1. Voortgangsmonitor 2022 Top600 en Top400.pdf
Tekst van het document
‘Verhalen uit de gevangenis: “Het afgelopen jaar deden de gedetineerden van het Huis van Bewaring (HvB) mee met het project Hangen of Leven in de Bajes, een nieuwe groep gedetineerden, want het wisselt nog wel eens in het HvB. Elke keer weer met andere energie. De woorden van één van de deelnemers, die vertelde dat hij het geweldig vindt om mee te doen: ”het haalt je uit je schulp, als je verlegen bent, wordt je door de andere jongens meegetrokken. Er is geen macho gedoe, je kan jezelf zijn.’ - medewerker HvB afdeling JC Zaanstad
Een andere interventie die wordt aangeboden is het Prison Gate Office. Een team biedt begeleiding aan ex-gedetineerden (waaronder Top600) die na hun detentie geen plek hebben om naar toe te gaan en waar bijvoorbeeld het justitiële kader ontbreekt om een persoon in een specifieke woonvoorziening te plaatsen. Wekelijks sluit een medeweker van het Prison Gate Office aan bij de casusbesprekingen en denkt mee over eventuele mogelijkheden voor woonvoorzieningen van personen in de aanpak. In 2022 hebben 4 Top600-personen gebruik gemaakt van deze interventie. In alle gevallen ging het om het meedenken over onderdak en het begeleiden van betrokkene vanuit detentie. In 2022 is een (vervolg)training rondom deskundigheidsbevordering gegeven aan de medewerkers op de Top600 afdeling gericht op het motiveren van de Top600 personen, het aansluiten bij de verstandelijke en psychiatrische mogelijkheden/onmogelijkheden, maar ook op het beïnvloeden van de groepsprocessen. Aan medewerkers op de ISD afdeling zijn twee trainingen gegeven. In totaal zijn 20 medewerkers op de Top600- afdeling getraind en 24 medewerkers op de ISD afdeling. In gesprek met D&T kwamen onderstaande punten naar voren: Coronaperiode: beperkt trainings- en interventie aanbod en minder verbinding De geldende coronamaatregelen hebben ook in 2022 veel impact gehad op gedetineerden.
Het trainings- en interventie-aanbod is een tijd beperkt geweest, maar halverwege 2022 weer opgestart. Sindsdien kunnen gedetineerden het basis-, en indien van toepassing, het plusprogramma in detentie volgen en gebruik maken van de interventies die door de gemeente worden aangeboden (al dan niet in co-financiering met JC Zaanstad) zoals coaching maar ook creatieve en sportieve workshops of gedragsinterventies. De coronaperiode maar ook personele wisselingen hebben invloed gehad op de verbinding tussen regisseurs en casemanagers. Daarom is in 2023 gestart met de organisatie van verbindingsdagen voor regisseurs, interventieplegers en casemanagers op de Top600 afdeling in JC Zaanstad, om elkaar beter te leren kennen en van elkaar te leren.
25 Dit project wordt primair aangeboden aan personen in de Top600. Als er te weinig aanmeldingen zijn kan het
zijn dat ook andere gedetineerden mogen participeren.
22
Veranderingen binnen de doelgroep: verharding en stijgende zorgbehoefte De verharding in de criminaliteit zorgt ook voor meer veiligheidsrisico's in detentie. De Top600-afdeling in JC Zaanstad is in 2022 gereorganiseerd om onder andere meer rust en veiligheid op de afdeling te creëren. Daarnaast lijkt er in detentie ook sprake te zijn van een stijgende zorgbehoefte van personen in de aanpakken (psychiatrische en verslavingsproblematiek). Met de komst van de Wet straffen en beschermen (juli 2021) telt gedrag van gedetineerden zwaarder. Meer dan voorheen speelt gedrag en de mate waarin gedetineerden zich inzetten om hun leven weer op de rit te krijgen, een rol. Gedrag is van invloed op het verloop van hun detentie, verlof wordt minder vanzelfsprekend en minder vrijblijvend. Terwijl verlof belangrijk is bij re-integratie. Binnen het programma D&T wordt dan ook bekeken of en hoe er voor deze personen tot meer maatwerk gekomen kan worden. In 2023 en verder wordt bekeken of de huidige interventies nog voldoende passend zijn voor personen in de aanpakken en hoe flexibel kan worden ingespeeld op veranderingen binnen deze groep.
2.2. Dak boven het hoofd Een dak boven het hoofd hebben is ook voor personen in de aanpakken essentieel en standaard onderdeel van het plan van aanpak en van de inzet van de regisseur. Want zonder een stabiele woonplek is het zeer moeilijk om stappen te zetten richting meer perspectief. Het tekort aan passende verblijfplekken voor de personen in de aanpakken is van grote invloed op de aanpak. Ook de personen zelf en hun ouders benoemen dit als een groot knelpunt (zie ook paragraaf 4.2). Aan deze landelijke knelpunten is in 2022 onder meer aandacht besteed door gecoördineerd voor alle personen in regie binnen het AcVZ op zoek te gaan naar mogelijke, al dan niet tijdelijke, oplossingen op het gebied van passende verblijfplekken. In reguliere woonvoorzieningen blijkt het echter zeer moeilijk om een oplossing te vinden voor deze personen. Het Passantenhotel Boerhave is in 2022 enige tijd gesloten geweest voor nieuwe Top600-/Top400-personen, maar heeft na het maken van nieuwe werkafspraken eind 2022 weer een aantal plekken ter beschikking gesteld. Het biedt deze personen een tijdelijke oplossing van maximaal 6 maanden, waarin – samen met de regisseur - uitgekeken kan worden naar een permanente oplossing. Ook op bestuurlijk niveau is het tekort aan passende verblijfplaatsen onder de aandacht gebracht. Continue aandacht hiervoor blijft noodzakelijk. In 2023 e.v.
wordt in samenwerking met WPI en met bij (woon)zorg betrokken partnerorganisaties onderzocht of het mogelijk is om op het vlak van wonen en zorg bijzondere afspraken te maken voor de personen in de Top600/Top400. Ook wordt in nauwe samenwerking met woningcorporaties, zorgaanbieders en het Programma Huisvesting Kwetsbare Groepen, de mogelijkheid verkend om een aantal woningen beschikbaar te stellen aan (onder andere personen) in de Top600/Top400 aanpakken. Ook in de gesprekken met partners is huisvesting als basis maar ook als groot maatschappelijk probleem benoemd. Men voorziet dat dit in de toekomst voor groeiende problemen zal blijven zorgen, doordat jongeren langer financieel onzelfstandig blijven en bij hun ouders blijven wonen. Er is behoefte aan maatwerk voor dit soort subgroepen, momenteel is het hulpaanbod niet toereikend. Ook zijn er zorgen over de lange wachtlijsten in de zorg en wordt benadrukt hoe moeilijk het is om begeleid wonen plekken te vinden voor de korte termijn. Dit is niet bevorderlijk voor personen in de aanpakken die over het algemeen minder denken in lange-termijn lijnen. De woning- en opvangnood kan er toe leiden dat trajecten stil komen te staan, bijvoorbeeld als personen te zelfstandig zijn geworden om nog begeleid te wonen, maar ook doordat een woning niet meer als ‘wisselgeld’ kan worden aangeboden.
23
2.3. Begeleiding naar werk, scholing, dagbesteding en hulp bij schulden 2.3.1. Extra inzet vanuit WPI Voor begeleiding vanuit Werk, participatie en inkomen (WPI) kunnen personen uit de Top600 en Top400 terecht bij de afdeling Werk en Veiligheid. Hier is een speciaal multidisciplinair interventieteam ingericht dat personen met problematiek op het snijvlak van veiligheid en zorg bijstaat op verschillende leefgebieden zoals werk, inkomen, schulden en scholing. Door intensieve en persoonlijke ondersteuning worden personen begeleid naar bijv. werk, dagbesteding of een leerwerktraject. Ook is er een samenwerking met het gevangeniswezen en is er ondersteuning voor personen die uit detentie komen. Het team bestaat uit professionals zoals klantmanagers, schuldhulpverleners, jobhunters en regisseurs. Doel is dat iemands gedrag dusdanig verandert dat hij/ zij beter kan meedoen in de maatschappij. Ook wordt er veel nazorg geboden om terugval te voorkomen. WPI licht toe dat begeleiding maatwerk is waarin de klantmanager van WPI samenwerkt met de regisseur. De regisseur heeft een helicopterview, heeft zicht op het grotere plaatje en weet wat er allemaal speelt. De klantmanager van WPI toetst bij de regisseur of bepaalde interventies passend zijn om in te zetten. Tot slot komen regisseurs ook vaak op de lijn bij WPI om kennis in te winnen.
