CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Wijzigingsbesluit Omgevingsplan Veegwijziging.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 7 januari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Veegwijziging (VN2025-015286)46.745 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

193 alinea's met “omgevingsplan”: 1 2 3 5 8 10 16 18 20 29 48 50 57 59 83 85 94 101 103 115 119 121 123 125 127 132 134 136 142 165 168 179 189 190 191 195 200 228 253 257 …

Besluit van de raad van de gemeente Amsterdam tot wijziging van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam in verband het aanbrengen van diverse ondergeschikte verbeteringen van uiteenlopende aard (Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Veegwijziging) De raad van de gemeente Amsterdam, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van DATUM PM, gelet op: a. artikel 2.4 van de Omgevingswet, dat bepaalt dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen; b. artikel 16.30 en artikel 16.23, eerste lid, Omgevingswet, die bepalen dat: 1. op de voorbereiding van een omgevingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, met dien verstande dat een ieder een zienswijze bij de gemeenteraad mag indienen omtrent het ontwerp wijzigingsbesluit; 2. de artikelen 3:43 tot en met 3:45 en afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn op een omgevingsplan; c. de binnengekomen zienswijze en de beantwoording daarvan, zoals opgenomen in onderdeel 2 van de motivering; d. de wijzigingen die ten opzichte van het ontwerpbesluit zijn aangebracht, zoals opgenomen in bijlage I Nota van wijzigingen; e.

artikel 16.78, eerste lid, Omgevingswet, dat bepaalt dat een wijziging van een omgevingsplan in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekend gemaakt; Besluit;

Artikel I Het Omgevingsplan gemeente Amsterdam wordt gewijzigd conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A, waarbij ten opzichte van het ontwerp wijzigingsbesluit, zoals dat ter inzage heeft gelegen, de wijzigingen zijn aangebracht zoals opgenomen in bijlage 1.

Artikel II Dit besluit treedt in werking vier weken na bekendmaking ervan.

Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Veegwijziging. Aldus vastgesteld in de vergadering van PM De voorzitter Femke Halsema De raadsgriffier Jolien Houtman

Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.

1

Tegen het wijzigingsbesluit kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat kan alleen voor zover het besluit betrekking heeft op het wijzigingen van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam. Beroep kan worden ingesteld gedurende de beroepstermijn die loopt van PM tot PM. Het beroep dient te worden gericht aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

’s-Gravenhage. Voor het op andere wijze dan schriftelijk instellen van beroep, wordt verwezen naar de website van de Raad van State. Een belanghebbende kan altijd beroep instellen, ook als hij geen zienswijzen heeft ingediend op het ontwerpwijzigingsbesluit. Een niet-belanghebbende kan ook beroep instellen als hij: - een zienswijze tegen het ontwerpwijzigingsbesluit heeft ingediend; of - geen zienswijze heeft ingediend en kan aantonen dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om zienswijzen in te dienen; of - beroep wil instellen tegen wijzigingen die de raad bij de vaststelling van het wijzigingsbesluit ten opzichte van het ontwerpwijzigingsbesluit heeft aangebracht. Het wijzigingsbesluit treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. Dat is op donderdag PM. Het instellen van beroep heeft geen schorsende werking. Dat betekent dat het wijzigingsbesluit, ook al is er beroep ingesteld, in werking treedt. Degene die beroep heeft ingesteld kan de Voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak verzoeken om met het oog op onverwijlde spoed een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek dient geadresseerd te worden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ter attentie van de Voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak, postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Onder de Omgevingswet heeft een verzoek om voorlopige voorziening géén schorsende werking. Dat betekent dat het indienen van een voorlopige voorziening er niet automatisch voor zorgt dat een omgevingsplan voorlopig niet uitgevoerd kan worden. Dat gebeurt pas als de voorzieningenrechter een verzoek om voorlopige voorziening geheel of gedeeltelijk toewijst.

2

Bijlage A Bijlage bij artikel I A Artikel 2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.3 Vangnetbepaling strijdig gebruik 1.

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3.

2.

In afwijking van het eerste lid is het ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3, voor zover die van toepassing zijn.

3.

In afwijking van het eerste lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3, voor zover die van toepassing zijn.

4.

In aanvulling op het tweede lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, zonder dat daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken.

5.

Tot een gebruik dat in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel, bedoeld in het eerste lid, behoort in elk geval het inrichten en/of gebruiken van gronden en bouwwerken voor: a. groenvoorzieningen en waterpartijen; b. nutsvoorzieningen; c. ontsluitingsinfrastructuur ten behoeve van het gebruiksdoel; d. het voorzien in de eigen parkeerbehoefte.

