12. Fietsverbinding Sportas van Amsterdam Zuid naar Amstelveen.PDF
Tekst van het document
Fietsverbinding Sportas van Amsterdam-Zuid naar Amstelveen Milieuhygiënisch vooronderzoek Verkennend milieukundig bodemonderzoek Verkennend en nader asbestonderzoek Verhardingsonderzoek
Status Kenmerk Datum
: Definitief : 2011P482/JHA/rap1 : 26 april 2021
Opdrachtgever : Gemeente Amsterdam, Ingenieursbureau T.a.v. mevr. A. Jelierse Weesperstraat 430 1018 DN Amsterdam
Goedkeuring
Functie
Datum
Handtekening
Dhr. J. van Haaster (Adviseur)
Opsteller, auteur
26-04-2021
Dhr. J. Wijnands (Projectleider)
1e lezerschap
26-04-2021
Dhr. C. Brouwer (Teamleider)
2e lezerschap, vrijgave rapportage
26-04-2021
BRL SIKB 2000 protocol 2001, 2002, 2018
INHOUDSOPGAVE INLEIDING ........................................................................................................................................... 4 MILIEUHYGIENISCH VOORONDERZOEK ......................................................................................... 6 2.1
AANLEIDING VOORONDERZOEK............................................................................................. 6
2.2
AFBAKENING ONDERZOEKSGEBIED ...................................................................................... 6
2.3
POTENTIËLE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING ................................................... 7
2.4
BODEMKWALITEIT EN ASBEST ............................................................................................... 8
2.5
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ................................................................................ 9
2.6
BEÏNVLOEDING ......................................................................................................................... 9
2.7
BODEMVERONTREINIGING .................................................................................................... 10
2.8
TERREINVERKENNING ........................................................................................................... 11
2.9
BEOORDELING ........................................................................................................................ 12
2.10
CONCLUSIE EN HYPOTHESESTELLING ............................................................................... 12 VERKENNEND BODEMONDERZOEK ............................................................................................. 13
3.1
ONDERZOEKSSTRATEGIE ..................................................................................................... 13
3.2
UITVOERING VELDONDERZOEK ........................................................................................... 13
3.3
UITVOERING LABORATORIUMONDERZOEK ........................................................................ 15
3.4
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN ......................................................................... 16
3.5
TOETSING HYPOTHESE ......................................................................................................... 22
4.
VERKENNEND EN NADER ASBESTONDERZOEK ........................................................................ 23
4.1
ONDERZOEKSSTRATEGIE ..................................................................................................... 23
4.2
VERKENNEND ASBESTONDERZOEK .................................................................................... 24
4.3
NADER ASBESTONDERZOEK ................................................................................................ 29
5.
VERHARDINGSONDERZOEK .......................................................................................................... 32
5.1
ONDERZOEKSOPZET ............................................................................................................. 32
5.2
VELDONDERZOEK .................................................................................................................. 32
5.3
LABORATORIUMONDERZOEK ............................................................................................... 34
6.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .............................................................................................. 39
7.
BETROUWBAARHEID ...................................................................................................................... 43
2011P482/JHA/rap1 Pagina 2 van 43
BIJLAGEN 1. 1.1 1.2 1.3
Kaarten en tekeningen Situatietekeningen milieukundig bodem- en asbestonderzoek Situatietekeningen verhardingsonderzoek Situatietekening nader asbestonderzoek
2. 2.1 2.2 2.3
Vooronderzoek Rapportage Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Fotoreportage Kaartmateriaal
3. 3.1 3.2
Veldonderzoek Formulieren veldonderzoek Boorstaten en legenda
4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Laboratoriumonderzoek Certificaten grond (incl. PFAS) Certificaten grondwater Certificaten asbest (grond) Certificaten asfaltonderzoek Certificaten asbest (funderingsmateriaal) Certificaten samenstelling en uitloging (funderingsmateriaal)
5. 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
Toetsingstabellen Toetsingstabellen grond (Wbb) Toetsingstabellen grond (Bbk) Toetsingstabellen grondwater Toetsingstabellen PFAS Toetsingstabellen samenstelling en uitloging (funderingsmateriaal) Berekening asbest
6. 6.1
Veiligheidsklasse Bepaling voorlopige veiligheidsklasse
2011P482/JHA/rap1 Pagina 3 van 43
INLEIDING In opdracht van gemeente Amsterdam is door IDDS een verkennend milieukundig bodemonderzoek, verkennend en nader asbestonderzoek en verhardingsonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie staat bekend als ‘Fietsverbinding Sportas’ en loopt van Amsterdam-Zuid naar Amstelveen. Aanleiding en doelstelling De onderzoeken zijn uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen herinrichtingswerkzaamheden in het kader van een fietsverbinding en werkzaamheden aan de weg. De werkzaamheden bestaan uit het verbreden en aanpassen van de bestaande wegen en het verleggen van bestaande kabels en leidingen tot een ontgravingsdiepte van 1,5 m-mv. De doelstelling van het verkennend bodemonderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond incl. PFAS en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. De doelstelling van het verkennend asbestonderzoek is het vaststellen of op de onderzoekslocatie een verontreiniging met asbest in de bodem aanwezig is. De doelstelling van het nader asbestonderzoek is het bepalen van het gewogen asbestgehalte en vaststellen van de omvang van de verontreiniging. De doelstelling van het verhardingsonderzoek is het vaststellen van de kwaliteit van het asfalt en de fundatielaag inclusief asbest.
Verklaring onafhankelijkheid Uit oogpunt van onafhankelijkheid verklaart IDDS geen eigenaar te zijn, of in de nabije toekomst te worden, van het terrein waarop het bodemonderzoek en de advisering betrekking heeft. Milieuhygiënisch vooronderzoek Voorafgaand aan een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740+A1;2016 dient een milieuhygiënisch vooronderzoek te worden uitgevoerd conform de NEN 5725;2017. Op basis van de informatie uit het vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd. Het doel van het vooronderzoek is na te gaan welke bodembedreigende activiteiten op en in de naaste omgeving van de onderzoekslocatie hebben plaatsgevonden of plaatsvinden en welke gegevens over de bodemkwaliteit op en in de naaste omgeving van de onderzoekslocatie bekend zijn. Het vooronderzoek beantwoordt de vraag of sprake is van een verdachte locatie en wat de vervolgstappen moeten zijn voor het bodemonderzoek. Verkennend bodemonderzoek Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie, is de norm NEN 5740+A1;2016 gehanteerd. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van bodemverontreiniging en de werkwijze voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en eventueel vrijkomende grond.
Opgemerkt dient te worden dat een klein gedeelte van de onderzoekslocatie is gelegen buiten Amsterdam. Bij het verkennend onderzoek is de norm NEN 5740 (buiten Amsterdam) gehanteerd en voor het gedeelte binnen Amsterdam is ervoor gekozen ook de NEN 5740 te hanteren. Op basis van de verstrekte informatie van de opdrachtgever reiken de voorgenomen werkzaamheden tot een maximale diepte van 1,5 m-mv (onderzoeksdiepte 2,0 m-mv). Tevens zal op basis van de analyseresultaten de voorlopige veiligheidsklasse conform CROWpublicatie 400 worden bepaald. 2011P482/JHA/rap1 Pagina 4 van 43
Verkennend en nader asbestonderzoek Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd conform de hiertoe geldende richtlijnen zoals verwoord in het onderzoeksprotocol NEN 5707+C2, Bodem - inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond (december 2017). Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij een verkennend asbestonderzoek, de werkwijze voor het bepalen het asbestgehalte en de criteria voor nader onderzoek. Naar aanleiding van het aantreffen van een verhoogd gehalte asbest (88,5 mg/kg ds) in het verkennend asbestonderzoek is een nader asbestonderzoek uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie voor nader onderzoek, uit de NEN5707+C2;2017. Verhardingsonderzoek De onderzoeksopzet van het asfaltonderzoek is gebaseerd op de CROW publicatie 210 ‘richtlijn omgaan met vrijgekomen asfalt’. Het asfaltonderzoek bestaat uit een inspectie van het asfaltdek, een veldonderzoek en een laboratoriumonderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt een uitspraak verricht omtrent de teerhoudendheid van het asfalt. Het onderzoek naar het fundatiemateriaal is gebaseerd op de ARVO 2020. Indien fundatiemateriaal aanwezig is, wordt het onderzocht op het voorkomen van asbest en wordt de samenstelling (minerale olie, PAK en PCB) en uitloging bepaald.
