CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Rapportage Mensenrechtenscan VN-Vrouwenverdrag.pdf

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 1 oktober 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van de raadsinformatiebrief ter afhandeling van motie 357.22 van 6 oktober 2022 van raadslid Wehkamp, Lust, Abdi, Bouhassani, Bentoumya, Von Gerhardt, Broersen en Ahmadi inzake Mensenrechtenscan 2023 (VN2025-010997)28.705 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

• Er zijn eerste stappen gezet richting meer beleid rondom femicide waar in de praktijk veel organisaties aandacht voor vragen.

78 College voor de Rechten van de Mens, Gendersensitieve aanpak van levensbelang om partnergeweld te bestrijden - Checklist en acties voor lokale beleidsmakers, juni 2021 79 GREVIO, 20 januari 2020, Baseline Evaluation Report the Netherlands, paragraaf 72 80 Algemene aanbeveling nr. 35 (2017) Gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, artikel 12 81 College voor de Rechten van de Mens, Gendersensitieve aanpak van levensbelang om partnergeweld te bestrijden - Checklist en acties voor lokale beleidsmakers, juni 2021

31

RAPPORT

• Doelgroepen en vrouwenorganisaties worden vrij uitgebreid betrokken bij het opstellen en evalueren van beleid, maar onduidelijk is of zij hiervoor financieel gecompenseerd worden. • Gendersensitief werken is geen expliciet onderdeel van de aanbesteding, maar vormt wel het uitgangspunt voor het beleid en de uitvoering. • Intersectionaliteit maakt geen expliciet onderdeel van dataverzameling noch van het beleid zelf, hoewel er wel duidelijk aandacht is voor gender- en cultuursensitief werken.

Specifieke aanbevelingen domein geweld 1. Neem alle factoren en kenmerken die benoemd worden in de algemene aanbeveling 35 als risicofactoren voor geweld (zoals lagere socio-economische status, leeftijd, een beperking, lhbti, ongeletterdheid, asielzoeker status, vluchtelingenstatus, ongedocumenteerdheid, weduwe status, hiv/aids, sekswerker zijn, slachtoffer van mensenhandel zijn) expliciet op in het beleid. Versterk bovendien de intersectionele benadering in alle beleidsstukken met betrekking tot gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes. 2. Neem binnen al het beleid rondom gendergerelateerd geweld de digitale omgevingen ook mee, aangezien een deel van misbruik en geweld zich online afspeelt. 3. Zorg ervoor dat trainingen voor professionals zich ook richten op genderstereotypen, gender bias, victim blaming, stigma, trauma en de intersectionele dimensie van geweld. Zorg ook voor voldoende aandacht voor training in het herkennen van waarschuwingssignalen en het verzamelen van gegevens met betrekking tot femicide. 4. Intensiveer de aandacht voor gender- en cultuursensitief werken en zeker ook bij het voorkomen en in kaart brengen van femicide. 5. Gebruik uitgesplitste en genderspecifieke data voor monitoring, probleemanalyse en toegang tot hulpverlening.

Niet alleen om trends te beschrijven, maar juist ook om meer zicht te krijgen op de risicofactoren van bepaalde doelgroepen vrouwen, toegankelijkheid van opvang en de barrières waar (groepen) vrouwen tegenaan lopen. 6. Zorg dat informele organisaties die betrokken worden bij consultatie en beleidsontwikkeling hiervoor voldoende financiële compensatie krijgen. 7. Voor inclusief en effectief beleid op gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes is een sterke genderanalyse nodig. Deze analyse speelt in op vragen als: Wat zijn de risicofactoren voor geweld voor vrouwen en meisjes? Hoe zijn die weer anders voor mannen en jongens? Hoe worden uitdagingen versterkt door genderstereotypen, discriminatie, traditionele rolpatronen en maatschappelijke factoren? Hoe kan het beleid erop inspelen om deze barrières weg te nemen?

32

RAPPORT

5.4 DAK- EN THUISLOOSHEID Corresponderende artikelen VN-Vrouwenverdrag: • Algemeen: Artikel 1 t/m 5 • Algemene Aanbeveling: Geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld: No. 35 (2017) Beleidsstukken: • Een nieuwe start, samen op weg naar perspectief 2021-25 • Versterking Aanpak Dakloosheid 2023-2026 • Aanbestedingsleidraad Maatschappelijke opvang & beschermd wonen • Noodopvang en Kortdurende opvang Begeleid thuis Beschermd verblijf: Handboek voor professionals (juli 2023) • WMO nadere regelgeving (verordening) Uitvoerders: HvOQuerido, Cordaan, Leger des Heils, PerMens, Regenbooggroep, Fier Op Ontwikkeling, Philadelphia, Timon

Introductie

Een nieuwe start schetst de kaders voor ondersteuning van kwetsbare inwoners uit de regio Amsterdam-Amstelland. Hierbij gaat het om inwoners die dak- of thuisloos zijn of dreigen te worden, maar ook om inwoners die vanuit beschermd wonen een vorm van opvang of ondersteuning nodig hebben. Het programma loopt van 2021 tot en met 2025. De ambitie van dit beleidsprogramma is dat iedereen die in de regio Amsterdam-Amstelland dakloos wordt of dreigt te worden herstelondersteunende begeleiding ontvangt. Op deze manier kunnen zij makkelijker aan maatschappelijk en economisch herstel werken. De versterking van de aanpak dakloosheid (2023-2026) is een aanvullende versteviging van de aanpak dakloosheid op basis van het Amsterdams Akkoord. Het Handboek voor professionals (MOBW) beschrijft het zorgstelsel van Amsterdam, de (toeleidings-) processen en de afspraken over de noodopvang gezinnen, kortdurende dag- en nachtopvang, begeleid thuis en beschermd verblijf. De aanbestedingsleidraad beschrijft de inhoud en de wijze waarop de gemeente Amsterdam tot nieuwe afspraken wenst te komen met aanbieders MOBW.

1. Grondbeginselen VN-Vrouwenverdrag

In de aanpak dak- en thuisloosheid van de gemeente staat huisvesting als mensenrecht centraal. Een belangrijk uitgangspunt van beleid is dat de opvang een plek moet zijn waar alle Amsterdammers zich gezien en gehoord weten, zichzelf kunnen zijn en zich veilig voelen in de stad, ongeacht gender, leeftijd, geloof, culturele identiteit, seksuele oriëntatie of beperking. Dit is in lijn met het grondbeginsel van non-discriminatie. In de aanpak dakloosheid ligt een sterke nadruk op kansengelijkheid, maar wordt gendergelijkheid niet specifiek benoemd. In het handboek staat ook dat de gemeente streeft naar inclusieve opvang. De opvang moet een plek zijn waar alle Amsterdammers zich gezien en gehoord weten, zichzelf kunnen zijn en zich veilig voelen in de stad, ongeacht gender, leeftijd, geloof, culturele identiteit, seksuele oriëntatie of beperking. De aanbestedingsleidraad MOBW is erop gericht om alle Amsterdammers en inwoners van de regiogemeenten zo zelfstandig en volwaardig mogelijk deel te laten nemen aan de maatschappij, onafhankelijk van de aanleiding van hun zelfredzaamheidsprobleem, de aard van de beperking, hun etnische afkomst, sociaal-economische afkomst of seksuele oriëntatie. Er is dus aandacht voor non-discriminatie. Echter, de aandacht sekse en/of gender is niet expliciet gemaakt.

In het handboek MOBW staat dat een zorgaanbieder acceptatieplicht heeft en geen Amsterdammers met een recht op zorg mag weigeren vanwege de omvang van de benodigde zorg, de aard van de beperkingen of andere kenmerken van de cliënt.

