CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

- 11 Democratisering (inclusief Bestuurlijk Stelsel) (10) 2020 11 27 - Essa

RAAD 10 maart 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van het rapport Evaluatie Bestuurlijk Stelsel. Nr. VN2021-00284813.038 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor een deel gaat het dan om de constructieve of scheppende instituties van het stadsbestuur, maar voor een even belangrijk deel ook om de correctieve of remmende instituties. Refererend aan het werk van Pierre Rosanvallon, een Franse politiek-theoreticus, gaat het bij het eerste om het ontwikkelen van positieve macht en bij het tweede om het aanbrengen van negatieve macht - hetgeen in zijn denken niet als iets verkeerds wordt gezien maar juist als iets goeds, voorzover een en ander met elkaar in balans is (Rosanvallon, 2008; 2015). Meer in het algemeen is dit ook de gedachte achter de samentrekking in ons concept van de democratische rechtsstaat van de wederzijds completerende elementen van democratie (scheppend bestuur, in de beroemde woorden van Lincoln "of, by and for the people") en rechtstaat (remmend vermogen, in de zin van Montesquieu's dictum "le pouvoir arrête le pouvoir"). Good komt in het denken over good governance vaak neer op het brengen van een gepaste balans in het palet aan desiderata die elk voor zich wenselijk zijn, maar ook een spanningsvolle relatie met elkaar onderhouden. Good governance betekent scherp zicht houden op de kernwaarden van goed bestuur én op het gegeven dat kernwaarden nooit alle tegelijkertijd gemaximaliseerd kunnen worden.

De kernwaarden van good urban governance zijn eerder voorwerp geweest van vergelijkend-conceptueel en vergelijkend-empirisch onderzoek door een consortium van onderzoekers en stakeholders van Platform31 en acht Nederlandse steden (Hendriks & Drosterij, 2012). Het resultaat was een waardencatalogus met vijf kernwaarden van goed bestuur – responsiviteit, effectiviteit, veerkracht, behoorlijkheid en tegenwicht – geordend langs twee assen. Tabel 2 geeft de waardencatalogus in geactualiseerd ontwerp weer. De ene as onderscheidt waarden die invulling geven aan de constructieve (scheppende, ‘positieve’) danwel correctieve (remmende, ‘negatieve’) kant van good governance - en nauw samenhangen met het klassieke denken over democratie respectievelijk rechtsstaat (met de stad als funderend deelsysteem). De andere as onderscheidt waarden die invulling geven aan goed bestuur op het niveau van het systeem danwel het bestuurlijke proces. Op het niveau van het bestuurlijk proces staan drie waarden centraal – responsiviteit, effectiviteit en behoorlijkheid – die corresponderen met wat in het internationale debat input-, output- en throughputwaarden worden genoemd, die respectievelijk input-, output- en throughput-legitimiteit kunnen opleveren naar de mate waarin ze worden behartigd. Responsiviteit is een koepelterm voor een serie 19

meer specifieke inputwaarden die in tabel 2 worden benoemd. Over inputwaarden als inclusie, participatie, representatie en dergelijke zijn letterlijk boekenplanken vol geschreven. Dat kunnen en zullen we hier niet herhalen. Belangrijk om te onthouden is dat het bij responsiviteit om signaalgevoeligheid gaat. Heeft het bestuur-in-brede-zin de capaciteiten en faciliteiten om de veelvoudige relevante signalen op te pikken en betekenisvol in te brengen in het bestuurlijk proces? Effectiviteit is ook zo’n koepelterm, maar dan voor waarden die aan de spreekwoordelijke achterkant van het proces opdoemen. Wordt aan de outputkant iets opgelost, opgeleverd dat wezenlijk en de moeite waard is? Grote delen van de literatuur gaan over de spanning tussen inputwaarden en outputwaarden. Hoewel hier zeker geen sprake hoeft te zijn van een nulsom-spel en goede output idealiter samenhangt met goede input is de spanning nooit volledig op te heffen (Dahl, 1994). Effectiviteit en responsiviteit van binnengemeentelijk bestuur Wat valt op als we de modellen van binnengemeentelijk bestuur naast de waarden van goed bestuur leggen, om te beginnen effectiviteit en responsiviteit? Laten we beginnen met enkele constateringen. Allereerst kunnen districten de representatieve functie van het stadsbestuur versterken.