WPI ervaart de meerwaarde van het multidisciplinair interventieteam voor de Top600/Top400 als volgt: ‘Verschil met de reguliere inzet van WPI is dat we met het interventieteam extra tijd hebben om dingen te doen, er zijn meer mogelijkheden om de vinger aan de pols te houden en daardoor kunnen we ook extra vertrouwen opbouwen bij de personen en partners. Als het om klanten in detentie gaat dan lukt het dankzij de samenwerking binnen de aanpakken beter om ‘binnen’ met ‘buiten’ te verbinden.’
In 2022 waren per maand gemiddeld 217 Top600-personen in begeleiding bij WPI en 99 Top400
personen. Dit is ongeveer de helft van alle personen in de aanpakken. Dit aandeel is stabiel sinds 2021. Voor de Top600 is wel een kleine daling te zien in het tweede halfjaar van 2022. Er zijn in 2022 in totaal 74 personen aan het werk geholpen. Daarnaast zijn er kortdurend 15 personen uit de aanpakken naar werk begeleid.26 Ook na uitstroom uit de aanpak kan het multidisciplinair interventieteam in bijzondere gevallen de persoon in begeleiding houden. Figuur 7: Top600 en Top400 in begeleiding bij WPI ‘De aanpak trekt medewerkers aan die echt voor deze doelgroep kiezen. Ze zijn 50%
54%
49%
53%
54%
flexibel, (hebben geen 9 tot 5 mentaliteit) en gemotiveerd. Ze doen wat nodig is en
40%
het belangrijkste kenmerk is dat ze geloven in een tweede kans’ - WPI
2021-1 Top600
2021-2
2022-1 Top400
Bron: WPI/ bewerking AcVZ
2022-2
‘Je ziet bij deze doelgroep veel betalingsachterstanden en daaruit volgend veel stress.- WPI
26 Mogelijk betreffen de in deze alinea genoemde 74 en 15 personen ook doorgroeiers.
24
De jobhunter van het multidisciplinair interventieteam heeft in 2022 in totaal 116 aanmeldingen ontvangen. Van de 82 afsluitingen werd de helft positief afgesloten, 27% negatief en 23% neutraal. Daarnaast hebben 127 aanmeldingen plaatsgevonden bij de schuldhulpverlening (via PuurZuid). Van de 119 beëindigingen zijn er 57% negatief beëindigd, 31% positief en 12% neutraal. Figuur 8: uitstroom schuldhulpverlening en Jobhunter Beëindigingen schuldhulpverlening
0%
37
14
20%
40%
Positief
Beëindigingen Jobhunter
68 60%
Neutraal
41 80%
100%
Negatief
0%
20%
19 40%
Positief
60% Neutraal
22 80%
100%
Negatief
Bron: WPI/bewerking AcVZ
WPI geeft aan dat zij zien dat de coronapandemie grote impact heeft gehad op deze kwetsbare doelgroepen. Contact met de personen in de aanpakken was moeilijk ten tijde van de maatregelen. Ook de PI’s waren lang gesloten waardoor WPI medewerkers personen in detentie niet konden bezoeken en trajecten lastiger op te starten waren. Ook zag WPI meer agressie richting medewerkers. Daarbij ervoer WPI de personen in de aanpakken in algemene zin ook als complexer en zwaarder. Dit maakte het lastiger dan voorheen om personen in begeleiding bij WPI positief te laten uitstromen. Samengevat is het aantal personen in begeleiding weliswaar wat gedaald, echter de begeleiding is op verschillende vlakken intensiever geworden. WPI heeft in 2022 aan verschillende projecten gewerkt. Als voorbeeld werkt WPI samen met de GGD om meer traumasensitief te gaan werken en te kijken naar andere vorm van dienstverlening voor deze groepen. Daarnaast is er ook een Werkaanpak Voortijdig Schoolverlaten opgesteld waardoor een betere aansluiting met onderwijs is gevonden. Ook is er extra aanbod voor Top600 en Top400personen opgezet: Sportworks en Soundworks. Hier volgen personen een intensief traject van 8 weken en werken zij aan een toekomstplan.
Deelnemers krijgen na het doorlopen van Sportworks zelfs een certificering (Asisstent Fitness trainer A) en bij Soundworks een optreden (in Paradiso), wat hun kansen op de arbeidsmarkt langdurig vergroot en wat motiverend werkt.
2.3.2. Persoonsgerichte samenwerking met CJIB Binnen het Top600/Top400 plan van aanpak is veel aandacht voor schulden. Een (problematische) schuldsituatie ontregelt het leven van een persoon enorm en vormt bovendien een extra risicofactor op recidive. Regisseurs kunnen een persoon aanmelden bij het CJIB, waarbij er een persoonsgerichte aanpak plaatsvindt. Samen met Openbaar Ministerie, politie en Ministerie van V&J wordt (binnen de grenzen van de executieplicht van het CJIB) onderzocht of procedures kunnen worden ingekort, versneld of overgeslagen. Dit heeft geresulteerd in de volgende extra mogelijkheden: • Het bevriezen van openstaande boetes om verhoging te voorkomen • Een betalingsregeling treffen ook als deze in de afgelopen 12 maanden gestagneerd • Boetes terugbrengen naar het initiële bedrag • Tijdelijk versluieren van openstaande boete/vordering (het ‘onderwater’ zetten) • Afwijken wettelijke betalingstermijn van 36 maanden (naar 72 maanden) • Zaak terughalen bij de deurwaarder 25
Daarnaast is er met CJIB en de politie afgesproken dat bestaande dwangmiddelen waar nodig voor Top600-personen eerder ingezet kunnen worden om de vicieuze cirkel (al dan niet vrijwillig) te kunnen doorbreken. Dit gaat dan om het inzetten van een deurwaarder, inbeslagname van een rijbewijs, buitengebruikstelling van een voertuig, gijzeling of een arrestatiebevel.
2.3.3. Projectgeld voor kleine noodzakelijke kosten Regisseurs kunnen een aanvraag indienen voor een financiële bijdrage (met een maximumbedrag van €1.000 per Top600-/Top400-persoon) als er geen andere voorliggende voorzieningen beschikbaar zijn. Met deze interventie ‘Projectgeld’ is in 2017 gestart. Projectgeld kan helpen bij de uitvoering van het plan van aanpak doordat hiermee bijvoorbeeld een laptop voor onderwijs kan worden aangeschaft, een sportabonnement kan worden betaald of een VOG kan worden bekostigd. Dit wekt vertrouwen en werkt motiverend . Voordat een aanvraag wordt gedaan vindt veelal eerst vooroverleg plaats om te bezien of er geen andere voorliggende voorziening is. In 2022 zijn uiteindelijk 22 aanvragen voor projectgeld gedaan (waarvan 17x voor een Top600-persoon, 5x voor een Top400-persoon). Hiervan zijn in 2022 16 aanvragen geaccordeerd en 15 aanvragen ook daadwerkelijk uitbetaald (voor een bedrag van afgerond €4.000 euro). Er zijn 4 aanvragen ingetrokken, 1 aanvraag is verwezen naar een andere voorliggende ‘Voor een Top400-persoon heb ik schoolboeken voorziening en 1 aanvraag is in 2023 afgehandeld. aangevraagd via het projectgeld. Eerst samen
Bij behandeling van de projectgeldaanvragen wordt de regisseur waar nodig verwezen naar andere voorliggende voorzieningen van de gemeente, bijvoorbeeld reguliere potjes in het kader van armoedebestrijding. Hier wordt uiteraard ook gebruik van gemaakt ten behoeve van personen in de Top600/Top400. In de afgelopen jaren is het aantal aanvragen projectgeld gedaald, waarschijnlijk omdat er meer van deze voorliggende voorzieningen zijn gekomen en de regisseurs deze beter weten te vinden. In 2023 worden de regisseurs (nogmaals) geïnformeerd over de bestaande voorliggende voorzieningen waar gebruik van kan worden gemaakt.
