CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1. WODC Rapport korte wapenstok - Juni 2022.pdf

Raadscommissie Algemene Zaken 19 januari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Korte Wapenstok voor boa's (VN2022-045117)54.734 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 7

83

bijvoorbeeld door in te zetten op praktische gesprekstechnieken, en training in conflictbeheersing en de-escalatie methoden, lijken boa’s ook eerder geneigd de wapenstok terughoudender in te zetten, of zich terugtrekken als eerste optie te overwegen.

7.2.3 Aanvullende ondersteuning door werkgevers Wat doen de leidinggevenden/werkgevers van de boa’s naast het verzorgen van opleidingen nog meer aan aanvullende ondersteuning en waar bestaat dit uit? Naast aandacht voor opleidingen en specifieke trainingen bieden werkgevers boa’s aanvullende ondersteuning door te zorgen voor samenhang tussen taken, risico’s en training, waar vervolgens de uitrusting op afgestemd kan worden. Zo zijn boa’s in alle tien pilotgemeenten uitgerust met een bodycam, welke naast de bijdrage aan persoonlijke veiligheid ook reflectie op het eigen handelen en op het gebruik van de uitrusting mogelijk maakt. In sommige pilotgemeenten hebben werkgevers expliciet gekozen om de uitzonderlijkheid van inzet van de wapenstok te benadrukken, en actief te sturen op de naleving hiervan door boa’s. Hier is al voor de start van de pilot, in nauwe samenwerking met toezichthouders ingezet op het benadrukken van de uitzonderlijkheid van inzet van de wapenstok. Toen er zich in deze gemeenten toch incidenten voordeden, is elk incident in detail nabesproken, niet alleen met de betrokken boa maar soms ook breder in het team. Wel of niet inzetten van de wapenstok, en hoe gebruik van de wapenstok had kunnen worden voorkomen of geminimaliseerd is daarbij een centraal thema.

Andere gemeenten hebben de proef meer gezien als een experiment, waarin na afloop gekeken kan worden naar resultaten. De ervaringen laten zien dat een strakkere sturing een professionaliserend effect heeft gehad op boa’s, bijdraagt aan zelfreflectie, en ook lijkt te leiden tot aan lager gebruik van de wapenstok, zowel in aantallen dat de wapenstok is gebruikt om te dreigen als daadwerkelijk mee te slaan. Naast de directe aandacht voor het wel of niet inzetten van de wapenstok is er in wisselende mate aandacht van werkgevers geweest voor de juridische kant van het hebben en gebruik van een wapenstok. Andere gemeenten kunnen hier in het bijzonder leren van de aanpak in Zoetermeer en Capelle, die dit systematisch en in nauwe samenwerking met toezichthouders hebben opgezet. Daarbij gaat het om het in kaart brengen van eventuele gevolgen van een incident voor de aansprakelijkheid van de boa zelf en de werkgever. Ondanks dat het hier een lokale werkgeversverantwoordelijkheid betreft, geven pilotgemeenten aan op dit vlak behoefte te hebben gehad aan meer landelijke sturing, in de vorm van briefings, checklists, of suggesties waaraan zou kunnen worden voldaan.

7.3 Bevindingen op incidentniveau De conclusies ten aanzien van het incidentniveau zijn in deze sectie gepresenteerd. De belangrijkste bevindingen beantwoorden de verwachtingen zoals gepresenteerd door betrokkenen, de literatuur en beleidslogica ten aanzien van het gebruik van de korte wapenstok door boa’s. Vervolgens is elk van deze aspecten verder uitgewerkt in antwoord op de specifieke onderzoeksvragen. - Wapenstok en leefbaarheidscriterium: In de pilots hebben boa’s in meer dan de helft van de gemelde gevallen de wapenstok ingezet voor situaties die rechtstreeks verband hielden met hun bevoegdheden binnen het leefbaarheidscriterium. Dit onderschrijft ook de ervaring van een meerderheid van boa’s die ook een toegevoegde waarde zien van uitrusting met de wapenstok, ook voor taken binnen de lijnen van het leefbaarheidscriterium. - Rechtmatigheid bij verdediging: Voor twee meldingen (die betrekking hebben op hetzelfde incident in Amsterdam, waarbij de wapenstok is gebruikt bij een aanhouding) is geoordeeld dat WODC / PLATO / OCKHAM-IPS / ISGA/ Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) / mei 2022/ JvL, GJL

84

niet subsidiair is gehandeld en is een geweldsregistratie aangemaakt. Voor andersoortige gevallen, bijvoorbeeld waarbij de wapenstok is gebruikt ter verdediging in dreigende situaties, is geen twijfel gerezen over de rechtmatigheid, subsidiariteit of proportionaliteit van de inzet van de wapenstok. - Effectiviteit van dreigen met korte wapenstok: In een meerderheid van de gevallen bleek dreigen met de wapenstok een effectieve manier om controle over een situatie te krijgen. Anekdotisch bewijs uit interviews met boa’s laat zien hoe individuen schrokken van de dreiging, ‘versteenden’, of wegvluchtten. In gevallen waarbij alleen dreigen met de wapenstok niet genoeg bleek, kon wel effectief worden overgegaan tot aanhouding na inzet van de wapenstok, zonder dat daarbij de situatie verder uit de hand is gelopen. - Tegenreactie op straat na bewapening: Ten aanzien van een te verwachten risico op een mogelijke negatieve geweldsspiraal op straat na bewapening van boa’s kunnen op basis van de pilot geen conclusies worden getrokken. Echter, zelfs als hier een verband zou bestaan, kan worden gesteld dat de relatief beperkte inzet van de wapenstok zoals gezien in de pilot ook bijdraagt aan eventueel beperktere tegenreacties van burgers.

7.3.1 Aantal gevallen van geweldsaanwending Welke ontwikkeling is waar te nemen in het aantal gevallen van (fysiek of verbaal) geweld tegen boa’s en hoeveel gevallen van fysiek geweld (gebruik van de korte wapenstok inbegrepen) zijn door boa’s in de periode van 1 januari 2021 tot 31 december 2021 geregistreerd bij gemeente en politie? Uniforme cijfers over de ontwikkelingen van het aantal gevallen van geweld tegen boa’s zijn niet voorhanden. Ook de verschillen in registratie van inzet van geweld door boa’s tussen gemeenten maken dat deze niet goed kunnen worden vergeleken over tijd of tussen gemeenten, vanwege verschillen in de inzet van boa’s, het soort situaties waarin zij zich bevinden, protocollen voor rapportage, of verschillen in registratiediscipline. Het aantal gevallen waarin de wapenstok is gebruikt door boa’s is wel op vergelijkbare manier verzameld, zowel waar het gaat om dreigen met gebruik, als het daadwerkelijk inzetten ervan. Deze registratiegegevens wijzen op wat de direct toezichthouders en OM als terughoudend gebruik van de wapenstok zien. Een totaal van 59 meldingen zijn gemaakt van gebruik van de wapenstok, waarvan 40 in Amsterdam. Twee-derde van deze meldingen gaan over dreigen met de wapenstok, met 21 meldingen van daadwerkelijk gebruik tegen een persoon (waarvan 16 in Amsterdam).

Deze aantallen zijn te laag om op een systematische manier verschillen tussen gemeenten of over tijd in kaart te brengen. In plaats daarvan zijn de 59 incidenten nader bestudeerd op context, de aanleiding, het gedrag van betrokken boa’s en afloop. In deze specifieke gevallen zien we dat na de inzet van de korte wapenstok in vrijwel alle gevallen de situatie onder controle is gebracht. Op basis hiervan blijkt uit de pilot ook dat alleen dreigen met de wapenstok in de meeste gevallen al een adequate manier is om controle te krijgen over een situatie, juist ook zonder deze daadwerkelijk te gebruiken. Wel tekenen we daarbij aan dat de verzamelde gegevens alleen niet voldoende houvast geven om vast te stellen hoe deze situaties zouden zijn afgelopen zonder wapenstok, noch of het hebben van een wapenstok tot meer of minder confrontaties heeft geleid.

