CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Vluchtelingenmonitor 2025 - toegankelijke pdf

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 14 januari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: WAS OORSPRONKELIJK TKN 18 - Bespreken van de voortgangsrapportage bij het beleidskader ‘De Amsterdamse inzet voor vluchtelingen en ongedocumenteerden’ (VN2025-018763)27.654 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

•

Eén op de tien statushouders maakte in 2022 gebruik van de ggz. Dat is meer dan in de overige G5, en twee keer zoveel als het landelijk gemiddelde;

•

De meeste ggz-gebruikende statushouders in Amsterdam zijn man en tussen de 18-35 jaar;

•

In de periode 2018-2021 bleef het ggz-gebruik onder statushouders redelijk stabiel. Van 2021 naar 2022 zagen we, net als in de overige G5 en heel Nederland, een stijging, die vermoedelijk wordt veroorzaakt door het corona-inhaaleffect en door de invoering van het Zorgprestatiemodel;

•

Ruim één op de tien jonge statushouders tot 18 jaar maakte in 2024 gebruik van jeugdhulp. Alleen in de stad Utrecht lag dat aandeel nog hoger. In de overige G5 en landelijk ligt het aandeel jonge statushouders dat gebruik maakt van jeugdhulp een stuk lager;

•

Van de jonge statushouders maken jongens vaker gebruik dan meisjes van jeugdhulp en het aandeel ligt hoger onder 0- tot en met 12-jarigen dan onder 13- tot en met 18jarigen.

In dit hoofdstuk bespreken we het gebruik van zorg en jeugdhulp door statushouders. Alleen voor deze groep nieuwkomers zijn betrouwbare data voorhanden. Het zorggebruik is tot en met 2022 bekend. Het gaat dan om zorggebruik over het gehele jaar (zie Technische toelichting in bijlage II). De gegevens over jeugdhulp zijn bekend tot juli 2023. Het hoofdstuk start met een beschrijving van de verschillende zorgregelingen voor asielzoekers, statushouders en ontheemden uit Oekraïne (4.1), gevolgd door het zorggebruik (4.2), het ggz-zorggebruik (4.3) en jeugdhulpgebruik (4.4) van statushouders.

4.1 Verschillende zorgregelingen In Nederland zijn er verschillende regelingen om de toegang tot zorg voor nieuwkomers te waarborgen. Afhankelijk van hun verblijfsstatus en opvangsituatie vallen zij onder verschillende zorgregelingen. Hieronder worden de belangrijkste regelingen voor asielzoekers, statushouders en ontheemden uit Oekraïne toegelicht.

34

Zorgregeling asielzoekers In Nederland zijn asielzoekers automatisch verzekerd voor de meeste zorg waar Nederlanders voor verzekerd zijn (vanuit de Wmo, Zvw en Wlz). In de Regeling Medische zorg Asielzoekers (RMA) is de zorg omschreven waar asielzoekers aanspraak op kunnen maken. De zorg aan asielzoekers is zorg in natura. Dit betekent dat zorg alleen vergoed wordt wanneer de zorgaanbieder een contract heeft met RMA Healthcare. Voor asielzoekers geldt geen eigen bijdrage of eigen risico (Rijksoverheid, z.d.; RMA Healthcare, z.d.). Zorgregeling statushouders De manier waarop de gezondheidszorg van statushouders is geregeld, is afhankelijk van hun verblijfssituatie en verblijfsstatus. Tijdens de opvang via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is zorg geregeld via de RMA. Zodra een statushouder een eigen woning heeft, gelden dezelfde regels als voor andere inwoners. Die persoon is dan verplicht om een Nederlandse zorgverzekering af te sluiten en heeft mogelijk ook recht op zorgtoeslag (COA, z.d.). Zorgregeling ontheemden uit Oekraïne Voor ontheemden uit Oekraïne geldt een andere regeling. Via de RTB hebben ontheemden uit Oekraïne recht op opvang en medische zorg in Nederland en andere EU-landen. Om deze groep gedurende hun opvang in Nederland gebruik te laten maken van zorg is er een regeling opgezet: de Regeling Medische zorg Oekraïense Ontheemden (RMO).

Deze regeling vergoedt de meeste zorg die ook onder de basisverzekering valt, zoals huisartsenzorg, ziekenhuiszorg en spoedeisende hulp. De RMO kent geen eigen risico of eigen bijdrage (Rijksoverheid, z.d.; RMO, z.d.).

4.2 Zorggebruik statushouders Statushouders goed bereikt met huisartsenzorg, grootste verschillen binnen de G5 in overige zorg Voor 85 procent van de statushouders in Amsterdam is het zorggebruik dat gedekt wordt vanuit de basisverzekering in 2022 bekend. Zij verblijven bijna allemaal zelfstandig in de gemeente. Figuur 4.1 laat zien dat het vaakst een bezoek is gebracht aan de huisarts: 90 procent van de statushouders heeft dat in 2022 minimaal eenmaal gedaan. Ongeveer de helft van de statushouders heeft eenmaal of vaker gebruik gemaakt van de farmacie (53 procent) of het ziekenhuis (47 procent). Daarnaast heeft 70 procent gebruik gemaakt van overige zorg uit de basisverzekering. Onder overige zorg vallen onder meer spoedeisende hulp, geboortezorg, geestelijke gezondheidszorg en paramedische zorg. De cijfers in figuur 4.1 geven uitsluitend inzicht in het zorggebruik dat gedekt wordt door de basisverzekering. Dat betekent dat het volledige zorggebruik van statushouders onderschat wordt door deze cijfers. Er is geen data over zorggebruik waar een aanvullende zorgverzekering voor nodig is (CBS, 2025). Statushouders maken in Amsterdam gemiddeld vaker gebruik van huisartsenzorg, farmacie, ziekenhuizen en overige zorgaanbieders dan het landelijk gemiddelde (zie bijlage III, tabel 32). In andere G5-steden wordt van sommige zorgtypen wel vaker gebruikgemaakt dan in

35

Amsterdam. De grootste verschillen tussen de G5-steden zien we bij het gebruik van overige zorg. Dit type zorg wordt in Rotterdam (83 procent) en Utrecht (79 procent) vaker gebruikt door statushouders dan in Amsterdam, en in Den Haag juist veel minder vaak (51 procent). Mondzorg wordt alleen voor minderjarigen tot de basiszorg gerekend. Om die reden nemen we dit enkel voor deze groep op in deze analyse. Van de 0 tot en met 18-jarige statushouders in Amsterdam heeft 58 procent in 2022 gebruik gemaakt van mondzorg (figuur 4.1). Het aandeel minderjarigen dat van mondzorg gebruik heeft gemaakt ligt in Amsterdam in lijn met het landelijk gemiddelde en met Utrecht en Rotterdam. In Den Haag ligt dit hoger en in Eindhoven lager (zie bijlage III, tabel 33). Figuur 4.1 Aandeel statushouders in Amsterdam met verschillende typen zorggebruik vanuit de basisverzekering (procenten, statushouders waarvan zorgkosten bekend zijn, alle leeftijden: n = 6.040, leeftijd 0-18: n = 1.320, peiljaar 2022)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

4.3 Ggz-gebruik statushouders in Amsterdam Ggz-gebruik iets hoger onder mannen en 36-plussers Van de volwassen statushouders van wie het zorggebruik bekend is, maakte in 2022 10 procent gebruik van de geestelijke gezondheidszorg (ggz). Dit aandeel ligt iets hoger onder mannen (11 procent) dan onder vrouwen (8 procent) en is groter bij statushouders van 36 jaar en ouder (12 procent) dan bij 18- tot en met 35-jarigen (9 procent, zie figuur 4.2). Van de volwassen statushouders in Amsterdam die gebruikmaken van de ggz is 69 procent man en 31 procent vrouw, wat samenhangt met de mannelijke oververtegenwoordiging binnen de Amsterdamse statushouderpopulatie. Daarnaast is 62 procent van de ggzgebruikers tussen de 18 en 35 jaar oud en 38 procent 36 jaar of ouder. Dit relatief hoge aandeel jongvolwassenen weerspiegelt de leeftijdsopbouw van de statushouders in Amsterdam, waarin jonge volwassenen de grootste groep vormen.

