CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

17. A9 watercompensatie Amsterdamse Bos.PDF

RAAD 8 oktober 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de afdoening toezeggingen m.b.t. PFAS vervuiling in het water van het Amsterdamse Bos en gebruik van staalslakken (VN2025-012392)23.692 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Aanvullend bodemonderzoek Watercompensatie Amsterdamse Bos MF190916.011.R03.V1.0 23 augustus 2023

Aanvullend bodemonderzoek Watercompensatie Amsterdamse Bos Rapportnummer MF190916.011.R03.V1.0 23 augustus 2023

Opdrachtgever FCC Construcción S.A. Schurenbergweg 6 1105 AR Amsterdam

+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen

Geonius.nl Functie

Naam

Adviseur milieu

M. Dierkx

Collegiale toets

A. van Steenderen

MF190916.011.R03.V1.0

Paraaf

2 van 22

Inhoud 1

Inleiding ..........................................................................5

2

Achtergrondinformatie ............................................. 6

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.10.1 2.10.2 2.10.3

Algemeen 6 Situering onderzoekslocatie 6 Historie 6 Vergunningen 7 Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie 7 PFAS 9 Ontplofbare oorlogsresten (OO) 10 Archeologie 10 Terreininspectie 10 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie 10 Bodem ........................................................................................................................................................ 10 PFAS ........................................................................................................................................................... 11 Asbest in bodem..................................................................................................................................... 11

3

Veldwerk en analyses............................................... 12

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Onderzoeksprogramma Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters Veldwerk aanvullend bodemonderzoek Bodemprofiel Watermonstername

4

Analyseresultaten ...................................................... 15

4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.1.5 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3

Toetsingskader 15 Wet bodembescherming...................................................................................................................... 15 Handelingskader PFAS ........................................................................................................................ 15 Besluit en Regeling bodemkwaliteit ............................................................................................... 16 Asbest in bodem - indicatief .............................................................................................................. 16 Veiligheidsmaatregelen CROW 400................................................................................................. 16 Toetsing van de analyseresultaten 17 Bodem ........................................................................................................................................................ 17 Asbest ........................................................................................................................................................ 19 Interpretatie analyseresultaten ....................................................................................................... 20

5

Conclusies en aanbevelingen ................................ 21

5.1 5.2

Conclusies Aanbevelingen

MF190916.011.R03.V1.0

12 12 13 13 14

21 22

3 van 22

Bijlagen Bijlage 1 Topografische overzichtskaart Bijlage 2 Foto’s locatie Bijlage 3 Boorstaten incl. legenda Bijlage 4 Analysecertificaten Bijlage 5 Toetsing Wet bodembescherming Bijlage 6 Toetsing Besluit bodemkwaliteit Bijlage 7 Overzicht bronnen vooronderzoek Bijlage 8 Situatietekening Bijlage 9 Toelichting berekening veiligheidsklassen (CROW 400)

MF190916.011.R03.V1.0

4 van 22

1 Inleiding

Geonius Milieu B.V. heeft in opdracht van FCC Construcción S.A. een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de zuidoostelijke oever van de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder, gelegen in het Amsterdamse Bos ter hoogte van locatie de Bosrandbrug te Schiphol (Amstelveen). De onderzoekslocatie bevindt zich aansluitend ten zuiden van de locatie zoals onderzocht in een voorgaand verkennend bodemonderzoek (“Fase 1” MF190916.011.R02.V1.0, d.d. 25-11-2022). Aanleiding voor dit aanvullend bodemonderzoek vormt de voorgenomen graafwerkzaamheden tot circa 1 m-mv ten behoeve van watercompensatie, waar bij grond vrij zal komen. Onderhavige watercompensatie wordt gezien als “Fase 2”. In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vereist. Onderhavig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2017) en de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, januari 2009 en wijzigingsblad NEN 5740/A1, februari 2016). Geonius is gecertificeerd voor SIKB protocol 2001, 2002, 2003 en 2018 behorende bij Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” (BRL SIKB 2000). Het procescertificaat van Geonius Milieu B.V.

en het bijbehorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium (of de opdrachtgever). Geonius Groep B.V. en de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm NEN-ENISO 9001:2015, NEN-EN-ISO 14001:2015, VCA**2017/6.0 en CO2 Prestatieladder niveau 3. Geonius Milieu B.V. streeft naar het uitvoeren van een representatief onderzoek. Het onderzoek is echter steekproefsgewijs uitgevoerd door middel van het uitvoeren van een volgens de norm voorgeschreven aantal boringen en het laten analyseren van grond(meng)monsters op een standaard analysepakket. Eventueel niet getraceerde (punt)bronnen van verontreinigingen kunnen derhalve niet worden uitgesloten. Geonius Milieu B.V. verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of onderhavige locatie en daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in KwaliBo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer). In onderhavig rapport worden de resultaten van het vooronderzoek, de gehanteerde onderzoeksopzet, de uitgevoerde veldwerkzaamheden en de resultaten van het analytisch onderzoek beschreven.

Tot slot worden de resultaten getoetst aan de referentiewaarden en worden conclusies, en eventueel aanbevelingen, geformuleerd.

MF190916.011.R03.V1.0

5 van 22

2 Achtergrondinformatie 2.1 Algemeen Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek conform de NEN 5725 verricht. De hierbij gehanteerde bronnen zijn opgenomen in bijlage 7. De resultaten van het vooronderzoek zijn in onderstaande paragrafen opgenomen.

2.2 Situering onderzoekslocatie De onderzoekslocatie betreft een strook aan de zuidoostzijde van de Ringvaart Haarlemmermeerpolder, gelegen ter hoogte van de Bosrandbrug te Schiphol (Amstelveen). De locatie maakt deel uit van het Amsterdamse Bos. In Tabel 2.1 zijn enkele gegevens betreffende de onderzoekslocatie weergegeven. De regionale ligging is weergegeven in bijlage 1. In bijlage 8 is een situatietekening met daarop de ligging van de locatie opgenomen. Foto’s van de locatie zijn opgenomen in bijlage 2. Tabel 2.1: overzicht topografische en kadastrale gegevens onderzoekslocatie Algemene en topografische gegevens Oppervlakte onderzoekslocatie

Circa 360 m2

Maaiveldhoogte

Circa 0,1 m + NAP

X-coördinaat, Y-coördinaat

X: 115.732, Y: 480.026

Kadastrale gegevens Kadastrale aanduiding

Gemeente Amstelveen, sectie V, nummer 845 (gedeeltelijk)

Oppervlakte kadastraal perceel

67.140 m2

Eigenaar

Gemeente Amsterdam, Amstel 1, 1011 PN Amsterdam

2.3 Historie Op basis van de geraadpleegde historische kaarten blijkt dat de onderzoekslocatie tot 1850 op een smalle strook land in poldergebied is gelegen. Het Amsterdamse Bos ten oosten van de locatie bestaat nog niet, hier is enkel water aanwezig. Tussen 1850 en 1880 krijgt de polder (De Zwarte- of Schinkelpolder) meer vorm. Vanaf 1900 is een weg ter plaatse van de onderzoekslocatie zichtbaar, gelegen aan de oostzijde van de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder. De polder aangrenzend aan de onderzoekslocatie is tot 1950 aanwezig; vanaf dit jaar wordt bosgebied ontwikkeld op de locatie als uitbreiding van het Amsterdamse Bos, de weg is nog wel steeds aanwezig. Omstreeks 1955 is zichtbaar dat uitbreiding van de luchthaven Schiphol ten westen van de Ringvaart plaats heeft gevonden. De brug over de Ringvaart is vanaf circa 1970 op het kaartmateriaal zichtbaar, rond dit jaartal is de weg aan de oostzijde van de Ringvaart ter hoogte van de onderzoekslocatie niet meer aanwezig. Na 1980 zijn diverse paden aanwezig in het bos nabij de onderzoekslocatie, tot op heden hebben er geen (op het kaartmateriaal zichtbare) wijzigingen meer plaatsgevonden. Enkele uitsneden van historisch kaartmateriaal zijn opgenomen in onderstaande Figuur 2.1.

Op het driehoekvormige terrein aangrenzend aan de onderzoekslocatie (wit gekleurd op de kaarten uit 1980 en 2000) bevindt zich momenteel de Houtwerf van gemeente Amsterdam.

MF190916.011.R03.V1.0

6 van 22

1900

1955

1980

2000

Figuur 2.1: uitsneden historische kaarten, onderzoekslocatie is rood omlijnd.