WODC / PLATO / OCKHAM-IPS / ISGA/ Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) / mei 2022/ JvL, GJL

85

7.3.2 Context van inzet wapenstok Hoeveel geweldsmeldingen zijn er (conform de verplichting in de Ambtsinstructie) gemeld bij de (direct) toezichthouder (het Openbaar Ministerie, het OM)? Hoe wordt door het OM de ontwikkeling van het aantal geregistreerde incidenten verklaard? En wat was de aard en de context van deze gevallen, bezien vanuit de taakuitvoering door boa’s, de reikwijdte van hun opsporingsbevoegdheid, de rechtmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit van het optreden, alsook het gevolg dat is gegeven aan meldingen? Uit de evaluatie blijkt dat de wapenstok tijdens de pilot in de meeste gemeenten zelden is gebruikt, en waar deze is gebruikt, bleek de wapenstok volgens de boa respondenten instrumenteel te worden ingezet om de incidenten op een goede manier ten einde te brengen. Het aantal keer dat er gedreigd is met de wapenstok varieert gedurende de onderzoeksperiode tussen de nul en vier keer in bijna alle gemeenten, met slechts een handvol gevallen waarin deze daadwerkelijk is ingezet. In vijf gemeenten is de wapenstok überhaupt niet ingezet, en is alleen aangewend om mee te dreigen. Alleen in Amsterdam is de gemelde inzet hoger (veertig keer, waarvan zestien om mee te slaan).

Dit aantal dient te worden bezien tegen de grootstedelijke context en specifieke prioriteiten voor lokale inzet, al speelt hier mogelijk ook mee dat in voorbereiding op de pilot gebruik van de wapenstok minder expliciet lijkt te zijn ontmoedigt dan elders. Ook was hier één incident, waarvan de toezichthouder voor twee boa’s heeft geoordeeld dat onvoldoende is aangetoond dat niet op een andere, minder ingrijpende manier het doel kon worden bereikt (subsidiariteit). Dit specifieke geval betrof het gebruik van de wapenstok door twee boa’s bij aanhouding van een verdachte, waarvoor een geweldsregistratie is aangemaakt. Op basis van de beschrijvingen van de gevallen zijn de meldingen gecategoriseerd naar inzet bij uitvoering van reguliere domein I taken, inzet bij onverwachte incidenten, en inzet als ondersteuning aan collega’s. Een meerderheid van de gevallen betreffen inzet bij reguliere taken. Tegelijkertijd zien we ook gevallen waarin boa’s met wapenstok hebben opgetreden ter assistentie van collega handhavers, maar ook politie. Dergelijke inzet is niet in lijn met de huidige beleidsregels, en vraagt om extra aandacht, bijvoorbeeld als het gaat om de gemaakte inschatting voor inzet door boa’s zelf; door de meldkamer, de lokale politie-eenheid, de werkgever en de toezichthouders.

De ervaringen met bovenstaande gevallen hebben het belang laten zien van een nauwe betrokkenheid van de direct toezichthouder. Wanneer deze snel en adequaat reageert na individuele incidenten kan de handelswijze van boa’s effectief worden beoordeeld, en kan de werkgever hier vervolgens interne reflectie en begeleiding bieden, waar nodig aangevuld met specifieke training of andere maatregelen. Ook kan dit als input dienen voor een eventuele herziening van lokaal beleid ten aanzien van de gezochte competenties in werving en selectie, en mogelijk ook een herijking door de lokale driehoek van de handhavingsprioriteiten en de werkverdeling met de politie.

7.4 Bevindingen op individueel niveau Tot slot worden de conclusies over de ervaringen van de pilot op het individueel niveau gepresenteerd. Ook hier vergelijken we de belangrijkste bevindingen tegen de vooraf uitgesproken verwachtingen van direct betrokkenen, literatuur en beleidslogica waar dit gevolgen voor individuele boa’s betreft. Vervolgens is elk van deze aspecten verder uitgewerkt in antwoord op de specifieke onderzoeksvragen. - Bijdrage aan veiligheidsgevoel boa’s: De enquêteresultaten laten geen direct verband zien tussen het dragen van een korte wapenstok en een veiliger gevoel onder boa’s. Lokale keuzes ten aanzien van handhavingstaken en inzet blijken daarentegen de belangrijkste factoren die invloed hebben op het gevoel van veiligheid. - Stap naar voren na bewapening: Jongere en minder ervaren boa’s laten weliswaar een grotere bereidheid zien om een stap naar voren te doen dan oudere en meer ervaren collega’s, maar in WODC / PLATO / OCKHAM-IPS / ISGA/ Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) / mei 2022/ JvL, GJL

86

de meeste gemeenten is dit op straat niet terug te zien in ander gedrag. Werkgevers hebben hier in de pilot effectief op gestuurd, door gerichte aandacht voor training, duidelijke inzetprotocollen, monitoring en evaluatie, maar ook werving en selectiebeleid in bredere zin.

7.4.1 Veiligheidsbeleving boa’s Hoe heeft de veiligheidsbeleving van boa’s zich ontwikkeld (in perspectief van de aard van ervaren incidenten, de samenwerking met politie en de beschikbare middelen qua bewapening en uitrusting) in de periode van 1 januari 2021 tot 31 december 2021? De evaluatie laat zien dat boa’s in meerderheid positief zijn over de korte wapenstok. Hun oordelen zijn uit te splitsen in enerzijds een positief oordeel over de publieksreacties op de korte wapenstok en anderzijds een goede samenwerking met de politie (al kunnen we dit niet verbinden aan de wapenstok per se). Een meerderheid van boa’s in de pilotgemeenten geeft aan significant trotser te zijn op hun werk en zich significant veiliger te voelen wanneer zij groepen aanspreken dan hun collega’s in controlegemeenten. Dit geldt echter zowel voor dragers als niet-dragers van de wapenstok; er kan derhalve geen verband worden vastgesteld met het al of niet beschikken over een wapenstok. Factoren die wel een rol spelen in de verandering van de veiligheidsbeleving zijn bijvoorbeeld ontwikkelingen in de reactie van burgers op straat, veranderingen in handhavingstaken, trends in de reactietijd van de politie en de veranderingen in coronamaatregelen waarop gehandhaafd diende te worden.

Het feit dat juist deze factoren naar voren komen, toont het belang aan van heldere afspraken in de lokale driehoek, ten aanzien van prioriteiten in lokaal handhavingsbeleid, de analyse van risico’s in de handhaving van deze prioriteiten en de afspraken met de politie om dergelijke risico’s te ondervangen. De genoemde factoren die dragen bij aan veranderingen op gemeentelijk niveau, en hebben invloed op het veiligheidsgevoel van alle boa’s met en zonder wapenstok.

7.4.2 Veranderingen in gedrag Heeft het bezit of gebruik van de korte wapenstok en het optreden als zodanig mogelijk ook averechts gewerkt? De ervaringen in de pilot wijzen over het algemeen op terughoudendheid in gebruik van de korte wapenstok, maar tegelijkertijd kan niet worden uitgesloten dat sommige boa’s eerder naar voren stappen nadat zij met de korte wapenstok zijn uitgerust. Teamleiders geven aan dat dit gedrag vooral is terug te zien bij jongere boa’s, die nog onvoldoende beschikken over praktijkervaring. We zien dit ook terug in de enquête, waarbij ongeveer een kwart van ondervraagde boa’s met de wapenstok aangeeft dat zij eerder op nieuwe soort situaties zijn afgestapt, minder snel assistentie hebben gevraagd en zich minder vaak hebben teruggetrokken. De mate waarin dit ook daadwerkelijk leidde tot ander gedrag op straat kon niet objectief worden vastgesteld in de evaluatie. Daarmee kan niet zomaar een eenduidige conclusie afgeleid worden over de werking, of eventuele averechtse werking van de korte wapenstok. De manier waarop een individu omgaat met bezit van de wapenstok in het dagelijkse functioneren behelst een complexe interactie tussen de ontvangen training, het soort gevallen dat men in de dagelijkse praktijk tegenkomt, en de eigen bereidheid om de wapenstok daadwerkelijk in te zetten.