Een van de voorwaarden lijkt echter wel te zijn dat het gekozen model enige tijd krijgt om zich te consolideren. Die tijd lijkt er steeds minder te zijn. Men lijkt vaker met een blik van democratische vernieuwing naar de bestuursmodellen te kijken: geen snel zichtbaar resultaat, dan ook vrij snel aanpassing of aanschaffing. Die hoge verwachtingen met betrekking tot de resultaten richten zich vooral op de twee kernwaarden responsiviteit en effectiviteit. Met name de responsiviteit van het stadsbestuur zou gebaat zijn bij het invoeren van een vorm van binnengemeentelijk bestuur (zie ook paragraaf 2). Met de toename van het aantal volksvertegenwoordigers zou de signaalgevoeligheid van het stadsbestuur vergroot worden. Niet alleen omdat er meer volksvertegenwoordigers bijkomen, maar ook omdat de districtsraadsleden wonen in het district waar ze verkozen worden.37 Voor wat betreft de effectiviteit wordt eveneens beargumenteerd dat districten de effectiviteit van het stadsbestuur als geheel vergroten. Dat hangt vooral samen met de mogelijkheid meer maatwerk in het beleid toe te passen. In de praktijk zijn daar enkele kanttekeningen bij te plaatsen.

Meer spelers in het gemeentebestuur en in beleidscycli zorgen ook voor een grotere mate van ingewikkeldheid die met dat maatwerk gepaard gaat, alsmede dat het invoeren van een districtenmodel geld kost.38 Je zou dat als de kosten voor een hogere responsiviteit van het gemeentebestuur kunnen beschouwen, maar ook op die responsiviteit en signaalgevoeligheid valt in de praktijk nog wel wat af te dingen. Internationaal onderzoek wijst uit dat hoge verwachtingen met betrekking tot burgerparticipatie met die met de invoering van een binnengemeentelijk model gepaard gaan zelden worden waargemaakt (Hlepas e.a. 2018). In veel gemeenten blijken centrale gemeentebesturen vooral met de mond te belijden dat districten de rol van inwoners moeten versterken. In hun daden blijken centrale gemeentebesturen dergelijk maatwerk alleen te waarderen als het in lijn ligt van hun eigen beleid(svoornemens). Dat dit bij min of meer zelfstandig functionerende democratische instituties als districten lang niet altijd het geval is, leidt centraal vaak tot onbegrip. Maatregelen als de 37

In veel gemeenten blijken gemeenteraadsleden niet evenredig over de stad verspreid, zodat inwoners van sommige districten voorheen geen volksvertegenwoordiger in hun nabijheid hadden. 38 In Rotterdam maakte Leefbaar Rotterdam, (destijds) een expliciete tegenstander van het districtenmodel, de schatting dat het Rotterdamse stelsel bijna 40 miljoen euro per jaar kostte. Bovenal toont het rapport aan hoe ingewikkeld het is een dergelijk kostenoverzicht te maken (Simons, 2007).

20

beperking van districtsbevoegdheden of het benoemen in plaats van direct laten verkiezen van districtraadsleden moeten districten dan weer beter in de pas laten lopen. Dit leidt er echter ook toe dat districten steeds meer een kopie van de samenstelling en het functioneren van het centrale stadsbestuur worden in plaats van dat ze er een aanvulling op zijn. De effectiviteit van het stadsbestuur, zoals de centrale stad dat graag ziet, domineert dan ten koste van de potentiële responsieve mogelijkheden van de districten. De spanning tussen effectiviteit en responsiviteit is overigens ook zichtbaar in de meeste voorbeelden van democratische vernieuwing. Zie bijvoorbeeld het digitale platform Frankfurt Fragt Mich. Dit is eerst en vooral een platform voor het genereren van maatschappelijke input. De app - "Ich will..." - structureert het gebruikersvriendelijk voor. Het officiële verhaal is natuurlijk dat dit ook bijdraagt aan het verbeteren van de bestuurlijke output - hetgeen tot op zekere hoogte terecht is, maar niet helemaal. Tussen de vele Ich will-proposities die door een minderheid van 200+ medestanders zijn onderschreven zullen onvermijdelijk ook acties zitten die botsten met wat nodig aangepakt moet worden voor misschien wel grotere groepen of voor de stad als geheel.