De onderzoeksresultaten geven een indicatie inzake het voorkomen van asbest en/of een indicatie van de te verwachten toepasbaarheid op basis van de samenstelling. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het milieuhygiënisch vooronderzoek stapsgewijs besproken. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bestaat achtereenvolgens uit het vaststellen van de aanleiding en de afbakening van het onderzoeksgebied. Vervolgens wordt informatie verzameld van de voorgeschreven onderzoeksaspecten en worden de onderzoeksvragen beantwoord. Op basis hiervan worden conclusies getrokken en wordt de hypothese voor de onderzoekslocatie vastgesteld. In hoofdstuk 3 wordt het verkennend bodemonderzoek stapsgewijs besproken. Als eerste stap wordt, op basis van de bij het milieuhygiënisch vooronderzoek voor de locatie vastgestelde hypothese, de onderzoeksstrategie vastgesteld. Vervolgens worden de uitvoering en resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek apart besproken. In hoofdstuk 4 wordt het verkennend en nader asbestonderzoek stapsgewijs besproken. In hoofdstuk 5 wordt het verhardingsonderzoek stapsgewijs besproken. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten is de onderzochte locatie beoordeeld. Deze beoordeling is samen met de eventuele adviezen ondergebracht in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt de betrouwbaarheid van het uitgevoerde onderzoek toegelicht.
2011P482/JHA/rap1 Pagina 5 van 43
MILIEUHYGIENISCH VOORONDERZOEK 2.1
AANLEIDING VOORONDERZOEK
Afhankelijk van de aanleiding voor het verrichten van het vooronderzoek moet antwoord worden verkregen op een aantal onderzoeksvragen. Als eerste stap in het vooronderzoek dient derhalve de aanleiding te worden vastgesteld. In de NEN 5725 zijn zeven aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Opgemerkt wordt dat er sprake kan zijn van een combinatie van meerdere aanleidingen. In dat geval dienen de onderzoeksvragen voor elke afzonderlijke aanleiding te worden beantwoord. Voor onderhavig onderzoek is de volgende aanleiding vastgesteld: A. opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. De onderzoeksvragen, behorende bij de vastgestelde aanleiding, zijn in de navolgende paragrafen in tabelvorm aangegeven. Per onderzoeksvraag is, direct onder de betreffende vraag, het antwoord opgenomen. 2.2
AFBAKENING ONDERZOEKSGEBIED
TABEL 2.2.1: Afbakening onderzoeksgebied Onderzoeksvraag Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? Uitwerking
Bronnen
Situering
Begrenzing onderzoekslocatie: zie situatietekeningen in bijlage 1
Plangebied
Fietsverbinding Sportas van Amsterdam-Zuid naar Amstelveen
Adres
Jan Tooroplaan, de Nieuwe Kalfjeslaan & de Bosbaanweg te Amsterdam
Beschrijving
Het onderzoeksgebied betreft het fiets‐/voetpad, de openbare weg en het openbaar groen vanaf de Jachthavenweg (noordzijde) tot aan de Emmakade (zuidzijde). De onderzoekslocatie heeft een lengte van circa 2 km en totale oppervlakte van circa 4,2 hectare. De onderzoekslocatie ligt bijna geheel binnen de gemeente Amstelveen, met uitzondering van een deel van de locatie aan de noordzijde.
Plaats
Amstelveen / Amsterdam
Gemeente
Amstelveen / Amsterdam
Provincie
Noord-Holland
RD-coördinaten
Omschrijving
Globaal middelpunt onderzoekslocatie
X
118.645
Y
481.940
Hoogte maaiveld
Z
Variërend van 4,4 m-NAP tot 1,0 m+NAP
Kadastraal
Gemeente / gemeentecode / sectie / perceelnummer(s)
Amstelveen, ASV00, V, 819, 850 (beiden deels) Amstelveen, ASV00, H, 17918 (deels) Amsterdam, ASD25, AD, 433, 648 en 769 (allen deels)
Oppervlakte
Totaal
Circa 4,2 hectare
Asfaltverharding
Grijs asfalt
Circa 1,77 hectare
Rood asfalt
Circa 0,26 hectare
Afbakening VO
#1
#2
25 meter buiten onderzoeksgrenzen
-
Conclusie Afbakening voldoende #1: Gemeente Amsterdam & Amstelveen / informatie opdrachtgever #2: Kadaster / BAG-viewer / Google Maps / AHN / www.gpscoördinaten.nl
2011P482/JHA/rap1 Pagina 6 van 43
2.3
POTENTIËLE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING
TABEL 2.3.1: Potentiële bronnen van bodemverontreiniging Onderzoeksvraag Is sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn de verdachte parameters? Uitwerking Voormalig gebruik
Bronnen De onderzoekslocatie ligt bijna geheel binnen de gemeente Amstelveen, met uitzondering van een deel van de locatie aan de noordzijde. Het onderzoeksgebied is op basis van de beschikbare informatie via www.topotijdreis.nl vermoedelijk eind jaren ’50 ontwikkeld. In de opvolgende periode hebben diverse werkzaamheden en uitbreidingen plaatsgevonden.
#1 / #2 / #3
Op basis van de bodemkaart ‘Ophooggeschiedenis Amsterdam’ blijkt dat het noordelijk deel van de onderzoekslocatie is gelegen in ‘niet gezoneerd’ gebied. Echter, wordt verondersteld dat de onderzoekslocatie gelijktijdig met het aangrenzende gebied is ontwikkeld, welke is opgehoogd in de periode 1945-1960. In deze periode werd soms gebruik gemaakt van verontreinigd ophoogmateriaal. Op basis van de beschikbare informatie via NAZCA blijkt dat het gebied bij de Bosbaan is aangemerkt als verontreinigingscontour. In de grond en het grondwater zijn plaatselijk sterke verontreinigingen met minerale aangetoond. Voor betreffende locatie is een saneringsplan ‘terrein Botenhuis aan de Bosbaan te Amstelveen’ opgesteld door Ingenieursbureau Amsterdam, d.d. 13-09-2001 (kenmerk 13-09-2001). Uit het saneringsplan blijkt dat ter plaatse van een drietal locaties een bodemverontreiniging met minerale olie is geconstateerd. Bij de sanering is ervan uitgegaan, dat twee ondergrondse huisbrandolie tanks en het drietal verontreinigingsspots in de bodem middels ontgraving worden verwijderd. De verontreiniging onder de bebouwing wordt niet middels ontgraving verwijderd. Om verspreiding van deze restverontreiniging na het ontgraven tegen te gaan, worden isolatiemaatregelen toegepast. De locatie van de verontreinigingen is globaal op onderstaande kaart weergegeven:
Het is niet bekend of een sanering is uitgevoerd. Echter, zijn betreffende verontreinigingen voldoende ingeperkt en gelegen op een afstand van circa 100 meter van de huidige onderzoekslocatie, waardoor geen sprake is van beïnvloeding van de milieuhygienische kwaliteit van de grond en het grondwater ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie. Huidig gebruik
Fiets‐/voetpad, openbare weg en openbaar groen
Potentiële bronnen
In de huidige situatie zijn geen potentiële bronnen van bodemverontreiniging bekend.
Toekomstig gebruik
Ongewijzigd
-
Conclusie De potentiële bron van bodemverontreiniging betreft de mogelijke aanwezigheid van ophooglagen. Derhalve wordt de locatie als verdacht aangemerkt op het voorkomen van verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, minerale olie en asbest, welke worden gekenmerkt door een sterke heterogeniteit in voorkomen. #1: Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied; Omgevingsrapportage (opgenomen in bijlage 2.1) #2: Google Maps / Topotijdreis / Gemeente Amsterdam & Amstelveen #3: saneringsplan ‘terrein Botenhuis aan de Bosbaan te Amstelveen’ opgesteld door Ingenieursbureau Amsterdam, d.d. 13-09-2001 (kenmerk 13-09-2001) 2011P482/JHA/rap1 Pagina 7 van 43
2.4
BODEMKWALITEIT EN ASBEST
TABEL 2.4.1: Bodemkwaliteit en asbest Onderzoeksvraag Is de bodem asbestverdacht? Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? Uitwerking Asbest
Bronnen Er is geen informatie beschikbaar omtrent de verdachtheid van de bodem op de aanwezigheid van asbest.