Dit zijn dan ook belangrijke elementen waar werkgevers rekening mee moeten houden als zij tot uitrusting met de korte wapenstok overgaan. In de manier waarop gemeenten de pilot hebben vorm gegeven zien we wel dat werkgevers, in samenspraak met (direct) toezichthouders, aandacht hebben voor mogelijke averechtse gevolgen van uitrusting met de wapenstok. Zo hebben werkgevers geprobeerd te anticiperen op verschillen in omgang met de korte wapenstok op individueel niveau (ten aanzien van persoonlijkheid, gedrag). Dit gebeurt door extra aandacht te besteden aan training, voldoende begeleiding door senior boa’s, maar ook al op voorhand, door werving en selectie zo in te richten dat handhavingsteams de vaardigheden en WODC / PLATO / OCKHAM-IPS / ISGA/ Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) / mei 2022/ JvL, GJL

87

competenties hebben om bij geweldsincidenten standaard in te zetten op de-escalatie en gesprekstechnieken.

7.5 Lessen naar aanleiding van de pilot De gegevens die zijn voortgekomen uit de onderzoeksactiviteiten en de gevonden antwoorden op de onderzoeksvragen dragen bij aan de beantwoording van de hoofdvraag van het onderzoek. Welke lering kan op grond van de resultaten van de pilot worden getrokken met betrekking tot de op te stellen afzonderlijke regeling bewapening en uitrusting boa’s? In het rapport zijn diverse elementen benoemd die van meerwaarde kunnen zijn bij het nader opstellen van de voorgenomen regeling ten aanzien van bewapening en uitrusting van boa’s. In dit kader benadrukken we nog eens dat de evaluatie niet heeft gepoogd een antwoord te geven op de vraag of uitrusting van boa’s met de korte wapenstok wenselijk is. Dit is een politieke keuze, die overigens met de voorgenomen nieuwe regeling juist ook op lokaal niveau zou moeten worden genomen, op basis van een gedegen analyse van de taken en inzet van boa’s, de geïdentificeerde risico’s daarvan en mogelijkheid om deze in samenwerking met de politie al afdoende af te dekken. De evaluatie heeft zich juist gericht op de condities waaronder invoering van een korte wapenstok zou moeten plaatsvinden, als die keuze gemaakt zou worden. In de volgende paragrafen worden de voornaamste lessen die op basis van de ervaringen in de pilot getrokken kunnen worden nog eens langsgelopen.

7.5.1 Genoeg tijd nemen voor gedegen voorbereiding en planning van lokale aanpak De meeste deelnemende gemeenten erkennen het belang van de gevraagde randvoorwaarden voor de pilot, zoals een geformaliseerd handhavingsarrangement en analyse van veiligheidsrisico’s. Wel is het van belang hier voldoende tijd voor te reserveren. De evaluatie laat bijvoorbeeld zien dat de samenwerking met de politie niet in elke gemeente was geformaliseerd in een handhavingsarrangement. Dit is van belang ook voor eventuele toekomstige aanvragen, aangezien de voorbereiding hiervan veel tijd vergt. Zeker wanneer het voorbereiden van deze documenten niet als een bureaucratische exercitie wordt gezien, maar als een kans om concreet de samenwerking en verantwoordelijkheden van de partners opnieuw scherp te definiëren, dient hier de nodige tijd voor gereserveerd te worden, zodat dit meer dan alleen een papieren tijger wordt. Op die manier kan dit als een belangrijke bouwsteen dienen voor de samenwerking tussen handhavingsteams en politie.

7.5.2 Faciliteren van geregeld overleg op de diverse niveaus In de contacten tussen lokale driehoek, handhavingsteams, toezichthouders en ministerie blijkt op diverse momenten tijdens de pilot dat diverse stakeholders nog worstelen met hun rollen en verantwoordelijkheden. Heldere afwegingscriteria zoals aangekondigd door het ministerie van Justitie en Veiligheid en procedures voor afweging zijn daarop één antwoord, maar ook een heldere procedure voor het vinden van oplossingen als de meningen te zeer verschillen, kunnen daarbij behulpzaam zijn. Bij het opstellen van de voorgenomen nieuwe regeling bewapening en uitrusting boa’s is het raadzaam om het landelijk platform voor direct toezichthouders, zoals ook tijdens de pilot heeft geopereerd, in enige vorm te behouden. Daarnaast kan aan andere vormen van overleg worden gedacht, waarin toezichthouders, lokale driehoek en de gemeenten als werkgever participeren en gezamenlijk de voortgang monitoren, evalueren en bespreken. In het kader van de landelijke beleidslijn heeft de pilot het belang van lokaal maatwerk onderstreept, maar wel binnen een eenduidig en transparant toetsingskader. Centraal uitgangspunt zou moeten zijn dat verschillen tussen gemeenten terug te voeren zijn op lokale beleidskeuzes, niet op verschillende interpretaties van landelijke kaders.

WODC / PLATO / OCKHAM-IPS / ISGA/ Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) / mei 2022/ JvL, GJL

88

7.5.3 Verankeren samenwerking met de politie Het bevorderen van samenwerking tussen lokale handhavingsorganisaties en de basiseenheden van de politie blijft de aandacht verdienen. Het opstellen van een handhavingsarrangement is daarbij slechts een eerste stap, waarin concrete samenwerkingsafspraken gemaakt kunnen worden. Deze afspraken moeten niet voorbijgaan aan bestaande samenwerkingsrelaties, maar oog te hebben voor die bestaande contacten en onderlinge relaties. De ervaringen in de pilot laat zien dat de invoering van de wapenstok geen concrete gevolgen heeft gehad voor samenwerking met de politie, maar wel dat daardoor in sommige gemeenten bestaande samenwerkingspatronen aan de oppervlakte zijn gekomen. Inzetten op overleg en op elkaar leren kennen in professionele werksituaties kan bijdragen het verder verbeteren van de samenwerking. Het samen oppakken van nieuwe taken; overleggen over de taakafbakening en de overlap hiervan zijn daarbij van belang. Ook gezamenlijke training kan de samenwerking versterken. Op bestuurlijk niveau zal met regelmaat de samenwerking in zijn context moeten worden besproken. Daarbij zal het moeten gaan over kwesties als beschikbaarheid, of juist een gebrek aan personeel en hoe daarmee om te gaan in de samenwerking tussen de partnerorganisaties.

7.5.4 Kennisdeling bij ontwikkeling van lokale visie op uitrusting van boa’s Aandacht voor de korte wapenstok kan niet los worden gezien van de bredere uitrusting van boa’s. Die uitrusting omvat ook steekwerende vesten, handboeien en bodycams. De ontwikkeling van de voorgenomen nieuwe regeling bewapening en uitrusting boa’s past in een bredere behoefte aan duidelijkheid en eenduidigheid over de landelijke kaders waarbinnen gemeenten, in hun rol als werkgever, kunnen werken aan de ontwikkeling van een lokale visie op uitrusting, die aansluit op de lokale realiteit. De ervaring in de vormgeving van de pilot maakt duidelijk dat zelfs wanneer bepaalde zaken een lokale werkgeversverantwoordelijkheid zijn, of door een lokale driehoek dienen te worden vastgesteld, gemeenten nog altijd de behoefte hebben om over dergelijke zaken met andere gemeenten van gedachten te kunnen wisselen, te leren en soms aanvullende sturing en richtlijnen te kunnen volgen. Vanaf nationaal niveau kan dit verder gefaciliteerd worden, door bijvoorbeeld een samenwerking te stimuleren tussen gemeenten waarbij mogelijk de VNG een rol kan spelen (waar mogelijk met specifieke deelname van deelnemers in de pilot), de nationale stuurgroep boa’s bij de politie, eventueel aangevuld door OM en het ministerie.

Een dergelijk informatiepunt zou volgens enkele geïnterviewde bestuurders kunnen bijdragen aan het expliciteren van de diverse verantwoordelijkheden van de ketenpartners, en daarnaast ook fungeren als plek waar aanpakken en good practices gedeeld kunnen worden. Mogelijk kunnen bestaande aanpakken van de VNG als inspiratie hiertoe dienen, zoals de VNG bijvoorbeeld ook diverse modelverordeningen voor lokale bevoegdheden ontwikkelt (denk aan APVs, of ten aanzien van gemeentelijke belastingen). Deze zijn opgesteld zodat lokale autoriteiten niet het wiel opnieuw uit hoeven vinden, maar desgewenst kunnen bouwen op bestaande suggesties en modellen.

