CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Startnotitie integraal gebiedsprogramma Laag Holland.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 8 september 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Startnotitie integraal gebiedsprogramma Laag Holland (ZD2021-008704)3.839 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

STARTNOTITIE INTEGRAAL GEBIEDSPROGRAMMA LAAG HOLLAND INLEIDING GS hebben op 19 november 2019 besloten: “1. Een integraal gebiedsprogramma voor Laag Holland te ontwikkelen, waarin onder provinciale regie en in samenwerking met alle relevante partners wordt gewerkt aan de opgaven voor natuur, landbouw, water, bodemdaling, klimaat, recreatie en landschap. 2. Dit gebiedsprogramma aan te sturen door een nieuw in te stellen regiegroep Laag Holland onder voorzitterschap van de provincie.” Het optuigen van dit gebiedsprogramma, de nieuwe governance structuur en het feit dat veel partners bij dit proces zijn betrokken, vergt een inzichtelijke startnotitie. Achtereenvolgens wordt in deze startnotitie gegaan op: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

de governance het programma de scope de bouwstenen de programmering het proces de financiering betrekken en besluitvorming

1. DE GOVERNANCE Het optuigen van een integraal gebiedsprogramma voor Laag Holland vergt nogal wat, vanwege drie kenmerken. Een eerste kenmerk is de omvang van de opgaven van Laag Holland. De realisatie van het NNN en de Natura 2000-doelen (incl. het uitvoeren van herstelmaatregelen en de terugdringing van de stikstofbelasting), de verduurzaming van de landbouw, het verbeteren van de waterkwaliteit en de aanpak van de bodemdaling zijn stuk voor stuk grote opgaven, die in onderlinge samenhang moeten worden opgelost. Een tweede kenmerk is de dynamiek van dit programma. Hoewel er nog geen uitgeschreven gebiedsprogramma is, vindt al volop uitvoering plaats in diverse deelgebieden. Dat hangt samen met de urgenties van de opgaven. Een derde kenmerk is het grote aantal partners, dat bij het opstellen en uitvoeren van het programma betrokken is uit oogpunt van verantwoordelijkheden, grondeigendommen en participatie. Daarbij geldt dat wat lokaal kan, ook lokaal wordt georganiseerd in de verschillende deelgebieden, conform het advies-Veerman. Het optuigen van het gebiedsprogramma vergt samenwerking en sturing. De regiegroep Laag Holland1 is ingesteld om alle dynamiek binnen de regio Laag Holland te kanaliseren en regie te voeren over het totaal aan programma, projecten en processen.

De kerntaak van de Leden van de regiegroep zijn: Provincie Noord-Holland (voorzitter), gemeenten Amsterdam, Zaanstad, Alkmaar, Purmerend, Edam-Volendam, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, LTO-Noord, agrarische natuurvereniging Water, Land & Dijken, Landschap Noord-Holland, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Natuur en Milieufederatie NoordHolland 1

1

regiegroep Laag Holland kan worden samengevat met de drie woorden: coördineren, regisseren en afstemmen. Doel van de regiegroep is dat elke partner -met behoud van de eigen verantwoordelijkheidtracht om zoveel mogelijk synergie uit de samenwerking te halen en elkaar zo min mogelijk voor verrassingen te plaatsen, en via samenwerking de genoemde opgaven te realiseren. De regiegroep stuurt op het tot stand komen van het programma en de uitvoering ervan, maar is geen autonome bestuurslaag. Belangrijke stappen in het vaststellen en in de uitvoering van het programma vergen daarom besluitvorming van de individuele bevoegde gezagen en de besturen van de landbouw- en natuurorganisaties. 2. DE SCOPE VAN HET PROGRAMMA De geografische grens van het programma is Laag Holland. De zuidgrens is het Noordzeekanaal. De oostgrens wordt gevormd door de Markermeerdijk, incl. Marken en enkele buitendijkse natuurterreinen. De noordgrens is de Westfriese Omringdijk. In het westen is het nog even pragmatisch, afhankelijk van veen- en waterkaarten. De grens ligt ongeveer ter hoogte van de A9. De groenblauwe opgaven (natuur, landbouw, water, bodemdaling, klimaat, landschap, incl. de bijbehorende recreatieve en toeristische opgaven) vormen de inhoudelijke begrenzing van het programma. Het programma pakt geen (binnen)stedelijke opgaven op.

