1. Schuldenmonitor 2022, O&S .pdf
Tekst van het document
Schuldenmonitor Amsterdam 2022 Onderzoek, Informatie en Statistiek
1
Projectnummer: 21349 Auteur: Renske Hoedemaker, Marloes de Hoon, Daan Schmitz, Ranu Sewdas, Laure Michon E-mailadres: r.hoedemaker@amsterdam.nl Bezoekadres: Weesperstraat 113 Telefoon: 020 251 0333 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam onderzoek.amsterdam.nl Amsterdam, december 2022 Foto voorzijde: stapel papier op bureau naast toetsenbord, fotograaf Edwin van Eis (2007)
2
Inhoud
Samenvatting
4
Inleiding
7
1 Ontwikkeling ervaren problematische schulden 2019-2021
9
1.1 Eén op de tien Amsterdammers ervaart problematische schulden 1.2 Aandeel Amsterdammers met ervaren problematische schulden in 2019-2021 stabiel 1.3 Lage inkomens vaker financieel geraakt door Covid-19-pandemie 1.4 Vooruitblik 2022: inflatie en energieprijzen vormen nieuwe risicofactor
9 9 11 14
2 Ervaren problematische schulden – soort schulden en hoogte van de schulden
15
2.1 Betalingsachterstand vaste lasten vaakst voorkomende soort schuld 2.2 Studieschulden vaker ervaren als problematisch in 2021 2.3 Totale omvang ervaren problematische schulden vaak lager dan €5.000 2.4 Hulp bij schulden komt meestal van familie of vrienden
15 16 17 18
3 Achtergrondkenmerken van Amsterdammers met ervaren problematische schulden 21 3.1 Jongeren en ouderen hebben minder vaak problematische schulden dan gemiddeld 21 3.2 Meer problematische schulden onder alleenstaanden en eenouderhuishoudens 22 3.3 Aandeel problematische schulden lager naarmate het opleidingsniveau stijgt 23 3.4 Lagere inkomens vaker problematische schulden 24 3.5 Bijstandsgerechtigden hebben het vaakst te maken met problematische schulden 25 3.6 Veel zelfstandigen financieel geraakt door pandemie, aandeel problematische schulden niet veranderd 27
4 Achtergrondkenmerken van Amsterdammers met schuldhulpverlening
29
4.1 Gemeentelijke registratiedata 29 4.2 Ouderen minder vaak in een schuldhulpverleningstraject dan jongeren 30 4.3 Minder schuldhulpverlening onder hogere opleidingsniveaus 30 4.4 Eenouderhuishoudens vaker in een schuldhulpverleningstraject 31 4.5 Vaker schuldhulpverlening onder lage inkomensgroepen 31 4.6 Meer schuldhulpverlening onder bijstandsgerechtigden 32 4.7 Flexwerkers vaker in een schuldhulpverleningstraject 33 4.8 Schuldhulpverlening komt vaker voor onder Amsterdammers in een kwetsbare positie 33
Bronnen en methode
35
Bijlage I Enquêtevragen over schulden en rondkomen
38
Bijlage II Literatuur
41 3
Samenvatting
De Schuldenmonitor brengt de schuldenproblematiek in Amsterdam in kaart. Een op de tien Amsterdammers geeft aan schulden en/of betalingsachterstanden te hebben die zij als een probleem ervaren. Dit aandeel is de afgelopen drie jaar stabiel, in tegenstelling tot de verwachte stijging als gevolg van de coronapandemie. Op dit moment vormen de inflatie en vooral de sterk gestegen energieprijzen een groot risico op de toename van schulden, vooral onder huishoudens met een laag inkomen. Deze groep rapporteert in 2021 al vaker problematische schulden dan gemiddeld. Hieronder worden de uitkomsten van de Schuldenmonitor verder toegelicht en aangevuld om tot een beknopt beeld te komen van de schuldenproblematiek in Amsterdam. Achterstand betalen vaste lasten vaakst voorkomende soort schuld Met de Regionale Enquête Beroepsbevolking, een stadsbrede enquête die O&S vier keer per jaar verspreidt onder Amsterdammers, brengen we de groep Amsterdammers in beeld die aangeeft problematische schulden te hebben. In 2021 geeft 22% van de respondenten aan dat zij schulden of betalingsachterstanden hebben (zie onderstaande figuur). Ruim de helft van deze groep geeft aan dat zij hun schulden niet als een probleem ervaren of heeft uitsluitend een studieschuld (lichtblauwe, paarse en roze vlakken in de figuur).
Daarmee komen we uit op 10% van de volwassen Amsterdammers die problematische schulden rapporteren (donkerblauwe vlak in de figuur). Van deze groep heeft 43% een achterstand in het betalen van de vaste lasten en dit aandeel neemt de laatste jaren toe.
De meerderheid van de groep met schulden die deze als problematisch ervaart heeft geen hulp; 40% wel. Deze hulp vinden zij in de eerste plaats bij familie en vrienden. In 2021 heeft 11% hulp gehad van de gemeente; dit aandeel is de laatste jaren wel iets toegenomen.
4
Amsterdammers die uitsluitend een studieschuld hebben (lichtblauwe en paarse vlakken in de figuur) zijn in deze rapportage niet gerekend tot de groep met problematische schulden. Toch ervaart ook de helft van deze groep hun schuld wel als een probleem. Het percentage dat van een probleem spreekt is in 2021 iets hoger dan in de twee voorgaande jaren. Laag inkomen belangrijke risicofactor problematische schulden Problematische schulden hangen sterk samen met de hoogte van het inkomen. Over het algemeen geldt dat mensen met een laag inkomen vaker te maken hebben met ervaren problematische schulden dan mensen met een hoog inkomen. Bij bijna de helft van de groep Amsterdammers die aangeeft problematische schulden te hebben is de totale schuld lager dan €5.000. Dit toont aan dat de financiële ruimte van getroffen personen beperkt is. Ook als wordt gekeken naar andere achtergrondkenmerken is de hoogte van het inkomen waarschijnlijk een onderliggende factor. Zo gaat een hoger opleidingsniveau gepaard met het minder vaak vóórkomen van problematische schulden en opleidingsniveau houdt sterk verband met de hoogte van het inkomen. Verder hebben Amsterdammers die leven van een bijstandsuitkering veel vaker dan gemiddeld te maken met problematische schulden (27%). Jongeren en ouderen hebben minder vaak dan gemiddeld schulden die zij als problematisch ervaren.
Dat neemt niet weg dat jongeren kwetsbaar kunnen zijn voor geldproblemen. Landelijk onderzoek laat zien dat jongvolwassenen van 18 tot 35 jaar in 2022 vaker dan andere leeftijdsgroepen moeite hadden met rondkomen (Nibud, 2022). Hoewel Amsterdamse ouderen wel vaker dan gemiddeld in armoede leven (O&S, 2022) hebben veel van hen waarschijnlijk wel een relatief stabiel inkomen, wat het risico op schulden verkleind (CBS, 2022). Veel ondernemers zijn financieel geraakt door de pandemie. Vier op de tien geven eind 2021 aan dat hun omzet is gedaald als gevolg van de coronamaatregelen. Gemiddeld genomen is het aandeel zelfstandigen met problematische schulden in de periode 2019-2021 niet veranderd, maar zelfstandigen die hun omzet tijdens de coronapandemie zagen dalen hebben wel vaker problematische schulden dan ondernemers bij wie dit niet zo was. Meer schuldhulp onder groepen die risico’s lopen op schulden De gemeente Amsterdam zet een breed scala aan middelen in om schulden te voorkomen, klein te houden of te helpen oplossen (zie Gemeente Amsterdam, 2020). Amsterdammers met problematische schulden kunnen terecht bij de schuldhulpverlening. In totaal 11.550 Amsterdammers hadden op enig moment in 2021 een lopend schuldhulpverleningstraject.