6.

Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. een bouwwerk dat met toepassing van artikel 4.19 is toegestaan; b. een bijbehorend bouwwerk dat op grond van afdeling 5.3 is toegestaan.

B Artikel 2.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.20 Kamerverhuur

3

1.

Woonruimte is uitsluitend toegestaan in de vorm van zelfstandige woonruimte, tenzij: a. de woonruimte is gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor zover die vergunning voorziet in het realiseren van onzelfstandige woonruimten; b. de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde omzettingsvergunning is verleend; of c. het een omzetting naar een onzelfstandige woning betreft die in de Huisvestingsverordening is vrijgesteld van vergunningplicht als bedoeld in artikel 21 lid 1 onder c van de Huisvestingwet.

2.

In aanvulling op het eerste lid, onder a en b, is onzelfstandige woonruimte ook toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'onzelfstandige woonruimte toegestaan'.

3.

In afwijking van het eerste lid, onder c, is omzetting naar onzelfstandige woonruimte niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'onzelfstandige woonruimte niet toegestaan'.

3 4. Als onzelfstandige woonruimte is toegestaan, is ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal onzelfstandige woonruimten' het minimum aantal onzelfstandige woonruimten de daar bepaalde waarde. 4 5. Als onzelfstandige woonruimte is toegestaan, is ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal onzelfstandige woonruimten' het maximum aantal onzelfstandige woonruimten de daar bepaalde waarde. C Artikel 2.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.57 Beperkende regel over waar smartshops, headshops, seedshops, growshops en naar de aard daarmee vergelijkebare vormen van detailhandel zijn toegestaan Een smartshop, headshop, seedshop, growshop en naar de aard daarmee vergelijkebarevergelijkbare vormen van detailhandel zijn niet toegestaan, met uitzondering van: a. smartshops ter plaatse van de aanduiding 'smartshop'; b. headshops ter plaatse van de aanduiding 'headshop'; c. seedshops ter plaatse van de aanduiding 'seedshop'; d. growshops ter plaatse van de aanduiding 'growshop'. D Artikel 2.85 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.85 Toestaan bedrijven met maatwerkvoorschrift 1.

In afwijking van artikel 2.83 of artikel 2.84 kan per maatwerkvoorschrift op verzoek of ambtshalve een bedrijf op een locatie worden toegestaan indienvoor zover dat bedrijf niet meer geluid, geur en stof uitstoot dan bedrijven die op grond van artikel 2.83, respectievelijk artikel 2.84 op die locatie zijn toegestaan.

2.

Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden de volgende gegevens verstrekt: a. een beschrijving van de voorgenomen activiteit; b. een beschrijving van de te verwachten uitstoot van geluid, geur en stof; en c. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen om de uitstoot van geluid, geur en stof in de omgeving te beperken.

3.

Om te borgen dat er wordt voldaan aan het eerste lid kan het bevoegd gezag in het maatwerkvoorschrift onder meer: a. het treffen van maatregelen of voorzieningen verplichten; b. aan de bedrijfsactiviteit beperkingen stellen; c. aanwijzingen geven.

E Artikel 2.86 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.86 Bestaande bedrijven: eerbiedigende werking Onverminderd het bepaalde in artikel 2.83 en 2.84 zijn ook bedrijven toegestaan die in bijlage VII zijn opgenomen. F Artikel 2.188 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

4

Artikel 2.188 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water', toegestaan gebruik 1.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' hebben als gebruiksdoel waterberging, waterhuishouding en het realiseren, in stand houden en gebruiken van watervoorzieningen, waaronder in ieder geval worden begrepen sloten, vijvers, vaarten, kanalen, grachten, plassen, waterwegen en overige waterpartijen.

2.

Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' in elk gevalmede bedoeld voor het realiseren, in stand houden en gebruiken van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken: a. bruggen; b. beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken; c. groenvoorzieningen van ondergeschikte omvang; d. nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen; e. waterstaatkundige werken.

3.

Bij het realiseren, in stand houden en gebruiken van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.

4.

Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.

G Artikel 2.195 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.195 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer', toegestaan gebruik 1.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' hebben als gebruiksdoel het realiseren, in stand houden en gebruiken van wegen, stationsvoorzieningen, spoorwegen, metrolijnen, trambanen, woonerven, parkeervoorzieningen, voet- en fietspaden en pleinen.