2. Verwezenlijking relevante artikelen VN-Vrouwenverdrag De jure-toetsing van de beleidsstukken Recht op huisvesting In het VN-Vrouwenverdrag is er geen expliciet artikel over het recht op huisvesting. Er staan wel verplichtingen in op het gebied van huisvesting, maar alleen in relatie tot vrouwen in plattelandsgebieden (artikel 14). Daarnaast gaat het CEDAW Comité in algemene aanbeveling nr. 35 in op het recht op opvang en huisvesting voor vrouwen in het geval

33

RAPPORT

van gendergerelateerd geweld. Staten zijn verplicht te voorzien in adequate opvang voor vrouwen, hun kinderen en andere gezinsleden en betaalbare huisvesting voor slachtoffers van geweld. In het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten is het recht op huisvesting verankerd en hebben staten de verplichting te verzekeren dat mannen en vrouwen het gelijke recht hebben op genot van het recht op huisvesting. Vrouwen en gender in dak- en thuisloosheid beleid Er is geen structurele aandacht voor vrouwen of gender in het beleid van de gemeente op dak- en thuisloosheid. In de Versterking Aanpak Dakloosheid staat dat de gemeente onderscheid maakt tussen verschillende doelgroepen in de aanpak. De gemeente erkent dat het binaire systeem kwetsbaar (toegang tot maatschappelijke opvang) en niet kwetsbaar (toegang tot andere ondersteuning en tijdelijke woonoplossingen) niet ideaal is. Er worden daarom vier groepen in de aanpak onderscheiden: rechthebbenden op basis van de WMO, economisch dak- en thuislozen, kwetsbare en economisch dakloze EU burgers, en een kleine groep ongedocumenteerde mensen. Binnen deze categorieën wordt onderscheid gemaakt in de ondersteuning aan individuele volwassen, jongvolwassenen en gezinnen. Er is geen aparte categorie gender of sekse.

Wel is er onder de jongvolwassenen aandacht voor kwetsbare jongvolwassen vrouwen, biculturele jongvolwassenen, jongvolwassenen met een lhbtiq+ achtergrond. (Nieuwe Start) Binnen de dag- en nachtopvang voor kwetsbare (rechthebbende) Amsterdamse dak- en thuislozen wordt gewerkt aan het tekort aan vrouwenplekken. De dag- en nachtopvang wordt daarom uitgebreid met 60 plekken voor volwassenen, waarvan circa 25 voor vrouwen, bijvoorbeeld slachtoffers van seksueel geweld en seksuele intimidatie.

De facto-toetsing: ervaringen en knelpunten uit de praktijk Realiteit van dak- en thuisloze vrouwen Er is in Nederland weinig onderzoek gedaan naar de realiteit van vrouwen als het gaat om dak- en thuisloosheid. Wat zijn de grondoorzaken? En welke rol speelt gender hierin? Ook in de Nationale Aanpak Dakloosheid wordt er niet over de realiteit van vrouwen gesproken.Terwijl deze specifieke groep aandacht nodig heeft en tegen andere uitdagingen aanloopt dan mannen; vrouwen komen vaak op straat te staan na mishandeling/geweld, hebben vaker de zorg voor kinderen en krijgen vaak te maken met (seksueel) geweld als ze buiten slapen. Bovendien heeft de dakloosheid grotere impact op mentale gezondheid dan bij mannen. Gebrek aan beschikbare woonruimte zorgt ervoor dat vrouwen vaak in een onveilige situatie blijven hangen, bijvoorbeeld uit angst dat hun kinderen worden afgenomen. Hierdoor belanden ze regelmatig in situaties waar ze in ruil voor seks (soms ook onder druk van geweld en bedreiging), bij iemand op de bank mogen slapen.82 Als je vrouw bent en dakloos, is je situatie nog moeilijker en onveiliger.83

3. Consultatie met de doelgroep

In een Nieuwe Start wordt niet expliciet duidelijk hoe het beleid tot stand is gekomen, wel zijn cliëntenorganisaties betrokken geweest bij de vormgeving van beleid. In de versterking van de aanpak dakloosheid zijn belangenorganisaties en cliëntenorganisaties geconsulteerd. Uit het beleidsstuk komt niet naar voren hoe dat er in de praktijk uitzag, of vrouwenorganisaties hierin vertegenwoordigd werden en hoe de input vanuit de stakeholders verwerkt is. De Werkgroep Monitoring Beleidsprogramma is opgericht voor de monitoring van het beleid. Deze groep bestaat uit vertegenwoordigers van diverse partners (oa zorgaanbieders en belangenbehartigers, vertegenwoordigers van ervaringsdeskundigen, beleidsmakers), en stelt samen indicatoren op voor de monitoring. Onderdeel hiervan is ook verzameling van data. Op papier een sterke structuur om beleid te monitoren en doorontwikkelen. De aanbestedingsleidraad stelt dat de inschrijver moet aantonen dat hij een cliëntenraad, of een gelijkwaardige vorm van cliëntconsultatie, geïmplementeerd heeft in zijn organisatie. Voor de gemeente is cliëntervaringsonderzoek een belangrijk element in het monitoren van de kwaliteit van de zorg.

4. Gendersensitiviteit, data en intersectionaliteit Gendersensitiviteit Het beeld dat dak- en thuisloosheid voornamelijk mannen treft is onderhevig aan vooroordelen, maatschappelijke verwachtingen en genderstereotypen.84 In hoeverre werken deze aannames door bij beleidsmakers en professionals in de uitvoering? Een versterkte gendersensitieve benadering geeft meer zicht op de uitdagingen waar vrouwen tegenaan lopen, de schaal van de problematiek en verschillende uitingsvormen van dak- en thuisloosheid onder vrouwen. Dit Vrouw en dakloos? Dan tel je niet mee - OneWorld Bretherton, Joanne and Pleace, Nicholas (2018) Women and Rough Sleeping : A Critical Review of Current Research and Methodology. Research Report. University of York , York. 84 Een onzichtbare groep dak- en thuisloze mensen zichtbaar maken | Movisie 82 83

34

RAPPORT

kan voorkomen dat groepen vrouwen uit beeld raken en/of helemaal geen aanvraag voor opvang of hulp doen of dit onterecht niet krijgen. Hoewel gendersensitiviteit benoemd wordt in de beleidsstukken, heeft zich dit nog niet doorvertaald naar een gendersensitieve aanpak op dak- en thuisloosheid. In Nieuwe Start gericht zet de gemeente in op vroegsignalering en het aanpakken van problemen die leiden tot dreigend woningverlies. Hierin staat ook dat er aandacht moet zijn voor cultuur en gendersensitiviteit.85 In het beleidsstuk staat niet verder toegelicht op welke wijze dit vorm krijgt. Het handboek voor professionals maakt de vertaalslag naar de praktijk en is gericht op processen m.b.t. dak- en thuisloosheid. Het gaat onder andere over ´hoe doe je een melding´, ´waar bestaat een screening uit´, ´wat zijn de criteria voor de verschillende soorten opvang en begeleid thuis wonen´, ´plaatsing op de wachtlijst´ en ´hoe worden cliënten ondersteund´. Het handboek is genderneutraal geformuleerd, de gender-cultureel sensitieve benadering zoals aangegeven in Nieuwe Start wordt hier niet verder uitgerold. In de aanpak dakloosheid wordt het concept inclusieve en sensitieve opvang concreter. Er is bijzondere aandacht voor lhbtiq+ personen en vrouwen die slachtoffer zijn van seksuele intimidatie en seksueel geweld.

Hiervoor wordt ingezet op training van betrokken professionals en het creëren veilige havens, zoals een Trans-inloophuis, veilige woonkamers op de opvanglocaties, aparte slaapkamers en specifiek maatschappelijk werk gericht op lhbtiq+ (Veilige Haven) en buddy projecten. Ook wordt er in de passantenpensions en kortdurende opvang jongvolwassenen rekening gehouden met de behoeften van bepaalde doelgroepen. Zo krijgen vrouwen en transgender personen een eigen kamer. Aanbesteding De gemeente vraagt van de Opdrachtnemer dat de dienstverlening in dit domein aansluit bij de diversiteit van Amsterdammers en inwoners van de regiogemeenten. Dit betekent dat opdrachtnemers gericht aandacht en rekening houden met de etnische afkomst, beperkingen en talenten, levensfase, seksuele identiteit en oriëntatie, religie, sociaaleconomische status, verblijfsstatus en opleidingsniveau. Sekse en/of gender ontbreekt echter in dit rijtje. In de leidraad is een eis opgenomen dat het medewerkersbestand en samenstelling van teams van de opdrachtnemers zoveel mogelijk een afspiegeling moet zijn van de diversiteit van Amsterdam en de regiogemeenten, om zo herkenbaarheid en laagdrempeligheid te vergroten en de ervaring en kennis in het team te verbreden. Ook is diversiteit en consultatie onderdeel van één van de gunningscriteria.