Het programma kent dus geen opgaven en projecten gericht op woningbouw, industrie, binnenstedelijk water, binnenstedelijk groen, binnenstedelijke bodemdaling en mobiliteit. Die onderwerpen bevinden zich in andere programma’s en projecten. Uiteraard worden -voor zover relevant- wel relaties gelegd en contacten onderhouden met die andere programma’s en projecten. 3. HET PROGRAMMA 1.

Voor het integrale gebiedsprogramma Laag Holland zijn de ambities zoals vastgesteld in de Omgevingsvisie NH2050 leidend. De Omgevingsvisie streeft naar een balans tussen economische groei en leefbaarheid: Bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving dienen de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind te blijven. Dit zijn onder andere: 

een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland. We ontwikkelen en richten stad, land en infrastructuur klimaatbestendig en waterrobuust in.

het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Dit betreft bodem, water, lucht, omgevingsveiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond.

Vergroting van de biodiversiteit in Noord-Holland, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt. Zoals een gezonde leefomgeving, economisch duurzame landbouw, bodem- en waterkwaliteit, aantrekkelijke verstedelijking en klimaatadaptatie.

In de Omgevingsvisie NH2050 zijn deze (en andere ambities) nader uitgewerkt. Het programma Laag Holland wordt opgebouwd binnen deze context. 2.

Het programma zet een aantal stippen op de horizon, waar naar toe wordt gewerkt met concrete activiteiten. Tot de stippen op de horizon behoren doelen/opgaven, 2

zoals o.a. het verhogen van de biodiversiteit, schoon oppervlaktewater en een duurzame landbouw. Enkele van die doelen zijn concreet of gaan op korte termijn concreet worden geformuleerd: a. De realisatie van het NNN en de natuurverbindingen in 2027, met een concreet aantal nog te realiseren hectares in Laag Holland; b. De realisatie van een reductie van de uitstoot aan broeikasgassen van 1,0 Mton CO2-eq./jaar in veengebieden door een vermindering van de bodemdaling in 2030 t.o.v. de referentieperiode 1990. Een deel hiervan dient te worden gerealiseerd in Laag Holland. c. De realisatie van de KRW-doelen van waterlichamen in Laag Holland in 2027. d. De realisatie van de Natura-2000 doelen (op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn), en daarmee samenhangend de doelen van de gebiedsgerichte aanpak stikstof. Laag Holland kent vijf Natura 2000 gebieden, waarvan vier met zo’n stikstofgevoelig habitat. Van deze vier start het tweede Natura-2000 beheerplan in 2023, met een looptijd van zes jaar (2029). Dit zijn vier doelen met wettelijke verplichtingen met eindtermijnen in de jaren 20272030. Voorstel is om het programma een looptijd te geven tot 2030. Daarmee heeft het een scope waarbinnen alle wettelijke doelen dienen te zijn gerealiseerd. 3.

Voorts zijn er doelen zonder wettelijke verplichtingen, maar die wel degelijk ook een urgentie hebben of randvoorwaardelijk van groot belang zijn voor Laag Holland en de Metropoolregio Amsterdam (bijv. voor het vestigingsklimaat van bedrijven, de beleving en het beheer van het landschap voor inwoners, recreanten en toeristen, het economisch verdienmodel van het landelijk gebied, natuurinclusieve landbouw enz.). Daarom dienen ook zo concreet mogelijke doelen voor landbouw, recreatie en landschap te worden geformuleerd voor 2030 met concrete activiteiten om die doelen te realiseren.

4.

De realisatie van de doelen geschiedt in de deelgebieden zelf. Dé natuur, hét landschap en dé boer bestaan niet. Per deelgebied wordt samen met de partijen uit dat gebied vorm en inhoud aan de doelen gegeven, in de vorm van maatwerk. Het integrale gebiedsprogramma dient die processen in de deelgebieden te faciliteren, door het benoemen van de acties, het afgeven van het commitment en het regelen van financiering en personele inzet.

