1. Rapportage beheer en telling damherten 2024-2025.pdf
Tekst van het document
Rapportage beheer en telling damherten Beheerseizoen 2024-2025
i
Colofon Refereren als
FBE Noord-Holland (2025). Rapportage beheer en telling damherten: seizoen
2024-2025. Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland. Haarlem.
Auteurs
Stichting Faunabeheereenheid NoordHolland
Postadres
Spaarne 17
2011 CD Haarlem T 023 – 21 00 223
E info@fbenoordholland.nl
I https://fbenoordholland.nl/ Eindredactie
Stichting Faunabeheereenheid NoordHolland Foto’s:
Shutterstock, tenzij anders vermeld.
ii
Inhoudsopgave Inhoudsopgave .......................................................................................... iii 1
2
3
4
Inleiding ................................................................................................. 1
Populatieontwikkeling ....................................................................... 11 4.1
De telmethode ............................................................................... 11
1.1
Faunabeheerplan damherten...................................................... 1
4.2
Resultaten ................................................................................. 12
1.2
Provinciale opdrachten ter voorkoming van onnodig lijden 2
4.3
Tendens populatieontwikkeling ........................................... 14
1.3
Gehanteerde begrippen en definities ........................................ 2
4.4
Effect op de wettelijke belangen ........................................... 16
1.4
Gegevensbronnen ......................................................................... 3
5
Aanbevelingen beheerseizoen 2025-2026 .................................. 20
De populatie en het plangebied ....................................................... 4
6
Conclusies .......................................................................................... 24
2.1
De populatie.................................................................................... 4
Bijlagen ...................................................................................................... 25
2.2
Het plangebied........................................................................... 4
2.3
Uitvoering van het beheer ....................................................... 5
Bijlage 1: totale reductie van damherten op grond van de ontheffingen binnen en buiten het leefgebied en de opdracht ter voorkoming van onnodig lijden..........................................................26
Resultaten beheerjaar 2024-2025 ................................................... 7 3.1
Uitvoering beheerseizoen 2024-2025. ....................................... 7
3.2
Resultaten uitvoering beheer. ................................................ 7
3.3
Jaarrond optreden in de bufferzone en nulstandsgebied . 8
iii
1
Inleiding
1.1
Faunabeheerplan damherten
In de regio tussen IJmuiden in het noorden en Den Haag in het zuiden komen damherten voor. De kern van de verspreiding ligt in de duingebieden van het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid: het Nationaal Park Zuid-Kennemerland (NPZK) en de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD). De populatie in de regio heeft zich ontwikkeld van enkele uitgezette en ontsnapte dieren rond 1955, tot een piek van meer dan 5.500 getelde dieren in 2016 (zie hoofdstuk 5 voor een inschatting van de werkelijke aantallen). Het aantal damherten in Zuid-Kennemerland was (en is nog altijd) dermate groot geworden dat er sprake is van ernstige schade aan flora en (andere) fauna en daardoor bedreigend voor de Natura2000 instandhoudingsdoelstellingen. Doordat de herten ook regelmatig de duingebieden verlaten, zorgen ze ook voor schade in het verkeer, aan landbouwgewassen (hoofdzakelijk bollenvelden) en voor overlast en schade aan particuliere eigendommen. Om die schade terug te dringen wordt populatiebeheer uitgevoerd om de populatie weer in balans te brengen met wat de regio kan dragen. Dit beheer wordt uitgevoerd zoals beschreven in het Faunabeheerplan Damherten 2020-2026 (te vinden op de websites van de Faunabeheereenheden van Noord- en Zuid-Holland).
Het populatiebeheer is onderdeel van een in het beheerplan beschreven samenhangend pakket aan maatregelen om de schade aan flora en fauna, het verkeer en landbouwgewassen terug te brengen tot een aanvaardbaar niveau en daarbij tegelijkertijd het duurzaam voortbestaan van de populatie te garanderen. Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
Bij de start van het beheer is op grond van historische gegevens over schade een aantal getelde herten de inschatting gemaakt dat bij een aantal van 800 tot 1000 getelde damherten de invloed van de herten weer binnen acceptabele grenzen zou blijven. Het doel van het populatiebeheer is dan ook om de populatie damherten tijdens de looptijd van het huidige faunabeheerplan terug te brengen naar 800 tot 1000 getelde damherten, waarvan 600-800 in het leefgebied AWDBN en circa 200 in het NPZK. Buiten het leefgebied wordt een nulstand nagestreefd. In de leefgebieden Coepelduynen en MeijendelBerkheide leeft (nog) geen populatie damherten. Daarom is nog geen streefstand geformuleerd voor deze gebieden. (zie hoofdstuk 2 voor de gebiedsaanduidingen). Op basis van het Faunabeheerplan is in Noord-Holland nog onder de Wet natuurbescherming een ontheffing afgegeven op grond waarvan populatiebeheer is toegestaan tussen 1 november en 31 maart. In Zuid-Holland is 1 september aangehouden als startdatum. In de nulstandsgebieden wordt op grond van andere ontheffingen jaarrond opgetreden. Voortgangsrapportage Na afloop van ieder beheerjaar wordt de voortgang van het beheer gerapporteerd en geëvalueerd.
Daarbij wordt gekeken naar resultaten van het uitgevoerde afschot, het aantal door andere oorzaken omgekomen damherten (het zogenaamde valwild), waaronder het aantal aanrijdingen met damherten, de stand van zaken ten aanzien van de flora en fauna en de getaxeerde 1
landbouwschade en uiteraard de populatieontwikkeling aan de hand van de jaarlijkse tellingen. Dit beheerrapport bevat de gedetailleerde gegevens van het beheerseizoen 2023 – 2024. Verder wordt ingegaan op de trends vanaf de start van het beheer in 2016 zowel wat betreft het beheer, het valwild en de populatieontwikkeling.
1.2
Provinciale opdrachten ter voorkoming van
onnodig lijden
Ter voorkoming van onnodig lijden van damherten geldt in Noord- en Zuid-Holland een provinciale opdracht om zieke en gewonde damherten (en reeën) te doden. We rapporteren hier ook over het in dit kader geschoten dieren. Deze dieren worden gevat onder de noemer ‘valwild’. In Noord-Holland is een opdracht van kracht (Wnb besluit 15, 2019 1) die het mogelijk maakt om in de gehele provincie, inclusief de bebouwde kom en terreinen die niet voldoen aan de vereisten van een jachtveld, zieke en gewonde damherten (Dama dama) en reeën (Capreolus capreolus) te doden ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren. In Zuid-Holland is een aanwijzing van kracht op grond van de (voormalige) Flora- en faunawet, die overgangsrechtelijk geldt als ‘opdracht’. Deze aanwijzing maakt het mogelijk om in de gehele provincie gedurende het gehele jaar zieke en gewonde damherten en damherten die een acuut gevaar vormen voor de verkeersveiligheid te doden, ook in de bebouwde kom en in velden die niet voldoen aan
1
Geldigheid in december 2024 met één jaar verlengd.
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
de jachtveldvereisten (PZH-2010-178900422/ PZH-2011-299830429/ PZH-2011-301880843). De reikwijdte van beide provinciale opdrachten (voorheen aanwijzingen) is dus verschillend. In Noord-Holland kunnen alleen zieke en gewonde dieren uit hun lijden worden verlost. Damherten die een direct gevaar vormen worden hier geschoten op basis van de ontheffing ‘buiten leefgebied’. In Zuid-Holland kunnen ook damherten die een direct gevaar vormen geschoten worden onder dit besluit. De noodzaak van het afschot (valwild of uitvoeringbeheer) wordt altijd geregistreerd. In hoofdstuk 3 wordt gerapporteerd over het afschot ter voorkoming van onnodig lijden en over dieren die al waren overleden aan hun verwondingen.