36

Figuur 4.2 Aandeel statushouders met ggz-zorggebruik vanuit de basisverzekering in Amsterdam naar geslacht en leeftijd (procenten, leeftijd 18+, statushouders waarvan zorgkosten bekend zijn, 2022)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

Ggz-gebruik hoger in Amsterdam dan in andere G5-steden en heel Nederland Figuur 4.3 laat zien dat het aandeel volwassen statushouders dat gebruik maakt van ggz in Amsterdam in 2022 hoger ligt dan in de andere G5-steden. Ten opzichte van het landelijk gemiddelde (5 procent) ligt dit aandeel twee keer zo hoog (10 procent). Een vergelijking over tijd laat zien dat het aandeel volwassen statushouders dat gebruik maakt van ggzvoorzieningen in Amsterdam in de periode van 2018 tot en met 2021 redelijk stabiel is gebleven. Van 2021 tot 2022 is dit aandeel met een paar procentpunt toegenomen in Amsterdam. Ook in de andere G5-steden, behalve Utrecht, zien we een toename van 2021 naar 2022. De lichte stijging tussen 2021 en 2022 kan deels worden verklaard door de invoering van het Zorgprestatiemodel (waardoor meer en kortere contacten werden geregistreerd) en deels door een inhaalslag na de coronaperiode (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2023). Figuur 4.3 Aandeel statushouders met ggz-zorggebruik vanuit de basisverzekering in de G5 en Nederland (procenten, leeftijd 18+, statushouders met zorgkosten bekend, 2015-2022)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

4.4 Jeugdhulp aan statushouders Jeugdhulp vaakst verleend aan jongens en 0- tot en met 12-jarigen

37

Van de jonge statushouders (0 tot en met 18 jaar) in Amsterdam werd op 1 juli 2023 aan 11 procent minimaal één vorm van zorg of hulp verleend in het kader van de Jeugdwet (zie figuur 4.4). Dat is bijna twee keer zoveel als het landelijk gemiddelde van 6 procent (zie bijlage III, tabel 41). Het aandeel jonge statushouders met jeugdhulp ligt in Amsterdam hoger onder jongens (13 procent) dan onder meisjes (9 procent). Dit beeld komt overeen met de situatie in de andere G5-steden en landelijk. Van de jonge statushouders die in Amsterdam jeugdhulp ontvangen, is 62 procent jongen en 38 procent meisje. Dit relatief hoge aandeel jongens weerspiegelt de samenstelling van de jonge Amsterdamse statushouderpopulatie, waarin jongens oververtegenwoordigd zijn. Figuur 4.4 laat verder zien dat jeugdhulp in Amsterdam relatief vaker wordt verstrekt aan jonge statushouders van 0 tot en met 12 jaar (12 procent) dan aan 13- tot en met 18-jarigen (9 procent). Van de groep jonge statushouders in Amsterdam die jeugdhulp ontvangt, is dan ook driekwart jonger dan 13 jaar (75 procent) en een kwart tussen de 13 en 18 jaar (25 procent). Landelijk zien we dit patroon niet: daar ontvangt 6 procent van de 0- tot en met 12-jarigen en 7 procent van de 13- tot en met 18-jarigen jeugdhulp (zie bijlage III, tabel 43). Tussen de G5-steden bestaan bovendien aanzienlijke verschillen.

In Utrecht ligt het aandeel jonge statushouders dat jeugdhulp ontvangt hoger dan in Amsterdam, terwijl de andere G5steden een lager aandeel hebben. Eindhoven kent het laagste aandeel. Figuur 4.4 Aandeel jonge statushouders aan wie minimaal één vorm van zorg of hulp is verleend in het kader van de Jeugdwet in Amsterdam, naar geslacht en leeftijd (procenten, leeftijd 0-18, peildatum 1 juli 2023)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

38

5 Inburgering •

Steeds meer statushouders vallen onder de nieuwe Wet Inburgering (WI2021), die op 1 januari 2022 is ingegaan;

•

Ruim zes op de tien Amsterdamse statushouders die tussen 2014 en 2018 een eerste verblijfsvergunning asiel hebben ontvangen, hebben het inburgeringsexamen behaald;

•

Onder de Wet Inburgering 2013 verkreeg 1 op de 4 (voormalig) statushouders die in 2024 in Amsterdam woonden vrijstelling of ontheffing;

•

Voor statushouders die inburgeringsplichtig zijn onder de WI2021 is de inburgeringstermijn in 2024 nog niet verstreken;

Een groot deel van de statushouders valt onder de inburgeringsplicht. In eerdere edities van deze monitor is inburgering onder de Wet Inburgering 2013 (WI2013) in kaart gebracht. In 2022 is het inburgeringsstelsel gewijzigd (zie kader: Wet inburgering 2021). Wie vanaf 1 januari 2022 te horen kreeg inburgeringsplichtig te zijn, valt onder de nieuwe wetgeving. De inburgeringsplicht geldt alleen voor nieuwkomers die meerderjarig zijn en jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. Voor jonge statushouders die hun eerste verblijfsvergunning kregen toen zij minderjarig waren, gaat de inburgeringsplicht in vanaf hun achttiende verjaardag. De inburgeringsplicht vervalt ook wanneer iemand minimaal 8 jaar in Nederland woonde terwijl diegene leerplichtig was. Dit hoofdstuk brengt de populatie inburgeringsplichtige statushouders in Amsterdam in kaart. Daarbij kijken we naar de inburgeringswet die van toepassing is, de status van de inburgering en het taalniveau.

5.1 Wet Inburgering 2013 en Wet Inburgering 2021 Steeds meer statushouders vallen onder de nieuwe Wet Inburgering De Wet inburgering 2021 (WI2021, zie kader) is op 1 januari 2022 ingevoerd en geldt voor iedereen die vanaf 1 januari 2022 inburgeringsplichtig is geworden. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de vorige wet worden hieronder omschreven.

Wet inburgering 2021 Het doel van de wetswijziging is om inburgeraars sneller dan voorheen te laten participeren in de Nederlandse samenleving, bij voorkeur via betaald werk. De vorige wet legde meer de nadruk op het behalen van het A2-taalniveau. De nieuwe wet legt de verantwoordelijkheid voor de begeleiding van inburgeringsplichtigen bij de gemeenten. Gemeenten hebben een centrale regierol en zorgen voor de financiering. Onder de WI2013 was de inburgeraar zelf verantwoordelijk voor het regelen en financieren van de inburgering. Dat kon bijvoorbeeld via een DUO-lening.

39

De wet biedt ruimte voor maatwerk. Gemeenten stellen een persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP) op met een passende leerroute, waarbij het leren van de taal en maatschappelijke participatie centraal staan. De maximale inburgeringstermijn is nog net als bij WI2013, ook bij WI2021 drie jaar en deze wordt gehandhaafd door DUO. DUO is in staat om bij niet-verwijtbare termijnoverschrijding extra tijd te verlenen. (COA, 2021; DUO, 2025; Rijksoverheid, z.d.; VluchtelingenWerk, z.d.; Stimulansz, 2025). In figuur 5.1 is te zien hoeveel statushouders in Amsterdam op 1 juli 2021-2024 inburgeringsplichtig waren onder de oude en nieuwe wetgeving. Op 1 juli 2021 vallen van de 7.010 inburgeringsplichtige statushouders in Amsterdam er 5.290 onder de WI2013. Het aantal statushouders dat onder de WI2021 valt, neemt geleidelijk toe van 410 in 2022 naar 1.570 in 2023 en 2.620 in 2024. Tegelijkertijd neemt het aantal statushouders onder de WI2013 af, van 5.290 in 2021 naar 4.780 in 2022, 3.890 in 2023 en 2.890 in 2024. Dit komt doordat steeds meer inburgeringsplichtigen onder de WI2013 hun examen behalen of een vrijstelling of ontheffing krijgen. Tegelijkertijd vallen nieuwe inburgeringsplichtigen vanaf 2022 onder de WI2021. Het aantal statushouders aan wie nog geen inburgeringsplicht is opgelegd blijft door de jaren heen ongeveer gelijk. Dit betreft voornamelijk minderjarigen.

Figuur 5.1 Populatie statushouders in Amsterdam naar inburgeringswetgeving (aantallen, 2021-2024, peildatum 1 juli)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

5.2 Inburgering statushouders Meerderheid (voormalig) statushouders behaalt inburgeringsexamen onder WI2013, 1 op 4 verkrijgt vrijstelling of ontheffing Figuur 5.2 visualiseert de inburgeringsstatus onder WI2013 van Amsterdammers die na 1 januari 2014 een verblijfsvergunning asiel hebben ontvangen. De groep waar deze analyse op is toegepast betreft alle (voormalig) statushouders die op de peildatum van 1 juli 2024 in Amsterdam wonen.

