- 12 Sociale Zaken (13) 19012021 BRIEF naar aanleiding van de zaak Wijdemer
Tekst van het document
Bezoekadres Amstel 1 1011 PN Amsterdam Postbus 202 1000 AE Amsterdam Telefoon 14 020 amsterdam.nl
Retouradres: Postbus 202, 1000 AE Amsterdam
Aan de leden van de raadscommissie Werk, Inkomen en Onderwijs
Datum
19 januari 2021
Ons kenmerk Uw kenmerk Behandeld door Harry Bodaar Kopie aan Bijlage Onderwerp
Wettelijke kaders Participatiewet rondom giften en terugvorderen
Zeer geachte leden van de raadscommissie, In de laatste week van 2020 besteedden media in Nederland veel aandacht aan een zaak in de gemeente Wijdemeren waarin een bijstandsgerechtigde de gemeente over de afgelopen vijf jaar ruim € 7.000 moet terugbetalen omdat zij niet had opgegeven dat zij structureel boodschappen ontving van haar moeder. Met deze giften, in de vorm van levensmiddelen, ondersteunde de moeder haar dochter omdat zij met de uitkering niet rondkwam. In de commissie Werk, Inkomen en Onderwijs van 6 januari 2021 zijn vragen gesteld over de zaak in Wijdemeren in relatie tot de uitvoeringspraktijk in Amsterdam. Met deze brief informeer ik u daarover. Standpunt college Het college vindt het pijnlijk en onjuist dat de landelijke dwingende wet- en regelgeving rondom bijstandsuitkeringen uitgaat van een veel te laag bestaansminimum. Uit onderzoek van onder meer het Nibud blijkt dat de bijstandsuitkering voor velen feitelijk te laag is om van rond te komen, zelfs in combinatie met de armoedevoorzieningen van gemeenten. Hierdoor zijn mensen aangewezen op ondersteuning van bijvoorbeeld voedselbanken of familie.
Tegelijkertijd geeft diezelfde wetgeving maar zeer beperkt ruimte voor mensen om zulke ondersteuning te ontvangen en hebben gemeenten op basis van de wet maar heel weinig ruimte om in zulke gevallen mee te wegen waarom iemand aangewezen is op ondersteuning en wat iemands intentie was om dit niet te melden bij de gemeente. Daarbij komt dat de wet- en regelgeving zo complex is dat van bijstandsgerechtigden niet kan worden verwacht dat zij altijd begrijpen wat zij wel of niet bij de gemeente moeten melden.
Een routebeschrijving vindt u op www.amsterdam.nl.
Gemeente Amsterdam
Datum 19 januari 2021 Kenmerk Pagina 2 van 5
Gemeenten zijn verplicht om bij een schending van de inlichtingenplicht, ook als die onbedoeld is, de teveel ontvangen bijstand altijd geheel terug te vorderen (en een bestuurlijke boete op te leggen). Dit is niet proportioneel, ondermijnt de bestaanszekerheid van bijstandsgerechtigden nog verder en brengt mensen onnodig in de problemen. Uitgangspunten van de bijstand Voor de bijstandsuitkering gelden de volgende landelijke uitgangspunten: Het is een minimumvoorziening met een aanvullend karakter. Het Rijk bepaalt de bijstandsnorm. Alle middelen waar iemand over beschikt gaan voor op het recht op bijstand, dat geldt ook voor giften die bedoeld zijn voor het levensonderhoud. Bijstandsgerechtigden zijn verplicht middelen die zij ontvangen te melden bij de gemeente, dit hoort bij de inlichtingenplicht. Een schending van de informatieplicht moet altijd leiden tot een terugvordering als er te veel bijstand is ontvangen, ook als de schending onbedoeld was. Als er sprake is te veel verstrekte bijstand als gevolg van een schending van de inlichtingenplicht moet de gemeente een bestuurlijke boete opleggen. De hoogte van de boete is een afgeleide van het benadelingsbedrag, de mate van verwijtbaarheid en de afloscapaciteit.