Theorie van goed bestuur: behoorlijk bestuur Dergelijke bevindingen relateren ook weer aan (aanvullingen op) het theoretisch debat over goed bestuur. Meer recent is dat debat verrijkt door auteurs die aandacht vragen voor de kwaliteit van het bestuurlijk proces als zodanig en voor bijbehorende proceswaarden die we hier vatten onder de koepelterm behoorlijkheid en die internationaal worden gevat onder het begrip procedural justice (Tyler & Huo, 2002). Het gaat deels om de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in Nederland bekend uit het bestuursrecht, maar deels ook om communicatieve procesnormen in het verlengde daarvan. Waar responsiviteit en effectiviteit aan de scheppende kant zitten, bevindt behoorlijkheid zich meer aan de begrenzende kant. Vooral de spanning met effectiviteit als waarde is navoelbaar. Een ambitieus stadsbestuur wil meters maken (ten behoeve van economie, woningbouw, milieu, et cetera) maar moet als het ook behoorlijk bestuur wil borgen bereid en in staat zijn om de pas zo nodig even in te houden (ten behoeve van de zorgvuldigheid, de navolgbaarheid, et cetera). Zie de langjarige besluitvorming over de ringweg bij Antwerpen. Stadsbestuurders wilden doorpakken, in hun ogen effectief werk maken van de oplossing van prangende verkeersproblemen. Maatschappelijke actoren vonden dat op verschillende niveaus onbehoorlijk bestuur.

Pas toen een modus operandi was gevonden die voor verschillende partijen aanvaardbaar was kon de impasse worden doorbroken in dit specifieke dossier - met volgens betrokkenen een bredere doorwerking in de verhouding tussen gemeentebestuur en maatschappelijke omgeving. Op het niveau van het bestuurlijk systeem staan de kernwaarden van veerkracht en tegenwicht centraal. Deze waarden zijn aanvullend maar komen wel uit verschillende theoretische tradities. In een deel van de democratietheorie wordt veel waarde gehecht aan het vermogen tot zelforganisatie, zelfregulering, weerbaarheid en adaptiviteit van het stelsel – in het kort: het vermogen om zichzelf duurzaam overeind te houden, te bestendigen en te bedruipen.39 In het constitutionele denken in het spoor van Montesquieu, Madison en geestverwanten wordt de nadruk gelegd op georganiseerde tegenmacht – le pouvoir arrête le pouvoir, countervailing powers, checks & balances, of in het Nederlands: toezicht en controle door wederzijds beperkende organen. Hoewel het complementaire systeemwaarden zijn kunnen we stellen 39

demos en kratein...

21

dat veerkracht eerder het belang onderstreept van 'positieve' macht en tegenwicht eerder het belang van 'negatieve' macht à la Rosanvallon. Idealiter heeft men beide, maar dat gaat niet zonder wrijving. Denk aan Barcelona, Frankfurt, Antwerpen en vele andere steden die experimenteren met participatief begroten (een investering in maatschappelijk medebestuur en zelforganisatie) maar tegelijkertijd ook financieel en politiek toezicht en verantwoording overeind willen en moeten houden (waarin gemeenteraad en financiële toezichthouders een rol spelen).