Inschrijvers moeten hierbij aantonen hoe ze ruimte geven aan de leefwereld van de cliënt (sensitiviteit op cultuur en lhbtiq+) en hoe er invulling wordt gegeven aan ervaringsdeskundigheid, cliëntregie, zelfbeheer en cliëntparticipatie. Data In een ‘Nieuwe Start’ is voor de analyse en het in kaart brengen van de problematiek algemene data gebruikt uit de regio Amsterdam-Amstelland. Binnen deze data wordt alleen de groep dak- en thuisloze jongvolwassenen aangehaald, de data is verder niet uitgesplitst naar sekse. De vraag is of er hierdoor binnen de gemeente zicht is op de profielen van dakloze vrouwen en het daadwerkelijke aantal vrouwen dat dak- of thuisloos is. Bovendien is de vraag of de huidige tellingen en definitie die het Centraal Bureau voor de Statistiek hanteert voldoende inclusief zijn.86 Vormen van dak-en thuisloosheid die vrouwen vaker treffen zijn namelijk geen onderdeel hiervan. Hierdoor is het onduidelijk hoeveel mensen er daadwerkelijk dakloos zijn en al helemaal niet hoeveel vrouwen en kinderen deel uitmaken van deze groep. Vrouwen doen vaker een beroep op informele opvang bij vrienden en familie, wonen tijdelijk in vakantiehuisjes of in onaangepaste/onveilige woningen.87 Uit Brits onderzoek blijkt dat vrouwen minder gebruikmaken van de dag- en nachtopvang of minder overnachten in de publieke ruimte.

Zeker als ze ook de zorg voor kinderen hebben.88 Daarnaast worden vrouwen in de vrouwenopvang niet meegeteld als dak- en/of thuisloos in de huidige tellingen van het CBS.

Gemeente hanteert de volgende definitie: ‘Bewust zijn van wezenlijke verschillen tussen de culturen en tussen mannen, vrouwen en alles dat daar tussenin zit ’. 86 Het CBS zoekt in drie bronnen en telt daarmee drie groepen daklozen: personen die gebruikmaken van dag- of nachtvoorzieningen, adresloze personen met een uitkering en adresloze personen die bekend zijn bij de verslavingszorg. Zie hiervoor: Dakloosheid van vrouwen blijft onderbelicht – Sociale Vraagstukken 87 Ibid. 88 Ibid. 85

35

RAPPORT

Intersectionaliteit In Nieuwe Start is er erkenning dat de groep (dreigend) daklozen zeer divers is, met name op het gebied van culturele en seksuele identiteit. Maar onder de lijst met doelgroepen die extra aandacht nodig hebben zijn vrouwen geen specifieke groep. Wel gezinnen met kinderen, maar hierbij wordt geen verband gelegd dat er vaak een alleenstaande moeder aan het hoofd van het gezin staat.89 Ook binnen de andere doelgroepen (kwetsbare daklozen, economisch daklozen, jongvolwassen daklozen, daklozen uit andere EU landen, kwetsbare mensen met psychiatrische problematiek) wordt niet gesproken over man/vrouw of gender. Of er voldoende rekening wordt gehouden met genderverschillen, met individuele verschillen tussen vrouwen en mannen onderling én met intersectionele factoren die bepaalde personen extra kwetsbaar maken of kunnen versterken, wordt uit de beleidsstukken niet duidelijk.

5. Samenhang overig beleid

De gemeente benadrukt in Nieuwe Start dat dakloosheid niet alleen een zorgprobleem is, maar ook ontstaat vanuit andere leefgebieden. Denk aan het verliezen van een inkomen of een woning. Daarnaast wordt benadrukt dat het vraagstuk van dakloosheid niet alleen vanuit zorg aangevlogen moet worden, maar dat er een gezamenlijke verantwoordelijkheid bestaat vanuit de verschillende directies Zorg, GGD, Wonen en Werk, Participatie & Inkomen. In de getoetste beleidsstukken worden er nauwelijks verbanden gelegd tussen dakloosheid van vrouwen en gendergerelateerd geweld. Terwijl dit voor vrouwen een van de grondoorzaken is van dak- en thuisloosheid.90 Voor een gecoördineerde en integrale benadering is het van belang dat verbanden versterkt worden.

Samenvatting en conclusie domein dak- en thuisloosheid • Het uitgangspunt van het Amsterdamse beleid op dak- en thuisloosheid reflecteert het grondbeginsel van nondiscriminatie uit het VN-Vrouwenverdrag: de opvang moet toegankelijk en veilig zijn voor alle Amsterdammers. • In lijn met het VN-Vrouwenverdrag vindt de gemeente gendersensitiviteit belangrijk in beleid en uitvoering. Hoewel gender expliciet benoemd wordt en het bewustzijn aanwezig lijkt, is er in de beleidsstukken geen structurele aandacht voor gender en/of de realiteit en behoeften van dak- en thuisloze vrouwen. Dat dak- en thuisloosheid zich bij vrouwen anders manifesteert dan bij mannen is geen onderdeel van de analyse en de oplossingen. Daarnaast zouden handvatten voor de gendersensitieve uitvoering of een vertaalslag naar de praktijk in het handboek versterkt kunnen worden. • Er is erkenning dat de groep daklozen zeer divers is, maar welke rol gender hierin speelt en hoe hier intersectioneel naar gekeken wordt is lastig terug te vinden in de beleidsstukken. • De data die aangehaald wordt in het beleid is niet uitgesplitst naar geslacht. Bovendien sluit de huidige CBS definitie van ‘dakloos’ een grote groep vrouwen uit. Een bredere definitie zou meer zicht geven op de schaal van de problematiek. Vervolgens zou het gemeentebeleid daar beter op kunnen inspelen.

• In sommige beleidsstukken is expliciet duidelijk geworden hoe cliëntorganisaties en belangenorganisaties geconsulteerd zijn bij beleidsvorming en monitoring. Of hier ook vrouwen en vrouwenorganisaties bij betrokken zijn geweest is onduidelijk.

Specifieke aanbevelingen domein dak- en thuisloosheid 1. Door dak- en thuisloosheid in beleid en uitvoering gendersensitief te benaderen, zou de gemeente meer zicht kunnen krijgen op de schaal van de problematiek onder vrouwen en de uitingsvormen. Meer aandacht voor de grondoorzaken, uitdagingen en maatschappelijke verwachtingen en context voor vrouwen op het terrein van dak-en thuisloosheid biedt aanknopingspunten voor een effectievere aanpak en preventie voor deze doelgroep. 2. Structurele consultatie van de doelgroep op beleid, monitoring en implementatie is van belang, juist omdat de doelgroep zo divers is. Er kunnen grote verschillen zijn in noden en behoeften, en daarbinnen blinde vlekken of juist extra aandachtsgebieden voor gender. Houd daarom ook bij het consulteren van de doelgroep rekening met verschillen - zoals aangegeven in de White Paper van SamenThuis2030-91 in afkomst, leeftijd, seksuele oriëntatie en gender & sekse, evenals in routes, oorzaken, ervaringen met dak- en thuisloosheid, en behoeften voor hulp.

Nederlandstalige Vrouwenraad, Signalennota: Vrouwen, gender en dakloosheid, 2023 Dakloosheid van vrouwen blijft onderbelicht – Sociale Vraagstukken 91 Samen Thuis 2030, Betekenisvolle participatie van jongeren met ervaringskennis , 2023 89 90

36

RAPPORT

3. Een inclusieve telling geeft meer zicht op de schaal van de problematiek voor vrouwen door het meetellen van vormen van dakloosheid die meer specifiek zijn voor vrouwen, zoals de vrouwenopvang, onveilige woningen, vakantiehuisjes en overbevolkte woningen. De ETHOS telling is hiervoor cruciaal. De Hogeschool Utrecht en het Kansfonds deden onlangs onderzoek naar het belang hiervan.92 4. Doe gendersensitief onderzoek naar wat vrouwen belemmert in het gebruikmaken van de dag- en nachtopvang en welke rol gender hierin speelt. Een gendersensitieve blik kan helpen om de uitbreiding van de dag- en nachtopvang met circa 25 plekken voor vrouwen (zoals aangegeven in de versterkte aanpak dakoosheid) in de praktijk ook daadwerkelijk toegankelijk en veilig te maken voor de doelgroep. 5. De gemeente hecht belang aan cultuur- en gendersensitiviteit in de aanpak dak-en thuisloosheid, zoals aangegeven in Nieuwe Start. Vertaal dit door naar het handboek voor professionals zodat hier ook in de praktijk rekening mee wordt gehouden. Het zou interessant zijn om dit handboek naast het handboek HGKM te leggen, dat gendersensitief werken centraal heeft staan. 6. Wees consistent in de terminologie om inclusieve en sensitieve opvang te beschrijven (dit wisselt tussen inclusief en cultureel, lhbti en gendersensitieve opvang) en licht ook toe wat hiermee wordt bedoeld.