Giften in de Amsterdamse uitvoeringspraktijk In het verleden is het ook in Amsterdam voorgekomen dat de uitkering van bijstandsgerechtigden is beëindigd en te veel verstrekte bijstand is teruggevorderd omdat zij giften hadden ontvangen waarvan de gemeente niet op de hoogte was. In de vorige collegeperiode is daarom een zogenaamde giftendrempel ingesteld. Dit houdt concreet in dat bijstandsgerechtigden per kalenderjaar uit de persoonlijke kring voor maximaal € 1.200 aan giften mogen ontvangen. De gedachte hierachter is dat mensen die tijdelijk met de uitkering niet kunnen rondkomen op die manier met hulp uit de eigen omgeving tijdelijke financiële problemen kunnen oplossen. Een andere gedachte was dat de bereidheid tot liefdadigheid in de stad niet wordt gefrustreerd en bestraft. Dit beleid is een ruime invulling van de wettelijke bepaling dat giften bij de beoordeling van het recht op bijstand buiten beschouwing kunnen worden gehouden voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. Vanuit de gedachte dat giften die in totaal lager zijn dan € 1.200 niet van invloed zijn op het recht op uitkering, vallen giften pas onder de inlichtingenplicht als dit bedrag wordt overschreden. Het is dan aan de gemeente om een oordeel te vellen of het meerdere nog verantwoord is uit een oogpunt van bijstandsverlening.
Giften die onder de giftendrempel vallen leiden nooit tot een terugvordering en/of een sanctie. Dit is een ruime invulling van de beleidsvrijheid die de wet gemeenten biedt en voorkomt excessen. Giften van de voedselbank worden buiten deze ruime invulling gelaten. Die ondersteuning hoeft vanwege de aard van de voorziening nooit in mindering te worden gebracht op de
Gemeente Amsterdam
Datum 19 januari 2021 Kenmerk Pagina 3 van 5
bijstandsuitkering omdat deze voorziening onderdeel is van het gemeentelijke armoedebeleid. Dergelijk beleid wordt per definitie gezien als buitengewoon begunstigend. Amsterdam in vergelijking met de zaak Wijdemeren Hoewel het lastig is om op afstand iets te zeggen over een casus in een andere gemeente, zou een vergelijkbare casus in Amsterdam in het uiterste geval kunnen leiden tot een terugvordering van ongeveer € 990. Immers, de terugvordering in Wijdemeren bedraagt € 7000 over een periode van vijf jaar. Er is dus sprake van een gemiddelde maandelijkse gift van € 116 (7000 / 60). Dat zou in Amsterdam leiden tot een overschrijding van de giften drempel met € 16 per maand. Over een periode van 5 jaar (60 maanden) komt dit neer op ongeveer € 990. Er vindt echter altijd een beoordeling plaats in het individuele geval wanneer giften hoger zijn dan € 1.200. Als daarbij het meerdere verantwoord wordt geacht vanuit het oogpunt van bijstandsverlening, is het logisch dat ook het meerdere wordt vrijgelaten. Zo niet, dan zou bij deze schending van de inlichtingenplicht, geen boete zijn opgelegd maar een waarschuwing worden gegeven in verband met het gebrek aan verwijtbaarheid.
Handhaving Het college is zich ervan bewust dat de wet- en regelgeving rondom bijstandsverlening, zoals bijvoorbeeld de uit de Participatiewet voortvloeiende inlichtingenplicht, voor bijstandsgerechtigden ingewikkeld is. Het is begrijpelijk dat bijstandsgerechtigden zich er niet altijd van bewust zijn dat giften in de vorm van een tas boodschappen formeel moeten worden gemeld bij de gemeente. Om die reden geldt voor het Amsterdamse handhavingsbeleid dat dit beleid proportioneel is. De individuele omstandigheden bepalen mede de gevraagde interventie. Bij de handhaving op de rechtmatigheid van bijstandsuitkeringen is de opdracht om de individuele omstandigheden ook te laten meewegen in de uiteindelijke beslissing. Deze proportionaliteit is in lijn met de hoogte van de giftendrempel. Wanneer uit een onderzoekt blijkt dat de bijstandsgerechtigde giften ontvangt die nog niet bij de gemeente bekend waren, zal altijd worden bekeken wat het doel van de giften is en uit welke bron de giften komen en wat de hoogte van de giften is. Landelijke ontwikkelingen Sinds eind 2020 zijn er landelijke ontwikkelingen ten aanzien van de hierboven beschreven problematiek. Bij de behandeling van een wetswijziging1 die naar verwachting dit voorjaar van kracht wordt, heeft de Tweede Kamer een motie en een amendement ingediend. Beide zijn aangenomen.