7.5.5 Tijdig starten van voorbereiding administratieve afhandeling Ook laat de ervaring in de pilots het belang zien van tijdig nadenken over de vormgeving van de administratieve processen rondom de toekenning van geweldsbevoegdheden. Het is daarbij aan te bevelen Dienst Justis (Justis) als uitvoeringsorganisatie vanaf het begin te betrekken, niet alleen in het kader van de wettelijke ex ante uitvoeringstoets, maar juist ook in de planmatige voorbereiding hierop. Voorts is helderheid nodig over de rol van andere betrokkenen in het proces rondom het toekennen van geweldsbevoegdheden. Actieve regie op het verduidelijken van specifieke rollen en verwachting is daarbij gewenst (Werkgevers, VNG, toezichthouders, politie, de betrokken beleidsdirectie van het ministerie, Dienst Justis). Het gaat niet alleen om het informeren van betrokkenen, maar ook om de WODC / PLATO / OCKHAM-IPS / ISGA/ Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) / mei 2022/ JvL, GJL

89

begeleiding en steun die nodig is om gemeenten afzonderlijk en gezamenlijk op het spoor van de implementatie te houden en daarover feedback te krijgen en te geven.

7.5.6 Meer uniforme aanpak van melding en registratie van geweldsinzet Procedures en instrumenten voor melding en registratie vergen een eenvoudig systeem aan de ene kant, maar aan de andere kant ook het inzetten op meldings- en registratiediscipline. Dat betekent dat melding en registratie technisch eenvoudig dienen te zijn, maar ook dat degenen die meldingen doen de zin daarvan ervaren. Dat wordt ondersteund als de ingediende meldingen en registratie leiden tot zinvolle reflectie daarop en bespreking van de implicaties ervan. Daarbij zal het gaan om de bespreking van een individuele melding, de rechtmatigheid van het optreden en de lessen die eruit te trekken zijn. Daarnaast gaat het om het analyseren en bespreken van trends op het niveau van het betrokken team, de eenheid, het arrondissement, of landelijk. Belangrijk is het om in de melding en registratie een brede opvatting te hanteren van inzet van de bewapening, waarbij vergelijkbare definities worden gehanteerd voor bijvoorbeeld tonen, dreigen, porren, afweren en slaan. Hier is dus een landelijke richtlijn of briefing gewenst, om op die manier enige uniformiteit te stimuleren. Op basis daarvan kan de verzamelde data voldoende informatie geven om de dynamiek van het hebben en gebruiken van de wapenstok in beeld te krijgen en daaruit conclusies te kunnen trekken.

Ook is het zinvol om bij te houden met welk doel de wapenstok is ingezet en daarbij het onderscheid ten behoeve van de taakuitoefening, of ten behoeve van zelfverdediging mogelijk te maken.

7.5.7 Nadenken over de kwalificatie zelfverdediging bij taakuitvoering In de maatschappelijke discussie rondom uitrusting met de wapenstok worden verschillende argumenten voor en tegen gehanteerd, maar deze argumenten lijken elkaar niet altijd te raken. Zo wordt door boabonden, maar ook boa’s zelf en diverse burgemeesters vaak verwezen naar de korte wapenstok als middel om zich in het uiterste geval te kunnen verdedigen. In reactie hierop wijzen tegenstanders echter op de wettelijke beperking van deze uitleg, aangezien de wet niet voorziet in verdedigingsmiddelen. In plaats daarvan kan een politiefunctionaris (en in bepaalde gevallen dus boa’s die deze bevoegdheid hebben gekregen) de toegekende geweldsmiddelen alleen toepassen in de uitoefening van de bevoegde taken. Dit werpt vragen op over de juridische status van iedere situatie waarin boa’s de wapenstok gebruiken uit zelfverdediging, bijvoorbeeld wanneer zij zich met onverwachte agressie geconfronteerd zien. In de praktijk laten de resultaten van de pilot echter verschillende voorbeelden zien van hoe boa’s zich met onverwachte agressie in de uitoefening van de taken geconfronteerd hebben zien. Daarmee is het belang een eenduidig antwoord te formuleren of boa’s die zich in een dergelijke situatie bevinden en niet meer de wettelijk vereiste stap terug kunnen doen, rechtmatig gebruik kunnen maken van de wapenstok.

In de praktijk van de pilots zien we al dat direct-toezichthouders dergelijk gebruik wel als onderdeel van de taakuitvoering kwalificeren. De voorgenomen nieuwe regeling bewapening boa’s kan hier een rol in spelen, en aanvullende duidelijkheid scheppen over welke vormen van geweldsinzet door bevoegde boa’s wel, of niet rechtmatig zijn.

7.5.8 Herijken van praktische invulling leefbaarheidscriterium Ondanks dat het leefbaarheidscriterium in theorie een duidelijk afbakening biedt van de taken en verantwoordelijkheden van boa’s, laten de pilots duidelijk zien dat een dergelijk onderscheid in de praktijk vaak lastiger is. Gemeenten categoriseren handhavingstaken niet altijd op een vergelijkbare manier, en in algemene termen is sprake van een verbreding van het takenpakket van boa’s. Dit sluit aan bij eerdere onderzoeken en de constatering van het ministerie dat het leefbaarheidscriterium aan een herijking toe is. Hierbij kan worden ingezet op een nadere bezinning op, of concretisering van leefbaarheidscriterium en op de betekenis daarvan, zowel op landelijk niveau, als lokaal, waar uiteindelijk over inzet van boa’s besloten wordt. Een dergelijke bezinning is zinvol om expliciet te maken wat de relatie is tussen de definitie van taken, de gekozen handhavingsinzet, en de te bieden uitrusting. WODC / PLATO / OCKHAM-IPS / ISGA/ Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) / mei 2022/ JvL, GJL

90

7.5.9 Lokale lessen ten aanzien van werving en selectie De introductie van de korte wapenstok vereist een expliciet werving en selectiebeleid op gemeentelijk niveau. De evaluatie heeft laten zien dat de gemeenten die deelnamen aan de pilot niet representatief zijn voor de manier waarop handhavingsorganisaties in de rest van Nederland zijn vormgegeven. Een aantal hebben in de jaren voorafgaand aan de pilot een intensief professionaliseringstraject doorgemaakt, waarbij ook op het gebied van werving en selectie steeds meer wordt gekeken naar communicatieve vaardigheden. Zonder aanvullende aandacht voor dit punt kan men er niet zonder meer vanuit gaan dat handhavingsteams in andere gemeenten de juiste competenties in huis hebben om het dragen van de korte wapenstok op een verantwoorde wijze mogelijk te maken. In de pilot zijn daarnaast ook eisen gesteld aan de vooropleiding (MBO3/HTV opleiding) en aan ervaring (minimaal een jaar ervaring). Dergelijke eisen dienen zoveel als mogelijk te worden aangepast aan de lokale context, waarbij rekening kan worden gehouden met specifieke samenstelling van teams. Pilotgemeenten hebben het niet altijd als wenselijk ervaren om op persoonlijke kenmerken onderscheid tussen handhavers te maken bij het besluiten tot uitrusting met de wapenstok (bijvoorbeeld op grond van ervaring of opleidingsniveau).

Wel is het voorstelbaar dat het besluit om bepaalde boa’s wel of niet uit te rusten met een wapenstok mede wordt ingegeven op basis van het takenpakket en de gekozen inzet; als boa’s al in verschillende teams met verschillende taken werken, lijkt een aparte overweging ten aanzien van uitrusting wel op zijn plaats.