5.

Het integrale gebiedsprogramma is geen blauwdruk. Dit kan ook niet, gelet op de vele actuele ontwikkelingen in het landelijk gebied. Het programma is een dynamisch product. De start van het opstellen van het programma is gepland medio zomer 2020. Voor het opstellen van het integraal gebiedsprogramma gaat een extern bureau worden ingehuurd. Vanwege de dynamiek en de urgenties van de opgaven wordt gewerkt aan een kort en krachtig programma, dat binnen één jaar gereed is. Bijsturing is nadien mogelijk via de jaarlijkse voortgangsrapportages. De projecten in de deelgebieden lopen gedurende de opbouw van het programma gewoon door. In schema: maart 2020 zomer 2020

Startfase Vaststellen startnotitie Start opstellen van integraal gebiedsprogramma 3

zomer 2021 eind 2021 2022 2030

Oplevering integraal gebiedsprogramma Commitment op het gebiedsprogramma door de besturen van de individuele partners Start uitvoering integrale gebiedsprogramma 1e jaarlijkse voortgangsrapportage Einde programma

4. DE BOUWSTENEN Om tot een goede opdrachtformulering te komen voor het programma, zijn een aantal bouwstenen voor het programma geformuleerd. Die bouwstenen helpen:  om samen met de partners de breedte van het programma te bepalen en dit op te nemen in de opdrachtformulering aan het extern bureau;  om alle inhoudelijke discussies uit de periode van de gebiedscommissie niet over te gaan doen. We staan immers niet op het nulpunt. Over een aantal onderwerpen bestaat consensus;  om de discussie over de samenwerking te kunnen voeren. De bouwstenen bepalen wie met wie en op welke onderwerpen de samenwerking dienen aan te gaan. In 20 bouwstenen is aangegeven wat in het programma een plek dient te krijgen. Natuur (incl. stikstofopgave) 1.

De natuuropgave in het programma heeft betrekking op de realisatie van het NNN en de Natura 2000-doelen. Het programma bevat vervolgstappen op de perspectief ‘Amsterdam Wetlands’, bedoeld om de biodiversiteit in de ‘historische veengebieden’ en de ‘groeiende veengebieden’ te versterken.

2.

De natuuropgave in het programma richt zich ook op het agrarisch areaal. Doel is om de biodiversiteit in de landbouwgebieden te versterken, waaronder het weidevogelhabitat. Dit kan door vernatting of andere innovaties. Gestreefd wordt naar een meer natuurinclusieve landbouw.

3.

De stikstofopgave bestaat uit een korte en lange termijn doel. Op de korte termijn komt er een concreet pakket aan bronmaatregelen per stikstofgevoelig Natura 2000gebied, dat zorgt voor depositieruimte om de actuele behoefte aan ontwikkelruimte voor o.a. woningbouw te verkrijgen en een concreet pakket aan aanvullende herstelmaatregelen voor de gebieden. Voor de lange termijn is er een concreet pakket aan bron- en herstelmaatregelen nodig om een significante depositiedaling te bewerkstelligen en de natuur robuust te maken. Landbouw

4.

De landbouw staat voor meerdere uitdagingen. Actueel is de stikstofopgave, die ook van de landbouwsector brongerichte maatregelen vraagt om een significante depositiedaling te bewerkstelligen. Op economisch vlak dient de sector een lange termijnperspectief te blijven behouden, door een duurzaam aanbod van producten en een consumentenprijs/ waardering die daarop is gebaseerd. Bedrijven die opereren in een specifieker deelsegment van de markt zijn daar beter toe in staat. Voedsel Verbindt richt zich op veranderingen in het voedselsysteem, dat boer en burger dichter bij elkaar moet brengen. Bevordering van biologische landbouw,

4

kringlooplandbouw, zorg- en deeltijdlandbouw zijn belangrijk, naast blijvende innovaties in de agrarische bedrijfsvoering. 5.