2.4 Vergunningen Voor de onderzoekslocatie zijn geen vergunningen afgegeven in het kader van de voormalige Hinderwet, Wet milieubeheer, Bouwvergunningen, Sloopvergunningen of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dan wel niet bekend/aanwezig in de geraadpleegde bronnen. Uit de geraadpleegde bronnen (o.a. BOOT-archief) blijken geen gegevens die duiden op de aanwezigheid van één of meerdere tanks op de onderzoekslocatie.

2.5 Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie In Tabel 2.2 staat de bodemopbouw, geohydrologie, gegevens Bodemkwaliteitskaart/Nota bodembeheer en een samenvatting van de resultaten van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken op en nabij de onderzoekslocatie vermeld.

MF190916.011.R03.V1.0

7 van 22

Tabel 2.2: overzicht bodemopbouw, geohydrologie en bodemkwaliteit Bodemopbouw Diepte in m-mv

Omschrijving

Opmerkingen

0 – 11

Holocene afzettingen

Zand, zeer fijn tot uiterst grof, kleiig tot grindig, lokaal schelphoudend, ook klei en veen.

11 – 18

Formatie van Boxtel

Zand, zeer fijn tot zeer grof, lokaal kleiig, grindig of humeus. Ook leem, klei en veen.

18 – 22

Formatie van Drenthe

Zand, zeer fijn tot zeer grof, lokaal kleiig, grindig of humeus. Ook leem, klei en veen.

22 – 43

Gestuwde afzettingen

Heterogene opbouw (afhankelijk van de lithologische samenstelling van de lokale ondergrond).

Geohydrologische gegevens Hoogte freatisch grondwater

Circa 1,0 m-mv

Stromingsrichting grondwater

Noordwestelijk, richting Ringvaart Haarlemmermeerpolder

Ligging van oppervlaktewater op en/of nabij de locatie

Ja, Ringvaart Haarlemmermeerpolder

Het voorkomen van brak of zout grondwater

Ja, tussen de 50 en 100 m-mv

Ligging binnen een grondwaterbeschermingsgebied

Nee

Aanwezigheid van grondwateronttrekkingen op de locatie of in de omgeving

Nee

Aanwezigheid van breukstelsels op of nabij de locatie

Nee

Bodemkwaliteitskaart / Nota bodembeheer Online bodemkwaliteitskaart Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Deelgebied

Amsterdamse Bos

Bodemfunctieklasse

Landbouw/Natuur

Ontgravingsklasse

Bovengrond (0-0,5 m-mv): Achtergrondwaarde Ondergrond (0,5-2,0 m-mv): Achtergrondwaarde

Bodemonderzoeken ter plaatse van onderzoekslocatie Uit de bodemrapportagemodule van Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied zijn geen bodemonderzoeken beschikbaar die ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn uitgevoerd. Bodemonderzoeken in directe omgeving onderzoekslocatie Auteur, kenmerk, datum

Omschrijving

Geonius

AP04 in-situ partijkeuringen – Watercompensatie Amsterdamse Bos:

MF190916.011.R01.V1.0

Onderzoekslocatie gelegen ten noorden van de huidige onderzoekslocatie. De zandige

07-06-2022

bovengrond is niet toepasbaar is op basis van het gehalte PFOS. De kleiige ondergrond (0,5 – 1,0 m-mv) is niet toepasbaar op basis van het gehalte PAK, PFOS en minerale olie. Er is geen asbest aangetoond in de monsters met sporen metselpuin.

MF190916.011.R03.V1.0

8 van 22

Vervolg Tabel 2.2: overzicht bodemopbouw, geohydrologie en bodemkwaliteit Bodemonderzoeken in directe omgeving onderzoekslocatie Geonius

Verkennend bodemonderzoek Watercompensatie Amsterdamse Bos:

MF190916.011.R02.V1.0

Onderzoekslocatie “Fase 1” gelegen ten noorden van de huidige onderzoekslocatie.

25-11-2022

-

Zintuiglijk is bijmenging met baksteen, puin, slakken, kolen, glas en plastic

-

De bovengrond (0 – 0,5/0,7 m-mv) van de noordelijke helft van de onderzoekslocatie

waargenomen. is licht verontreinigd met kwik, lood, zink en PAK. De bovengrond ter plaatse van de zuidelijke helft van de onderzoekslocatie is matig tot sterk verontreinigd met PAK en licht verontreinigd met kwik en lood. -

Een sterk baksteenhoudende tussenlaag (0,5 – 0,7 m-mv) is lokaal sterk verontreinigd met barium, koper, lood, nikkel en zink.

-

De ondergrond (0,5 – 1,05 m-mv) is licht verontreinigd met kwik, lood en PAK.

-

De sterk puinhoudende grond opgeslagen in depot (reeds ontgraven oever) is licht verontreinigd met kwik, PAK, PCB en minerale olie.

-

Op basis van de stofgroep PFAS geldt indicatief klasse “niet toepasbaar” op basis van de gehalten PFOS.

-

Het grondwater is niet verontreinigd.

-

Op basis van indicatieve asbestanalyses is vastgesteld dat geen asbest in de bodem aanwezig is.

-

In totaal is circa 500 m3 sterk verontreinigde grond aanwezig.

Geonius

Evaluatie Tijdelijk uitplaatsen BUS sanering Watercompensatie Amsterdamse Bos:

ME190916.20

Naar aanleiding van de resultaten uit het verkennend bodemonderzoek (Geonius,

NH036200976

MF190916.011.R02.V1.0, 25-11-2022) heeft ten behoeve van watercompensatie een

03-02-2023

bodemsanering plaatsgevonden in de periode 13 – 21 december 2022. Hierbij is 1.268 ton niet toepasbare grond ontgraven en afgevoerd naar Afvalzorg Lelystad. Er is geen grond teruggeplaatst en geen grond aangebracht. De werkzaamheden zijn onder milieukundige begeleiding uitgevoerd.

Terrascan B.V.

Raamsaneringsplan ‘N201, aansluiting A9’ te Haarlemmermeer en Amstelveen:

T.09.5582

De huidige onderzoekslocatie valt buiten het bereik van dit raamsaneringsplan. Echter wordt in dit

20-08-2009

raamsaneringsplan beschreven dat de dijklichamen van de Ringvaart Haarlemmermeerpolder in het verleden mogelijk zijn opgehoogd met verontreinigd materiaal. Hierdoor zijn de dijklichamen heterogeen verontreinigd met zware metalen en PAK. Het gaat om matig tot sterk verhoogde gehalten.

Op basis van voorgaande onderzoeken aansluitend aan de huidige onderzoekslocatie met eenzelfde historie, worden sterke verontreinigingen met PAK en mogelijk lokaal zware metalen verwacht. Verder worden lichte verontreinigingen met diverse zware metalen, PCB en minerale olie verwacht. Tevens worden verhoogde gehalten PFOS verwacht, zonder dat deze de INEV (indicatief niveau voor ernstige verontreiniging) overschrijden.

2.6 PFAS

Onderhavige onderzoekslocatie is een verdachte locatie voor PFAS vanwege de nabijheid van het naastgelegen vliegveld Schiphol. Van luchthavens is bekend dat er in de omgeving verhoogde gehalten PFAS aanwezig zijn. In voorgaand onderzoek direct ten noorden van de onderzoekslocatie zijn met name verhoogde gehalten PFOS aangetoond. Hierdoor dient onderzoek naar deze kritische stofgroep te worden uitgevoerd.

MF190916.011.R03.V1.0

9 van 22

2.7 Ontplofbare oorlogsresten (OO) Uit de CE-bodembelastingkaart van gemeente Amstelveen (11 juli 2018) blijkt dat het Amsterdamse Bos verdacht is op het voorkomen van afwerpmunitie, dit als gevolg van de ligging nabij vliegveld Schiphol. Rondom de onderzoekslocatie zijn diverse inslagkraters bekend.

2.8 Archeologie Uit de archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart van de gemeente Amstelveen blijkt dat de onderzoekslocatie gelegen is in het gebied ‘dijklichaam’, hier is de verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten van af de Late Middeleeuwen hoog. Er geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen dieper dan 30 cm en groter dan 100 m2. Het aangrenzende Amsterdamse Bos is ingedeeld in het gebied ‘verveend en drooggemaakt’, hier is een lage archeologische verwachting van toepassing ten aanzien van de perioden vanaf het Midden Neolithicum, er geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen dieper dan 30 cm en groter dan 10.000 m2.