7.5.10 Aanvullende praktische training met aandacht voor de-escalerend optreden Met de training die geboden wordt om boa’s op hun taken voor te bereiden zijn in de pilots ervaringen opgedaan. In aanvulling op de RTGB-training, waarin correct gebruik van de wapenstok wordt getraind, laten de verschillende aanpakken van pilotgemeenten de waarde zien van aanvullende training. Zulke training kan zich richten op gesprekstechnieken, conflictbeheersing, weerbaarheid, en de-escalatie en de rol van eigen gedrag en eventuele inzet van de korte wapenstok hierin. Door een bijdrage te leveren aan een verbreding van handelingsmogelijkheden kan alleen al het aanbieden van dergelijke training al een belangrijke bijdrage leveren aan het veiligheidsgevoel van boa’s,. Dergelijke trainingen worden nog waardevoller gevonden, wanneer hierbij ook gebruik kan worden gemaakt van praktijkvoorbeelden, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de beelden van bodycams. Door training niet afzonderlijk maar gezamenlijk te organiseren met de politie kan dan al in de training worden voorgesorteerd op de samenwerking die gezocht wordt voor de uitvoering van het werk. Gezamenlijk trainen en oefenen en met een zekere regelmaat noemen zowel werkgevers als boa’s van belang voor een goede implementatie van de beoogde professionele samenwerking.

Ook geven de bevindingen van de pilots aanleiding om extra aandacht te besteden aan training op de juridische aspecten van gebruik van de wapenstok, waaronder aansprakelijkheid en in uiterste gevallen op strafrechtelijk gebied. Dergelijke training zou zich in de eerste plaats op boa’s moeten richten, maar er blijkt ook een behoefte om dergelijke kennis en training ook beter met werkgevers te delen.

WODC / PLATO / OCKHAM-IPS / ISGA/ Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) / mei 2022/ JvL, GJL

91

Literatuurlijst Aarten, P., Buiskool, B. J., Hudepohl, M., Lakerveld, J.A., van, & Matthys, J. (2020). Agressie en geweld in het veiligheidsveld. Abanonu, R. (2018). Abanonu, R. (2018). De-escalating police-citizen encounters. S. Cal. Rev. L. & Soc. Just., 27, 239. Abraham, M., Flight, S., & Roorda, W. (2011). Agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. Onderzoek voor Veilige Publieke Taak. Amsterdam: DSP. Abraham, M., & Soomeren, P. V. (2020). Buitengewoon veilig. Abraham, M., van Hoek, A., Hulshof, P., & Pach, J. (2007). Geweld tegen de politie in uitgaansgebieden. Amsterdam: DSP-Groep. Adang, O., van der Wateren, R., & Steernberg, J. (1999). Netten, stokken en sprays: nieuwe wapens voor de Nederlandse politie?. Elsevier Bedrijfsinformatie. Alfreðsdóttir, K. F. Less-lethal weapons in Icelandic law enforcement (Doctoral dissertation). Algemeen Dagblad /Haagsche Courant, Bodycam voor lokale handhavers, 17-10 2019 Anastasiu Cioaca, I. (2020). Humanising the smart city: Co-creation redefined in pursuit of systemic change (Doctoral dissertation, Queensland University of Technology). Andersen, J. P., Arble, E. P., & Collins, P. I. (2020). De-escalating Threat: The Psychophysiology of Police Decision Making. Frontiers in Psychology, 11, 1112. Arble, E. P., & Arnetz, B. B. (Eds.). (2021).

Interventions, Training, and Technologies for Improved Police Well-being and Performance. IGI Global. Ariel, B., Lawes, D., Weinborn, C., Henry, R., Chen, K., & Brants Sabo, H. (2019). The “less-than-lethal weapons effect”—introducing TASERs to routine police operations in England and Wales: a randomized controlled trial. Criminal justice and behavior, 46(2), 280-300. Ariel, B., Sutherland, A., Henstock, D., Young, J., Drover, P., Sykes, J., ... & Henderson, R. (2018). Paradoxical effects of self-awareness of being observed: Testing the effect of police body-worn cameras on assaults and aggression against officers. Journal of experimental criminology, 14(1), 19-47. Bervoets, E. J. A., & Rovers, G. B. (2016). Wat vindt het publiek van gemeentelijke handhavers?: onderzoek naar het imago van gemeentelijke handhavers in vijf gemeenten. Bureau Bervoets. Bosse, T., & Gerritsen, C. (2016, June). Towards serious gaming for communication training-a pilot study with police academy students. In International Conference on Intelligent Technologies for Interactive Entertainment (pp. 13-22). Springer, Cham. Bouwmeester, J., Doeschot, F. T., Noort, L. V., Straaten, G. V., & Vlaanderen, A. (2021). Tussenevaluatie-Handhaving van coronagedragsregels in de periode maart tot en met november 2020. Bouwmeester, J.

& Löb, Monitor Agressie en Geweld (2018), I en O research, Ministerie van BZK, Amsterdam 2018. Braga, A. A., Sousa, W. H., Coldren Jr, J. R., & Rodriguez, D. (2018). The effects of body-worn cameras on police activity and police-citizen encounters: A randomized controlled trial. J. Crim. L. & Criminology, 108, 511. Buys, A. (2020). The use of less-lethal weapons in law enforcement. Servamus Community-based Safety and Security Magazine, 113(12), 32-35. Clare, J., Henstock, D., McComb, C., Newland, R., & Barnes, G. C. (2021). The results of a randomized controlled trial of police body-worn video in Australia. Journal of experimental criminology, 17(1), 43-54. Coenen, C.J. (2016). Masterthesis Management van de Publieke Sector. Het imago van de boa openbare ruimte in Nederland. Mogelijke verklaringen voor het imago onderzocht.

WODC / PLATO / OCKHAM-IPS / ISGA/ Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) / mei 2022/ JvL, GJL

92

Cojean, S., Combalbert, N., & Taillandier-Schmitt, A. (2020). Psychological and sociological factors influencing police officers' decisions to use force: A systematic literature review. International journal of law and psychiatry, 70, 101569. Cowell, M., Corsi, C., Johnson, T., & Brinkley-Rubinstein, L. (2021). The factors that motivate law enforcement's use of force: A systematic review. American Journal of Community Psychology, 67(12), 142-151. Davies, G., Johnston, J., Hinton, T., Zdjelar, V., & Dawson, S. (2021). The truth does not always speak for itself: Subject Behavior-Officer Response reporting of police use of force. Police Practice and Research, 22(3), 1241-1258. De Croon, J., Kersten, J., Gutlich, M., Pistorius, R., Fonken, R., & van Ostaaijen, J. (2021). Boete of berisping. Waarom je in sommige gemeenten sneller een coronaboete krijgt. Een verkenning. Derks, S., Koeleman, M., Rombouts, N., Schouten, D., Sneek, J. & Unk, E. (2012). Uitgaansgeweld in Leiden. Leiden, Nederland: Universiteit Leiden. Deveau, L. (2021). Law enforcement agencies’ approach to de-escalation: Incorporating a social services perspective. Journal of Community Safety and Well-Being, 6(2), 66-70. Dijkstra, J.K. & Miedema, S. (2006). Geweld in het publieke domein: ongewoon of onvermijdelijk? Tijdschrift voor Criminologie, 49(1), 3-18. Di Nota, P. M., & Huhta, J. M. (2019).

Complex motor learning and police training: Applied, cognitive, and clinical perspectives. Frontiers in Psychology, 1797. Dryer-Beers, E., Braddock, R., & Wire, J. (2020). Conflict management: What works and risk factors. Dückers, M., Baliatsas, C., Gerbecks, J., & IJzermans, J. (2019). Gezondheidseffecten van blootstelling aan stroomstootwapens (Tasers) in de context van wetshandhaving. Dymond, A. (2020). Towards a socio-technical understanding of discretion: a case study of Taser and police use of force. Policing and society, 30(9), 998-1012. Eikenaar, T. (2017) Politiesubstituut of eigenstandige beroepsgroep?. Ellrich, K., & Baier, D. (2016, February). 6. Police Officers as Victims of Violence: Findings of a Germanywide Survey. In Representative studies on victimisation (pp. 139-162). Nomos Verlagsgesellschaft mbH & Co. KG. Engel, R. S., McManus, H. D., & Herold, T. D. (2020). Does de-escalation training work? A systematic review and call for evidence in police use-of-force reform. Criminology & Public Policy, 19(3), 721759. Eski, Y. (2018). A fear of coercion and accountability? Security officers and the non-use of force. Policing and society, 28(8), 985-998 Esselink, S.H., Raven, J., Broekhuizen, J. & Driessen, F.M.H.M. (2007). Agressie en geweld tegen ambtenaren van de gemeente Amsterdam in 2004 en in 2007. Utrecht, Nederland: Bureau Driessen.