2.

Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' in elk gevalmede bedoeld voor het realiseren, in stand houden en gebruiken van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken: a. bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen, taluds en zijkanten, waterstaatkundige en civieltechnische (kunst)werken, alsmede de aan de wegen liggende parkeerplaatsen; b. beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare ondergeschikte werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken; c. groenvoorzieningen en watervoorzieningen; d. nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen.

3.

Bij het realiseren, in stand houden en gebruiken van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.

4.

Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.

H Subparagraaf 2.3.14.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

5

Subparagraaf 2.3.14.3 Aanvullende regels over publiektoegankelijke parkeervoorzieningen en fietsstalling Artikel 2.205 Publiektoegankelijke parkeervoorzieningen 1.

Gebouwde publiektoegankelijke parkeervoorzieningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebouwde publiektoegankelijke parkeervoorziening'.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' moetenworden de gronden worden ingericht en gebruikt als parkeerterrein.

3.

Ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal publiektoegankelijke parkeerplaatsen' bedraagt het minimum aantal parkeerplaatsen dat in ieder geval beschikbaar dient te zijn voor publiektoegankelijk gebruik de daar bepaalde waarde.

4.

Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal publiektoegankelijke parkeerplaatsen' bedraagt het maximum aantal parkeerplaatsen dat publiektoegankelijk mag zijn de daar bepaalde waarde.

Artikel 2.206 Publiektoegankelijke fietsstalling 1.

Ter plaatse van de aanduiding 'publiektoegankelijke (brom)fietsstalling' moetwordt een publiektoegankelijke (brom)fietsstalling worden gerealiseerd en in stand gehouden.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal publiektoegankelijke fietsstallingsplaatsen' bedraagt het minimum aantal fietsstallingsplaatsen dat in ieder geval beschikbaar dient te zijn voor publiektoegankelijk gebruik de daar bepaalde waarde.

I Artikel 2.208 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.208 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen', toegestaan gebruik

J

6

1.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' heeft als gebruiksdoel het realiseren, in stand houden en gebruiken van groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen.

2.

Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' mede bedoeld voor het realiseren, in stand houden en gebruiken van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken: a. voet- en fietspaden, speelplekken en speelvoorzieningen, straatmeubilair, objecten van beeldende kunst, en overige naar aard en omvang ondergeschikte bouwwerken en verhardingen; b. faciliteiten en bouwwerken in de openbare ruimte ten behoeve buitensportactiviteiten, zoals skateboarden, panna, freestyle footbal en urban sport parcours; c. vijvers, sloten, waterlopen, waterwegen en overige waterpartijen met bijbehorende beschoeiingen, (aanleg)steigers, bruggen en daarmee vergelijkbare naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken die zich verdragen met het in het tweedeeerste lid, gestelde doel bedoeld gebruiksdoel; d. nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen; e. waterstaatkundige werken.

3.

Bij het realiseren, in stand houden en gebruiken van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.

4.

Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.

Artikel 2.214 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.214 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de volgende aanduidingen: a. 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV'; b. ' gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV '; c. 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV'. K Artikel 3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.1 Toepassingsbereik De regels in dit hoofdstuk hebben betrekking op het gebruik van gronden en bouwwerken, en op de inrichting van terreinen. L Na afdeling 3.2 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 3.3 INRICHTINGSPLANNEN Artikel 3.53 Toepassingsbereik 1.

Deze afdeling gaat over de inrichting van terreinen waarvoor op grond van de bepalingen in deze afdeling een inrichtingsplan van toepassing is.

2.

Deze afdeling is aanvullend op regels over de inrichting van terreinen die elders in dit omgevingsplan zijn gesteld.

M Artikel 4.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.10 Toepassingsbereik 1.

In deze paragraaf worden bouwwerken aangewezen waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is.

2.

Op bouwwerken waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is, iszijn artikel 2.3 en artikel 5.6 onverkort van toepassing.

N Artikel 4.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.12 Uitzondering op de vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken, ruimtelijke regels over bouwwerken onverkort van toepassing 1.

7

Het verbod, bedoeld in artikel 4.7, geldt niet voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als die activiteit betrekking heeft op: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. gelegen in achtererfgebied; 3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; 4. niet hoger dan 5 m;

5.

b.

c.

d.

e. f.

g.

h. i.

j. k.