2.9 Terreininspectie Op 16 augustus 2023 is door de heer B.A.T. van Gerven een terreininspectie uitgevoerd. De onderzoekslocatie bevindt zich op de zuidelijke oever van de Ringvaart Haarlemmermeerpolder. Zuidelijk aangrenzend aan de onderzoekslocatie bevindt zich een houtwerf. Het maaiveld van de onderzoekslocatie ligt braak. Direct buiten de onderzoekslocatie is een demping met grove stukken puin waargenomen (te zien op foto 01 in bijlage 2), tevens bevinden zich diverse depots met grond en puinmateriaal op het terrein van de houtwerf. Het puinmateriaal is geïnspecteerd, er zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen waargenomen. Op basis van deze waarnemingen en het feit dat de demping buiten de onderzoekslocatie gelegen is, heeft hier geen verder onderzoek naar plaatsgevonden. Tijdens het terreininspectie is het gehele terrein visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Deze zijn op onderhavige onderzoekslocatie niet waargenomen.

2.10 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie 2.10.1 Bodem Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat voor de onderzoekslocatie activiteiten te verwachten zijn die tot een bodemverontreiniging hebben kunnen leiden, de dijklichamen van de Ringvaart Haarlemmermeerpolder zijn in het verleden mogelijk opgehoogd met verontreinigd materiaal. Tevens zijn in voorgaand onderzoek direct aangrenzend aan de onderzoekslocatie sterke verontreinigingen met PAK en lokaal zware metalen aangetoond. Derhalve is voor de onderzoekslocatie hypothese “verdacht” van toepassing. De lengte van circa 110 meter en breedte van circa 3,5 meter van de onderzoekslocatie, voldoet niet aan het criterium voor een lijnvormige locatie (L/100 ≥ B). Derhalve is de onderzoeksstrategie voor een “diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming” (VED-HE-NL) van toepassing.

MF190916.011.R03.V1.0

10 van 22

2.10.2 PFAS Sinds december 2021 is het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” van kracht. Het Handelingskader biedt een landelijk kader voor de omgang met PFAS-houdende grond en baggerspecie. Voor hergebruik is het noodzakelijk om onderzoek te doen naar de stofgroep PFAS (poly- en perfluor alkyl-verbindingen). Tijdens de uitvoering van dit aanvullend bodemonderzoek wordt gebruik gemaakt van het zogenaamde standaard stoffenpakket. Dit pakket dient te worden uitgebreid met de stofgroep PFAS (poly- en perfluor alkylverbindingen) en GenX als op grond van het vooronderzoek aanleiding is te verwachten dat er een specifieke verdenking is op deze stoffen. Omdat deze verdenking in onderhavig onderzoek wel aanwezig is, wordt het standaard stoffenpakket in dit bodemonderzoek uitgebreid met PFAS, er is geen verdenking op GenX ter plaatse.

2.10.3 Asbest in bodem Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek (o.a. voorgaand onderzoek) blijkt dat voor de onderzoekslocatie met betrekking tot asbest in bodem de hypothese “onverdacht” van toepassing is. Voor deze hypothese zijn geen belastende bronnen/activiteiten voor asbest in bodem te verwachten op basis van het vooronderzoek. Conform de NEN 5707 is in dit geval een onderzoek naar asbest in bodem niet per definitie noodzakelijk. Om een verkennend onderzoek naar asbest in bodem achterwege te kunnen laten, moet, in aanvulling op het locatiebezoek tijdens het vooronderzoek, tijdens het bodemonderzoek ook een beoordeling van de uitgekomen grond worden uitgevoerd, waarbij geen asbestverdachte materialen (plaatjes, buis etc.) of bodemvreemde bijmengingen die worden geassocieerd met een mogelijke verontreiniging met asbest (o.a. baksteen, beton, puin) worden waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden ten behoeve van het aanvullend bodemonderzoek wordt de opgeboorde grond beoordeeld op de eventuele aanwezigheid van asbest, ter onderbouwing en bevestiging van de hypothese niet verdacht voor asbest. De hiervoor genoemde hypotheses wordt met behulp van dit bodemonderzoek getoetst. In de navolgende hoofdstukken worden de uitgevoerde werkzaamheden en de onderzoeksresultaten besproken.

MF190916.011.R03.V1.0

11 van 22

3 Veldwerk en analyses 3.1 Onderzoeksprogramma In onderstaande Tabel 3.1 is het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek samengevat.

Grondwater

Grond

Tabel 3.1: onderzoeksprogramma bodemonderzoek (Deel)locatie en Oppervlakte Veldwerk strategie Watercompensatie 360 m2 4 * 1,5 m-mv Amsterdamse Bos 1 * peilbuis Fase 2 (VED-HE-NL)

Analyses Grond Bovengrond 1 * standaardpakket 1 * PFAS 1 * asbest Ondergrond 1 * standaardpakket 6 * PAK + minerale olie + os 1 * PFAS 1 * asbest

Grondwater 1 * standaardpakket

Standaardpakket (landbodem en grond) organisch stof (os) en lutum 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink) som-PCB, som-PAK (10) en minerale olie

Stofgroep PFAS poly‐ en perfluor alkyl‐verbindingen (30 verbindingen) Standaardpakket (grondwater) 9 zware metalen vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som-xylenen (som o, m, p), styreen, naftaleen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis-1,2dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform) minerale olie

In aanvulling op de NEN 5740 zijn de ondiepe boringen (0,5 m-mv) vervangen door diepere boringen (1,5 m-mv) om een representatief beeld te verkrijgen van het gehele te ontgraven traject. De chemische analyses van de grond(meng)monsters en het grondwatermonster zijn conform AS3000 uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam, gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 en AS3000-erkend. De analyses op de stofgroep PFAS zijn eveneens uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam. Om een indicatie te verkrijgen of de bodem ook verhoogde concentraties aan asbest bevat, is van de boven- en ondergrond een indicatieve analyse op asbest uitgevoerd. De grond(meng)monsters ten behoeve van het indicatief asbestonderzoek zijn geanalyseerd op asbest conform NEN 5898. De (meng)monsters hebben een drooggewicht wat minder is dan de 10 kg als voorgeschreven in de NEN 5898. In het laboratorium is meer dan de in de NEN 5898 voorgeschreven hoeveelheid van de zeeffracties 0,5-1 mm en 1-2 mm onderzocht om te bewerkstelligen dat de vereiste bepalingsgrens van 2 mg/kg ds wordt gehaald.

3.2 Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters Naar aanleiding van het zintuiglijk onderzoek zijn conform de gevolgde strategie uit de NEN 5740 twee grond(meng)monsters uit de opgeboorde grond samengesteld.

MF190916.011.R03.V1.0

12 van 22

Gerelateerd aan de analyseresultaten zijn de volgende wijzigingen en/of bijzonderheden te melden: • Op basis van de analyseresultaten van mengmonster ‘MMOG1’ zijn de individuele monsters van dit mengmonsters separaat geanalyseerd op de parameters PAK en minerale olie, het betreft vier deelmonsters. Tevens zijn aanvullende analyses uitgevoerd voor deze parameters op analysemonsters 11-2 en 13-2, die niet eerder geanalyseerd waren. De grond(meng)monsters zijn onderzocht op het standaardpakket landbodem en grond uit de NEN 5740. In Tabel 4.2 (hoofdstuk 4) is een overzicht gegeven hoe de grond(meng)monsters zijn samengesteld. Tevens is van elk grond(meng)monster het globale bodemprofiel, de zintuiglijke bodemvreemde waarnemingen en de uitgevoerde chemische analyses vermeld. Het grondwatermonster is conform de onderzoeksopzet onderzocht op het standaardpakket grondwater uit de NEN 5740:2009. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten en een overzicht van de toegepaste analysemethoden weergegeven.