Amsterdammers met een laag inkomen, een bijstandsuitkering, personen in (zorg)instellingen, eenoudergezinnen en mensen zonder startkwalificatie (d.w.z. maximaal een mbo-1 diploma) maken relatief vaak gebruik van gemeentelijke schuldhulpverlening. Het gaat om groepen waarvan we op basis van de enquêtegegevens hebben gezien dat zij ook relatief vaak te maken hebben met problematische schulden. Jongeren en werkenden met een flexibel contract maken vaker gebruik van schuldhulpverlening dan je zou verwachten op basis van de mate waarin problematische schulden binnen deze groepen voorkomen. De gemeente heeft veel aandacht voor jongeren met (beginnende) geldproblemen. Daarnaast zijn in 2021 campagnes gevoerd om schuldhulpverlening onder de aandacht te brengen van onder andere flexwerkers en zzp’ers. Deze groepen lijken dus ook relatief goed te worden bereikt. 5
Vooruitblik 2022: inflatie en energieprijzen vormen nieuwe risico’s De Covid-19-pandemie lijkt tot en met 2021 niet gezorgd te hebben voor een toename van de schuldenproblematiek in Nederland of in Amsterdam. Tijdens de pandemie maakte een deel van de Amsterdammers zich zorgen over hun financiële situatie. Van de huishoudens met een laag inkomen gaf in 2021 bijna een derde aan dat de coronamaatregelen veel invloed hadden op hoe goed zij konden rondkomen. Op jaarbasis zien we in de periode 2019-2021 echter geen toename in de schatting van het aandeel Amsterdammers met ervaren problematische schulden en ook het aandeel mensen dat aangeeft moeilijk te kunnen rondkomen is niet veranderd. Dit sluit aan bij de landelijke bevinding dat gemiddeld genomen huishouders er in 2021 niet financieel slechter voor staan dan voor de Covid-19-pandemie (CBS, 2022). Mogelijk ontstaan voor sommige zelfstandigen en flexwerkers en hun huishoudens wel problemen door het wegvallen van coronasteun of het terugbetalen daarvan (SEO, 2022). Ook heeft een deel van de huishoudens tijdens de pandemie ingeteerd op hun spaargeld (Nibud, 2022). Daarnaast lopen veel huishoudens in 2022 en 2023 opnieuw risico op financiële problemen als gevolg van de inflatie en hoge energieprijzen.
Het CPB berekende in juni 2022 dat veel meer Nederlandse huishoudens bij stijgende kosten van het levensonderhoud te maken zullen krijgen met betaalbaarheidsproblemen. Met name huishoudens met een laag inkomen lopen hierbij risico (CPB, 2022). Ook in Amsterdam wordt een stijging verwacht van het aandeel huishoudens dat te maken heeft met energiearmoede (O&S, 2022). In september 2022 kondigde het kabinet een uitgebreid pakket aan maatregelen aan om de koopkrachtdaling tegen te gaan. Daarnaast helpt de gemeente Amsterdammers op verschillende wijzen om energie te besparen en keert tegemoetkomingen uit voor de gestegen kosten, bijvoorbeeld in de vorm van de energietoeslag en de eenmalige verhogingen van het kindtegoed en de toeslag voor mensen die langdurig in armoede leven. Zowel landelijke als gemeentelijke armoederegelingen in acht nemend berekende het Nibud dat de meeste Amsterdamse huishoudens in 2022 maandelijks zouden moeten kunnen rondkomen, (Nibud, september 2022, in concept). Echter, deze conclusie geldt alleen onder een aantal voorwaarden waarvan bekend is dat ze niet voor alle huishoudens gelden, bijvoorbeeld dat men alle regelingen aanvraagt waar het huishouden recht op heeft. Er wordt ook geen rekening gehouden met al bestaande schulden. Ook in 2022 bevindt daarom een deel van de Amsterdamse huishoudens zich in een kwetsbare financiële positie.
6
Inleiding
Deze monitor brengt de schuldenproblematiek in Amsterdam in kaart. We richten ons hierbij voornamelijk op door Amsterdammers zelf gerapporteerde, als problematisch ervaren, schulden. De monitor geeft inzicht in de hoogte en het soort schulden van Amsterdammers, en in de achtergrondkenmerken van personen met ervaren problematische schulden. Daarnaast brengen we in kaart hoeveel en welke Amsterdammers aangeven dat zij moeilijk rondkomen, een risicofactor voor het ontstaan van schulden. De focus ligt op schulden gerapporteerd in 2021; verder bespreken we de ontwikkelingen in de periode 2019-2021. Tot slot rapporteren we in deze monitor over de achtergrondkenmerken van de groep Amsterdammers die schuldhulpverlening ontvangt. Definitie problematische schulden op basis van zelfrapportage en registraties Het soort schulden dat particulieren kunnen aangaan loopt sterk uiteen en niet alle schulden zijn problematisch. Pas als iemand redelijkerwijs niet in staat is om de schuld binnen afzienbare tijd af te lossen spreken we van problematische schulden. Doordat de mogelijkheid om schulden af te lossen en de manier waarop schulden worden bezien van persoon tot persoon verschillen, is er geen eenduidige definitie van het begrip problematische schuld.
In deze monitor hanteren we de volgende definities: Amsterdammers met ervaren problematische schulden geven in een enquête aan dat zij betalingsachterstanden en/of schulden hebben (anders dan een studieschuld), en dat zij deze schulden als een probleem ervaren. Normale hypotheeklasten worden niet gezien als een schuld, achterstanden in het betalen van de hypotheek wel. Amsterdammers met bij de gemeente geregistreerde problematische schulden zijn aangemeld bij Vroeg Erop Af of bij het CAK (regeling wanbetalers zorgverzekeringspremie), of ontvangen gemeentelijke schuldhulpverlening (een curatief traject bij een schuldhulpverlener van de buurtteamorganisatie of een minnelijk schuldsaneringstraject bij de Kredietbank Amsterdam). Niet één bron met alle schulden van huishoudens Er bestaat geen integrale databron met alle schulden van personen in Nederland. Een deel van alle leningen en betalingsachterstanden zijn geregistreerd bij Stichting BKR. Onder andere studieschulden en betalingsachterstanden bij de Belastingdienst en energieleveranciers zijn echter niet bekend bij het BKR. Het CBS publiceert periodiek over Nederlandse huishoudens met geregistreerde problematische schulden (dashboard schuldenproblematiek in beeld). Hierbij wordt gebruik gemaakt van een groot aantal verschillende registraties, afkomstig van o.a. de Belastingdienst, BKR en het CJIB.
Deze data bevatten echter geen gegevens over betalingsachterstanden bij energieleveranciers en woningcorporaties. Vanuit de gemeente is er vanuit verschillende bronnen zicht op Amsterdammers met schulden en/of betalingsachterstanden: de schuldhulpverlening, Vroeg Eropaf en het CAK. Bij de schuldhulpverlening worden Amsterdammers met geldproblemen geholpen bij het vinden van een oplossing. Bij Vroeg Eropaf komen signalen binnen van schuldeisers over Amsterdammers die een achterstand hebben bij het betalen van hun vaste lasten. Amsterdammers die zijn 7
aangemeld bij het CAK hebben een achterstand van tenminste zes maanden bij het betalen van hun zorgverzekering. De gegevens over ervaren problematische schulden in deze monitor zijn gebaseerd op de Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB) van O&S. Deze vragenlijst wordt elk kwartaal uitgezet onder een steekproef Amsterdammers tussen de 15 en 75 jaar oud, wat resulteert in vier- à vijfduizend ingevulde vragenlijsten per jaar. Sinds 2019 bevat de enquête ook vragen over schulden en betalingsachterstanden. Voor meer informatie over de enquête, zie hoofdstuk 1 en bijlage I. De populatie Amsterdammers met ervaren problematische schulden wordt in deze monitor geschat op basis van zelfgerapporteerde gegevens uit een enquête. We zijn dus afhankelijk van de respons op de enquête en de mate waarin respondenten hun eigen situatie accuraat rapporteren. Het voordeel van deze aanpak is dat in principe alle soorten schulden kunnen worden meegenomen, inclusief betalingsachterstanden van de vaste lasten en informele schulden, zoals schulden bij familie en vrienden, die niet geregistreerd staan. Leeswijzer In het eerste hoofdstuk kijken we naar de ontwikkeling in het aandeel mensen met problematische schulden (2019-2021), aan de hand van herhaalde metingen van de Regionale Enquête Beroepsbevolking.
We plaatsen deze trend in een breder kader van financiële ontwikkelingen binnen huishoudens in dezelfde periode. Hoofdstuk 2 gaat dieper in op de ervaren problematische schulden, waarbij aandacht is voor de soorten schulden die men heeft, de hoogte ervan en de eventuele hulp die Amsterdammers ontvangen. In hoofdstuk 3 wordt aan de hand van sociaaleconomische en demografische achtergrondkenmerken nagegaan wie er relatief vaak (of juist niet) te maken heeft met een problematische schuld. Hoofstuk 4 brengt de achtergrondkenmerken in kaart van Amsterdammers die in 2021 gebruik maakten van gemeentelijke schuldhulpverlening.