1.3
Gehanteerde begrippen en definities
Hert Hinde Spitser Smaldier Kalf
Onbekend Beheer
: mannelijk damhert van 2 jaar of ouder : vrouwelijk damhert van 2 jaar of ouder : mannelijk damhert van 1 jaar oud (in 2e levensjaar) : vrouwelijk damhert van 1 jaar oud (in 2e levensjaar) damhert in zijn/haar eerste levensjaar (kalf wordt geboren in mei/juni) : damhert niet ingedeeld in een geslachts-levensfase (soms is een van beide wel bekend) Onder beheer wordt in dit rapport verstaan: Het planmatig en gecoördineerd afschot van damherten ter voorkoming van onevenredige schade aan maatschappelijke belangen op basis van het
2
Valwild:
Beheerjaar:
1.4
faunabeheerplan. Het beheer is in eerste instantie gericht op reductie van het aantal damherten tot de doelstand en daarna op het handhaven van die doelstand. Alle damherten die door andere redenen dan het planmatig beheer zijn overleden. Daaronder vallen zowel damherten die zijn gestorven of uit hun lijden zijn verlost als gevolg van een aanrijding, of andere onnatuurlijke oorzaken. Aanvankelijk werden ook damherten die dood zijn gevonden en wellicht een natuurlijke dood zijn gestorven als valwild genoteerd maar de laatste jaren wordt hier geen melding meer van gemaakt. Het beheerjaar loopt van 1 april tot en met 31 maart; de periode tussen de jaarlijkse tellingen.
Gegevensbronnen
Afschotgegevens Elk geschoten damhert en valwild wordt met precieze aanduiding van de locatie ingevoerd in digitale registratiesystemen. In Noord-Holland is dat tot 31 december 2022 het Fauna Registratiesysteem (FRS), daarna is FaunaSpot in gebruik genomen voor registratie van geschoten dieren.
2
Boa = Buitengewoon opsporingsambtenaar.
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
Valwild De monitoring van valwildgegevens is in Noord-Holland belegd bij de Stichting Wildaanrijdingen Nederland (SWN). De gegevens worden genoteerd in het Boa 2 Registratiesysteem (BRS) en jaarlijks worden aantallen doorgegeven aan de FBE. In Zuid-Holland zijn de dieren geregistreerd in DORA, het eigen registratiesysteem van de FBE-ZuidHolland. Telgegevens Eind maart/begin april vinden elk jaar de tellingen plaats van het aantal damherten. In Zuid-Holland worden de telgegevens ook ingevoerd in DORA. In Noord-Holland is in 2025 voor het eerste gebruik gemaakt van de app Avimap (https://avimap.sovon.nl/) voor de registratie van de tellingen in plaats van papieren formulieren. In ZuidHolland is gebruik gemaakt van Wildradar, een web-applicatie voor de registratie van de tellingen. In de digitale applicaties zijn alle registraties voorzien van een locatie met x- en y coördinaten, maar soms is duidelijk dat de registraties niet op de juiste locatie zijn aangegeven 3. Deze zijn dan handmatig gecorrigeerd naar een nabijgelegen plek in het juiste beheergebied. Op basis van de in de datasets aangegeven coördinaten zijn via een Geografisch Informatiesysteem (GIS) selecties gemaakt voor de in het beheerplan onderscheiden deelgebieden.
3 Locaties worden in FaunaSpot automatisch bepaald maar kunnen bij slechte GSM ontvangst soms onnauwkeurig. Het is aan de gebruikers om dit te signaleren. 3
2
De populatie en het plangebied
2.1
De populatie
De populatie damherten in het plangebied leeft vrijwel geheel in de duingebieden het Nationaal Park Zuid-Kennemerland (aangeduid als leefgebied NPZK), de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD), De Blink en Boswachterij Noordwijk (samen aangeduid als leefgebied AWD-BN). In totaal omvat het leefgebied ruwweg de duinen tussen IJmuiden en Noordwijk. De populatie is in leefgebied NPZK in de jaren ’50 gestart met enkele uitgezette dieren. Van daaruit zijn dieren uitgezworven door de regio en in de loop der jaren her en der aangevuld met uit privécollecties losgelaten en/of ontsnapte dieren (ongedocumenteerd). Sinds de jaren ’90 is met name in de AWD de populatie snel gaan groeien, doordat daar geen actief beheer plaatsvond. In het NPZK is in de periode vanaf eind jaren 1980 tot 2009 door actief beheer een populatie van 200 dieren nagestreefd, waardoor de populatie nooit het niveau heeft bereikt zoals in de AWD. Tussen 2009 en 2016 heeft ook in het NPZK geen beheer van de populatie plaatsgevonden, omdat daarvoor de benodigde ontheffingen ontbraken. In die jaren is ook deze deelpopulatie flink toegenomen. Vanaf 2016 wordt in de leefgebieden een vorm van populatiebeheer toegepast om de populatie terug te brengen naar de streefstand van in totaal 800-1000 getelde dieren, te bepalen op basis van de jaarlijkse tellingen. In het buiten het als leefgebied aangewezen gebied is het
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
vóórkomen van damherten ongewenst en wordt een zogenaamde nulstand nagestreefd.
2.2
Het plangebied
Het plangebied ligt tussen IJmuiden en Den Haag en ligt in de provincies Noord- en Zuid-Holland, zie Figuur 1 op pagina 6. Het plangebied is opgedeeld in vier deelgebieden (A, B, C en D), die van elkaar zijn gescheiden door bebouwing, infrastructuur of water. Binnen ieder gebied wordt onderscheid gemaakt in een leefgebied voor damherten met daarbinnen een bufferzone. Buiten het leefgebied ligt een zogenaamd nulstandgebied. - Leefgebied: het groen omrande deel van de kaart: het gaat hier om (voornamelijk) duingebied, waarin een damhertenpopulatie van 800-1000 (getelde) dieren zich kan en mag handhaven. De totale omvang van de vier leefgebieden is 10.248 ha. - Bufferzone: dit zijn zones in de randen van de leefgebieden waar damherten frequent het leefgebied verlaten en daarbij een risico opleveren voor het verkeer, schade op landbouwgronden en/of in de bebouwde kom komen. Deze zones horen bij het leefgebied, maar er gelden andere beheervoorwaarden. In een bufferzone kan de beheerder jaarrond gericht ingrijpen om te voorkomen dat herten het leefgebied verlaten en hierdoor voor schade en overlast zorgen. Het zijn vrijwel alleen mannelijke dieren die dit doen.
4
-
Nulstandgebied: de zone binnen het plangebied (rode lijn) en buiten het leefgebied (groene lijn). Het gaat hier om (voornamelijk) agrarisch en bebouwd gebied. In deze zone zijn damherten ongewenst vanwege de risico’s voor het verkeer en schade. Het hele jaar door is ingrijpen toegestaan om de gewenste nulstand te bereiken.
