CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Wijzigingsbesluit Omgevingsplan Veegwijziging.pdf

RAAD 21 januari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Veegwijziging (VN2025-015285)46.745 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

Hiermee wordt invulling gegeven aan het feit dat de in artikel 4.7 bedoelde vergunningplicht betrekking heeft op een activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk, maar ook op het in het in stand houden en gebruiken van dat te bouwen bouwwerk. Hiermee wordt aangesloten op de rechtspraktijk van voor de Omgevingswet dat een toets van een bouwaanvraag niet alleen betrekking heeft op regels over het bouwen van bouwwerken, maar ook of het voorgenomen gebruik van het bouwwerk niet in strijd is met de hiervoor in het omgevingsplan gestelde regels. Als aannemelijk is dat een bouwactiviteit ten dienste

96

staat van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik, was dit immers in de rechtspraktijk een reden om de vergunning voor een bouwactiviteit mede aan te merken als aanvraag voor een afwijking van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) en te weigeren als de vergunning niet met toepassing van artikel 2.12 van genoemde wet kan worden verleend. Als de opgave in de vergunningaanvraag over het voorgenomen gebruik geen aanleiding is geweest om de vergunning te weigeren, mag het bouwwerk in overeenstemming met die opgave worden gebruikt. Artikel 4.16 bepaalt dat de bouwvergunning uitsluitend kan worden verleend voor een gebruik dat dat niet in strijd is met het bepaalde in artikel 2.3 van dit omgevingsplan. Zoals ook aangegeven bij de toelichting op artikel 4.7 is van belang dat de vergunningplicht ziet op de combinatie van het bouwen, in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Er ontstaat met de nieuwe omschrijving dus geen zelfstandige vergunningplicht voor latere gebruiksveranderingen in het betrokken bouwwerk.

Zolang voor een later tot stand te brengen ander gebruik in hoofdstuk 2 of 3 geen afzonderlijke vergunningplicht in het leven is geroepen en het nieuwe gebruik in overeenstemming is met de regels voor het gebruik van bouwwerken uit het omgevingsplan, is er een binnenplanse noch buitenplanse vergunning voor die gebruikswijziging nodig. Dit betekent tevens dat wanneer er sprake is van een gebruik van een bouwwerk dat niet in overeenstemming is artikel 2.3, dat artikel het artikel is waarop gehandhaafd wordt. In de beoordelingsregels die verder in deze paragraaf zijn opgenomen, kan wel een verwijzing staan naar elders in dit omgevingsplan gestelde regels. Daarmee wordt die elders gestelde regels van toepassing op de beoordeling. Verder is de verwijzing bij wijze van uitzondering naar regels over het gebruik van bouwwerken komen te vervallen. Die regels zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van dit omgevingsplan, waarmee de uitzondering overbodig is geworden. Tweede lid: Met het tweede lid wordt voorzien in de mogelijkheid om vergunningverlening voor ontwikkeling te faseren. De fasering houdt in dat eerst met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit planologisch toestemming wordt gegeven voor een bepaalde ontwikkeling die niet past binnen de regels over bouwwerken en gebruik, zoals gesteld in het omgevingsplan.

Onder een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt op grond van bijlage I van de Omgevingswet verstaan een activiteit, inhoudende a) een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of b) een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Als het planologisch voornemen in strijd is met het omgevingsplan, kan daarvoor omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden verleend. Vervolgens kan het concrete bouwplan worden uitgewerkt, waarna voor dat concrete bouwplan omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kan worden verleend, voor zover die activiteit passend is binnen de kaders van de reeds verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Ook onder oud recht was deze gefaseerde besluitvorming mogelijk, en werd hiervan veel gebruik gemaakt. Met artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft de wetgever erin voorzien dat deze werkwijze kan worden voortgezet.

Dat artikel bepaalt kort gezegd dat als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, er in ieder geval sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In beide gevallen gaat het om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Zowel het planologisch voornemen als de ruimtelijke bouwactiviteit zijn immers beide in strijd met het omgevingsplan. Hoewel sprake is van een overgangsrechtelijke regeling, biedt artikel 12.27a, aldus de wetgever, ook onder nieuw recht de mogelijkheid om vergunningverlening voor locatieontwikkelingen te faseren (Staatsblad 2022 172, p. 112 e.v.). "Het blijft hiermee [ ] mogelijk om eerst een appellabel «planologisch» basisbesluit te nemen in de vorm van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, op grondslag waarvan op een later moment een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het feitelijk verrichten van de (nader uitgewerkte) bouwactiviteit.