Behoorlijkheid van binnengemeentelijk bestuur Als we de theorie over behoorlijk bestuur toepassen op het model van binnengemeentelijk bestuur kun je de districten ook als vorm van tegenmacht zien. Het eerder geconstateerde uit de pas lopen, wordt dan niet als aantasting van de stedelijke doorzettingskracht gezien, maar als kracht in zichzelf, mits het voorkomt uit de vertegenwoordiging van belangen van inwoners van het district. Voor wat betreft overige proceswaarden lijken districten vergeleken met het centrale stadsbestuur te kunnen profiteren van doorgaans iets meer vertrouwen van inwoners (Hlepas e.a. 2018; Van Ostaaijen e.a. 2015; Bäck 2005). Ook hier lijkt enige herkenbaarheid van de districten relevant, bijvoorbeeld dat het enige tijd duurt om bekend te worden en districten baat kunnen hebben bij enige stabiliteit voor wat betreft bevoegdheden en benoemings-/kiessysteem. In dat verband is het ook niet vreemd dat veel steden voor historisch herkenbare districten kiezen. Dat er dan, zoals bijvoorbeeld in Antwerpen, grote ongelijkheid ontstaat tussen de bevolkingsomvang van de districten wordt dan op de koop toegenomen. Samenvattend zijn er grote, soms te grote, en niet altijd even realistische verwachtingen over wat het invoeren van een systeem van binnengemeentelijk bestuur betekent voor (waarden van) goed bestuur in een stad.

Om districten goed te kunnen laten functioneren - en daarvoor kan enige ontwikkeltijd nodig zijn - moeten centrale gemeenten de districten het vertrouwen en de ruimte (en daaraan gekoppeld de middelen) geven om die rol waar te kunnen maken. Dat betekent dat districten soms dingen doen die de centrale stad – of de politieke samenstelling daarvan op dat moment – niet bevalt. Daar moeten centrale bestuurders zich bij neer kunnen leggen. Ze doen dat in de wetenschap dat responsiviteit en tegenmacht belangrijke waarden zijn in het lokaal bestuur, ook als dat vanuit het perspectief van de centrale stad inbreuk doet aan de effectiviteit ervan, zoals de doorzettingsmacht van B&W. Aan de andere kant moeten districten zich van hun taak bewust zijn. Ze moeten de legitimiteit van hun achterban elke dag verdienen. Dat dienen ze doorgaans niet in de vergaderzalen, maar in de publieke ruimten van hun district te doen. Veel districten spiegelen zich voor hun rol nog teveel aan de centrale stadsbesturen, met bijkomende soms omvangrijke vergadercycli en bureaucratische inbedding tot gevolg. En dat kan dan weer een belemmering zijn voor hun eigenlijke, althans doorgaans meer gewenste rol: minder beleidsvormend, meer responsief en agenderend.

De waarden van goed bestuur op waarde geschat Zonder wrijving geen glans, zegt men niet ten onrechte, maar het is niet zo dat wrijving automatisch of louter glans oplevert. Het gaat om het vinden van een passende verhouding tussen nevengeschikte kernwaarden als veerkracht en tegenwicht. Hetzelfde geldt voor de evenmin wrijvingsloze verhouding tussen responsiviteit en effectiviteit, of tussen deze waarden enerzijds en behoorlijkheid als nevengeschikte kernwaarde anderzijds. Voor de juiste verhouding tussen nevengeschikte kernwaarden is 22

helaas geen universele handleiding beschikbaar. Er zijn verschillende manieren om de kernwaarden van goed bestuur te dienen, en elke stad staat daarbij voor eigen afwegingen en keuzes - beïnvloed door historisch gegroeide omstandigheden, maatschappelijke verhoudingen en politieke ambities. Stel dat we de mate van investering in en behartiging van elke kernwaarde van goed bestuur uitdrukken in een cijfer van 0 tot 10. Aangezien de verhouding tussen de verschillende kernwaarden niet wrijvingsloos is en ook rekening gehouden moet worden met trade-offs is het welhaast ondenkbaar dat een stadsbestuur duurzaam een maximale score op alle vijf de kernwaarden laat zien. Geen van de hier beschreven steden heeft een dergelijk feilloos profiel en wij kennen ook geen andere steden die daaraan voldoen. Een meer realistisch ideaal is een profiel dat op elk van de vijf kernwaarden ten minste een voldoende of hoger scoort. Dit zijn dan als het ware de minima moralia voor good governance - waaronder steden nooit zouden moeten zakken, en waarboven steden uiteenlopende prioriteiten kunnen stellen. Het kán in bepaalde omstandigheden legitiem zijn om extra te investeren in bijvoorbeeld de slagvaardigheid van bestuur, maar dan niet zo dat bijvoorbeeld de behoorlijkheid van bestuur door het ijs zakt.

