterende delen van het IJ (tegenwoordig Oosterdok) kunnen direct in de waterbodem op NAP -4,30 m archeologische sporen aanwezig zijn.
De relatief diepe ligging ten opzichte van de gedempte delen van de waterbodem – die bovendien met zetting te maken hebben gehad – valt te verklaren door 20ste-eeuwse baggerwerkzaamheden.
18 Doorvaartprofielen Gemeente Amsterdam – Waternet. 19 MenA vindplaats KAT3.
24
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
13 Het onderzoeksgebied (rood omlijnd) op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4) met hoogtematen in meters ten opzichte van NAP.
3.5
Conclusie: gespecificeerde verwachting
Op basis van bovenstaande inventarisatie zijn binnen het plangebied Marineterrein materiële overblijfselen zijn te verwachten die samenhangen met het gebruik van het IJ als vaarweg sinds de 12de eeuw en met de periode vanaf het midden van de 17de eeuw tot in de late 19de eeuw, toen het terrein achtereenvolgens in gebruik was door de Admiraliteit en Koninklijke Marine. Resten hiervan zijn bewaard gebleven in de vorm van voorwerpen in de (voormalige) waterbodem, landwinnings- en ophooglagen, en diverse bouwhistorische resten, waaronder scheepshellingen. Rekening dient te worden gehouden met verstoringen ten gevolge van 20ste-eeuwse bouw- en aanlegwerkzaamheden. De verwachte diepteligging van archeologische vondstlagen is beschreven in 3.4. De archeologische kunnen worden onderverdeeld naar zeven zones die als onderdeel van de verwachtingskaart in hoofdstuk 4 verder worden uitgewerkt.
25
Gemeente Amsterdam
4
BO 22-070 Marineterrein
Archeologische verwachtingskaart
Op basis van de inventarisatie in hoofdstuk 3 zijn binnen het onderzoeksgebied Marineterrein materiële overblijfselen te verwachten die samenhangen met het gebruik van het IJ als vaarweg sinds de 12de eeuw en met de periode vanaf het midden van de 17de eeuw tot in de late 19de eeuw, toen het terrein achtereenvolgens in gebruik was door de Admiraliteit en Koninklijke Marine. Dit leidt tot een verwachtingskaart voor het plangebied met zeven zones (afb. 14). De waardering per zone is grotendeels gebaseerd op het in 2012 uitgevoerde inventariserend veldonderzoek (zie 3.4.2) aangevuld met informatie uit de historische en archeologische inventarisatie. Plangebied A. ’t Nieuwe Eylandt Verwachting: hoog In deze zone kunnen archeologische resten aanwezig zijn van ‘’t Nieuwe Eylandt’ – de stadswal die in 1642 werd doorgetrokken vanuit de vesting van de Tweede Uitleg. Het wallichaam bestaat uit resten van klei, veen en stadsafval. B. Voorwerf Kattenburg (17de-eeuwse fase) Verwachting: hoog In deze zone kunnen archeologische resten aanwezig zijn van bedrijfsgebouwen, aanplempingslagen, beschoeiingen, of installaties van de Admiraliteit en de Marine vanaf 1655 tot de late 19de eeuw. Vanwege de lange gebruiksperiode en hoge dichtheid van de sporen is de verwachting hoog. C.
Voorwerf Kattenburg (18de/19de-eeuwse fase) Verwachting: hoog In deze zone kunnen archeologische resten aanwezig zijn van bedrijfsgebouwen, aanplempingslagen, beschoeiingen, of installaties van de Admiraliteit en de Marine vanaf de late 18de tot en met de 19de eeuw. Vanwege de lange gebruiksperiode en hoge dichtheid van de sporen is de verwachting hoog. D. Dam en palenrij Verwachting: middelhoog In deze zone kunnen resten van het damlichaam uit 1794 en daarop gelegen bebouwing aanwezig zijn. In het damlichaam kunnen resten zijn opgenomen van de palenrij (‘de Laag’) die Amsterdam afschermde van het IJ. Daarnaast geldt de verwachting voor de IJ-bodem (zone F). Ter plaatse van de vindplaats KAT3 zijn al archeologische resten opgegraven, zodat de verwachting voor deze locatie kan worden bijgesteld naar negatief. Waar volgens zone D een hoge dichtheid aan bebouwing bestaat is de verwachting bijgesteld naar hoog.