#1 / #2
Opgemerkt wordt dat, indien in de bodem sprake is van een puinbijmenging, de locatie, ongeacht de gradatie van het puin, dient te worden aangemerkt als asbestverdacht. Bodemkwaliteit
Plaats
Amsterdam (noordelijk deel)
Amstelveen (overige terrein)
Ligging onderzoekslocatie
Vooroorlogse locatie
-
Zonekaart
Zone 7
Zone 1 / Zone OND1
Zonekaart openbare weg
Zone C
-
Bodemfunctie
Wonen
Landbouw en natuur
Bodemkwaliteitskaart toplaag
> Industrie (>I)
Achtergrondwaarde
Bodemkwaliteitskaart diepe laag
Industrie
Achtergrondwaarde
Bodemkwaliteitskaart oorspronkelijk maaiveld
Wonen
Achtergrondwaarde
Ontgravingskaart bovengrond
Eerst onderzoek
Achtergrondwaarde
Ontgravingskaart ondergrond
Industrie
Achtergrondwaarde
Ontgravingskaart oorspronkelijk maaiveld
Industrie
Achtergrondwaarde
Achtergrondconcentratie-niveau PFAS (ACN kaart)
De onderzoekslocatie is op basis van de bodemkwaliteitskaart overwegend gelegen in ‘niet gezoneerd’ gebied. Voor zover bekend zijn geen bronlocaties aanwezig en/of calamiteiten zoals branden (geblust met PFAS-houdend blusschuim) bekend op de onderzoekslocatie.
#3
Duizendknoop
Voor zover niet aanwezig / bekend op locatie
#4
Conclusie Op de onderzoekslocatie worden overwegend geen tot lichte verontreinigingen verwacht. Op het noordelijk deel (gelegen in Amsterdam) kunnen plaatselijk sterke verontreinigingen in de bovengrond voorkomen. De bodem dient als asbestverdacht te worden aangemerkt indien er een puinbijmenging wordt aangetroffen. Het onderzoeksgebied is overwegend gelegen buiten een vastgestelde zone van de Bodemkwaliteitskaart voor PFAS. Onderzoek naar PFAS in de bodem wordt derhalve noodzakelijk geacht. #1: Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied; Omgevingsrapportage (opgenomen in bijlage 2.1) #2: Google Maps / Topotijdreis / Nota bodembeheer Gemeente Amsterdam & Amstelveen / NAZCA #3: Kroniek van branden in Amsterdam, Brandweer Amsterdam (april 1999) / Nota bodembeheer / Beleidsregel PFAS gemeente Amsterdam 2020 / PFAS ACN kaart Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied #4: Kaartmateriaal duizendknoop (JDK) gemeente Amsterdam
2011P482/JHA/rap1 Pagina 8 van 43
2.5
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE
TABEL 2.5.1: Bodemopbouw en geohydrologie Onderzoeksvraag Wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? Uitwerking
Bronnen
Bodemopbouw (lokaal)
0,0 – 3,0 m-mv
Zand / klei / veen
Grondwater (lokaal)
Grondwaterstand freatisch
Circa 1,00 – 1,50 m-mv
#1
Een eenduidige stromingsrichting van het grondwater is niet bekend. Verwacht wordt dat het grondwater richting de omliggende watergangen zal stromen. De stromingsrichting zal lokaal worden beïnvloed door objecten in de ondergrond. Voor zover bekend wordt het grondwater op en in de nabijheid van de onderzoekslocatie niet beïnvloed door menselijk handelen. De onderzoekslocatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Geohydrologie
Doordat de grondwaterstand middels omliggende watergangen op een vast peil wordt gereguleerd, is er nauwelijks sprake van een horizontale stromingsrichting van het grondwater. Een (tijdelijke) optredende horizontale stromingsrichting wordt veroorzaakt door regenoverschot en zal naar de omliggende watergangen gericht zijn.
Bodemvreemde lagen
Op basis van de mogelijke aanwezigheid van ophogingen, kunnen verontreinigingen met o.a. zware metalen, PAK, minerale olie en asbest verwacht worden. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is onder de asfaltverharding funderingsmateriaal aanwezig.
Conclusie Op basis van de mogelijke aanwezigheid van stedelijke ophooglagen kunnen verontreinigingen met o.a. zware metalen, PAK, minerale olie en asbest verwacht worden. #1: DINOloket / Gemeente Amsterdam & Amstelveen / Google Earth / Topotijdreis
2.6
BEÏNVLOEDING
TABEL 2.6.1: Beïnvloeding Onderzoeksvraag Is sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? Uitwerking Beïnvloeding
Bronnen Er wordt op basis van de beschikbare informatie geen beïnvloeding vanuit de omgeving verwacht.
#1
Naar verwachting hebben de activiteiten op de omliggende percelen de chemische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie niet negatief beïnvloed. Conclusie Er is voor zover bekend geen sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit en/of de kwaliteit van het grond. #1: Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied; Omgevingsrapportage (opgenomen in bijlage 2.1)
2011P482/JHA/rap1 Pagina 9 van 43
2.7
BODEMVERONTREINIGING
TABEL 2.7.1: Bodemverontreiniging Onderzoeksvraag Wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Zo ja, waar bevindt deze zich? Uitwerking
Bronnen
Onderzoek ter plaatse van de onderzoekslocatie Op basis van de beschikbare informatie via NAZCA en de omgevingsrapportage van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied blijkt dat er binnen het onderzoeksgebied nauwelijks onderzoeken bekend zijn. -
-
#1
Verkennend bodemonderzoek Koenenkade/Jachthavenweg te Amsterdam, uitgevoerd door Tauw Milieu, d.d. 21-01-2009 (kenmerk 4630937). De onderzochte locatie is gelegen nabij het noordelijke deel van het onderzoeksgebied. In betreffend onderzoek wordt geconcludeerd dat de bovengrond licht verontreinigd is met zware metalen, PAK en minerale olie. De ondergrond is plaatselijk matig verontreinigd met zink en licht verontreinigd met de overige onderzochte zware metalen en PAK. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en molybdeen. Bodem- en asbestonderzoek parkeerterrein Amsterdamse Bos, uitgevoerd door Stantec, d.d. 25-06-2019 (kenmerk M19A0151). In betreffend onderzoek wordt geconcludeerd dat mogelijk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK in de bovengrond rondom boring 25 (0-0,5m-mv). De verontreiniging is mogelijk te relateren aan de aanwezigheid van bodemvreemd materiaal (sterk baksteenhoudend). De overige onderzochte bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met PCB en minerale olie. In de ondergrond rondom boring 26 (2,5-3,0m-mv) is mogelijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zink en PAK. Deze verontreiniging is waarschijnlijk het gevolg van de aanwezigheid van olieproduct evenals de aanwezigheid van bodemvreemd materiaal. De omvang van beide verontreinigingen is onbekend.
De overige onderzochte ondergrond is plaatselijk licht tot matig verontreinigd met zware metalen, PAK en minerale olie. In de grond is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetoond. De verhoogde waarden ter plaatse van de parkeerplaats van het Amsterdamse bos zijn (op basis van de beschikbare informatie via NAZCA) weergegeven op onderstaande boorpuntenkaart:
Onderzoek nabij de locatie In de nabije omgeving van de onderzoekslocatie zijn in het verleden diverse milieukundige bodemonderzoeken uitgevoerd. Betreffende onderzoeken zijn weergegeven in de omgevingsrapportage van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, welke is weergegeven in bijlage 2.1.
#1
Conclusie Op de onderzoekslocatie worden lichte tot matige verontreinigingen verwacht, plaatselijk (ter hoogte van het parkeerterrein van het Amsterdamse bos en incidenteel kan een sterke verontreiniging voorkomen. Omdat puin wordt verwacht in de toplaag van de bodem wordt de locatie ook als verdacht voor asbest aangemerkt. #1: Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied; Omgevingsrapportage (opgenomen in bijlage 2.1) / NAZCA 2011P482/JHA/rap1 Pagina 10 van 43
2.8
TERREINVERKENNING
De terreinverkenning heeft tot doel om te controleren of de gedocumenteerde informatie overeenkomt met de daadwerkelijke situatie ter plaatse en deze aan te vullen met relevante waarnemingen. De terreinverkenning is voorafgaand aan de werkzaamheden op 8 januari 2021 uitgevoerd. Op basis van de terreinverkenning blijkt dat geen bijzonderheden zijn waargenomen die kunnen duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem of van invloed kunnen zijn op het uit te voeren bodemonderzoek. Op de locatie is (voor zover bekend) geen Japanse Duizendknoop (JDK) waargenomen. Naar aanleiding van de terreinverkenning hebben zich geen wijzigingen voorgedaan ten opzichte van de reeds verkregen gegevens uit het vooronderzoek. Ter illustratie is in bijlage 2.2 een fotoreportage opgenomen.