40

De figuur laat zien dat van de Amsterdamse nieuwkomers die tussen 2014 en 2018 een eerste verblijfsvergunning asiel hebben ontvangen, ruim zes op de tien in 2024 het inburgeringsexamen hebben behaald. Ongeveer een kwart heeft een vrijstelling of ontheffing van de inburgeringsplicht gekregen. Vanaf cohort 2019 zien we meer Amsterdammers die nog niet voldaan hebben aan de inburgeringsplicht middels een examen. Het percentage komt dan uit op 59 procent. Bij 12 procent van het cohort 2019 geldt dat zij het examen (nog) niet hebben behaald, maar dat er geen sprake van overschrijding is. Vanaf het cohort 2020 neemt dit aandeel verder toe naar 26 procent. De verklaring daarvoor is dat de inburgertermijn van 3 jaar onder de WI2013 met 10 maanden kon worden verlengd, door maatregelen om de gevolgen van het Coronavirus te verzachten. (Overheid.nl, 2024). Daarnaast kan er langer dan drie jaar zitten tussen het verkrijgen van een vergunning en het einde van de inburgeringstermijn, doordat iemand minderjarig is wanneer de asielvergunning wordt toegewezen. Bij recentere cohorten vanaf 2021 was er op het peilmoment van 1 juli 2024 in veel gevallen nog geen sprake van termijnoverschrijding, omdat de vergunning minder dan drie jaar daarvoor was uitgegeven.

Figuur 5.2 Inburgeringsstatus onder WI2013 van Amsterdammers die na 1 januari 2014 een verblijfsvergunning asiel hebben ontvangen naar jaar van eerste vergunning (procenten, peildatum 1 juli 2024)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

Inburgeringstermijn nog niet verstreken voor statushouders inburgeringsplichtig onder WI2021 Nieuwkomers die vanaf 2022 een verblijfsvergunning voor asiel hebben gekregen, burgeren in volgens de regels van de WI2021. Op 1 juli 2024 zijn de meeste statushouders die onder de nieuwe wet vallen in Amsterdam nog niet klaar met hun inburgering (zie figuur 5.3). Dit komt omdat de inburgeringstermijn nog geen drie jaar geleden is begonnen. Ze hebben dus

41

nog tijd om aan hun inburgeringsplicht te voldoen. Een klein aantal heeft vrijstelling of ontheffing verkregen. Figuur 5.3 Inburgeringsstatus onder WI2021 van Amsterdammers die na 1 januari 2022 een verblijfsvergunning asiel hebben ontvangen naar jaar van eerste vergunning (procenten, peildatum 1 juli 2024)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

Helft statushouders in 2024 inburgeringsplichtig onder WI2021, kwart heeft examen WI2013 behaald De figuren hierboven brachten de inburgeringsstatus in kaart van (voormalig) statushouders per cohort van eerste verblijfsvergunning. Verschillende cohorten statushouders die op 1 juli 2024 in Amsterdam wonen, vormen samen een populatie die deels inburgeringsplichtig is onder WI2013 en deels onder WI2021 (zie figuur 5.4). Van de meerderjarige statushouders in Amsterdam heeft op 1 juli 2024 bijna een kwart het inburgeringsexamen behaald onder WI2013. Bij 16 procent is niet aan de inburgeringsplicht voldaan maar is er ook geen sprake van overschrijding. Bij een kleine groep is wel sprake van overschrijding (3 procent), terwijl 8 procent vrijstelling of ontheffing heeft. Verder is van 45 procent van de statushouders bekend dat zij vallen onder de inburgeringsplicht volgens WI2021. Van de overige 5 procent is de inburgeringsstatus onbekend.

42

Figuur 5.4 Inburgeringsstatus onder WI2013 van statushouders in Amsterdam (procenten, n = 5.810, leeftijd 18+, peildatum 1 juli 2024)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

Figuur 5.5 laat zien dat van de 1.320 statushouders die op 1 juli 2024 het inburgeringsexamen onder WI2013 hebben behaald, 87 procent dit op A2 niveau gedaan heeft en 13 procent op B1 of B2. Figuur 5.5 Taalniveau van statushouders die inburgeringsexamen onder WI2013 hebben behaald (procenten, n = 1.320, peildatum 1 juli 2024)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

43

6 Onderwijs

•

Leerplichtige statushouders en ontheemden uit Oekraïne volgen vrijwel altijd onderwijs;

•

Onderwijsvolgende jongvolwassen statushouders volgen vaak vo en mbo. Mbo-1 en mbo-2 zijn de meest-gevolgde mbo-niveaus;

•

Onderwijsvolgende jongvolwassen ontheemden uit Oekraïne volgen vaak hbo en vo. Onder deze groep nieuwkomers zijn weinig mbo-registraties bekend;

•

In vergelijking met Nederland volgen zowel jongvolwassen statushouders als jongvolwassen ontheemden uit Oekraïne in Amsterdam vaker hbo of wo. Onder jongvolwassen statushouders wordt in Amsterdam minder mbo gevolgd dan landelijk.

Dit hoofdstuk beschrijft de onderwijsdeelname van statushouders in Amsterdam en vergelijkt deze waar mogelijk met het landelijke beeld en met de andere G5-steden. Daarbij wordt ingegaan op de verdeling van statushouders over de verschillende onderwijsniveaus en op de mate waarin deze deelname verschilt tussen groepen (6.1). Daarnaast wordt aandacht besteed aan de onderwijsdeelname van ontheemden uit Oekraïne, waarbij wordt gekeken naar overeenkomsten en verschillen met de groep statushouders (6.2). De onderwijsdeelname die hier gerapporteerd wordt, is een onderschatting van het echte aantal nieuwkomers dat onderwijs volgt. Onderwijsdeelname wordt namelijk gerapporteerd op basis van onderwijsregistraties, die het CBS heeft verzameld en gekoppeld aan andere registerdata. Door verschillen in administratiewijze zijn deze registraties niet altijd compleet. Vooral bij leerplichtige kinderen (van 5 tot en met 17 jaar) is het aannemelijk dat ze wel onderwijs volgen, ook als geen onderwijsregistratie gevonden kon worden (CBS, 2025).

6.1 Onderwijs statushouders Statushouders hebben in Nederland recht op onderwijs. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het onderwijs van kinderen met een verblijfsvergunning die leerplichtig zijn. Dit staat in de Leerplichtwet van 1969 (Lowan, z.d.). Voor meerderjarige statushouders is de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor onderwijs (met name taal- en inburgeringsonderwijs) vastgelegd in de Wet inburgering 2021 (Rijksoverheid, z.d.-a). Leerplichtige statushouders volgen onderwijs, onder jongvolwassenen vooral vo en mbo Figuur 6.1 geeft een overzicht van de onderwijsniveaus van de statushouders in Amsterdam voor wie een onderwijsregistratie gevonden kon worden op 1 juli 2024. Van de 4- tot en met 11-jarige schoolgaande statushouders is van 91 procent bekend dat zij primair onderwijs volgen. Van de 12- tot en met 17-jarige statushouders volgt 70 procent voortgezet onderwijs, 18 procent primair onderwijs en 5 procent mbo-1. Van de groep 18 tot en met 26 jaar is van 30 procent een onderwijsregistratie bekend. Daarbinnen komen voortgezet onderwijs (9 procent), mbo-1 (7 procent) en mbo-2 tot en met 4 (11 procent) het vaakste

44

voor. Boven de 26 jaar is van 10 procent een onderwijsregistratie bekend, waarvan mbo-2 tot en met 4 de grootste groep vormt (5 procent). Figuur 6.1 Onderwijsregistratie van statushouders in Amsterdam naar leeftijd (procenten, n = 7.080, peildatum 1 juli 2024)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

Mbo-1 en mbo-2 zijn de meest-gevolgde mbo-niveaus Van de statushouders met een onderwijsregistratie in het mbo volgen 240 studenten een mbo-1-opleiding en 210 studenten een mbo-2-opleiding. De meeste mbo-studenten bevinden zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 26 jaar (310 studenten). Binnen deze groep volgen 130 studenten een mbo-2-opleiding en 120 een mbo-1-opleiding. Vanaf de leeftijd van 26 jaar neemt het aantal onderwijsregistraties in het mbo af (zie figuur 6.2). Figuur 6.2 Onderwijsregistratie van verschillende mbo-niveaus van statushouders in Amsterdam naar leeftijd (aantallen, peildatum 1 juli 2024)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