2.

de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. niet hoger dan 5 m; en 3. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.24 zijn, gelet op artikel 4.26, niet van toepassing; 2. voorzien van een plat dak; 3. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; 4. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; 5. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 6. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet hoger dan 4 m; en 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1.

hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; 2. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om: 1. een silo; of 2. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; 2. geen uitbreiding van het bouwvolume; 3. geen toename van de bouwhoogte; en 4. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen; een tuinhuis, kas of berging ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: volkstuinpark’;. gewoon onderhoud in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet worden gewijzigd.

Het eerste lid laat onverlet dat bij een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die betrekking heeft op een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan moet worden aan artikel 5.6.

O Artikel 4.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.13 Vanwege cultureel erfgoed geldende beperking op artikel 4.12, vergunningplicht artikel 4.7 van toepassing 1.

8

Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 4.12, eerste lid, niet van toepassing, met uitzondering van het bepaalde onder ki, voor zover het betreft inpandige aanpassingen.

2.

Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 4.12, eerste lid, niet van toepassing, met uitzondering van het bepaalde in de aanhef en onder d tot en met i, van dat artikel.

3.

Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' of 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' is gegeven, is artikel 4.12, eerste lid, alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

4.

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is artikel 4.12, eerste lid, aanhef en onder a en b, niet van toepassing als in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan voor de locatie waarop de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verricht, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit.

5.

Het vierde lid is niet van toepassing als het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

P Artikel 4.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.16 Beoordelingsregel met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken

9

1.

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 2.3 en artikel 5.6.

2.

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit bouwwerken passend is binnen: a. een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken of het gebruik van bouwwerken; of b. een onder oud recht verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken of het gebruik van bouwwerken.

3.

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geweigerd op grond van het eerste lid, als: a. in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels; en b. het bevoegd gezag, gelet op artikel 22.281, van oordeel is dat de vergunning met toepassing van de onder a bedoelde regels kan worden verleend.

4.

In afwijking van de voorgaande leden wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag: a. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; b. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde,

c.

vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

Q Artikel 4.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.19 Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.6, en een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken om die reden zou moeten worden geweigerd, kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.16, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op: a. een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover dat vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet vergunningvrij is toegestaan; b. een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.12, voor zover daarop vanwege artikel 4.14 of artikel 4.13 de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, van toepassing is; c. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits: 1. voor zover gelegen binnen de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: I. niet hoger dan 5 meter; II. de oppervlakte niet meer dan 500 m2; en 2. voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: I. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, II. de oppervlakte niet meer dan 150 m2; d.

een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2.29, onder p, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat niet voldoet aan de in dat artikel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet hoger dan 6 m; en 2. oppervlakte niet meer dan 50 m²; e. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet hoger dan 10 m; en 2. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; f. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw; g. een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m; h. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998; i.

een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen; j. het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied; k j. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zoals gedenktekens, plastieken, straatmeubilair, vrijstaande muren, keermuren, trapconstructies, bebouwing ten behoeve van al dan niet ondergrondse afvalopslag, geluidwerende voorzieningen, steigers, duikers en andere waterstaatkundige werken, voor zover die niet reeds op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn toegestaan; l k. overschrijdingen van het bouwvlak, voor zover die in het belang zijn van een ruimtelijke en/of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, wegen en anderszins, of die

10

m l.

n m.

o n.

p o.

noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer bedraagt dan 1 meter; overschrijdingen van het bouwvlak ten behoeve van bordessen, erkers, galerijen, buitentrappen, pothuizen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen ter hoogte van de eerste bouwlaag, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 3 meter bedraagt; overschrijdingen van het bouwvlak ten behoeve van luifels, erkers en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen vanaf de tweede bouwlaag, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 3 meter bedraagt; overschrijdingen van het bouwvlak ten behoeve van hijsinrichtingen voor zover deze de vrije doorgang van het verkeer niet belemmeren, en mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 2 meter bedraagt; overschrijdingen van de maximum bouwhoogte ten behoeve van dakopbouwen, hijsinrichtingen, trappenhuizen, liftinstallaties en andere technische installaties, schoorstenen, andere vergelijkbare bouwwerken en ondergeschikte delen van gebouwen, mits de overschrijding ten opzichte van de maximum bouwhoogte, bedoeld in de artikel 5.17, niet meer bedraagt dan 3 meter en deze worden gerealiseerd op tenminste een aan de hoogteoverschrijding gelijke afstand van elke dakrand.

R Artikel 4.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.20 Beoordelingsregels van toepassing op artikel 4.19 1.