Het amendement heeft tot doel de Participatiewet zo aan te passen dat schulden als gevolg van een schending van de inlichtingenplicht waarbij geen sprake is van opzet of grove schuld kunnen worden meegenomen bij een minnelijke schuldregeling. Amsterdam heeft in G4 verband gelobbyd om het saneren van dit soort schulden mogelijk te maken. 1 Wijziging van de Participatiewet in verband met het uitsluiten van fraudevorderingen bij de vermogenstoets (Kamerstukken II,
2019/2020, 35374).
Gemeente Amsterdam
Datum 19 januari 2021 Kenmerk Pagina 4 van 5
Met de motie wordt het kabinet opgeroepen het fraudebegrip in de sociale zekerheid zo aan te passen dat mensen die onbedoeld de inlichtingenplicht schenden niet direct als fraudeur hoeven te worden aangemerkt. In zijn brief aan de Tweede Kamer van 12 november 2020 heeft de staatssecretaris toegezegd te zoeken naar een dergelijke wijziging van het fraudebegrip in de sociale zekerheid. De staatsecretaris stelt in zijn brief het volgende fraudebegrip sociale zekerheid voor: “Indien een persoon de inlichtingenplicht in de socialezekerheidswetgeving niet naleeft is sprake van een overtreding. Indien een persoon de inlichtingenplicht in de socialezekerheidswetgeving opzettelijk overtreedt of grof nalatig is in de nakoming van zijn verplichtingen teneinde een wederrechtelijk voordeel te verkrijgen, is sprake van fraude.” Het college omarmt deze ontwikkelingen en is bereid te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om vooruitlopend op deze ontwikkelingen tijdelijk buitenwettelijk begunstigend beleid te formuleren. Op 8 januari 2021 is er een amendement ingediend dat tot doel heeft de Participatiewet aan te passen zodat terugvordering van teveel betaalde bijstand als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht niet meer verplicht is, maar een bevoegdheid van het college. Er lijkt in de Tweede Kamer een meerderheid voor dit amendement te zijn.
Ook een wetvoorstel om van het opleggen van bestuurlijke boetes een bevoegdheid te maken waar het nu nog een verplichting is, lijkt op een meerderheid in de Tweede Kamer te kunnen rekenen. Hoger minimumloon en sociaal minimum Enkel het wijzigen van de Participatiewet biedt geen garantie dat problemen in de toekomst worden voorkomen. Dat vraagt om een ingrijpendere wijziging van het socialezekerheidsstelsel. Het college is bijvoorbeeld van mening dat een hoger minimumloon en een hoger sociaal minimum de beste manier zijn om zaken zoals die in Wijdemeren te voorkomen en blijft daarvoor pleiten. Mensen zullen dan namelijk minder snel afhankelijk zijn van steun van de directe omgeving om rond te kunnen komen. Onderzoek van het Nibud eind vorig jaar laat zien dat de bijstandsnorm (vooral voor mensen met kinderen vanaf 12 jaar) te laag is. Ook waarschuwde het Centraal Planbureau en het Sociaal Cultureel Planbureau in de publicatie Kansrijk Armoedebeleid voor een toename van het aantal personen in armoede na 2021 met ruim een kwart (van 5,3 procent naar 6,8 procent van de bevolking) als gevolg van de jaarlijkse verlaging van de bijstandsuitkeringen door een fiscale maatregel die doorloopt tot en met 2035.
Conclusie Het college is van mening dat de uitvoeringspraktijk in Amsterdam de beperkte ruimte uit de Participatiewet zo goed mogelijk benut om giften die mensen uit de eigen omgeving ontvangen vrij te laten waardoor we de kans dat deze giften leiden tot stevige repressieve maatregelen zeer klein achten.
Gemeente Amsterdam
Datum 19 januari 2021 Kenmerk Pagina 5 van 5
Wel vindt het college dat de Participatiewet voor bijstandsgerechtigden te complex is en te weinig ruimte biedt aan gemeenten om in alle gevallen een zorgvuldige afweging te kunnen maken in de beoordeling van de schending van de inlichtingenplicht en terug te vorderen bijstand. Dit is een landelijk probleem en alleen een wetswijziging kan dit veranderen. Alleen een hoger minimumloon en sociaal minimum zal er uiteindelijk toe leiden dat bijstandsgerechtigden in mindere mate genoodzaakt zijn om aanspraak te maken op steun uit de eigen omgeving om rond te kunnen komen en om armoede te voorkomen. Het college blijft zich hiervoor inzetten. Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en ga ervan uit dat ik met deze brief het verzoek heb afgedaan. Met vriendelijke groet, Namens het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
Rutger Groot Wassink Wethouder Sociale Zaken