Ferwerda, H, Hasselt van N, Ham van T en Voorham, L. (2012).De juiste snaar. Fischer, T., & van Reemst, L. (2014). Slachtofferschap in de publieke taak. Flight, S., Hartmann, A., Nauta, O., Hulshof, P., & Terpstra, J. (2012). Bestuurlijke strafbeschikking en bestuurlijke boete overlast. Flight, S. (2019). Evaluatie Pilot Bodycams Politie Eenheid Amsterdam 2017-2018. Politie en Wetenschap. Garner, J. H., Hickman, M. J., Malega, R. W., & Maxwell, C. D. (2018). Progress toward national estimates of police use of force. PloS one, 13(2), e0192932. Giacomantonio, C., Goodwin, S., & Carmichael, G. (2020). Learning to de-escalate: evaluating the behavioural impact of Verbal Judo training on police constables. Police Practice and Research, 21(4), 401-417. Ham, T. V., Kuppens, J., & Ferwerda, H. (2011). Mobiel cameratoezicht op scherp; Effecten op geweld tegen de politie en het politieproces in beeld. Report Bureau Beke. WODC / PLATO / OCKHAM-IPS / ISGA/ Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) / mei 2022/ JvL, GJL

93

Ham, T. V., Ferwerda, H., & Kuppens, J. (2010). Cameratoezicht in beweging. Ervaringen met nieuwe vormen van cameratoezicht bij de Nederlandse politie. Arnhem: Buro Beke. Hassell, K. D. (2020). The impact of crisis intervention team training for police. International journal of police science & management, 22(2), 159-170. Henriksen, S. V., & Kruke, B. I. (2020). The force continuum: Prevalence and characteristics of police use of coercive force. Nordic Journal of Studies in Policing, 7(1), 5-22. Ivanovski, J., & Nedev, A. (2020). Application of restraint devices as a method of protecting the personal safety of the police officers. Security & Future, 4(1), 17-19. Jacobs, M. J. G., Jans, M. E. W., & Roman, B. (2009). Aard en omvang van ongewenst gedrag tegen werknemers met een publieke taak: een vervolgonderzoek. IVA beleidsonderzoek en advies. James, L., James, S., & Vila, B. (2018). Testing the impact of citizen characteristics and demeanor on police officer behavior in potentially violent encounters. Policing: An International Journal. Johnson, C. (2021). Law Enforcement and Citizen's Perception on Police-Worn-Body-Cameras (Doctoral dissertation, Walden University). Kaminski, R. J., & Martin, J. A. (2000). An analysis of police officer satisfaction with defense and control tactics. Policing: An international journal of police strategies & management. Kemper, R., & Ruig, L. D.

(2009). Tussen agressiebeleid en praktijk: Aanpak van agressie en geweld in de publieke sector. Zoetermeer: Research voor Beleid. Knights Jr, S. N. (2021). Ethical Decision-Making Framework in Police Officers’ Use of the Force Continuum (Doctoral dissertation, Capella University). Koetsveld, R. V., Hartmans, R., Man, A. P. D., & Werven, R. V. (2016). Politiecultuur in beweging. Kruize, P., & Gruter, P. (2012). Politiële bewapening in perspectief. Kutylowski, M. (2020). Recommendations for improving encounters between law enforcement and mentally ill civilians. Lakerveld, J. V., Gussen, I., & Paridon, Y. V. (2018). Visies op de politiefunctie. Universiteit Leiden-Plato. Liebst, L. S., Philpot, R., Heinskou, M. B., & Lindegaard, M. R. (2019). Bystander intervention in street violence: Current evidence and implications for practice. Lith, N. (2009), Escalatie of de-escalatie. De effecten van de politie op het gedrag van omstanders. Scriptie 2008-2009. Meershoek, G., Nap, J., & van Spijk, L. In naam der wat?. Meijer, R. F., Moolenaar, D. E. G., Choenni, R., & van den Braak, S. W. (2021). Criminaliteit en rechtshandhaving 2020. Meulen, S. van der, Bromlewe, E. & Timmer, J.S. (2013), Evaluatie van de proef met de uitschuifbare wapenstok bij de politie, Veiligheid en Sociale cohesie. Windesheim.

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Monitor agressie en geweld 2018, Tweede kamerbrief met als kenmerk: 2018-0000431152, Den Haag, 24 juni 2018 Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. (2017). Kamerbrief Evaluatie Veilige Publieke Taak en borging resultaten VPT: Integer en veilig werken. Ministerie van Justitie en Veiligheid, Brief aan de burgemeesters inzake de randvoorwaarden voor de pilots en de aanvraagprocedure d.d. 15 juli 2020 Ministerie van Justitie en Veiligheid, Brief minister JenV aan de toezichthouders omtrent de te houden pilots en de toepassing van de beleidsregels boa’s d.d. 15 juli 2020. Ministerie van Justitie en Veiligheid, Inzet operationele sterkte, Tweede Kamer brief met als kenmerk 2429102, Den Haag 28 november 2018 Ministerie van Justitie en Veiligheid, Notitie aan het Landelijke Overleg Veiligheid en Politie resp. het Strategisch Beraad Veiligheid (beiden 25 mei 2020) Ministerie van Justitie en Veiligheid, Ruimte voor vertrouwen in blauw op straat, Tweede Kamer brief met als kenmerk 2438473, Den Haag 10 december 2018 WODC / PLATO / OCKHAM-IPS / ISGA/ Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) / mei 2022/ JvL, GJL

94

Ministerie van Justitie en Veiligheid, Tweede Kamer brief Beleidsreactie bij rapport: “Uit Balans” van de Inspectie Justitie en Veiligheid, met als kenmerk 2250643, Den Haag 26 april 2018 Ministerie van Justitie en Veiligheid, Tweede Kamer brief Landelijk beeld jaarwisseling 2019-2020, met als kenmerk 2793286, Den Haag 10 januari 2020 Ministerie van Justitie en Veiligheid, Tweede Kamer brief van 16 december 2019 (kamerstukken TK, 2019-2020, 29 628, nr. 931) Ministerie van Justitie en Veiligheid, Tweede Kamer brief van 5 juni 2020 (kamerstukken 2019-2020, 29 628, nr. 958) Ministerie van Justitie en Veiligheid, Verslag overleg Tweede Kamer 8 juni 2020 (kamerstukken TK, 2019-2020, 29 517, nr. 192) Ministerie van Justitie en Veiligheid, Verslag van een schriftelijk overleg d.d. 29 mei 2020 (kamerstukken TK, 2019-2020, 9 628, nr. 947) Muller, E.R., Zannoni, M., Ammerlaan, K., Schaap, S., Uildriks, N., van der Varst, L., Ferwerda, H., van Ham, I., van Leiden, I. & Adang, O. (2010). Ordeverstoringen en groepsgeweld bij evenementen en grootschalige gebeurtenissen: Scherpte en alertheid. Den Haag, Nederland: COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement. Muller, T., & Zeestraten, R. (2015). ‘Agressie in de tram’: Het perspectief van trambestuurders. Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit, 2015(2). Naeyé, J. (2010).