3.3 Veldwerk aanvullend bodemonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 16 augustus 2023 conform BRL SIKB 2000 (versie 6.0, 1 februari 2018) en het daarbij behorend protocol 2001 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, versie 6.0, 1 februari 2018). De veldmedewerker die de werkzaamheden heeft uitgevoerd, de heer B.A.T. van Gerven, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Een tekening met de ligging van de uitgevoerde boringen is toegevoegd als bijlage 8. Tijdens de werkzaamheden zijn voor wat betreft de parameter PFAS maatregelen getroffen om contaminatie zoveel als mogelijk te voorkomen, zoals staat omschreven in het “Kennisdocument voor Bemonstering en analyse van PFAS-verbindingen in grond- en grondwater”. Tijdens het veldwerk zijn twee grondmengmonsters samengesteld voor indicatieve analyses betreffende de parameter asbest. Bodemlagen van alle vijf de boringen zijn in deze mengmonsters opgenomen, het betreft één mengmonster van het traject 0 – 0,5 m-mv en één mengmonster van het traject 0,5 – 1,5 m-mv. In verband met de spoedeisendheid van het onderzoek is, in afwijking op de NEN 5740, het grondwater uit de peilbuis na goed doorpompen direct bemonsterd. Daarnaast hebben er geen kritieke afwijkingen op de beoordelingsrichtlijn plaatsgevonden.

3.4 Bodemprofiel Tijdens de boor- en bemonsteringswerkzaamheden is het bodemmateriaal beoordeeld op kleur, textuur, bijmenging(en) en eventuele bijzonderheden. De boorstaten zijn als bijlage 3 zijn toegevoegd. Uit de terreininspectie blijkt dat het maaiveld braak ligt. De bodem kan globaal als volgt worden omschreven. Vanaf het maaiveld wordt matig fijn, kleiig en sterk humeus zand aangetroffen tot circa 1,5 m-mv. In de zandlaag zijn sporen grind, sporen schelpen, sporen baksteen en sporen kolengruis waargenomen. De bodemlaag is homogeen qua samenstelling in alle vijf de boringen. Vanaf 1,5 m-mv tot de maximaal geboorde diepte van 2,0 m-mv is zwak kleiig veen aangetroffen. Er zijn verder geen afwijkende geuren (middels passieve geurwaarneming) en/of kleuren waargenomen.

MF190916.011.R03.V1.0

13 van 22

3.5 Watermonstername Op 16 augustus 2023 is het grondwater bemonsterd conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorend protocol 2002 (Het nemen van grondwatermonsters, versie 6.0, 1 februari 2018). De monsternemer, de heer B.A.T. van Gerven, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van IenW. Voor de watermonstername is de grondwaterstand, zuurgraad, turbiditeit en geleidbaarheid bepaald. Deze zijn weergegeven in Tabel 4.4. De grondwaterstand is locatie- en seizoensgebonden en kan derhalve variëren. Het grondwater is na goed doorpompen op dezelfde dag bemonsterd als wanneer de peilbuis is geplaatst, dit is een afwijking op de NEN 5740. De reden hiervoor is de gewenste doorlooptermijn van het project. Mogelijk dat hierdoor in hoogte afwijkende concentraties worden gemeten.

MF190916.011.R03.V1.0

14 van 22

4 Analyseresultaten 4.1 Toetsingskader 4.1.1 Wet bodembescherming De analyseresultaten zijn getoetst aan de streefwaarden (S) voor grondwater, de interventiewaarden (I) voor grond en grondwater uit de Circulaire bodemsanering 2013 en de achtergrondwaarden (AW) voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (behorende bij het Besluit bodemkwaliteit). De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. De streefwaarden voor grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. De “tussenwaarde” (in onderhavig rapport aangeduid als T) betreft het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarde/streefwaarde en de interventiewaarde, maar maakt geen onderdeel meer uit van de toetsing die noodzakelijk is vanuit de Circulaire bodemsanering en Besluit bodemkwaliteit, maar fungeert in onderhavig rapport als triggerwaarde waarboven het vermoeden van een geval van ernstige verontreiniging bestaat en nader onderzoek wordt aanbevolen.

In de navolgende paragrafen wordt de aangetroffen verontreinigingssituatie aangeduid met de termen licht, matig en/of sterk waaraan de volgende definities zijn gegeven: • Licht verontreinigd: betreft gehalten tussen de achtergrondwaarde en de “tussenwaarde” (gemiddelde van achtergrond- en interventiewaarde). • Matig verontreinigd: betreft gehalten tussen de “tussen”- en interventiewaarde. • Sterk verontreinigd: betreft gehalten die de interventiewaarden overschrijden.

4.1.2 Handelingskader PFAS De analyseresultaten van de stofgroep PFAS zijn getoetst aan de toepassingsnormen (voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem) uit het Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (versie december 2021). In Tabel 4.1 is het toepassingskader voor PFAS weergegeven.

MF190916.011.R03.V1.0

15 van 22

Tabel 4.1: toetsingskader PFAS bodem en oppervlaktewater Toepassingssituatie

Toepassingswaarde (vanaf december 2021, in μg/kg ds) PFOS

PFOA

Overige PFAS (incl. GenX)

Grond en baggerspecie toepassen op de bodem 1,4 1,9 1,4 3,0 7,0 3,0 0,1 0,1 0,1 (bepalingsgrens) (bepalingsgrens) (bepalingsgrens) Grond en baggerspecie toepassen in oppervlaktewater In ander oppervlaktewaterlichaam (uitgezonderd diepe plas) Rijkswater: 3,7 Rijkswater: 0,8 Rijkswater: 0,8 Anders: 1,1 Anders: 0,8 Anders: 0,8 In niet-vrijliggende diepe plassen die in open verbinding staan 3,7 0,8 0,8 met een Rijkswater1) In andere diepe plassen2) 1,1 0,8 0,8 Indicatieve Niveaus voor ernstige verontreiniging (INEV) In grond (μg/kg ds) 110 1100 97 1) Alleen indien in de nabijheid van de diepe plas geen kwetsbaar object is gelegen. Hiervoor is een toetsingskader opgenomen in de Handreiking voor de herinrichting van diepe plassen. 2) De kwaliteit van grond of baggerspecie die wordt toegepast moet vergelijkbaar of schoner zijn dan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Landbouw/natuur (=achtergrondwaarde) Wonen/Industrie In grondwaterbeschermingsgebieden

4.1.3 Besluit en Regeling bodemkwaliteit In het geval van bodem c.q. grond zijn de analyseresultaten (indicatief) getoetst aan de maximale waarden behorende bij de diverse functieklassen zoals vermeld in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit.

4.1.4 Asbest in bodem - indicatief De resultaten van het indicatieve asbestonderzoek zijn getoetst aan de interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering 2013 (versie 1 juli 2013), dan wel aan de maximale samenstellingswaarden voor niet vormgegeven bouwstoffen uit het Besluit en Regeling bodemkwaliteit. In zowel de Circulaire, als het Besluit en Regeling, wordt als interventiewaarde een gehalte van 100 mg/kg d.s. gehanteerd. Het gehalte asbest wordt berekend uit het gewogen serpentijnasbestgehalte vermeerderd met 10 maal het amfiboolgehalte.

4.1.5 Veiligheidsmaatregelen CROW 400 Bij graafwerkzaamheden dient rekening gehouden worden met de veiligheidsvoorschriften en Arbo-wetgeving voor grondwerk en bodemsanering. Indien een veiligheidsklasse van toepassing is dient de aannemer vóór aanvang van het werk een (beknopt) V&G-plan uitvoeringsfase op te stellen, welke onderdeel uit kan maken van het veiligheidsplan voor het gehele civiele werk. Het bepalen van de veiligheidsklassen heeft plaatsgevonden conform de CROW Publicatie 400 (werken in of met verontreinigde grond), september 2022. Bij het bepalen van de veiligheidsklasse zijn de hoogst verkregen waarden van de geanalyseerde parameters gehanteerd. Ten aanzien van de berekeningen wordt vermeld dat het een indicatie geeft van de betreffende gezondheidsrisico's. Bij werkzaamheden waarbij mogelijke blootstelling aan toxische stoffen mogelijk is wordt geadviseerd contact op te nemen met een deskundige zoals omschreven in module 5 “eisen aan de deskundigheid” van CROW-publicatie 400, september 2022. De aannemer is verantwoordelijk voor de veiligheidsmaatregelen die hij bij de werkzaamheden voor zijn personeel doorvoert.