studiefinanciering aangevraagd, maar deze zou pas twee maanden na start van de opleiding ingaan. De ouders en familie van de jongen hadden geen middelen om de schoolboeken te betalen. Om de jongen te motiveren, maar ook structuur in het schoolgaan aan te brengen, heb ik een aanvraag ingediend bij het projectgeld. De jongen gaat nog steeds naar school en doet het goed. Hierdoor is hij ook gemotiveerd geraakt om te werken en heeft de jongen zelfstandig een bijbaan geregeld.’ - Regisseur
Figuur 9: aangevraagd en uitgekeerd projectgeld 2017
2018
2019
2020
2021
2022
108
53
36
18
23
22
waarvan ingetrokken
19
18
15
4
5
4
waarvan uitbetaald
61
23
20
12
14
15
Totaal uitbetaald
€ 8.150
€ 3.800
€ 3.750
€ 2.750
€ 2.250
€ 4.000
Gem. per aanvraag
€ 150
€ 150
€ 200
€ 200
€ 150
€ 300
Aangevraagd
Bron: AcVZ, afgerond op 50 euro
‘Ik heb een aanvraag gedaan voor vergoeden van een laptop voor school. Vanwege corona werd er thuisonderwijs gegeven, maar de Top600-persoon beschikte niet over een laptop. De ouders en familie van de Top600-persoon beschikten niet over middelen om de laptop te betalen en er kon ook geen aanspraak worden gemaakt op PAK JE KANS. Het gaat goed op school en de laptop is van meerwaarde geweest.’ - Regisseur
26
2.3.4. Samenwerking met scholen en inzet Leerplicht voor tegengaan schoolverzuim en – uitval Om schoolverzuim en schooluitval zoveel mogelijk te voorkomen, zijn er speciale werkafspraken gemaakt binnen de Top600/Top400 aanpakken en heeft Leerplicht Amsterdam (onderdeel van de gemeente Amsterdam) een team ingericht voor deze aanpakken. Leerplicht werkt rond de schoolgang samen met de regisseur en andere partners. Bij verzuim heeft Leerplicht de mogelijkheid om te handhaven en een strafrechtelijke route in te zetten, indien blijkt dat de inzet van school en hulpverlening op dat vlak onvoldoende resultaat boekt. In 2022 heeft Leerplicht in Amsterdam aangegeven (wettelijk) alleen betrokken te kunnen worden bij Amsterdamse leerplichtigen, dus niet als een jongere in een Amstellandgemeente ingeschreven staat (dan valt deze onder de leerplichtambtenaar van de betreffende gemeente) en niet als een jongere al een startkwalificatie heeft. Hiermee is de groep die door het Leerplichtteam gevolgd wordt wat kleiner geworden. Als een persoon aan Amsterdam verbonden is maar (tijdelijk) niet ingeschreven is in Amsterdam, bijvoorbeeld door detentie, blijft het team wel betrokken. Dit geldt ook voor jongeren die geen vast inschrijfadres hebben door schuldenproblematiek of dakloosheid.
Daarnaast is opvallend dat de groep 18minners in de Top600/Top400 aanpakken in 2022 kleiner was lag dan in voorgaande jaren (zie ook de infographic met kerngetallen op blz. 8). Het aandeel leerplichtigen in de Top400 is verder gedaald in 2022, van 39% begin van 2021 tot 25% aan het einde van 2022. Het aantal leerplichtigen in de Top400 is in deze periode gedaald van 80 jongeren naar 44. Het aandeel van leerplichtigen bij de Top600 ligt logischerwijs een stuk lager, het aantal is gedaald van 23 leerplichtigen in 2021-1 naar 20 leerplichtigen in 2022-2. Het aandeel van personen dat ingeschreven staat bij school zonder verzuim is voor de Top400 iets toegenomen (van 35% naar 43%) en fluctueert licht voor de Top600 (tussen de 26% en 30%). Figuur 10: Aandeel leerplichtigen Top600
Top400 30%
26%
30%
35%
39%
41%
43%
23%
5%
39%
5%
2021-1
2021-2
4%
4%
2022-1
2022-2
2021-1
35%
2021-2
30%
2022-1
25%
2022-2
% leerplichtigen % geen verzuim (van totaal leerplichtingen) Bron: AcVZ
Fast lane Leerplicht Er bestaat bij het OM de mogelijkheid om Top600 leerplicht zaken versneld te laten behandelen. Deze ‘Fast lane Leerplicht’ wordt vrijwel niet gebruikt omdat het aantal leerplichtige jongeren in de Top600 zeer klein is en daarvan zit een deel in detentie of is niet schoolgaand.
27
2.4. Zicht op zorgbehoefte en toeleiding naar passende hulp 2.4.1. Screening op zorgbehoefte, advies en toeleiding naar zorg (door GGD) Personen in de aanpakken hebben vaak een zorgbehoefte op verschillende leefgebieden. De GGD levert binnen de Top600 en Top400 een belangrijke bijdrage aan het in kaart brengen van deze behoefte middels een sociaal psychiatrische screening. Deze heeft als doel een zorgadvies te formuleren en een inventarisatie uit te voeren van de hulpvragen op andere vlakken, waarmee de persoon naar passende zorg kan worden toegeleid. Binnen de screening wordt door verschillende instrumenten (o.a. ZRM27, SCIL28) en eventuele informatie van zorgpartijen een Zorg- en Bejegeningsadvies opgesteld, dat bestaat uit een probleemanalyse, het bestaande begeleidingsen/of behandeltraject en een voorstel voor zorg of begeleiding die passend wordt geacht. Dit advies wordt teruggekoppeld aan de betreffende persoon. Ook wordt het advies op hoofdlijnen teruggekoppeld aan de regisseur, zodat het kan worden gebruikt als bejegeningsadvies en verder verwerkt in het plan van aanpak. Naast de screening adviseert de GGD de partnerorganisaties en regisseurs bij zorg(toeleidings)vraagstukken. De GGD benadrukt het belang van de screeningen voor de Top600 en Top400.
Het zorgmijdende karakter van de personen in de aanpakken maakt dat zij niet snel zelf aankloppen bij instanties voor zorg, die drempel is hoog. Een regisseur kan hier de verbindende factor in zijn. Als iemand gescreend wordt, sluit de GGD ook aan bij uitvoerdersoverleggen met de regisseur en andere betrokken hulpverleners. Met expertise van de regionale sociale kaart kunnen zij de benodigde organisaties betrekken die zonder de screening mogelijk buiten beeld waren gebleven. Tot slot helpen de bejegeningsadviezen van de GGD betrokken organisaties in de samenwerking om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. En voorbeeld waar een screening van toegevoegde waarde was is de casus van een jongen die dankzij de GGD-screening passende huisvesting heeft gevonden. Vanwege zijn intelligentieniveau dacht men dat hij zelfstandig kon wonen, maar er was meer aan de hand waardoor dit niet lukte. Dankzij de screening kwam hij in aanmerking voor een begeleid wonen voorziening. De ervaring leert wel dat personen in de aanpakken zeer lastig te motiveren zijn tot een screening. Wanneer een persoon mee wil werken aan een screening, meldt de regisseur de persoon aan bij de GGD. Niet elke aanmelding leidt vervolgens tot een screening. Soms verandert een persoon alsnog van gedachte, soms lukt het de persoon niet om op de afgesproken tijd en locatie te verschijnen.
De GGD is bereid flexibel en outreachend te werken, maar ook het feit dat het bij een poging blijft kan volgens de GGD interessante inzichten opleveren. De screening is vrijwillig, dus de persoon wil iets. Dat is een mogelijk haakje om op verder te bouwen. De screening zelf is een semigestructureerd interview, afgenomen door een psycholoog en duurt ongeveer twee uur.
“Verschil tussen screeningen van Top600 en Top400 doelgroep? Wij zien een selecte groep en het is altijd maatwerk. Wat wel opvalt is dat bij oudere personen vaak iets meer besef leeft: “dit leven wat ik nu leid is ook niet alles”. Jongeren overschatten zichzelf soms nog een beetje, uiteindelijk komen ze erachter: dit lukt dus niet.”- GGD
27 ZRM: de Zelfredzaamheid-Matrix, test de zelfredzaamheid op verschillende leefgebieden. 28 SCIL: Screener voor Intelligentie en Licht verstandelijke beperking, geschikt om snel te screenen op een
mogelijke licht verstandelijke beperking (LVB).