26
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
E. Haven- en scheepsbouwactiviteiten Verwachting: hoog In deze zone waren de 17de/19de-eeuwse scheepshellingen en pakhuizen gesitueerd. Archeologische resten lopen uiteen van beschoeiingen, scheepshellingen en bedrijfsgebouwen tot afvalconcentraties in de (oorspronkelijke) waterbodem. F. Bebouwing ca. 1832 Verwachting: hoog Betreft de precieze locatie van de bebouwing zoals aangegeven op het kadastraal minuutplan van 1832. De contouren en dichtheid van de bebouwing zijn als momentopname indicatief voor de laat 18de- en 19de-eeuwse situatie, maar kunnen teruggaan op de 17de-eeuwse bebouwing van het terrein. Waar een hoge dichtheid aan bebouwing bestond is de verwachting voor de overlappende verwachtingszones zo nodig bijgesteld naar hoog. G. IJ en ’s Lands Dok Verwachting: laag In de (oorspronkelijke) waterbodem zijn losse vondsten en afval te verwachten die samenhangen met de functie van het dok sinds de 17de eeuw en de binnenhaven van Amsterdam sinds de late 12de eeuw. Dergelijke resten hebben over het algemeen een lage dichtheid en trefkans. Waar overlap bestaat met zone E is de verwachting bijgesteld naar hoog. Een deel van de waterbodem is afgedekt met ca. 5 m 20ste-eeuws dempingszand. In de oeverzone (zone E) kan de oorspronkelijke waterbodem op een hoger niveau aanwezig zijn.
27
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
14 Archeologische verwachtingskaart Marineterrein
28
Gemeente Amsterdam
5
BO 22-070 Marineterrein
Archeologische beleidskaart
De archeologische beleidskaart van het onderzoeksgebied Marineterrein is bedoeld als een ruimtelijk schema van de maatregelen die nodig zijn voor de zorg voor het archeologisch erfgoed. Aangezien het gemeentelijk archeologiebeleid voor het Marineterrein nog een vertaling moet krijgen in het toekomstige, voor het Marineterrein vast te stellen omgevingsplan, is de archeologische beleidskaart indicatief van aard. De verwachtingen worden gekoppeld aan de huidige toestand van het terrein en mogelijk opgetreden bodemverstoringen. De clustering van de verwachtingszones resulteert in een beleidskaart met daarop vijf zones met bijbehorende specifieke beleidsmaatregelen (afb. 15; Appendix: beleidsvarianten, stroomschema). Plangebied Beleidsvariant 2 Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of minder dan 0,5 m onder maaiveld. Beleidsvariant 5 Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 500 m2 of ondieper dan 1 m onder maaiveld. Beleidsvariant 9a Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij ingrepen in de waterbodem kleiner dan 2.500 m2. Beleidsvariant 10 Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of minder dan 6 m onder maaiveld. Beleidsvariant 11 Vrijstelling van archeologisch onderzoek bij alle bodemingrepen.
Ook waar geen archeologische maatregelen voorzien zijn, geldt volgens de Erfgoedwet een vondstmeldingsplicht. Als tijdens de uitvoering van werkzaamheden vondsten (voorwerpen, structuren of andere overblijfselen van menselijke aanwezigheid) worden gedaan, waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat die van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie gemeld zodat in overleg maatregelen worden getroffen tot documentatie en berging van de vondsten.
29
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
15 Indicatieve archeologische beleidskaart Marineterrein
30
Gemeente Amsterdam
6
BO 22-070 Marineterrein
Conclusie en advies
Het voorliggende bureauonderzoek naar archeologische waarden is uitgevoerd in het kader van de Projectnota Marineterrein. Het onderzoek heeft geresulteerd in een indicatieve beleidskaart voor het plangebied. Op basis hiervan dient in de planontwikkeling rekening te worden gehouden met vijf archeologische beleidszones: -
Voor beleidsvariant 2 geldt een uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of minder dan 0,5 m onder maaiveld; Voor beleidsvariant 5 geldt een uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 500 m2 of ondieper dan 0,5 m; Voor beleidsvariant 9a geldt een uitzondering van archeologisch onderzoek bij ingrepen in de waterbodem kleiner dan 2.500 m2; Voor beleidsvariant 10 geldt een uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of ondieper dan 5 m onder maaiveld; Voor beleidsvariant 11 geldt vrijstelling van archeologisch onderzoek bij alle bodemingrepen.