MF190916.011.R03.V1.0

16 van 22

4.2 Toetsing van de analyseresultaten 4.2.1 Bodem Voor zware metalen en organische verbindingen dient een correctie plaats te vinden op basis van het gemeten lutum- en/of organisch stofgehalte in de bodem. Op basis van de gemeten gehalten aan lutum en organische stof worden de gerapporteerde gehalten omgerekende naar standaard bodem (10% organisch stof en 25% lutum). Bij het toetsen van de stofgroep PFAS aan de toepassingsnormen uit het Handelingskader hoeft bij een organisch stofpercentage tot 10% geen bodemtypecorrectie toegepast te worden. Als het organisch stofpercentage tussen 10% en 30% is gelegen, wordt wel een bodemtypecorrectie uitgevoerd, dit is niet het geval voor onderhavige monsters. In Tabel 4.2 (grondmonsters) en Tabel 4.4 (watermonsters) zijn alleen de onderzochte parameters vermeld waarvan de gehalten dan wel concentraties de achtergrondwaarden (grondmonsters) c.q. streefwaarden (grondwater) overschrijden. De toetsing van alle parameters is opgenomen als bijlage 5. In Tabel 4.3 zijn de resultaten met betrekking tot de stofgroep PFAS vermeld, inclusief de indicatieve kwaliteitsklasse. Tabel 4.2: getoetste analyseresultaten grond(meng)monsters in mg/kg ds Analysemonster

Boring

Traject (m -mv)

Textuur

Visuele waarneming

Analyse pakket

> AW

MMBG1

10 11 12 14

0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50

Zand Zand Zand Zand

sp. baksteen, sp. kolengruis sp. baksteen, sp. kolengruis sp. baksteen, sp. kolengruis sp. baksteen, sp. kolengruis

St.pakket

Kwik Lood PAK-10 Minerale olie

MMOG1

10 11 12 14

0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00

Zand Zand Zand Zand

sp. baksteen, sp. kolengruis sp. baksteen, sp. kolengruis sp. baksteen, sp. kolengruis sp. baksteen, sp. kolengruis

St.pakket

GSSD

Toets Wbb

Toets Bbk

CROW 400

0,62 71 5,197 235

* * * *

MWI

Basishygiëne

Kwik Lood Zink PAK-10 PCB-7 Minerale olie

1,07 86 154 23,74 49,3 5.556

* * * ** * ***

NT

Rood/zwart, vluchtig

Uitsplitsing MMOG1 + aanvullende analyses op basis van PAK en minerale olie 10-2

10

0,50 - 1,00

Zand

sp. baksteen, sp. kolengruis

PAK, min. olie

PAK-10

8,267

*

MWI1

Basishygiëne1

11-2

11

0,50 - 1,00

Zand

sp. baksteen, sp. kolengruis

PAK, min. olie

PAK-10 Minerale olie

3,667 15.429

* ***

NT

Rood/zwart, vluchtig

11-3

11

1,00 - 1,50

Zand

sp. baksteen, sp. kolengruis

PAK, min. olie

PAK-10 Minerale olie

3,848 2.879

* **

NT

Oranje, vluchtig

12-2

12

0,50 - 1,00

Zand

sp. baksteen, sp. kolengruis

PAK, min. olie

PAK-10 Minerale olie

477,35 2.963

*** **

NT

Oranje, vluchtig

13-2

13

0,50 - 1,00

Zand

sp. baksteen, sp. kolengruis

PAK, min. olie

Minerale olie

*

MWI1

Basishygiëne1

14-2

14

0,50 - 1,00

Zand

sp. baksteen, sp. kolengruis

PAK, min. olie

-

-

MWI1

Basishygiëne1

237 -

Tabel 4.3: getoetste resultaten PFAS in grond, gehalten in µg/kg ds Analysemonster

Boring

Traject (m -mv)

Textuur

Visuele waarneming

Analyse pakket

Verhoogd

Gehalte (μg/kg ds)

Toets handelingskader

MMBG1

10 11 12 14

0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50

Zand Zand Zand Zand

sp. baksteen, sp. kolengruis sp. baksteen, sp. kolengruis sp. baksteen, sp. kolengruis sp. baksteen, sp. kolengruis

PFAS (30)

PFBA PFPeA PFHxA PFHpA Som PFOA Som PFOS

0,2 0,3 0,2 0,2 1,2 6,0

Niet-toepasbaar

MMOG1

10 11 12 14

0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00

Zand Zand Zand Zand

sp. baksteen, sp. kolengruis sp. baksteen, sp. kolengruis sp. baksteen, sp. kolengruis sp. baksteen, sp. kolengruis

PFAS (30)

Som PFOA Som PFOS

0,7 2,9

Wonen/industrie

Tabel 4.4: getoetste analyseresultaten grondwatermonster in µg/l Peilbuis 012

Waterstand

Filtertraject

Zuurgraad

Geleidbaarheid

Turbiditeit

(m-mv)

(m-mv)

(pH)

(µS/cm)

(NTU)

0,5

1,0 – 2,0

7,5

470

44

MF190916.011.R03.V1.0

17 van 22

Analyseparameter

Parameters

Conc.

>S St.pakket

Barium

Toets Wbb

260

*

Verklaring gebruikte afkortingen Wbb : Wet bodembescherming AW : achtergrondwaarde 2000 S : streefwaarde T : “tussenwaarde” I : interventiewaarde GSSD : gestandaardiseerde meetwaarde Bbk : Besluit bodemkwaliteit (indicatief) NVB : niet-vormgegeven bouwstof AW : voldoet indicatief aan klasse “achtergrondwaarde” MWW : voldoet indicatief aan klasse “wonen” MWI : voldoet indicatief aan klasse “industrie” NT : indicatief “niet toepasbaar”

st. pakket sp. zw. ma. st. uit. vol. re. br. lg. -h. asbv. mat

: standaard pakket : sporen : zwak : matig : sterk : uiterst : volledig : resten : brokken : laagjes : -houdend : asbestverdacht materiaal

Verklaring der tekens * : groter dan AW/S en kleiner of gelijk aan T Gehalte : gemeten gehalten in mg/kg d.s. PCB in µg/kg ** : groter dan T en kleiner of gelijk aan I Conc. : gemeten concentratie in µg/l *** : groter dan I : geen waarde vastgesteld 1 : de klasse “industrie” en veiligheidsklasse “Basishygiëne” is gebaseerd op de resultaten van MMOG1 (zware metalen en PCB) en de individuele analyses voor PAK en minerale olie.

Op certificaat 13923826 (bijlage 4) zijn de volgende opmerkingen opgenomen: • “De rapportagegrens is verhoogd i.v.m. noodzakelijke verdunning”. Deze opmerking is van toepassing op de parameters PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 180 en minerale olie fractie C10-C12 van analysemonster MMOG1. Hierdoor is het mogelijk dat het daadwerkelijke gehalte PCB lager ligt dan gerapporteerd, echter gezien deze parameter niet maatgevend is voor de conclusie, betreft het geen kritieke afwijking. De fractie C10-C12 (< 25 mg/kg ds) draagt minimaal bij aan het gehalte minerale olie totaal (C10C40), derhalve is de opmerking ook niet kritiek voor deze parameter. • “Er zijn componenten na C40 aangetroffen. Deze zijn niet van invloed op het gerapporteerde resultaat.” Deze opmerking is van toepassing op de parameter minerale olie van analysemonster MMOG1. Op het chromatogram is een dalende lijn te zien na C40. Gezien de componenten na C40 niet van invloed zijn op het gerapporteerde resultaat en er geen interventiewaarde bestaat voor deze zwaardere oliesoorten, betreft het geen kritieke afwijking.

Op certificaat 13924314 (bijlage 4) zijn de volgende opmerkingen opgenomen: • “Na het nemen van deelmonsters ten behoeve van het bepalen van de bodemkenmerken (droge stof en eventueel organisch stof, lutum en pH-CaCl2), alsmede eventuele deelmonsters voor vluchtige verbindingen (BTEX, vluchtige halogenen, Cyanides), was geen 140 gram meer over voor de monstervoorbehandeling voor de overige parameters. Daarom is minder dan 140 gram voorbehandeld voor deze parameters.” Deze opmerking is van toepassing op analysemonsters 10-2, 11-3en 14-2. Dit is het gevolg van het tweemaal analyseren van deze monsters (eenmaal in MMOG1 en eenmaal individueel). • “Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot.” Deze opmerking is van toepassing op benzo(ghi)peryleen (PAK) van analysemonsters 10-2, 13-2 en 14-2, en benzo(a)pyreen (PAK) van analysemonster 11-2. De betreffende gehalten (maximaal 0,86 mg/kg ds) dragen niet significant bij aan het gehalte PAK totaal, tevens zijn de gehalten PAK in deze monsters (niet tot licht verontreinigd) niet maatgevend voor de conclusie. Derhalve betreft het geen kritieke afwijking. • “De rapportagegrens is verhoogd i.v.m. noodzakelijke verdunning.” Deze opmerking is van toepassing op de parameter naftaleen (PAK) van analysemonster 11-3.