28
Figuur 11 laat zien dat het aantal screeningen en pogingen sinds 2021 is afgenomen. In het tweede kwartaal van 2022 is het aantal weer iets toegenomen vergeleken het begin van het jaar. Figuur 11: GGD-screeningen Top600
Top400
69
34
32
30 19
12
23
14
5
7 2021-1
2021-2
pogingen
2022-1
2022-2
2021-1
9
13
4 2021-2
8 2022-1
14 9 2022-2
afgeronde screeningen
Bron: GGD/bewerking AcVZ
Al langere tijd werd geconstateerd dat het aantal aanmeldingen voor de screening terugliep. Daarom is besloten om in 2022 de screening extra onder de aandacht brengen bij regisseurs. Daarbij is de “Week van de GGD Screening” georganiseerd (in november) waarbij screeners van de GGD beschikbaar waren voor vragen. Ook is middels een kleine enquête bij regisseurs begin 2023 uitgevraagd of de Top600-personen die zij in regie hebben, zijn gescreend. Als dit niet het geval was is doorgevraagd waarom niet. Hieronder de resultaten: - Respons: Van 443 Top600-personen in regie hebben regisseurs voor 207 regiepersonen de vragen beantwoord (47%). De respons is minder dan de helft en daarmee geen totaalbeeld voor de gehele Top600. Resultaten bieden wel een indicatie waarom personen niet zijn gescreend. - Uitkomst: Van de 207 personen zijn er 82 gescreend (40%). Waar de regisseurs hebben aangegeven dat regiepersonen niet gescreend zijn, is de meest voorkomende reden: niet willen meewerken (35%) of diagnostiek elders (30%). In 2023 is een werkgroep van partners opgericht die zich opnieuw gaat buigen over de doelstelling van de aanpakken ten aanzien van de screeningen en het eerder gehanteerde uitgangspunt: ‘elk persoon in de Top600 wordt gescreend’. Hiertoe is in 2022 een enquête gedaan onder de regisseurs. In onderstaand figuur worden de uitkomsten hiervan beschreven. Figuur 12.
Redenen voor niet screenen (n=125)
0% niet meewerkend
20% diagnostiek elders
40% anders
60% lange detentie
80% vreemdeling
100% screening loopt nog
Het verschilt of personen vervolgens ook naar zorg kunnen worden toegeleid. Soms verdwijnen personen uit beeld of verandert de situatie door onverwachte zaken (bijv. een aanhouding of detentie). Daarnaast zijn de lange wachtlijsten binnen de zorg en voor huisvesting een belemmering. Ook veranderingen binnen de gemeente hebben invloed. Voorheen verwees de GGD bijvoorbeeld direct naar de betreffende instantie, nu moet dat vaak via de buurtteams. Zij hebben minder ervaring met deze personen en extra schakels zorgen voor een langere doorlooptijd. Voor kwetsbare personen zoals die in de Top600 en Top400 is het extra moeilijk om lang te moeten wachten en geduld te hebben. Het risico bestaat dat ze voortijdig afhaken. 29
2.4.2.Monitoring voortgang leefgebieden (ZRM-gebruik GGD en regisseurs) De GGD Amsterdam en Gemeente Rotterdam hebben een instrument ontwikkeld waarmee de zelfredzaamheid van burgers in kaart kan worden gebracht: de Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM)29. Doel van het instrument is zicht krijgen op en monitoren van de leefgebieden om vervolgens tot duurzame gedragsverandering te komen en daarmee het toekomstperspectief te verbeteren. De ZRM wordt ingevuld door de GGD bij de in de vorige paragraaf omschreven screeningen en ook gebruikt door de regisseurs om voortgang op de leefgebieden te monitoren. De regisseurs vullen deze twee keer per jaar in. Figuur 13 geeft links de uitkomsten weer van 31 ingevulde ZRM’s die door de screeners van de GGD in 2022 zijn ingevuld. Rechts uitkomsten van 104 ZRM’s uit de periode 2018 – 2021. Figuur 13: Uitkomsten ZRM door de GGD Zelfredzaamheid Top600, 2022 (n=31)
Zelfredzaamheid van Top600 personen, 2018 – 2021 (n=104)
Financiën Werk & Opleiding Tijdsbesteding Huisvesting Huiselijke relaties Geestelijke gezondheid Lichamelijke gezondheid Middelengebruik Basale ADL Instrumentale ADL Sociaal netwerk Maatschappelijke participatie Justitie 0%
20%
40%
acute problematiek beperkt zelfredzaam volledig zelfredzaam
60%
80%
100%
0%
20%
40%
60%
80%
niet zelfredzaam voldoende zelfredzaam
Personen gescreend door de GGD hadden in 2022 het vaakst acute problematiek op het gebied van huisvesting en werk & opleiding. In vergelijking met de periode 2018-2021 valt op dat in 2022 vaker onvoldoende zelfredzaam blijken op de domeinen huisvesting en huiselijke relaties. Daarnaast wordt er in 2022 minder vaak acute problematiek of onvoldoende zelfredzaamheid gesignaleerd op het domein geestelijke gezondheid en wordt een kleiner aandeel voldoende/volledig zelfredzaam geacht op het domein Instrumentele ADL30. Een mogelijke verklaring voor deze verschuiving is volgens de GGD dat regisseurs bij huisvestingsproblemen vaker verwijzen naar de GGD en regiepersonen 29 Versie 2017. Het instrument bestaat uit 13 leefgebieden: financiën, werk & opleiding, tijdsbesteding,
huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, basale ADL, instrumentele ADL, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie en justitie. Elk leefgebied kan gescoord worden van 1 (acute problematiek) tot en met 5 (volledig zelfredzaam). Iemand is zelfredzaam op een leefgebied indien de persoon voldoende of volledig zelfredzaam is. 30 Instrumentele Activiteiten van het Dagelijks Leven (bijv. boodschappen doen).
30
100%
wellicht eerder geneigd zijn zich te laten screenen door de GGD bij huisvestingsproblemen (in de hoop op een woonindicatie) dan bij (vermoedelijke) gezondheidsproblemen. Figuur 14 geeft de meest recent door regisseurs ingevulde ZRM uit 2022 weer voor personen die 1 januari 2023 in de aanpak zaten. Voor de Top600 zijn er 313 ZRM’s ingevuld waar meer dan 11 van de 13 domeinen zijn gescoord, voor de Top400 zijn dat 160 ZRM’s. Figuur 14: Uitkomsten ZRM ingevuld door de regisseurs
Top600
Top400
Financiën Werk & Opleiding Tijdsbesteding Huisvesting Huiselijke relaties Geestelijke gezondheid Lichamelijke gezondheid Middelengebruik Basale ADL Instrumentale ADL Sociaal netwerk Maatschappelijke participatie Justitie 0%
20%
40%
60%
80%
100%
onbekend
acute problematiek
niet zelfredzaam
beperkt zelfredzaam
voldoende zelfredzaam
volledig zelfredzaam
0%
20%
40%
60%
80%
Bron: AcVZ
Kijkend naar de Top600 valt op dat de personen in die aanpak volgens de regisseurs het meest zelfredzaam zijn op de leefgebieden Basale-ADL31, Instrumentele ADL en lichamelijke gezondheid. Het minst zelfredzaam zijn ze op de leefgebieden justitie, werk & opleiding en financiën. De resultaten van de Top400 sluiten hierbij aan. Regisseurs beoordelen personen uit de Top400 wel vaker als zelfredzaam op de meeste leefgebieden. Hierbij speelt een rol dat minderjarigen in grote mate afhankelijk zijn van de volwassene die voor hen (wettelijk) verantwoordelijk is. Dit wordt meegenomen in de ZRM-beoordeling. Volgens een regisseur die met zowel personen in de Top600 als personen in de Top400 werkt, kan er bij personen in de Top400 vaak nog hulp worden ingeschakeld van ouders of andere familie, terwijl dit netwerk bij de personen in de Top600 vaak beperkter is. Vergelijkend met de ZRM’s ingevuld door de screeners van de GGD (figuur 13) valt op dat de regisseurs op een aantal domeinen vaker aangeven dat er sprake is van acute problematiek (bijv. op het gebied van geestelijke gezondheid, middelengebruik, lichamelijke gezondheid). Volgens “Het werk van een regisseur is overwegend dynamisch en kan onoverzichtelijk zijn omdat er zoveel speelt.