Natuurlijk staat het een stad als Amsterdam vrij om bovengemiddeld ambitieus te zijn, en over een brede linie te streven naar dikke voldoendes. Dat is zelfs een loffelijk streven. De praktijk laat echter ook zien niet alleen in Nederlandse maar ook in buitenlandse steden - dat institutionele vernieuwingen geen sinecure zijn. Ze kosten veel tijd en moeite, en het luistert nauw om ze goed te laten landen. Vanuit dat oogpunt is het te verkiezen om een kleiner aantal vernieuwingen ijzersterk door te voeren in plaats van een groter aantal vernieuwing halfzacht. De waardencatalogus, samengevat in Tabel 2, biedt daarbij een normatief referentiekader en hulpmiddel voor het voeren van het 'goede gesprek' hierover. Tabel 2: de waardencatalogus van goed stadsbestuur40 Niveau

Bestuursproces

Bestuurssysteem

Focus Constructief

Correctief

40

Responsiviteit

Effectiviteit

Veerkracht

Gerelateerde inputwaarden: Inclusie, toegang, openheid, participatie, representatie

Gerelateerde outputwaarden: Probleemoplossing, coproductiviteit, value-for-money

Gerelateerde systeemwaarden: Zelforganisatie, zelfregulering, weerbaarheid, adaptiviteit

Behoorlijkheid

Tegenwicht

Gerelateerde proceswaarden: Betrouwbaarheid, rekenschap en integriteit, zorgvuldigheid, transparantie en navolgbaarheid, gelijke, onpartijdige en menselijke behandeling, proportionaliteit en fair play

Gerelateerde systeemwaarden: Countervailing powers, checks & balances, toezicht & controle

Actualisering van: Hendriks, 2014.

23

6

Ten slotte

In dit essay hebben we ons licht opgestoken in vier buitenlandse steden. We keken meer in het bijzonder naar binnengemeentelijke bestuursmodellen en democratische innovaties. Voor wat betreft binnengemeentelijke bestuursmodellen, met name binnengemeentelijke decentralisatie, vallen vooral de diversiteit en beperkte hoeveelheid wetenschappelijke evaluaties op. Dat maakt dat we terughoudend moeten zijn in het trekken van conclusies. Hooguit zou je enkele tendensen kunnen expliciteren. Zo wordt er in veel gemeenten geworsteld met de omvang van de districten, maar lijkt de tevredenheid het grootst waarin de ‘systeemindeling’ van de districten enigszins aansluit bij gebieden die voor inwoners betekenis hebben. Democratische vernieuwing is geen automatisch gevolg van het instellen van een vorm van binnengemeentelijke decentralisatie. Prominente democratische vernieuwingen in onze buitenlandse steden werd vaak vanuit de centrale stad geïnitieerd. De districten zouden wellicht op minder ambitieuze doelstellingen moeten worden afgerekend. Sublokale dienstverlening en het naar tevredenheid van inwoners uitoefenen van enkele bevoegdheden rondom leefbaarheid is wellicht al voldoende waardevol. In Nederland zijn gemeenten al 170 jaar een min of meer stabiele bestuursvorm. Desondanks weten veel inwoners nog steeds niet wat gemeentelijke taken zijn.

Van de relatief nieuwe en – in sommige gemeenten – vaak veranderende invulling van districten kan dan niet worden verwacht dat ze op korte termijn voor veel inwoners een vanzelfsprekende en gekende bestuursvorm zijn. Democratische vernieuwingen in het stadsbestuur vergeleken we hiervoor met de generaties van een familie die zich deels naast elkaar manifesteren. Zo zijn nieuwe vormen van digitaal stemmen in steden als Barcelona en Frankfurt in de 21e eeuw naar voren gekomen zonder dat 20e eeuwse vormen van participatie en interactie zijn verdwenen. We gebruikten ook de metafoor van de sedimentatielagen: de jaren '70 bracht een sedimentatielaag van participatieve democratie: actievoerders roerden zich niet alleen in Amsterdam maar ook in de buitenlandse steden die we bekeken. Hier bovenop kwam in de jaren '90 een laag van van deliberatieve en interactieve democratiepraktijken: gemiddeld wat minder weerspannig en wat meer coproductief ingesteld. Thans wordt daar bovenop weer een laag gelegd met nieuwe vormen van democratie die vaak een sterke digitale component of weblink vertonen: Amsterdam gaat in dit opzicht ook mee in de trend. Het is nog te vroeg om hierin reeds onbetwiste best practices aan te wijzen, maar dat hoeft ook niet per sé om als stad eigen verstandige keuzes te kunnen maken.