Het gehalte naftaleen (< 0,04 mg/kg ds) draagt niet significant bij aan het gehalte PAK totaal, tevens is het gehalte PAK (licht verontreinigd) in dit monster niet maatgevend voor de conclusie. Derhalve betreft het geen kritieke afwijking.

MF190916.011.R03.V1.0

18 van 22

•

•

“Er zijn componenten na C40 aangetroffen. Deze zijn niet van invloed op het gerapporteerde resultaat.” Deze opmerking is van toepassing op minerale olie van analysemonster 11-3. Op het chromatogram is een dalende lijn te zien na C40. Gezien de componenten na C40 niet van invloed zijn op het gerapporteerde resultaat en er geen interventiewaarde bestaat voor deze zwaardere oliesoorten, betreft het geen kritieke afwijking. “Een gedeelte van het gehalte aan minerale olie wordt vermoedelijk veroorzaakt door de aanwezigheid van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en/of humeuze verbindingen.” Deze opmerking is van toepassing op minerale olie fracties C12-C22 en C22-C30 van analysemonster 12-2. Hierdoor is het mogelijk dat het werkelijke gehalte minerale olie lager ligt dan gerapporteerd. In het huidige gehalte is minerale olie maatgevend voor de veiligheidsklasse (CROW 400) van dit monster. Echter gezien de veiligheidsklasse van 11-2 hoger is dan 12-2, heeft dit geen invloed op de uiteindelijke conclusie.

4.2.2 Asbest In de grove fractie (>20 mm) zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De (meng)monsters van de fijne fractie zijn onderzocht op de aanwezigheid van asbest conform NEN 5898. De (meng)monsters hebben een drooggewicht wat minder is dan de 10 kg als voorgeschreven in de NEN 5898. In het laboratorium is meer dan de in de NEN 5898 voorgeschreven hoeveelheid van de zeeffracties 0,5-1 mm en 1-2 mm onderzocht om te bewerkstelligen dat de vereiste bepalingsgrens van 2 mg/kg ds wordt gehaald. In Tabel 4.5 is een overzicht gegeven van het totale gehalte aan asbest per mengmonster. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten en een overzicht van de toegepaste analysemethoden weergegeven. Tabel 4.5: overzicht totaal gehalte asbest per mengmonster in mg/kg ds (Meng)monster

Boringen

fijne fractie ASB1

Traject

Visuele waarneming

(m-mv) 10 t/m 14

0 – 0,5

sp. baksteen,

Gewogen gehalte

Gecorrigeerd

Totaal gehalte

grove fractie

gewogen gehalte fijne

gewogen asbest

(mg/kg ds)

fractie (mg/kg ds)

(mg/kg ds)

-

<2

<2

-

<2

<2

sp. kolengruis ASB2

10 t/m 14

0,5 – 1,5

sp. baksteen, sp. kolengruis

Uit de indicatieve toetsing van de boven- en ondergrond blijkt dat er geen verhoogde gehalten aan asbest worden aangetroffen. Het is derhalve aannemelijk dat er in de bodem met sporen baksteen en sporen kolengruis geen- tot slechts een geringe hoeveelheid asbest aanwezig is. Opgemerkt wordt dat geen correctie heeft plaatsgevonden gezien de detectiegrens niet wordt overschreden en geen sprake is van een grove fractie.

MF190916.011.R03.V1.0

19 van 22

4.2.3 Interpretatie analyseresultaten In alle vijf de boringen is van 0 – 1,5 m-mv een uniforme bodemlaag aangetroffen bestaand uit matig fijn, kleiig en sterk humeus zand, in deze zandlaag zijn sporen grind, sporen schelpen, sporen baksteen en sporen kolengruis waargenomen. De bovengrond is van 0 – 0,5 m-mv (MMBG1) licht verontreinigd met kwik, lood, PAK en minerale olie (klasse ‘industrie’). Tevens is het traject 0 – 0,5 m-mv ‘niet-toepasbaar’ op basis van het gehalte PFOS. Tijdens de graafwerkzaamheden voor de watercompensatie dient de bovengrond (0 – 0,5 m-mv) van de gehele onderzoekslocatie separaat te worden ontgraven en afgevoerd naar een erkende verwerker. Het betreft hierbij circa 193 m3 (110 * 3,5 * 0,5 m) grond. Uit MMOG1 (0,5 – 1,5 m-mv) blijkt dat in dit mengmonster een sterk verhoogd gehalte aan minerale olie, een matig verhoogd gehalte aan PAK en licht verhoogde gehalten aan kwik, lood, zink en PCB zijn aangetoond. Uit de uitsplitsing volgt dat het traject 0,5 – 1,0 m-mv ter plaatse van boring 11 sterk verontreinigd is met minerale olie en licht verontreinigd is met PAK.

Ter plaatse van boring 12 is de ondergrond (0,5 – 1,0 m-mv) sterk verontreinigd met PAK en matig verontreinigd met minerale olie, uit het analysecertificaat en chromatogram van dit monster blijkt dat een deel van het gerapporteerde gehalte minerale olie wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van PAK, mogelijk is in werkelijkheid het gehalte minerale olie slechts licht verhoogd. Het traject 1,0 – 1,5 m-mv ter plaatse van boring 11 is licht verontreinigd met PAK en matig verontreinigd met minerale olie. Gezien binnen dit traject (1,0 – 1,5 m-mv) geen graafwerkzaamheden plaatsvinden, is het traject niet geanalyseerd in de overige boringen en wordt dit verder buiten beschouwing gelaten. De matig tot sterke verontreinigingen worden ingekaderd door boringen 10, 13 en 14, waar geen- tot maximaal licht verhoogde gehalten PAK of minerale olie zijn aangetoond in het traject 0,5 – 1,0 m-mv. Uitgaande van boringen 10 en 13 als afperkende boringen van de sterke verontreinigingen met PAK en minerale olie, is de onderzoekslocatie over een lengte van 65 meter sterk verontreinigd met PAK (boring 12) of minerale olie (boring 11). De geplande watercompensatie heeft een breedte van circa 3,5 meter, tot circa 1,0 m-mv. Hiermee betreft de omvang van de te ontgraven sterke PAK/minerale olie verontreiniging in de ondergrond circa 114 m3 (65 * 3,5 * 0,5 m).

De sterk verontreinigde grond dient separaat te worden ontgraven en afgevoerd naar een erkende verwerker. Op basis van de sterk verhoogde gehalten aan minerale olie, gelden veiligheidsmaatregelen conform ‘Rood/zwart, vluchtig’. Verder zal in de ondergrond ter plaatse van boringen 10, 13 en 14 nog circa 79 m3 (45 * 3,5 * 0,5 m) grond worden ontgraven van klasse ‘industrie’. Dit is gebaseerd op de lichte verontreinigingen met kwik, lood, zink, PCB, PAK en minerale olie gehalten zoals aangetoond in MMOG1, gecombineerd met de individuele uitsplitsingen en aanvullende analyses. In het grondwater is enkel een verhoogde concentratie aan barium aangetoond. Hiermee wordt verondersteld dat de monstername van het grondwater binnen één week na plaatsing van de peilbuis geen invloed heeft gehad en hiermee een juist beeld van de grondwaterkwaliteit weergeeft.

MF190916.011.R03.V1.0

20 van 22

5 Conclusies en aanbevelingen

Geonius Milieu B.V. heeft in opdracht van FCC Construcción S.A. een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de zuidoostelijke oever van de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder, gelegen in het Amsterdamse Bos ter hoogte van locatie de Bosrandbrug te Schiphol (Amstelveen). Aanleiding voor dit aanvullend bodemonderzoek vormt de voorgenomen graafwerkzaamheden tot circa 1 m-mv ten behoeve van watercompensatie (Fase 2).