8
1 Ontwikkeling ervaren problematische schulden 2019-2021
Dit hoofdstuk brengt de ontwikkeling van ervaren problematische schulden van Amsterdammers over de periode 2019-2021 in kaart. Vanaf maart 2020 vond de Covid-19-pandemie plaats. We kijken dus ook naar de ontwikkeling in schulden en rondkomen gedurende de pandemie. Anders dan verwacht is het aandeel Amsterdammers (en Nederlanders) met problematische schulden in deze periode gemiddeld genomen niet veranderd.
1.1 Eén op de tien Amsterdammers ervaart problematische schulden De groep Amsterdammers met ervaren problematische schulden wordt afgebakend op basis van drie enquêtevragen (zie bijlage 1 voor een volledig overzicht van de relevante enquêtevragen): 1. Heeft u schulden en/of betalingsachterstanden? 2. Ervaart u uw schulden en/of betalingsachterstanden als een probleem? 3. Wat voor soort schulden of betalingsachterstanden heeft u? In 2021 geeft 22% van de respondenten aan dat zij schulden of betalingsachterstanden hebben (vraag 1). Ruim de helft van deze groep geeft aan dat zij hun schulden niet als een probleem ervaren (vraag 2), of hebben uitsluitend een studieschuld (vraag 3). In totaal 10% van de respondenten geeft aan dat zij schulden en/of betalingsachterstanden hebben die zij als een probleem ervaren, waarbij het niet gaat om uitsluitend een studieschuld. Dit is ongeveer gelijk aan het percentage Amsterdamse huishoudens met geregistreerde problematische schulden zoals gerapporteerd door CBS. Dit lag in oktober 2021 op 10,6%. Onder huishoudens met een laag inkomen (naar schatting tot circa 120% van het sociaal minimum) ligt het aandeel met ervaren problematische schulden bijna twee keer zo hoog als gemiddeld (19%).
Paragraaf 3.4 beschrijft deze verschillen naar inkomen uitgebreider; onder ‘Bronnen en Methode’ wordt beschreven hoe de schatting van het inkomen als percentage van het sociaal minimum tot stand is gekomen.
1.2 Aandeel Amsterdammers met ervaren problematische schulden in 2019-2021 stabiel Aan het begin van de Covid-19-pandemie werd verwacht dat de lockdowns grote financiële gevolgen zouden hebben voor huishoudens (CPB, maart/juni 2020; O&S, 2021, Nibud, 2020), waaronder een toename in het aantal huishoudens met problematische schulden (Deloitte, 2020; Gemeente Amsterdam, 2021). Tot nu toe is een dergelijke stijging echter uitgebleven: tussen 2019 en 2021 zien we geen verandering in het aandeel Amsterdamse huishoudens met ervaren problematische schulden (zie figuur 1.1). Ook onder Amsterdammers met een laag 9
inkomen zien we geen verandering in het aandeel personen met ervaren problematische schulden. Uit andere bronnen blijkt eveneens geen toename van de schuldenproblematiek als gevolg van de coronacrisis. Het aandeel Amsterdammers met geregistreerde problematische schulden volgens de CBS-gegevens daalde licht, van 11,3% in januari 2019 naar 10,6% in oktober 2021 (CBS, 2022). Figuur 1.1 Amsterdammers met ervaren problematische schulden/betalingsachterstanden, 2019 (n=3.930) 2020 (n=4.390) en 2021 (n=4.510) (procenten)
% 100
80
60
40
20
0
10
10
10
2019
2020
2021 bron: REB 2019-2021(O&S)
Als respondenten één of meer van de vragen over schulden niet beantwoorden kunnen we niet bepalen of er sprake is van ervaren problematische schulden. Bij de berekening van het aandeel Amsterdammers met schulden en het beschrijven van hun achtergrondkenmerken laten we deze respondenten dan ook buiten beschouwing. Over de periode 2019-2021 zien we echter wel een lichte verschuiving in het aandeel respondenten van wie de schuldensituatie onbekend blijft. Het aandeel neemt toe van 5% in 2019 en 7% in 2020 tot 9% in 2021. Mede hierom is het belangrijk om in gedachten te houden dat de enquêtegegevens in dit rapport gebaseerd zijn op een steekproef van de Amsterdamse bevolking (zie Bronnen en Methode). Rond schulden en betalingsproblemen speelt een taboe en niet alle huishouden met problemen zien deze (tijdig) onder ogen (Panteia, 2015). Indien mensen met schulden minder vaak geneigd zijn om deel te nemen aan onderzoek of bij deelname vaker de vragen omtrent schulden onbeantwoord laten, dan heeft dit een onderschatting van schulden en schuldenproblematiek tot gevolg. Daar komt bij dat de enquêtegegevens gebaseerd zijn op iemands eigen ervaring en mensen kunnen onderof overschatten hoe goed zij er financieel voor staan.
10
1.3 Lage inkomens vaker financieel geraakt door Covid-19-pandemie Hoewel het inkomen van sommige huishoudens tijdens de coronaperiode (tijdelijk) terugliep hebben veel mensen tijdens de lockdowns ook minder geld uitgegeven en meer gespaard (CBS, 2022). Bovendien steeg het beschikbaar inkomen van huishoudens in de periode 2019-2021, als gevolg van eerder gemaakte afspraken in de cao’s en indirect door de loonsteun vanuit de overheid aan bedrijven (CBS, 2022). Uit onderzoek van het Nibud (2021) blijkt dan ook dat het merendeel van de Nederlanders (63%) tijdens de coronacrisis niet moeilijker of makkelijker rondkwam dan voor de crisis. Dit zien we ook in Amsterdam. Het aandeel huishoudens dat aangeeft makkelijk of moeilijk rond te kunnen komen is in de periode 2019-2021 nauwelijks veranderd (zie figuur 1.2). Achter deze gemiddelden kunnen uiteraard verschillen schuilgaan. Figuur 1.2 Hoe goed kunt u rondkomen?, 2019-2021 (procenten)
bron: REB 2019-2021 (O&S)
Aan degenen die moeilijk rondkomen is in 2021 gevraagd om welke reden dit op het moment van het invullen van de vragenlijst het geval is (n=1.306). Voor 15% spelen schulden hier een rol (figuur 1.3). Ruim zes op de tien (61%) noemen een laag inkomen als reden; hoge woonlasten wordt door 37% genoemd. Bijna één op de vijf (19%) zegt dat hoge energielasten hier een rol in spelen. Voorts heeft 10% op het gegeven moment te weinig opdrachten en geeft 11% een andere reden op.
11
Figuur 1.3 Redenen waarom Amsterdammers moeilijk kunnen rondkomen in 2021 (n=1.306)
bron: REB 2021 (O&S)
Gedurende de coronaperiode bevatte de REB-vragenlijst een aantal vragen over de invloed van corona op de werk- en financiële situatie van huishoudens. In de eerste drie kwartalen van 2021 is gevraagd in hoeverre de coronamaatregelen op dat moment invloed hadden op hoe goed huishoudens konden rondkomen. Meer dan de helft van de respondenten geeft aan dat de overheidsmaatregelen en richtlijnen naar aanleiding van de coronacrisis helemaal geen (38%) of weinig invloed (20%) hebben gehad op hoe goed zij op het moment van de enquête kunnen rondkomen. Voor ongeveer een op de zeven respondenten (15%) hebben de coronamaatregelen naar eigen zeggen wel (zeer veel) invloed gehad. Mensen met een laag inkomen (naar schatting tot 120% SM) geven vaker dan gemiddeld aan dat de coronamaatregelen (zeer) veel invloed hebben gehad op het kunnen rondkomen (zie figuur 1.4).
12
Figuur 1.4 In hoeverre hebben de overheidsmaatregelen en richtlijnen naar aanleiding van de coronacrisis invloed op hoe goed u momenteel kan rondkomen? (n totaal = 2.050, n laag inkomen = 420), kwartaal 1 – kwartaal 3, 2021
% 100 7 5 80
15
8 15
18 15
60 20
geen antwoord 14
zeer veel invloed veel invloed
40 15
een beetje invloed weinig invloed
20
helemaal geen invloed
41 26
0
totaal
laag inkomen (tot 120% SM)
bron: REB 2021 (O&S) Van de Amsterdammers voor wie de pandemie (zeer) veel invloed heeft gehad op het rondkomen van hun huishouden geeft ruim twee derde in een toelichting aan dat het gaat om een negatieve invloed; ruim één op de tien kan juist beter rondkomen dan voor de pandemie; van de overige respondenten is het onduidelijk. Van de mensen die slechter rond kunnen komen noemt een groot deel verminderde inkomsten als oorzaak, dit geldt zowel voor zelfstandigen als mensen in loondienst. Zelfstandigen geven bijvoorbeeld aan dat zij minder of geen opdrachten of klanten hebben, doordat hun sector gedeeltelijk of helemaal stilligt. Mensen met werk in loondienst benoemen dat zij minder of geen uren kunnen werken, dat zij als gevolg van de pandemie hun (bij)baan zijn verloren en/of dat het moeilijk is om werk te vinden. Een veel kleinere groep geeft aan dat zij ervaren dat de prijzen van bijvoorbeeld levensmiddelen hoger zijn geworden, of dat zij meer kosten hebben, bijvoorbeeld doordat zij als gevolg van het thuiswerken meer stroom verbruiken. De mensen die tijdens de pandemie juist beter rond kunnen komen geven in de meeste gevallen aan dat zij vanwege de maatregelen minder geld uitgeven, bijvoorbeeld doordat de horeca gesloten is.