Weet hebben van wat er in andere steden omgaat, wat er te koop is én wat van waarde is voor goed stadsbestuur, is daarbij van strategische en praktische waarde. Met dit essay hopen we daar aan te hebben bij gedragen.

24

LITERATUUR Ajuntament de Barcelona. (2020). Citizens to decide how to improve neighbourhoods with the first participatory budget. www.barcelona.cat. https://ajuntament.barcelona.cat/bombers/en/noticia/citizens-to-decide-how-to-improveneighbourhoods-with-the-first-participatory-budget_911307 Aragón, P. (2019). Decidim, free open-source participatory democracy for cities and organizations. Barelona, Sp.: Universitat Pompeu Fabra. Geraadpleegd van https://www.youtube.com/watch?v=M1MNwu4t7w0 Berry, J. M., Portney, K. E., & Thompson, K. (1993). The Rebirth of Urban Democracy. Washington, D.C.: Brookings Institution. Bäck, H., Gjelstrup, G., Helgesen, M., Johnasson, F., & Klausen, J. E. (2005). Urban Political Decentralisation: Six Scandinavian Cities. Wiesbaden, G.: VS Verslag für Sozialwissenschaften. Binnema, H., & Michels, A. (2016). Loting en diversiteit: Te hoge verwachtingen. In G. Boogaard & A. Michels (eds.), G1000: Ervaringen met burgertoppen. Den Haag: Boom Uitgevers. Blakeley, G. (2010). Governing ourselves: Citizen participation and governance in Barcelona and Manchester. International Journal of Urban and Regional Research, 34(1), 130-145. Blakeley, G., & Evans, B. (2008). 'It's like maintaining a hedge': Constraints on citizen engagement in community regeneration in East Manchester. Public Policy and Administration, 23(1), 100-113. Blakeley, G., & Evans, B. (2009).

Who participates, how and why in urban regeneration projects? The case of the new 'city' of East Manchester. Social Policy and Administration, 43(1), 15-32. Blanco, I., Salazar, Y., & Bianchi, I. (2020). Urban governance and political change under a radical left government: The case of Barcelona. Journal of Urban Affairs, 42(1), 18-38. Boogaard, G. & Binnema, H. (2016). De politieke invloed van de G1000 in Amersfoort en Uden. In G. Boogaard & A. Michels (eds.), G1000: Ervaringen met burgertoppen. Den Haag: Boom Uitgevers. Calzada, I. (2018). (Smart) Citizens from Data Providers to Decision-Makers? The Case Study of Barcelona. Sustainability, 10, 3252. Carter, D. (2013). Urban Regeneration, Digital Development Strategies and the Knowledge Economy: Manchester Case Study. J Knowl Econ, 4, 169-189. Dahl, R. A. (1994). A Democratic Dilemma: System Effectiveness versus Citizen Participation. Political Science Quarterly, 109(1), 3-34. 25