De ZRM helpt inzicht geven in de dagelijkse actualiteiten en in het gedrag van een regiepersoon, door aan te geven waar de dieperliggende problematiek ligt. Het helpt mij een instrument als de ZRM te hebben, om overzicht te houden in de dynamische realiteit van de dag.” - Regisseur
31 Basale Activiteiten van het Dagelijks Leven (bijv. zichzelf wassen of aankleden).
31
100%
de GGD wijst dit er mogelijk op dat de GGD niet per se de doelgroep met de meeste zorgproblemen in beeld krijgt.
2.4.3. Inzet expertise complexe zorgproblematiek Regiepersonen met ernstige verslavings-, psychiatrische en persoonlijkheidsproblematiek komen vaak in regie bij Inforsa. Zij zijn gespecialiseerd in het omgaan met personen met zeer complexe casuïstiek. Ook kunnen regisseurs (en andere professionals) advies inwinnen bij het AcVZ Forensisch Netwerk in geval van complexe zorgcasuïstiek. Het gaat dan om casuïstiek waarbij op meerdere gebieden problemen spelen, zoals verslaving en een lichtverstandelijke beperking en waarbij sprake is van crimineel of grensoverschrijdend gedrag of een vermoeden daarvan. Het Forensisch Netwerk is een samenwerkingsverband van ervaren behandelaren met forensische expertise, waaronder van De Waag, Inforsa, reclassering, gevangeniswezen en/of uit het ITAT32. Het Forensisch Netwerk adviseert over de inzet van (forensische) zorg om verder afglijden te voorkomen of om te zorgen voor een doorbraak in vastgelopen zorg. De experts van het Forensisch Netwerk kunnen ook helpen bij de uitvoering van het advies. In 2022 zijn in totaal 19 casus ingebracht bij het Forensisch Netwerk waarvan 3 keer een Top600 casus en 0 keer een Top400 casus. Dat is minder dan in 2021 (4 keer Top600 en 3 keer Top400).
2.5. Vergroten intrinsieke motivatie Belangrijk onderdeel van de aanpak is het inzetten op het vergroten van de motivatie van personen om andere keuzes te maken richting een meer positieve toekomst. Vanuit verschillende partners wordt hier aan gewerkt, zoals vanuit WPI met o.a. de Sportsworks- en Soundworkstrajecten. Hieronder wordt nog een aantal andere specifieke voorbeelden genoemd en toegelicht. “Het is nog onduidelijk wat het effect gaat zijn van toekomstige interventies, maar waar het succes van de aanpak in schuilt is dat hij en zijn moeder voortaan positief staan tegenover hulpverlening en de top aanpak.” - Inforsa
2.5.1. Samenwerking Credible Messengers (ADAMAS) ADAMAS is een Amsterdams netwerk van Credible Messengers, eind 2021 opgericht op initiatief van het Actiecentrum Veiligheid en Zorg (AcVZ) en stichting Your Lab. Credible Messengers zijn ervaringsdeskundigen, jongerenwerkers, psychologen, criminologen en andere professionals die zich inzetten voor de jongeren waarbij het reguliere aanbod niet voldoende aansluit door de complexiteit van de problematiek. De Credible Messengers kunnen deze jongeren vaak goed bereiken en begeleiden: zij zijn ingebed in de wijken, kennen de taal en de leefwereld van de straat en hebben soms zelf ook het criminele pad belopen. Zij weten wat er voor nodig is om uit de criminaliteit te stappen en er duurzaam uit te blijven. Het contact met en de begeleiding van jongeren door Credible Messengers is altijd informeel en vanuit een vrijwillige basis, wat inspeelt op de intrinsieke motivatie van de jongeren om andere keuzes te maken in het leven.
32 ITAT is het overleg met partners waarin de Top600/Top400 plannen van aanpak worden besproken
32
In 2022 zijn er 10 personen uit de Top600/ Top400 aanpak aangemeld bij de Credible Messengers. Zij zijn via verschillende netwerkpartners aangemeld, waaronder het AcVZ, de Waag, reclassering en het Jongerenpunt. Vier trajecten zijn inmiddels beëindigd. De redenen daarvoor zijn divers (langdurige detentie, gebrek aan motivatie of onbereikbaarheid van de personen in de aanpak). De overige aangemelde casussen lopen begin 2023 nog. Er is een maandelijks casuïstiekbespreking waarin de (geanonimiseerde) casussen, benodigde ondersteuning en actiepunten worden besproken. Daarnaast hebben de Credible Messengers tussentijds contact met de projectleiders en beleidsmedewerkers van het ACVZ waarbij onder andere de voortgang en de benodigde intensiteit van de begeleiding onderwerp van gesprek zijn. In 2023 wordt de onderlinge samenwerking met de Top600/Top400 verder uitgewerkt en vorm gegeven.
2.5.2.Beter inzetten van informele netwerken Het betrekken van het sociaal netwerk is standaard onderdeel van de aanpak. Als er een informele steunfiguur bekend is, zoals een familielid, vriend of JIM33, dan kan deze betrokken worden bij het opstellen en de uitvoering van het plan van aanpak. Verder heeft het AcVZ in 2022 samen met stichting MEE en het Beschermjassenhuis een interventie vormgegeven, die zowel binnen als buiten de Top600/Top400 kan worden ingezet. Als een professional vastloopt met een familie kan deze professional de familie uitnodigen bij een sessie van het Beschermjassenhuis. Tijdens de bijeenkomst staat de vraag van de professional centraal en de familie en de overige aanwezigen worden uitgenodigd om te helpen antwoorden te vinden op die vraag. In de sessie ligt de focus op het zoeken naar verschillende perspectieven die naast elkaar kunnen bestaan. Een sessie wordt begeleid door een facilitator. In 2022 zijn hiertoe 5 regisseurs opgeleid. Deze tot facilitator opgeleide regisseurs worden één keer per maand vrijgemaakt om het Beschermjassenhuissessies te faciliteren. De eerste reacties van deelnemers zijn positief. Er wordt op verschillende manieren gewerkt aan naamsbekendheid zodat de interventie vaker kan worden ingezet.
2.5.3. Vechtsporttrajecten Eind 2016 zijn specifieke vechtsporttrajecten voor de Top400 en Top600 ontwikkeld omdat juist in vechtsporten pedagogische principes veel aandacht krijgen, de gezondheidswaarde positief is en de therapeutische waarde kan bijdragen aan positief gedrag, een betere agressieregulatie en een sociaal betrokken netwerk. Inmiddels kunnen deze vechtsporttrajecten ook ingezet worden ten behoeve van andere AcVZ aanpakken. Een vechtsporttraject kan, op aanvraag van de regisseur, als positieve interventie, in het kader van vrijetijdsbesteding, worden ingezet. Een jongere werkt dan samen met de trainer vanuit individuele begeleiding in tien weken toe naar sporten in een groep. Momenteel wordt overwogen of deze interventie zal worden doorgezet o.a. omdat soortgelijke trajecten nu ook via andere wegen worden aangeboden. In de nasleep van corona kwam daarnaast het persoonlijk contact dat hierbij zo belangrijk is, lastig tot stand. Dit heeft zijn invloed gehad op het aantal gestarte en positief afgeronde trajecten . In 2022 zijn de vechtsporttrajecten na de coronapandemie weer opgestart en zijn 6 aanvragen voor trajecten in behandeling genomen. Met 2 personen is ook daadwerkelijk een start gemaakt maar zij hebben het traject niet volbracht.
Een van de trajecten is gestart vanuit het Operationeel Team Schoolveiligheid (zie paragraaf 4.3.2) en in 2023 is inmiddels een traject positief afgerond, met een persoon vanuit de ROSA-aanpak. 33 JIM staat voor ‘Jouw Ingebrachte Mentor’ en is iemand uit de omgeving van de persoon in de aanpak, die de
betreffende persoon zelf kiest om hem/haar te ondersteunen. Zie voor meer informatie www.jimwerkt.nl.
33
3. Voorkomen afglijden broertjes, zusjes en minderjarige kinderen
Doelstelling drie van de aanpakken gaat over het voorkomen van het afglijden van minderjarige broertjes en zusjes en minderjarige kinderen van personen in de aanpak (hierna gezamenlijk: de kinderen) in de criminaliteit. Het Preventief Interventie Team (PIT) en de GGD bieden hiertoe vroegtijdig hulp. JBRA en de WSS zijn daarnaast bij veel gezinnen betrokken en actief bij het begeleiden van broertjes en zusjes.