Bijna alle respondenten in deze laatstgenoemde groep hebben naar schatting een inkomen hoger dan 120% SM, dit geldt tot en met 2022 als de Amsterdamse grens voor een laag inkomen; respondenten met naar schatting een inkomen lager dan 120% SM geven vrijwel nooit aan dat ze tijdens de pandemie juist beter rond kunnen komen dan anders. Deze resultaten komen overeen met het landelijke beeld. In onderzoek van het Nibud geven huishoudens met een laag inkomen vaker aan dat zij tijdens de coronacrisis moeilijker rond konden komen. Huishoudens die tijdens de pandemie makkelijker rond konden komen hadden vaker een hoog inkomen (Nibud, 2021). 13
Amsterdammers die in 2021 aangeven dat de coronamaatregelen veel invloed hadden op hun rondkomen hebben vaker problematische schulden dan huishoudens waarop de coronamaatregelen weinig invloed hadden. Van degenen die aangaven dat de coronamaatregelen ‘zeer veel invloed’ hadden, hebben vier op de tien een problematische schuld. Van degenen die stelden dat de coronamaatregelen weinig of helemaal geen invloed hadden op hoe goed zij konden rondkomen heeft slechts 5% ervaren problematische schulden. Deze drie kenmerken (ervaren problematische schulden, een laag inkomen en veel invloed van de coronamaatregelen op het rondkomen) gaan dus samen.
1.4 Vooruitblik 2022: inflatie en energieprijzen vormen nieuwe risicofactor Sinds maart 2022 gelden er vrijwel geen maatregelen in het kader van Covid-19 meer. Het economisch herstel zette al voor die tijd in. Het percentage werkloze Amsterdammers daalt sinds begin 2021 en ligt half 2022 weer bijna op het niveau van voor de pandemie (CBS Statline). Desondanks krijgen sommige huishoudens mogelijk te maken met een vertraagd effect van de coronapandemie, bijvoorbeeld door het stopzetten van de coronasteun en coronamaatregelen zoals uitstel van belastingbetaling of terugbetaling van coronasteun in de vorm van leningen (SEO, 2022). Ook heeft een deel van de huishoudens tijdens de pandemie ingeteerd op hun spaargeld (Nibud, 2022). Daarnaast lopen veel huishoudens in 2022 en 2023 opnieuw risico op financiële problemen als gevolg van de inflatie en hoge energieprijzen. Het CPB berekende in juni 2022 dat veel meer Nederlandse huishoudens bij stijgende kosten van het levensonderhoud te maken zullen krijgen met betaalbaarheidsproblemen. Met name huishoudens met een laag inkomen lopen hierbij risico (CPB, 2022). Ook in Amsterdam wordt een stijging verwacht van het aandeel huishoudens dat te maken heeft met energiearmoede (O&S, 2022). In september 2022 kondigde het kabinet een uitgebreid pakket aan maatregelen aan om de koopkrachtdaling tegen te gaan.
Daarnaast helpt de gemeente Amsterdammers op verschillende wijzen om energie te besparen en keert tegemoetkomingen uit voor de gestegen kosten, bijvoorbeeld in de vorm van de energietoeslag en de eenmalige verhogingen van het kindtegoed en de toeslag voor mensen die langdurig in armoede leven. Zowel landelijke als gemeentelijke armoederegelingen in acht nemend berekende het Nibud dat de meeste Amsterdamse huishoudens in 2022 maandelijks zouden moeten kunnen rondkomen, (Nibud, september 2022, in concept). Echter, deze conclusie geldt alleen onder de voorwaarden dat men goed met geld om kan gaan, alle regelingen aanvraagt waar men recht op heeft en dat er geen onverwachte grote uitgaven zijn. Van al deze voorwaarden is bekend dat ze niet voor alle huishoudens gelden. Bovendien wordt in de berekeningen geen rekening gehouden met al bestaande schulden. Ook in 2022 bevindt daarom een deel van de Amsterdamse huishoudens zich in een kwetsbare financiële positie.
14
2 Ervaren problematische schulden – soort schulden en hoogte van de schulden
Dit hoofdstuk gaat over de aard van de schulden van Amsterdammers met ervaren problematische schulden: wat voor soort schulden heeft men, hoe hoog zijn deze schulden en in hoeverre krijgt men hulp bij het aanpakken van de schulden? De resultaten zijn gebaseerd op gegevens uit de Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB) afgenomen in 2021.
2.1 Betalingsachterstand vaste lasten vaakst voorkomende soort schuld Onder Amsterdammers met ervaren problematische schulden is de vaakst voorkomende soort schuld een achterstand in het betalen van de vaste lasten (zie figuur 2.1). Het kan hierbij gaan om een achterstand in het betalen van de huur, hypotheek, energie- of waterrekening, ziektekostenverzekering of een achterstand in het betalen van gemeentelijke belastingen. Een iets kleiner aandeel van de groep met ervaren problematische schulden heeft een private schuld. Onder private schulden vallen leningen bij een bank of financier, schulden bij een postorderbedrijf, rood staan en schulden bij familie of vrienden. Publieke schulden komen het minst voor onder personen met ervaren problematische schulden. Dit zijn schulden bij de belastingdienst of het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB, boetes) en achterstanden bij het aflossen van de studieschuld. Een persoon kan uiteraard meerdere soorten schulden hebben.
15
Figuur 2.1 Amsterdammers met ervaren problematische schulden/betalingsachterstanden naar soort schuld, 2019-2021 (procenten)*
* Mensen kunnen meerdere soorten schulden/betalingsachterstanden hebben. bron: REB 2019-2021 (O&S)
Waar het aandeel Amsterdammers met ervaren problematische schulden de afgelopen jaren niet is veranderd, zien we wel een verschuiving in het soort schulden dat men heeft. Binnen de groep mensen met een problematische schuld is het aandeel met een achterstand in het betalen van de vaste lasten gestegen van 35% in 2019 naar 43% in 2021. Het aandeel met private schulden ligt in 2021 juist lager dan in 2019. Het is niet duidelijk wat deze verschuiving veroorzaakt.
2.2 Studieschulden vaker ervaren als problematisch in 2021 Amsterdammers die uitsluitend een studieschuld hebben zijn in deze rapportage niet gerekend tot de groep met problematische schulden – ook niet wanneer zij hun studieschuld zelf wel als problematisch ervaren (zie hoofdstuk 1). In deze paragraaf besteden we om nader genoemde redenen wel aandacht aan Amsterdammers met een studieschuld, waarbij we kijken naar de ontwikkeling in de periode 2019-2021. De mate waarin een studieschuld als problematisch wordt gezien zal deels afhangen van individuele omstandigheden en opvattingen. Deze worden gevormd in een maatschappelijke context, waarbinnen een studieschuld al dan niet als iets aanvaardbaars wordt beschouwd. Deze opvattingen kunnen in de loop der tijd veranderen, net als de objectieve effecten van een studieschuld op financiële mogelijkheden (bijvoorbeeld de weging van een studieschuld bij de aanvraag van een hypotheek). Al deze factoren samen bepalen wat een studieschuld voor een individu betekent. 16
Op basis van de REB meting in 2021 blijkt dat ruim één op de tien Amsterdammers een studieschuld heeft. Het betreft hier alle Amsterdammers met een studieschuld, dus ongeacht eventuele andere schulden en los van de vraag of de schuld als problematisch wordt ervaren. Dit aandeel lag in de voorgaande twee jaren iets hoger (15% in 2019 en 12% in 2020). De oorzaak voor deze lichte daling is onbekend. Het aandeel dat de studieschuld, eventueel in combinatie met andere schulden/betalingsachterstanden, problematisch vindt ligt in 2021 juist hoger dan in 2019 en 2020. In 2021 vond ruim de helft (56%) van alle Amsterdammers met een studieschuld de eigen schulden een probleem. In de jaren daarvoor lag dit nog op respectievelijk 52% en 51% (figuur 2.2). Kijken we enkel naar de Amsterdammers die uitsluitend een studieschuld hebben, dan ligt het aandeel dat deze schuld problematisch vindt iets lager, maar alsnog vindt de helft hun studieschuld problematisch. Ook voor deze groep is het percentage dat van een probleem spreekt in 2021 hoger dan in de twee voorgaande jaren. Stijgende prijzen van koopwoningen en discussies rondom het anders laten meewegen van de studieschuld bij een hypotheekaanvraag liggen hier mogelijk aan ten grondslag.