Binnen gebieden A, B, C en D bevinden zich van noord naar zuid onderstaande leefgebieden: Leefgebied Nationaal Park Zuid-Kennemerland (NPZK) Het leefgebied NPZK bestaat uit het noordelijkste deel van het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid en bevat het Nationaal Park ZuidKennemerland. Het is een duingebied gelegen tussen IJmuiden en Zandvoort. Het is in beheer bij Provinciaal Waterleidingbedrijf NoordHolland (PWN), Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, de gemeenten Velsen, Bloemendaal en Zandvoort en een aantal particuliere landgoedeigenaren. Dit leefgebied is circa 3402 ha groot. Leefgebied Amsterdamse Waterleidingduinen-Boswachterij Noordwijk (AWD-BN) Het leefgebied AWD-BN bestaat uit het zuidelijkste deel van het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Het is een duingebied tussen Zandvoort en Noordwijk aan Zee en bevat de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD), Het Langeveld, De Blink en Boswachterij Noordwijk. Dit leefgebied ligt voor een deel in Noord-Holland en een deel in Zuid-Holland. De AWD en het grootste deel van De Blink zijn eigendom van de gemeente Amsterdam en in beheer bij Waternet. Het Langeveld en een deel van De Blink worden beheerd door het ZuidHollands Landschap. Staatsbosbeheer is de beheerder van
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
Boswachterij Noordwijk en het westelijke deel van De Blink. Alles bij elkaar is het leefgebied circa 4059 ha groot. Leefgebied Coepelduynen (CPD) Het leefgebied CPD bestaat uit het Natura 2000-gebied de Coepelduynen, dat zich bevindt tussen Noordwijk aan Zee en Katwijk. Het is grotendeels in beheer bij Staatsbosbeheer en het is circa 152 ha groot. Leefgebied Meijendel en Berkheide (MB) Leefgebied MB bestaat uit het Natura 2000-gebied MeijendelBerkheide en ligt tussen Katwijk en Den Haag. Het is in beheer bij Dunea en Staatsbosbeheer en het is circa 2635 ha groot.
2.3
Uitvoering van het beheer
Het beheer in de leefgebieden wordt vrijwel geheel uitgevoerd door de eigen boswachters van de terreinbeherende natuurorganisaties (Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, PWN, Waternet) en in een enkel geval door een daarvoor ‘ingehuurde’ faunabeheerder. Het beheer buiten de in dit plan aangewezen leefgebieden wordt in de natuurterreinen van het Noord-Hollands Landschap uitgevoerd door de eigen boswachters en daarbuiten door enkele leden van de Wildbeheereenheden (WBE) Zuid-Kennemerland (Noord-Holland) en Duin- en Bollenstreek (Zuid-Holland). Het beheer in het kader van de opdracht ter voorkoming van onnodig lijden (voornamelijk de afhandeling van wildaanrijdingen) is in NoordHolland belegd bij de Stichting Wildaanrijdingen Nederland. De praktische uitvoering wordt verzorgd door een valwildteam van de WBE Zuid-Kennemerland. In Zuid-Holland wordt dit beheer uitgevoerd door een valwildteam van de WBE Duin- en Bollenstreek. 5
Figuur 1: het plangebied uit het beheerplan Damherten met de ligging van de deelgebieden, de leefgebieden en de bufferzones daarin
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
6
3
Resultaten beheerjaar 2024-2025
3.1
Uitvoering beheerseizoen 2024-2025.
Het beheer heeft volgens planning kunnen plaatsvinden. In de periode rond kerst is, zoals gebruikelijk, geen actief beheer uitgevoerd. In het Zuid-Hollandse deel van het leefgebied is als startdatum voor het beheer 1 augustus aangehouden, maar de beheerders kiezen er meestal voor later te beginnen. In Noord-Holland geldt 1 november als startdatum. In de bufferzones is conform de ontheffingsvoorwaarden jaarrond opgetreden om schade te voorkomen, maar het overgrote deel van het afschot in deze zone heeft ook in de toegestane beheerperiode voor het leefgebied plaatsgevonden. Met het steeds verder afnemend aantal damherten kost het per hert steeds meer tijd om nog een dier te kunnen doden. Ook kost de verwerking van gedode mannelijke damherten door hun grootte meer inspanning dan hinden en kalveren. De tijdsinspanning voor de faunabeheerders is daardoor nog altijd groot.
3.2
Resultaten uitvoering beheer.
In het beheerjaar 2024-2025 zijn in het hele plangebied 1895 damherten geschoten in het kader van de ontheffingen of vergunningen en 50 stuks gemeld als valwild, waarbij van een klein aantal dieren is niet helemaal duidelijk of ze in leven zijn gebleven. De totale reductie in het hele plangebied komt daarmee op 1945 damherten. Daarvan zijn 113 stuks buiten de aangewezen leefgebieden
4
Ueckerman & Hansen, 2002. Das Damwild. Biologie, Hege und Jagd.
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
(de nulstandsgebieden) geschoten of door externe oorzaken (valwild) overleden. In zowel de AWD als het NPZK zijn slechts enkele dode damherten aangetroffen die een natuurlijke dood lijken te zijn gestorven. Het is aannemelijk dat de oorzaak van de sterfte vooral ouderdom zal zijn. Damherten worden in de vrije natuur meestal niet ouder dan 9-12 jaar 4. Deze op natuurlijke wijze gestorven dieren worden niet als valwild geregistreerd. Het vermelde aantal is ongetwijfeld een onderschatting van de werkelijke aantallen. De kans dat gestorven dieren worden gevonden is immers niet erg groot. Stervende dieren zoeken meestal een rustige beschutte plek op. Bovendien worden kadavers vrij snel opgegeten door allerlei aaseters zoals de vos. In tabel 1 staat het aantal geschoten damherten inclusief valwild weergegeven voor de verschillende beheerzones en per geslachtsleeftijdscategorie. In bijlage 1 staan de aantallen uitgesplitst per provincie en is valwild apart weergegeven. Veruit de meeste damherten zijn in de leefgebieden geschoten, bovendien bijna allemaal in de leefgebieden NPZK (deelgebied A) en AWD-BN (deelgebied B). In de deelgebieden Coepelduynen (deelgebied C) en Meijendel-Berkheide (D) komt geen populatie damherten voor maar, met enige regelmaat worden wel damherten aangetroffen als valwild
7
en/of in het nulstandsgebied. In deelgebied D 2 damherten geschoten waarvan één het slachtoffer was van een aanrijding. Tabel 1: totale reductie van de populatie damherten als gevolg van het beheer en optreden .t.b.v. het voorkómen van onnodig lijden (valwild) in seizoen 2024-25.
Hert Hinde Kalf Onbekend Eindtotaal Leefgebied (excl. Bufferzone)
A (NH) B (NH+ZH) C (ZH) D (ZH) Totaal leefgeb.
83 706 0 0 789
218 187 0 0 405
154 205 0 0 359
A (NH) B (NH+ZH) Totaal Buffer
66 80 146
A (NH) B (NH+ZH) C (ZH) D (ZH) Totaal nulstand Eindtotaal
71 10 1 2 84
14 1 0
8 1 0
5
15
9
5
98 12 1 2 113
1019
498
421
7
1945
Bufferzone (= leefgebied) 62 16 78
42 11 53
Buiten leefgebied (nulstand)
455 1098 0 0 1553
2 2
172 107 279
In de bufferzone van het leefgebied zijn in totaal 279 damherten geschoten of als valwild aangetroffen. Buiten het leefgebied zijn er 113 damherten geschoten of gestorven als valwild. Buiten het leefgebied zijn hoofdzakelijk mannelijke damherten aangetroffen. In figuur 2 zijn per zone de geslachts-leeftijdscategorie weergegeven van de geschoten of als valwild aangetroffen damherten. Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
Figuur 2: verdeling van het aantal gedode (beheer + valwild) damherten over geslachts- en leeftijdsklasse per beheerzone in seizoen 2024-25..