45

Jongvolwassen statushouders in Amsterdam volgen minder vaak mbo en vaker hbo of wo dan landelijk Figuur 6.3 toont de geregistreerde onderwijsniveaus van jongvolwassen statushouders voor de G5-steden en in heel Nederland. De figuur richt zich op jongvolwassenen van 18 tot en met 35 jaar om de verschillen in vervolgonderwijs inzichtelijk te maken. In Amsterdam is van 19 procent van deze groep een onderwijsregistratie bekend. Alleen in Rotterdam ligt dit aandeel lager (17 procent). Landelijk bedraagt dat aandeel 23 procent. Voor 7 procent van de jongvolwassen statushouders is een onderwijsregistratie in mbo-niveaus 2 tot en met 4 bekend. Dat is vergelijkbaar met landelijk (8 procent). In Den Haag en Utrecht ligt dit aandeel hoger met respectievelijk 12 en 10 procent. Opvallend is dat het aandeel onderwijsregistraties in het hoger onderwijs (hbo en wo) in Amsterdam relatief groot is, met 3,5 procent. Alleen in Utrecht en Eindhoven ligt dit aandeel iets hoger, terwijl het landelijk rond de 2 procent bedraagt. Figuur 6.3 Onderwijsregistratie van jongvolwassen statushouders in de G5 en Nederland (procenten, leeftijd 18-35, peildatum 1 juli 2024)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

6.2 Onderwijs ontheemden uit Oekraïne Ontheemden uit Oekraïne hebben in Nederland recht op onderwijs op basis van de RTB. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het organiseren van onderwijs voor leerplichtige kinderen, bijvoorbeeld via reguliere scholen of speciale nieuwkomersvoorzieningen zoals internationale schakelklassen. Volwassenen uit Oekraïne kunnen in Nederland onder de RTB deelnemen aan regulier of beroepsonderwijs, maar omdat zij niet onder de inburgeringswet vallen, zijn gemeenten niet verplicht om hen onderwijs te bieden. Gemeenten kunnen wel ondersteuning en informatie bieden (Rijksoverheid, z.d.-b).

46

Onder ontheemden uit Oekraïne weinig mbo-registraties, één op de tien jongvolwassenen volgt hbo of wo Figuur 6.4 geeft een overzicht van de gekoppelde onderwijsregistraties van ontheemden uit Oekraïne in Amsterdam op 1 juli 2024. Van de 4- tot en met 11-jarige schoolgaande ontheemden uit Oekraïne is bij 92 procent bekend dat zij primair onderwijs volgen. Onder de 12- tot en met 17-jarige ontheemden volgt 79 procent voortgezet onderwijs, een hoger aandeel dan onder statushouders van dezelfde leeftijd (70 procent). Daarnaast volgt 12 procent van deze groep primair onderwijs, terwijl geen van hen in het mbo is geregistreerd. Voor de groep 18 tot en met 26 jaar is van circa 13 procent een onderwijsregistratie bekend. Binnen deze geregistreerde groep komen hbo of wo (9 procent) en voortgezet onderwijs (4 procent) het vaakst voor. Voor ontheemden uit Oekraïne van 27 jaar en ouder is nagenoeg geen onderwijsregistratie bekend. Figuur 6.4 Onderwijsregistratie van ontheemden uit Oekraïne in Amsterdam naar leeftijd (procenten, n = 5.930, peildatum 1 juli 2024)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

Jongvolwassen ontheemden uit Oekraïne in Amsterdam volgen vaker hbo of wo en minder vaak vo dan landelijk Figuur 6.5 laat de verschillen in onderwijsregistraties van ontheemden uit Oekraïne tussen de G5-steden en het landelijke gemiddelde zien, specifiek voor jongvolwassenen van 18 tot en met 35 jaar. Bij deze vergelijking is het goed om in het achterhoofd te houden dat het in een aantal steden om lage aantallen gaat, waardoor slechts voorzichtige conclusies kunnen worden getrokken.

47

In Amsterdam is van 7 procent van deze groep bekend dat zij onderwijs volgen, wat gelijk is aan het landelijk gemiddelde. In vergelijking met heel Nederland wordt relatief vaak hbo of wo gevolgd in Amsterdam, en minder vaak vo. Dat lijkt ook in de andere G5-steden het geval, met uitzondering van Utrecht. Figuur 6.5 Onderwijsregistratie van jongvolwassen ontheemden uit Oekraïne in de G5 en Nederland (procenten, leeftijd 18-35, peildatum 1 juli 2024)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

48

7 Werk •

In vergelijking met Nederland en de andere G5-steden, is het aandeel statushouders met betaald werk hoog in Amsterdam. Dat wordt verklaard door de demografische samenstelling: er wonen relatief veel jonge en mannelijke statushouders in de stad. Deze groepen hebben een hogere arbeidsdeelname;

•

Het aandeel statushouders in loondienst blijft tussen 2023 en 2024 stabiel. Hiermee ligt het aandeel statushouders met betaald werk in zowel 2023 als 2024 boven het niveau van voor de coronajaren;

•

Statushouders hebben een grotere kans op werk naarmate ze langer een verblijfsvergunning hebben. Recentere statushouders vinden daarnaast relatief sneller werk nadat zij een verblijfsvergunning hebben gekregen;

•

Het aandeel ontheemden uit Oekraïne met betaald werk steeg sterk in 2022 en stabiliseerde in 2023. Het aandeel ontheemden uit Oekraïne met betaald werk ligt in Amsterdam lager dan landelijk;

•

Na 2023 nam het aandeel ontheemden uit Oekraïne in loondienst verder toe in 2024;

•

Onder ontheemden uit Oekraïne is de arbeidsdeelname onder mannen en vrouwen ongeveer gelijk en jonge ontheemden uit Oekraïne werken vaker dan degenen van 36 tot en met 66 jaar.

Dit hoofdstuk beschrijft de werksituatie van statushouders (7.1) en ontheemden uit Oekraïne (7.2). We gaan in op het aandeel met betaald werk, het aandeel werkzaam in loondienst en het aandeel werkzaam als zelfstandige. Vervolgens gaan we in op het aandeel dat in loondienst werkzaam is naar geslacht en leeftijd. Hierna bespreken we in welke sectoren werkenden werkzaam zijn en hoe het aandeel met betaald werk verschilt met de duur van de verblijfsvergunning. In dit hoofdstuk kijken we naar volwassenen die nog niet de AOWleeftijd van 67 jaar hebben bereikt.

7.1 Werk statushouders Aandeel statushouders met betaald werk hoger dan in de andere G5-steden en landelijk Het aandeel statushouders met betaald werk in Amsterdam ligt hoger dan in de andere G5steden en hoger dan het landelijk gemiddelde in 2023 (zie figuur 7.1). Zij hebben betaald werk in loondienst of als zelfstandige. Voor zelfstandigen is data beschikbaar tot en met 2023. In 2023 had in Amsterdam 36 procent van de statushouders betaald werk als werknemer en/of zelfstandige. Dit is een daling ten opzichte van 2022, toen had 38 procent van de Amsterdamse statushouders betaald werk. Het aandeel statushouders met betaald werk is na deze lichte daling weer op een vergelijkbaar niveau als in 2019, vóór de coronacrisis. In absolute aantallen hebben meer statushouders een betaalde baan. Meestal gaat het om een baan in loondienst (87 procent).

49

Door de coronacrisis lag het aandeel statushouders met betaald werk lager in 2020 en 2021. Deze daling was vooral te wijten aan een vermindering van het aantal statushouders in loondienst. Veel statushouders hebben een tijdelijk of flexibel contract, wat hen extra kwetsbaar maakt in tijden van economische onzekerheid, zoals tijdens de coronacrisis. Tegelijkertijd troffen de coronamaatregelen vooral sectoren waar veel Amsterdamse statushouders werken, zoals de horeca en delen van de handel (O&S, 2022). Hierdoor was de daling in Amsterdam groter dan in andere steden. Deze daling was niet alleen zichtbaar onder Amsterdamse statushouders, maar ook onder alle Amsterdammers. Figuur 7.1 Aandeel statushouders in loondienst en/of zelfstandige in de G5 en Nederland (procenten, leeftijd 18-66, 2019-2023, peildatum 1 juli)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

Het aandeel statushouders met betaald werk is in Amsterdam relatief hoog. Dit geldt zowel voor statushouders die als werknemer werken als voor degenen die als zelfstandige actief zijn. Een reden daarvoor zou kunnen zijn dat de gemeente Amsterdam de statushouders een intensieve begeleiding bij werk of opleiding biedt, in combinatie met inburgering, die zo mogelijk al start in het COA. Deze intensieve werkwijze staat bekend als de Amsterdamse Aanpak Statushouders (gemeente Amsterdam, z.d.). Een andere belangrijke reden voor de hoge arbeidsparticipatie onder statushouders is de demografische samenstelling van de groep in Amsterdam. Zo zijn statushouders in Amsterdam relatief vaker tussen de 18 en 35 jaar, vaker man (zie paragraaf 3.2). Dit zijn ook de groepen die vaker betaald werk hebben, zowel in Amsterdam als landelijk. Aandeel statushouders in loondienst blijft in 2024 stabiel Over het aantal statushouders in loondienst zijn ook al gegevens beschikbaar voor 2024 (zie figuur 7.2). Het aandeel statushouders in loondienst blijft met 32 procent in 2024 vergelijkbaar met 2023. Dit aandeel is relatief hoog in vergelijking met de andere G5-steden en landelijk. Alleen in Eindhoven lag dit aandeel op een vergelijkbaar niveau in 2024 (33 procent). In de andere G5-steden en landelijk was het aandeel 7 tot 8 procentpunten lager.