2011P482/JHA/rap1 Pagina 11 van 43
2.9
BEOORDELING
Het vooronderzoek is beoordeeld op afwijkingen ten opzichte van de NEN 5725;2017. Indien er sprake is van afwijkingen zijn deze omschreven en is de reden van afwijking aangegeven. Beoordeeld is in hoeverre de afwijking gevolgen heeft op de betrouwbaarheid en in hoeverre er sprake is van beperkingen in relatie tot de onderzoeksvragen. Vervolgens is beoordeeld in hoeverre de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, op basis van de resultaten van het vooronderzoek, afdoende bekend is, of in hoeverre bodemonderzoek noodzakelijk is. In tabel 2.9.1 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.9.1: Beoordeling Onderzoeksvraag Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Beantwoording
Omschrijving
Reden afwijking
Afwijking
Geen
-
Gevolgen betrouwbaarheid
-
-
Beperkingen in relatie tot de onderzoeksvragen
-
-
Conclusie De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is niet afdoende bekend, op de locatie zijn geen actuele onderzoeksresultaten bekend.
2.10 CONCLUSIE EN HYPOTHESESTELLING Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn conclusies getrokken over de verwachting van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en de aanwezige verontreinigende stoffen. Op basis van de getrokken conclusie is een hypothese geformuleerd. De hypothese betreft voor elke (deel)locatie, in zowel het horizontale als het verticale vlak, de verwachting met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Bij eventueel bodemonderzoek dient de hypothesestelling als basis voor de onderzoeksstrategieën uit de desbetreffende normdocumenten. De hypothese en strategie zijn complementair aan elkaar. TABEL 2.10.1 Conclusie en hypothese Hypothese Algemeen Locatie
Fietsverbinding Sportas van Amsterdam-Zuid naar Amstelveen (circa 4,2 hectare)
Conclusie
Er is geen actuele informatie beschikbaar omtrent de actuele milieuhygiënische bodemkwaliteit van de locatie. Op basis van de beschikbare informatie uit het vooronderzoek kunnen verontreinigingen met o.a. zware metalen, PAK, minerale olie en asbest verwacht worden.
Hypothese
Verdacht Als kritische parameters worden aangemerkt: Grond: zware metalen, PAK, minerale olie en asbest
2011P482/JHA/rap1 Pagina 12 van 43
VERKENNEND BODEMONDERZOEK 3.1
ONDERZOEKSSTRATEGIE
De onderzoeksstrategie is deels gebaseerd op de hypothese zoals deze is vastgesteld op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek (zie hoofdstuk 2) en is deels gebaseerd op de voorgenomen werkzaamheden. De ontgravingsdiepte in het kader van de voorgenomen werkzaamheden bedraagt 1,5 m-mv (onderzoeksdiepte is 2,0 m-mv). Tevens is op basis van de analyseresultaten de voorlopige veiligheidsklasse conform CROW-publicatie 400 bepaald. De onderzoeksstrategie is aangegeven in tabel 3.1.1. TABEL 3.1.1: Onderzoeksstrategie Onderzoeksaspect Algemene bodemkwaliteit
3.2
Onderzoeksstrategie
Oppervlakte
Gebaseerd op NEN 5740+A1;2016; Onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie. (ONV-NL)
Circa 4,2 hectare
UITVOERING VELDONDERZOEK
Een samenvatting van de tijdens het veldonderzoek uitgevoerde werkzaamheden is opgenomen in de navolgende tabel. De posities van de genoemde meetpunten zijn weergegeven op de situatietekeningen, welke in bijlage 1 zijn opgenomen. TABEL 3.2.1: Samenvatting veldonderzoek Uitvoeringsperiode 01-02-2021 tot 16-02-2021 Uitvoerende partij
VeldXpert / Bodem Expert BV
BRL SIKB / protocol
BRL SIKB 2000 protocol 2001, 2002
Onderzoeksaspect
Meetpunten
Algemene bodemkwaliteit (4,2 hectare)
Algemene bodemkwaliteit (onder fundatie)
Codering
Type**
Diepte [m-mv]
Aantal
Boring
1,50
47
Boring met peilbuis
2,8 - 3,2
5
Boring
2,0
38
B04*, 06, 07, 08, 09, 10, 10-B*, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 27, 28, 29, 30, 31, 32*, 33, 36, 37*, 38, 39, 40, 41, 43, 44, 45, 46, 49*, 50*, 51*, 52*, 55*, 56, 57, 58, 60, 61* Pb01, Pb02, Pb03, Pb05, 48 ASF100, ASF101, ASF102, ASF103, ASF104, ASF105, ASF106*, ASF107, ASF108, ASF109, ASF110, ASF111, ASF112, ASF113, ASF114, ASF115, ASF116, ASF117, ASF118, ASF119, ASF120, ASF121, ASF122*, ASF123, ASF124, ASF125, ASF126, ASF127, ASF128*, ASF129, ASF130*, ASF131, ASF132, ASF133, ASF134, ASF135, ASF136, ASF137
Halfverharding Boring 0,2 2 FUN01, FUN02 * Boringen zijn gestaakt naar aanleiding van het aantreffen van handmatig ondoordringbare lagen. ** Diverse boringen zijn uitgevoerd in combinatie met een inspectiegat ten behoeve van het asbestonderzoek.
Uitvoeringswijze Tijdens het veldonderzoek van de grond is niet afgeweken van de beoordelingsrichtlijn. Het veldverslag met daarin de gegevens van het veldwerkbureau en de namen van de veldwerkers is opgenomen in bijlage 3.1. Het procescertificaat en het hierbij behorende keurmerk zijn van toepassing op de activiteiten met betrekking tot het veldonderzoek en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie aan een erkend laboratorium of aan de opdrachtgever. Tijdens het verrichten van het veldonderzoek is de bodem zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen en is de bodemopbouw beschreven. 2011P482/JHA/rap1 Pagina 13 van 43
Bodemopbouw Per meetpunt is de texturele, minerale en organische samenstelling van de bodem nauwkeurig beschreven. Op basis van deze beschrijving is per meetpunt een boorstaat vervaardigd. De boorstaten zijn opgenomen in bijlage 3.2. De globale opbouw van de bodem ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie, gebaseerd op uitgevoerde boringen, bestaat vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 3,0 m-mv overwegend uit zand en/of klei, waarbij plaatselijk een veenlaag is aangetroffen. Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Het opgeboorde en vrijgegraven bodemmateriaal is visueel geïnspecteerd op afwijkingen en op het voorkomen van bodemvreemde bijmengingen die kunnen duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Het materiaal is met name beoordeeld op de aard, grootte en gradatie van voorkomen. Sommige verontreinigingen die in de bodem aanwezig zijn, kunnen aan de geur herkend worden. Benadrukt dient te worden dat, indien tijdens de veldwerkzaamheden passieve geurwaarnemingen worden gedaan, deze gekarakteriseerd worden en per boorpunt worden beschreven. Indien er sprake is van afwijkingen en/of bijmengingen zijn deze, per meetpunt en per bodemlaag, aangegeven in de boorstaten die zijn opgenomen in bijlage 3.2. Op basis van de boorstaten blijkt in hoofdlijnen het volgende: -
In de grond zijn plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen, (metsel)puin, beton, asfalt, repac, kolengruis en glas) aangetroffen. Ter plaatse van boringen FUN01 en FUN02 is geen halfverharding aangetroffen. De bodemopbouw bestaat uit zand met bijmengingen met baksteen en/of beton. Ter plaatse van de openbare weg en het fietspad (onder de asfaltverharding) is funderingsmateriaal aangetroffen. De verhardingslagen zijn niet onderzocht als bodem. Betreffende verhardingslagen vallen buiten de invloedsfeer van de Wet bodembescherming. Voor meer informatie verwijzen wij u naar het verhardingsonderzoek, welke is weergegeven in hoofdstuk 5.
Asbest Het veldonderzoek is uitgevoerd door veldwerkers welke zijn opgeleid voor het herkennen van asbestverdachte materialen. Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek is het maaiveld van de onderzoekslocatie, evenals het opgeboorde en vrijgegraven bodemmateriaal visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm). In de bodem is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Voor meer informatie verwijzen wij u naar het verkennend en nader asbestonderzoek, welke is weergegeven in hoofdstuk 4. Grondwater Voorafgaand aan de bemonstering van het grondwater is de actuele grondwaterstand opgenomen ten opzichte van het maaiveld. Van het bemonsterde grondwater is in het veld de zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en de mate van troebelheid (NTU) gemeten. Het bemonsterde grondwater is zintuiglijk beoordeeld op eventuele afwijkingen die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. In tabel 3.2.2 zijn de resultaten opgenomen van de uitgevoerde metingen en verrichtte waarnemingen.
2011P482/JHA/rap1 Pagina 14 van 43
TABEL 3.2.2: Metingen uitgevoerd aan het grondwater Peilbuis Filterstelling Monstername [m-mv] d.d.