Ten aanzien van die innovaties zijn er grenzen aan hetgeen uit overheidsmiddelen financierbaar is (staatssteun). Voor de ontwikkeling van (marketingconcepten voor) korte ketens en regionale producten en het creëren van een afzetmarkt voor toepassingen van natte teelten dient primair te worden geput uit particulier verkregen innovatiemiddelen.

6.

De behoefte aan kavelruil zal toenemen. Kavelruil heeft ten doel om agrarische bedrijven die zich primair willen toeleggen op natuur of landbouw op de juiste plaats ontwikkelruimte te bieden. Ook de schaalvergroting in de landbouw vergt kavelruilen om tot aaneengesloten bedrijvigheid te komen (efficiency, minder vervoersbewegingen, bijdrage klimaatdoelen). Het programma dient zich uit te spreken of de huidige inzet en instrumenten voor kavelruil toereikend zijn.

7.

Recreatie en toerisme kunnen een aanvullende inkomstenbron zijn voor een agrarisch bedrijf en passen goed in de recreatieve/toeristische doelen van de Metropoolregio Amsterdam. Kleinschalige overnachtingsmogelijkheden en infrastructuur op agrarische bouwblokken (hooiberghutten, camperplaatsen enz.) behoort naar eigentijdse maatstaven ruimte te verkrijgen in gemeentelijke bestemmingsplannen.

8.

Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid is een belangrijke subsidiestroom/ financieringsmiddel voor de genoemde opgaven. Het op te stellen Nationaal Strategisch Plan (NSP-GLB) voor de invulling van het GLB 2021-2027 is met één jaar en wordt mogelijk met twee jaar uitgesteld. Dit uitstel biedt ons gelegenheid om te verkennen of een carboncredit-systeem voor de veenweiden en ecosysteemdiensten ter bevordering van de biodiversiteit in het GLB kunnen worden geïncorporeerd. Water, bodemdaling en klimaat

9.

Het feitenrelaas van HHNK levert input over het watersysteem en de zakkingen in het veenweidegebied. De gegevens en conclusies uit het nog te verschijnen rapport krijgen een plek in het gebiedsprogramma.

10.

In het gebiedsprogramma worden maatregelen opgenomen om de bodemdaling te stoppen, af te remmen of zo mogelijk de veenvorming weer in gang te zetten. Hierbij wordt onder meer geput uit een rapport met de tussenresultaten van het Innovatie Programma Veen, dat in 2020 wordt opgeleverd.

11.

De bodemdalingsopgave is urgent, maar niet acuut (advies Veerman). De gebieden Burkmeer, Blijkmeer en Polder Westzaan hebben onze aandacht. De uitvoering van maatregelen in de Burkmeer is onderdeel van het project VP – Laag Holland. De aanpak van de bodemdaling in de Blijkmeer is onderdeel van het gebiedsproces Waterland-Oost. De bodemdaling in Polder Westzaan is ongelijkmatig, vanwege het grote aantal onderbemalingen. In deze polder met de functies stad, natuur en landbouw komen vele vraagstukken samen (verbrakking, stikstofproblematiek, natuurrealisatie, klimaatadaptatie), die vragen om een versnelling van het lopende gebiedsproces. De kennis die we opdoen in de aandachtsgebieden kunnen we weer toepassen in de andere voor bodemdaling kwetsbare veengebieden in Laag Holland.

12.

De klimaatopgave voor de veenweiden staat in het klimaatakkoord. Het betreft een reductie van de uitstoot aan broeikasgassen van 1,0 Mton CO2-eq./jaar in veengebieden door een vermindering van de bodemdaling in 2030 t.o.v. de referentieperiode 1990. Een deel hiervan dient te worden gerealiseerd in Laag 5

Holland. De huidige onderzoeksfase van maatregelen wordt afgerond medio 2022. Daarna vindt ‘de grote uitrol’ van maatregelen plaats om de tussendoelen in 2030 te kunnen bereiken. Dit als onderdeel van het Veenplan (uitvoering van de motie van de Tweede Kamerleden Kröger en Schonis) en het Noord-Hollandse voorstel voor de besteding van de impulsgelden van het Ministerie van LNV. Landschap 13.