Van de geschoten damherten in de leefgebieden (inclusief bufferzones) betrof ongeveer 49% een hinde of kalf. Daarmee is niet alleen de populatie verkleind, maar ook de groeisnelheid verlaagd. Het zijn immers de vrouwelijke dieren die jongen voortbrengen. In de bufferzone maakten hinden en kalveren 47% uit van het totaal. De buiten het leefgebied geschoten dieren zijn in ruime meerderheid van het mannelijk geslacht. Het feit dat in de bufferzone en vooral buiten het leefgebied in de meerderheid mannelijke damherten zijn geschoten vloeit grotendeels voort uit het exploratieve gedrag van de mannelijke dieren. Hinden en hun kalveren leven meer in de kern van de leefgebieden dan aan de randen. Bovendien verlaten ze de veilige leefgebieden nauwelijks.
3.3
Jaarrond optreden in de bufferzone en
nulstandsgebied
Om schade aan wettelijke belangen buiten het leefgebied (verkeer en landbouw) te voorkomen, is in de bufferzone en het nulstandsgebied jaarrond opgetreden. Buiten het leefgebied zijn in het beheer in Noord-
8
Holland 66 damherten gedood en in Zuid-Holland 10 damherten (zie bijlage 1). Regelmatig is door de WBE-ZKL gezocht naar herten of gereageerd op meldingen. Soms zijn de herten daarbij verjaagd naar het leefgebied. In de bufferzone, onderdeel van het leefgebied, zijn buiten periode voor het populatiebeheer (zie 1.1) in Noord-Holland 23 damherten geschoten (waarvan 4 als valwild is aangemerkt). In ZuidHolland is buiten de periode voor populatiebeheer één damhert geschoten onder de valwildregeling. In figuur 3 is te zien waar gedurende het jaar damherten in de bufferzones in het NPZK en buiten de leefgebieden geschoten. In figuur 4 is dit weergegeven voor deelgebied AWD-BN. Te zien is dat beheer buiten het leefgebied vooral heeft plaatsgevonden langs de randen van het leefgebied NPZK. Dit gebied heeft veel geleidelijke landschappelijke overgangen naar de bebouwde omgeving. De hekken aan de rand van dit gebied zijn bijna nergens hoog genoeg om damherten tegen te kunnen houden. Bovendien kunnen de herten het gebied in en uit via diverse toegangspoorten voor bezoekers of privé gronden. De AWD is voor het grootste deel omgeven door een hekwerk dat hoog genoeg is om te voorkomen dat damherten het gebied verlaten. Alleen aan de westzijde van dit gebied kunnen de herten het gebied nog verlaten.
In Zuid-Holland zijn 2 damherten geschoten buiten het leefgebied in de omgeving van Berkheide en een gewond hert in het leefgebied van Meijendel. Verder heeft vooral afschot moeten plaatsvinden in de bufferzone en direct buiten het leefgebied van Boswachterij Noordwijk.
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
Figuur 3: locaties van gedode damherten in de bufferzone (paarse stippen) van deelgebied NPZK en in het nulstandsgebied (blauwe stippen).
9
Figuur 4: locaties van het aantal gedode damherten in de bufferzone (paarse stippen) van deelgebied AWD-BN en in het nulstandsgebied (blauwe stippen).
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
10
4
Populatieontwikkeling
4.1
De telmethode
Om de ontwikkeling van de populatie te monitoren worden jaarlijks tellingen uitgevoerd. De tellingen zijn deels onderdeel van een reguliere monitoring van de natuurwaarden in de natuurterreinen en het resultaat is ook toetsend (“zijn we op de goede weg”) en richtinggevend (“hoeveel moet er nog worden geschoten”) voor de jaarlijks te bepalen beheeropgave in kader van het Faunabeheerplan. De tellingen worden steeds op dezelfde wijze uitgevoerd, waardoor een betrouwbaar beeld van de populatietrend ontstaat. Het is geen weergave van het werkelijke aantal herten. Het werkelijk aantal is groter dan het getelde aantal, maar hoeveel groter is nog niet goed bekend vanwege het uitgestrekte en onoverzichtelijke terrein. Waternet verricht in de Amsterdamse Waterleidingduinen wel onderzoek hiernaar. Aangetoond is dat de tellingen een betrouwbare trend opleveren, maar zelfs met innovatieve technieken kon tot nu toe niet een betrouwbare precieze bepaling van de werkelijke aantallen worden gedaan. Door het combineren van de afschot- en de telresultaten is wel een indicatie verkregen over het percentage van het werkelijke aantal damherten in de gebieden. Zie hiervoor hoofdstuk 5 De tellingen worden gecoördineerd door de Faunabeheereenheden (FBE’s) van Noord- en Zuid-Holland en uitgevoerd door de wildbeheereenheden (WBE’s) en de terreinbeheerorganisaties (TBO’s).
De resultaten van damhertentelling in 2025 zijn door de FBENH geanalyseerd voor zowel Noord- als Zuid-Holland en vervolgens gepresenteerd in deze rapportage. Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
Drie keer tellen. De telling wordt uitgevoerd conform het Protocol damherten en reeëntelling Noord- en Zuid-Holland, dat is te vinden op de websites van de FBE’s Noord- en Zuid-Holland. Hier volstaan we met een korte beschrijving van de methode. De tellingen worden per definitie uitgevoerd aan het einde van de winter (eind maart, begin april), dus nog voordat de jongen worden geboren (eind mei begin juni). Een telling bestaat uit drie opeenvolgende telrondes. Er wordt drie keer circa 2,5 uur lang geteld, rond respectievelijk de avond-, ochtend- en avondschemering. De resultaten worden verwerkt per deelgebied (zie hoofdstuk 2). Een deelgebied bestaat uit een aantal afzonderlijke telsectoren die elk simultaan door een eigen telploeg worden geteld. Van elke telronde worden de resultaten van de afzonderlijke sectoren opgeteld tot een totaalscore voor de betreffende telronde. Van elk van de 4 verschillende deelgebieden wordt het hoogste resultaat van de drie telrondes gebruikt als trendgetal voor het betreffende jaar. Dit trendgetal is de minimale aanwezige populatie op dat moment. Het tellen gebeurt vanuit een auto. De telploegen bestaan ten minste uit twee tellers, waarvan minimaal één teller ervaring heeft met herkennen van reeën en damherten. In een aantal telsectoren is tellen vanuit een auto niet mogelijk, daar wordt lopend of fietsend geteld.
In dat geval voldoet één ervaren teller. Iedere telploeg telt in een vastgestelde telsector langs een vastgestelde telroute. De telploegen noteren de waargenomen dieren in een digitale applicatie. Waargenomen damherten worden ingedeeld in categorieën van leeftijdsgroepen en geslacht (jargon: het ‘aanspreken’), mits goed waar te nemen.
11
De telling van 2025 De tellingen vonden plaats op 2 en 3 april na afloop van het beheerseizoen. De weersomstandigheden tijdens de telronden waren goed: geen uitzonderlijke wind of neerslag. De telgegevens zijn voor het eerst digitaal ingezameld in plaats van via papieren formulieren. In Noord-Holland is bij de telling voor het eerst gebruik gemaakt van de app Avimap. In Zuid-Holland is gebruik gemaakt van een webapplicatie Wildradar. Op enkele details na zijn de ervaringen met het digitaal inzamelen als een verbetering ervaren. De gegevens zijn hierdoor nauwkeuriger en eenduidiger te verwerken. Fluctuerende resultaten en trend Het is niet helemaal duidelijk in hoeverre de telresultaten worden beïnvloed door de weersomstandigheden, maar het is de ervaring dat bij erg slecht weer een kleiner percentage van de werkelijke aantallen wordt geteld dan bij rustig weer. Bij stevige wind en regen houden de dieren zich wat meer op in de luwte van de hogere begroeiing en vermijden het open veld. Hun zichtbaarheid is dus wat minder. Door de regen wordt ook het zicht vanuit de auto belemmerd. Alles bijeengenomen maakt dat bij regen en wind de trefkans op het waarnemen van een damhert lager is, dan bij rustig helder weer.