Grondwaterstand [m-mv]
pH
EC
NTU
[S/cm]
Pb01
2,00 – 3,00
16-02-2021
1,05
10,97
1211
478
Pb02
2,00 – 3,00
16-02-2021
0,75
10,62
821
523
Pb03
1,50 – 2,50
16-02-2021
0,80
11,01
2081
654
Pb05
1,80 – 2,80
16-02-2021
1,15
10,45
891
528
48
2,20 – 3,20
16-02-2021
1,45
11,22
831
77,8
De gemiddelde grondwaterstand bedraagt circa 1,04 m-mv. Het elektrisch geleidingsvermogen (EC) van het grondwater vertoond geen afwijkende waarden ten opzichte van een natuurlijke situatie. De pH waarden en mate van troebelheid (NTU) zijn verhoogd ten opzichte van een natuurlijke situatie. Echter, een verklaring hiervoor is op basis van de voor de locatie bekende gegevens vooralsnog niet te geven. De verhoogde waarden hebben ons inziens geen invloed gehad op de onderzoeksresultaten. 3.3
UITVOERING LABORATORIUMONDERZOEK
Voor de verrichting van het chemisch onderzoek zijn de monsters overgebracht naar een (RvA) geaccrediteerd en AS3000 erkend laboratorium. De naam en contactgegevens van het betreffende laboratorium, alsmede de data waarop de monstervoorbehandeling en het analytisch onderzoek is uitgevoerd, zijn aangegeven op de analysecertificaten die in bijlage 4 zijn opgenomen. Analysestrategie Bij de selectie van de grond(meng)monsters is, voor het verkrijgen van een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, rekening gehouden met de bodemopbouw en eventuele zintuiglijk waargenomen afwijkingen. Voor het verkrijgen van een ruimtedekkend beeld is eveneens rekening gehouden met de situering van de boringen. In tabel 3.4.1a/b/c is een overzicht gegeven van de monsters, waar van toepassing de monstersamenstelling, de monstertrajecten en de uitgevoerde analyses. De grondmonsters zijn (in overleg met de opdrachtgever) geanalyseerd op het ARVO-pakket voor grond en grondwater. Het grondwater is aanvullend geanalyseerd op de lozingsparameters (onopgeloste bestanddelen, ijzer totaal en chloride). Naar aanleiding van het aantreffen van matig tot sterk verhoogde waarden met PAK in MM01, MM10, MM11 zijn uitsplitsingen uitgevoerd. De deelmonsters uit voornoemde mengmonsters zijn separaat geanalyseerd op de verhoogd aangetroffen parameter.
Samenstelling analysepakketten (conform ARVO 2020) In het standaard ARVO-pakket voor grond zijn de volgende analyses opgenomen: - Zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink). - PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen). - Minerale olie (GC). - PCB (PolyChloorBifenylen). - Chloride. Ten behoeve van de toetsing van de analyseresultaten zijn van alle grondmonsters de percentages lutum en/of organische stof bepaald. In het standaard ARVO-pakket voor grondwater zijn de volgende analyses opgenomen: - Zware metalen (arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink). - BTEXNS (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen). - VOCl (vluchtige organochloorverbindingen). - Minerale olie. 2011P482/JHA/rap1 Pagina 15 van 43
3.4
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN
De resultaten van de chemische analyses zijn weergegeven op de analysecertificaten, die in bijlage 4 zijn opgenomen. De analyseresultaten zijn, waar van toepassing, getoetst middels de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa). De toetsingstabellen zijn opgenomen in bijlage 5. Wet bodembescherming (Wbb) Voor de interpretatie van de resultaten van de chemische analyses van de grondmonsters zijn de meetwaarden, conform bijlage G van de Regeling bodemkwaliteit, gecorrigeerd voor de gemeten percentages lutum en/of organische stof. De gecorrigeerde meetwaarden zijn vergeleken met het toetsingskader van de Wet bodembescherming. Dit toetsingskader bestaat uit de achtergrondwaarden, zoals opgenomen in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit, en de interventiewaarden, zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 (Staatscourant nr. 16675, 27 juni 2013). Naast het wettelijk kader zijn de gecorrigeerde meetwaarden getoetst aan de tussenwaarden, zijnde het rekenkundig gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarden voor de betreffende stof. Indien de gecorrigeerde meetwaarde voor één of meerdere stoffen de tussenwaarde overschrijdt kan in potentie sprake zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging (Handhavingsuitvoeringsmethode Wbb, versie 7.5 van het SIKB) en is het uitvoeren van nader bodemonderzoek in veel gevallen noodzakelijk.
In tabel 3.4.1a/b/c zijn de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek opgenomen alsmede de resultaten van de uitgevoerde toetsingen. <AW / <S niet verontreinigd: het gehalte / de concentratie is lager dan of gelijk aan de achtergrond-waarde (grond) of streefwaarde (grondwater), dan wel de rapportagegrens; >AW / >S licht verontreinigd: het gehalte overschrijdt de achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde (grondwater) en is lager dan of gelijk aan de tussenwaarde, zijnde licht verontreinigd; >T matig verontreinigd: het gehalte overschrijdt de tussenwaarde en is lager dan of gelijk aan de interventiewaarde; >I sterk verontreinigd: het gehalte overschrijdt de interventiewaarde. Besluit bodemkwaliteit De analyseresultaten zijn beoordeeld aan de toetsingswaarden van het Besluit bodemkwaliteit. Hiermee wordt een indicatie verkregen omtrent de mogelijke hergebruiksmogelijkheden van eventueel tijdens de projectrealisatie vrijkomende grond. De indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit is weergegeven in tabel 3.4.1a/b/c en in bijlage 5.1.
2011P482/JHA/rap1 Pagina 16 van 43
TABEL 3.4.1a: overzicht monsters, monstersamenstelling, analyses en toetsingsresultaten Monstercode
Deelmonsters en traject (m-mv)
Matrix en eventuele bijzonderheden
MM01
06 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50) 09 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50) 11 (0,00 - 0,50) Pb01 (0,00 - 0,50)
Zand, brokken baksteen, sporen metselpuin en glas
06-1
06 (0,00 - 0,50)
07-1
Analyse
Toetsingsresultaten Wbb
Toetsing Bbk
> AW / > S (licht verhoogd)
>T (matig verhoogd)
>I (sterk verhoogd)
(indicatief resultaat)
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
Minerale olie (-) Nikkel (0,04) Zink (0,19) Cadmium (-) Kwik (-) Lood (0,1)
PAK (0,67)
-
Klasse industrie
Zand, brokken baksteen, sporen metselpuin
PAK / o.s.
PAK (0,2)
-
-
Klasse industrie
07 (0,00 - 0,50)
Zand, resten baksteen, sporen metselpuin
PAK / o.s.
-
-
PAK (1,44)
Niet Toepasbaar > Interventiewaarde
09-1
09 (0,00 - 0,50)
Zand, resten baksteen, sporen metselpuin
PAK / o.s.
-
PAK (0,59)
-
Klasse industrie
10-1
10 (0,00 - 0,50)
Zand, resten baksteen, sporen metselpuin en glas
PAK / o.s.
-
PAK (0,84)
-
Klasse industrie
11-1
11 (0,00 - 0,50)
Zand, resten baksteen, sporen metselpuin
PAK / o.s.
PAK (0,24)
-
-
Klasse industrie
Pb01-1
Pb01 (0,00 - 0,50)
Zand, resten baksteen
PAK / o.s.