5.1 Conclusies Na uitvoering van het aanvullend bodemonderzoek blijkt het volgende. • De bovengrond (0 – 0,5 m-mv) van de gehele onderzoekslocatie is licht verontreinigd met kwik, lood, PAK en minerale olie. Wel bevat deze laag PFOS boven de maximale toepassingswaarde en is derhalve ‘niettoepasbaar’. • De ondergrond (0,5 – 1,0 m-mv) ter plaatse van boring 11 is sterk verontreinigd met minerale olie en licht verontreinigd met PAK. • De ondergrond (0,5 – 1,0 m-mv) ter plaatse van boring 12 is sterk verontreinigd met PAK en matig verontreinigd met minerale olie. • Naast de licht tot sterke verontreinigingen met PAK en matig tot sterke verontreinigingen met minerale olie ter plaatse van boringen 11 en 12 zijn in de ondergrond (0,5 – 1,0 m-mv) licht verhoogde gehalten kwik, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie aangetoond. • De ondergrond (1,0 – 1,5 m-mv) ter plaatse van boring 11 is matig verontreinigd met minerale olie en licht verontreinigd met PAK. Gezien binnen dit traject geen graafwerkzaamheden plaatsvinden, is dit verder buiten beschouwing gelaten. • De omvang van de verontreiniging is in het kader van de geplande graafwerkzaamheden voldoende vastgesteld.

• Uit de toetsing van de analyseresultaten aan de toepassingsnormen (voor het toepassen van grond en baggerspecie) uit het Handelingskader PFAS blijkt dat de kwaliteit van de onderzochte bodem voor de stofgroep PFAS indicatief varieert van “wonen/industrie” (ondergrond) tot “niet toepasbaar” (bovengrond). • Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Een duidelijke oorzaak voor deze lichte verontreiniging kan niet worden gegeven. Mogelijk is deze gerelateerd aan de bodemvreemde bijmengingen ter plaatse, heeft deze een natuurlijke oorzaak of wordt deze veroorzaakt door een bron die stroomopwaarts is gelegen. • Indien de resultaten indicatief worden getoetst aan het Besluit en de Regeling Bodemkwaliteit varieert de kwaliteit van indicatief “industrie” tot “niet-toepasbaar”. • Op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit dient de hypothese “verdacht” te worden aanvaard. • In de analyseresultaten van de indicatief samengestelde monsters is geen asbest aangetoond. Op basis van deze analytische resultaten wordt de hypothese “onverdacht” bevestigd. Er is echter niet voldoende materiaal bemonsterd om te voldoen aan een asbestonderzoek conform NEN 5707. Er is echter met voldoende betrouwbaarheid vastgesteld dat op de locatie geen asbest in de bodem aanwezig is. Vervolgonderzoek en maatregelen zijn niet noodzakelijk.

MF190916.011.R03.V1.0

21 van 22

•

•

Voor de graafwerkzaamheden van 0,5 – 1,0 m-mv zijn ter plaatse van boring 11 veiligheidsmaatregelen conform ‘Rood/zwart, vluchtig’ noodzakelijk volgens de CROW 400. Ter plaatse van boring 12 zijn van 0,5 – 1,0 m-mv veiligheidsmaatregelen conform ‘Oranje, vluchtig’ noodzakelijk. De maatgevende stof voor de veiligheidsklasse is minerale olie. Het vaststellen van een definitieve veiligheidsklasse is ter competentie van een HVK’er. Voor de graafwerkzaamheden in de bovengrond (0 – 0,5 m-mv) en ter plaatse van boringen 10, 13 en 14 (0 – 1,0 m-mv) geldt veiligheidsklasse ‘Basishygiëne’ conform de CROW 400.

5.2 Aanbevelingen Op de onderzoekslocatie is sprake van één traject binnen de geplande graafwerkzaamheden waarin sterke verontreinigingen met PAK of minerale olie voorkomen. De ondergrond (0,5 – 1,0 m-mv) is ter plaatse van boring 11 sterk verontreinigd met minerale olie en ter plaatse van boring 12 sterk verontreinigd met PAK. Uitgaande van de naastgelegen boringen (10, 13 en 14) met een maximaal lichte verontreiniging aan PAK/minerale olie als afperkende boringen, betreft het circa 114 m3 (65 * 3,5 * 0,5 m) sterk verontreinigde grond binnen de geplande watercompensatie. De verontreiniging is niet buiten de onderzoekslocatie afgeperkt. Er kan worden verondersteld dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK en minerale olie dat onderdeel uitmaakt van een groter geheel. De voorziene graafwerkzaamheden ten behoeve van de watercompensatie worden daarom gezien als een saneringshandeling waarvoor een Wbb-procedure van toepassing is. In onderhavig geval kan worden volstaan met een BUS-melding.

MF190916.011.R03.V1.0

22 van 22

Bijlagen

MF190916.011.R03.V1.0

Bijlage 1 Topografische overzichtskaart

MF190916.011.R03.V1.0

Project

Watercompensatie Amsterdamse Bos

Onderdeel

Topografische kaart Geonius Milieu +31 (0) 88 1300 600

Projectnr

MF190916.011

Projectleider

A. van Steenderen

Bijlagenr

T1

Getekend

R. Florentinus

Datum

22-8-2023

Formaat

A4

Schaal

X:

115.732

Y:

480.026

De Asselen Kuil 10

6161 RD Geleen www.geonius.nl

Bijlage 2 Foto’s locatie

MF190916.011.R03.V1.0

Locatiefoto’s Amstelveen Amsterdamse Bos

Foto 01

Foto 02

Foto 03

MF190916.011

blad: 1 van 1

Bijlage 3 Boorstaten incl. legenda

MF190916.011.R03.V1.0

opdrachtnummer

: MF190916.011.AO

projectomschrijving :Watercompensatie Amsterdamse Bos aanvullend onderzoek

Boring:

10

Boring:

11

Datum:

16-8-2023

Datum:

16-8-2023

0.00

0.00 1

Asb 1

0.50 2

RAW 1

braak Zand matig fijn, kleiïg, sterk humeus, sporen baksteen, sporen grind, sporen schelpen, sporen kolengruis, donkerbruin, Edelmanboor

Asb 2

1.00

0.00

0.00 1

Asb 1

0.50 2

3 1.50

1.50

1.50

1.50

Boring:

12

Boring:

13

Datum:

16-8-2023

Datum:

16-8-2023

0.00

0.00 1

Asb 1

0.50 2

RAW 1

braak Zand matig fijn, kleiïg, sterk humeus, sporen baksteen, sporen grind, sporen schelpen, sporen kolengruis, donkerbruin, Edelmanboor

Asb 2

1.00

0.00

0.00 1

Asb 1

0.50 2

3

RAW 1

braak Zand matig fijn, kleiïg, sterk humeus, sporen baksteen, sporen grind, sporen schelpen, sporen kolengruis, donkerbruin, Edelmanboor

Asb 2

1.00 3 1.50

1.50 4

Zand matig fijn, kleiïg, sterk humeus, sporen baksteen, sporen grind, sporen schelpen, sporen kolengruis, donkerbruin, Edelmanboor

Asb 2

1.00

3

RAW 1

braak

RAW 2 2.00

2.00

1.50

1.50 Veen, zwak kleiïg, donkerbruin, Edelmanboor

Boring:

14

Boring:

Mengmonsters 16-8

Datum:

16-8-2023

Datum:

16-8-2023

0.00

0.00 1

Asb 1

0.50 2

RAW 1

braak Zand matig fijn, kleiïg, sterk humeus, sporen baksteen, sporen grind, sporen schelpen, sporen kolengruis, donkerbruin, Edelmanboor

0.00

RAW 2 Asb 1 21

0.00

groenstrook

Asb 2

1.00 3 1.50

1.50

pagina

1/1

verticale schaal

1: 75

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei Grind, siltig

geur Klei, zwak siltig

geen geur zwakke geur

Grind, zwak zandig

matige geur

Klei, matig siltig

sterke geur Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie

Klei, matig zandig

zand

Klei, sterk zandig

p.i.d.-waarde >0

Zand, kleiïg

>1 >10

Zand, zwak siltig

>100

leem Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

Zand, uiterst siltig

>1000 >10000

monsters geroerd monster

overige toevoegingen zwak humeus

veen Veen, mineraalarm

uiterste olie-water reactie

matig humeus

ongeroerd monster volumering

overig bijzonder bestanddeel

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand Gemiddeld laagste grondwaterstand slib

water

peilbuis blinde buis

casing hoogste grondwaterstand gemiddelde grondwaterstand laagste grondwaterstand zand afdichting bentoniet/mikoliet/klei afdichting grind afdichting filter

MF190916.011.R03.V1.0

Bijlage 4 Analysecertificaten

MF190916.011.R03.V1.0

SGS Environmental Analytics Correspondentieadres Steenhouwerstraat 15 · 3194 AG Rotterdam Tel.: +31 (0)10 231 47 00 · Fax: +31 (0)10 416 30 34 www.sgs.com/analytics-nl