Het is mede door deze wisselende weersomstandigheden van belang naar de langjarige trend te kijken, maar wel de jaarlijkse beheeropgave bij te stellen aan de hand van de recente resultaten.
4.2
Resultaten
Conform het telprotocol worden hier voor elk deelgebied de resultaten uit die hoogste telronde gepresenteerd voor de trendgegevens. In de deelgebieden NPZK (A) en Coepelduynen (C) zijn in de 2e telronde (ochtendronde) de meeste damherten waargenomen en in Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
deelgebied AWD-HD (B) was dat in telronde 1 (avondronde). In deelgebied Meijendel-Berkheide (D) zijn geen damherten waargenomen. In totaal zijn er 987 damherten waargenomen. Daarvan is 74% geteld in het leefgebied van deelgebied B, AWD-BN (zie Tabel 2). Buiten het leefgebied zijn nog maar 18 damherten waargenomen tijdens de tellingen. Daarbij moet worden aangetekend dat de telgebieden niet het hele plangebied dekken buiten het leefgebied. Juist binnen de bebouwde omgeving waar relatief veel herten zich kunnen ophouden in parken, en tuinen in villawijken, wordt niet geteld. Waarnemingen die in de loop van het jaar zijn gedaan bevestigen dat er nog wel damherten met enige regelmaat buiten de leefgebieden zijn te vinden, met name in de omgeving van Velsen en in mindere mate ook Bloemendaal is dit het geval. Meldingen van aanrijdingen met damherten (zie hoofdstuk 4) in het kader van het nul-standsbeleid bevestigen dit ook. Het aantal getelde damherten in deelgebied A heeft de streefstand bijna bereikt. Het aantal in deelgebied B zit inmiddels binnen de range die is aangegeven als streefstand. Als we meer in detail kijken naar de samenstelling van de populaties in de leefgebieden A (NPZK) en B (AWD-BN) blijken die (nog altijd) sterk te verschillen.
Om de samenstelling van de populaties te bekijken is gebruik gemaakt van het hoogste aantal van herten, hinden en kalveren uit een van de drie telronden. Bijvoorbeeld het hoogste aantal herten kan dan in ronde 1 zijn waargenomen, terwijl dat voor de hinden bijvoorbeeld in ronde 2 het geval was. Van die aantallen kunnen we stellen dat ze minimaal aanwezig zijn in de populatie. Het aantal onbekende gebleven damherten kan vervolgens worden 12
bepaald door de som van maximale aantallen herten, hinden en kalveren af te trekken van het totaal van de hoogste ronde. Tabel 2: Aantal getelde damherten binnen en buiten het leefgebied.
Deelgebied
Provincie
Leefgebied
nulstandsgebied
Totaal
A
NH
237
15
252
200
B
NH/ZH
732
0
732
600-800
C
ZH
0
3
3
niet geformuleerd
D
ZH
0
0
0
niet geformuleerd
969
18
987
800-1000
TOTAAL
ook zeker niet worden verklaard door het afschot. Een mogelijkheid zou kunnen zijn dat grote kalvergroepen zich tijdens de telling ophouden in een of enkele gebieden die tijdens de telling niet worden overzien.
Streefstand
In Figuur 5 is voor beide deelgebieden de populatiesamenstelling weergeven zoals die tijdens de 3 telronden is waargenomen. Wat direct opvalt is dat de samenstelling van de populatie op grond van de tellingen verschilt in beide deelgebieden. In het NPZK is tenminste 60% hinde (een deel van de onbekend gebleven damherten zal ook hinde hebben betroffen), terwijl in deelgebied AWD-BN juist ruim 60% mannelijk is. Hier vormen hinden net iets meer dan een kwart van het totaal. De verschillen kunnen tenminste voor een deel worden verklaard door het verschil in beheerstrategie, zie 4.3. Het aandeel kalveren in beide gebieden is gelijk. Opvallend is dat er in verhouding tot het aantal hinden heel weinig kalveren worden geteld. Hiervoor is geen duidelijke verklaring. Een mogelijkheid is dat een aantal kalveren tijdens de telling te oud wordt ingeschat en dus als volwassen wordt geteld. Gezien de grote ervaring van de meeste tellers is het echter niet aannemelijk dat dit het grote verschil verklaart. Het verschil kan Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
Figuur 5: Samenstelling van de populatie damherten in leefgebieden (inclusief
bufferzone) NPZK (A) en AWD-BN (B) tijdens de tellingen van 2025.
Toedeling onbekende damherten Door aan te nemen dat mannelijke damherten snel herkend worden door de aanwezigheid van een gewei, kunnen de tijdens de telling qua geslacht en leeftijdscategorie onbekend gebleven damherten worden toegedeeld aan hinden en kalveren. Dit is hierna gedaan door deze toedeling te doen naar rato van het aantal hinden en kalveren. In Figuur 6 is het resultaat weergegeven.
13
worden verklaard door het nog relatief grote aandeel vrouwelijke dieren in het NPZK (zie fig. 5) dat jaarlijks voor nieuwe aanwas zorgt. In Figuur 7 zijn de jaarlijkse telresultaten weergegeven en de trend. Fluctuaties Het waargenomen percentage van de populatie tijdens de tellingen is niet ieder jaar gelijk, omdat de omstandigheden (bijv. het weer) ook niet ieder jaar hetzelfde zijn. Het is dus van belang de trend en dus het beoordelen van het bereiken van de doelstand op langere termijn te bekijken en individuele jaren niet als maatstaf te nemen.
Figuur 6: samenstelling van de populatie in het de leefgebieden van NPZK en AWD-BN na verdeling van de groep onbekende damherten over hinden en kalveren.
Op grond van genoemde aanname over de samenstelling van de onbekend gebleven damherten wordt nog duidelijker dat de populatie in het leefgebied NPZK nog voor het grootste deel bestaat uit hinden en kalveren. In leefgebied AWD-BN vormen mannelijke damherten juist nog de meerderheid. Als de groep onbekend gebleven damherten naar rato ook wordt toegedeeld aan mannelijke damherten dan komt de samenstelling in leefgebied NPZK uit 61% hinden en kalveren (niet weergegeven).