In het huidige beleid is dit gefragmenteerd en inconsistent waardoor de kans aanwezig is dat de gendersensitieve aanpak bij doorvertaling naar de praktijk van de radar valt. 7. Vul de diversiteitscriteria in de aanbestedingsleidraad MOBW aan met criteria op gender, sekse en gendersensitiviteit. Het is van belang dat opdrachtnemers hier rekening mee houden.

5.5 SOCIALE BASIS Corresponderende artikelen VN-Vrouwenverdrag: • Algemeen: Artikel 1 t/m 5 • Ontplooiing en ontwikkeling: Artikel 3 • Economisch en maatschappelijk leven: Artikel 13 Beleidsstukken: • Beleidskader Sociale Basis Amsterdam (2025-2030) • Subsidieverordening sociale basis Amsterdam 2025 (februari 2024) Uitvoerders: Niet van toepassing

Introductie

De sociale basis is het fundament van het Amsterdamse stelsel voor zorg, ondersteuning, meedoen en sociale cohesie. In de sociale basis werken bewoners, vrijwilligers en professionals samen aan een breed, laagdrempelig en vrij toegankelijk aanbod van activiteiten en voorzieningen in de buurt. Dit aanbod is gericht op preventie, het versterken van zelfredzaamheid en samenredzaamheid en het ontplooien van talent. De gemeente faciliteert de sociale basis rondom de sociale opgave in gebieden, en heeft hierin een ondersteunende en faciliterende rol. Dit is dus een wezenlijk andere rol dan bij de beleidsterreinen die eerder in dit hoofdstuk aan bod kwamen, hier had de gemeente een meer sturende rol. Op 24 januari 2024 heeft de raad het beleidskader Sociale Basis Amsterdam (2025-2030) vastgesteld. Op basis van dit beleid is vervolgens de subsidieverordening aangepast.

1. Grondbeginselen VN-Vrouwenverdrag

Non-discriminatie en inclusie zijn belangrijk uitgangspunten binnen het beleidskader. Als het gaat om meedoen in de samenleving erkent het beleid dat gender, leeftijd, geloof, culturele identiteit, seksuele oriëntatie of beperking hierin een belemmering kunnen vormen. Er is aandacht voor toegankelijkheid, zowel letterlijk (beperkte mobiliteit) en figuurlijk (iedereen moet zich veilig voelen). Partners dienen in hun subsidieaanvraag aan te geven hoe zij inclusie en anti-discriminatie verankeren in het aanbod. Daarnaast staat gelijkheid en gelijke kansen binnen de Amsterdamse

92 Movisie stelt dat na analyse van de resultaten van het onderzoek blijkt dat de groep dak- en thuisloze mensen die naar voren komt uit ETHOS manier van tellen veel meer divers in aard en groter in omvang is dan de traditionele cijfers laten zien. Zie hiervoor: Een onzichtbare groep dak- en thuisloze mensen zichtbaar maken | Movisie

37

RAPPORT

sociale basis centraal, hier is echter geen speciale aandacht voor gendergelijkheid. Substantiële gelijkheid wordt wel toegepast door het “ongelijk investeren voor gelijke kansen” als uitgangspunt te nemen.

2. Verwezenlijking relevante artikelen VN-Vrouwenverdrag De jure-toetsing van de beleidsstukken De gemeente definieert de sociale basis als volgt: ‘In de sociale basis werken bewoners, vrijwilligers en professionals samen aan een breed, laagdrempelig en vrij toegankelijk aanbod van activiteiten en voorzieningen in de buurt. Het aanbod is gericht op het elkaar ontmoeten en ondersteunen, ontplooien en ontspannen.’ Het concept ‘sociale basis’ is niet geduid in het VN-Vrouwenverdrag. Als we kijken naar de artikelen in het VN-Vrouwenverdrag komen artikel 3 en 13 het meest in aanmerking. Artikel 3 verplicht overheden om op alle gebieden, en in het bijzonder op politiek, sociaal, economisch en cultureel gebied passende maatregelen te nemen om de volledige ontplooiing en ontwikkeling van vrouwen te verzekeren, met gelijke rechten, vrijheden en kansen als mannen. Daarnaast worden overheden in artikel 13 verplicht om maatregelen te nemen die discriminatie tegen vrouwen op bepaalde gebieden in het economische en maatschappelijke leven uit te bannen. In het bijzonder, het recht deel te nemen aan activiteiten op het gebied van vrijetijdsbesteding, aan sport en aan alle aspecten van het culturele leven. In het beleidskader ligt de focus vanuit de sociale basis op bouwen aan kansengelijkheid en preventieve gezondheid.

Hiervoor zijn vier hoofddoelen vastgesteld: • het vergroten van gelijke kansen om gezond te worden en gezond te blijven • het vergroten van gelijke kansen op bestaanszekerheid • het vergroten van gelijke kansen voor de Amsterdamse jeugd • gelijke kansen op veerkrachtige en zorgzame buurten Binnen de uitwerking van deze hoofddoelen is er geen structurele en expliciete aandacht voor vrouwen en meisjes, hun uitdagingen en de rol van gender. Omdat het VN-Vrouwenverdrag specifiek verplicht tot het treffen van maatregelen en regelgeving voor vrouwen, om voorzieningen voor deze groep toegankelijker te maken (artikel 3 en 13) en discriminatie tegen te gaan, zou dit eigenlijk expliciet benoemd moeten worden. Vooral bij de thema’s in het beleidskader die onevenredig impact hebben op het leven van vrouwen in vergelijking met mannen. Een aantal voorbeelden: Ouderen/vergrijzing Het beleidskader benoemt dat Amsterdam bovengemiddeld snel gaat vergrijzen, waarbij het zorggebruik gemiddeld hoger ligt dan het landelijk gemiddelde. Landelijk zijn er meer vrouwelijke zestigplussers dan mannen, dit geldt ook voor Amsterdam.93 Doordat vrouwen gemiddeld langer leven, brengen ze ook meer jaren door met chronische aandoeningen en functionele beperkingen.

Ook het valrisico onder vrouwen ligt vele malen hoger dan bij mannen.94 In het beleidskader is aandacht voor dementie, waarbij de sociale basis voorziet in laagdrempelige activiteiten zoals ontmoetingsplekken voor Amsterdammers met beginnende dementie en er is ondersteuning voor mantelzorgers. 1 op 3 vrouwen krijgt zelf te maken met dementie en vrouwen geven bovendien meer mantelzorg aan mensen met dementie. Chronisch zieken Landelijk zijn er meer vrouwen dan mannen met een chronische ziekte. Vanaf 15 jaar en ouder hebben vrouwen vaker dan mannen één of meer chronische aandoeningen. Chronische ziekten als gewrichtsontsteking en migraine of ernstige hoofdpijn komen meer dan twee keer zo vaak voor bij vrouwen. Incontinentie komt onder vrouwen 4 keer zo vaak voor als onder mannen.95 In het beleidskader wordt aangegeven dat de inzet op chronische aandoeningen gericht is op preventie. Het erkennen dat er verschillen op sekse en/of gender bestaan en dat deze bepaalde belemmeringen vormen voor vrouwen om tot volledige ontplooiing en ontwikkeling komen is van belang bij een preventieve aanpak. Participatie naar werk Bij het thema participatie naar werk zit een sterke gender component die buiten beschouwing wordt gelaten in het beleidskader. Hierbij is het van belang te verwijzen naar de Genderscan re-integratie- en participatiebeleid in Amsterdam van Atria (2021).