Uitgangspunten voor politieoptreden in agressie- en geweldsituaties. Amsterdam, Nederland: Reed Business, p. 160 Naeyé, J. (2009). Belediging en bedreiging van politiemensen. Apeldoorn: Politie en Wetenschap; Amsterdam: Vrije Universiteit. Naeyé, J. & Bleijendaal, R. (2008). Agressie en geweld tegen politiemensen; Beledigen, bedreigen, tegenwerken en vechten. Apeldoorn: Politie en Wetenschap; Amsterdam: Vrije Universiteit. Naeyé (red.), J., Bleijendaal, R.T.A., Brugman, C.M., Drenth, G., van Esveld, A., van der Ham, J., van Heuveln, J.J., Timmer, J.S., Visser, J. & Witzier, E.M. (2006). Hard én zacht: Geweld in de publiekscontacten van de politieregio Amsterdam-Amstelland. Amsterdam, Nederland: Vrije Universiteit Amsterdam. Nash, J. (2018). A Critical Examination of the Police Use of Tasers. Nationale Politie, Jaarwisseling 2019-2020 Landelijk beeld, Den Haag 7 januari 2020 Noppe, J. (2016). De discretionaire ruimte bij het gebruik van geweld: hoe kleiner, hoe beter?.Tijdschrift voor Criminologie, 58(4). Noppe, J., Ledegen, E. & Verhage, A. (2016). ‘Welke rol spelen angst en stress bij politiemensen in gevaarsituaties? Handboek Politiediensten (Vol. 115). Deventer, Nederland: Kluwer Noppe, J., & Verhage, A. (2017). Using force: experiences of Belgian police officers. Policing: An International Journal of Police Strategies & Management. Nouri, S. (2021).

Police use of force at street segments: Do street-level characteristics matter?. Journal of Criminal Justice, 77, 101862. Odekerken, M. W. A. (2017). Het incasseren van ongenoegen: deurwaarders en schuldenaren (Doctoral dissertation, University Utrecht). O'Connor, C. D., Koziarski, J., Frederick, T., Kosarolo, K., & Baker, V. (2021). Presenting a uniformed self: Symbols of safety in police auxiliary members' perceptions. International Journal of Police Science & Management, 14613557211032614. O’Neill, M., de Maillard, J., & van Steden, R. (2022). The enforcement turn in plural policing? A comparative analysis of public police auxiliaries in England & Wales, France, and The Netherlands. European Journal of Criminology, 14773708211070203.

WODC / PLATO / OCKHAM-IPS / ISGA/ Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) / mei 2022/ JvL, GJL

95

Oliva, J. R., Morgan, R., & Compton, M. T. (2010). A practical overview of de-escalation skills in law enforcement: Helping individuals in crisis while reducing police liability and injury. Journal of Police Crisis Negotiations, 10(1-2), 15-29. Openbaar Ministerie. Tjiong, M.K.T. (2018) Gebruik van handboeien door een BOA. Onderzoek naar de toelaatbaarheid van handboeien voor de op heterdaad aangehouden verdachte op een strafbaar feit buiten het taakgebied van de buitengewoon opsporingsambtenaar. Papy, A., Lemaire, E., Robbe, C., & Nsiampa, N. (2019). Police Use of Non-lethal Weapons: Analysis of Real Cases. Human Factors and Mechanical Engineering for Defense and Safety, 3(1), 1-10. Peeters, R., Ferket, J., & Van Leeuwen, A. D. (2012). Geweld tegen gezagsdragers. Over publieke professionals als spil in de gezagsparadox. T. Janssen, G. van den Brink & R. Kneyber, Gezagsdragers, Amsterdam: Boom, 2012, 246-262. Roeleveld, W. & Bakker, I., Drost, L.F. & Nap, E.J. (2010). Slachtoffers van geweld binnen de publieke taak. Utrecht. Verwey-Jonker Instituut. Rohrer, A. J. (2021). Law enforcement and persons with mental illness: responding responsibly. Journal of police and criminal psychology, 36(2), 342-349. Shjarback, J. A., & White, M. D. (2016). Departmental professionalism and its impact on indicators of violence in police–citizen encounters. Police quarterly, 19(1), 32-62.

Sierra-Arévalo, M. (2019). Technological Innovation and Police Officers' Understanding and Use of Force. Law & society review, 53(2), 420-451. Sikkema, C. Y., Abraham, M., & Flight, S. (2007). Ongewenst gedrag besproken. Ongewenst gedrag tegen werknemers met een publieke taak. Amsterdam: DSP-groep. Smit, A. S., Slagmolen, N., & Brepoels, M. (2015). Weerbaarheid onderzocht (2010-2015): Over menselijke processen in het politiewerk. Boom Lemma uitgevers. Snippe, J., de Muijnck, J. A., Kamperman, M., & Pieper, R. (2021). Effecten van preventie. Staller, M. S., & Körner, S. (2019). Commentary: complex motor learning and police training: applied, cognitive, and clinical perspectives. Frontiers in Psychology, 2444. Stroshine, M. S., & Brandl, S. G. (2020). The use, effectiveness, and hazards associated with police use of force: The unique case of weaponless physical force. Police Practice and Research, 21(6), 591608. Timmer, J. S. (2019). Bewapenen boa’s is onlogisch en onverstandig. Timmer, J. S., & Cozijn, V. M. (2016). Geweld door politie. Handboeken Veiligheid. Timmer, J. & Visser, R. (2015). Gepast geweld: Geweld van en tegen de politie in 2010. Todak, N. (2017). De-escalation in police-citizen encounters: A mixed methods study of a misunderstood policing strategy (Doctoral dissertation, Arizona State University). Ufkes, E. G., Giebels, E., Hilbrands, P., & Vogel, J. (2015).

Modellenboek trainingen agressie en geweld in de publieke context. Ufkes, E.G., Giebels, E., Literatuurverkenning Agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak, Ministerie Van BZK, Enschede 2014 Van der Spek, S. Een dikke huid en een brede rug. Van der Torre, E. J., Gieling, M., Bruinsma, M. Y., Jans, M., & Linden, M. (2013). Bedreigen en intimideren van OM-en politiemedewerkers: een onderzoek naar frequentie, aard, gevolgen en aanpak.. Van der Torre, E. J., Gieling, M., Tannous, T., Holvast, R., & Van Os, P. (2014). Over de grens. Een empirische studie naar arbeidsgerelateerd geweld tegen politiemensen in werk-en privétijd. Amersfoort: Politieacademie. Van der Torre, E. J., Gieling, P. J., Dozy, M. C., Van Leeuwen, F. C., & Hamoen, W. (2011). Veilig Politiewerk: De basispolitie over geweldgebruik. Van der Torre, E.J., Gieling, P.J., Dozy, M.C., van Leeuwen, F.C., Hamoen, W. (2011). Veilig Politiewerk: De basispolitie over geweldgebruik. Den Haag, Nederland: Boom Lemma. WODC / PLATO / OCKHAM-IPS / ISGA/ Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) / mei 2022/ JvL, GJL

96

Van Middelaar, R. (2013). Eindrapportage Geweldplegers VPT: Onderzoek naar plegers van geweld tegen werknemers met een publieke taak. Utrecht, Nederland: Veiligheidshuis Regio Utrecht. Van Oostenbrugge, L. (2019) Onderzoeksrapport.. van Reemst, L., Fischer, T. F., & Zwirs, B. W. (2014). Reactiekeuzes van politieambtenaren en de kans op geweldsincidenten. Mens & Maatschappij, 89(1), 5-31. van Reemst, L., Fischer, T., & Zwirs, B. (2013). Geweld tegen de politie. van Steden, R. (2017). De opsporings-en handhavingstaak van de Nederlandse politie: een kritische reflectie en lessen uit het buitenland. Stichting Maatschappij en Veiligheid. Van Stokkom, B., & Terpstra, J. B. (2021). Meer armslag voor Boa's. Volwaardig handhaven in de openbare ruimte. Ontwikkelingen, knelpunten en toekomstperspectief. Van Stokkom, B. (2013). Met gezag! Agressie tegen werknemers met een publieke taak: Inzicht en uitzicht. Book Lemma uitgevers. Van Uden. A. (2014). State of the art geweld: Aard en omvang, daders, slachtoffers, risicofactoren en aanpak. Apeldoorn, Nederland: Politieacademie. Van Vugt, M. & Bogaerts, S. (2007). Aard en omvang agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak: Quick Scan. Tilburg, Tilburg University/Intervict. Van Zuidam, E. (2010). Programma Veilige Publieke Taak, Witte vlekken analyse.