4.3 Tendens populatieontwikkeling
Zowel in het leefgebied NPZK als in leefgebied AWD-BN vertoont de populatieomvang een significant dalende tendens (regressie p<0,05). In het leefgebied NPZK is de daling minder groot dan in leefgebied AWD-BN. Dit verschil in de snelheid van de afname kan onder andere Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
Fluctuaties in een populatie damherten kunnen het gevolg zijn werkelijke fluctuaties bijvoorbeeld door verschillen in de netto aanwas van jonge damherten. Vooral de overlevingskansen kort na de geboorte fluctueren altijd iets afhankelijk van de omstandigheden. Een andere verklaring is dat de fluctuaties het gevolg zijn van de visuele telmethodiek (toeval speelt een rol) in combinatie met het feit dat het terrein vrij onoverzichtelijk is. Toeval speelt bij dergelijke tellingen onvermijdelijk een rol. Om die invloed te verkleinen worden drie onafhankelijke telronden uitgevoerd. Deelgebied A (NPZK e.o) Beheerders van het NPZK focusten hun beheerinspanning aanvankelijk op het terugdringen van het aantal manlijke damherten. Het waren immers deze mannelijke dieren die vooral voor schade en overlast zorgden (en nog altijd doen) in de omgeving. De consequentie was dat het vrouwelijk deel van de populatie nauwelijks kleiner werd en voor flinke aanwas van jonge dieren kon zorgen, waardoor de populatie niet of nauwelijks afnam. Vanaf beheerseizoen 2021-2022 is de focus in het beheer daarom meer verschoven naar de hinden en kaveren. Ondanks deze aanpassing in de beheerstrategie 14
worden hier nog altijd relatief (vergeleken met deelgebied AWD-BN) veel herten geschoten om overlast in de omgeving te voorkomen. In de AWD werd (en wordt) die overlast door herten voorkomen door de hoge hekken rondom dit gebied, zodat in het beheer de focus volledig op hinden en kalveren kon worden gelegd. Het effect van het verschil in het beheer zien we terug in de samenstelling van de populaties. In het NPZK worden nog steeds meer hinden en kalveren waargenomen dan herten (zie figuur 6a 7). Ook zien we het terug in de snelheid van de afname van de populatie, die hier lager is dan in deelgebied AWDBN. Met een geteld aantal van 252 is de streefstand van 200 damherten voor dit gebied bijna bereikt. Bij een gelijke verhouding tussen herten en hinden in het geval van een streefstand van 200 zouden ongeveer 70 hinden en70 herten en 60 kalveren geteld moeten worden. Het aantal herten en kalveren zit hier al dicht tegenaan. Alleen het aantal hinden zit hier nog duidelijk boven. Zie verder hoofdstuk 5 met aanbevelingen voor komend beheerseizoen. Deelgebied B (AWD-BN) In het leefgebied AWD-BN – vooral in de AWD – heeft van meet af aan in het beheer de focus sterk gelegen op de reductie van het aantal hinden en hun kalveren.
De aanvankelijke overlast in de omgeving door vooral mannelijke damherten werd hier al snel voorkomen door de plaatsing van hoge hekken rond het grootste deel van het gebied. Bovendien bestond bij de start van het populatiebeheer de populatie voor circa 75% uit hinden en kalveren. Door de enorme omvang van de populatie en het grote aandeel hinden was de focus op de vrouwelijke damherten ook de enige reële optie om tot reductie van de populatie te komen. De reductie van het aantal vrouwelijke damherten en kalveren zorgt ook voor reductie van de groeisnelheid. Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
Figuur 7: tendens (ononderbroken lijnen) en geteld aantal (stippen) herten, hinden en kalveren in
deelgebied NPZK e.o. (daarnaast is nog een grote groep onbekend
gebleven damherten aanwezig).
Bij elkaar heeft dit hier geleid tot een gestage en constante afname van de populatie. In Figuur 9 is duidelijk de sterke afname van het aantal hinden terug te zien. Door de uiteindelijke reductie van het aantal hinden en kalveren en daarmee de groeisnelheid van de populatie, kon vanaf beheerseizoen 2023/24 ook capaciteit worden ingezet om ook het aantal mannelijke damherten in dit gebied terug te brengen naar de streefstand. Het aantal mannelijke damherten is inmiddels daardoor ook duidelijk afgenomen. De natuurlijke sterfte van de oudste generatie mannelijke damherten heeft wellicht hier ook aan bijdragen. Door het afschot van kalveren komen er nog maar weinig damherten bij en inmiddels sterft een deel van de oudere herten een natuurlijke dood. 15
Bij een streefstand van 600-800 getelde damherten, met een geslachtsverhouding van circa 1:1 zouden er 220 tot 290 hinden en even zoveel herten geteld moeten worden. Met een aantal van 227 hinden is voor de hinden de streefstand bereikt. Het aantal mannelijk damherten zit met bijna 425 stuks nog boven de streefstand.
Figuur 8: tendens en geteld aantal herten, hinden en kalveren in Deelgebied AWD-BN e.o..
5
Gebied waar door hekken de toegang voor grotere grazende dieren is uitgesloten.
4.4 Effect op de wettelijke belangen Wilde flora en fauna Er wordt in het plangebied intensief onderzoek verricht naar de effecten van damherten op flora, fauna en de beschermde natuurwaarden. Daarbij wordt onder andere gekeken naar trends van soorten binnen de AWD en hoe die samenhangen met toenemende aantallen damherten. Het behulp van subsidie van de Provincie Noord-Holland is een consortium van beheerders Waternet en PWN en onderzoekers van het Instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamica van de Universiteit van Amsterdam, Stichting Bargerveen en de Vlinderstichting sinds 2019 bezig met het monitoren van flora, fauna en bodemprocessen in relatie tot de damherten. Dit onderzoek vindt plaats in exclosures 5 en bijbehorende referentiegebieden. Op dit moment wordt nog de laatste hand gelegd aan de rapportage. In deze voortgangsrapportage worden enkele resultaten op hoofdlijnen beschreven. In 2024 verscheen een publicatie in Lutra waarin Vincent van der Spek goed de effecten van de damherten beschrijft 6. De grote aantallen damherten hebben vooral in de Amsterdamse Waterleidingduinen aanvankelijk geleid tot monotone, korte grasvegetaties met een geringe soortenrijkdom. Slechts enkele giftige soorten profiteerden van de overbegrazing. Het verdwijnen van kleinschalige structuren en bloeiende planten had tevens een negatief effect op
6
16
Van der Spek, V. (2024). The impact of fallow deer (Dama dama) grazing on the
biodiversity
of
a
Dutch
coastal
dune
system.
https://www.researchgate.net/publication/387517933
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
Lutra,
67(1–2),
3–20.
zandhagedissen 7 en diverse vlindersoorten. Struwelen hadden zwaar te lijden onder de overpopulatie van damherten, wat onder andere leidde tot een afname van struweelvogels zoals de nachtegaal. Tijdens een veldcontrole constateerde een Europese commissie bovendien dat natuurherstelprojecten, uitgevoerd met Europese subsidie, werden gefrustreerd door overbegrazing en vertrapping.
Herstel van de insectenpopulatie wordt nog niet duidelijk waargenomen. Ook niet binnen de exclosures. Dit kan wellicht deels worden verklaard door het ontbreken van (grote) bronpopulaties van faunasoorten in het gebied en wellicht ook door de relatief kleine oppervlaktes van de exclosures ten opzichte van het oppervlak van nog steeds sterk begraasd gebied
Uit de tussenrapportage van Oostermeier et al. over de periode 20192024 8 blijkt dat lage kruiden in duingraslanden enig herstel laten zien. Bij hoge kruiden is echter nog geen sprake van herstel en bosverjonging blijft uit. Er treedt daarnaast verruiging op door toename van soorten die profiteren van stikstofneerslag, zoals duinriet, zandzegge, helm en groot laddermos. De aangetaste Natura2000 habitattypen lijken dus nog slechts beperkt herstel te vertonen. Een soortgelijke ontwikkeling komt naar voren uit een onderzoek van Out 9. Zij toonde aan dat tussen 2017 en 2024 de lage kruiden in duingraslandvegetaties tekenen van herstel vertonen, terwijl de hoge kruiden verder afnamen, ondanks een aanzienlijke populatievermindering van de damherten. Dit suggereert dat sommige vegetatievormen aan hysterese-effecten onderhevig zijn. Dat wil in dit geval zeggen dat het huidige aantal herten verhindert herstel van eerder verloren gegane vegetaties. Herstel vereist dus mogelijk een lagere begrazingsdruk dan de begrazingsdruk bij de start van achteruitgang.