In de Nota van Uitgangspunten voor de Projectnota worden ontwikkelingen op het Marineterrein voorzien, waaronder de aanleg van openbaar groen, bebouwing en een ondergrondse parkeergarage. De voorziene ontwikkelingen betreffen vooralsnog slechts een raamwerk. Over de omvang van de bodemingrepen bestaan nog geen details. Daarnaast moeten de voorgestelde beleidsvarianten nog een verankering krijgen in het toekomstige, voor het Marineterrein vast te stellen omgevingsplan. Wel kan vooruitlopend op het omgevingsplan en concrete planontwikkeling het volgende advies worden gesteld (afb. 16): -
-
-
De aanleg van openbaar groen leidt naar verwachting tot een beperkte ingreep in de bodem (minder dan 0,5 m diepte). Hier hoeft in deze fase geen rekening te worden gehouden met archeologische maatregelen. Het behoud van de bestaande bebouwing brengt naar verwachting geen of minimale bodemverstoring (minder dan 0,5 m diepte) met zich mee. Hier hoeft in deze fase geen rekening te worden gehouden met archeologische maatregelen. De te realiseren bovengrondse bebouwing overlapt op enkele locaties met hoge archeologische waarden (beleidsvariant 2 en deels 5). Aangezien de huidige plannen de gestelde oppervlaktegrens overschrijden is de noodzaak van vervolgonderzoek afhankelijk van de ontgravingsdiepte voor de nieuwbouw en de dichtheid van het palenplan. Uitgaande van een aanlegdiepte voor de fundering van ten minste 0,80 m is hier voorafgaand aan de ingreep een inventariserend veldonderzoek (IVO)20 vereist. In een stedelijke context zoals het marineterrein is een IVO door middel van proefsleuven het meest effectieve middel om zicht te krijgen op de aard, diepteligging en behoudenswaardigheid van archeologische resten. De resultaten van het IVO kunnen aanleiding geven om eventuele archeologische resten voorafgaand aan de bodemingreep
20 KNA SIKB Protocol 4003
31
Gemeente Amsterdam
-
BO 22-070 Marineterrein
geheel op te graven of om maatregelen te treffen tot (gedeeltelijk) behoud in situ. Met name in de zone parallel aan de Kattenburgerstraat, waar 17de/vroeg 19de-eeuwse scheepshellingen in de bodem aanwezig kunnen zijn dient rekening te worden gehouden met het tweede scenario, bijvoorbeeld door aanpassing van het palenplan of van de ontgravingsdiepte. Advies is dan ook om in het kader van de verdere planontwikkeling binnen deze zones met beleidsvariant 2 vroegtijdig een inventariserend veldonderzoek uit te voeren. De uitgangspunten voor dit onderzoek dienen vooraf te worden vastgesteld in een programma van eisen. De te realiseren parkeergarage overlapt met een zone van middelhoge en van lage archeologische verwachtingswaarde (beleidsvarianten 5 en 10). Uitgaande van een oppervlakte van ten minste 8000 m2 en een diepte van enkele parkeerlagen is vervolgonderzoek noodzakelijk. De verwachting in deze zone heeft voornamelijk betrekking heeft op ophooglagen en beschoeiingen van het historische damlichaam, en op een dieper niveau resten in de voormalige IJ-bodem. Aanvullend inventariserend veldonderzoek levert naar verwachting geen nieuwe informatie op met betrekking tot de aard en diepteligging van deze sporen. Advies is daarom om rekening te houden met een archeologische begeleiding van de civieltechnische graafwerkzaamheden.
De uitgangspunten voor dit onderzoek dienen vooraf te worden vastgesteld in een programma van eisen. Enkele recente parallellen voor dergelijke begeleidingen binnen Amsterdam zijn de aanleg van de ondergrondse fietsenstallingen onder het Beursplein en Kleine-Gartmanplantsoen.
Ook waar geen archeologische maatregelen voorzien zijn, geldt volgens de Erfgoedwet een vondstmeldingsplicht. Als tijdens de uitvoering van werkzaamheden vondsten (voorwerpen, structuren of andere overblijfselen van menselijke aanwezigheid) worden gedaan, waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat die van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie gemeld zodat in overleg maatregelen worden getroffen tot documentatie en berging van de vondsten.
32
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
16 De voorziene diepere bodemingrepen (bebouwing en parkeergarage) volgens de Nota van Uitgangspunten, geprojecteerd op de indicatieve archeologische beleidskaart voor het Marineterrein
33
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
Bronnen Motivatie gebruikte bronnen Voor dit bureauonderzoek zijn verschillende cartografische, historische en archeologische bronnen gebruikt. De onderstaande bronnen worden, voor zover deze voor het onderzoeksgebied beschikbaar zijn, standaard geraadpleegd. Waar de gegevens relevant blijken bij het opstellen van de gespecificeerde verwachting worden deze opgenomen en behandeld in de lopende tekst. – bodemkaart van Nederland, schaal minimaal 1:50.000; – zeekaarten (i.v.m. met [voormalige] dieptes van zee- en andere onderwaterbodems) (waterbodems); – Oude (vanaf 1811) en moderne kadasterkaarten; – ESRI topografische kaart van Nederland; – oude kaarten en bouwtekeningen uit (de beeldbank van) het Stadsarchief Amsterdam (SAA) SAA: Stadsarchief Amsterdam: https://www.amsterdam.nl/stadsarchief/ – gegevens van milieukundig bodemonderzoek; – archeologische en overige cultuurhistorische rapporten van onderzoek uitgevoerd binnen het onderzoeksgebied; – beschikbare lucht- en satellietfoto’s; – Huidig gebruik waterbodem: schelpenwingebied, visserijgronden, zandwingebied, natuurgebied, ankergebied, bekende pijpleidingen en kabels, etc. (waterbodems); – Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN2), 50 cm maaiveld gridproduct, shaded relief.