Figuur 2.2 Aandeel Amsterdammers met een studieschuld die hun schulden als problematisch ervaren, totaal met studieschuld (n= 600, 550, 535) en voor degenen met uitsluitend een studieschuld, 2019-2021 (n= 490, 450, 450)
bron: REB 2019-2021 (O&S)
2.3 Totale omvang schulden vaak lager dan €5.000 Van de Amsterdammers met schulden die zij als problematische ervaren had in 2021 bijna de helft (45%) een schuld van maximaal €5.000 (zie figuur 2.3). Het gaat hierbij om de totale 17
omvang van alle schulden van een persoon. Drie op de tien had in 2021 een totale schuld van meer dan €10.000. Twaalf procent weet niet hoe hoog hun schuld is. Deze verhoudingen zijn in de periode 2019-2021 weinig veranderd. Figuur 2.3 Hoogte schuld* Amsterdammers met ervaren problematische schulden/betalingsachterstanden, 2019-2021 (procenten)
*Betreft de totale omvang van alle schulden en betalingsachterstanden van een persoon, inclusief een eventuele studieschuld. bron: REB 2019-2021 (O&S)
2.4 Hulp bij schulden komt meestal van familie of vrienden Vier op de tien Amsterdammers met ervaren problematische schulden hebben het afgelopen jaar hulp gehad bij hun schulden (figuur 2.4). Onder mensen met een laag inkomen ligt dit aandeel iets hoger. In de meeste gevallen gaat het om hulp van familie, vrienden of kennissen. Van formele schuldhulpverlening en overige hulp van de gemeente wordt veel minder gebruik gemaakt (figuur 2.5).
18
Figuur 2.4 Heeft u de afgelopen 12 maanden hulp gehad bij uw schulden? (n=380, 420, 450) 2019-2021 (procenten)
% 60 53
51
50
46
41 40
40 37
30 totaal
laag inkomen (tot 120% SM)
20
10
0
2019
2020
2021 bron: REB 2019-2021
In een ander onderzoek onder Amsterdammers met een laag inkomen gaven mensen als belangrijkste reden om geen hulp van de gemeente te zoeken dat men geldproblemen liever zelf wil oplossen en/of een gebrek aan vertrouwen in de overheid (O&S, 2022). Schuldhulpverlening wordt vaak gezien als een laatste redmiddel (Panteia, 2015). Het aandeel Amsterdammers met zelf gerapporteerde problematische schulden dat hierbij hulp heeft gehad van de gemeente (klantmanagers en/of schuldhulpverlening) is de afgelopen jaren wel toegenomen, van 7% in 2019 tot 8% in 2020 en 11% in 2021.
19
Figuur 2.5 Van wie heeft u hulp gehad bij uw schulden of betalingsachterstanden? Meerdere antwoorden mogelijk (n=380, 420, 450) 2019-2021 (procenten)
bron: REB 2019-2021
20
3 Achtergrondkenmerken van Amsterdammers met ervaren problematische schulden
Dit hoofdstuk geeft inzicht in de achtergrondkenmerken van Amsterdammers met ervaren problematische schulden in 2021. Aan bod komen zowel demografische kenmerken (leeftijd, geslacht, huishoudtype en opleidingsniveau) als kenmerken van de inkomenssituatie (hoogte en bron van het inkomen). Tot slot besteden we specifiek aandacht aan zelfstandig ondernemers en de gevolgen van de Covid-19-pandemie op hun financiële positie.
3.1 Jongeren en ouderen hebben minder vaak problematische schulden dan gemiddeld Jongeren tot 27 jaar hebben minder vaak schulden dan oudere Amsterdammers (figuur 3.1, merk op dat gevallen waarin uitsluitend schulden bij DUO uitstaan niet zijn meegenomen). Ook cijfers over geregistreerde problematische schulden laten zien dat Amsterdamse jongeren (16-25 jaar) hier minder vaak mee te maken hebben dan andere leeftijdsgroepen (CBS, 2022). Dat neemt niet weg dat jongeren kwetsbaar kunnen zijn voor geldproblemen. Zij hebben vaak op hun 18e nog geen financiële buffer opgebouwd, maar krijgen wel te maken met financiële verantwoordelijkheden. Zo moet iedereen vanaf deze leeftijd een eigen zorgverzekering afsluiten en kan men zelfstandig abonnementen en contracten afsluiten en geld lenen. Vanaf hun 18e zijn jongeren ook zelf verantwoordelijk voor hun schulden. Landelijk onderzoek laat zien dat jongvolwassenen van 18 tot 35 jaar in 2022 vaker dan andere leeftijdsgroepen moeite hadden met rondkomen. Ook hebben zij veel vaker dan gemiddeld te maken gehad met betalingsproblemen, hieronder vallen o.a. het ontvangen van een betalingsherinnering, niet meer kunnen pinnen en een voorschot op het salaris aanvragen (Nibud, 2022). Ook onder ouderen (65-75 jaar) is het aandeel met problematische schulden lager dan gemiddeld in Amsterdam.
Dit is opvallend omdat Amsterdamse ouderen wel vaker dan gemiddeld in armoede leven, met name onder oudere eerste generatie migranten is het aandeel personen in armoede hoog (O&S, 2022). Dat ouderen toch minder vaak dan gemiddeld problematische schulden ervaren heeft er mogelijk mee te maken dat deze groep een relatief stabiel inkomen heeft van AOW en eventueel aanvullend pensioen (CBS, 2020). In paragraaf 3.2. zien we ook dat onder Amsterdammers die een pensioenuitkering als belangrijkste inkomensbron hebben, problematische schulden relatief weinig voorkomt. Landelijk onderzoek laat zien dat het risico op schulden toeneemt na bepaalde levensgebeurtenissen die een vermindering van het inkomen tot gevolg hebben, zoals het verliezen van een baan (CBS, 2022). Ouderen hebben aannemelijkerwijs minder vaak met dit soort levensgebeurtenissen te maken. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat ouderen vanaf 66 jaar zijn ondervertegenwoordigd in de enquete, wat mogelijk een selectief beeld oplevert. Echter, ook gegevens over geregistreerde 21
problematische schulden laten zien dat deze minder dan gemiddeld voorkomen onder 65plussers (CBS, 2022). Tot slot hebben mannen vaker problematische schulden dan vrouwen. Figuur 3.1 Problematische schulden naar leeftijd en geslacht, 2021 (procenten) (n= 4.525)
% 25
20
15 12
12
12
11
10
10
8 7
5
0
4
15 t/m 26
27 t/m 34
35 t/m 44 leeftijd
45 t/m 65
65+
man
vrouw
geslacht
totaal . bron: REB 2021 (O&S)
3.2 Meer problematische schulden onder alleenstaanden en eenouderhuishoudens Personen in eenouderhuishoudens en eenpersoonshuishoudens, beide huishoudens met één volwassene en daarmee één inkomen, hebben vaker problematische schulden dan personen in andere huishoudtypen (figuur 3.2). Deze huishoudtypen hebben ook vaker te maken met armoede (O&S, 2022), onder andere doordat zij leven van één inkomen. Uit eerder onderzoek blijkt dat de hoogte van het inkomen van de huishoudens sterk samenhangt met de kans op problematische schulden (Panteia, 2015). De verschillen tussen huishoudtypes zijn deels toe te schrijven aan verschillen in het inkomen op huishoudniveau.