3.1. In kaart brengen van en toeleiden naar benodigde hulp De GGD richt zich op kinderen van 0 tot 8 jaar, het PIT op de kinderen van 5 tot 18 jaar. In gezinnen waarin leeftijden overlappen stemmen GGD en PIT met elkaar af. In 2022 hebben AcVZ, PIT en GGD de samenwerkingsafspraken opnieuw onder de loep genomen en geactualiseerd. Zoals ook beschreven in het Meerjarenplan34 wordt de komende tijd samen met de GGD en het PIT bekeken hoe de inzet verder kan worden versterkt o.a. door in beeld te brengen wat de interventies zijn op het gebied van kindveiligheid en of hierin interventies ontbreken. Ook willen we beter in beeld hebben wat de gevolgen zijn van opgroeien in een criminele omgeving en hoe risico’s bij deze kinderen eerder gesignaleerd kunnen worden (vanuit de pedagogische visie). Daarnaast wordt onderzocht wat er nog aanvullend nodig is om patronen bij gezinnen waar onveiligheid structureel speelt, te doorbreken en wat dit vraagt in de samenwerking tussen partners die de kinderen vaak al in beeld hebben (o.a. Leerplicht, JBRA, WSS en Ouder Kind Team).
3.1.1. In kaart brengen van (benodigde) hulp, ondersteuning bieden of coördineren hulp door PIT (kinderen 5-18) Het PIT biedt kinderen die een verhoogd risico lopen op problemen in de sociale ontwikkeling, snel en vroegtijdig hulp. Doel is ernstige gedragsproblemen voorkomen en verminderen. Belangrijk onderdeel in de werkwijze is een onderzoek naar de sociale leerbaarheid. In algemene zin is bij 7 op de 10 kinderen die het PIT begeleidt sprake van gedragsverbetering35. Daarnaast heeft het PIT ook Het PIT wordt op de hoogte gesteld van Top600- en Top400-personen waar minderjarigen aan verbonden zijn. Vervolgens maken zij een inschatting of hun inzet van toegevoegde waarde kan zijn. Daarbij wordt bekeken welke partners al betrokken zijn en welke risico’s er zijn. Elke casus is maatwerk. Daarbij moeten ouders toestemming geven, begeleiding vanuit het PIT is op vrijwillige basis. Wanneer een kind in begeleiding komt, wordt samen met ouders en relevante betrokkenen bekeken op welke wijze de ondersteuning van het kind kan worden vormgegeven.
34 Meerjarenplan integrale persoonsgerichte aanpakken veelplegers en jongeren/jongvolwassenen 2023-2026 35 Van Zonneveld (2019). Early Intervention in children at high risk of future criminal behaviour, indications form
neurocognitive and neuroaffective mechanisms, p.90-107
34
een belangrijke adviesfunctie voor de Top600 en Top400. Zo sluiten zij o.a. aan bij het ITAT36, uitvoerdersoverleggen over de casuïstiek en gaan ze op huisbezoek. Eind 2022 zijn er 171 gezinnen en 349 kinderen bij het PIT bekend die verbonden zijn aan een Top600-persoon die op dat moment in regie was. Hiervan was het merendeel al in beeld bij het PIT en was de begeleiding al afgesloten voordat de regiepersoon in de Top600 aanpak kwam (111 gezinnen en 216 kinderen). Ook zijn er 98 gezinnen en 220 kinderen bij PIT bekend die verbonden zijn aan een Top400-persoon. Het aantal kinderen dat (alleen) via de Top600 of Top400 bij het PIT terecht komt, is afgelopen periode gedaald. Dit komt o.a. doordat er nu meer kinderen via basisscholen bij het PIT worden aangemeld. Het gaat veelal om dezelfde kinderen, maar de route is veranderd. Het PIT registreert hen dan niet opnieuw, waardoor het lijkt alsof het PIT bij minder gezinnen van Top600 en Top400 in beeld is dan daadwerkelijk het geval. Ook kan het zijn dat partners al betrokken zijn voor de begeleiding van een gezin en dat het volstaat om te adviseren en af te stemmen over de begeleiding, zonder zelf als PIT actief te worden. Los daarvan is het totaal aantal personen in de Top600 en Top400 de afgelopen jaren gedaald, logischerwijs daalt daarmee ook het aantal kinderen verbonden aan een regiepersoon.
Figuur 15: Gezinnen en kinderen in begeleiding bij het PIT
Top600
Top400
27
28 19
19 10
12
2021-1 gezinnen
12 7
9 2021-2
5 2022-1
7 8
4 2022-2
2021-1
6
6
2021-2
2022-1
4 2022-2
kinderen
Bron: PIT/bewerking AcVZ
Zoals benoemd heeft het PIT ook een belangrijke adviesfunctie als het gaat om minderjarigen met ernstige gedragsproblemen. Deze komt naar voren in de overleggen waar zij aansluiten, maar ook in het vele contact dat zij hebben achter de schermen. Het PIT vindt het belangrijk om actief hun expertise te delen met de partners en Top600- en Top400-regisseurs. Het grote netwerk waar verschillende expertise samenkomt, zien zij dan ook als belangrijke meerwaarde van de Top600 en Top400. Hierdoor hebben zij ook meer contact met partners waar zij vanuit hun reguliere werk minder vaak mee in aanraking komen. Aandachtspunt hierbij is wel dat niet elke partner en regisseur het PIT even goed weet te vinden, hier zou het AcVZ een verbindende rol in kunnen spelen.
“Soms ligt de focus in een dossier op zaken die spelen bij een regiepersoon, begrijpelijk. Vanuit onze expertise kunnen we advies meegeven over betrokken kinderen. Die zijn nooit ‘gewoon’ lastig of agressief, daar zit meer achter.”- PIT
36 Het overleg met partners waarin de Top600/Top400 plannen van aanpak worden besproken
35
3.1.2. Onderzoek en screeningen bij kinderen van 0-8 jaar (door GGD) De GGD doet onderzoek, voert huisbezoeken uit en doet waar nodig screeningen bij kinderen van 0-8 jaar. De GGD kan op basis van een aanmelding van de regisseur maar bijvoorbeeld ook van de politie en Vellig Thuis een huisbezoek doen. Voorts heeft de GGD een signaleringsfunctie en verwijst door naar de betreffende hulpverlening waar nodig. ‘Als een gezin wordt aangemeld dan doe ik eerst een check bij Veilig Thuis om te zien of het bij hun bekend is en of er al hulpverlening betrokken is. Als uit deze gesprekken blijkt dat alles goed gaat of er voldoende zicht is op het gezin dan sluiten we de casus af. Onnodige bemoeienis is niet nodig. Mocht het wel nodig zijn, dan ga ik op huisbezoek. Tijdens het bezoek heb ik een gesprek met meestal de moeder, dan ga ik de hele ZRM uitvragen. Hoe is de situatie, in hoeverre heeft de persoon in de aanpak contact met de kinderen? Wat is er in het verleden gebeurd? Hoe functioneren ze? Zijn er schulden? Is er sprake van verslaving, somatische, problematiek, etc.? Hoe zit het met de kinderen? Vervolgens vraag ik toestemming voor een netwerkonderzoek. Naar aanleiding van die gesprekken gaan we na wat zo’n gezin nodig heeft, in hoeverre werken ze mee en wat we gaan inzetten. Dit hangt er van de situatie af en is maatwerk.’- GGD
In 2022 zijn er in totaal 25 casussen aangemeld. Bij alle casussen is er overleg geweest met regisseur en betrokken hulpverlening. - Bij een groot aantal casussen heeft er een huisbezoek plaatsgevonden. - Bij een beperkt aantal was dat niet mogelijk omdat de betrokkenen niet mee wilden werken. De GGD merkt op dat het aantal aanmelding de afgelopen jaren is teruggelopen. Mogelijk dat regisseurs of GGD screeners door de vele personeelswisselingen minder op de hoogte zijn van deze mogelijkheid. De meerwaarde van de aanpak zit volgens de GGD vooral in het feit dat er een heel netwerk beschikbaar is waarbinnen snel de weg gevonden kan worden.
3.1.3 Gezinsgerichte begeleiding De gezinsmanager van JBRA maakt met gezin, netwerk en samenwerkingspartners een plan waarin de veilige ontwikkeling van alle kinderen in het gezin centraal staat, waaronder ook de broertjes en zusjes. Aan het einde van de begeleiding zet JBRA in op het borgen van specifieke veranderingen onder meer met een gedegen borgingsplan dat samen met het gezin en hun eigen netwerk wordt opgesteld. Naast JBRA is ook WSS bij veel gezinnen betrokken met gezinsgerichte begeleiding en actief bij het begeleiden van broertjes en zusjes.