50

In vergelijking met 2022 is het aandeel statushouders in loondienst licht gedaald in Amsterdam. Het aandeel statushouders met een baan in loondienst is in 2024 iets lager dan in de piek na de coronacrisis in 2022 (toen was het 34 procent; in 2024 32 procent). In bijna alle G5-steden, behalve in Rotterdam, is dit aandeel tussen 2022 en 2024 ook gedaald. In absolute aantallen hebben wel meer Amsterdamse statushouders een baan in loondienst. In Eindhoven en Amsterdam was de daling minder sterk. Landelijk daalt het aandeel statushouders in loondienst elk jaar licht, terwijl in de G5-steden meer schommelingen zichtbaar zijn. Steeds meer statushouders werken als zelfstandige, vooral in Amsterdam Het aandeel statushouders dat als zelfstandige werkt is tussen 2019 en 2023 daarentegen elk jaar toegenomen. In 2023 stond 5 procent van de Amsterdamse statushouders geregistreerd als zelfstandige, bijna een verdubbeling ten opzichte van 2019. Ook landelijk nam het aandeel zelfstandigen onder statushouders toe, maar minder sterk dan in Amsterdam. In 2023 werkte in Nederland 3 procent van de statushouders als zelfstandige. Met uitzondering van Den Haag (eveneens 5 procent) ligt het aandeel zelfstandigen lager in de andere G5-steden dan in Amsterdam.

Bovendien was de stijging tussen 2019 en 2023 in zowel Den Haag als Amsterdam sterker, waardoor het verschil tussen deze twee steden enerzijds en de overige G5-steden en Nederland als geheel anderzijds verder is toegenomen. Figuur 7.2 Aandeel statushouders in loondienst/zelfstandige in Amsterdam en Nederland (procenten, leeftijd 18-66, 2019-2024, peildatum 1 juli)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

Aandeel statushouders in loondienst het hoogst onder mannen en 18- tot en met 35-jarigen Figuur 7.3 laat het aandeel statushouders in loondienst zien naar verschillende achtergrondkenmerken. Mannen werken vaker in loondienst dan vrouwen (38 procent tegenover 21 procent), en 18- tot en met 35-jarigen vaker dan 36-plussers (36 procent tegenover 24 procent). Daarom zijn de meeste statushouders met een baan man (80 procent) en 18- tot en met 35 jaar (77 procent). Ook hebben statushouders die zelfstandig in de gemeente wonen iets vaker een baan in loondienst dan degenen op een COA-locatie (33 procent tegenover 30 procent).

51

Figuur 7.3 Aandeel statushouders in loondienst in Amsterdam naar geslacht, leeftijd en verblijfssituatie (procenten, leeftijd 18-66, peildatum 1 juli 2024)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

Statushouders hebben meestal een contract voor bepaalde tijd en werken vaak in de horeca, handel en overige zakelijke diensten Statushouders in loondienst hebben meestal een contract voor betaalde tijd (85 procent, zie Bijlage III, tabel 72). Slechts 15 procent van hen heeft een contract voor onbepaalde tijd. Dat maakt de arbeidsmarktpositie van statushouders vrij precair. Zij zijn dan ook het vaakst werkzaam in sectoren waar relatief veel werkenden een flexibel contract hebben en in sectoren waar relatief veel werkenden alleen een basisopleiding hebben. De meeste statushouders in Amsterdam waren op 1 juli 2024 werkzaam in de horeca (29 procent, zie Bijlage III, tabel 73) en de (detail)handel (24 procent). Ook verhuur en overige zakelijke diensten komen relatief vaak voor (18 procent), waaronder bijvoorbeeld uitzendbureaus vallen. Aandeel statushouders in loondienst stijgt met verblijfsduur en recente statushouders vinden sneller werk na het verkrijgen van hun vergunning Het aandeel statushouders met werk in loondienst neemt toe naarmate zij langer een verblijfsvergunning hebben. Daarnaast werken recentere cohorten vaker in loondienst. Dit blijkt uit zowel de landelijke (CBS, 2025) als de Amsterdamse analyse. In Amsterdam ligt het aandeel statushouders in loondienst over het algemeen hoger dan in de andere G5-steden en Nederland, ongeacht hun verblijfsduur.

Dit hangt, zoals eerder beschreven, samen met de demografische samenstelling van statushouders in Amsterdam maar is mogelijk ook een gevolg van de intensieve Amsterdamse aanpak voor statushouders. Op 1 juli 2024 had in Amsterdam ongeveer 25 procent van de statushouders, die maximaal 2 of 3 jaar een verblijfsvergunning hadden, een baan in loondienst (zie figuur 7.4). Voor statushouders met een verblijfsduur langer dan drie jaar ligt dit aandeel rond 40 procent. Ook in eerdere jaren neemt het aandeel statushouders in loondienst toe met de duur van de verblijfsvergunning.

52

Daarnaast vinden recentere statushouders relatief sneller werk nadat zij een verblijfsvergunning hebben gekregen. Landelijk werkte na één jaar na verkrijging van de vergunning in 2014 bijna 3 procent in loondienst, tegenover 12 procent van degenen die in 2022 hun verblijfsvergunning ontvingen (CBS, 2025). In Amsterdam geldt een vergelijkbare trend: met uitzondering van de coronaperiode neemt het aandeel statushouders in loondienst met maximaal twee jaar een verblijfsvergunning sinds 2019 toe, van 17 procent in 2019, naar 19 procent in 2022 en 26 procent in 2024. Voor statushouders met een verblijfsduur langer dan twee jaar is een vergelijkbaar beeld te zien. Figuur 7.4 Aandeel statushouders in loondienst in Amsterdam naar aantal jaar sinds verlening van verblijfsvergunning (procenten, leeftijd 18-66, 2019-2024, peildatum 1 juli)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

7.2 Werk ontheemden uit Oekraïne Nieuwkomers uit Oekraïne die onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne (RTB) vallen, hebben direct de mogelijkheid om te werken als werknemer of zelfstandige (Ministerie van Algemene Zaken, 2025). Zij zijn hiervoor niet verplicht een tewerkstellingsvergunning te hebben, maar wel een bewijs van verblijf. Uit onderzoek van SEO (2025) blijkt dat ontheemden uit Oekraïne hierdoor sneller aan betaald werk komen. Of ze dit bewijs van verblijf hebben, hangt af van de nationaliteit en het moment van inschrijving bij de gemeente. Daarnaast hebben werkgevers een meldplicht. Na sterke groei in 2022 stabilisatie in het aandeel ontheemden met betaald werk in 2023 Het aandeel ontheemden uit Oekraïne met betaald werk als werknemer en/of zelfstandige is bekend voor de periode juli 2022 tot en met juli 2023 (zie figuur 7.5). Tussen juli 2022 en april 2023 is het aandeel ontheemden uit Oekraïne dat betaald werk heeft toegenomen van 29 naar 52 procent. Sinds april 2023 is dit aandeel gestabiliseerd. In oktober 2023 had 53 procent betaald werk. Het aandeel met betaald werk ligt hiermee onder het landelijke gemiddelde en het aandeel in Eindhoven, maar boven dat van Utrecht, Den Haag en Rotterdam. De ontwikkeling van het aandeel ontheemden met betaald werk verloopt in Amsterdam wel vergelijkbaar met het landelijke beeld en dat van de overige G5-steden.