In de Genderscan wordt geconcludeerd dat gender een rol speelt op het terrein van werk en participatie. “Ten eerste beïnvloeden (onbewuste aanwezige) genderstereotypen de keuzes die mensen willen of

Amsterdam vergrijst | Website Onderzoek en Statistiek Steeds meer mensen overlijden na val, vooral ouderen slachtoffer via nos.nl 95 Vrouwen hebben vaker chronische aandoeningen dan mannen | CBS. 93 94

38

RAPPORT

kunnen maken, doordat genderstereotypen tot maatschappelijke normen leiden over wat mannen en vrouwen ‘horen te doen’. Ten tweede blijkt dat er verschillen zijn in het aandeel mannen en vrouwen dat niet-werkzoekend, werkloos is of bijstand ontvangt. Deze verschillen haken in op andere kenmerken, zoals migratieachtergrond, opleidingsniveau, leeftijd en huishouden. Ten derde toont onderzoek een landelijke trend aan waarbij mannen en vrouwen verschillen als het gaat om onder andere de motivatie en belemmeringen die zij ervaren bij hun re-integratie.” Aandacht hiervoor in de analyse en beleidsdoelen zou ervoor zorgen dat het beleid gendersensitiever en effectiever wordt. Versterken basisvaardigheden In het beleidskader is aandacht voor het versterken van basisvaardigheden, zoals beheersing van de Nederlandse taal, rekenen en digitale vaardigheden. Aangegeven wordt dat de Amsterdammers die het betreft het niet altijd makkelijk vinden om het beschikbare aanbod te vinden. Om - in lijn met het VN-Vrouwenverdrag - voorzieningen toegankelijker te maken voor vrouwen is het belangrijk in te spelen op de gender component. Onder de laaggeletterden in Nederland is namelijk 57% vrouw, een groot deel van deze groep heeft een migratieachtergrond.

Personen met lage digitale vaardigheden zijn over het algemeen ouder, lager opgeleid en vaker vrouw.96 Omdat vrouwen oververtegenwoordigd zijn in deze groepen kan beleid dat ook inspeelt op uitdagingen en belemmeringen specifiek voor deze doelgroep bijdragen aan het wegnemen van gender- en/of sekse verschillen op dit terrein. Het belang van een gendersensitieve aanpak en de doorvertalingen van verplichtingen en aanbevelingen uit het VNVrouwenverdrag op thema’s als mentale gezondheid, bewegen en sport, en mantelzorg zijn eerder onder hoofdstuk 5.1 Gezondheid aan de orde geweest. Deze thema’s komen ook terug in de sociale basis. Hier is dezelfde reflectie op van toepassing.

De facto-toetsing: ervaringen en knelpunten uit de praktijk

Binnen het beleidskader sociale basis beschrijft de gemeente haar rol als niet sturend, maar meer ondersteunend en faciliterend. Dit is in lijn met hoe het Verwey-Jonker instituut de rol van overheden in relatie tot de sociale basis definieert; “De sociale basis is niet iets wat ‘extern’ door overheden wordt opgelegd, maar wat vanuit de samenleving zelf ontstaat. Overheden en organisaties kunnen haar faciliteren en stimuleren, maar de legaliteit en eigenaarschap ligt in de samenleving (bij gemeenschappen) zelf.”97 Het is daarom niet mogelijk om het beleidskader sociale basis de facto te toetsen, juist omdat de sociale basis dagelijks wordt vormgegeven door “vele mensen, gemeenschappen, initiatieven en organisaties”.98 Om de praktijk in kaart te brengen is uitgebreid onderzoek nodig waarbij de realiteit en voortgang op tal van indicatoren onderzocht moeten worden.99 Dit valt niet binnen de afbakening van deze scan. Het VN-Vrouwenverdrag verplicht overheden maatregelen te nemen om volledige ontplooiing en ontwikkeling van vrouwen te verzekeren en discriminatie tegen vrouwen in het economische en maatschappelijke leven uit te bannen. Ook in de sociale basis is het daarom van belang aandacht te hebben voor gender en knelpunten waar specifiek als vrouwen als doelgroep in de praktijk tegen aanlopen.

3. Consultatie met de doelgroep

Het beleidskader voor de sociale basis is uitgewerkt met een brede vertegenwoordiging, zowel bestuurlijk als met partners in het veld. Op 6 juni 2023 hebben ongeveer 250 partners in twee dagdelen meegedacht over de contouren van het kader. Op de stadsconferentie sociale basis op 4 juli 2023 hebben raadsleden, leden van stadsdeelcommissies en bestuurscommissie Weesp besproken wat zij belangrijk vinden. Op vijf momenten is er fysieke inspraak geweest in verschillende delen van de stad en daarnaast was er de optie schriftelijk te reageren. Voor de totstandkoming van het beleid zijn er adviesaanvragen gedaan bij de WMO adviesraad, cliëntenbelang en stadsdeelcommissies. Het is een zorgvuldig proces geweest en het is duidelijk dat de gemeente consultatie belangrijk vindt in dit beleidsdomein. In het beleidsstuk wordt dat ook benadrukt met betrekking tot de monitoring van het beleid. In de sociale basis wordt belang gehecht aan de inbreng van bewoners. Zij kennen hun buurt en weten niet alleen welke problemen er spelen, maar ook welke kansen en krachten er zijn. Zij hebben vaak duidelijke ideeën over hoe het beter of anders moet. Juist deze ideeën, ervaringen en kennis zijn nodig om díe dingen te veranderen waar zij behoefte aan en profijt van hebben.

Voor de monitoring van het beleid zal de gemeente in gesprek gaan met bewoners en partners en horen wat wel en niet goed gaat in het gebied. Beleidsmedewerkers geven aan dat een aantal organisaties die zich specifiek richten op vrouwen en/of meisjes een reactie heeft gegeven op het beleidskader. Dit is belangrijk, zeker met het oog op specifieke kwetsbaarheden van Nederlandse Vrouwenraad, Whitepaper | De winst van digitale inclusie 2022 Verwey-Jonker Instituut, De sociale basis: kernboodschap en position paper, 2023, p. 1 98 Ibid, p. 2 99 Zie hiervoor onder andere; Movisie, Sterke Beleidsinterventies, Sterke Sociale Basis, 2021 96 97

39

RAPPORT

vrouwen in de sociale basis. Het is van belang dit ook bij de monitoring te continueren.

4. Gendersensitiviteit, data en intersectionaliteit Gendersensitiviteit Uit het beleidsstuk wordt niet duidelijk wat de effecten zijn op gendergelijkheid (positief of negatief). In het beleidskader sociale basis wordt een analyse gemaakt van de maatschappelijke context en nader ingegaan op ontwikkelingen die relevant zijn voor het beleid. De rol van gender, trends en uitdagingen die voor vrouwen relevant zijn, zijn geen onderdeel van de analyse. Het beleid is genderneutraal (zonder expliciete aandacht voor gender- en sekse verschillen) geformuleerd en zet de Amsterdammer centraal. Er wordt beperkt onderscheid gemaakt tussen doelgroepen. De genderneutrale benadering zorgt ervoor dat op verschillende thema’s in de sociale basis niet duidelijk wordt dat vrouwen een andere uitgangspositie hebben dan mannen. Zij lopen tegen gender en sekse specifieke belemmeringen en risico’s aan die invloed hebben op hun gezondheid en bestaanszekerheid. Subsidie De subsidieverordening sociale basis Amsterdam 2025 maakt het mogelijk subsidie te verlenen voor activiteiten die een bijdrage leveren aan het bereiken van de doelen uit het beleidskader sociale basis. De subsidieverordening is genderneutraal geformuleerd en er wordt geen onderscheid gemaakt tussen doelgroepen.

In het beleidskader geeft de gemeente aan dat de gebiedsopgave vooral wordt gebruikt om aan de voorkant van de subsidiecyclus te beoordelen welke activiteiten worden gesubsidieerd. Zo werd ingezet op een optimale mix van activiteiten passend bij de opgave in gebieden. Op het niveau van subsidiebeschikkingen werd achteraf bekeken of de afgesproken inzet was geleverd en of met die inzet ook was bijgedragen aan het beoogde doel. Een gendersensitieve aanpak is geen voorwaarde voor de toekenning van subsidies. Als er gezocht wordt naar een optimale mix van activiteiten passend bij de opgave in de gebieden, is het belangrijk dat vrouwen en vrouwenorganisaties ruim vertegenwoordigd zijn als ontvanger van toegekende subsidies, zeker kijkend naar de genderspecifieke uitdagingen voor vrouwen in de sociale basis. Anti-discriminatie en inclusie zijn onderdeel van de voorwaarden voor toekenning van subsidies. De gemeente verwacht van partners dat zij hier aandacht voor hebben in de interne organisatie. Ook moet in de subsidieaanvraag aangegeven worden hoe partners inclusie en anti-discriminatie verankeren in hun aanbod. Aanvragen worden beoordeeld op een lijst van criteria, waaronder gerichtheid op preventie, inclusie, cohesie en cultuursensitiviteit. Gendersensitiviteit is hier geen onderdeel van.