22
Figuur 3.2 Problematische schulden naar type huishouden en naar inkomen als percentage van het wettelijk sociaal minimum (schatting), 2021 (procenten) (n=4.525)
% 30
25
25
20
20 19
18 17
15
15
13
14 12 10
10
9
9 5
5
0
eenouder
eenpersoons
0-120%SM
paar met kinderen
6
paar zonder kinderen
meer dan 120%SM
10
overig huishouden
totaal bron: REB 2019-2021
3.3 Aandeel problematische schulden lager naarmate het opleidingsniveau stijgt Over het algemeen geldt: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe lager het aandeel Amsterdammers met schulden die zij als problematisch ervaren (figuur 3.3). Opleiding houdt sterk verband met de hoogte van het inkomen, dus ook hier zijn verschillen in inkomen een belangrijke onderliggende factor. Daarnaast komen problemen als laaggeletterdheid, slechtere gezondheid en hogere werkloosheid vaker voor onder mensen zonder startkwalificatie, ofwel maximaal een mbo-1 diploma (Jungmann et al., 2020). Mensen met alleen een basisschooldiploma hebben minder vaak schulden dan mensen die geen opleiding hebben afgerond en mensen met een diploma vmbo of mbo-1. Dit komt waarschijnlijk doordat de groep met alleen een basisschooldiploma uit relatief veel jongeren bestaat, wiens onderwijscarrière nog niet is afgerond. Hetzelfde geldt voor de groep met maximaal een havo- of vwo-diploma.
23
Figuur 3.3 Problematische schulden naar hoogst afgeronde opleiding, 2021 (procenten) (n=4.520)
geen opleiding afgerond
22
lagere school / basisschool, speciaal (basis)onderwijs
11
vmbo, mavo, mulo, ulo, lager beroepsonderwijs, mbo-1
17
havo, vwo
8
mbo-2 t/m 4
16
hbo, wo
7
onbekend
10
totaal
10 0
5
10
% 15
20
25
bron: REB 2021 (O&S)
3.4 Lagere inkomens vaker problematische schulden Zoals genoemd is een laag inkomen een belangrijke risicofactor voor problematische schulden. Over het algemeen geldt dat mensen met laag huishoudinkomen vaker te maken hebben met problematische schulden dan mensen met een hoog inkomen (figuur 3.4). Dit verband is echter niet lineair: de laagste inkomensgroep (tot €1.000 netto per maand) heeft minder vaak ervaren problematische schulden dan de groep met een iets hoger inkomen (€1.001 - $1.750 netto per maand). Hiervoor zijn verschillende verklaringen. Ten eerste bestaat de groep met een inkomen tot €1.000 voor een relatief groot aandeel uit jongeren, een groep die minder vaak dan gemiddeld problematische schulden rapporteert (zie figuur 3.1). Ten tweede hebben huishoudens met een zeer laag inkomen (onder het bijstandsniveau) vaker een relatief hoog vermogen dan huishoudens met een iets hoger inkomen (zie Amsterdamse Armoedemonitor, O&S, 2022). Tot slot bestaat de groep met inkomen tussen de €1.001 en €1.750 voor een relatief groot deel uit huishoudens die leven van een bijstandsuitkering. Zoals hieronder besproken rapporteert deze groep vaker ervaren problematische schulden dan huishoudens met een andere bron van inkomen.
24
Figuur 3.4 Problematische schulden naar netto huishoudinkomen per maand (procenten) (n=4.500), 2021
minder dan €1000
12
€1001 - €1750
21
€1751 - €3050
9
€3051 - €5000
8
meer dan €5001
4
onbekend
8
totaal
10 0
5
10
% 15
20
25
30
35
40
bron: REB 2021 (O&S)
3.5 Bijstandsgerechtigden hebben het vaakst te maken met problematische schulden Ervaren problematische schulden hangen sterk samen met de belangrijkste inkomensbron van huishoudens (figuur 3.5). Onder huishoudens met een uitkering als belangrijkste inkomensbron is het aandeel problematische schulden het hoogst is: 27% onder huishoudens met een bijstandsuitkering als belangrijkste inkomensbron en 25% onder huishoudens met een arbeidsongeschiktheidsuitkering als belangrijkste inkomensbron. Problematische schulden komen minder vaak voor onder huishoudens met pensioen, loon of eigen bedrijf als belangrijkste inkomensbron.
25
Figuur 3.5 Problematische schulden naar belangrijkste bron van het inkomen, 2021
VUT, pensioen, AOW
5
WW (werkloosheidsuitkering)
18
arbeidsongeschiktheidsuitkering
25
bijstand
27
eigen bedrijf, praktijk
9
loon, salaris
8
studiebeurs, ouderbijdrage
7
geen inkomen
14
onbekend
7
totaal
10 % 0
5
10
15
20
25
30
bron: REB 2021 (O&S)
Binnen de groep Amsterdammers die werken in loondienst bestaat aanzienlijke variatie in het aandeel met problematische schulden. Dit blijkt aan de hand van een vergelijking tussen werkenden met een vast dienstverband enerzijds en Amsterdamners met een flexibel arbeidscontract anderzijds (figuur 3.6). Van de eerstgenoemde groep heeft 6% een problematische schuld. Onder de groep met een flexibele arbeidsaanstelling komt dit met 11% bijna twee keer zo vaak voor. Binnen de groep met een flexibel contract zijn het vooral de werkenden via uitzendbureaus en degenen met een 0-urencontract of zonder contract die vaak problematische schulden hebben. Figuur 3.6 Problematische schulden naar contractsoort, 2021
vast contract (n=1.860)
6
flexibel contract (n=900)
11
% 0
2
4
6
8
10
12
bron: REB 2021 (O&S)
26
3.6 Veel zelfstandigen financieel geraakt door pandemie, aandeel problematische schulden niet veranderd Zelfstandigen met personeel hebben iets vaker problematische schulden (10%), dan zzp’ers (8%, figuur 3.7). In de periode 2019-2021 zien we geen grote veranderingen in het aandeel zelfstandigen met ervaren problematische schulden. Hierbij is het belangrijk om te weten dat het totale aantal Amsterdamse huishoudens met een eigen bedrijf als belangrijkste inkomensbron van 2019 op 2020 gedaald met circa twee procentpunt. Ook het aandeel zelfstandigen dat tot de minima behoort is in deze periode afgenomen (O&S, 2022). Mogelijk hebben de meest kwetsbare zelfstandigen tijdens de coronaperiode weinig of geen inkomsten uit hun bedrijf kunnen halen, terwijl de financieel sterkere ondernemingen wel actief zijn gebleven. Het gaat hierbij specifiek om een daling van het aandeel huishoudens met een onderneming als belangrijkste inkomstenbron. Het aantal faillisementen en opheffingen van ondernemingen lag tijdens de coronaperiode juist historisch laag (CBS, 2022). Figuur 3.7 Het aandeel problematische schulden onder zelfstandingen met personeel (2019 n=453; 2020 n=378; 2021 n=342) en zzp’ers (2019 n=224; 2020 n=204; 2021 n=178), percentage, 2019-2021
% 15
11
10
10
10
9
8
8
5
0
2019
2020 met personeel
2021 zzp bron: REB 2019-2021
De Covid-19-pandemie heeft voor een groot deel van de Amsterdamse zelfstandigen (zzp en zelfstandigen met personeel) financiële gevolgen gehad (figuur 3.8). Vier op de tien zelfstandigen geven eind 2021 aan dat hun omzet is gedaald als gevolg van de coronamaatregelen. Ongeveer een kwart stelt dat de omzet onveranderd is gebleven en een kleine groep van 4% zag de omzet juist stijgen ten gevolge van de coronacrisis.
27
Figuur 3.8 Hebben de overheidsmaatregelen en richtlijnen naar aanleiding van de coronacrisis op dit moment gevolgen voor uw omzet? (Amsterdamse zelfstandigen, n=515), vierde kwartaal 2021
bron: REB 2021 (O&S)
Zelfstandigen die hun omzet tijdens de coronapandemie zagen dalen hebben ook vaker problematische schulden. Onder de totale groep zelfstandigen die antwoord gaven op de vraag of de overheidsmaatregelen en richtlijnen naar aanleiding van de coronacrisis op gevolgen hebben voor hun omzet (figuur 3.6) bedraagt het aandeel met problematische schulden 10%. Dit ligt aanzienlijk hoger onder zelfstandigen die hun omzet zagen dalen door coronamaatregelen (n=210): 15% van hen heeft een ervaren problematische schuld. Onder zelfstandigen waarvan de omzet niet daalde (n=140) bedraagt dit slechts 4%.
28
4 Achtergrondkenmerken van Amsterdammers met schuldhulpverlening
Dit hoofdstuk geeft inzicht in de achtergrondkenmerken van Amsterdammers met schuldhulpverlening in 2021. Het gaat om de demografische kenmerken, zoals leeftijd, opleiding en huishoudtype. Daarna gaan we in op de inkomenssituatie van de huishoudens. De gegevens in dit hoofdstuk zijn afkomstig van de gemeentelijke registraties over schuldhulpverlening, gekoppeld aan achtergrondgegevens van het CBS.