53

Figuur 7.5 Aandeel ontheemden uit Oekraïne in loondienst en/of zelfstandige in de G5 en Nederland (procenten, leeftijd 18-66, juli 2022-oktober 2023)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

Aandeel ontheemden uit Oekraïne in loondienst groeit in 2024 verder Over het aantal ontheemden in loondienst zijn ook al gegevens beschikbaar tot juli 2024 (zie figuur 7.6). Het aandeel werkenden in loondienst in Amsterdam is sinds juli 2022 (41 procent) sterk gestegen en laat sinds 2023 een lichte toename zien. Tussen oktober 2023 en juli 2024 groeide het aandeel ontheemden in loondienst van 48 naar 53 procent. Dit blijft nog altijd lager dan het landelijke gemiddelde (62 procent). In oktober 2023 werkte 5 procent van de ontheemden uit Oekraïne in Amsterdam als zelfstandige. Dit aandeel is sinds januari 2023 stabiel gebleven. Alleen in Den Haag ligt het aandeel zelfstandigen hoger. In vergelijking met het landelijke gemiddelde ligt het aandeel zelfstandige ontheemden in Amsterdam iets hoger. Figuur 7.6 Aandeel ontheemden uit Oekraïne in loondienst/zelfstandige in Amsterdam en Nederland (procenten, leeftijd 18-66, 2019-2024, peildatum 1 juli)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

54

Werk in loondienst het hoogst onder ontheemden van 18 tot en met 35 jaar en degenen die op opvanglocaties verblijven Mannelijke en vrouwelijke ontheemden uit Oekraïne hebben ongeveer even vaak een baan in loondienst (beide 53 procent, zie figuur 7.7). Omdat er in Amsterdam meer vrouwelijke ontheemden wonen, vormen zij ook de grootste groep onder de ontheemden in loondienst (60 procent). Tussen leeftijdsgroepen zijn wel duidelijke verschillen zichtbaar in participatie. Ontheemden van 18 tot en met 35 jaar werken vaker in loondienst dan 36-plussers (57 procent tegenover 48 procent). Hierdoor bestaat 59 procent van de ontheemden in loondienst uit 18- tot en met 35-jarigen. Ook zijn er verschillen naar de verblijfssituatie. Ontheemden die op een opvanglocatie verblijven hebben vaker een baan in loondienst dan degenen die zelfstandig in de gemeente wonen (60 procent tegenover 48 procent). Toch vormen de ontheemden uit Oekraïne die zelfstandig wonen de grootste groep onder de ontheemden in loondienst (55 procent tegenover 45 procent). Figuur 7.7 Aandeel ontheemden uit Oekraïne in loondienst naar geslacht, leeftijd en verblijfssituatie (procenten, leeftijd 18-66, peildatum 1 juli 2024)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

Ontheemden uit Oekraïne hebben meestal een contract voor bepaalde tijd en werken vaak in de horeca, overige zakelijke diensten en detailhandel In Amsterdam Ontheemden uit Oekraïne in loondienst hebben meestal een contract voor bepaalde tijd (81 procent). Zij werken het vaakst in sectoren waar relatief veel werkenden een flexibel contract hebben of basisopleiding hebben. De meeste ontheemden uit Oekraïne werken in de horeca (27 procent, zie Bijlage III, tabel 95), verhuur en overige zakelijke diensten (21 procent) en de detailhandel (20 procent). In tegenstelling tot de statushouders in Amsterdam, werken ook relatief veel ontheemden uit Oekraïne in de IT- en informatiedienstverlening (7 procent).

55

8 Bijstand •

Bijstandsgebruik hangt samen met betaald werk. Een klein deel van de statushouders met een bijstandsuitkering heeft daarnaast werk in loondienst.

•

Het aandeel statushouders dat bijstand ontvangt is sinds 2021 sterk gedaald en is sinds 2023 lager dan landelijke en de meeste G5-steden.

•

Het aandeel statushouders dat een bijstandsuitkering ontvangt is lager voor mannen en voor statushouders van 18 tot en met 35 jaar.

Statushouders die zelfstandig wonen hebben recht op een bijstandsuitkering, als zij niet werken of maar beperkt inkomsten hebben uit werk en hun vermogen niet te hoog is. Na het verkrijgen van een huurwoning gaat de gemeente Amsterdam in gesprek met statushouders en ondersteunt bij het aanvragen van een bijstandsuitkering als zij hier recht op hebben (Gemeente Amsterdam, z.d.). Asielzoekers en ontheemden uit Oekraïne hebben geen recht op een bijstandsuitkering vanwege hun verblijfsstatus. Daarom richt dit hoofdstuk zich alleen op de groep statushouders. Nieuwkomers uit de andere twee beschreven groepen kunnen wel leefgeld ontvangen (zie hoofdstuk 9). In dit hoofdstuk gaan we in op het gebruik van bijstand door statushouders over tijd in vergelijking met de G5 en Nederland. Ook brengen we de kenmerken van statushouders die bijstand ontvangen in kaart. In dit hoofdstuk kijken we naar volwassenen die zelfstandig in de gemeente verblijven en nog niet de AOW-leeftijd van 67 jaar hebben bereikt.

8.1 Bijstand statushouders Aandeel statushouders met bijstand sterk gedaald vanaf 2021 en vanaf 2023 lager dan landelijk en andere G5-steden Uit het vorige hoofdstuk blijkt dat het aandeel statushouders met betaald werk tussen 2019 en 2024 is toegenomen. Omdat betaald werk inkomen oplevert, lopen de trends in de bijstand vaak tegenovergesteld aan die in betaald werk. Het aandeel statushouders dat bijstand ontvangt in 2024 ligt in Amsterdam met 58 procent lager dan landelijk gemiddeld (66 procent) en de meeste G5-steden (zie figuur 8.1). Alleen Eindhoven kent een vergelijkbaar aandeel (58 procent). In 2023 lag het aandeel statushouders dat bijstand ontving iets lager dan in 2024. Net als bij het aandeel statushouders met betaald werk waren de effecten van de coronamaatregelen in Amsterdam relatief groot. In 2021 steeg het aandeel bijstandsgebruikers in Amsterdam het sterkst, maar daarna daalde dit aandeel juist flink. Dit valt op omdat het aandeel in Nederland en de andere G5-steden in dezelfde periode juist toenam. Waar het aandeel bijstandsontvangers onder Amsterdamse statushouders tot 2021 het hoogst was (samen met Rotterdam), ligt dit aandeel in 2023 juist op het laagste niveau (samen met Eindhoven).

56

Deze daling van het aandeel statushouders dat bijstand ontvangt, hangt samen met de hogere instroom naar werk na het opheffen van de coronamaatregelen en het aantrekken van de economie. Ook bezien over alle inwoners kent Amsterdam een relatief sterke daling van het aantal ontvangers van bijstand (O&S, 2025). Daarnaast hangt deze daling samen met de beperkte doorstroom van COA-locaties naar reguliere huisvesting (zie hoofdstuk 2). Hierdoor heeft de groep die zelfstandig in de gemeente woont minder vaak pas net een verblijfsvergunning, en een grotere kans om al betaald werk te hebben. Figuur 8.1 Aandeel statushouders dat bijstand ontvangt in de G5 en Nederland (procenten, zelfstandig in gemeente verblijvend, leeftijd 18-66, 2019-2024, peildatum 1 juli)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

Bijstandsgebruik is relatief lager onder mannen en 18- tot en met 35-jarigen Mannelijke statushouders en statushouders van 18 tot en met 35 jaar oud hebben vaker betaald werk. Hierdoor ontvangt een relatief kleiner deel van deze groepen bijstand. Vrouwelijke statushouders in Amsterdam ontvangen dus relatief vaker bijstand dan mannelijke statushouders (61 procent tegenover 56 procent, zie figuur 8.2). Daarnaast ontvangen statushouders van 36 jaar en ouder relatief vaker bijstand dan 18- tot en met 35jarigen (70 procent tegenover 52 procent). Toch ligt in de bijstandspopulatie het aandeel statushouders met deze kenmerken lager omdat deze groepen in absolute aantallen groter zijn. In de bijstandspopulatie is 63 procent man en valt 64 procent in de leeftijdscategorie 18 tot en met 35 jaar.