-
PAK (0,7)
-
Klasse industrie
MM02
12 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) 17 (0,00 - 0,50) 19 (0,00 - 0,50) Pb02 (0,00 - 0,50)
Zand, resten baksteen en sporen metselpuin
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
Lood (0,01) PAK (0,4)
-
-
Klasse industrie
MM03
20 (0,00 - 0,50) 22 (0,00 - 0,50) 24 (0,00 - 0,50) 25 (0,00 - 0,50) 27 (0,00 - 0,50) 29 (0,00 - 0,50)
Zand, resten baksteen
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
Nikkel (-) Kwik (-)
-
-
Altijd toepasbaar
MM04
30 (0,00 - 0,50) 31 (0,00 - 0,50) 32 (0,00 - 0,50) 33 (0,00 - 0,50) 36 (0,00 - 0,50) 38 (0,00 - 0,50)
Zand, zwak tot matig baksteenhoudend
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
Kwik (0,01) Lood (0,06) PAK (0,03)
-
-
Klasse wonen
MM05
07 (0,50 - 1,00) 09 (0,50 - 1,00) 11 (0,50 - 1,00) 13 (0,50 - 1,00) 15 (0,50 - 1,00) 16 (0,50 - 1,00)
Zand, sporen baksteen
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
-
-
-
Altijd toepasbaar
MM06
18 (0,50 - 1,00) 21 (0,50 - 1,00) 24 (0,50 - 0,80) 32 (1,30 - 1,50) 33 (1,00 - 1,20) 37 (0,50 - 0,80)
Zand, zwak tot matig baksteenhoudend, sporen metselpuin
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
Kwik (0,04) Lood (0,33) PAK (0,09)
-
-
Klasse industrie
08 (1,00 - 1,50) Klei, resten baksteen 17 (1,00 - 1,50) 22 (1,00 - 1,50) 28 (1,00 - 1,50) 30 (1,00 - 1,50) Pb01 (1,00 - 1,50) > AW: > Achtergrondwaarde > T : > Tussenwaarde > I : > Interventiewaarde Index : (GSSD - AW) / (I - AW)
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
PAK (0,08)
-
-
Klasse wonen
Grond
MM07
2011P482/JHA/rap1 Pagina 17 van 43
TABEL 3.4.1b: overzicht monsters, monstersamenstelling, analyses en toetsingsresultaten Monstercode
Deelmonsters en traject (m-mv)
Matrix en eventuele bijzonderheden
MM08
39 (0,00 - 0,50) 49 (0,00 - 0,50) 51 (0,00 - 0,50) 53 (0,00 - 0,50) 55 (0,00 - 0,50) B04 (0,00 - 0,40)
Zand, brokken baksteen en sporen puin
MM09
40 (0,00 - 0,50) 41 (0,00 - 0,50) 43 (0,00 - 0,50) 44 (0,00 - 0,50) 46 (0,00 - 0,50) 48 (0,00 - 0,50)
MM10
Analyse
Toetsingsresultaten Wbb
Toetsing Bbk
> AW / > S (licht verhoogd)
>T (matig verhoogd)
>I (sterk verhoogd)
(indicatief resultaat)
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
-
-
-
Altijd toepasbaar
Zand, matig baksteen- en puinhoudend
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
Minerale olie (0,04) Zink (0,05) Kwik (0,02) Lood (0,09) PAK (0,04)
-
-
Klasse industrie
40 (0,50 - 1,00) 45 (0,50 - 0,80) 48 (0,50 - 1,00) 50 (0,50 - 1,00) 55 (0,50 - 0,90) B04 (0,40 - 0,80)
Zand, sporen baksteen en puin, resten metselpuin en beton
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
Minerale olie (0,09)
-
PAK (2,62)
Niet Toepasbaar > Interventiewaarde
40-2
40 (0,50 - 1,00)
Zand, sporen baksteen
PAK / o.s.
-
-
-
Altijd toepasbaar
45-2
45 (0,50 - 0,80)
Zand, sporen baksteen
PAK / o.s.
-
-
-
Altijd toepasbaar
48-2
48 (0,50 - 1,00)
Zand, sporen baksteen
PAK / o.s.
-
-
-
Altijd toepasbaar
50-2
50 (0,50 - 1,00)
Zand, sporen puin
PAK / o.s.
PAK (0,01)
-
-
Klasse wonen
55-2
55 (0,50 - 0,90)
Zand, sporen puin
PAK / o.s.
PAK (0,02)
-
-
Klasse wonen
B04-2
B04 (0,40 - 0,80)
Zand, resten baksteen, metselpuin en beton, sporen asfalt
PAK / o.s.
PAK (0,2)
-
-
Klasse industrie
MM11
52 (0,50 - 0,90) 54 (0,50 - 1,00)
Zand, sterk baksteenhoudend, sporen puin
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
Minerale olie (0,14) Koper (0,08) Zink (0,06) Kwik (0,02) Lood (0,06)
-
PAK (2,13)
Niet Toepasbaar > Interventiewaarde
52-2
52 (0,50 - 0,90)
Zand, sterk baksteenhoudend, sporen puin
PAK / o.s.
-
-
PAK (3,63)
Niet Toepasbaar > Interventiewaarde
54-2
54 (0,50 - 1,00)
Zand, sterk baksteenhoudend, sporen puin
PAK / o.s.
PAK (0,43)
-
-
Klasse industrie
MM12
56 (0,00 - 0,50) 57 (0,00 - 0,50) 58 (0,00 - 0,50) 60 (0,00 - 0,50) 61 (0,00 - 0,50) Pb05 (0,00 - 0,50)
Zand, matig baksteenhoudend, sporen puin
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
Zink (0,01) Kwik (0,01) Lood (0,05) PAK (0,02)
-
-
Klasse wonen
MM13
56 (0,50 - 1,00) 57 (0,50 - 0,80) 60 (0,50 - 1,00) 61 (0,50 - 1,00)
Zand, sporen baksteen
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
Minerale olie (0,06) Kwik (-) Lood (0,02) PAK (0,15)
-
-
Klasse industrie
MM101
ASF102 (0,50 - 1,00)
Klei, matig baksteenhoudend
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
Minerale olie (0,09) Koper (0,01) Zink (0,23) Kwik (0,01) Lood (0,11)
-
PAK (3,12)
Niet Toepasbaar > Interventiewaarde
Grond
> AW: > Achtergrondwaarde > T : > Tussenwaarde > I : > Interventiewaarde Index : (GSSD - AW) / (I - AW)
2011P482/JHA/rap1 Pagina 18 van 43
TABEL 3.4.1c: overzicht monsters, monstersamenstelling, analyses en toetsingsresultaten Monstercode
Deelmonsters en traject (m-mv)
Matrix en eventuele bijzonderheden
MM102
ASF100 (0,30 - 0,80) ASF101 (0,30 - 0,50) ASF107 (0,60 - 1,00) ASF109 (0,40 - 0,80) ASF110 (0,30 - 0,80)
Zand, geen bijzonderheden
MM103
ASF103 (0,50 - 1,00) ASF107 (1,00 - 1,50) ASF110 (1,40 - 1,90) ASF113 (0,60 - 1,10) ASF115 (0,65 - 1,15) ASF117 (0,60 - 1,10)
MM104
Analyse
Toetsingsresultaten Wbb
Toetsing Bbk
> AW / > S (licht verhoogd)
>T (matig verhoogd)
>I (sterk verhoogd)
(indicatief resultaat)
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
Kobalt (0,06)
-
-
Altijd toepasbaar
Klei, geen bijzonderheden
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
-
-
-
Altijd toepasbaar
ASF119 (0,70 - 0,90) ASF124 (0,90 - 1,40) ASF126 (0,55 - 1,00) ASF130 (0,60 - 0,90) ASF133 (0,90 - 1,40) ASF136 (0,50 - 1,00)
Zand, geen bijzonderheden
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
Minerale olie (0,02) Lood (0,11)
-
-
Klasse industrie
MM105
ASF121 (0,35 - 0,80) ASF122 (0,15 - 0,20) ASF123 (0,40 - 0,80) ASF127 (0,80 - 1,10) ASF128 (1,10 - 1,30) ASF129 (0,85 - 1,00)
Zand, zwak baksteen- en metselpuinhoudend
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
Minerale olie (0,04) PAK (0,13)
-
-
Klasse industrie
MM106
ASF118 (1,10 - 1,60) ASF120 (1,00 - 1,50) ASF125 (1,40 - 1,90) ASF129 (1,70 - 2,00) ASF131 (1,00 - 1,50) ASF134 (1,10 - 1,60) ASF137 (1,80 - 2,00)
Klei, geen bijzonderheden
AS3000: Pakket: ARVO grond (2008)
Kobalt (0,03) Nikkel (0,05)
-
-
Altijd toepasbaar
Pb01
01 (2,00 - 3,00)
Grondwater, geen bijzonderheden
AS3000: Pakket: ARVO grondwater (2008)
-
-
-
n.v.t.
Pb02
02 (2,00 - 3,00)
Grondwater, geen bijzonderheden
AS3000: Pakket: ARVO grondwater (2008)
-
-
-
n.v.t.
Pb03
03 (1,50 - 2,50)
Grondwater, geen bijzonderheden
AS3000: Pakket: ARVO grondwater (2008)
Molybdeen (-)
-
-
n.v.t.
48
48 (2,20 - 3,20)
Grondwater, geen bijzonderheden
AS3000: Pakket: ARVO grondwater (2008)
Arseen (0,18) Barium (0,04)
-
-
n.v.t.
Pb05
Pb05 (1,80 - 2,80)
Grondwater, geen bijzonderheden
AS3000: Pakket: ARVO grondwater (2008) > AW / > S: > Achtergrondwaarde (grond) / Streefwaarde (grondwater) > T : > Tussenwaarde > I : > Interventiewaarde Index : (GSSD - AW) / (I - AW)
Barium (0,01)
-
-
n.v.t.