Den Haag, Nederland: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Van Zwieten, M., M., de Vroome, E. & van den Bossche, S. (2016). Monitor Veilige Publieke Taak 2016: Rapport voor Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Programma Veilige Publieke Taak. Leiden, Nederland: TNO. Van Zwieten, M., M., de Vroome, E. & van den Bossche, S. (2015). Monitor Veilige Publieke Taak 2015: Rapport voor Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Programma Veilige Publieke Taak. Leiden, Nederland: TNO. Van Zwieten, M., Bakhuys Roozeboom, M., de Vroome, E. & van den Bossche, S. (2014). Monitor Veilige Publieke Taak 2014: Rapport voor Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Programma Veilige Publieke Taak. Leiden, Nederland: TNO. Verschuren, S., Fischer, T. & Zwirs, B. (2011). Slachtofferschap onder treinconducteurs: De rol van sociale informatieverwerking. Tijdschrift voor Criminologie, 53(3), 194-213, p. 208 VeiligheidNL, Cijferrapportage Vuurwerkongevallen jaarwisseling 2019-2020, Amsterdam 2020 Verhage, A., Noppe, J., Feys, Y., & Ledegen, E. (2018). Force, stress, and decision-making within the Belgian police: the impact of stressful situations on police decision-making. Journal of Police and Criminal Psychology, 33(4), 345-357. Visser, R.S.M., & Timmer, J.S. (2015).

Ongepast geweld: Onderzoek naar de afwikkeling van geweld tegen dienstverleners in Amsterdam-Amstelland. Amsterdam, Nederland: Vrije Universiteit Amsterdam. White, M. D., Mora, V., & Orosco, C. (2021). Exploring Variation in Police Perceptions of De-Escalation: Do Officer Characteristics Matter?. Policing: A Journal of Policy and Practice, 15(2), 727-740. Wood, J. D., & Watson, A. C. (2017). Improving police interventions during mental health-related encounters: past, present, and future. Policing and society, 27(3), 289-299.

WODC / PLATO / OCKHAM-IPS / ISGA/ Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) / mei 2022/ JvL, GJL

97

Annex I – Verantwoording onderzoeksmethoden Concretisering van de uitgangspunten De specifieke dataverzamelingsmethoden zijn nader uitgewerkt op basis van de principes zoals geïntroduceerd in hoofdstuk 2. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Brede benadering stakeholders: In het onderzoek is het gebruik van de korte wapenstok en de effecten vanuit de verschillende niveaus (systeem, organisatie, incident en individueel) en verschillende stakeholders bestudeerd en zijn deze perspectieven met elkaar geconfronteerd. Om deze reden zijn een grote verscheidenheid aan belanghebbenden in de monitor en evaluatie betrokken, zoals werkgevers, politie, OM, boa’s (en boa bonden), en ministerie JenV. • Principe van data triangulatie: Om tot een afgewogen oordeel van mogelijke sterktes en knelpunten te komen van het gebruik van de korte wapenstok is het gebruik vanuit verschillende perspectieven bekeken en is de dataverzameling vanuit verschillende onderzoeksmethodieken ondersteund (academische) literatuur; analyse van databestanden; interviews; focus groepen, enquêtes). • Meten van ervaring en perceptie: De evaluatie beschrijft en analyseert zowel de ervaringen met inzet van de korte wapenstok, alsook de perceptie van verschillende betrokkenen van een aantal variabelen.

De opzet is gericht op het identificeren en beter begrijpen van de contextuele factoren waarin de korte wapenstok wordt ingezet. • Gebruik van vignetmethode/ hypothetische casus: Bij het bevragen van concrete ervaringen en percepties is niet alleen gevraagd naar de directe ervaring van boa’s met een korte wapenstok. Dergelijke inzichten zijn belangrijk, maar leveren op zichzelf niet voldoende verklarende waarde. Daarom zijn boa’s met en zonder wapenstok zowel in de beginfase als na afloop van de pilot gevraagd te reflecteren op vier fictieve situaties waarin een korte wapenstok mogelijk een rol kan spelen. Onze aanpak is hierbij geïnspireerd door de ‘vignetmethode’. Aan de hand van bewust wisselende kenmerken in de voorgelegde casusbeschrijvingen ontstaat een vollediger beeld over overwegingen van boa’s, in plaats van slechts een algemeen oordeel of mening. Voor elk van deze vier fictieve situaties zijn vervolgens lichte variaties in de mate van gevaarzetting voorgelegd, hetgeen resulteerde in 16 verschillende ‘vignetten’, die de basis vormen voor verdere empirische analyse. We vroegen boa’s voor elk van deze vignetten te reflecteren op de meerwaarde van de korte wapenstok, hun gedrag in elke geval, en de eventuele (verwachte) consequenties van het inzetten van de korte wapenstok op de situatie. De resultaten van deze vignettenanalyse zijn in het rapport opgenomen als annex V.

• Evalueren in gezamenlijkheid met gemeenten: Gemeentelijke deelname aan de pilot houdt ook in dat de gemeenten (en ook de geselecteerde controle gemeenten) actief bijdragen aan de monitoring en evaluatie. Deze medewerking is essentieel voor een goede monitoring en evaluatie, maar het is ook van belang voor de gemeenten zelf aangezien zij ook lessen willen trekken over welke aanpak werkt in welke context. De betrokkenheid van de gemeenten en de relevante betrokkenen (BenW, politie, OM) betrof in dit onderzoek het volgende: 1) Het verstrekken van informatie over de specifieke gemeentelijke aanpak, overwegingen en gewenste effecten van de gemeentelijke aanpak (gemeentelijke beleidstheorie) 2) Het identificeren van deelnemende boa’s en niet deelnemende boa’s die wel aan de voorwaarden voldoen (interne controlegroep) 3) Inzicht verstrekken in de registratiesystemen voor incidenten en – waar noodzakelijk voor de evaluatie – de registratiesystemen aanpassen om de juiste informatie vast te leggen

WODC / PLATO / OCKHAM-IPS / ISGA/ Evaluatie van de inzet en het gebruik van de korte wapenstok door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) / mei 2022/ JvL, GJL

98

• Selectie van gemeenten (niet-deelnemende gemeenten): Een gevarieerde groep van zes gemeenten die niet deelnemen aan de pilot diende als vergelijkingsmateriaal om eventuele bevindingen beter te kunnen interpreteren. Trends die zichtbaar werden in verschillende deelnemende gemeenten konden zodoende worden vergeleken met de aanpak in gemeenten die aan vergelijkbare trends onderhevig zijn, maar hun boa’s niet met de korte wapenstok uitgerust hebben. Deze controlegemeenten zijn geselecteerd op basis van de volgende criteria: o Een verdeling tussen grootstedelijk (2), stedelijk (2) en landelijke (2) gemeenten o Een diversiteit tussen de geselecteerde gemeenten in de mate van inzet van andere verdedigingsmiddelen o Een aantal gemeenten die wel een aanvraag voor deelname heeft gedaan maar die niet is gehonoreerd, aangevuld met gemeenten die geen interesse hadden getoond in uitrusting van boa’s met de korte wapenstok. o Geografische spreiding

Overzicht van het onderzoek en bijbehorende onderzoeksmethodiek De onderzoeksvragen zoals eerder geformuleerd in hoofdstuk 2 vormen het raamwerk waarbinnen de evaluatie is uitgevoerd. Hieronder staat nader beschreven hoe dit raamwerk de behoefte voor specifieke onderzoeksmethoden voedt. Registratiesystemen Documentstudie

Vragenlijsten

Interviews

Analyse taken/ taakuitvoering Redenen gemeente voor (het afzien van) deelname pilot en onderbouwing veiligheidsrisico’s Aangeboden/ vereiste training voor inzet geweldsmiddelen Aanvullende ondersteuning voor inzet geweldsmiddelen Registratie (gemeente/ politie) van geweld tegen/door Boa’s (incl. klachten over geweldsgebruik) Geweldsmeldingen gerapporteerd aan OM (naar aantal, aard, context, gevolg, incl. evt. verklaring voor trends) Veiligheidsbeleving onder BOA’s (aard van incidenten, samenwerking politie, beschikbare middelen) Ervaringen van werkgevers en boa’s met de korte wapenstok in specifieke situaties

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12237038/1