Bewoners, bedrijven en consumenten genieten en profiteren van het landschap (vestigingsklimaat, gezondheidsbevordering, recreatie enz.). Zij zouden financieel meer aan het landschap kunnen bijdragen vanwege deze lusten. Dit vergt primair particulier initiatief.

14.

De verduurzaming van de energievoorziening (Regionale Energie Strategie – RES) vergt onder meer investeringen in zon- en windenergie. De locatiekeuzes hebben een forse impact op het landschap en de andere functies in het landelijk gebied.

15.

Laag Holland koestert haar kernkwaliteiten2, ook al zullen deze niet overal en altijd behouden kunnen worden. Er dient een nieuwe balans te worden gevonden tussen de veranderopgaven en de huidige kwaliteiten van het landschap. Specifieke aandacht vergen de UNESCO-waarden van de Stelling van Amsterdam en de Beemster. Aansluiting wordt gezocht bij het beschermingsregime van het Bijzonder Provinciaal Landschap, dit is het nieuwe beschermingsregime voor landschappelijk waardevol gebied. Recreatie en toerisme

16.

Het landschap van Laag Holland wordt door inwoners en recreanten uit de Metropoolregio zeer gewaardeerd. Laag Holland zal meer toeristen gaan ontvangen (als overloop van de stad). Om de verdere ontwikkeling en stimulering van het kleinschalige aanbod om recreanten en toeristen te kunnen blijven bedienen, zijn investeringen nodig en een betere promotie en benutting van bestaande voorzieningen (bijvoorbeeld rustpunten, sloepenvaart). Uit de provinciale Visie Recreatie en Toerisme, die in 2021 in uitvoering gaat, kunnen acties voortvloeien voor de verschillende deelgebieden in Laag Holland. Naast recreatief medegebruik gaat het bij recreatie om toegankelijkheid en bereikbaarheid van zowel het landschap als de recreatiegebieden. De recreatieschappen spelen hierbij een belangrijke rol.

17.

Promotie dient om Laag Holland als aantrekkelijk landschap voor inwoner, recreant en toerist goed op de kaart te zetten. Het faciliteert de ondernemers in deze marktsegmenten en de verdere ontwikkeling van nieuw aanbod en afzet in Laag Holland. De promotie moet aansluiting houden bij de beleidsopgaven (spreiding toeristen, andere typen landbouw, tegengaan bodemdaling, biodiversiteit, natuurwaarden).

Tot de kernkwaliteiten van Laag Holland behoren: Het behoud en ontwikkeling van de openheid van het landschap, de rijkdom aan weide- en moerasvogels, het oude geometrische inrichtingspatroon in de droogmakerijen, de veenpakketten, de middeleeuwse strokenverkaveling en de historische watergangen in het veenweidegebied, een groot aantal archeologische locaties en de karakteristieke dijk- en lintdorpen. 2

6

Betrekken 18.

De uitvoering van het programma is niet alleen inhoud, maar vooral veel proces en betrokkenheid. Boerderijeducatie is één vorm van betrokkenheid, maar bedient in de huidige vorm niet alle opgaven en uitsluitend basisschoolleerlingen. Die smalle focus is ook aanwezig bij andere educatie-activiteiten, zoals bijvoorbeeld IVN- en NMEeducatie. Daarom is het wenselijk om de wijze van betrekken bij de uitvoering van het programma opnieuw te beschouwen.

19.

Uiteraard is betrekken ook nodig om tot een goed opgetuigd en gewaardeerd programma te kunnen komen. Zie PROCES. Ruimtelijke Ordening

20.

In het rapport ‘Ruimtelijke Perspectieven van Laag Holland’ zijn een aantal scenario’s beschreven die een doorwerking hebben op de ruimtelijke inrichting van Laag Holland. Deze dienen een plek te krijgen in het programma.

5. DE PROGRAMMERING 1.

Opgaven dienen zo SMART mogelijk te worden geformuleerd en te worden gemonitord op inspanning en effectiviteit. Daarmee valt in 2030 aan te geven of de doelen zijn bereikt, maar vooral ook in welke snelheid jaarlijks vooruitgang moet worden geboekt om de einddoelen daadwerkelijk te kunnen bereiken.