Grond
Grondwater
2011P482/JHA/rap1 Pagina 19 van 43
PFAS Voor PFAS zijn zowel landelijk als gemeentelijk beleidsregels opgesteld. Bij een gemeten percentage organisch stof tussen 10% en 30% zijn de gemeten gehalten PFAS gecorrigeerd, waarna deze zijn vergeleken met de toetsingswaarden uit het Tijdelijk handelingskader en beleidsregel PFAS gemeente Amsterdam 2020. De toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage 5.3. Landelijk beleid Voor PFAS zijn toepassingsnormen opgenomen in het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie), d.d. 02-07-2020. Beleidsregel PFAS gemeente Amsterdam 2020 Voor PFAS zijn de toepassingsnormen opgenomen in het Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent PFAS in de bodem ‘Beleidsregel PFAS gemeente Amsterdam 2020, d.d. 05-02-2020. TABEL 3.4.2: overzicht monsters, monstersamenstelling, analyses en toetsingsresultaten (PFAS) Monstercode Monstertraject Matrix en eventuele Analyse SOM SOM Toetsing (m-mv) bijzonderheden PFOA PFOS PFAS grond MM01
06 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50) 09 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50) 11 (0,00 - 0,50) Pb01 (0,00 - 0,50)
Grond
PFAS
8,2
3,3
Landelijk: Niet toepasbaar Gemeentelijk: Verontreinigd, geen bodemsanering noodzakelijk
MM02
12 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) 17 (0,00 - 0,50) 19 (0,00 - 0,50) Pb02 (0,00 - 0,50)
Grond
PFAS
2,3
1,1
Landelijk: Klasse Wonen / Industrie Gemeentelijk: Verontreinigd, geen bodemsanering noodzakelijk
MM04
30 (0,00 - 0,50) 31 (0,00 - 0,50) 32 (0,00 - 0,50) 33 (0,00 - 0,50) 36 (0,00 - 0,50) 38 (0,00 - 0,50)
Grond
PFAS
1,1
1,1
Landelijk: Landbouw en natuur Gemeentelijk: Niet verontreinigd
MM05
07 (0,50 - 1,00) 09 (0,50 - 1,00) 11 (0,50 - 1,00) 13 (0,50 - 1,00) 15 (0,50 - 1,00) 16 (0,50 - 1,00)
Grond
PFAS
0,5
0,1
Landelijk: Landbouw en natuur Gemeentelijk: Niet verontreinigd
MM06
18 (0,50 - 1,00) 21 (0,50 - 1,00) 24 (0,50 - 0,80) 32 (1,30 - 1,50) 33 (1,00 - 1,20) 37 (0,50 - 0,80)
Grond
PFAS
1,5
0,8
Landelijk: Landbouw en natuur Gemeentelijk: Niet verontreinigd
MM07
08 (1,00 - 1,50) 17 (1,00 - 1,50) 22 (1,00 - 1,50) 28 (1,00 - 1,50) 30 (1,00 - 1,50) Pb01 (1,00 - 1,50)
Grond
PFAS
0,4
0,3
Landelijk: Landbouw en natuur Gemeentelijk: Niet verontreinigd
MM09
40 (0,00 - 0,50) 41 (0,00 - 0,50) 43 (0,00 - 0,50) 44 (0,00 - 0,50) 46 (0,00 - 0,50) 48 (0,00 - 0,50)
Grond
PFAS
2,1
1,0
Landelijk: Klasse Wonen / Industrie Gemeentelijk: Verontreinigd, geen bodemsanering noodzakelijk
MM10
40 (0,50 - 1,00) 45 (0,50 - 0,80) 48 (0,50 - 1,00) 50 (0,50 - 1,00) 55 (0,50 - 0,90) B04 (0,40 - 0,80)
Grond
PFAS
0,3
0,2
Landelijk: Landbouw en natuur Gemeentelijk: Niet verontreinigd
2011P482/JHA/rap1 Pagina 20 van 43
Interpretatie Naar aanleiding van het aantreffen van matig tot sterk verhoogde waarden met PAK in MM01, MM10, MM11 zijn uitsplitsingen uitgevoerd. De deelmonsters uit voornoemde mengmonsters zijn separaat geanalyseerd op de verhoogd aangetroffen parameter. Uit de analyseresultaten van de separate monsters (na uitsplitsing) blijkt dat in de grond ter plaatse van diverse boringen de tussen-/interventiewaarden voor PAK worden overschreden: -
07 (traject: 0,00 - 0,50 m-mv), overschrijding interventiewaarde PAK; 09 (traject: 0,00 - 0,50 m-mv), overschrijding tussenwaarde PAK; 10 (traject: 0,00 - 0,50 m-mv), overschrijding tussenwaarde PAK; Pb01 (traject: 0,00 - 0,50 m-mv), overschrijding tussenwaarde PAK; 52 (traject: 0,50 - 0,90 m-mv), overschrijding interventiewaarde PAK; ASF102 (traject: 0,50 - 1,00 m-mv), overschrijding interventiewaarde PAK.
De overige onderzochte parameters overschrijden hooguit de desbetreffende achtergrondwaarden. De gehalten PAK ter plaatse van boringen 07, 09, 10, Pb01, 52 en ASF102 overschrijden de desbetreffende tussen-/interventiewaarden en geven formeel aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek naar de omvang en mate van de verontreiniging. Echter, geven de resultaten na uitsplitsing (analyse separate deelmonsters) ons inziens een afdoende beeld van de verontreinigingssituatie en wordt het uitvoeren van een nader onderzoek niet doelmatig geacht. De sterk verhoogde waarden met PAK zijn aangetroffen ter plaatse van het zuidelijke deel van het tracé (meetpunten 07 & ASF102) en nabij de parkeerplaats van de Bosbaan (meetpunt 52). De geschatte omvang van de bodem welke de interventiewaarde met PAK overschrijdt ter plaatse van het zuidelijke deel bedraagt vermoedelijk circa 125 m³ (op basis van een oppervlakte van ca. 250 m² en gemiddelde laagdikte van ca. 0,5 m). Derhalve is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging vanuit de Wet bodembescherming De aangetoonde bodemverontreiniging betreft naar verwachting een historische bodemverontreiniging (ontstaan vóór 1 januari 1987).
Gezien het minder gevoelige bodemgebruik (fiets‐/voetpad, openbare weg en openbaar groen) alsmede het karakter van de verontreinigingen is er in onderhavige situatie geen sprake van humane-, ecologische- en/of verspreidingsrisico's. De geschatte omvang van de bodem welke de interventiewaarde met PAK overschrijdt nabij de parkeerplaats van de Bosbaan bedraagt vermoedelijk minder dan 25 m³. Verwacht wordt dat voldoende onderzoeksgegevens bekend zijn voor het uitvoeren van de bodemsanering.
2011P482/JHA/rap1 Pagina 21 van 43
Lozingsparameters grondwater Het grondwater is aanvullend geanalyseerd op de lozingsparameters (onopgeloste bestanddelen, ijzer totaal en chloride). In tabel 3.4.2 is een overzicht van de gemeten waarden weergegeven, samen met de lozingsnormen voor het oppervlaktewater (Waternet) en het vuilwaterriool (Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied). TABEL 3.4.2. Lozen van grondwater bij ontwatering (art. 3.2 Besluit lozen buiten inrichtingen) Normen Gemeten concentraties (in mg/l) Peilbuizen Stoffen
Oppervlaktewater
Hemelwaterriool
Vuilwaterriool
Pb01
Pb02
Pb03
Pb05
48
Onopgeloste bestanddelen
50 mg/l
50 mg/l
300 mg/l
2400
2000
1100
430
20
IJzer totaal
-
5 mg/l
-
29
49
34
6,7
5,9
-/-
-/-
140
28
76
99
19
Chloride -/-/- geen toetsing bekend.