Aan artikel 4.19 wordt alleen toepassing gegeven als: a. de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat; b. door de activiteit de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de locatie en de omgeving daarvan niet onevenredig wordt aangetast; c. het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet; d. de activiteit, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, niet plaatsvindt op een locatie als bedoeld in artikel 5.11; e. de activiteit, voor zover die leidt tot een overschrijding van de maximum bouwhoogtes zoals die zijn bepaald in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol, in overeenstemming is met: 1. een door de verantwoordelijke minister afgegeven verklaring van geen bezwaar bij overschrijding van de toegestane bouwhoogte zoals bepaald in artikel 2.2.2 van dat besluit; of; 2. een door de Inspectie Leefomgeving en Transport afgegeven advies bij overschrijding van de toegestane bouwhoogte zoals bepaald in artikel 2.2.2a van dat besluit; f. de activiteit, voor zover die leidt tot een overschrijding van de maximum bouwhoogtes zoals die is bepaald in artikel 4.109, onder f, van de Omgevingsverordening Noord-Holland 2022, in overeenstemming is met door gedeputeerde staten afgegeven verklaring van geen bezwaar; en g.

het gebruik van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming is met artikel 2.3.

2.

Aan artikel 4.19, aanhef en onder c, wordt geen toepassing gegeven als sprake is van strijd met een instructieregel, gesteld in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of in de provinciale omgevingsverordening.

3.

Bij de toepassing van artikel 4.19, wordt rekening gehouden met het belang van het voorkomen van hittestress, het behoud van groen, en het rainproof maken van Amsterdam.

S Artikel 4.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.23 Overige beoordelingsregels onverkort van toepassing, uitzonderingen

11

1.

Bij toepassing van artikel 4.19 zijn de overige in paragraaf 4.2.4 opgenomen beoordelingsregels onverkort van toepassing.

2.

Voor zover toepassing wordt gegeven aan artikel 4.19 en de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken heeft uitsluitend betrekking op een bouwwerk bedoeld in artikel 4.19, eerste lid, onder a of b, blijven in afwijking van het eerste

lid de beoordelingsregels genoemd in de subparagrafen 4.2.4.3 tot en met 4.2.4.7 buiten toepassing. T Artikel 4.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.24 Beoordelingsregel met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken 1.

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doetdoen aan een goede omgevingskwaliteit.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.

3.

Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.

4.

Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

U Artikel 4.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.32 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie

12

1.

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.29, tweede tot en met vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen; en c. als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving: een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.; d. als een andere beschermende maatregel, bedoeld in artikel 4.28, eerste lid, aanhef en onder c, wordt getroffen: een toetsing volgens het toetsingsmodel Risicotoolbox bodem, waarmee wordt aangetoond dat geen sprake is van overschrijding van het maximaal toelaatbaar humaan risico.

2.

In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouwof sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 voor zover sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.

3.

In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt ter plaatse van de aanduiding 'uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ongeacht de resultaten van het vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a Besluit activiteiten leefomgeving.

4.

Het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk indien uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen.

5.

De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

V Artikel 4.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.41 Vergunningvoorschriften met betrekking tot windhinder en windgevaar Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden dekunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare windhinder of windgevaar. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op: a. het nemen van windhinder beperkende maatregel in, op, aan of bij de bebouwing; en b. de vormgeving van bovengrondse bebouwing. W Artikel 4.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.56 Vergunningvoorschriften Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden dekunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen een onaanvaardbare mate van geluid op het geluidgevoelig gebouw. X Artikel 4.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.63 Vergunningvoorschriften met betrekking tot grondwatereffecten bij ondergrondse gebouwen Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden dekunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving. Y Artikel 4.88 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.88 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling hemelwaterberging

13

1.

Als de aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk waarop paragraaf 4.4.2 van toepassing is, dan worden de gegevens en bescheiden verstrektwordt een rapport verstrekt met informatie waaruit blijkt dat aan dat onderdeel wordt voldaan.

2.

De gegevens en bescheiden betreffen Het rapport bevat in ieder geval de volgende informatie: a. een overzichtstekening en een profieltekening met maatvoering en hoogtes op schaal, welke aangeeft wat de verschillende dakoppervlakken en locatie van de te treffen maatregelen zijn; b. een systeembeschrijving, in de vorm van tekst of een schematische weergave, welke aangeeft hoe de verschillende dakoppervlakken worden verbonden met de maatregelen voor hemelwaterverwerking; en c. een totaalberekening welke aantoont hoe de hemelwaterbergingseis wordt behaald door het opgeven van de toeop te passen producten onder vermelding van fabricaat en model en/of materiaal, zoals grind- of grondsoortgeven welke oplossing wordt toegepast.