Het onderzoek maakt tevens duidelijk dat begrazing van met name ruige en grasachtige planten (zoals duinriet, helm en zandzegge) essentieel is voor het behoud van typische soortenrijkdom; afwezigheid van begrazing is daarom ongewenst. Damherten eten deze ruige soorten echter alleen wanneer er te weinig alternatieven beschikbaar zijn. Er is dus een noodzaak voor een ander type grazer naast een kleiner aantal damherten. Daarom is de populatie grazende damherten inmiddels aangevuld met runderen en heeft een geleide schaapskudde bijgedragen aan het beheer van het gebied.
Molenaar, M, van der Spek, V, van Til, M & Stark, T. 2025 Zandhagedissen in de
en biodiversiteit in de Amsterdamse Waterleidingduinen en Nationaal Park Zuid-
7
Amsterdamse Waterleidingduinen: 30 jaar monitoring. Ravon 96, 2-5. 8
Oostermeijer, G., Nijssen, M., J. Brouwer, D. Kinsbergen, A. Kooijman, M. van Til, E.
Rodriguez Gonzalez, L. Geelen & M. Wallis De Vries, in voorbereiding. Onderzoek naar de invloed van het uitsluiten van begrazing door damherten en andere grazers op bodem
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
Concluderend kan worden gesteld dat de biodiversiteit in de AWD nog steeds lijdt onder overbegrazing en vertrapping door damherten. De eerste onderzoeksresultaten bieden echter hoop op herstel bij een lagere begrazingsdruk door damherten.
17
Kennemerland - eindrapportage 2019-2024. 9
Out,
N.
2025.
Ontwikkelingen
in
duingraslanden
in
de
Amsterdamse
Waterleidingduinen in 2016-2024. Bachelorscriptie. Aeres Hogeschool, Almere
Voor een compleet overzicht van alle publicaties wordt verwezen naar de website van de Amsterdamse Waterleidingduinen: https://awd.waternet.nl/.
aantal meldingen van valwild (verkeer en andere oorzaken) is sinds de start van het populatiebeheer significant afgenomen (zie Figuur 10).
Figuur 10: aantal meldingen van een aanrijding met een damhert (oranje) en damherten die door andere of onbekende oorzaken zijn overleden (blauw).
Figuur 9: de effecten van damherten op de flora en fauna worden onder andere gemeten
in
zogenaamde
exclosures.
Hier
een
beeld
korstmosvegetatie en duinviooltjes. (Foto: Mark van Til, Waternet).
van
herstellende
Verkeersveiligheid en schade aan landbouwgewassen Het aantal aanrijdingen met damherten varieert per jaar, maar is sinds het seizoen 2023/24 plotseling flink afgenomen. Het totaal
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
De meeste gewonde of gestorven damherten worden aangetroffen langs de randen van het NPZK (zie figuur 12). De Zeeweg die dwars door dit gebied loopt levert nog altijd een aantal aanrijdingen op, maar dit seizoen minder dan voorgaande jaren. Het is aannemelijk dat deze daling van het aantal valwildmeldingen het gevolg is van de afgenomen populatieomvang in de regio.
18
Figuur 11: locaties van wildaanrijdingen (rode stippen) dode of gewonde damherten
door andere (of onbekende) oorzaak (gele stippen), gegevens beheerseizoen 2024-25.
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
19
5
Aanbevelingen beheerseizoen 2025-2026
De aanbeveling voor komend beheerseizoen is gebaseerd op een eenvoudige modelberekening die afzonderlijk voor de deelgebieden NPZK en AWD-BN is uitgevoerd. Eenvoudig omdat er relatief weinig gegevens bekend zijn van de populatie. De grootste en belangrijkste onbekende is de telfractie, ofwel het percentage van het werkelijke aantal dieren dat tijdens de telling wordt waargenomen. Op basis van getelde aantallen, geschoten aantallen en het getelde aantal in het volgende seizoen kan, met een kleine aanname over de reproductie, via een modelberekening een indicatie worden verkregen van het getelde percentage. Dit gegeven wordt vervolgens gebruikt om een inschatting te maken van de beheeropgave in het komende seizoen. De modelberekening • Rond 1 april wordt geteld, te resultaten worden samengevoegd tot het aantal: herten, hinden en kalveren. Dit is de getelde populatie; oftewel het minimaal aantal aanwezige damherten. • De zomerpopulatie wordt berekend: de getelde kalveren worden ‘volwassen’; vrouwelijke kalveren worden hinde en mannelijke worden hert. Bovendien werpen de getelde hinden in de zomer bijna allemaal een kalf. Met deze gegevens wordt op basis van de tellingen de zomerpopulatie berekend. • Na de zomer begint het zwaartepunt van het beheerseizoen. Een aantal hinden en herten uit de berekende zomerpopulatie wordt geschoten.
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
•
•
•
Het geschoten aantal damherten wordt afgetrokken van de berekende zomerpopulatie waarmee het in de nieuwe telling verwachte aantal wordt berekend. De telling blijkt in werkelijkheid altijd hoger dan deze berekende verwachting. Dat komt doordat tijdens de voorgaande telling meer dieren aanwezig zijn geweest dan geteld waarmee ook de aanwas groter is geweest dan berekend. Dit verschil in het berekende en waargenomen aantal geeft een indicatie over het getelde percentage van het werkelijke aantal damherten (telfractie). Deze telfractie wordt vervolgens gebruikt om het werkelijke aantal damherten te berekenen. Op grond daarvan wordt een indicatie gegeven voor de beheeropgave in het eerstvolgende beheerseizoen om de doelstanden te behalen dan wel te behouden.
Het getelde percentage is niet elk jaar precies hetzelfde. Over de jaren is voor de modelberekening daarom een gemiddelde bepaald. In de modelberekening wordt ook bepaald hoeveel nieuwe kalveren er in de zomer na de telling worden geboren. Daarvoor wordt een aanname gedaan over de reproductie op basis van literatuur. Bekend is dat vrijwel alle hinden in de populatie een kalf produceren (en nooit meer dan 1!), ongeveer in gelijke geslachtsverhoudingen. Alleen bij de jonge hinden die voor het eerst deelnemen aan de voortplanting wil het percentage drachtige dieren nog wel eens wat variëren met de
20
omstandigheden. Metingen een aantal jaar geleden in de AWD bevestigen de juistheid van deze aannamen.
aantallen (figuur 13). Toeval speelt bij de tellingen hier blijkbaar een grotere rol dan in deelgebied B (AWD-BN).
De natuurlijke sterfte wordt voor de eenvoud van de berekening niet meegerekend. Aangenomen kan worden dat dit zeer gering is ten opzichte van het geschoten aantal en van de geschoten dieren zou ook een deel een natuurlijke dood zijn gestorven tijdens de winter. Een gevoeligheidsanalyse van het model laat ook zien dat toevoeging van een percentage natuurlijke sterfte nauwelijks van invloed is op het resultaat. Om tot advies voor de beheerinzet in het komende seizoen te komen is uitgegaan van de hoogste waarden per geslacht-leeftijdsklasse uit de 3 telronden. Deze waarden zijn ook in gepresenteerd figuren 6 en 7 in paragraaf 4.2. Hoewel de berekende beheeropgave wel gevolgd dient te worden, hebben de terreinbeheerders enige mate van vrijheid bij de daadwerkelijke invulling van de beheeropgave. Eigen terreinkennis, jaarrond observaties en beschikbare capaciteit spelen een rol bij de uiteindelijke afwegingen. Deelgebied A NPZK e.o. Tijdens de tellingen bestond de populatie hier minimaal uit 69 herten, 158 hinden en 25 kalveren (totaal 252). De tijdens de telling niet aangesproken dieren zijn hierbij naar rato verdeeld over hinden en kalveren. Het waargenomen totaal bij de tellingen is minder dan uit de modelberekening volgt, maar de jaarlijkse telresultaten in dit deelgebied laten al jaren een fluctuatie zien rond de trendlijn. Zie daarvoor in paragraaf 4.3 figuur 8 en 9.