Deakin, M., Campbell, F., & Reid, A. (2018). Manchester as a Digital Powerhouse. In M.P. Rodriquez-Bolivar (ed.), Measuring E-Government Efficiency. New York, NY: Springer. Diamond, J., & Pearce, J. (2010). Manchester Between the Grassroots and City Hall: Participation in a Global City. In J. Pearce (ed.), Participation and Democracy in the Twenty-First Century City: NonGovernmental Public Action. London, UK: Palgrave Macmillan. FFM Aktuel. (2019). „Frankfurt asks me“ - Participation changes everything. www.frankfurt-tipp.de. Geraadpleegd van https://www.frankfurt-tipp.de/en/news/s/ugc/frankfurt-asks-me-participation-changeseverything.html Graham, T. (2018, 18 May). Barcelona is leading the fightback against smart city surveillance. WIRED. Geraadpleegd van https://www.wired.co.uk/article/barcelona-decidim-ada-colau-francesca-bria-decode Hendriks, F. (2014). Understanding Good Urban Governance: Essentials, Shifts, and Values. Urban Affairs Review, 50(4), 533-576. Hendriks, F. (2019). Democratic Innovation Beyond Deliberative Reflection. Democratization, 26(3), 444464. Hendriks, F., & Drosterij, G. (red.) (2012). De zucht naar goed bestuur in de stad: Lessen uit een weerbarstige werkelijkheid. Den Haag: Boom Lemma uitgevers. Hlepas, N. K., Kersting, N., Kuhlmann, S., Swianiewicz, P., & Teles, F. (eds.) (2018).

Sub-municipal governance in Europe: Decentralization beyond the municipal tier. Cham, Sw.: Palgrave Macmillan, IIAS Series: Governance and Public Management. Kersting, N., & Kuhlmann, S. (2018). Sub-municipal Units in Germany: Municipal and Metropolitan Districts. In N. K. Hlepas, N. Kersting, S. Kuhlmann, P. Swianiewicz & F. Teles (eds.), Sub-municipal governance in Europe: Decentralization beyond the municipal tier. Cham, Sw.: Palgrave Macmillan, IIAS Series: Governance and Public Management. Klok, P. J., Denters, B., & Oude Vrielink, M. (2012). Wijkcoaches in Velve‐Lindenhof: Overkoepelende Eindrapportage. Enschede: Universiteit Twente. Lenos, S., Sturm, P., & Vis, R. (2006). Burgerparticipatie in gemeenteland: Quick scan van 34 coalitieakkoorden en raadsprogramma’s voor de periode 2006 - 2010. Amsterdam: Instituut voor Publiek en Politiek.

26

Loorbach, D., Van Buuren, A., Van Steenbergen, F., Van Leeuwen, C., Rach, S., Bil, H., … Van der Steen, M. (2016). Een kwestie van kiezen: Naar een complementaire democratie voor alle Rotterdammers: Onderzoeksrapport Evaluatie Bestuurlijk Model Rotterdam 2016. Rotterdam: Erasmus Universiteit, DRIFT; Groningen: Rijksuniversiteit Groningen. Loughlin, J., Hendriks, F., & Lidström, A. (eds.). (2011). The Oxford handbook of local and regional democracy in Europe. Oxford, UK: Oxford University Press. Mantagut, T., Vilàm, G., & Riutort, S. (2016). Barcelona: A Citizen’s Agreement for an Inclusive City. In T. Brandsen, S. Cattacin, A. Evers & A. Zimmer (eds.), Social Innovations in the Urban Context. Wiesbaden, G.: Springer Open. Möbius Business Redesign. (2019). Evaluatie participatietraject Werkgemeenschap. Universiteit Antwerpen; Tilburg University. Geraadpleegd van https://routeplan2030.be/wpcontent/uploads/2019/06/Rapport-Evaluatie-Werkgemeenschap-1.pdf Navarro, C. & Pano, E. (2018). Rural and Urban Sub-municipal Governance in Spain: The Contrasting Worlds of Lilliput and Brobdingnag. In N. K. Hlepas, N. Kersting, S. Kuhlmann, P. Swianiewicz & F. Teles (eds.), Sub-municipal governance in Europe: Decentralization beyond the municipal tier. Cham, Sw.: Palgrave Macmillan, IIAS Series: Governance and Public Management. Norton, A. (1994).