De in eerste instantie verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een locatieontwikkeling kan bijvoorbeeld al toestemming geven voor bouwrijp maken, kappen van bomen, grondverzet, het aanbrengen van verhardingen en het tot stand brengen van een verkaveling. Ook kan als onderdeel van de vergunning de precieze locatie worden aangewezen waar bouwwerken (bijvoorbeeld woningen) mogen worden gebouwd. Daarbij kan ook al worden aangegeven welke maximale maatvoering de woningen hebben. Naarmate de eerste omgevingsvergunning verder is uitgewerkt, vormt deze nadere uitwerking de basis voor de latere vergunningverlening voor het geconcretiseerde bouwplan. Voor zover bij de eerste vergunning al uitdrukkelijk

97

toegestaan, regelt artikel 12.27a, zoals hiervoor al toegelicht, dat voor de betrokken onderdelen van een bouwplan (zoals bijvoorbeeld de plaatsing in een bouwblok, de bouwhoogte en het bouwvolume) niet opnieuw een afweging hoeft plaats te vinden of hiermee wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het kader van de tweede vergunningaanvraag vindt alleen beoordeling plaats op de onderdelen van het bouwplan waarin de eerdere vergunning niet voorziet, zoals de beoordeling van de stedenbouwkundige-architectonische detaillering en de toets aan redelijke eisen van welstand." Aan de mogelijkheid die artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving biedt, kleeft als nadeel dat niet alleen het 'planologisch' basisbesluit wordt genomen bij wijze van omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, maar dat dit ook zal gelden voor de latere vergunningverlening voor het geconcretiseerde bouwplan. De beoordelingsregels die betrekking hebben op een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorzien er immers in dat de vergunning alleen wordt verleend voor zover die niet in strijd is met in het omgevingsplan gestelde regels over bouwwerken.

Zie ook artikel 22.29, eerste lid, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel is geworden van het omgevingsplan zoals dat van rechtswege is ontstaan op 1 januari 2024. Dat staat er aan in de weg om een (binnenplanse) omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verlenen. Deze ongewenste situatie wordt verholpen met het tweede lid van artikel 4.16. Dat voorziet erin dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet wordt geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken, gesteld in hoofdstuk 5 of in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Daarmee beoogt het derde lid hetzelfde te doen als artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bijkomend voordeel is dat ook een eenduidig beoordelingskader van toepassing is op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, ongeacht of die kan worden verleend op grond van binnenplanse ruimtelijke regels of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In beide gevallen zijn de overige beoordelingsregels, zoals opgenomen in deze paragraaf 4.2.4, onverkort van toepassing.

Hetzelfde geldt voor de aanvraagvereisten. Het tweede lid heeft via artikel 5.14 ook betrekking op vormen van gebruik die niet passend zijn binnen de regels over gebruik, maar waar voor dat strijdig gebruik een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is verleend. Tot slot wordt nog opgemerkt dat de wetgever in de toelichting op artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft aangegeven dat de mogelijkheid voor het gefaseerd verlenen van een omgevingsvergunning, zoals artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving die biedt, kan vervallen op het moment waarop gemeenten beschikken over een samenhangend omgevingsplan dat voldoet aan alle eisen die de Omgevingswet daaraan stelt. Vanaf dat moment is het, aldus de wetgever, immers relatief eenvoudig om locatiegericht en op onderdelen tot aanpassing te komen van een geheel geconsolideerd omgevingsplan, teneinde nieuwe ruimtelijke initiatieven mogelijk te maken. Of die verwachting van de wetgever juist is, valt de komende jaren te bezien. De wetgever heeft zelf ook ruimte gelaten voor een heroverweging van dit standpunt een een permanente voorzien (Staatsblad 2022 172, p. 71). Voor Amsterdam is hierin met het derde lid van artikel 4.16 voorzien. Mocht toekomstige wetgeving daartoe aanleiding geven, dan zal de regel worden heroverwogen.

Derde lid: Onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen konden een binnenplanse afwijkmogelijkheid bevatten. Deze bestemmingsplannen zijn van rechtswege onderdeel geworden van het omgevingsplan. Op grond van artikel 22.280, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel is geworden van dit omgevingsplan, geldt een dergelijke afwijkmogelijkheid als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Deze mogelijkheid moet worden gezien als een bevoegdheid (artikel 22.281). Een dergelijke afwijkmogelijkheid kan betrekking hebben op het afwijken van zowel bouwregels als gebruiksregels. Voor zover een concreet voorgenomen omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken in het nog geldende bestemmingsplan, maar vergund zou kunnen worden met toepassing van de afwijkbevoegdheid, is het wenselijk dat de afwijkmogelijkheid kan worden betrokken bij de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanacti-

98

viteit bouwwerken. Het derde lid voorziet daarin. Het beoogt dezelfde werking te hebben als artikel 2.10, tweede lid van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De werking van het derde lid kan beperkt blijven tot de mogelijkheid om met de regels van een nog niet vervallen bestemmingsplan af te kunnen wijken van regels over bouwwerken en gebruik, gesteld in datzelfde bestemmingsplan. Het is niet nodig een dergelijke voorzien te treffen voor als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken binnenplans in het geheel niet vergunbaar is. Dan kan slechts met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toestemming worden verleend. Die omgevingsvergunning heeft dan betrekking op zowel het afwijken van de regels in het omgevingsplan als op de ruimtelijke bouwactiviteit. Opgemerkt wordt dat de binnenplanse afwijkmogelijkheid, zoals die in nog geldende bestemmingsplannen voorkomt, een bevoegdheid inhielden. Met de verwijziging in het derde lid, onder b, naar artikel 22.281, wordt duidelijk gemaakt dat dat het geval blijft. Artikel 22.281, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel is geworden van dit omgevingsplan, bepaalt dat de in een nog geldend bestemmingsplan opgenomen binnenplanse afwijkmogelijkheid wordt gelezen als een bevoegdheid.

Daarmee blijft het net als onder de werking van het oude stelsel mogelijk een afweging te maken en de vergunning voor een geboden afwijkingsmogelijkheid in voorkomende omstandigheden toch te weigeren, in het geval de regels voor het verlenen van de afwijking zouden dwingen om de vergunning te verlenen. Vierde lid: Met het vierde lid wordt de werking, zoals beoogd met artikel 2.2 van de Vangnetregeling Omgevingswet, gecontinueerd nu de bruidsschat is vervangen. Met artikel 2.2 Vangnetregeling Omgevingswet is artikel 22.33 van de bruidsschat aangevuld. De in artikel 22.33 opgenomen grondslagen om een onder nieuw recht ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk te weigeren, werden daarmee uitgebreid. De aanvullende bepalingen regelen dat zo’n vergunning ook moet worden geweigerd als sprake is van een nog onder oud recht lopende procedure van een bestemmingsplan of inpassingsplan op grond van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. De vergunning kan worden verleend als de activiteit in overeenstemming is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Hiermee wordt het regime van voorbereidingsbescherming, zoals dat bestond onder artikel 3.3 van de voormalige Wabo, voortgezet met de mogelijkheid de vergunning te weigeren.

Hiermee wordt voorkomen dat voorbereidingsbescherming verloren zou gaan en onbedoeld vergunning zou moeten worden verleend voor ontwikkelingen die met het oog op de in voorbereiding zijnde nieuwe regeling ongewenst zijn. Hier is sprake van een ontbrekend overgangsrecht, wat in specifieke situaties onredelijk is. Met het vervallen van artikel 22.33 in de bruidsschat, verwijst artikel 2.2 Vangnetregeling Omgevingswet naar een niet langer bestaand artikel in het omgevingsplan. Met het hier opgenomen vierde lid wordt de werking ervan gecontinueerd. VVVVV De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.23 Overige beoordelingsregels onverkort van toepassing, uitzonderingen Dit artikel bepaalt (volledigheidshalve) dat de overige in deze paragraaf opgenomen beoordelingsregels onverkort van toepassing zijn. Zo wordt ook bij toepassing van artikel 4.19 bijvoorbeeld getoetst of het uiterlijk van het bouwwerk afbreuk doet aan de omgevingskwaliteit. Dat komt overeen met de welstandstoets zoals die in het verleden ook van toepassing was op gevallen die vielen onder artikel 4 van bijlage II Bor, die mogelijk waren op grond van algemene bouwregels in het bestemmingsplan, of die vergunbaar waren op grond van een binnenplanse afwijkmogelijkheid. Ook de andere beoordelingsaspecten worden, voor zover relevant, betrokken. Het tweede lid bevat hierop een uitzondering. Daarin is bepaald dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk bedoeld in artikel 4.19, eerste lid, onder a of b, de beoordelingsregels genoemd in subparagraaf 4.2.4.3 tot en met 4.2.4.7 buiten toepassing blijven. Hiermee wordt voor deze bouwwerken een vervolg gegeven aan de situatie zoals die onder oud recht gold. Onder de toenmalige Wabo gold voor deze bouwwerken dat een bouwvergunning niet nodig was, maar dat bij strijd met het bestemmingsplan wel een afwijkvergunning nodig was.