Z Artikel 4.92 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.92 Uitgestelde toepassing Deze paragraaf wordttoegepast met ingang van de dag dat artikel 21 van de Erfgoedverordening Amsterdam vervalt. AA Artikel 4.97 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.97 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht worden, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de cultuurhistorische waarde van het te slopen bouwwerk of onderdelen daarvan aan de hand van een bouwhistorische opname; b. gegevens waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. BB Artikel 4.110 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.110 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een gebouw, ongeacht of daarvoor de vergunningplicht geldt, bedoeld in artikel 4.7.

2.

Deze paragraaf is van toepassing op: a. nieuwe gebouwen; b. bestaande gebouwen indien na 11 mei 2021: 1. een ingrijpende renovatie als bedoeld in het artikel 5.20, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving is uitgevoerd of wordt uitgevoerd mits de bruto vloeroppervlakte van het gebouw 1.000 m2 of meer is; 2. aan het gebouw één of meer bouwlagen, een kelder of een souterrain is toegevoegd of wordt toegevoegd; of 3. aan het gebouw een dakopbouw is of wordt toegevoegd, dan wel een bestaande dakopbouw is of wordt vergroot, als het oppervlak van de toegevoegde of toe te voegen dakopbouw: I. meer dan 50% van het bebouwd oppervlak van het hoofdgebouw beslaat of gaat beslaan; of II. groter is of groter wordt dan 100m2; of 3 4. het bebouwde oppervlak is uitgebreid of wordt uitgebreid.

3.

In afwijking van het tweede lid is deze paragraaf niet van toepassing op gebouwen waarvoor: a. voor 11 mei 2021 een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd; of b. voor 22 juni 2021 selectieprocedures voor gronduitgifte zijn gestart of overeenkomsten zijn aangegaan waaruit de intentie tot (her)ontwikkeling van een gebouw blijkt.

4. Bij de toepassing het tweede lid, onderdeel b, onder 2 wordt onder het toevoegen van een kelder of souterrain mede verstaan het vergroten van een bestaande kelder of souterrain mits: a. de uitbreiding van de kelder of het souterrain meer dan 50% van het totaal bebouwd oppervlak van het hoofdgebouw zoals van bovenaf gezien beslaat; of b. de uitbreiding van de kelder of het souterrain een minimum omvang van 100 m2 oppervlakte heeft; of

14

c.

de bestaande kelder of souterrain wordt verdiept waardoor deze in gebruik genomen kan worden ten behoeve van een gebruiksfunctie of nevengebruiksfunctie als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving.

CC Artikel 4.112 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.112 Verbod op lozen zonder waterberging 1.

Het is verboden om vanaf een gebouw hemelwater in het openbaar riool of op de openbare ruimte, anders dan het oppervlaktewater, te lozen, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand wordt gehouden.

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover een bestaand gebouw als bedoeld in artikel 4.110, tweede lid, onder b, onderdeel 1 of 2, niet bestand is tegen het aanbrengen van een hemelwaterberging op dat gebouw en er rond dat bestaande gebouw geen of onvoldoende oppervlak aanwezig is om in hemelwaterberging te voorzien.

3.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid geldt niet voor tijdelijke gebouwen, met een instandhoudingstermijn van maximaal 10 jaar, mits: a. geen toename ontstaat van het al aanwezige verhard oppervlak; of b. het tijdelijke gebouw niet bestand is tegen het aanbrengen van een hemelwaterberging op dat gebouw en er rond het tijdelijke gebouw geen of onvoldoende oppervlak aanwezig is om in hemelwaterberging te voorzien; of c. er sprake is van een bouwkeet of een ander gebouw als bedoeld in artikel 2.29, aanhef en onder q, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

DD Artikel 4.113 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.113 Vereisten hemelwaterberging

15

1.

Een hemelwaterberging als bedoeld in artikel 4.112: a. heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak; b. loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; en c. is na 60 uur leeg.

2.

Een hemelwaterberging met hergebruiksysteem: a. heeft ten minste een capaciteit van 10590 liter per m2 bebouwd oppervlak; b. loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; c b. is na 7060 uur voor ten minste 33% leeg en na 14 dagen voor ten miste 66%; en d c. leegt het restant op basis van het gebruik van het hergebruiksysteem.