Uit de analyseresultaten blijkt dat de gemeten concentratie onopgeloste bestanddelen en ijzer de gestelde (bekende) normen overschrijden. Eventuele maatregelen omtrent dit aspect dienen in overleg met Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied of Rijkswaterstaat bepaald te worden. Bepaling voorlopige veiligheidsklasse Indien werkzaamheden worden verricht, waarbij de grond wordt verplaatst of afgevoerd, moet mogelijk rekening gehouden worden met een pakket aan maatregelen om veilig te kunnen werken. Welke maatregelen nodig zijn hangt samen met de voorlopige veiligheidsklasse, die wordt bepaald aan de hand van de CROW publicatie 400. De bepaling van de voorlopige veiligheidsklasse is opgenomen in bijlage 6. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek, is geen veiligheidsklasse van toepassing. Indien werkzaamheden worden verricht, wordt geadviseerd deze uit te voeren conform de basisklasse ‘‘Basis-hygiëne’’. 3.5
TOETSING HYPOTHESE
De op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek vastgestelde onderzoekshypothese is getoetst aan de resultaten van het verkennend bodemonderzoek. De toetsing van de hypothese is in onderstaande tabel opgenomen. Indien van toepassing is, bij een (gedeeltelijk) onjuiste hypothese de invloed op representativiteit van het onderzoek in relatie met de gevolgde onderzoeksstrategie aangegeven. TABEL 3.6.1: Hypothese en onderzoeksstrategie Algemeen Locatie
Fietsverbinding Sportas van Amsterdam-Zuid naar Amstelveen (circa 4,2 hectare)
Hypothese
Verdacht Als kritische parameters worden aangemerkt: Grond: zware metalen, PAK, minerale olie en asbest
Toetsing
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de hypothese verdacht voor de onderzoekslocatie aangenomen. In de grond zijn plaatselijk licht tot sterk verhoogde waarden met PAK en licht verhoogde waarden met zware metalen en minerale olie aangetoond. In het grondwater zijn plaatselijk licht verhoogde waarden met zware metalen aangetoond.
2011P482/JHA/rap1 Pagina 22 van 43
4. 4.1
VERKENNEND EN NADER ASBESTONDERZOEK ONDERZOEKSSTRATEGIE
Verkennend asbestonderzoek Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie ten aanzien van asbest is de norm NEN 5707+C2;2017 gehanteerd. De onderzoeksstrategie is gebaseerd op de hypothese zoals deze is vastgesteld op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek, zie hoofdstuk 2. Voor het onderhavige onderzoek is de onderzoeksstrategie voor een verkennend onderzoek asbest op diffuus belaste locaties met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging op schaal van de monsterneming gehanteerd. Het verkennend asbestonderzoek is weergegeven in paragraaf §4.2. Opgemerkt dient te worden dat onder de asfaltverharding van de openbare weg en het fietspad funderingsmateriaal is aangetroffen. Het onderzoek naar asbest in het funderingsmateriaal is niet uitgevoerd onder het certificaat BRL SIKB 2000, VKB-protocol 2018, omdat het funderingsmateriaal bestaat uit puin (>50% bodemvreemd materiaal) en betreffend protocol hierbij niet van toepassing is. Voor meer informatie verwijzen wij u naar het verhardingsonderzoek, welke is weergegeven in hoofdstuk 5. Nader asbestonderzoek Naar aanleiding van het aantreffen van een verhoogd gehalte asbest (88,5 mg/kg ds) in het verkennend asbestonderzoek is een nader asbestonderzoek uitgevoerd.
Het nader asbestonderzoek is uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie voor nader onderzoek, uit de NEN5707+C2;2017. Het nader onderzoek asbest bestaat uit een systematische visuele inspectie van de toplaag in combinatie met een steekproefsgewijs onderzoek van de verdachte bodemlaag, door middel van het graven van inspectiesleuven. Het nader onderzoek asbest wordt uitgevoerd door het vaststellen van het gemiddelde gehalte van de verontreiniging per ruimtelijke eenheid (RE) van maximaal 1.000 m2. De onderzoekslocatie is op basis van de oppervlakte aangemerkt als één ruimtelijke eenheid (RE1). Het nader asbestonderzoek is weergegeven in paragraaf §4.3.
2011P482/JHA/rap1 Pagina 23 van 43
4.2
VERKENNEND ASBESTONDERZOEK
Visuele inspectie maaiveld Bij de uitvoering van de visuele inspectie van het maaiveld geldt een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden zijn in tabel 4.2.1 opgenomen. Per voorwaarde is aangegeven of aan deze voorwaarde is voldaan. Als er niet aan voldaan is, is de oorzaak aangegeven. Wanneer van een verdachte locatie geen visuele inspectie van het maaiveld kan worden uitgevoerd kan geen verdere opdeling worden gemaakt in verdachte en onverdachte deellocaties en moet de hele locatie als verdacht worden beschouwd. TABEL 4.2.1: voorwaarden maaiveldinspectie Voorwaarde Omschrijving
Voldaan
Het maaiveld moet vrij inspecteerbaar zijn
Er moet een zo groot mogelijk deel van het te inspecteren maaiveld vrij zijn van objecten (afdeklagen, verhardingen, opgeslagen goederen, afval enz.). Daarnaast is het noodzakelijk dat de aanwezigheid van vegetatie (gras, struiken, bladeren enz.) geen belemmering vormen voor de maaiveldinspectie. Ook behoort de te inspecteren oppervlakte voldoende representatief te zijn voor de gehele (deel)locatie. Er mag geen groot aaneengesloten deel van de (deel)locatie niet inspecteerbaar zijn. Onvoldoende inspecteerbare delen vallen buiten het inspectiegebied en blijven als asbestverdacht aangemerkt.
Nee
De toplaag moet droog en onbesneeuwd zijn
Grond zal nooit helemaal droog zijn; in dit geval wordt met ‘droog’ bedoeld dat het vochtgehalte dusdanig laag is dat er geen belemmeringen ontstaan voor de visuele inspectie. Het betreft dus veldvochtige grond zonder dat hierop plassen enz. voorkomen. Bij veel neerslag zal het bodemoppervlak na verloop van tijd te nat worden om een goede inspectie uit te voeren.
Ja
Er moet voldoende licht en zicht zijn
De hoeveelheid licht en zicht mag geen beperkende factor zijn voor een optimale visuele inspectie. Dit betekent dat de weersomstandigheden dusdanig behoren te zijn dat er geen belemmeringen optreden voor de visuele inspectie. In algemene zin betekent dit: geen neerslag (regen, hagel, sneeuw), voldoende daglicht en geen hevige mist. Bij onvoldoende daglicht is het gebruik van kunstlicht een goed alternatief.
Ja
Conclusie
Aan de voorwaarden wordt niet voldaan. De locatie is deels verhard met een asfaltverharding en is deels begroeid waardoor geen volledige maaiveldinspectie mogelijk is. Derhalve wordt de gehele onderzoekslocatie als verdacht aangemerkt op asbest.
Visuele inspectie grond Een samenvatting van de tijdens het veldonderzoek uitgevoerde werkzaamheden is opgenomen in tabel 4.2.2. De posities van de genoemde meetpunten zijn weergegeven op de situatietekeningen, welke zijn opgenomen in bijlage 1. TABEL 4.2.2: samenvatting veldonderzoek Uitvoeringsperiode
02-02-2021 tot 09-02-2021
Uitvoerende partij
Bodem Expert BV
Beoordelingsrichtlijn Protocol
BRL SIKB 2000 protocol 2018 (voor grondmonsters)
Onderzoeksaspect
Asbestonderzoek grond (circa 4,2 hectare)
Meetpunten Type#
Aantal
Codering
Inspectiegat met boring
56
06, 07, 08, 09, 10, 10-B, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61
Halfverharding**
Inspectiegat 2 FUN01, FUN02 met boring # : Afmeting inspectiegat: minimaal: 30 cm x 30 cm x 50 cm–mv **: Ter plaatse van boringen FUN01 en FUN02 is geen halfverharding aangetroffen. De bodemopbouw bestaat uit zand met bijmengingen met baksteen en/of beton. Betreffende bodemlagen zijn op indicatieve basis bemonsterd.
2011P482/JHA/rap1 Pagina 24 van 43
Het veldonderzoek is uitgevoerd door Bodem Expert BV. Het onderzoek van de grond is uitgevoerd onder certificaat van de BRL SIKB 2000, protocol 2018. Het procescertificaat en de hierbij behorende keurmerken zijn van toepassing op de activiteiten met betrekking tot het veldonderzoek en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie aan een erkend laboratorium of aan de opdrachtgever. Tijdens het veldonderzoek is niet afgeweken van de beoordelingsrichtlijn. Het veldverslag is opgenomen in bijlage 3.1. Tijdens het veldonderzoek is de bodem zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen en is de bodemopbouw beschreven. Bodemopbouw Per meetpunt is de texturele, minerale en organische samenstelling van de bodem nauwkeurig beschreven. Op basis van deze beschrijving is per meetpunt een boorstaat vervaardigd. De boorstaten zijn opgenomen in bijlage 2. De globale opbouw van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie, gebaseerd op boorstaten, bestaat vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 0,5 m-mv uit zand. Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden (exclusief asbestverdacht materiaal) Het opgeboorde en vrijgegraven bodemmateriaal is visueel geïnspecteerd op afwijkingen en op het voorkomen van bodemvreemde bijmengingen die kunnen duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem.