1 Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam Toevoeging van regels over horeca, darkstores en evenementenlocaties
Tekst van het document
9.3.2 Stedelijke functies Eén van de ontwikkelprincipes uit de Omgevingsvisie NH2050 is dat wonen en werken zoveel mogelijk binnenstedelijk worden gerealiseerd en geconcentreerd. In de instructieregelsOmgevingsverordening NH 2022 zijn hiervoor in paragraaf 6.2.2 stedelijke functies instructieregels opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen, voormalige agrarische bouwpercelen en kleinschalige ontwikkelingen (geen woningbouw) in het werkingsgebied Landelijk Gebied. In Amsterdam (en in de gehele Metropoolregio Amsterdam) is er voor (kleinschalige)woningbouwontwikkelingen geen ruimte in landelijk gebied. Voor dergelijke kleine ontwikkelingen is binnenstedelijk voldoende ruimte te vinden. In specifieke gevallen, zoals voormalige agrarische bebouwing, is onder voorwaarden beperkt woningbouw mogelijk. In de Omgevingsvisie NH2050 is de doelstelling opgenomen om vraag en aanbod van woon- en werklocaties kwantitatief en kwalitatief beter met elkaar in overeenstemming te brengen. Gekozen is voor het behouden van het metropolitane landschap, maar met toevoeging of verandering van functies. En om het landschap te sparen, is in de Omgevingsvisie gekozen voor verdichting van de bestaande kernen. Een zorgvuldig gebruik en verdeling van de schaarse ruimte is van belang. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen is daarom de instructieregel opgenomen dat daarvoor regionale
76
afspraken nodig zijn. De regionale afspraken betreffen nieuwe stedelijke ontwikkelingen van woningbouw, bedrijventerreinen en kantoorlocaties, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen. Voor bepaalde functies zijn daarnaast specifieke instructieregels opgenomen. Nieuwe detailhandel wordt bij voorkeur gevestigd bij bestaande winkelgebieden en mag niet leiden tot onaanvaardbare leegstand. Daarnaast worden er voorwaarden gesteld aan verblijfsrecreatie in Landelijk Gebied, logiesactiviteiten op bedrijventerreinen, de functies die zich kunnen vestigen op een industrieterrein van provinciaal belang zoals Westpoort, middelgrote en grote datacenters en woningen binnen de LIB5 zone rond Schiphol. Kleinschalige ontwikkelingen (geen woningbouw) in het werkingsgebied Landelijk Gebied zijn slechts toegestaan onder voorwaarden. Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening. TTT De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
9.3.3 Duurzame energie en energie-infrastructuur In de Omgevingsvisie NH2050 is de doelstelling opgenomen om ruimte te bieden aan onder meer energietransitie, in het licht van een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. In het kader van het Klimaatakkoord zijn door gemeenten, waterschappen, de provincie, andere belanghebbenden en inwoners afspraken gemaakt over plekken in Noord-Holland waar duurzame energie met windturbines en zonnepanelen kan worden opgewekt. De zoekgebieden die daarvoor op basis van al deze gesprekken en onderzoeken in aanmerking komen zijn vastgelegd in de Regionale Energiestrategieën 1.0 voor Noord-Holland Noord en Noord-Holland Zuid (RES’en). De provincie neemt de hieruit voortvloeiende afspraken, net als de gemeenten en waterschappen, op in haar regelgeving. Voor de provincie betekent dit dat de Omgevingsverordening NH2022 ruimte maakt voor de afspraken uit de RES’en; de RES’en worden leidend voor wind op land. In paragraaf 6.2.36.2.3.1 van de Omgevingsverordening NH 2022 zijn instructieregels opgenomen waar gemeenten aan moeten voldoen die in hun omgevingsplannenomgevingsplan windturbines mogelijk maken binnen zoekgebieden wind en wind+zon die in de RES’en 1.0 zijn opgenomen. Zo krijgen gemeenten de mogelijkhedenmogelijkheid om te bepalen waar in de gemeente ruimte is voor windenergie.
Buiten de RES zoekgebieden 1.0 wind en wind+zon zijn alleen kleine windturbines (tot 15 meter) op agrarische bouwpercelen toegestaan en mogen bestaande windparken onder voorwaarden worden vervangen/vernieuwd. In paragraaf 6.2.3.2 van de Omgevingsverordening NH 2022 zijn instructieregels opgenomen waar gemeenten aan moeten voldoen die in hun omgevingsplan het oprichten van een of meer opstellingen voor zonne-energie mogelijk maken. In paragraaf 6.2.3.3 van de Omgevingsverordening NH 2022 zijn instructieregels opgenomen die betrekking hebben op de bouw, vervanging of verandering van hoogspanningsstations en over station in het tussenspanningsnet in het landelijk gebied. De beschermingsregimes, zoals de regels voor o.a. het Bijzonder Provinciaal Landschap, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en het Natuurnetwerk Nederland of natuurverbinding en stiltegebieden blijven van kracht. Hiervoor gelden instructieregels op basis van andere paragrafen van de omgevingsverordening. Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening. UUU De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
77
9.3.4 Land- en tuinbouw In de Omgevingsvisie NH2050 is de doelstelling opgenomen om ruimte te bieden aan de ontwikkeling van onder meer duurzame landbouw, in het licht van het bereiken van een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. In paragraaf 6.2.4 zijn dehierover instructieregels op genomen, waarbij de ruimtelijke inpassing van het agrarisch bouwperceel een leidend principe is. Alle bebouwing dient te worden geconcentreerd op het bouwperceel. Bij niet-agrarische bedrijfsactiviteiten is geregeld welke activiteiten zijn toegestaan. Met betrekking tot het toestaan van nieuwe bouwpercelen, uitbreiding van glastuinbouwbedrijven en het niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als zelfstandig bedrijf, zijn regels opgesteld. De intensieve veehouderij kan een grote impact hebben op de leefomgeving, door bijvoorbeeld geurhinder, uitstoot van fijnstof, ammoniak, zoönosen en endotoxinen. Ook is dierenwelzijn een onderwerp dat tot maatschappelijke discussies leidt. Om die redenen is een vergroting van het aandeel intensieve veehouderij niet gewenst. In artikel 6.43 is vastgelegd wat wel en niet wordt toegestaan met betrekking tot de intensieve veehouderij. Nieuwvestiging of omschakeling (geheel of gedeeltelijk) naar intensieve veehouderij is niet toegestaan. Enkel de intensieve veehouderijen gevestigd vóór 30 november 2011 mogen verplaatsen.
De provincie heeft per 12 december 2018 een verbod ingesteld op nieuwvestiging, uitbreiding van en omschakeling naar geitenhouderijen. Dit verbod is ingesteld vanwege het mogelijke risico voor de volksgezondheid van omwonenden die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen. De oorzaak van de mogelijke risico’s worden nog onderzocht. Het ingestelde verbod is gebaseerd op het zogenoemde voorzorgsbeginsel. In artikel 6.44 is de instructieregel voor gemeenten opgenomen, die in acht moet worden genomen bij het vaststellen van omgevingsplannen. Via het voorbereidingsbesluit is geregeld dat in de periode dat deze instructieregel nog niet is verwerkt in het omgevingsplan het verbod al van kracht is. Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening. Voor de begrippen voor agrarische activiteiten in het omgevingsplan wordt aangesloten bij de begrippen uit de omgevingsverordening. Intensieve veehouderij en geitenhouderijen zijn in de basisregeling omgevingsplan alleen mogelijk binnen een begrensd werkingsgebied. VVV De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
9.3.10 Regionale luchthavens Paragraaf 6.2.10 van de Omgevingsverordening NH2022 bepaalt dat de regels in deze afdeling zien op de milieugebruiksruimte en de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthavens van regionale betekenis met luchthavenbesluit ex afdeling 8.3.2 van de Wet luchtvaart. Binnen de gemeente Amsterdam betreft het luchthaven Heliport aan de Hornweg op industrieterrein Westpoort. De regels ten aanzien van Luchthaven Heliport Amsterdam in de omgevingsverordening, Binnen de gemeente Amsterdam betreft het luchthaven Heliport aan de Hornweg op industrieterrein Westpoort. De regels ten aanzien van Luchthaven Heliport Amsterdam in de omgevingsverordening, voortkomend uit het Luchthavenbesluit Heliport Amsterdam, hebben de werking van een voorbereidingsbesluit als bedoeld artikel 4.16 lid 1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat deze regels direct werken totdat de gemeenteraad deze verwerkt in een omgevingsplan. Bij vaststelling van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, moet de gemeente de bepalingen in het luchthavenbesluit in acht nemen. Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening. WWW De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
78
9.3.11 Regionale waterkeringen In paragraaf 6.2.11 van de Omgevingsverordening NH2022 is de instructieregel opgenomen dat in het omgevingsplan de regionale waterkering als wordt beschermd en een beschermingszone wordt opgenomen in het omgevingsplan. Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening. XXX De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
10.11 Hemelwaterafvoer bij bouwwerken Amsterdam heeft in het Omgevingsprogramma Riolering 2022-2027 de ambitie opgenomen om in de programmaperiode een bui van 70 mm in één uur aan te kunnen zonder dat schade aan huizen en vitale infrastructuur ontstaat. Om dit te bereiken zal zowel in de bestaande stad als in nieuw te ontwikkelen gebieden rekening moeten worden gehouden met extreme neerslag. Daarbij is onder meer van belang dat zowel op particulier terrein als op openbaar terrein voldoende waterberging wordt gerealiseerd. Een van de juridische instrumenten die een bijdrage kan leveren aan een klimaatbestendig en waterrobuust Amsterdam was onder oud recht een zogenaamde hemelwaterverordening. Op grond van artikel 10.32a lid 1 onder a van de Wet milieubeheer kon de gemeente bij verordening regels stellen over het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in de riolering. Die regels konden ook inhouden dat het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater in een openbaar vuilwaterriool binnen een in die verordening aangegeven termijn moet worden beëindigd. Dit bood de grondslag voor het opstellen van een hemelwaterverordening waarin het aanleggen en in stand houden van een waterberging bij bebouwd oppervlak wordt geregeld. Van die grondslag is in Amsterdam gebruik gemaakt (Gemeenteblad 2021 nr. 144493, 10 mei 2021).
De bepalingen in deze hemelwaterverordening zijn zodanig opgesteld dat ze zoveel mogelijk al voldoen aan de eisen uit de nieuwe Omgevingswet. De hemelwaterverordening is bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel geworden van het omgevingsplan (zie ook paragraaf 6.2 van deze toelichting). Met inpassing van de regels in paragraaf 4.4.2 vindt daadwerkelijke integratie plaats. De regels zijn in die paragraaf opgenomen als algemene regels, die van toepassing zijn op de in artikel 4.1104.113 aangegeven gebouwen. Ze gelden, ongeacht of sprake is van een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Wel wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken preventief aan deze regels getoetst (artikel 4.864.89). Naast de waterbergingseisen in het omgevingsplan bestaat ook de waterschapsverordening van de waterschappen (voorheen: de Keur). In de waterschapsverordening staan voorschriften voor ruimtelijke ontwikkelingen van meer dan 500 m2 of 1.000 m² (afhankelijk van het waterschap). Daarbij geldt een verplichting tot compensatieberging. De twee verplichtingen staan elkaar niet in de weg. Integendeel, ze zijn complementair aan elkaar. Door bij ontwikkelingen groter dan 500 m2 of 1.000 m2 te voldoen aan de waterbergingseisen van dit omgevingsplan, wordt deels of in zijn geheel ook voldaan aan de waterschapsverordening.
Door ervoor te zorgen dat er ook waterbergingen worden aangelegd en in stand worden gehouden in gevallen waarin de waterschapsverordening niet geldt, kan de gemeente het doel uit het Omgevingsprogramma Riolering bereiken. Voor een meer inhoudelijke toelichting op de artikelen wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelgewijze toelichting. YYY De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
10.13 Schaduwwerking Het omgevingsplan bepaalt waar bebouwing mag komen, en welke hoogte bouwwerken mogen hebben. Van nieuwe bebouwing kan een zekere schaduwwerking uitgaan. De effecten daarvan
79
worden bij afzonderlijke wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan die voorzien in nieuwe bouwwerken waar nodig betrokken. Er bestaan geen landelijk wettelijk vastgelegde normen of eisen waaraan plannen ten aanzien van de schaduwwerking in relatie tot bestaande functies moeten voldoen. In het Bouwbesluit is wel regelgeving voor daglichttoetreding opgenomen maar dit heeft geen betrekking op schaduwwerking van het ene gebouw op het andere. Indien nodig kan een bezonningsonderzoek worden uitgevoerd. Ten einde de resultaten van het bezonningsonderzoek te kunnen beoordelen kan, als richtlijn, gebruik gemaakt worden van een TNO-norm. Deze norm (of een afgeleide daarvan) wordt door verschillende gemeenten gehanteerd bij het uitvoeren van een bezonningsstudie bij een gebiedsontwikkeling. TNO kent een lichte en strenge norm. De lichte TNO-norm gaat uit van het criterium dat woningen ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam moeten krijgen gedurende de periode van 19 februari tot 21 oktober (gedurende 8 maanden). De strenge TNO-norm gaat uit van het criterium dat woningen ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam moeten krijgen gedurende de periode van 21 januari tot 22 november (gedurende 10 maanden).
Op basis hiervan kan de schaduwwerking beoordeeld worden. De TNO-norm geeft ten aanzien van de bezonningsuren een richtlijn. De effecten worden bij afzonderlijke wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan die voorzien in nieuwe bouwwerken waar nodig betrokken. ZZZ De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
10.18 Duurzaamheid [gereserveerd]en klimaatadaptatie [Gereserveerd]
10.18.1 Algemeen Het Nederlands klimaatbeleid is in 2 sporen te verdelen: klimaatmitigatie en klimaatadaptatie. Klimaatmitigatie is het voorkomen van verdere klimaatverandering door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Het beperken van klimaatverandering staat centraal in de Klimaatwet. Hierin staat hoeveel broeikasgasemissies verminderd moeten worden de komende jaren, mede als uitvloeisel van internationale afspraken. In Nederland verandert het klimaat. De temperaturen stijgen. Er is meer kans op een extreme regenbui, op een hittegolf en op langere, droge periodes. Door droogte daalt de bodem op sommige plekken in Nederland. De zeespiegel stijgt en er is meer kans op overstromingen. Klimaatverandering heeft grote gevolgen voor de gezondheid, de leefbaarheid en de economie. Een hittegolf zorgt bijvoorbeeld voor extra sterfte onder kwetsbare groepen. Nederland moet zich voorbereiden op de risico’s van het veranderende klimaat en hierop de omgeving aanpassen. Dit heet klimaatadaptatie. Hittestress Hittestress voorkomen is een van de pijlers van het klimaatbeleid. Hittestress is een verzamelnaam voor ongemakken als gevolg van aanhoudende hitte. Bij welke temperaturen hittestress optreedt verschilt per persoon. Hittestress heeft een grote nadelige invloed op onze dagelijkse gang van zaken, waaronder gezondheid. Bij hittestress kan het lichaam zichzelf niet goed afkoelen.
Dat kan verschillende gevolgen hebben: huiduitslag, krampen, oververmoeidheid, beroertes, nierfalen en ademhalingsproblemen. In het ergste geval kun je eraan overlijden. Dit zijn fysiologische gevolgen, hitte kan daarnaast ook invloed hebben op het menselijk gedrag (bijvoorbeeld agressiviteit) en op slaapkwaliteit (RIVM, 2019). Het nadelige effect op de gezondheid als gevolg van extreme hitte in de stad is een van de gevolgen.
10.18.2 Nationale wet- en regelgeving en beleid Klimaatwet
80
In het Klimaatakkoord, vastgesteld in 2019, zijn afspraken gemaakt over de Nederlandse invulling van het Klimaatverdrag van Parijs. In de Klimaatwet wordt uitvoering gegeven aan het Klimaatakkoord en het Klimaatverdrag van Parijs. Het doel van deze wet is om de uitstoot van broeikasgassen, zoals C02, te verminderen. Een teveel aan broeikasgassen in de lucht verandert het klimaat en heeft negatieve gevolgen voor mens en natuur. In de Klimaatwet staan klimaatdoelstellingen voor Nederland. Voor 2050 is de doelstelling om 95% minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990. Om dat doel te bereiken is het de bedoeling dat Nederland in 2030 bijna de helft (49%) minder broeikasgassen uitstoot dan in 1990 en dat de elektriciteitsproductie in 2050 volledig C02-neutraal is. De Klimaatwet bevat behalve klimaatdoelstellingen ook een beleidskader om die doelstellingen te halen. In de wet staan daarvoor drie beleidsinstrumenten: het vijfjaarlijkse Klimaatplan, de tweejaarlijkse Voortgangsrapportage en de jaarlijkse Klimaatnota. De regering moet in ieder geval elke vijf jaar een Klimaatplan opstellen waarin de hoofdzaken van het klimaatbeleid voor de komende tien jaar staan. Jaarlijks stuurt de minister van Economische Zaken en Klimaat een Klimaatnota naar de Eerste en Tweede Kamer.
In deze nota reageert de minister op het jaarlijkse rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving (de klimaat- en energieverkenning) over de voortgang van het klimaatbeleid. Elke twee jaar na het Klimaatplan verschijnt er een Voortgangsrapportage waarin aanvullend beleid kan staan om de doelen in de Klimaatwet te halen. Klimaatplan 2021-2030 Dit plan is tot stand gekomen op grond van de Klimaatwet. De Klimaatwet legt de nationale klimaatdoelen voor 2030 en 2050 vast. Dit Klimaatplan bevat de hoofdlijnen van het klimaatbeleid voor de komende 10 jaar. Daarnaast gaat het Klimaatplan, conform de Klimaatwet, in op de laatste wetenschappelijke inzichten over klimaatverandering, technologische ontwikkelingen, internationale beleidsontwikkelingen en de economische gevolgen. Daarmee bevat het Klimaatplan het nationale beleid, de context waarin dat beleid wordt ontwikkeld en de gevolgen van dat beleid. De inhoud van dit Klimaatplan wordt voor een belangrijk deel bepaald door de hoofdlijnen van het Klimaatakkoord, dat in juni 2019 tot stand is gekomen met betrokkenheid van meer dan 100 maatschappelijke (publieke en private) partijen. Dit akkoord bevat een pakket aan maatregelen, dat de actieve steun heeft van zoveel mogelijk bijdragende partijen en waarmee het politieke reductiedoel van 49% in 2030 wordt gerealiseerd.
In aanvulling op de (nieuwe, nationale) maatregelen uit het Klimaatakkoord, bevat het Klimaatplan ook (i) beleid dat volgt uit Europese verplichtingen, (ii) lopend beleid en (iii) beleid dat in het regeerakkoord is aangekondigd, maar geen onderdeel uitmaakt van het Klimaatakkoord. Hierdoor geeft het Klimaatplan een integraal beeld van het klimaatbeleid van het kabinet voor de komende tien jaar. Met het klimaatbeleid levert Nederland haar bijdrage aan het voorkomen van de wereldwijde opwarming van de aarde en het realiseren van de doelen van de Overeenkomst van Parijs. Hierin is afgesproken de gemiddelde opwarming van de aarde ruim onder de 2°C te houden, met als streven de opwarming te beperken tot 1,5°C. Over de voortgang van het klimaatbeleid zoals opgenomen in dit Klimaatplan zal jaarlijks in oktober worden gerapporteerd in de Klimaatnota. De inhoud van dit Klimaatplan is opgenomen in het Integrale Nationale Energie- en Klimaatplan (INEK) waarmee lidstaten aan Europa rapporteren. Nationale klimaat Adaptatie Strategie In de Nationale klimaat Adaptatie Strategie (NAS) is aangegeven hoe met de gevolgen van klimaatverandering om te gaan en daarop te anticiperen. Onderdeel van het NAS is het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie.
Dit is een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk dat de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen versnelt en intensiveert. Er is vanuit dit kader door het ministerie BZK een handreiking opgesteld, die bruikbare handvatten voor planregels bevat om hittestress in woningen/gebouwen te beperken/voorkomen: handreiking decentrale regelgeving klimaatadaptief bouwen en inrichten (Ministerie van BZK, 2020). De handvatten voor planregels om hittestress tegen te gaan zijn hier meegenomen als voorbeelden hoe te veel opwarming van gebouwen tegen kan worden gegaan. De andere 3 terreinen van de handreiking
81
Klimaatadaptief bouwen zijn ook voor gezondheid (indirect) van belang en aanbevelenswaardig om te lezen, maar hier niet verder uitgewerkt. Genoemd worden: a. bevorderen schaduwwerking gebouwen openbare ruimte; b. beperken weerkaatsing glas op openbare ruimte; c. schaduwgevend (en watervasthoudend) groen; d. bodemenergie systeem voor koeling; e. hitteprogramma opnemen in omgevingsplan; f. blauwgroene daken voor nieuwe gebouwen in omgevingsplan; g. warmtewerend en verkoelend inrichten in omgevingsplan.
10.18.3 Provinciale wet- en regelgeving en beleid Actieprogramma Klimaat De provincie Noord Holland onderschrijft de doelstellingen van het Klimaatverdrag van Parijs en het Nederlandse klimaatakkoord. Op 18 november 2019 heeft de provincie Noord Holland ingestemd met het Klimaatakkoord en uitgesproken een bijdrage te leveren aan de nationale klimaatdoelstellingen. In het Actieprogramma Klimaat zijn concrete acties beschreven die worden uitgevoerd. De focus van het Actieprogramma ligt op de reductie van de uitstoot van CO2. Met het Actieprogramma beoogt de provincie de gestelde doelen in de provincie Noord Holland, een emissiereductie van 49% in 2030 en 95% in 2050, beide ten opzichte van 1990, te bereiken. Omgevingsverordeningen en klimaatadaptatie In artikel 6.75 van de provinciale omgevingsverordening is een instructieregel met een procesmatige verplichting opgenomen ten aanzien van klimaatadaptatie in het omgevingsplan. Een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. In ieder geval moet worden ingegaan op: wateroverlast, overstroming, hitte, droogte, waterbeschikbaarheid en verzilting.
Ook de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's te voorkomen of te beperken moeten worden beschreven en de afweging die daarbij is gemaakt. Dit wordt gedaan in overleg met het waterschap.
10.18.4 Gemeentelijke wet- en regelgeving en beleid Omgevingsvisie Amsterdam 2050 – een menselijke metropool De omgevingsvisie Amsterdam 2050 stelt dat “Het huidige klimaat meet gemiddeld twintig zomerse dagen in de regio Amsterdam. Dit aantal gaat flink oplopen. Op tropische dagen is de stad een hitteeiland, tot twaalf graden hoger dan het ommeland. Hittestress kan leiden tot tal van fysieke en geestelijke problemen bij de mens en kan maatschappelijk ontwrichtend zijn. Het doel is om Amsterdam beter bestand te maken tegen hitte.” Strategie klimaatadaptatie Amsterdam en Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie De gemeente en waterschappen zetten zich in om Amsterdam zo goed mogelijk voor te bereiden op het veranderende klimaat. In de Strategie Klimaatadaptatie Amsterdam zijn het thema, de opgave en de mogelijke oplossingen, beschreven. De vier thema’s uit het landelijk Deltaprogramma vormen hierbij het uitgangpunt: hitte, droogte, wateroverlast en overstromingen. Vervolgens zijn in de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie, vastgesteld mei 2021, concrete activiteiten benoemd. In de Uitvoeringsagenda is onderscheid gemaakt tussen acties op verschillende niveaus, namelijk huis en pand, straat, gebied en wijk, stad en regio en nationaal en internationaal. Niveau huis en pand Stimuleren en faciliteren eigen terrein klimaatadaptief te maken.
Zo waren er in 2021 (on)tegelacties en biedt de gemeente een subsidieregeling voor het aanleggen van groene daken en blauw/groene daken, en de aanplant van nieuwe bomen. Amsterdamse schoolpleinen worden groener met de Amsterdamse impulsregeling.
82
Niveau straat In de openbare ruimte worden koelteplekken gerecreëerd door bijvoorbeeld de aanleg van parken met zwemplekken of regenwatervijvers en wordt voorzien in schaduw van bomen en slimme looproutes. Bij herinrichting en groot onderhoud wordt waar mogelijk de verharding vervangen door groen en wordt klimaatadaptieve beplanting toegepast. Bij bestrating wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van waterdoorlatende bestrating. Ook worden zichtbare waterbergende en –infiltrerende maatregelen toegepast zoals de aanleg van wadi’s, greppels en groene trambanen, maar ook onzichtbare waterbergingen zoals infiltratiekratten en –putten zijn voorzien. Niveau gebied en wijk Op het niveau van gebied en wijk wordt zowel in de bestaande stad als in delen die nieuw worden aangelegd maatregelen getroffen om bij een eventuele overstroming de schade te beperken en slachtoffers te voorkomen. Meer hierover staat in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050. Niveau stad en regio Een sterke en toekomstbestendige verbinding tussen het regionale watersysteem en de stad is nodig. Dit betekent dat de doorstroming van het water in de grachten verbetert moet worden. Hiervoor zijn afspraken over het bruggen, sluizen, oevers, kades en het gebruik van water nodig.
Met waterschappen, bewoners, bedrijven, vastgoedeigenaren en woningcorporaties wordt een netwerk klimaatadaptatie opgezet om vragen te beantwoorden en te helpen bij initiatieven op privaat terrein en in de openbare ruimte. De haalbaarheid van de regionale intentieovereenkomst klimaatbestendige nieuwbouw met de bouwketen en overheden door de Metropoolregio Amsterdam (MRA) wordt verkend. De hemelwaterverordening, vastgesteld door de gemeenteraad, inwerking getreden op 11 mei 2021), moeten nieuwe gebouwen het hemelwater op eigen terrein bergen en vertraagd afvoeren. Niveau nationaal en internationaal Op landelijk niveau werken overheden samen aan klimaatadaptatie in het Nationale Deltaprogramma. Het doel is Nederland nu en in de toekomst te beschermen tegen overstromingen, te zorgen voor voldoende zoetwater en ons land klimaatbestendig te maken. Bestuurlijk is afgesproken dat alle overheden vanaf 2021 actief en concreet uitvoering geven aan klimaatadaptatie. Het Deltaprogramma ondersteunt dit met kennisdeling, onderzoek, afspraken met landelijk werkende partijen en de impulsregeling klimaatadaptatie Overstromingen, bosbranden en lange perioden van droogte: dehele wereld voelt het belang en urgentie van klimaatadaptatie steeds sterker. Het is essentieel om kennis te delen en te leren van de aanpak in andere steden wereldwijd.
Wat doen zij om zich aan te passen aan het nieuwe klimaat? En wat kunnen we opsteken van steden die het klimaat hebben dat wij mogelijk gaan krijgen? Amsterdam Rainproof heeft laten zien dat internationaal samenwerken grote voordelen heeft. Daarnaast deelt Amsterdam jaarlijks kennis uit tijdens het Smart City Expo World Congress in Barcelona en participeren we in de Coalition for Disaster Resilient Infrastructure (CDRI) van de Verenigde Naties. Ook innovatieprojecten zoals RESILIO (blauw-groene daken) delen kennis en kunde met verschillende Europese steden als deel van hun projectscope. Via de podcast the Mayor’s Manual worden in 2021gesprekken gevoerd met mondiale koplopers om de beste adviezen voor burgemeesters wereldwijd te verzamelen. Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal In het collegeakkoord van mei 2018 is vastgelegd dat Amsterdam een wezenlijke bijdrage wil leveren aan het halen van de doelstellingen uit het Klimaatakkoord en heeft de ambitie de uitstoot aan broeikasgassen in Amsterdam ten opzichte van 1990 terug te dringen met 55% in 2030 en 95% in 2050. In vervolg op de totstandkoming van het collegeakkoord is een intensief proces gestart om samen met bewoners, bedrijven en instellingen te onderzoeken hoe de transitie naar een aardgasvrije stad gerealiseerd kan worden.
Het resultaat van dit proces is vastgelegd in de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 (Routekaart). De Routekaart beschrijft de lange termijn visie en strategie op de Amsterdamse energietransitie en de acties voor de korte termijn. De aanpak loopt via vier paden: de gebouwde omgeving, verkeer en vervoer, elektriciteit en haven en industrie. Regionale Energiestrategie
83
In vervolg op het Klimaatakkoord onderzoeken de 30 energieregio’s in Nederland waar en hoe het best duurzame elektriciteit op land opgewekt kan worden. Ook wordt onderzocht welke warmtebronnen er zijn en hoe deze gebruikt kunnen worden zodat wijken en gebouwen op termijn van het aardgas af kunnen. In de Regionale Energiestrategie (RES) beschrijft elke energieregio de keuzen. In de Regionale Energiestrategie werken overheden, inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties samen. De gemeente Amsterdam maakt deel uit van de regie Noord-Holland Zuid. De opgave van de energieregio Noord-Holland Zuid bedraagt het opwekken van 2,7 TWh hernieuwbare elektriciteit op land voor 2030 (doelstelling in het nationaal Klimaatakkoord is 35TWh). De gemeenteraad heeft op 26 mei 2021 het Amsterdams bod vastgesteld waarin een bijdrage wordt geleverd aan de opgave van de energieregio. Het Amsterdams bod betreft de volgende ambities: a. Voor 400MW zonne-energie op grote daken (60% van beschikbare daken benut) en op plekken waar dubbel ruimtegebruik mogelijk is, zoals langs snelwegen en/of op braakliggend terrein; b. Voor tenminste 127MW windenergie (vermogen in het eerste kwartaal 2021 bedraagt 75MW); dit betekent 17 extra windturbines met een vermogen van 3MW elk, te realiseren in de windzoekgebieden; c. Aardgasvrij in 2040, volgens Transitievisie Warmte.
Het aanbod en de zoekgebieden zijn tot stand gekomen na een intensief participatieproces. Er is gesproken met (buur)gemeenten in de regio, de provincies Noord-Holland en Utrecht, waterschappen, netbeheerders, inwoners, ondernemers, energiecorporaties, onderwijs en (maatschappelijke) organisaties op het gebied van natuur, milieu en land- en tuinbouw. Het Amsterdams bod wordt verder uitgewerkt in verschillende trajecten en programma’s. Windenergie Amsterdam In het Amsterdams bod aan de RES-regio zijn zeven voorkeursgebieden voor windenergie naar voren gekomen, daarnaast zijn er reservegebieden en extra reservegebieden aangewezen. Op de kaart uit de RES 1.0 van de regio Noord-Holland Zuid zijn de voorkeursgebieden in groen, de reservegebieden in geel en de extra reservegebieden in rood weergegeven.
Na de vaststelling van het Amsterdams bod heeft een reflectiefase plaatsgevonden. In omgevingssessies zijn zorgen en behoefte opgehaald rondom de realisatie van windturbines in de gemeente Amsterdam en neergelegd in het document ‘Signalen uit de Stad’ (vastgesteld door de gemeenteraad 2022). Na de reflectiefase is besloten een programma zoals bedoeld in de Omgevingswet op te stellen: het Programma Windenergie Amsterdam. Ten behoeve van het Programma Windenergie Amsterdam wordt een plan-MER opgesteld. De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is de eerste stap, naar verwachting wordt deze in het vierde kwartaal van 2022 voor een ieder ter inzage gelegd. Zonne-energie Amsterdam streeft naar het realiseren van een opbrengst van 250MW van zonnepanelen op daken. In 2030 zou 50% van het geschikte dakoppervlak benut moeten zijn voor zonne-energie en in 2050 zou al het geschikte dakoppervlak optimaal benut moeten zijn. Naast het benutten van daken, ligt de focus op het plaatsen van zonnepanelen op bijvoorbeeld P&R-locaties en langs bestaande infrastructuur, zoals taluds, geluidschermen en metrostations. Transitievisie Warmte
84
Aardgas is een fossiele brandstof die wordt gebruikt voor het verwarmen van gebouwen, warm water en koken. De verbranding van aardgas veroorzaakt uitstoot van CO2. De uitstoot van CO2 draagt bij aan de klimaatverandering. Amsterdam heeft de ambitie in 2040 een aardgasvrije stad te zijn. De aanpak hiervoor is beschreven in de Routekaart Amsterdam 2050. De routekaart gaat over de overgang van fossiele energie naar energie uit hernieuwbare bronnen (energietransitie). Met de inwerkingtreding van de Wet Voorgang energietransitie worden nieuwbouwwoningen waarvoor de omgevingsvergunning op of na 1 juli 2018 is aangevraagd, niet meer aangesloten op het aardgas. Hiermee is een verbod op een aardgasaansluiting voor nieuwbouw woningen geregeld. Het college kan om zwaarwegende redenen van algemeen belang een uitzondering maken. In een ministeriële regeling is uitgewerkt wat onder zwaarwegende redenen van algemeen belang wordt verstaan. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten in een transitievisie warmte een realistisch tijdspad vastleggen waarom wijken van het aardgas afgaan. De transitievisie warmte wordt geborgd in het instrumentarium van de Omgevingswet. De gemeenteraad van Amsterdam heeft op 30 september 2020, de transitievisie warmte vastgesteld. Op de transitiekaart (afbeelding hieronder), is voor elke buurt zowel een warmteoplossing als een transitieperiode opgenomen.
De maatschappelijke kosten van de energietransitie zijn als een belangrijk aspect meegenomen.
De energietransitie-maatregelen kunnen worden uitgewerkt in een programma in de zin van de Omgevingswet. Een programma warmte kan ten grondslag worden gelegd aan het besluit van de gemeenteraad een gebied van het gas af te halen. Dit is geregeld in de Wet gemeentelijk instrumentarium warmtetransitie en het Besluit gemeentelijk instrumentarium warmtetransitie (op dit moment nog niet in werking getreden). Amsterdam Circulair In de Strategie Amsterdam Circulair 2020-2025 (vastgesteld door gemeenteraad 2020) Amsterdam heeft de ambitie uitgesproken in 2050 een circulaire stad te zijn. In een circulaire stad worden materialen en grondstoffen hergebruikt, zo wordt voorkomen dat waardevolle materialen als afval verloren gaan. Ook voedselverspilling wordt tegengegaan. Een circulaire economie draagt significant bij aan de vermindering van de wereldwijde CO2-uitstoot. Tot slot biedt een circulaire economie meer werkgelegenheid. Er zullen weliswaar banen verdwijnen, maar op het gebied van reparatie en de verwerking van grondstoffen komen er netto meer banen bij voor mensen uit alle gelederen van de samenleving. In de Strategie zijn de ambities en actierichtingen beschreven en bevat een plan van aanpak. Er zijn drie geselecteerde waardeketens: voedsel en organische reststromen, consumptiegoederen en gebouwde omgeving. De voortgang van de Strategie wordt gemonitord.
Voedsel en organische reststromen a. Creëer circulaire voedselproductie in (en voor) stedelijke gebieden b. Stimuleer een gezonde, duurzame en plantaardige voedselconsumptie door alle inwoners c. Minimaliseer voedselverspilling door retail, horeca en huishoudens d. Opschalen van de gescheiden inzameling van organisch afval van huishoudens en bedrijven voor hoogwaardige verwerking e. Opschalen van hoogwaardige verwerking van biomassa en voedselreststromen f. Versnel het sluiten van lokale nutriëntenkringlopen uit biomassa- en (vuil)waterstromen
85
Consumptiegoederen a. Verminder consumptie en vermijd overconsumptie. b. Stimuleer hoogwaardige recycling van complexe consumptiegoederen. c. Zet in op het gezamenlijk en langdurig gebruik van producten. d. Vergroot het aantal lokale ambachtscentra voor reparatie en herstel van producten. e. Gebruik en ontwerp gestandaardiseerde en modulaire producten die geschikt zijn voor hergebruik, reparatie en recycling. Gebouwde omgeving a. Stimuleer circulaire gebiedsontwikkeling met een stedelijk ontwerp, een integrale benadering en klimaatbestendig bouwen met speciale aandacht voor het sluiten van kringlopen. b. Gebruik circulaire criteria in de gronduitgifte en aanbesteding van alle bouw- en infrastructurele projecten en in de openbare ruimte. c. Ontwikkel gebouwen met aanpasbare functies en systemen. d. Opschalen van circulaire demontage en gescheiden inzameling ten behoeve van hoogwaardige toepassing. e. Gebruik hernieuwbare en secundaire bouwmaterialen. f. Stimuleer circulaire renovatie in de particuliere en sociale woningbouw Om de ambities te halen zullen de nodige beleidsinstrumenten ontwikkeld worden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels in het omgevingsplan, economische instrumenten en voorlichtingscampagnes. In afzonderlijke wijzigingsbesluiten zal in de motivering daarbij worden ingegaan in welke mate worden bijgedragen aan de doelstellingen.
AAAA Na sectie 10.18 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
10.19 Horeca 10.19.1 Inleiding Op 15 mei 2025 heeft de gemeenteraad het Horecabeleid 2025 vastgesteld. Dit horecabeleid wordt met de voorliggende wijziging vertaald naar regels in het omgevingsplan. Hiermee wordt een nieuw stelsel van regels over horeca voor de hele stad geïntroduceerd. Hieronder volgt een samenvatting van dit beleid, voor zover relevant voor het omgevingsplan. Voor de volledige inhoud van het beleid wordt kortheidshalve naar het beleid zelf verwezen. In paragraaf 11.2.5.20 en paragraaf 11.3.3.14 wordt beschreven hoe het beleid naar regels is vertaald. Het nieuwe stelsel moet waarborgen dat de horeca en terrassen blijven passen in de buurt waar ze gevestigd zijn. En dat daar waar het kan, nieuwe horeca mogelijk is. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt. Zo wordt meer gestuurd op de activiteiten die binnen een horecabedrijf worden uitgeoefend, en worden ook openingstijden voor horeca geregeld in het omgevingsplan. Voor het omgevingsplan bevat het horecabeleid de volgende onderwerpen: • een nieuwe ruimtelijke indeling in horecacategorieën • additionele horeca • culturele horeca • openingstijden • horecaterrassen
Horeca gaat veelal gepaard met milieubelastende activiteiten. Regels daarover zijn opgenomen in hoofdstuk 9. Het gaat onder meer om regels over geluid- en geurhinder. Het beleidskader horeca niet gaat over hotels en hotelvestiging. Daarvoor geldt apart beleid (zie paragraaf 10.20). Voor zover binnen de uitoefening van een hotel sprake is van horeca-activiteiten die ook door niet-hotelgasten bezocht kunnen worden, is het beleid wel van toepassing.
86
10.19.2 Relatie met de APV Horeca wordt behalve door het omgevingsplan ook door andere wettelijke regelingen gereguleerd. Zo bevat ook de APV regels met betrekking tot horeca. De regels in de APV hebben een ander oogmerk, een ander doel. Zo zijn de regels in de APV gesteld met het oog op openbare orde en veiligheid. In de APV staat onder andere de verplichting dat een horecabedrijf een exploitatievergunning moet hebben. Bij de beoordeling van een aanvraag om exploitatievergunning is ruimte voor afwegingen die te maken hebben met de exploitant, zoals de financiering, het levensgedrag en de bedrijfsvoering, en ook een toets op de gevolgen voor het woon- en leefklimaat vanuit oogpunt van openbare orde en veiligheid. Daarnaast blijft de Bibob bij exploitatievergunningen toegepast worden. De verschillende regels kunnen niet worden geïntegreerd in één regeling. Regels die betrekking hebben op activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen, moeten (als ze worden gesteld) in het omgevingsplan worden opgenomen. Regels die worden gesteld met het oog op openbare orde en veiligheid mogen echter niet in het omgevingsplan (zie meer uitgebreid hoofdstuk 3 en in het bijzonder paragraaf 3.4 van deze algemene toelichting). In het omgevingsplan worden onder meer regels gesteld die moeten zorgen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Voor wat betreft horeca gaat het daarbij om regulering van de effecten van horeca op de fysieke leefomgeving, zoals bijvoorbeeld geluidshinder, geurhinder, beperking van de toegankelijkheid van de openbare ruimte door een terras en publiek aantrekkende werking. Ook in de APV zijn regels gesteld met betrekking tot het woon- en leefklimaat, maar dan gaat het om de spanning waaraan het woon- en leefklimaat reeds blootstaat. Zo kunnen feiten die zich in of in de nabijheid van een horecabedrijf hebben voorgedaan, als gevolg waarvan de openbare orde meermalen is verstoord, een inbreuk geven op het veiligheidsgevoel van omwonenden, waardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van zijn horecabedrijf (ECLI:NL:RVS:2005:AT9281). Bij een aanvraag om een exploitatievergunning op grond van de APV wordt daarnaar gekeken. Wat onwenselijk is, is dat daarbij ook ruimtelijke aspecten worden betrokken, zoals geluidhinder, verkeershinder en parkeerdruk, voor zover die effecten het gevolg zijn van het op normale wijze uitoefenen van toegestane activiteiten. Dat vraagt een goede redactie van de regels in de APV, omdat anders ook in het kader van een aanvraag om een exploitatievergunning naar die aspecten moet worden gekeken (ECLI:NL:RVS:2008:BC1506, ECLI:NL:RVS:2021:2678).
Dat zou betekenen dat de burgemeester de ruimtelijke afweging, de beoordeling van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving, die in het kader van het omgevingsplan wordt gemaakt, nog eens dunnetjes over moet doen in het kader van de exploitatievergunning. Dat is zo niet bedoeld en ongewenst. Wanneer de effecten het gevolg zijn van niet normaal gedrag, en als zodanig overlast opleveren, dan ligt het wel op het spoor van de APV daartegen op te treden. Wanneer bijvoorbeeld de geluidshinder ontstaat door geschreeuw van dronken terrasbezoekers, dan is geen sprake van geluidsoverlast die bij een normaal gebruik van een terras verwacht mag worden, en dan is het ook aan de exploitant daar iets tegen te doen. Verzuimt de exploitant dit, dan kan daar op grond van de APV tegen worden opgetreden. Hoewel een harde grens tussen de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en openbare orde en veiligheid niet altijd is te trekken, voorziet het Horecabeleid 2025 in een betere afstemming tussen beide regelingen. Regels die betrekking hebben op het voorkomen van onaanvaardbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden opgenomen in het omgevingsplan. De regels in de APV blijven beperkt tot regels die betrekking hebben op openbare orde en veiligheid.
Als uitgangspunt is gehanteerd dat regels die betrekking hebben op het tegengaan van overlast door (wan)gedrag van de exploitant of de individuele bezoeker thuis horen in de APV. Deze overlast wordt dan immers niet veroorzaakt door de horeca-activiteit als zodanig, maar door het gedrag van individuen. Activiteiten die direct verband houden met de uitoefening van horeca zelf, ongeacht het (wan)gedrag van de exploitant of de individuele bezoeker, en die gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, worden gereguleerd in het omgevingsplan. Wanneer het bijvoorbeeld gaat om geluidsoverlast vanwege gewoon stemgeluid bij een gewoon gebruik van een terras, of vanwege een geluidsinstallatie, dan gaat het om gevolgen vanwege de horeca-activiteit als zodanig, ongeacht wie de horecaonderneming exploiteert, en ongeacht wie er op het terras zitten. De gevolgen op de fysieke leefomgeving zijn het gevolg van bedoelde activiteiten: het terras is bedoeld, en op een terras wordt gepraat; een café heeft een geluidsinstallatie, en daarop wordt muziek afgespeeld. Het omgevingsplan beoogt de gevolgen van die bedoelde activiteiten te reguleren en
87
onaanvaardbare overlast op de fysieke leefomgeving te voorkomen, bijvoorbeeld door regulering van sluitingstijden of omvang van terrassen. Op een aantal onderdelen betekent dit dat regels over onderwerpen die voorheen alleen in de APV werden gesteld, ook in het omgevingsplan worden gesteld. Zo bevatte de APV regels over openingstijden en bestemmingsplannen veelal juist niet, terwijl openingstijden van horeca mede bepalend zijn voor de mate van overlast die horeca kan geven op de fysieke leefomgeving. Om die reden bevat het omgevingsplan regels over openingstijden. De in het omgevingsplan opgenomen regels over openingstijden bieden het buitenste kader. Binnen die regels is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het kan echter voorkomen dat in een specifiek geval feiten op het gebied van openbare orde en veiligheid vragen om een beperking van die openingstijden. De APV biedt voor die gevallen de mogelijkheid dat de burgemeester beperkingen kan opleggen met het oog op openbare orde en veiligheid. Als uitgangspunt is gehanteerd dat regels die betrekking hebben op het tegengaan van overlast door (wan)gedrag van de exploitant of de individuele bezoeker thuis horen in de APV. Deze overlast wordt dan immers niet veroorzaakt door de horeca-activiteit als zodanig, maar door het gedrag van individuen.
Activiteiten die direct verband houden met de uitoefening van horeca zelf, ongeacht het (wan)gedrag van de exploitant of de individuele bezoeker, en die gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, worden gereguleerd in het omgevingsplan. Wanneer het bijvoorbeeld gaat om geluidsoverlast vanwege gewoon stemgeluid bij een gewoon gebruik van een terras, of vanwege een geluidsinstallatie, dan gaat het om gevolgen vanwege de horeca-activiteit als zodanig, ongeacht wie de horecaonderneming exploiteert, en ongeacht wie er op het terras zitten. De gevolgen op de fysieke leefomgeving zijn het gevolg van bedoelde activiteiten: het terras is bedoeld, en op een terras wordt gepraat; een café heeft een geluidsinstallatie, en daarop wordt muziek afgespeeld. Het omgevingsplan beoogt de gevolgen van die bedoelde activiteiten te reguleren en onaanvaardbare overlast op de fysieke leefomgeving te voorkomen, bijvoorbeeld door regulering van sluitingstijden of omvang van terrassen. Op deze wijze bevat het omgevingsplan de randvoorwaarden waarmee een aanvaardbaar woonen leefklimaat is geborgd. Met het oog op openbare orde en veiligheid kunnen daaraan verdere beperkingen worden gesteld. Dat betekent dat op grond van het omgevingsplan een bepaalde activiteit binnen bepaalde regels kan zijn toegestaan, maar dat op grond van de APV nog wel aanvullende beperkingen gelden.
Om deze scheiding duidelijk te maken verandert met de inwerkingtreding van de horecaregeling als onderdeel van het omgevingsplan de terminologie in de APV wat betreft het ‘woon- en leefklimaat’. Het woon- en leefklimaat als brede term omvat zowel ruimtelijke aspecten als zaken die de openbare orde aangaan. Het criterium zal in de APV worden verengd tot een beoordeling van 'de bestaande druk op de woon- en leefomgeving'. Een gangbare definitie van openbare ordeverstoring is ‘een verstoring van enige betekenis van de normale gang van zaken in of aan de desbetreffende openbare ruimte’. Het gaat om gedragingen van mensen die niet planbaar of voorzienbaar zijn uit oogpunt van de functietoedeling, maar wel zorgen voor overlast in de omgeving van de horecazaak. Wordt met de exploitatie een naar zijn oordeel ontoelaatbare toename van dergelijke activiteit verwacht, dan kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, weigeren te verlenen of voorschriften in de vergunning opnemen om die verwachte toename van druk op het woon- en leefomgeving te verminderen. Als de druk op de omgeving al hoger is, dan is aannemelijk dat een verdere aantasting ontoelaatbaar wordt geacht. Het is onwenselijk dat een exploitatievergunning wordt verleend voor activiteiten die op grond van het omgevingsplan niet zijn toegestaan.
Om te voorkomen dat de exploitatievergunning meer toestaat dan dat het omgevingsplan toelaat, wordt er in de APV in voorzien dat de exploitatievergunning geweigerd moet worden bij strijd met het omgevingsplan. Om te kunnen beoordelen of sprake is van strijd met het omgevingsplan wordt de aanvrager verzocht bij de aanvraag om een exploitatievergunning die informatie in te dienen die deze beoordeling mogelijk maakt. Zo zal moeten worden aangegeven wat de activiteiten zijn die gaan plaatsvinden, en wat de openingstijden zijn. Die voorgenomen activiteiten en openingstijden zijn daarmee onderdeel van de aanvraag en worden daarmee bij vergunningverlening ook onderdeel van de vergunning. Om het proces van toezicht en handhaving te vereenvoudigen, zal deze informatie als bijlage aan de exploitatievergunning worden toegevoegd. Daarmee heeft de vergunninghouder, maar ook de handhaver, overzichtelijk bij elkaar de voorwaarden uit de verschillende regelingen waaraan de vergunninghouder zich dient te houden.
88
10.19.3 Nieuwe indeling horecacategorieën In bestemmingsplannen werd gewerkt met algemene horeca-typeringen (zoals restaurant, eetcafé). Per bestemmingsplan konden de horeca-typeringen of de definities daarvan verschillen. Bij nieuwe horecaconcepten was soms onduidelijk welke typering het beste past. Bovendien zegt de algemene omschrijving niet zoveel over de daadwerkelijke activiteiten, en juist die activiteiten hebben impact op de fysieke leefomgeving. Daarom wordt van die oude horecatypering afscheid genomen. De nieuwe indeling in zwaartecategorieën is gebaseerd op concrete activiteiten die daadwerkelijk binnen horeca kunnen worden uitgevoerd en die invloed hebben op de omgeving. Met deze nieuwe indeling is er één ruimtelijke indeling in categorieën voor de hele stad. Bij elke activiteit is de invloed op de omgeving anders. In het Horecabeleid 2025 worden daarbij de volgende horeca-activiteiten onderscheiden: a. bereiden van etenswaren en/of dranken binnen in de horecazaak; b. verstrekken van etenswaren en/of niet-alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse; c. consumptie in de horecazaak; d. schenken van alcoholhoudende dranken; e. aanbieden/meegeven van etenswaren voor consumptie in de directe omgeving van de horecazaak; f. aanbieden/meegeven van niet alcoholhoudende dranken voor consumptie in de directe omgeving van de horecazaak; g.
ten gehore brengen van meer dan achtergrondmuziek; h. aanbieden van een dansvloer; i. aanbieden van waterpijpen voor gebruik ter plaatse. De eerste drie activiteiten zijn basisactiviteiten voor horeca, en ze definiëren wat in het omgevingsplan onder horeca wordt verstaan: een activiteit waarbij bedrijfsmatig voor directe consumptie ter plaatse dranken worden geschonken of eetwaren worden bereid of verstrekt. De overige activiteiten zijn mede bepalend voor het definiëren van het type horeca. Sommige van deze horeca-activiteiten beïnvloeden de fysieke leefomgeving meer dan andere. Daarnaast verzwaren sommige combinaties van horeca-activiteiten deze impact. Door de afzonderlijke horeca-activiteiten in samenhang met elkaar te wegen, ontstaan er vier zwaartecategorieën van zelfstandige horecabedrijven, oplopend in de mate van impact op hun omgeving. Zwaartecategorieën zelfstandige horeca a. Lichte horeca b. Reguliere horeca en reguliere horeca fastfood c. Middelzware horeca d. Zware horeca (uitgaan) In het omgevingsplan worden locaties aangewezen waar uitsluitend lichte horeca is toegestaan, of waar reguliere horeca, middelzware of zware horeca is toegestaan. Dat gebeurt in paragraaf 2.3.20 van de regels. Per zwaartecategorie wordt met regels bepaald welke horeca-activiteiten er mogen plaatsvinden. Dat gebeurt door aan locaties een gebruiksdoel toe te kennen.
Elke zwaartecategorie is een apart gebruiksdoel dat aan een locatie kan worden toegekend. Per gebruiksdoel wordt geregeld waar die geldt, en dat daar de desbetreffende vorm van horeca als activiteit is toegestaan. Per gebruiksdoel zijn aanvullende regels opgenomen waarmee horeca nader wordt gereguleerd. In paragraaf 11.2.5.20 van deze algemene toelichting wordt de strekking van de inhoudelijke regels nader toegelicht. Ten opzichte van het vastgestelde beleid worden wel enkele nuances aangebracht. Allereerst worden de gereguleerde activiteiten op een aantal punten gewijzigd: • consumptie in de horecazaak wordt binnen de verschillende gebruiksdoelen niet specifiek als toegestane activiteit benoemd. Dat dit is toegestaan volgt immers reeds uit de begripsdefinities voor horeca-activiteit en horecazaak. • uitgezonderd bij lichte horeca wordt niet meer gesproken over al dan niet alcoholhoudende dranken, maar gewoon over dranken. Binnen lichte horeca is het verstrekken van alcoholhoudende dranken niet toegestaan, omdat het een ander soort horeca geeft dan beoogd. Voor de overige gebruiksdoelen is de Alcoholwet bepalend voor de vraag of alcoholhoudende dranken mogen worden vertrekt en onder welke voorwaarden. • zaalverhuur voor feesten en partijen is als aparte activiteit geschrapt. In meerdere zienswijzen is gewezen op de tegenstelling tussen de regels en het doel van het beleid.
Met de bedoelde
89
•
zaalverhuur voor feesten en partijen werd gedoeld op horecaondernemingen waar de zaalverhuur gepaard gaat met het draaien van harde muziek (meer dan 77 dB(A)) en het aanbieden van een dansvloer. Omdat de combinatie van die twee in beginsel alleen is toegestaan binnen zware horeca, heeft de toevoeging van regels over zaalverhuur voor feesten en partijen (die dan ook alleen zou zijn toegestaan binnen zware horeca) geen toegevoegde waarde. de regels over het meegeven van etenswaren worden naar aanleiding van zienswijzen verduidelijkt (een uitgebreide toelichting staat in paragraaf 11.2.5.20.3).
Dit heeft ertoe geleid dat binnen de verschillende gebruiksdoelen de volgende horeca-activiteiten onderscheiden: a. het bereiden van etenswaren en/of dranken binnen in de horecazaak; b. het verstrekken van etenswaren en/of dranken voor consumptie in de horecazaak en op het bijbehorende horecaterras; c. het verstrekken van etenswaren en dranken voor consumptie elders dan in de horecazaak, op het bijbehorende horecaterras of in de publieke buitenruimte; d. het verstrekken van dranken voor directe consumptie buiten de horecazaak en het bijbehorende horecaterras; e. het verstrekken van kleine etenswaren voor directe consumptie in de publieke buitenruimte, voor zover het gaat om etenswaren die ter plaatse geen voorbereidingshandelingen, zoals gaar maken, samenstellen en beleggen, nodig hebben; f. het verstrekken van etenswaren, anders dan bedoeld onder e, voor directe consumptie buiten de horecazaak en het bijbehorende horecaterras; g. het verstrekken van niet verwarmde etenswaren voor consumptie in de directe omgeving van de horecazaak; h. het ten gehore brengen van muziek met een geluidsniveau hoger dan 77 dB(A); i. het aanbieden van een dansvloer; j. het aanbieden van waterpijpen voor gebruik in de horecazaak en op het bijbehorende horecaterras; k. het exploiteren van fastfoodhoreca.
Verder wordt het binnen middelzware en zware horeca mogelijk om op bepaalde locaties fastfoodhoreca toe te staan. Daarmee wordt voorzien in de mogelijkheid om bij het vervangen van een bestemmingsplan bestaande rechten voor fastfoodhoreca te consolideren, zonder dat dit direct hoeft te leiden tot het moeten opleggen van een gebruiksdoel reguliere horeca. Waar fastfoodhoreca wordt toegestaan, wordt uiteindelijk bepaald bij het vervangen van het nog geldende bestemmingsplan. Hetzelfde geldt voor het aanbieden van een dansvloer. In beginsel is dat alleen toegestaan ter plaatse van een gebruiksdoel zware horeca. In een aantal gebieden is in bestemmingsplannen het equivalent van middelzware horeca toegestaan, maar met de mogelijkheid om daarbij een dansvloer aan te bieden. Ook in het omgevingsplan is het mogelijk om dat toe te staan. Waar dit daadwerkelijk wordt toegestaan, wordt uiteindelijk bepaald bij het vervangen van het nog geldende bestemmingsplan. Gebruiksdoel: lichte horeca In subsubparagraaf 2.3.20.2.1 wordt bepaald waar lichte horeca is toegestaan, en welke regels daarop van toepassing zijn. Lichte horeca is gedefinieerd als een horecazaak, niet zijnde fastfoodhoreca, gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of niet-alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak.
Voorbeelden van lichte horeca zijn een koffiezaak, lunchroom, of ijssalon (alcoholvrij). In paragraaf 11.2.5.20.4 wordt toegelicht wat daarbinnen wel en niet is toegestaan. Gebruiksdoel: reguliere horeca In subsubparagraaf 2.3.20.2.2 wordt bepaald waar reguliere horeca is toegestaan, en welke regels daarop van toepassing zijn. Reguliere horeca wordt gedefinieerd als een horecazaak gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak. Voorbeelden van reguliere horeca zijn een brasserie, bistro of restaurant. Op een locatie met gebruiksdoel: reguliere horeca is ook lichte horeca toegestaan. In paragraaf 11.2.5.20.5 wordt toegelicht wat daarbinnen wel en niet is toegestaan. Gebruiksdoel: middelzware horeca
90
In subsubparagraaf 2.3.20.2.3 wordt bepaald waar middelzware horeca is toegestaan, en welke regels daarop van toepassing zijn. Middelzware horeca wordt gedefinieerd als een horecazaak gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak, waarbij muziek ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 77 dB(A). Voorbeelden van middelzware horeca zijn een bar, café, cocktailbar. Op een locatie met gebruiksdoel: middelzware horeca is ook lichte en reguliere horeca toegestaan. In paragraaf 11.2.5.20.6 wordt toegelicht wat daarbinnen wel en niet is toegestaan. Gebruiksdoel: zware horeca In subsubparagraaf 2.3.20.2.4 wordt bepaald waar middelzware horeca is toegestaan, en welke regels daarop van toepassing zijn. Zware horeca wordt gedefinieerd als een horecazaak bestaande uit het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren en/of al dan niet alcoholische dranken voor directe consumptie in de horecazaak, waarbij muziek ten gehore wordt gebracht met een geluidsniveau hoger dan 77 dB(A), en waarbij (een deel van) de ruimte wordt ingericht als dansvloer. Voorbeelden van zware horeca zijn een discotheek, nachtclub en zalenverhuur. Op een locatie met gebruiksdoel: zware horeca is ook lichte, reguliere en middelzware horeca toegestaan.
In paragraaf 11.2.5.20.7 wordt toegelicht wat daarbinnen wel en niet is toegestaan. Gebiedsgewijze uitrol, consequenties nieuwe ruimtelijke indeling voor bestaande horecabedrijven De regels waarmee aan locaties een bepaald gebruiksdoel wordt gegeven, worden niet ineens voor heel Amsterdam van toepassing. Dat zal gebied voor gebied gaan gebeuren, bij het vervangen van de onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen. Totdat ergens een bestemmingsplan is vervangen, gelden de regels uit dat bestemmingsplan. Bij het vervangen van een bestemmingsplan met daarin regels over horeca, worden die regels vervangen door de nieuwe zwaartecategorieën. Bij die omzetting geldt voor legaal bestaande horecabedrijven dat deze horeca op de betreffende locatie passend is. De beoordeling op aanvaardbaarheid is in het verleden al gedaan. Dit hoeft niet opnieuw gedaan te worden. Soms staat een bestemmingsplan op een locatie meer toe dan wat er feitelijk zit. Bij de omzetting wordt voor elke horecalocatie gekeken naar wat er nu is toegestaan in het bestemmingsplan. Als uitgangspunt geldt dat de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan worden overgenomen. Hierbij wordt de volgende omzettingstabel als uitgangspunt gehanteerd. Waar op grond van het bestemmingsplan is toegestaan:
Wordt het gebruiksdoel:
Lunchroom, ijssalon, koffiehuis, theehuis, broodjeszaak
Lichte horeca
Lunchroom, ijssalon, koffiehuis, theehuis, broodjeszaak, bistro, restaurant, en daarmee vergelijkbare vormen van horeca
Reguliere horeca
Café, bar, eetcafé, cocktailbar, shishalounge en daarmee vergelijkbare vormen van horeca
Middelzware horeca
Nachtzaak, discotheek, club, zaalverhuur, partycentrum en daarmee vergelijkbare vormen van horeca