Data De probleemanalyse in het beleidsstuk wordt niet expliciet onderbouwd met data, ook niet op gender/sekse. Om de problematiek, uitdagingen en kansen in de sociale basis beter inzichtelijk te maken is onderbouwing met data, uitgesplitst naar relevante categorieën (waaronder sekse/gender) van belang. De gemeente geeft in het beleidskader aan dat de sociale basis zich moeilijk laat uitdrukken in cijfers. Dit heeft mogelijk te maken met de aard van de sociale basis, die meer procesgericht dan resultaatgericht is. Hierdoor is het effect van de inzet niet altijd meetbaar uit te drukken. Daarom wil de gemeente kwalitatief onderzoek komende jaren uitbreiden. Kennisinstituten in de stad worden hierbij betrokken. Verder onderzoekt de gemeente jaarlijks één of enkele (vergelijkbare) interventies in verschillende stadsdelen. Dat brengt in beeld hoe interventies eruitzien, welke methodieken worden gebruikt en hoe deelnemers de interventies ervaren. Daarnaast zijn er plannen voor onderzoek gericht op een specifieke doelgroep of een specifieke problematiek binnen de sociale basis. Om de verplichtingen uit het VN-Vrouwenverdrag door te vertalen zou de gemeente gericht onderzoek moeten doen naar vrouwen en meisjes. Dit is ook van belang voor de uitbreiding van de stedelijke monitor sociale basis en indicatoren die worden benoemd in het beleidsstuk.

Intersectionaliteit Inclusie wordt gezien als een van de belangrijke randvoorwaarden voor een stevige sociale basis. In het beleid staat aangegeven dat activiteiten in de sociale basis zo veel mogelijk toegankelijk voor alle Amsterdammers (fysiek en sociaal) moeten zijn. Soms is extra inspanning nodig om een bepaalde groep Amsterdammers in de veiligheid van de eigen groep een extra steuntje te geven. Dit uitgangspunt laat zien dat er bewustzijn is rond diversiteit en discriminatie en hoe dit toegankelijkheid kan beïnvloeden.

40

RAPPORT

Hierbij was een intersectionele analyse van toegevoegde waarde geweest. De gemeente kijkt vooral naar kwetsbaarheid als factor maar er wordt geen uitgebreide analyse gemaakt van barrieres waar kwetsbare groepen tegenaan lopen, waarom ze risico lopen en welke factor discriminatie hierin is. Bovendien worden de lagen die iemands identiteit vormen niet gecombineerd. Als je kijkt naar de intersecties van gender en migratieachtergrond blijkt bijvoorbeeld dat vrouwen met een migratieachtergrond een grotere kans hebben om in de bijstand terecht te komen. Deze informatie is weer relevant voor beleid op kansengelijkheid.

5. Samenhang overig beleid

De sociale basis richt zich op gelijke kansen op vier hoofddoelen. Onder elk van deze deelgebieden wordt duidelijk geschetst hoe de sociale basis zich verhoudt tot het al bestaande beleid, de nota’s en interventies die uit andere domeinen worden geïmplementeerd. Denk hierbij aan de gezondheidsnota, Participatiewet en schuldhulpverlening. Daarnaast is de sociale basis nader uitgewerkt in de gebiedsplannen. Sterke bestuurlijke en ambtelijke samenwerking met directie Werk, Participatie en Inkomen is voorzien en ook de buurtteams en ouder- en kindteams spelen een rol. Een visie op hoe gendergelijkheid binnen dit domein in samenhang wordt bekeken met de andere thema’s die relevant zijn voor vrouwen ontbreekt.

Samenvatting en conclusie domein sociale basis • Als het gaat om meedoen in de samenleving erkent het beleidskader dat gender, leeftijd, geloof, culturele identiteit, seksuele oriëntatie of beperking hierin een belemmering kunnen vormen. In de analyse, de uitwerking van de maatschappelijke context en beleidsdoelen, wordt een deel van deze belemmeringen meegenomen, voor genderspecifieke belemmeringen geldt dit echter niet. • Doordat het beleid genderneutraal geformuleerd is ontbreekt de structurele aandacht voor vrouwen, hun uitdagingen en de rol van gender in de sociale basis. Onderzoek wijst uit dat de gendercomponent binnen een aantal thema’s in de sociale basis wel sterk aan de orde is. • Het is duidelijk dat de gemeente in het domein sociale basis veel waarde hecht aan consultatie en participatie in beleidsontwikkeling en monitoring. Het proces van totstandkoming van nieuw beleid is zorgvuldig vormgegeven. Ook zijn er duidelijke plannen voor monitoring en inspraak van bewoners. • De subsidieverordening sociale basis Amsterdam 2025 is genderneutraal geformuleerd. Binnen de verordening wordt geen onderscheid gemaakt tussen doelgroepen. Een gendersensitieve aanpak is geen voorwaarde voor de toekenning van subsidies. • Het is uitdagend om het effect van de inzet op de sociale basis te meten.

Om dit beter in kaart te brengen heeft de gemeente een aantal voornemens op het gebied van kwalitatief onderzoek en doelgroepen opgesteld. • In het beleidskader wordt duidelijk dat er binnen de gemeente bewustzijn is over diversiteit en discriminatie en hoe dit toegankelijkheid kan beïnvloeden. Een intersectionele analyse was hierbij van toegevoegde waarde geweest.

Specifieke aanbevelingen domein sociale basis 1. Versterk de doorvertaling van artikel 3 en 13 van het VN-Vrouwenverdrag naar het beleidskader sociale basis. Vrouwen zouden als specifieke doelgroep onderdeel moeten zijn van beleid om voorzieningen voor deze groep toegankelijker te maken en discriminatie tegen te gaan. Het gaat hier vooral om thema’s in de sociale basis waar gender- en/of sekse verschillen groot zijn en die onevenredig impact hebben op het leven van vrouwen. Denk hierbij aan mantelzorg, participatie naar werk, basisvaardigheden, mentale gezondheid, chronische aandoeningen, vergrijzing, bewegen en sport. 2. Voor inclusief en effectief beleid op de sociale basis is een sterke genderanalyse nodig. Deze analyse speelt in op vragen als: Wat zijn de belemmeringen en barrières in de sociale basis specifiek voor vrouwen en meisjes? En hoe zijn die weer anders voor mannen en jongens? Hoe worden uitdaginen versterkt door genderstereotypen, discriminatie, traditionele rolpatronen en maatschappelijke factoren? Hoe kan het beleid erop inspelen om deze barrières weg te nemen? Voor de toekomst wordt aanbevolen een genderanalyse vast onderdeel te maken van beleid.

41

RAPPORT

3. Vul het criterium binnen de subsidieverordening op preventie, inclusie, cohesie en cultuursensitiviteit aan met gendersensitiviteit. Houd bij de beoordeling van activiteiten en toekenning van subsidies ook rekening met de vertegenwoordiging van vrouwen en vrouwenorganisaties. 4. Zorg dat de uitbreiding van kwalitatief onderzoek naar de effecten van de sociale basis een gendersensitieve lens heeft. Voor het onderzoek naar interventies, specifieke doelgroepen en problematiek is het van belang om vrouwen en meisjes als doelgroep mee te nemen. Hetzelfde geldt voor indicatoren die onderdeel zijn van de stedelijke monitor sociale basis. Hiervoor is het van belang dat deze zijn uitgesplitst naar sekse/gender. 5. In het beleidskader sociale basis is er ruimte voor versterking van een intersectionele blik. Dit impliceert niet alleen het identificeren van kwetsbare groepen, maar ook het onderzoeken van de overlappende kenmerken van deze groepen, de uitdagingen waarmee ze worden geconfronteerd en de rol van discriminatie hierin.

42

RAPPORT

6. CASES In dit hoofdstuk worden drie cases beschreven die illustreren hoe bepaalde onderdelen van het VN-Vrouwenverdrag in de praktijk worden toegepast. Het betreffen concrete projectactiviteiten die in de beleidsstukken zijn beschreven en die een goed beeld geven hoe een gendersensitieve aanpak in beleid en/of praktijk eruit kan zien. Door middel van interviews met de projectverantwoordelijken is inzicht verkregen over de inhoud van het project en de wijze waarop beleid en praktijk met elkaar interacteren.