4.1 Gemeentelijke registratiedata De gemeente Amsterdam biedt schuldhulpverlening. Dit wordt uitgevoerd door de Buurtteams, die Amsterdammers begeleiden bij het oplossen van (beginnende) financiële problemen. Het gemeentelijke beleid rond schuldhulpverlening is, naast het oplossen van schulden door schuldhulpverlening, ook gericht op het voorkomen en klein houden van schulden. De Amsterdamse aanpak vroegsignalering bestaat uit vijf programma’s: Vroeg Eropaf, schuldhulpverlening voor participatiewetgerechtigden, geregelde betaling (voor huurders met een betalingsachterstand en een participatiewetuitkering), Eropaf en de aanpak wanbetalers (CAK). Daarnaast kan er budgetbeheer worden ingezet en lopen er verschillende pilots gericht op andere lichte interventies bedoeld om kleine schulden snel op te lossen. Het doel van deze programma’s is te voorkomen dat kleine schulden uitgroeien tot een groter probleem. Zo komt niet elke Amsterdammer met (beginnende) schulden terecht in een schuldhulpverleningstraject. Daarnaast geldt dat niet iedereen met problematische schulden in beeld is bij gemeentelijke schuldhulpverlening (zie paragraaf 2.4). Mensen met problematische schulden wachten soms lang met het zoeken van formele hulp (Panteia, 2015).
In totaal 11.550 Amsterdammers hadden op enig moment in 2021 een lopend schuldhulpverleningstraject (een curatief traject bij een schuldhulpverlener van de buurtteamorganisatie of een minnelijk schuldsaneringstraject bij de Kredietbank Amsterdam). Van 10.155 (88%) van hen zijn via de microdata van het CBS de achtergrondgegevens bekend. In de rest van dit hoofdstuk is deze groep Amsterdammers afgezet tegen alle Amsterdammers tussen de 18 en 75 jaar oud met dezelfde achtergrondkenmerken. Hiermee brengen we in kaart welke groepen relatief vaker of minder vaak schuldhulpverlening ontvangen. Belangrijk is dat het hier niet gaat om een bereikpercentage van de schuldhulpverlening. Hoeveel en welke Amsterdammers schuldhulpverlening nodig hebben is niet bekend en we kunnen dus ook niet berekenen hoeveel van hen bereikt worden.
29
4.2 Ouderen minder vaak in een schuldhulpverleningstraject dan jongeren Ouderen (65 jaar en ouder) ontvangen minder vaak schuldhulpverlening dan jongere Amsterdammers. In het vorige hoofdstuk zagen we dat ouderen minder vaak ervaren problematische schulden hebben dan de andere leeftijdsgroepen. Voor de andere leeftijdsgroepen geldt dat het aandeel met schuldhulpverlening toeneemt naarmate de leeftijd toeneemt. De leeftijdsgroep met het grootste aandeel Amsterdammers met schuldhulpverlening wordt gevormd door de leeftijdsgroep 35 t/m 44 jaar. Dit is ook de groep die het vaakst te maken heeft met ervaren problematische schulden (zie figuur 3.1). Het aandeel jongeren met schuldhulpverlening is niet veel kleiner dan bij de andere leeftijdsgroepen tot en met 65 jaar, terwijl schulden onder jongeren wel minder vaak voorkomen dan gemiddeld. Vanuit de gemeente is er veel aandacht voor jongeren met (beginnende) geldproblemen via de buurtteams en het Jongerenpunt. Dit kan verklaren waarom het aandeel jongeren met schuldhulpverlening relatief hoog is. Figuur 4.1 Schuldhulpverlening naar leeftijd, 2021 (procenten) 65 t/m 74
0,8
45 t/m 65
2,0
35 t/m 44
2,1
27 t/m 34
1,6
18 t/m 26
1,4 % 0
1
2
3
bron: CBS (bewerking O&S)
4.3 Minder schuldhulpverlening onder hogere opleidingsniveaus Het aandeel Amsterdammers met schuldhulpverlening neemt af naarmate het opleidingsniveau toeneemt. Dit patroon komt overeen met wat we zien in paragraaf 3.3. Een hoger opleidingsniveau gaat dus gepaard met minder problematische schulden en ook met minder schuldhulp.
30
Figuur 4.2 Schuldhulpverlening naar opleidingsniveau, 2021 (procenten) hbo of wo
0,4
havo/vwo, mbo-2 t/m 4
3
vmbo/mbo-1
5 %
0
1
2
3
4
5
6
bron: CBS (bewerking O&S)
4.4 Eenouderhuishoudens vaker in een schuldhulpverleningstraject Personen in huishoudens die bestaan uit één volwassene, zoals eenouderhuishoudens en eenpersoonshuishouden, zitten vaker in de schuldhulpverlening dan personen in andere huishoudtypen. Het aandeel huishoudens met als problematisch ervaren schulden is ongeveer even hoog onder alleenstaanden en eenoudergezinnen, maar eenoudergezinnen ontvangen vaker schuldhulpverlening. Mogelijk komt dit doordat personen in eenoudergezinnen relatief vaak leven van een bijstandsuitkering en hierdoor al in beeld zijn bij de gemeente (Amsterdamse Armoedemonitor, O&S 2022). Hetzelfde geldt voor de kleine groep Amsterdammers in institutionele huishoudens (bijvoorbeeld mensen die in een (zorg)instelling wonen). Mogelijk vinden zij via contact met andere hulpverlening of begeleiding makkelijker hun weg naar schuldhulpverlening wanneer dit nodig is. Figuur 4.3 Schuldhulpverlening naar type huishouden, 2021 (procenten) paar zonder kinderen (n=184.360)
0
paar met kinderen (n=180.620)
1
overig huishouden (n=11.040)
2
institutioneel huishouden (n=8.050)
14
eenpersoonshuishouden (n=230.270)
2
eenouderhuishouden (n=64.320)
4 % 0
5
10
15
bron: CBS (bewerking O&S)
4.5 Vaker schuldhulpverlening onder lage inkomensgroepen Huishoudens met een laag inkomen maken vaker gebruik van schuldhulpverlening dan hogere inkomens (figuur 4.4). Hier treedt hetzelfde patroon op als bij het aandeel huishoudens met schulden naar hoogte van het inkomen: onder de laagste inkomens komt schuldhulp (net als 31
problematische schulden) minder vaak voor dan onder de groep met een iets hoger inkomen. Onder Amsterdammers met een inkomen van 80 t/m 120% van het sociaal minimum is het aandeel met schuldhulpverlening het hoogst. Waarschijnlijk is deze een deel van deze groep vaak al in beeld bij de gemeente omdat zij een bijstandsuitkering ontvangen (zie ook figuur 4.5). Figuur 4.4 Schuldhulpverlening naar inkomen als percentage van het sociaal minimum, 2021 (procenten)
meer dan 200% SM
1
140%-200% SM
2
120%-140%SM
4
80%-120% SM
5
0%-80% SM
3 0
%
2
4
6
8
10
bron: CBS (bewerking O&S)
4.6 Meer schuldhulpverlening onder bijstandsgerechtigden Personen die een bijstandsuitkering ontvangen hebben vaker schuldhulpverlening dan gemiddeld. Dit aandeel is aanzienlijk groter dan het aandeel met schuldhulpverlening onder personen met inkomen uit een andere bron. Zoals eerder genoemd hebben mensen met bijstand als belangrijkste inkomstenbron relatief vaak te maken met problematische schulden (paragraaf 3.5). Daarbij is deze groep al in beeld bij de gemeente, waardoor beschikbare hulp bij schulden hen waarschijnlijk makkelijker bereikt. Verder zien we dat schuldhulpverlening veel minder vaak voorkomt bij personen die een pensioenuitkering ontvangen. Dit sluit goed aan bij de eerdere observatie dat problematische schulden relatief weinig voorkomen onder mensen die leven van een pensioen. Figuur 4.5 Schuldhulpverlening naar belangrijkste bron van het inkomen, 2021 (procenten) bijstand
9
ander uitkering
7
Studiefinanciering
3
pensioen
1
loon
1
zelfstandige
1
Inkomen uit vermogen
0,2 % 0
2
4
6
8
10
bron: CBS (bewerking O&S)
32
4.7 Flexwerkers vaker in een schuldhulpverleningstraject Op basis van de enquêtegegevens is het aandeel Amsterdammers met problematische schulden onder werkenden met een flexibel contract ongeveer twee keer zo hoog als onder werknemers met een vast contract (zie paragraaf 3.5). Het aandeel flexwerkers dat in 2021 gebruik maakte van een schuldhulpverleningstraject is ruim drie keer zo hoog als het aandeel van de werkenden met een vast contract. Eerder onderzoek laat zien dat flexwerkers vaak geen financiële buffer hebben en hierdoor eerder in de problemen kunnen komen (Nibud, 2021). De gemeente heeft in de afgelopen jaren campagnes gevoerd om de mogelijkheid tot hulp bij geldproblemen onder de aandacht te brengen bij kwetsbare groepen, waaronder flexwerkers. Beide factoren zouden kunnen verklaren waarom het aandeel met schuldhulpverlening onder flexwerkers hoger is dan onder personen met een vast contract. Figuur 4.6 Schuldhulpverlening naar soort contract voor personen met betaald werk, 2021 (procenten) (n= 371.010)
flex
1,6
vast
0,5
% 0
1
2
3
4
5 bron: CBS (bewerking O&S)
4.8 Schuldhulpverlening komt vaker voor onder Amsterdammers in een kwetsbare positie De eerste O&S Schuldenmonitor liet zien dat problematische schulden vaak samengaan met andere problemen. Amsterdammers in een kwetsbare positie hebben dan ook vaker te maken met problematische schulden (O&S, augustus 2021). Met kwetsbaarheid bedoelen we in hoeverre mensen toegang hebben tot vier hulpbronnen die een belangrijke invloed hebben op de kwaliteit van leven: opleidingsniveau, inkomen, het al dan niet hebben van werk, en de gezondheid. Hoe minder toegang tot deze hulpbronnen, hoe kwetsbaarder de positie en hoe hoger het risico op een lage kwaliteit van leven. Amsterdammers in een kwetsbare positie ontvangen ook vaker schuldhulpverlening dan Amsterdammers die minder kwetsbaar zijn.