57

Figuur 8.2 Aandeel statushouders dat bijstand ontvangt in Amsterdam naar geslacht en leeftijd (procenten, zelfstandig in gemeente verblijvend, leeftijd 18-66, peildatum 1 juli 2024)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

Ruim 1 op de 10 statushouders met een bijstandsuitkering heeft ook betaald werk Een klein deel van de statushouders met een bijstandsuitkering heeft ook betaald werk. Op 1 juli 2024 was 11 procent van de statushouders met een bijstandsuitkering in loondienst. Dit is iets hoger dan landelijk (9 procent, zie Bijlage III, tabel 96). De G5-steden laten een vergelijkbaar patroon zien als werk in loondienst onder de gehele groep statushouders (hoofdstuk 7): in Eindhoven en Amsterdam hebben statushouders met een bijstandsuitkering vaker werk. Deze groep ontvangt de bijstandsuitkering als aanvulling tot het minimum.

58

9 Voornaamste bron van inkomen

•

Ontwikkelingen in de voornaamste inkomstenbron van statushouders komen overeen met inzichten uit vorige hoofdstukken. Ten opzichte van 2019, heeft een groter aandeel statushouders in 2023 betaald werk als voornaamste bron van inkomen, en juist minder statushouders een (bijstands-)uitkering. Tegelijkertijd is het aandeel statushouders zonder inkomen gestegen. Daaronder vallen ook statushouders verblijvend op een COAlocatie die leefgeld ontvangen;

•

Onder statushouders van 27 tot en met 35 jaar is het aandeel met werk als voornaamste inkomstenbron het hoogst. Dit is het laagst onder statushouders van 45 tot en met 66 jaar;

•

Ruim de helft van de ontheemden uit Oekraïne heeft werk als voornaamste inkomstenbron. Daarna volgt de groep met ‘geen inkomen’. Daaronder vallen ook ontheemden uit Oekraïne die leefgeld ontvangen;

•

Ongeveer 6 op de 10 ontheemden uit Oekraïne van 18 tot en met 45 jaar heeft werk als voornaamste inkomstenbron. Dit aandeel ligt met 4 op de 10 lager onder ontheemden uit Oekraïne van 46 tot en met 66 jaar.

In de voorgaande hoofdstukken is de situatie van statushouders en ontheemden uit Oekraïne besproken op het gebied van onderwijs, werk en bijstand. De regels met betrekking tot werk en inkomen verschillen tussen deze groepen op basis van verblijfsstatus. In dit hoofdstuk worden deze domeinen samengenomen. Er zal worden ingegaan op de voornaamste bron van inkomen van statushouders (9.1) en ontheemden uit Oekraïne (9.2). Het is nog niet mogelijk om op dezelfde wijze naar asielzoekers te kijken. In dit hoofdstuk kijken we naar volwassenen die nog niet de AOW-leeftijd van 67 jaar hebben bereikt. De gegevens zijn tot 1 juli 2023 beschikbaar.

9.1 Voornaamste bron van inkomen statushouders In voorgaande hoofdstukken zagen we dat het aandeel statushouders in Amsterdam met betaald werk in 2023 en 2024 is gestegen ten opzichte van 2019 (hoofdstuk 7). Tegelijkertijd daalt het aandeel statushouders dat bijstand ontvangt (hoofdstuk 8). Ook is het aandeel statushouders dat verblijft op een COA-locatie de laatste jaren gestegen (hoofdstuk 2). Deze ontwikkelingen komen overeen met de verschuivingen in de voornaamste inkomstenbron van statushouders. Steeds meer statushouders met werk als voornaamste inkomstenbron, 30 procent in 2023 Op 1 juli 2023 had iets minder dan de helft van de statushouders in Amsterdam een uitkering of pensioen als belangrijkste bron van inkomen (46 procent, zie figuur 9.1). Dat betreft meestal de bijstandsuitkering. Drie op de tien statushouders heeft werk als voornaamste bron van inkomen en 7 procent is schoolgaand. Bijna één op de vijf heeft geen geregistreerd inkomen. Vermoedelijk ontvangt een deel van deze groep leefgeld omdat zij verblijven op

59

een COA-locatie. Dit leefgeld wordt niet geregistreerd in de databron die wij gebruiken voor dit onderzoek. Statushouders kunnen pas wanneer zij naar een zelfstandige woning in de gemeente verhuizen een bijstandsuitkering aanvragen (COA, z.d.). Het aantal en aandeel statushouders met een uitkering is afgenomen: van 64 procent in 2019 tot 46 procent in 2023 (zie figuur 9.1). Statushouders met een uitkering blijven wel de grootste groep vormen. Het aandeel statushouders met betaald werk als voornaamste inkomstenbron is de afgelopen jaren juist toegenomen. In 2023 had 30 procent werk als belangrijkste inkomstenbron, in 2019 was dit nog 23 procent. Het aandeel statushouders zonder inkomen is tussen 2021 en 2023 relatief sterk toegenomen: van 7 procent in 2021 naar 17 procent in 2023. Dat hangt waarschijnlijk samen met de toename van het aandeel statushouders dat verblijft op een COA-locatie (hoofdstuk 2): statushouders die een bijstandsuitkering zouden aanvragen wanneer zij naar een zelfstandige woning in de gemeente verhuizen, ontvangen leefgeld van het COA, niet geregistreerd in onze databron. Toch kan niet de gehele stijging van het aandeel zonder inkomen hierdoor verklaard worden: onder statushouders die zelfstandig in de gemeente verblijven nam het aandeel zonder inkomen ook toe van 5 procent in 2021 tot 8 procent in 2023 (zie Bijlage III, tabel 105).

Figuur 9.1 Voornaamste bron van inkomen van statushouders in Amsterdam (procenten, leeftijd 1866, 2019-2023, peildatum 1 juli)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

Werk als voornaamste inkomstenbron het hoogst onder 27- tot en met 35-jarigen en het laagst onder 45- tot en met 66-jarigen De voornaamste inkomstenbron hangt samen met de leeftijdsgroep van statushouders (zie figuur 9.2). Jongeren van 18 tot en met 26 jaar zijn van alle leeftijdsgroepen het vaakst schoolgaand (18 procent). Het aandeel met werk als voornaamste inkomstenbron ligt met 29 procent echter ook binnen deze leeftijdsgroep hoger. De 27- tot en met 35-jarigen hebben het vaakst betaald werk (36 procent) en de groep van 46 tot en met 66 jaar het minst vaak (12 procent). In Amsterdam ligt het aandeel werkenden in alle leeftijdsgroepen hoger dan landelijk. Dit verschil is het grootst onder 27- tot en met 45- jarigen.

60

Het aandeel statushouders met een (bijstands)uitkering neemt toe met de leeftijd: het is met 38 procent het laagst onder de 18- tot en met 26-jarigen en het hoogst met 67 procent onder de 46- tot en met 66-jarigen. Onder jongeren is dit aandeel in Amsterdam iets hoger dan landelijk (38 procent tegenover 36 procent), terwijl het in de andere leeftijdsgroepen juist aanzienlijk lager ligt dan het landelijke beeld. Daarnaast komt het ontbreken van een inkomen iets vaker voor onder statushouders van 36 jaar en ouder dan onder de jongere leeftijdsgroepen (19 procent tegenover 15 à 16 procent). Met name onder de jongste leeftijdsgroep is een noemenswaardig deel schoolgaand. Figuur 9.2 Voornaamste bron van inkomen van statushouders in Amsterdam naar leeftijdsgroep (procenten, leeftijd 18-66, peildatum 1 juli 2023)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

Statushouders kunnen naast hun voornaamste inkomstenbron nog andere inkomstenbronnen hebben. Zo heeft 11 procent van de statushouders met een bijstandsuitkering ook een baan als werknemer (zie hoofdstuk 8). Van degenen die onderwijs volgen heeft meer dan de helft (55 procent) betaald werk (zie Bijlage III, tabel 108). Landelijk betreft dit een vergelijkbaar aandeel.