3.2. Versterking van samenwerking met ouders De samenwerking met ouders is een belangrijk onderdeel van de Top600 en Top400 aanpak, dat geldt des te meer als de jongere in de aanpak minderjarig is en/of nog thuis woont of als er nog andere minderjarige kinderen in het gezin zijn. Ouders hebben invloed op hun kinderen bij de keuze om te stoppen met criminaliteit. Ouders worden dan ook betrokken bij het individuele plan van aanpak. Zoals beschreven in het Meerjarenplan wordt op verschillende manieren gewerkt aan de verdere versteviging van de samenwerking met ouders. Daarbij gaat ook specifieke aandacht uit 36
naar het betrekken van ouders vanaf het moment waarop jongeren 18 jaar worden, met oog voor de juridische beperkingen. Casus afkomstig van een regisseur: “Ondanks inzet vanuit de hulpverlening en betrokkenheid bij de in de kern een zachte jongen met een hoge gunfactor, komt er niets van de grond: geen vaste dagbesteding, geen hulpverlening. Hij blijft met justitie in aanraking komen. Tijdens een voorgeleiding bij de Rechtbank neemt de moeder de regisseur opeens in vertrouwen en vertelt ze over seksueel misbruik dat op jonge leeftijd bij de jongen is voorgekomen. Het ontdekken en agenderen van deze traumatische gebeurtenis is het gevolg van de jarenlange vertrouwensband die heeft kunnen ontstaan tussen de regisseur, de persoon en diens moeder. De thematiek wordt met de jongen besproken en er is hulpverlening aangeboden. Daar is de jongen uiteindelijk nog niet aan toe. Hoewel er nog steeds sprake is van doorlopende problematiek, zoals het vinden van huisvesting, komt de jongen niet meer in aanraking met politie en justitie. Hij is uitgestroomd uit de aanpak.”
Informeren ouders Ouders worden op verschillende manieren geïnformeerd over de aanpak en over de mogelijkheid om hun andere kinderen te laten begeleiden door het PIT en/of GGD. Naast de informatiebrief bij de start van de aanpak en de mondelinge contacten die de regisseurs hebben met ouders, worden ouders van personen in de aanpakken uitgenodigd voor informatiebijeenkomsten. Hier kunnen zij vragen stellen, met andere ouders in gesprek en feedback over hun ervaringen geven (zie ook paragraaf 4.2.2). In 2022 is gestart met de ontwikkeling van een voorlichtingsfilmpje waarin uitleg wordt gegeven over de aanpak Top400 en de informatiebijeenkomsten. Dit filmpje wordt binnenkort in gebruik genomen. Middels een QR-code wordt deze aan de uitnodigingsbrief toegevoegd als ook op de website. Momenteel wordt er gewerkt aan een voorlichtingsfilmpje met uitleg over de Top600 aanpak. Ook is het taalgebruik in de informatiebrieven begrijpelijker gemaakt. In 2023 is een start gemaakt om de informatiebijeenkomsten voor ouders aan te vullen met een zogenaamd straatcollege. Dit om ouders te informeren over de verleidingen en risicovolle situaties waarmee jongeren op straat worden geconfronteerd en ze mogelijke handvatten mee te geven. Dit kan uiteraard ook relevant zijn voor eventuele overige kinderen in het gezin.
Contact leggen met ouders In 2022 is gestart met een nieuwe training voor regisseurs over de omgang met ouders. In deze training worden handvatten geboden om goed contact te leggen met ouders en voor het werken aan een constructieve samenwerkingsrelatie. In 2023 wordt bekeken of deze training kan worden uitgebreid met motiverende gespreksvoering. Ook wordt gewerkt aan de doorontwikkeling van de interventie “samenwerking met ouders” in het cliëntvolgsysteem VeHaa, waarin regisseurs wordt gevraagd regelmatig te evalueren hoe het contact en de samenwerking met ouders binnen de casuïstiek verloopt. Dit met het doel om de samenwerking met ouders constant onder de aandacht van de regisseur te houden. Tevens geeft het ons – ook op groepsniveau - inzicht waarom er wel of geen contact met ouders is en hoe het mogelijke contact verloopt. Ten slotte worden in 2023 brainstormsessies met ouders en professionals georganiseerd over het verstevigen van de samenwerking. Er wordt hierbij ook verkend of de Credible Messengers samen met de regisseurs een rol kunnen spelen bij het bereiken en ondersteunen van kinderen en ouders. Het perspectief van de ouders krijgt zo een grotere plek in de aanpakken, om daarmee de aanpak verder te kunnen verbeteren. Zo wordt o.a. naar aanleiding van de reacties van ouders thans een nieuwe naam voor de naam Top400 overwogen. 37
4. Verbeteren samenwerking
4.1. Doorlopend leren en verbeteren 4.1.1. Input ophalen bij betrokken professionals Het is belangrijk om doorlopend in gesprek te blijven met betrokken professionals en oog te houden voor kansen en uitdagingen voor de toekomst, waaronder mogelijkheden tot verdere versterking van de aanpakken. In recent gevoerde gesprekken met partners zijn verschillende onderwerpen aan bod gekomen. Veel hiervan is al in de inleiding en andere hoofdstukken benoemd. Een aantal overige relvante punten is hieronder samengevat. 1. Belang van interdisciplinair samenwerken Meerdere partners hebben benoemd dat zij de structuur en organisatie binnen de aanpakken als belangrijke toegevoegde waarde ervaren in de samenwerking. Op verschillende niveau’s (uitvoerend, programma, bestuurlijk) zitten partners frequent met elkaar om tafel waardoor organisaties binnen de Top600- en Top400 casuistiek niet langs elkaar heen werken, maar samen aan het gezamenlijke doel. De coördinatie en ondersteuning vanuit het AcVZ helpt daarbij en houdt het netwerk stabiel. Binnen de casuistiek zorgt dit voor een vollediger gezamelijk informatiebeeld en kan er ook sneller geschakeld en gehandeld worden. Door het grote netwerk is het gemakkelijker informatie uit te wisselen en een beroep te doen op elkaars expertise. Dit werkt twee kanten op: expertise vanuit de moederorganisatie naar het netwerk en andersom.
Het bij elkaar brengen van verschillende expertises op het gebied van veiligheid, zorg en sociaal is in de gesprekken vaak genoemd als een belangrijke en waardevolle factor in de samenwerking. Deze structuur biedt daarbij ruimte voor alsmede gezamelijke focus. Samen trends signaleren en gezamenlijk hierin optrekken. Als aandachtspunten hierbij is genoemd dat het belangrijk is om te behouden wat er is opgebouwd. Ook dat het belangrijk is om naar evenwichtigheid in de aansturing van en informatievoorziening naar regisseurs te streven (immers zijn er circa 100 regisseurs afkomstig van 14 verschillende organisaties). Daar kan verschil in zitten, bijvoorbeeld in de mate waarin ze door hun eigen organisatie worden geïnformeerd over beleidsbesluiten van de aanpak. Ook kan er tussen organisaties een verschil zitten in hoeverre procesafspraken strikt worden gevolgd, bijvoorbeeld bij het uitgangspunt dat elke 4-6 weken een uitvoerdersoverleg wordt georganiseerd.
‘De aanpak heeft gezorgd voor continuïteit in het traject en in de communicatie naar de regiepersoon. Continuïteit is zonder aanpak afhankelijk van veelal kortstondig betrokken professionals die handelen vanuit de eigen (tijdelijke) opdracht en organisatiedoelen.’ - Inforsa
‘Er was heel veel chaos in dit gezin en het zou zonder regisseur onmogelijk zijn geweest voor het gezin om bij te kunnen houden wat er allemaal liep aan hulpverlening en wat er gedaan moest worden. De verschillende rollen die de partners spelen voor deze persoon maken dat hij of zij toch een kans krijgt om positief vooruit te gaan.’ - SAOA
38
2. Maatschappelijke knelpunten Tekorten aan woningen en wachtlijsten binnen de zorg zijn bekende knelpunten die ook nu weer door de meeste partners zijn genoemd. Veel voorzieningen zijn uitgeput en er moet meer gezocht worden naar creatieve oplossingen wat moeilijk is. Regisseurs proberen met kleine successen een stip op de horizon te zetten door alles uit de kast halen. Maar voor de één werkt dat wel, de ander niet. Er zijn minder mogelijkheden voor de personen in de aanpakken op het gebied van wonen en zorg waardoor een regisseur minder (snel) van betekenis kan zijn voor een persoon. Een ander maatschappelijk knelpunt dat door een aantal partners genoemd is zijn de personeelswisselingen en arbeidskrapte. Hierdoor bestaat het risico dat kennis en ervaring verloren gaat. Ook ziekteverzuim tijdens de coronapandemie speelde hierbij een rol. 3. Uitdagingen met betrekking tot in- en uitstroomcriteria Een paar partners hebben aandachtspunten genoemd die raken aan de in- en uitstroomcriteria. De gemene deler is dat het belangrijk is dat de criteria blijven aansluiten bij de ontwikkelingen in de maatschappij. Met betrekking tot de verharding van de criminaliteit heeft een aantal partners aangegeven dat het de vraag oproept of iedereen die aan de criteria voldoet ook binnen de aanpak geholpen kan en moet worden.