3.

Voor een waterberging met een centraal besturingssysteem geldt alleen het vereiste uit het eerste lid, onder a.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op een gebouw dat zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kan worden gebouwd mits het is voorzien van een groen dak met een minimale waterbergingscapaciteit van 30 liter per m2.

5.

In geval van uitbreiding van het bebouwd oppervlak van een bestaand gebouw als bedoeld in artikel 4.110, eerste lid onder b, onderdeel 3, wordt bij de toepassing van dit artikel onder bebouwd oppervlak het bebouwd oppervlak van de uitbreiding verstaan.

6.

Het geborgen hemelwater wordt in de ondergrond geïnfiltreerd. Als dat niet of maar deels mogelijk is, kan in het openbare riool worden geloosd.

7.

Het hemelwater dat na toepassing van het eerste, tweede of derde lid niet kan worden geborgen, kan worden geloosd in het openbare riool of op de openbare ruimte.

EE Het opschrift van afdeling 4.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 4.5 AANWIJZINGEN VOORSCHRIFTENGEBIEDEN, BEDOELD IN PARAGRAAF 4.2.14 VAN HET REGELS MET BETREKKING TOT DE BOUWACTIVITEIT (TECHNISCH) BESLUIT BOUWWERKEN LEEFOMGEVING FF Het opschrift van artikel 4.114 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.114 Aanwijzing brandvoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste en tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. GG Het opschrift van artikel 4.115 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.115 Aanwijzing explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving HH Na artikel 4.115 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4.116 Aanwijzing waarde gezamenlijk geluid Ter plaatse van de aanduiding 'waarde gezamenlijk geluid' is het gezamenlijke geluid de daar bepaalde waarde.

Artikel 4.117 Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevel als bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving 1.

Een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel' is een geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel.

2.

De gevel ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel’ is een niet-geluidgevoelige gevel, bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

3.

Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel' geldt dat het eerste lid alleen van toepassing is op de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.

4.

Voor zover met artikel 4.118 een gevel is aangewezen als een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, geldt de gevel als een niet-geluidgevoelige gevel, bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

II Artikel 5.76 wordt verplaatst van afdeling 5.8 naar afdeling 4.5. Artikel 5.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

16

Artikel 5.76 4.118 Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen 1.

De gevel ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' is een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als, bedoeld in artikel 4.103b, tweede lid, van het Besluit kwaliteitbouwwerken leefomgeving.

2.

Totdat de in het eerste lid bedoelde aanduiding aan een locatie Voor zover subparagraaf 4.2.4.7 van toepassing is gegeven, is als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangewezen een gevel waarover met toepassing van artikel 4.51, tweede lid, in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken het voorschrift is verbonden dat het een nietgeluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.

3.

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel' dienen ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' aan een geluidgevoelig gebouw maatregelen te worden getroffen en in stand gehouden die: a. bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of b. borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.

4 3. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' geldt dat het eerste lid alleen van toepassing is op de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. JJ Artikel 5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken. Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwwerken en op het bouwen en in stand houden van bouwwerken. KK Het opschrift van afdeling 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2 ALGEMEEN VERBOD BOUWWERKEN TE BOUWEN, EN IN STAND TE HOUDEN EN TE GEBRUIKEN IN STRIJD MET RUIMTELIJKE REGELS OVER BOUWWERKEN LL Artikel 5.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.6 Vangnetbepaling ruimtelijke regels bouwwerken

17

1.

Het is verboden een bouwwerk te bouwen, en in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dit hoofdstuk opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt in afwijking van het eerste lid dat het verboden is een bouwwerk te bouwen, en in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken en het gebruik daarvan.

3.

In aanvulling op het eerste en tweede lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden verboden een bouwwerk te bouwen, en in stand te houden

en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken en het gebruik daarvan. MM Artikel 5.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.12 Beperkingen op aangewezen locaties 1.

Artikel 5.8, aanhef en onder a, is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'beperkingen erfbebouwing'.

2.

Artikel 5.8, aanhef en onder a, is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen'.

3.

Ter plaatse van een in de Omgevingsregeling aangewezen reserveringsgebied voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg, bedoeld in artikel 5.33 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is artikel 4.12 niet van toepassing.

NN Artikel 5.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.13 Beperkingen vanwege strijdigheid met tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 1.