9.2 Voornaamste bron van inkomen ontheemden uit Oekraïne Net als statushouders ontvangen ontheemden uit Oekraïne leef- en eetgeld als zij geen betaald werk hebben. De hoogte hiervan hangt onder andere af van hun huishoudsamenstelling. Ontheemden uit Oekraïne komen niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering. Verder zagen we eerder dat het aandeel ontheemden uit Oekraïne met betaald werk in Amsterdam sterk steeg in 2022 en stabiliseerde in 2023 (hoofdstuk 7). In vergelijking met statushouders hebben ontheemden uit Oekraïne vaker betaald werk. Ook zagen we dat ontheemden uit Oekraïne tussen de 18 en 35 jaar op 1 juli 2024 minder vaak onderwijs volgden dan statushouders uit dezelfde leeftijdscategorie in Amsterdam. Het meest-gevolgde onderwijs verschilt ook tussen de groepen: mbo onder statushouders en hbo of wo onder ontheemden uit Oekraïne. Deze ontwikkelingen komen overeen met de

61

verschuivingen in de voornaamste inkomstenbron van ontheemden uit Oekraïne en verschillen met het beeld dat hierboven over statushouders is geschetst. 55 procent van de ontheemden uit Oekraïne heeft werk als voornaamste inkomstenbron in 2023 Op 1 oktober 2023 had het merendeel van de ontheemden uit Oekraïne van 18 tot en met 66 jaar werk als voornaamste bron van inkomen (55 procent, zie figuur 9.3). Een zeer klein deel is schoolgaand of ontvangt een uitkering of pensioen: respectievelijk 2 procent en 1 procent. De overige 42 procent had geen eigen bron van inkomen. Onder deze groep vallen ook ontheemden uit Oekraïne die leefgeld ontvangen: dat wordt niet als eigen bron van inkomen geregistreerd in onze data. Het aandeel ontheemden uit Oekraïne met werk als voornaamste bron van inkomen nam toe in 2022, van 16 procent in april tot 53 procent aan het eind van het jaar. In 2023 bleef de voornaamste bron van inkomen voor ontheemden uit Oekraïne stabiel. Figuur 9.3 Voornaamste bron van inkomen van ontheemden uit Oekraïne in Amsterdam (procenten, leeftijd 18-66, april 2022-oktober 2023)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

In Amsterdam heeft 1 op de 3 ontheemden uit Oekraïne van 18 tot en met 66 jaar, die onderwijs volgen, ook betaald werk. Dit is vergelijkbaar met de andere G5-steden, maar lager dan landelijk (1 op de 2, zie Bijlage III, tabel 112). Meerderheid 18- tot en met 45-jarigen heeft werk als voornaamste inkomstenbron, lager onder 45- tot en met 66-jarigen De voornaamste inkomstenbron verschilt ook onder ontheemden uit Oekraïne per leeftijdscategorie (zie figuur 9.4). Onder jongeren van 18 tot en met 26 jaar is 6 procent schoolgaand. In andere leeftijdsgroepen komt dit nagenoeg niet voor (zie ook hoofdstuk 6). Ongeveer 6 op de 10 ontheemden uit Oekraïne van 18 tot en met 45 jaar heeft werk als voornaamste inkomstenbron. Dit aandeel ligt lager voor 46- tot en met 66-jarigen: in deze 62

leeftijdsgroep heeft 4 op de 10 werk als voornaamste inkomstenbron. Een merendeel van deze groep heeft geen eigen bron van inkomen (59 procent). Het leefgeld dat via de RTB wordt verstrekt wordt hier niet in meegenomen. Daarnaast geldt voor alle leeftijdsgroepen dat het aandeel ontheemden met betaald werk in Amsterdam lager is dan landelijk, waarbij het verschil het grootst is onder de 46- tot en met 66-jarigen. Figuur 9.4 Voornaamste bron van inkomen van ontheemden uit Oekraïne in Amsterdam naar leeftijdsgroep (procenten, leeftijd 18-66, peildatum 1 juli 2023)

bron: CBS-microdata: asielcohort / bewerking O&S

63

Bijlage I: Literatuur en bronnen Inleiding Europese Raad (2025). EU-lidstaten verlengen tijdelijke bescherming voor vluchtelingen uit Oekraïne. https://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2025/06/13/eumember-states-agree-to-extend-temporary-protection-for-refugees-from-ukraine Gemeente Amsterdam (2024). Amsterdamse inzet voor vluchtelingen en ongedocumenteerden. https://openresearch.amsterdam/nl/page/112094/amsterdamse-inzet-voorvluchtelingen-en-ongedocumenteerden Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) (2025). Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne. https://ind.nl/nl/oekraine/richtlijn-tijdelijke-bescherming-oekraine Onderzoek en Statistiek (2025). De O&S hokjesgids. https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/os-hokjesgids

1 Ontwikkelingen in Nederland CBS Statline. (2025, April). Alleenstaande minderjarige vreemdeling; nationaliteit, geslacht en leeftijd. https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82045NED/table?dl=C991F CBS Statline. (2025, Juli). Verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd; verblijfsgrond en nationaliteit. https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82027NED/table?dl=C8709 CBS Statline. (2025, September). Asielverzoeken en nareizigers; nationaliteit, geslacht en leeftijd. https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/83102NED/table?dl=C991D

2 Ontwikkelingen in Amsterdam Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). (2018, 29 maart). Opvangcapaciteit asielzoekers voor eind 2018 naar 27.000 plaatsen. www.coa.nl. https://www.coa.nl/nl/nieuws/opvangcapaciteit-asielzoekers-voor-eind-2018-naar27000-plaatsen Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). (2025a). Asielprocedures in Nederland. https://ind.nl/nl/asielprocedures-in-nederland#verlengde-asielprocedure-vaIND. (2025b, 13 oktober). Asiel en nareis: laatste ontwikkelingen. https://ind.nl/nl/asiel-ennareis-laatste-ontwikkelingen IND. (2025c, oktober 30). Jaarcijfers en tertaalcijfers. https://ind.nl/nl/over-ons/cijfers-enpublicaties/jaarcijfers-en-tertaalcijfers

64

Onderzoek en Statistiek. (2022). Vluchtelingenmonitor 2022. https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/vluchtelingenmonitor-2022 Vluchtelingenwerk. (2025). ‘Het lange wachten maakt al mijn dromen kapot’. https://www.vluchtelingenwerk.nl/nl/artikelen/nieuws/onderzoek-naar-langewachttijden-asielperiode-het-maakt-al-mijn-dromen-kapot

4 Zorggebruik en jeugdhulp CBS. (2025). Documentatie Asielcohort 201401-202410. Opgehaald van https://www.cbs.nl/-/media/cbs-opmaat/microdatabestanden/documents/2025/18/asielcohort.pdf COA. (z.d.) Vergoeding van medische zorg. Geraadpleegd op [14-10-2025] https://www.coa.nl/nl/vergoeding-van-medische-zorg Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (2023). Kamerbrief over zorgprestatiemodel. Opgehaald van https://open.overheid.nl/documenten/ronlaefe2910207038b35292a6d69434bc7f8f7e0289/pdf Rijksoverheid. (z.d.). Hoe is de gezondheidszorg van asielzoekers geregeld? Geraadpleegd op [14-10-2025] https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/asielbeleid/vraag-enantwoord/gezondheidszorg-asielzoekers RMA Healthcare. (z.d.). Medische zorg voor asielzoekers. Geraadpleegd op [14-102025] https://www.rmasielzoekers.nl/ RMO (z.d.). Over RMO: Regeling Medische zorg Oekraïne. Geraadpleegd op [14-10-2025] https://www.rmoekraine.nl/zorgverleners/over-rmo

5 Inburgering CBS. (2025). Documentatie Asielcohort 201401-202410. Opgehaald van https://www.cbs.nl//media/cbs-op-maat/microdatabestanden/documents/2025/18/asielcohort.pdf COA. (2021). COA en gemeenten werken samen in nieuw inburgeringsstelsel. Geraadpleegd op [16-10-2025] https://www.coa.nl/nl/nieuws/coa-en-gemeenten-werken-samennieuw-inburgeringsstelsel-0 DUO. (2025). PVT- termijn en handhaving. Geraadpleegd op [16-10-2025] https://duo.nl/zakelijk/inburgering-ketenpartners/participatieverklaring/pvt-termijnen-handhaving.jsp Overheid.nl (2022). Voortgangscijfers Inburgering. Geraadpleegd op [31-10-2025] https://data.overheid.nl/dataset/voortgangscijfers-inburgering#documentation

65

Overheid.nl (2024). Beleidsregel verlenging inburgeringstermijnen bij geen verwijt. Geraadpleegd op [31-10-2025] https://wetten.overheid.nl/BWBR0041898/2021-0421 Rijksoverheid. (z.d.-a). Wet inburgering 2021. Geraadpleegd op [16-10-2025] https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/inburgeren-in-nederland/nieuwe-wetinburgering Stimulansz. (2025). Wet inburgering 2021: alles wat je moet weten. Geraadpleegd op [1610-2025] https://www.stimulansz.nl/nieuwe-wet-inburgering-2021/ VluchtelingenWerk. (z.d.). Themadossier Wet inburgering 2021 en uitvoering gemeenten. Geraadpleegd op [16-10-2025] https://www.vluchtelingenwerk.nl/nl/wat-wijdoen/voor-gemeenten/themadossier-wet-inburgering-2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16456814/1