Geodan/ Esri Nederland of Actueel Dieptebestand Nederland (ADN) (waterbodems); – sonarbeelden en/of multibeambeelden (waterbodems); – AAGV: Archief Waterschap Amstel Gooi en Vecht – ARCHIS: Archeologisch Informatiesysteem: http://www.archis.nl/archisii/html/index.html – CHW: Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Holland: http://chw.noord-holland.nl/ – HisGIS: Historisch Geografich Informatiesysteem: http://www.hisgis.nl/ Literatuur BMA, Archeologisch bureauonderzoek plangebied ODE-brug, BO-08-033, Amsterdam 2008. BMA, Archeologisch bureauonderzoek plangebied Oosterdok / Nemopier, BO-10-033, Amsterdam 2010 Bontemantel, H., De regeeringe van Amsterdam soo in ’t cibiel als crimineel en militaire (1653-1672), Tweede deel. Amsterdam 1897. Bosscher, Ph. M.,‘’s Lands zeemacht op Kattenburg. De bouwgeschiedenis van het MarineEtablissement’, Ons Amsterdam 39 (1987), 58-61. Chemielinco, 1991. Milieukundig booronderzoek. Chemielinco BV, Utrecht Gawronski, J., Veerkamp, J.A.G., Een dam rond ’s Lands Dok. Archeologische Opgraving Marineterrein Kattenburgerstraat (2005). (BMA AAR 38) Amsterdam 2009. Jongh de – Lempke, I., Archeologisch bureauonderzoek plangebied Marine Etablissement Amsterdam, Stadsdeel Centrum (2010). (BMA BO 10-130) Amsterdam 2010.
34
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
Leijnse, K., R. Jayasena, Marine Etablissement Amsterdam. Inventariserend Veldonderzoek Kattenburgerstraat, Amsterdam (2012), Amsterdamse Archeologische Rapporten 69, 2013. Lemmers, A., Van werf tot facilitair complex, 350 jaar marinegeschiedenis op Kattenburg. Den Haag 2005. Provincie Noord-Holland, Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Noord-Holland. Ontwikkelen met Ruimtelijke Kwaliteit. Haarlem 2010. Veerkamp, J., Van bolwerk tot Marine-Etablissement, verslag tweede campagne archeologisch onderzoek lokatie voormalige loods 9, Marine-Etablissement Kattenburg, deel 1 en 2. Amsterdam 1998. Veerkamp, J, ‘Kattenburg - van bolwerk tot marine-etablissement; archeologisch bodemonderzoek op het marineterrein’, Amstelodamum 92 (2000), 38-60.
35
Gemeente Amsterdam
BO 22-070 Marineterrein
Appendix I: beleidsvarianten en stroomschema Het archeologisch beleid wordt als maatwerk voor een bepaald plangebied in Amsterdam vastgesteld aan de hand van elf varianten, die een afweging bieden op basis van de aard van de verwachting in combinatie met de specifieke (oppervlakte/diepte) bodemingreep. - 1: Gebieden met bekende archeologische waarden. Aangezien hier met zekerheid archeologische overblijfselen aanwezig zijn, is bij elke ingreep in de (water)bodem, ongeacht het oppervlak of de diepte, archeologisch onderzoek noodzakelijk. - 2: Bebouwde gebieden met een hoge archeologische verwachting binnen het historische centrum van Amsterdam (tot en met de Vierde Uitleg: binnen de Singelgracht). Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of minder dan 0,5 m onder maaiveld. - 3: Gebieden met een hoge archeologische verwachting langs nog aanwezige historisch infrastructurele assen / in een historische woonkern buiten het historische centrum van Amsterdam. Deze gebieden zijn onbebouwd of de bebouwing dateert van vóór de 19de eeuw. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 100 m2 of minder dan 0,5 m onder maaiveld. - 4: Gebieden met een hoge archeologische verwachting buiten het historische centrum van Amsterdam, waarvan de huidige bebouwing dateert uit de late 19de eeuw.