2.

Door het benoemen van deze jaarlijkse voortgangsdoelen houdt het programma ‘stoom op de uitvoering’ en is bijsturing door de stuurgroep mogelijk.

3.

Doelen worden niet vanzelf bereikt. Met een doelenboom kan inzichtelijk worden gemaakt hoe de opgaven (strategische doelen) te formuleren naar operationele doelen en vervolgens naar tactische doelen (activiteiten). De activiteiten die het meest bijdragen aan de doelen worden actief door het programmateam aangejaagd. Dit gaat om circa 10 tot 20 activiteiten. Er wordt dus niet een doelenboom gemaakt die uitwaaiert tot 100 activiteiten, want dan zit er geen focus meer op de uitvoering. Het gaat dus ook in de uitvoering om keuzes te maken wat we wel en niet gaan doen om de opgaven te realiseren.

4.

De werkwijze van het project Vitaal Platteland - Laag Holland spreekt aan, als programmering voor de uitvoering van het programma. We gaan aan de slag waar de energie zit. In jaarlijkse tranches van circa € 20 miljoen wordt stap voor stap naar het bereiken van de doelen in 2030 toegewerkt. Dit is de intentie. Mocht het tempo volgens deze methode -daar waar de energie zit- niet toereikend zijn om de tussentijds gestelde doelen te realiseren, dan komen ook andere methoden in beeld.

6. HET PROCES 1.

Deze startnotitie markeert de start en de samenwerking van de partners in het programma.

2.

Een extern bureau krijgt van de provincie de opdracht om het programma te schrijven en de inbreng van de partners en het veld vorm te geven. De selectie van het extern bureau vindt plaats conform de provinciale aanbestedingsregels (raamcontract).

3.

Het conceptprogramma wordt aan de besturen van de partners aangeboden ter besluitvorming. Het bevat tevens conceptafspraken over de uitvoering (instrumentarium, financiën, inzet menskracht) ervan. 7

4.

Daarna gaat het programma integraal de uitvoering in.

5.

Zoals aangegeven, is het programma dynamisch. Een aantal projecten is of wordt nu al opgestart:

6.

Tot het programma behoren de inventarisaties om te komen tot realisatie van het NNN in de deelgebieden Wormer & Jisperveld, Eilandspolder-West en polder Mijzen. Eind 2020 worden de resultaten teruggekoppeld naar de stuurgroep en kunnen vanuit de regiegroep vervolgstappen gaan worden gezet. Tot de vervolgstappen behoort een verbreding naar integrale gebiedsprocessen.

7.

Tot het programma behoort het project Vitaal Platteland - Laag Holland, dat in 2020 over gaat in de uitvoeringsfase. Het betreft projecten in de deelgebieden WaterlandOost, Burkmeer, Landelijk Noord, Wormer & Jisperveld, Ilperveld en het Alkmaarderen Uitgeestermeer. Voorts is er een deelgebied-overstijgende aanpak ten aanzien van water en recreatie. De stuurgroep initieert de uitvoering in de deelgebieden, komt in actie bij deelgebied-overstijgende acties, dan wel als partners in de deelgebieden assistentie en/of afstemming vragen.

8.

Tot het programma behoort het -inmiddels integrale- gebiedsproces in polder Westzaan. Het zwaartepunt ligt in 2020 bij een gebiedsproces met de zes agrarische bedrijven in de polder op de dossiers verbrakking en bodemdaling.

9.

Het stikstofdossier vergt in verband met woningbouw een snelle oplossing en versnelling van het gebiedsproces. Het stikstofdossier zal gebiedsprocessen gaan vergen om de stikstofuitstoot verder terug te dringen volgens het tijdsschema zoals aangegeven in het Plan van Aanpak voor de gebiedsgerichte aanpak stikstof. De regiegroep krijgt een rol in deze gebiedsprocessen voor de vier Natura 2000 gebieden met stikstofgevoelig habitat in Laag Holland. Dit zijn: 1. Polder Westzaan 2. Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder; 3. Eilandspolder 4. Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske.

10.