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is artikel 5.8, aanhef en onder a, niet van toepassing, voor zover in het daar geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald, of uit de daarin opgenomen regels volgt, dat de gronden niet dienen te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het voorheen geldende Besluit omgevingsrecht.

2.

Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan is artikel 5.8 niet van toepassing voor zover dat in dat TAM-omgevingsplan is bepaald.

OO Het opschrift van afdeling 5.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.4 GEBRUIK VAN BOUWWERKEN VERVALLEN PP Artikel 5.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.14 Bouwwerken uitsluitend toegestaan ten behoeve van het gebruiksdoel Vervallen [Gereserveerd] Bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met: a. een ter plaatse geldend gebruiksdoel als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid; b. de ter plaatse geldende bestemming, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid; c. een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van de regels over gebruik, bedoeld in artikel 2.3; d. een verleende omgevingsvergunning om af te wijken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. QQ

18

Artikel 5.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.19 Minimale hoogte van de eerste bouwlaag 1.

Ter plaatse van de aanduiding 'minimum hoogte eerste bouwlaag' is de minimale hoogte van de eerste bouwlaag, gemeten vanaf de vloer van de eerste bouwlaag tot aan de bovenkant vloer van de tweede bouwlaag, in meters de daar bepaalde waarde.

2.

Indien de vloer van de eerste verdiepingbouwlaag onder het aangrenzend maaiveld ligt, wordt in afwijking van het eerste lid gemeten vanaf aangrenzende maaiveld tot aan de bovenkant vloer van de tweede bouwlaag.

RR Artikel 5.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.20 Voorgeschreven gevelrooilijn 1.

Ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven rooilijn' geldt voor bovengrondse gebouwen dat de gevel aan de zijde ter plaatse van de aanduiding 'rooilijn' in die lijn dient temoet staan.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven rooilijn (minimum %)' geldt voor bovengrondse gebouwen dat de gevel aan de zijde ter plaatse van de aanduiding 'rooilijn' voor minimaal het daar bepaalde percentage in die lijn dient te staan.

SS Afdeling 5.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.8 OVERIGE REGELS OVER BOUWWERKEN Artikel 5.74 Voorgeschreven hoogte onderdoorgang Ter plaatse van de aanduiding 'minimum hoogte onderdoorgang' mogen de gronden tot een hoogte van de daar bepaalde waarde niet worden bebouwd, met uitzondering van de voor de hoger opgaande bebouwing benodigde ondersteuningsconstructies.

Artikel 5.75 Voorgeschreven ontsluiting autoparkeervoorzieningparkeervoorziening Ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven ontsluiting parkeervoorziening' geldt dat een ontsluiting van een auto- of fietsparkeervoorziening uitsluitend is toegestaan ter plaatse van dezede aanduiding 'ontsluiting parkeervoorziening toegestaan'. TT Artikel 6.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.10 Uitzonderingen op de vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 6.9, geldt niet als: a. de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen; b. de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel. UU Artikel 6.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

19

Artikel 6.13 Advies netbeheerder 1.

Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van het hoogspanningsnetwerk over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteit het belang, bedoeld in artikel 6.8, derde lid, niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

2.

Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning houdt het bevoegd gezag rekening met het in het eerste lid bedoelde advies.

VV Artikel 6.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.20 Advies netbeheerder 1.

Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van het hoogspanningsnetwerk over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.15, derde lid, niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

2.

Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning houdt het bevoegd gezag rekening met het in het eerste lid bedoelde advies.

WW Artikel 6.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.27 Advies leidingbeheerder 1.

Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de buisleiding over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.22, derde lid, niet wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

2.

Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning houdt het bevoegd gezag rekening met het in het eerste lid bedoelde advies.

XX Het opschrift van afdeling 6.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.6 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDINGEN 'RIJKSBESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT' EN 'GEMEENTELIJK BESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT' YY Artikel 6.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

20

Artikel 6.30 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze afdeling buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een aanlegvergunningplicht ter bescherming van het beschermd stads- of dorpsgezicht bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing. ZZ Artikel 7.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.10 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid 1.

Bij de toepassing van de artikel 7.8 en 7.9 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

2.

Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: a. voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; b. voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 LdenLden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart; c. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 LdenLden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS,dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.

3.

Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

AAA Artikel 9.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.27 Gegevens en bescheiden op industrieterrein met geluidproductieplafonds 1.

Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

2.

Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 9.28, of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

4 3. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. beschrijving van de aard en omvang van de activiteit; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 1. de grenzen van het terrein; en 2. de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16377968/1