Dat hield in dat geen welstandsbeoordeling plaatsvond, maar dat uitsluitend werd een beoordeeld of werd voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Het tweede lid beoogt hieraan een vervolg te geven.

99

WWWWW De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.32 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie Artikel 4.32 bevat de aanvraagvereisten die specifiek verband houden met de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, bedoeld in subparagraaf 4.2.4.4. Dit artikel komt, voor zover betrekking hebbend op de beoordeling van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, in de plaats van artikel 22.35, onder j, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Aanvullend daarop zijn het tweede tot en met vijfde lid opgenomen voor een beleidsneutrale voortzetting van de regels over bouwen op verontreinigde bodem onder de voormalige Bouwverordening Amsterdam. Eerste lid: Onderdeel a: Volgens artikel 5.89ka van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het verplicht om in het omgevingsplan te eisen dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw bodemonderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verstrekt. Daarom verplicht dit onderdeel om bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij de aanvraag in te dienen.

Het bodemonderzoek is nodig om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden of om eventueel vast te stellen dat er andere verontreinigingen aanwezig zijn (nietgenormeerde stoffen), waarvoor wel een detectiegrens is bepaald. In dat geval is een sanerende maatregel volgens het Besluit activiteiten leefomgeving of een sanering onder het overgangsrecht (genormeerde stoffen), of maatregelen bedoeld in artikel 4.31, een voorwaarde voor het bouwen. Zie verder de toelichting hierna op onderdeel b. Onderdeel b: Als sprake is van overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem moeten daarnaast gegevens en bescheiden worden verstrekt die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel zal worden genomen. Dat kan bijvoorbeeld een melding zijn als bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een ingediend saneringsplan onder de Wet bodembescherming, of een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, of andere documentatie die aannemelijk maakt dat een sanerende of andere beschermende maatregel in voorbereiding is en zal worden uitgevoerd.

Onderdeel c: Als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering is een onderbouwing noodzakelijk dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie, eventueel na het nemen van maatregelen zoals bedoeld in artikel 4.31. Een voorbeeld van een risico voor de gezondheid is dat de TCL (Toelaatbare Concentratie in Lucht) potentieel wordt overschreden in het bodemgevoelige gebouw. Voor de toetsing kan gebruik worden gemaakt van een programma zoals Volasoil, een onderdeel van de Risicotoolbox Bodem van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Onderdeel d: In sommige situaties in het kader van het bouwen van een bodemgevoelig gebouw is het niet nodig om bij overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit bodem een sanering volgens het Besluit activiteiten leefomgeving (of andere procedure conform het overgangsrecht) uit te voeren. Gelet op artikel 4.28, tweede lid, aanhef en onder c kan ook worden volstaan met een andere beschermende maatregel zoals een gebruiksbeperking. In welke situaties dit aan de orde kan zijn is nader uitgewerkt in de beleidsregel ‘Andere beschermende maatregelen bij bouwen bodemgevoelig gebouw’.

In die beleidsregel staat ook aangegeven dat het aan initiatiefnemers is om een toetsing door middel van de Risicotoolbox bodem van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) uit te voeren. De Risicotoolbox bodem is het wettelijk voorgeschreven model om te toetsen of de aanwezigheid

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16477654/1