CASE 1: GENDERSENSITIEVE AANPAK VAN HUISELIJK GEWELD EN KINDERMISHANDELING De aanpak Huiselijk Geweld en Kindermishandeling bevat een duidelijke opgave om gender- en cultuursensitief te werken. Carlo van der Linden, Ambassadeur Diversiteit en Inclusie, geeft aan dat de aandacht hiervoor vrij recent is: ‘Er is in de afgelopen 15 jaar veel vooruitgang geboekt op dit terrein. Vroeger was het jongeren- en buurtwerk bijvoorbeeld met name gericht op jongens en mannen, inmiddels is daar verandering in gekomen en is er meer aandacht voor meisjes en vrouwen. Maar het blijft een uitdaging.´ Hij legt uit hoe gender- en cultuursensitief werken in de praktijk werkt: ´Bij de aanpak tegen geweld kijken we veel beter naar onderliggende patronen: Hoe kunnen we er bijvoorbeeld voor zorgen dat vrouwen die geweld bagatelliseren ook beter beseffen dat het niet normaal is wat hen overkomt? Hoe werk je eraan om vrouwen het beste terug in hun kracht te krijgen en welke hulpverlening past daar het beste bij? En is bijvoorbeeld de daklozenopvang wel inclusief? Als je als vrouw het beeld hebt dat de daklozenopvang een plek is voor zwaarverslaafde en drop out mannen van boven de 50, dan is dat een drempel voor veel vrouwen. Uitgangspunt is dat we een analyse maken van de situatie om geweld verder te voorkomen.

Denk bijvoorbeeld aan een vrouw die geen toegang had tot de bankpassen van het gezin, die niet wist hoe de tram werkte, die wist dat haar verblijfsstatus in Nederland afhankelijk was van het feit dat ze getrouwd was. Je probeert dan eerst een analyse te maken en vervolgens bijvoorbeeld schaamte weg te halen bij die vrouw, te kijken naar aannames die zij heeft rondom de rechten en plichten als vrouw. Je neemt in de aanpak gezichtsverlies mee, zowel op het schoolplein als bij haar familie.´ Nieuwe trends halen beleidsmakers op bij de uitvoerders en uit de praktijk. ´We spreken regelmatig met klankbordgroepen, met cliëntenorganisaties, en met maatschappelijke organisaties. Daar is bijvoorbeeld uit gekomen dat we de term loverboys moeten veranderen. Dat woord klinkt veel te schattig, doet geen recht aan wat meisjes en vrouwen overkomt, terwijl de daders gewoon mensenhandelaren zijn. Ook in de strafketen moeten deze daders als zodanig behandeld worden. De toeslagencrisis heeft veel inzichten opgeleverd, bijvoorbeeld hoe geweld zich langzaam kan manifesteren door stress binnen een relatie. Grooming en shaming als nieuwe onderdelen van huiselijk geweld, de link tussen het gebrek aan bestaanszekerheid en geweld zijn ook nieuwe inzichten.´ ´Naast een cultuur- en gendersensitieve benadering streven we ook naar lhbti+ sensitiviteit.

Ik geef zelf trainingen aan beleidsmakers en team managers, maar er zijn ook bewustwordingstrainingen voor mensen die werken in het asielzoekerscentrum, partners in de huiselijk geweld keten, buurtteams, mensen die werken met ongedocumenteerden. En we besteden sinds een aantal jaren extra aandacht aan trans personen in relatie tot huiselijk geweld/kindermishandeling, als ook trans sekswerkers en mannelijke sekswerkers.´

CASUS 2: GENDER- EN SEKSE SPECIFIEKE DATA BIJ GEZONDHEIDSMONITORS In de landelijke en de lokale monitors wordt een opsplitsing naar sekse standaard meegenomen. Programmamanager Claudia Verhagen spreekt over de noodzaak om deze gegevens boven tafel te krijgen: “Vanzelfsprekend kijken we altijd naar man en vrouw-verschillen voor alle thema´s die we in de gezondheidsmonitors uitvragen. Aandacht voor sekse

43

RAPPORT

is zowel bij ons als lokale onderzoekers als landelijk echt een thema. En soms blijkt dan dat er belangrijke verschillen naar boven komen. Die beschrijven we dan in onze rapportages. Bijvoorbeeld bij jonge meiden, die substantieel vaker mentale problemen rapporteerden dan jongens. Daar hebben we een verdiepend onderzoek op uitgevoerd.” ´Uiteindelijk zijn het beleidsmakers die de keuze maken of ze de verschillen relevant genoeg vinden om aangepast beleid te maken en soms heb je dan eerst ook meer informatie nodig. Vaak haal je wel een verschil op, maar is niet altijd direct duidelijk waar het verschil dan precies in zit. Een monitor is vaak de thermometer. Voor de waarom-vraag heb je weer ander onderzoek nodig, zoals een verdiepende analyse, soms kwalitatief onderzoek, of moet je echt met onderzoeksexperts op dat specifieke thema werken. Het zou mooi zijn om bij opvallende verschillen steeds die verdiepende analyse te doen.’ Een nieuwe ontwikkeling is het breder kijken naar gender in de gezondheidsmonitors van de GGD-en. ´Sinds kort, sinds de monitors van 2021 en 2022, nemen we in alle monitors ook gender breder mee in onze onderzoeken en is naast man/vrouw of jongen/meisje ook de categorie ´anders´ een antwoordmogelijkheid. Dit uitvragen doen we voor jongeren anders dan voor volwassenen en jongvolwassenen.

Daardoor komt er nu dus ook meer informatie beschikbaar over de groep die met ´anders of non-binair´ antwoordt. De eerste publicatie vanuit de landelijke jeugdmonitor liet zien dat de groep ´anders´ een zeer kwetsbare groep is op meerdere vlakken, de verdieping moet nog verder worden onderzocht.´

CASUS 3. SAMENWERKING MET ERVARINGSDESKUNDIGEN Het Programma Gezonde en Kansrijke Start (GKS) staat voor het bevorderen van een gezonde start voor pasgeboren kinderen en het ondersteunen van ouders gedurende de eerste 1000 dagen. Ouders worden hierbij ondersteund in hun rol als opvoeder voor, tijdens en na de zwangerschap. Hoewel in het beleid risico- en beschermende factoren worden geïdentificeerd, zijn er geen specifieke risicogroepen gedefinieerd. Vaak is wel bekend in welke wijken ouders te maken hebben met een stapeling van risicofactoren, maar is het lastig hen te bereiken. In de praktijk wordt duidelijk welke ouders meer ondersteuning nodig hebben en hoe deze het beste kan worden geboden. Daniëlle Kretz, programmamanager Gezonde en Kansrijke Start bij de GGD Amsterdam, benadrukt het belang van een bottom-up benadering via informele organisaties om de behoeften van ouders in kaart te brengen. ‘Als je ouders wilt bereiken en wilt weten wat er echt leeft, zul je actief naar de plekken moeten gaan waar zij zich bevinden zoals op het schoolplein, de taalcursus of het buurthuis in de wijk’, aldus Kretz. In coalitieoverleggen op stadsdeel en stadsbreed niveau worden de signalen vanuit deze informele netwerken gedeeld met andere partners zoals verloskundigen, gynaecologen en de kraamzorg.

Via deze route ontstaan activiteiten die de behoeften van de doelgroep verder in kaart brengen alsmede initiatieven om ouders beter te bereiken en ondersteunen. Een concreet voorbeeld is een behoefteonderzoek onder moeders in Nieuw-West.100 Het gaat om pas bevallen vrouwen met een migratieachtergrond (o.a. Eritrees, Somalisch, Syrisch, Marokkaanse en Turks). Doel is om zwangere vrouwen en moeders met een klein netwerk beter te bereiken en te ondersteunen met materialen die aansluiten bij hun informatiebehoefte. Op basis van het onderzoek is een prijswinnende online-serie ontwikkeld die professionals kunnen gebruiken. De tool wordt in Nieuw-West uitgerold met mogelijk uitbreiding door heel Amsterdam. Een ander project richtte zich op het verbeteren van de relatie tussen nieuwkomers en (kraam)zorgprofessionals door middel van interviews en wederzijdse gesprekken, resulterend in onder meer een theatrale vertelling.101 Acteurs vertellen hierbij het verhaal vanuit de vrouwen zelf en de uitdagingen die zij ervaren met het gezondheidssysteem in Amsterdam. Deze informatie helpt professionals bij cultuursensitief werken en interculturele communicatie. Deze voorbeelden tonen aan dat directe betrokkenheid van de doelgroep en een ketenaanpak zorgen voor beter aansluitend beleid. Kretz benadrukt het belang van het integreren van praktijkinzichten in beleid en vice versa.