Analyserapport

GEONIUS MILIEU BV Manon Dierkx Postbus 1097 6160 BB GELEEN

Uw projectnaam Uw projectnummer SGS rapportnummer Rapport-verificatienummer

Blad 1 van 8

: Watercompensatie Amsterdamse Bos aanvullend onderzoek : MF190916.011.AO : 13923826, versienummer: 1. : 21P2WTG8

Rotterdam, 17-08-2023

Geachte heer/mevrouw, Hierbij ontvangt u de analyse resultaten van het laboratoriumonderzoek ten behoeve van uw project MF190916.011.AO. Het onderzoek werd uitgevoerd conform uw opdracht. De gerapporteerde resultaten hebben uitsluitend betrekking op de door SGS geteste monsters en zoals door SGS ontvangen zijn. De door u aangegeven omschrijvingen voor de monsters, het project en de monsternamedatum (indien aangeleverd) zijn overgenomen in dit analyserapport. SGS is niet verantwoordelijk voor de gegevens verstrekt door de opdrachtgever. Het onderzoek is uitgevoerd door SGS Environmental Analytics, gevestigd aan de Steenhouwerstraat 15 in Rotterdam (NL). Indien het onderzoek is uitgevoerd door derden is dit in het rapport aangegeven. Dit analyserapport bestaat inclusief bijlagen uit 8 pagina's. In geval van een versienummer van '2' of hoger vervallen de voorgaande versies. Alle bijlagen maken onlosmakelijk onderdeel uit van het rapport. Alleen vermenigvuldiging van het hele rapport is toegestaan. Voor meer informatie, omtrent bijvoorbeeld meetonzekerheid of gebruikte analysemethoden, kunt u contact opnemen met de afdeling Customer Support. Per 1 september 2022 is SGS Environmental Analytics B.V. gefuseerd met SGS Nederland B.V. en handelt onder de naam SGS Environmental Analytics. Alle erkenningen van SGS Environmental Analytics B.V.

blijven van kracht en zijn/worden omgezet naar SGS Nederland B.V. Wij vertrouwen er op u met deze informatie van dienst te zijn. Hoogachtend,

René Eugster Business Unit Manager SGS Environmental Analytics IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM EN ISO/IEC 17025:2017 ONDER NR. L 028.

SGS Environmental Analytics – Vestiging van SGS Nederland BV, Malledijk 18 - P.O. Box 200, NL-3200 AE Spijkenisse - Nederland. Al onze werkzaamheden worden uitgevoerd onder de algemene voorwaarden gedeponeerd bij de kamer van koophandel te Rotterdam inschrijving handelsregister : 24226722.

Blad 2 van 8

Analyserapport GEONIUS MILIEU BV Manon Dierkx Projectnaam Watercompensatie Amsterdamse Bos aanvullend onderzoek Projectnummer MF190916.011.AO Rapportnummer 13923826 - 1 Nummer

Monstersoort

Monsterspecificatie

001 002

Grond (AS3000) Grond (AS3000)

MMBG1 10 (0-50) 11 (0-50) 12 (0-50) 14 (0-50) MMOG1 10 (50-100) 11 (100-150) 12 (50-100) 14 (50-100)

Analyse

Eenheid

Q

monster voorbehandeling droge stof gewicht artefacten aard van de artefacten

gew.-% g -

S S S S

Ja 79.9 <1 geen

Ja 76.6 <1 geen

organische stof (gloeiverlies)

% vd DS

S

3.4

4.5

KORRELGROOTTEVERDELING lutum (bodem) % vd DS

S

6.7

8.1

METALEN barium cadmium kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink

S S S S S S S S S

41 <0.2 3.1 12 0.47 50 <0.5 9.8 69

53 0.22 3.4 14 0.83 63 0.55 11 89

mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kgds

001

POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN naftaleen mg/kgds S <0.01 fenantreen mg/kgds S 0.42 antraceen mg/kgds S 0.15 fluoranteen mg/kgds S 1.4 benzo(a)antraceen mg/kgds S 0.62 chryseen mg/kgds S 0.55 benzo(k)fluoranteen mg/kgds S 0.32 benzo(a)pyreen mg/kgds S 0.68 benzo(ghi)peryleen mg/kgds S 0.54 indeno(1,2,3-cd)pyreen mg/kgds S 0.51 1) pak-totaal (10 van VROM) mg/kgds S 5.197 (0.7 factor) POLYCHLOORBIFENYLEN (PCB) PCB 28 µg/kgds PCB 52 µg/kgds PCB 101 µg/kgds PCB 118 µg/kgds PCB 138 µg/kgds PCB 153 µg/kgds PCB 180 µg/kgds som PCB (7) (0.7 factor) µg/kgds

S S S S S S S S

<1 <1 <1 <1 1.1 <1 <1 1) 5.3

Orderdatum 16-08-2023 Startdatum 16-08-2023 Rapportagedatum 17-08-2023

002

0.14 3.7 1.3 7.2 2.8 1.8 1.1 2.4 1.6 1.7 1) 23.74

2)

<4.4 2) <5.0 2) <4.1 2) <4.7 2) <4.4 3.3 2) <4.4 1) 22.2

De met S gemerkte analyses zijn geaccrediteerd en vallen onder de AS3000-erkenning.

Paraaf : SGS Environmental Analytics IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM EN ISO/IEC 17025:2017 ONDER NR. L 028.

SGS Environmental Analytics – Vestiging van SGS Nederland BV, Malledijk 18 - P.O. Box 200, NL-3200 AE Spijkenisse - Nederland. Al onze werkzaamheden worden uitgevoerd onder de algemene voorwaarden gedeponeerd bij de kamer van koophandel te Rotterdam inschrijving handelsregister : 24226722.

Blad 3 van 8

Analyserapport GEONIUS MILIEU BV Manon Dierkx Projectnaam Watercompensatie Amsterdamse Bos aanvullend onderzoek Projectnummer MF190916.011.AO Rapportnummer 13923826 - 1 Nummer

Monstersoort

Monsterspecificatie

001 002

Grond (AS3000) Grond (AS3000)

MMBG1 10 (0-50) 11 (0-50) 12 (0-50) 14 (0-50) MMOG1 10 (50-100) 11 (100-150) 12 (50-100) 14 (50-100)

Analyse

Eenheid

MINERALE OLIE fractie C10-C12 fractie C12-C22 fractie C22-C30 fractie C30-C40 totaal olie C10 - C40

mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kgds

Q

001

S

<5 11 33 35 80

Orderdatum 16-08-2023 Startdatum 16-08-2023 Rapportagedatum 17-08-2023

002

2)

<25 160 830 3) 1600 2500

De met S gemerkte analyses zijn geaccrediteerd en vallen onder de AS3000-erkenning.

Paraaf : SGS Environmental Analytics IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM EN ISO/IEC 17025:2017 ONDER NR. L 028.

SGS Environmental Analytics – Vestiging van SGS Nederland BV, Malledijk 18 - P.O. Box 200, NL-3200 AE Spijkenisse - Nederland. Al onze werkzaamheden worden uitgevoerd onder de algemene voorwaarden gedeponeerd bij de kamer van koophandel te Rotterdam inschrijving handelsregister : 24226722.

Blad 4 van 8

Analyserapport GEONIUS MILIEU BV Manon Dierkx Projectnaam Watercompensatie Amsterdamse Bos aanvullend onderzoek Projectnummer MF190916.011.AO Rapportnummer 13923826 - 1

Orderdatum 16-08-2023 Startdatum 16-08-2023 Rapportagedatum 17-08-2023

Monster beschrijvingen

001

*

De monstervoorbehandeling en analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatieschema AS3000, dit geldt alleen voor de analyses die worden gerapporteerd met het "S" kenmerk.

002

*

De monstervoorbehandeling en analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatieschema AS3000, dit geldt alleen voor de analyses die worden gerapporteerd met het "S" kenmerk.

Voetnoten 1 2 3

De sommatie na verrekening van de 0.7 factor voor <-waarden volgens BoToVa. De rapportagegrens is verhoogd i.v.m. noodzakelijke verdunning. Er zijn componenten na C40 aangetroffen. Deze zijn niet van invloed op het gerapporteerde resultaat.

Paraaf : SGS Environmental Analytics IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM EN ISO/IEC 17025:2017 ONDER NR. L 028.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16033035/1