International handbook of local and regional government: A Comparative Analysis of Advanced Democracies. Aldershot, UK: Edward Elgar Limited. Pateman, C. (1970). Participation and Democratic Theory. Cambridge, UK: Cambridge University Press. Pieper, A.K. & Pieper, M. (2015). Political participation via social media: a case study of deliberative quality in the public online budgeting process of Frankfurt/Main, Germany 2013. Univ Access Inf Soc, 14, 487–503. ProDemos. (2018). Monitor Burgerparticipatie 2018: Een inventarisatie van gemeentelijk beleid en activiteiten op het gebied van burgerparticipatie. Geraadpleegd van https://prodemos.nl/nieuws/monitor-burgerparticipatie-2018/ Renson, T. (2018). "Baart Antwerpse Burgerbegroting betere burgers?" Sampol, 2, 58- 66. Rosanvallon, P. (2008). Counter-Democracy: Politics in an Age of Distrust. Cambridge, UK: Cambridge University Press. Rosanvallon, P. (2015). Good Government: Democracy Beyond Elections, Cambridge, MA: Harvard University Press.

27

Sánchez, A., Svagr, Y., Bäuml, P., Terloo, S., & García, L. (2020). Spain and Germany: A comparative analysis of local governance and two e-participation programmes. Tilburg University, Paper voor opleiding bestuurskunde. Schaap, L., Hendriks, F., Frankowski, A., & Van Ostaaijen, J. (2013). Kleinschaliger besturen binnen de stad: Binnengemeentelijke decentralisatie, nieuwe stijl? Bestuurswetenschappen, 5-6, 115-138. Schaap, L., & Leenknegt, G. J. (2018). Kleinschalig & Kleurrijk: Binnengemeentelijke organisatie geïnventariseerd. Tilburg Institute of Governance. Simons, R. (2007). De Rotterdamse Gordiaanse Knoop: Visie Leefbaar Rotterdam op het Rotterdamse Deelgemeentebestel. Uitgave van Leefbaar Rotterdam. StampMedia. (2019, 16 januari). De burgerbegroting, door inwoners gekozen. Nieuwsblad.be. Geraadpleegd van https://www.nieuwsblad.be/cnt/blsme_04107141 Tyler, T. & Huo, Y. J. (2002). Trust in the Law: Encouraging Public Cooperation with the Police and Courts. New York, NY: Russell Sage Foundation. Van Assche, D. (2005). Binnengemeentelijke Decentralisatie in Antwerpen: Herstel van het Vertrouwen? Zoektocht naar het belang van lokale politiek, dissertatie. Universiteit Antwerpen. Van den Dool, L., Hendriks, F., Gianoli, A., & Schaap, L. (eds.) (2015). The Quest for Good Urban Governance: Theoretical Reflection and International Practices. Wiesbaden, G.: Springer.

Van Ostaaijen, J. J. C. (2003). Wijkoverleg aan de Schelde: Kroniek van de Antwerpse Wijkaanpak. Universiteit van Tilburg, doctoraalscriptie opleiding Bestuurskunde. Van Ostaaijen, J. (2013). Afrekenen met de deelgemeenten: het functioneren van binnen- gemeentelijke decentralisatie in Rotterdam en Antwerpen en een vergelijking met dorps- en wijkraden. Bestuurswetenschappen, 5-6, 94-114. Van Ostaaijen, J. (2017). Bijzondere buren: Lokaal bestuur en lokale verkiezingen in Nederland en Vlaanderen. Res Publica: Politiek-wetenschappelijk tijdschrift van de Lage Landen, 59, 3, 255-280. Van Ostaaijen, J. (2018). Tussen eerste overheid en tweederangsdemocratie: Het functioneren van de lokale democratie in Nederland. Den Haag: Boom Bestuurskunde. Van Ostaaijen, J. J. C., Karsten, N., & Tops, P. W. (2015). De kracht van kleinschalig bestuur: Een onderzoek naar de mogelijkheden en opportuniteiten van het binnengemeentelijk samenwerkingsmodel in Antwerpen. Tilburg University. Wainwright, H. (2003). Reclaim the State: Experiments in Popular Democracy. London, UK: Verso. 28

Wolf, E., Rys, S., & Van Dooren, W. (2018). Naar een Vlaamse Burgerbegroting? Lessen uit de binnenlandse en buitenlandse praktijk. Universiteit Antwerpen. Wolf, E., & Van Dooren, W. (2017). De waarde van weerstand: Wat Oosterweel ons leert over besluitvorming. Antwerpen, B.: Pelckmans Pro.

29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9829131/1