Als voorbeeld noemt zij de training van jeugd- en gezondheidszorgprofessionals op sensitief werken om effectief contact te leggen met doelgroepen. Zij ziet dit als voorwaarde om het beleidsdoel van ‘outreachend’ werken te behalen. Op die manier versterken beleid en praktijk elkaar.

100 Gemeente Amsterdam / Dream Support, Behoefte onderzoek. Wat hebben vrouwen uit Nieuw-West, die zwanger of net bevallen zijn nodig aan informatie, steun en netwerk? juni 2022. 101 Vertelling Cultureluurs: https://on-the-spot.nl/gks/cultureluurs/

44

RAPPORT

7. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Voor deze scan is het zorg- en welzijnsbeleid van de gemeente getoetst aan het VN-Vrouwenverdrag. Met behulp van het ontwikkelde toetsingskader, analyse van beleidsdocumenten en een enquête onder beleidsmakers, medewerkers van uitvoeringsorganisaties en maatschappelijke organisaties is onderzocht in hoeverre vrouwenrechten en een gendersensitieve aanpak zijn geïntegreerd in het beleid en de uitvoering van vijf beleidsdomeinen. In hoofdstuk 5 zijn de resultaten op elk domein beschreven en zijn specifieke aanbevelingen per beleidsdomein geformuleerd. In dit hoofdstuk richten we ons op de overkoepelende conclusies en aanbevelingen die voortkomen uit deze scan. Het zorg- en welzijnsbeleid binnen de Wpg en Wmo van de gemeente (gezondheidszorg, seksuele gezondheid, geweld, dak- en thuisloosheid en sociale basis) sluit over het algemeen vrij goed aan bij het VN-Vrouwenverdrag. De toegang tot zorg is voor vrouwen over het algemeen goed gegarandeerd, al zijn er enkele knelpunten, bijvoorbeeld rondom wachtlijsten. Het overkoepelend beleid rondom seksuele gezondheid is verouderd, maar sluit inhoudelijk goed aan bij de verplichtingen uit het VN- Vrouwenverdrag. Ook gaat de aanpak HGKM uit van een gendersensitieve aanpak en zijn er geen indicaties van structurele discriminatie van vrouwen.

Toch zijn er ook belangrijke verbeterpunten mogelijk om het beleid meer gendersensitief te maken. Hieronder worden de belangrijkste aanbevelingen voor de gemeente beschreven om de positie van vrouwen en meisjes in Amsterdam op het gebied van vrouwenrechten en gendersensitieve aanpak duurzaam te versterken, met name op het vlak van zorg en welzijn.

Beweeg van genderneutraal beleid naar gendersensitief beleid

Het overgrote deel van het beleid op zorg en welzijn is genderneutraal geformuleerd (zonder expliciete aandacht voor gender- of sekseverschillen). Het beleid op gendergerelateerd geweld is hierop een uitzondering. Uit de enquêtes onder beleidsmakers van de gemeente en werknemers van uitvoeringsorganisaties bleek dat onder hen soms de veronderstelling leeft dat met een neutrale bewoording het beleid per definitie voldoet aan het VN-vrouwenverdrag omdat er geen onderscheid wordt gemaakt. De intentie is goed, maar niet in lijn met het Verdrag en/of de algemene aanbevelingen omdat er juist aandacht gevraagd wordt om gendersensitief naar het beleid te kijken en dus om juist wel te kijken naar verschillende effecten van het beleid en verschillende uitgangsposities van vrouwen en op mannen. Gendersensitief werken vereist dus een verschuiving van paradigma van genderneutraal naar gendersensitief. Dit betekent dat beleid rekening houdt met sociaal-culturele genderrollen, eigenschappen die aan mannen en vrouwen worden toegeschreven in de samenleving en erkent dat vrouwen verschillende belemmeringen, realiteiten en behoeften hebben. Door een genderanalyse onderdeel te maken van de probleemanalyse en de aanpak kan beleid bijdragen aan gendergelijkheid en gelijke uitkomsten voor mannen en vrouwen.

Voer een genderanalyse uit, ook bij thema’s die niet direct voor de hand liggen

Een genderanalyse is een belangrijk onderdeel van de beleidscyclus. In die analyse wordt onderzocht wat de effecten zijn van beleid op gendergelijkheid en hoe verschillen naar gender verkleind kunnen worden. Deze analyse is niet altijd eenvoudig, maar wel noodzakelijk. Indien er geen adequate genderanalyse wordt uitgevoerd, bestaat er een risico dat het beleid onbedoeld leidt tot indirecte discriminatie. Ook bij subsidiestromen is het relevant om rondom aanbestedingen een genderanalyse (ook wel genderbudgeting) uit te voeren die nagaat in hoeverre financiële stromen terechtkomen bij vrouwen(organisaties). Belangrijk bij deze genderanalyse is dat deze op basis van uitgesplitste data wordt gedaan en dat de kennis en bewustwording bij beleidsmakers en uitvoerders hierover voldoende is, zodat de analyse niet een ´check the box´ is, maar een oprechte verdieping en verbetering van het beleid.

45

RAPPORT

Zorg voor goede onderbouwing van de genderanalyse op basis van data

Vaak is er niet voldoende inzicht in de problematiek voor (verschillende groepen) vrouwen en meisjes. Op sommige beleidsterreinen worden onderzoek en data aangehaald waarbij gender- en/of sekseverschillen wel aangetoond worden, maar dit vertaalt zich niet altijd naar gendersensitief beleid. In de eerste plaats is het verzamelen van data naar gender en/of sekse noodzakelijk voor een nauwkeurige probleemanalyse binnen de genderanalyse, maar het is ook belangrijk om gevonden verschillen te vertalen naar beleid voor een effectieve beleidsontwikkeling en positieve impact. Wanneer er geen data zijn, moet er in de eerste plaats worden gekeken naar manieren om deze te verkrijgen, zoals bijvoorbeeld bij dakloosheid. En soms is verdiepend onderzoek nodig om gender- en/of sekseverschillen te begrijpen, om meer inzicht te krijgen in risicofactoren, behoeften, kwetsbare of ondervertegenwoordigde groepen of blinde vlekken, of om een vertaalslag naar effectief beleid te kunnen maken.

Trainingen kunnen helpen om beleidsmakers beter toe te rusten

Zorg dat beleidsmakers en werknemers bij uitvoeringsorganisaties goed weten hoe ze gendersensitief beleid moeten maken en hoe uitvoerders dit moeten implementeren. Dit kan door middel van trainingen en workshops over hoe een genderanalyse uitgevoerd kan worden of hoe een intersectionele aanpak kan worden verstevigd. Beleidsambtenaren staan welwillend tegenover gendersensitief beleid, maar worden geremd door misvattingen en onduidelijkheden omtrent de betekenis ervan en de toepassing, bleek uit onderzoek geïnitieerd door het College voor de Rechten van de Mens.102 De gemeente kan op cruciale momenten in de beleidscyclus eventueel ook de hulp inschakelen van externe experts.

Blijf beleid vernieuwen en updaten

Voor seksuele gezondheid ontbreekt actueel overkoepelend beleid. Het actualiseren van inhoudelijk beleid is belangrijk om aan te sluiten bij nieuwe ontwikkelingen, inzichten, versterkt legitimiteit en kan fragmentatie tegengaan. In het gezondheidsbeleid of het beleid rondom de sociale basis en dakloosheid kan in toekomstige herzieningen een duidelijkere link gemaakt worden met gendergelijkheid, de risicofactoren en specifieke problemen waar (bepaalde groepen) vrouwen mee te maken krijgen. Als beleidsmaker kan het concreet benoemen van gendergelijkheid helpen om tot een scherper en effectiever beleid te komen. Soms zijn andere risicofactoren voor kansenongelijkheid wel benoemd, zoals achtergrond of sociaal-economische status, maar ontbreken gender en/of sekse.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15987165/1