Horen personen bijvoorbeeld in de aanpak thuis als ze hoge risico’s voor de betrokken professionals met zich meebrengen en niet ontvankelijk zijn voor gedragsverandering? Dit is ook in het kader van het thema Veiligheid en professionals (zie paragraaf 4.3.6) een belangrijk gespreksonderwerp. Is er bijvoorbeeld een ‘bovengrens’ nodig voor de Top600? Daarnaast is in hoofdstuk 1 besproken dat digitale criminalteit en internationale mobiliteit belangrijke ontwikkelingen zijn binnen de doelgroep. Deze factoren zijn nu nog geen onderdeel van de criteria, waardoor personen mogelijk ongewenst uitstromen (omdat zij niet meer aan de criteria voldoen). Daarbij is het ook moeilijk goed zicht te hebben op personen die in het buitenland worden aangehouden (bijv. uithalers in de haven van Antwerpen). Ook komt de vraag op hoe om te gaan met een aantal subgroepen binnen de aanpakken waarvoor mede door juridische beperkingen weinig perspectiefverbetering is te realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om personen die al sinds het begin in de aanpak zitten, personen zonder verblijfsstatus die uitgeprocedeerd zijn of personen in langdurige detentie of TBS. Dit mede in relatie tot de beperkte regiecapaciteit bij partners.
Ter achtergrond: het gaat in oktober 2022 om ongeveer 40 personen die al sinds het begin in de aanpak zitten, 25 personen zonder verblijfsstatus die uitgeprocedeerd zijn, 20 personen met een TBS-maatregel en 11 personen in langdurige detentie.
4. Aansluiting met andere aanpakken, projecten en regio gemeenten Meerdere partners hebben benadrukt dat het belangrijk is om goed te zijn aangehaakt bij andere (regionale) aanpakken en initiatieven. Momenteel gebeurt er veel in het werkveld en voorkomen moet worden dat collega’s bezig zijn met dezelfde problematiek en doelgroep. Daar waar overlap is, is het belangrijk dat er niet langs elkaar heen gewerkt wordt of ‘het wiel opnieuw uitgevonden wordt’. Aandachtspunten die zijn genoemd: 1) aansluiting bij andere zorg- en veiligheidshuizen, 2) andere persoonsgerichte aanpakken en 3) projecten zoals de Masterplannen Zuidoost en Nieuw-West. Daarnaast blijft het belangrijk dat de Amstellandgemeenten, waar mogelijk en vanaf de start, worden meegenomen bij nieuwe initiatieven. Deze gemeenten hebben namelijk ook te maken met grootstedelijke problematiek. Daarnaast zijn ze gebaat bij de wisselwerking in kennisdeling en initiatieven vanuit de gemeente Amsterdam.
39
4.1.2. Blijvende vernieuwing vakontwikkeling regisseurs Regievoeren is een vak, een vak dat specifieke competenties, kennis en expertise vraagt. Daarnaast vraagt de zeer complexe casuïstiek van de Top600/Top400 en de verharding van een deel van de doelgroep veel van regisseurs. Het doel van de Vakontwikkeling van het AcVZ is dan ook te zorgen dat de regisseurs, zowel de nieuwe als de ervaren regisseurs, goed toegerust worden en blijven op het vak regievoeren Het belangrijkste onderdeel daarin is regie voeren zonder macht. Dit vormt de basis van het vak regievoeren en de visie van waaruit regisseurs werken binnen de aanpakken van het AcVZ. In 2022 zijn in het kader van Vakontwikkeling de volgende verplichte basistrainingen aangeboden: -
Regievoeren vanuit je talenten Regievoeren zonder macht Voorlichting over Privacy Wijkgericht/ gebiedsgericht werken Veiligheid & professionals
-
Kennismakingsbijeenkomst met Top600/Top400 Integraal plan van aanpak opstellen Registratie in cliëntvolgsysteemVEHAA Zelfredzaamheid-Matrix
Als de basis is afgerond, kunnen regisseurs verschillende verdiepingstrainingen volgen. In 2022 waren dit o.a. Groepsdynamica en Deep Democracy. Daarnaast organiseert het AcVZ met de eigen partners verschillende thema-ochtenden of middagen. In 2022 waren dat onder andere: -
Online leefwereld Social media & jeugdcriminaliteit Criminele netwerken Samenwerking met ouders Herkennen van en omgaan met LVB problematiek
-
-
Wapenbezit Psychiatrie in het strafrecht Ervaringsdeskundige met als specialisme verslaving, detentie & herstel Middelengebruik
Verbinding en vakontwikkeling van de regisseurs staat bij alle gesprekspartners hoog op de agenda. De training ‘Beschermjassen’ wordt door meerdere partners genoemd als succesvol voorbeeld van het trainingsaanbod vanuit het AcVZ. Verscheidene partners zien kansen in verdere kennis- en vakontwikkeling. Met name digitale criminaliteit, explosies in Amsterdam en verharding van de Top400 worden benoemd. Het is daarbij belangrijk om vakontwikkeling meer op maat aan te bieden, zodat regisseurs met veel kennis en expertise niet dezelfde training ontvangen als beginnende regisseurs, maar in plaats daarvan zich kunnen door ontwikkelen op complexere materie. De vakontwikkeling heeft ook een belangrijke meerwaarde voor het netwerk van de regisseur. Dit punt sluit aan bij het feit dat veel partners hebben benoemd dat er in bepaalde situaties meer onderling contact en uitwisseling van kennis en ervaring zou moeten plaatsvinden tussen regisseurs van verschillende partners.
‘Als we casuïstiek op het AcVZ bespreken merk je dat dezelfde casuïstiek bij andere stadsdelen voorkomt. Bijvoorbeeld, criminele uitbuiting: ik heb signalen dat een persoon wordt uitgebuit. Dan gaan we zitten met collega’s en die zeggen: ja dat heb ik ook. Vorige week hadden we daar een seminar over: hoe ga je daar nou mee om? Kennisdeling en vergaring gebeurt snel.’ - AM-gemeenten
40
4.1.3. Nieuwe (wetenschappelijke) inzichten benutten Binnen de aanpakken willen we aansluiten bij nieuwe (wetenschappelijke) inzichten. Zo is er in 2022 ook met verschillende externe (wetenschappelijke) organisaties samengewerkt. Hieronder worden vier belangrijke onderzoeken uitgelicht: - In februari 2022 publiceerde de Vrije Universiteit Amsterdam de resultaten van een kwalitatief onderzoek naar hoe regisseurs binnen de aanpakken invulling geven aan het voeren van regie. De onderzoekers zijn hier positief over en concluderen kort gezegd dat de werkwijzen en de ervaringen van de regisseurs van het AcVZ nauw aansluiten bij de kennis uit de wetenschappelijke literatuur en dat ‘het AcVZ de weg [heeft] gevonden om, natuurlijk met vallen en opstaan, via deze aanpak de samenwerking rond haar complexe en dynamische doelgroep te bundelen en te stroomlijnen.’ 37 - Eind 2022 heeft DSP-groep de werkwijze van het Operationeel Team Schoolveiligheid (OTSV) positief geëvalueerd. Zie paragraaf 4.3.2. voor meer informatie. - In de periode augustus 2022 – mei 2023 heeft DSP-groep een aantal gesprekken gevoerd met personen in de aanpakken en met personen die recent waren uitgestroomd over hun ervaringen met de aanpakken.38 Zie paragraaf 4.2.1 voor meer informatie.