De regiegroep krijgt bij voorkeur ook een rol in de realisatie van het NNN in de niet bij 6 genoemde deelgebieden. Tot het programma is opgetuigd, zal de initiatieffase van grote NNN-clusters worden opgepakt door en onder verantwoordelijkheid van de provincie (regiebureau NNN en stikstofteam). Bij overgang naar de uitvoeringsfase wordt aan de regiegroep gevraagd om deze clusters onderdeel te laten worden van het integrale gebiedsprogramma Laag Holland. Eventuele herbegrenzingen, die voorafgaan aan de realisatiefase, zijn een expliciete provinciale verantwoordelijkheid.

11.

Enkele gemeenten overwegen om een toekomstagenda voor specifieke deelgebieden op te stellen en willen dit afstemmen met het op te tuigen gebiedsprogramma Laag Holland. Hier wordt door de provincie en de regiegroep Laag Holland uiteraard medewerking aan verleend en afstemming in gezocht om zoveel mogelijk elkaars synergie en participatie van inwoners en agrarische bedrijven te kunnen benutten. Belangrijk is het om daarbij ook aansluiting en afstemming op de Omgevingsvisie en plannen van de gemeenten te houden.

8

7. DE FINANCIERING 1.

Om de opgaven in het programma te kunnen realiseren is naar verwachting tot 2030 een bedrag in de ordegrootte van € 200 miljoen benodigd uit bestaande en nieuwe budgetten (€ 20 miljoen per jaar). Ter vergelijking: Voor de uitvoering het programma Oostelijke Vechtplassen is € 77 miljoen gereserveerd. Dit programma richt zich hoofdzakelijk op de realisatie van natuur-, water- en recreatiedoelen in een aanmerkelijk kleiner gebied dan Laag Holland. Een benodigd bedrag van € 200 miljoen voor Laag Holland is in vergelijking daarmee een redelijke prognose.

2.

Dit bedrag zal moeten worden verkregen uit bestaande en nieuwe budgetten en uit de nog te maken afspraken met het Rijk in het kader van de vernieuwing van het Natuurpact. Voor de realisatie van de NNN en Natura 2000 beheerplannen kan worden geput uit de Reserve Groen. Tevens beschikt de provincie over geldmiddelen voor de bodemdaling/klimaatopgave en de realisatie van KRW-doelen. Naar verwachting moet met name nog additionele financiering (vanuit het Rijk) worden verkregen voor de opgaven voor bodemdaling/klimaat.

3.

De realisatie van de landbouwdoelen zal mede uit GLB-geldmiddelen worden gefinancierd.

4.

Voorts worden van het Rijk nieuwe geldmiddelen voor de realisatie van de stikstof- en klimaatdoelen verwacht, waarbij nader bezien moet worden of dit voldoende is om de hele opgave te kunnen financieren. Tevens worden in de uitvoering meekoppelingen met budgetten van de partners gevraagd.

5.

Het project Vitaal Platteland - Laag Holland is het eerste uitvoeringsproject van het programma, ter grootte van € 18 miljoen, en is vrijwel geheel financieel gedekt.

8. BETREKKEN EN BESLUITVORMING 1.

Ten behoeve van de participatie van inwoners en agrarische bedrijven in Laag Holland bij het optuigen van het programma wordt door het extern bureau een social event georganiseerd, waarmee input en reacties kunnen worden gegeven op het op te tuigen programma.

2.

Het integrale gebiedsprogramma wordt in conceptvorm voorgelegd aan de regiegroep. Na verwerking van de reacties van de regiegroep wordt het een definitief concept.

3.

De aanbieding van de definitieve conceptversie aan directies en besturen verloopt via de leden van de regiegroep zelf, waarna de reacties van de directies en besturen door het extern bureau worden verwerkt en het integrale gebiedsprogramma in definitieve vorm kan worden uitgebracht.

4.

Waar mogelijk loopt het optuigen van het gebiedsprogramma parallel aan gemeentelijke toekomstvisies voor specifieke deelgebieden. Dit vergroot de synergie en participatie van inwoners en agrarische bedrijven bij het gebiedsprogramma Laag Holland en bij de toekomstvisies voor deelgebieden.

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10469529/1