33
Figuur 4.7 Schuldhulpverlening naar kwetsbaarheid, 2021 (procenten) kwetsbaar
6
enigzins kwetsbaar
3
nauwelijks kwetsbaar
1
niet kwetsbaar
0,5 % 0
5
10
15
bron: CBS (bewerking O&S)
34
Bronnen en methode
Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB) De gegevens over ervaren problematische schulden in hoofdstuk 1 tot en met 3 zijn afkomstig uit de Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB). Deze enquête wordt elk kwartaal uitgezet onder een steekproef van Amsterdammers van 15 tot en met 75 jaar oud (de potentiële beroepsbevolking). Personen woonachtig in inrichtingen, instellingen en tehuizen worden niet meegenomen. Om een representatieve groep inwoners te bereiken wordt er een gestratificeerde steekproef getrokken uit de Basisregistratie Personen. Stratificatie vindt plaats op basis van woongebied, leeftijdsgroep en migratieachtergrond. Per jaar wordt de vragenlijst ingevuld door vier à vijfduizend Amsterdammers (2019: 4.145, 2020: 4.702, 2021: 4.946). Sinds 2019 is een blok opgenomen over schulden en betalingsachterstanden. Tabel B1 geeft de respons voor enkele belangrijke achtergrondkenmerken in 2019, 2020 en 2021 weer, samen met de feitelijke verdeling in Amsterdam op basis van registraties. Wat betreft de hoogte van het inkomen vormen de respondenten van de REB een goede afspiegeling van de Amsterdamse bevolking. Qua leeftijd zijn 45 t/m 65-jarigen oververtegenwoordigd in de enquête, en 66 t/m 75-jarigen zijn juist ondervertegenwoordigd. De REB wordt niet verspreid onder 75-plussers dus zij komen helemaal niet voor in de enquêtegegevens.
Deze verschillen in de leeftijdssamenstelling zien we terug in de samenstelling van de respondenten naar bron van inkomen: Amsterdammers die leven van een pensioen zijn in de enquête ondervertegenwoordigd terwijl mensen met loondienst als belangrijkste inkomensbron zijn oververtegenwoordigd. Ruim de helft van de Amsterdammers leeft in een eenpersoonshuishouden. De groep REB respondenten bestaat naar verhouding uit minder alleenstaanden dan de Amsterdamse bevolking, terwijl paren met en zonder kinderen juist zijn oververtegenwoordigd.
35
Tabel B1 Samenstelling respondentengroep REB 2019-2021 naar leeftijd, hoogte en bron van inkomen en huishoudtype, en de samenstelling Amsterdammers o.b.v. registraties categorie REB 2019 (%) REB 2020 (%) leeftijd
bron van inkomen*
huishoudtype*
Amsterdam**
15 t/m 26
20
21
20
19
27 t/m 34
17
15
16
21
35 t/m 44
19
19
18
17
45 t/m 65
37
38
42
29
66 t/m 75
8
7
3
9
76 jaar en ouder inkomen*
REB 2021 (%)
-
-
-
5
tot 120% SM
18
20
20
19
120-200% SM
14
16
21
19
200-300% SM
28
25
19
22
300% SM en hoger
40
38
40
39
loondienst
65
66
66
56
eigen bedrijf
12
10
9
11
bijstand
4
7
8
6
andere uitkering
5
6
8
8
pensioen
9
8
5
18
anders
4
4
4
1
eenpersoonshuishouden
24
25
25
53
paar met kinderen
29
28
29
16
paar zonder kinderen
28
28
28
21
eenouderhuishouden
6
7
6
9
overig huishouden
13
12
12
1
* REB-respondenten van wie het gegeven onbekend is zijn buiten beschouwing gelaten. Voor de REBrespondenten is het inkomen als percentage van het sociaal minimum gebaseerd op een schattig. **Bronnen: leeftijd/huishoudtype: Basisinformatie / O&S, 1-1-2021 inkomen: CBS (bewerking O&S), 2020
Afbakening ervaren problematische schulden Op basis van drie verschillende vragen in de enquête stellen we vast of iemand problematische schulden heeft. We stellen vast dat iemand problematische schulden heeft wanneer iemand (1) met ‘ja’ antwoord op de vraag of diegenen schulden en/of betalingsachterstanden heeft, deze schulden zelf als probleem aanmerkt én dit schulden/betalingsachterstanden betreft anders dan een DUO-lening ofwel studieschuld. Wanneer iemand geen andere schulden of betalingsachterstanden heeft dan bij DUO, worden zij in deze rapportage gerekend tot Amsterdammers zonder problematische schuld, ook als zij hun studieschuld zelf wel problematisch vinden. Een deel van de respondenten gaf geen antwoord op een of meerdere vragen over schulden/betalingsachterstanden. In het rapport is deze groep buiten beschouwing gelaten. Schatting inkomen als percentage van het sociaal minimum De Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB) is een doorlopende enquête waarin kenmerken van personen in verband gebracht worden met hun positie op de arbeidsmarkt. In de enquête 36
wordt de respondenten o.a. gevraagd naar hun netto huishoudinkomen op basis van negen categorieën (lopend van ‘minder dan €1000’ tot ‘meer dan €6001). Voor elke respondent is vastgesteld hoe het huishoudinkomen zich verhoudt tot het sociaal minimum. Hierbij is rekening gehouden met de verschillende normbedragen afhankelijk van het huishoudtype. Er wordt uitgegaan van de bovengrens van de inkomenscategorie die door de respondent is aangegeven, waardoor het inkomen als percentage van het sociaal minimum in veel gevallen een overschatting van het werkelijke inkomen zal zijn. Tabel B2 Gebruikte normbedragen per huishoudtype bij de indeling van REB-inkomens ten opzichte van het sociaal minimum huishoudentype
18-21 jarigen
21-66 jarigen
66 jaar en ouder
1 alleenstaand
€
260
€
1.052
€
1.176
2 (echt)paar zonder (thuiswonende) kind(eren)
€
520
€
1.503
€
1.594
3 (echt)paar met thuiswonend(e) kind(eren)
€
820
€
1.503
€
1.594
4 één-ouder met thuiswonend(e) kind(eren)
€
260
€
1.052
€
1.176
5 anders, met thuiswonend(e) kind(eren)
€
820
€
1.503
€
1.594
6 anders, zonder thuiswonend(e) kind(eren)
€
520
€
1.503
€
1.594
7 studentenhuis
€
260
€
1.052
€
1.176
8 met huisgenoot, geen studentenwoning
€
260
€
1.052
€
1.176
9 geen antwoord
€
260
€
1.052
€
1.176