Dit is ook terug te zien in de vergelijking tussen de berekende verwachte aantallen en de getelde Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
Figuur 12: verloop van de berekende verwachte telling (blauwe lijn; Tot-expected) en de werkelijke telresultaten (oranje lijn; Tot.observed) als is gecorrigeerd met de telfractie. (gegevens uit deelgebied A NPZK-e.o.).
Op grond van de verschillen tussen de waargenomen aantallen en de berekende aantallen wordt over de hele periode een gemiddeld waarnemingspercentage bepaald. Gemiddeld over een aantal jaren lijkt dat waarnemingspercentage de situatie goed weer te geven. Met dat gemiddelde waarnemingspercentage wordt aan de hand van de meest recente telling een nieuwe beheeropgave berekend. Door het fluctueren van de telresultaten kan uiteraard het berekende aantal
21
wel afwijken van de werkelijke telresultaten. Faunabeheer bij dit soort populaties kent altijd een mate van onzekerheid omdat aantallen, aanwas en sterfte niet met grote precisie betrouwbaar zijn vast te stellen. De doelstand in dit deelgebied zal dus aan de hand van een langere termijntrend moeten worden beoordeel en niet op het jaarlijkse telresultaat. Dat zal onvermijdelijk altijd fluctueren rond de doelstand. Vanwege de rond de trend afwijkende jaarlijkse telresultaten is de getelde fractie berekend op basis van de lineaire trend in de telresultaten. De jaarlijkse fluctuaties zijn hiermee gefilterd tot een soort gemiddelde over de jaren. Het model berekend dan een gemiddeld waarnemingspercentage van 44%. Uit de modelberekening volgt dan dat in 2025 de zomerpopulatie na de geboortes van de nieuwe kalveren voor de start van het beheerseizoen circa zal 859 damherten zal bedragen, waarvan circa 360 hinden en bijna 160 herten. Rond een getelde streefstand van 200 damherten (circa 70 herten, 70 hinden en 60) zullen er, gebaseerd op een waarnemingspercentage van 44%, in werkelijkheid ongeveer 455 damherten zijn (waarvan 160 herten en evenzoveel hinden met ongeveer 136 kalveren). Met een berekende zomerpopulatie van zo’n 859 damherten is dus nog een beperkte reductie noodzakelijk van vooral vrouwelijke damherten en hun kalveren.
Met in gedachten dat hinden en kalveren bijna in gelijke verhouding geschoten moeten worden om te voorkomen om onnodig lijden van kalveren te voorkomen is het richtinggevend advies om ongeveer de volgende aantallen te schieten in het komende beheerseizoen: Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
• • • •
30 herten 220 hinden en 160 kalveren Totaal 410 stuks
Beheerders van het NPZK en de WBE-Zuid-Kennemerland zullen onderling goede afspraken moeten maken over de inzet van capaciteit voor de beheeropgave. Het terugdringen van het aantal hinden en hun kalveren heeft de hoogste prioriteit. Deelgebied B AWD-BN Tijdens de tellingen bestond de populatie hier minimaal uit 435 herten, 209 hinden en 89 kalveren (totaal 732). Daarbij is uitgaande van de hoogst waargenomen waarden voor elke geslachtsleeftijdscategorie categorie tijdens de 3 telronden en zijn de niet aangesproken dieren naar rato verdeeld over hinden en kalveren. Het totaal aantal getelde damherten in dit deelgebied kan worden verklaard op grond van een tijdens de tellingen gemiddeld waargenomen percentage van 50%. Gemiddeld zijn er in werkelijkheid dus blijkbaar twee maal zoveel damherten als wordt geteld. Het lijkt er echter op dat het waarnemingspercentage bij hinden en kalveren lager ligt dan 50%, namelijk rond de 40%, en bij de herten met 61% juist iets hoger. Een mogelijke verklaring hiervoor zou kunnen zijn dan hinden en kalveren zich iets meer ophouden in de onoverzichtelijke terreindelen en herten de overzichtelijke open terreindelen niet schuwen. Tot nu toe is voor het berekenen van de beheeropgave gewerkt met het gemiddelde percentage voor de populatie als geheel. Nu de doelstand ongeveer is bereikt is het belangrijker om rekening te 22
houden met de verschillen in waarnemingspercentage tussen herten en hinden.
Met de berekende waarnemingspercentages voor herten en hinden apart kan worden geconcludeerd dat tijdens de telling van 2025 er 725 herten aanwezig waren en 535 hinden en tenminste 227 kalveren. Met deze aantallen is de zomerpopulatie berekend en vervolgens de beheeropgave. Om op de doelstand uit te komen met ongeveer een gelijke geslachtsverhouding zouden er ongeveer nog 435 herten, 120 hinden en 96 kalveren geschoten moeten worden.
Figuur 13: verloop van de verwachte telling (blauwe lijn; Tot-verwacht) en de werkelijke telresultaten (oranje lijn; Tot waargenomen) als is gecorrigeerd voor een geteld percentage van 50% . (gegevens uit deelgebied AWD-BN).
Rond een getelde streefstand van 600-800 damherten met een gelijke geslachtsverhouding zal de tijdens de tellingen waargenomen populatiesamenstelling ongeveer als volgt zijn: 220 tot 290 herten, even zoveel hinden en 175 tot 218 kalveren. Bij een waarnemingspercentage van circa 50% zijn er dan uiteraard in werkelijkheid 2x zoveel damherten aanwezig, met dan nog de genoemde verschillen tussen hinden en herten.
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen.
23
6
Conclusies
In het afgelopen beheerseizoen (1 april 2024-31 maart 2025) zijn in het hele plangebied 1895 damherten geschoten om de doelstanden te kunnen bereiken. Daarnaast zijn 50 stuks gemeld als valwild waarmee 1945 dieren aan de populatie zijn onttrokken. In de Zuid-Hollandse deelgebieden C (Coepelduynen) en D (Meijendel Berkheide) zijn slechts 3 damherten gedood op grond van het nulstandsbeheer. In deelgebied B (AWD-BN) zijn 1217 damherten gedood bij de uitvoering van het populatiebeheer of als valwild en in deelgebied A (NPZK e.o.) zijn dat er 725. Na het beheerseizoen zijn in deelgebied A (NPZK e.o) nog 252 damherten geteld en in deelgebied B (AWD-BN e.o.) 732 stuks op basis van de resultaten uit de hoogste telronde. In zowel deelgebied NPZK (A) als AWD-BN (B) is daarmee duidelijk sprake van een dalende tendens in de aantallen. In deelgebied C (Coepelduynen) zijn 3 damherten geteld in het nulstandsgebied en in deelgebied D (Meijendel-Berkheide) zijn geen damherten waargenomen tijdens de tellingen. De indertijd benoemde doelstanden voor het aantal damherten zijn bereikt (deelgebied B) of bijna bereikt (deelgebied A). Vooral in deelgebied B (AWD-BN) kan de beheerinspanning met in totaal nog ongeveer 651 stuks al flink omlaag. Vooral aantal mannelijke damherten zal hier nog verder moeten worden verminderd om de geslachtsverhouding meer in evenwicht te brengen, maar om de
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
populatie niet te laten toenemen moet er evengoed ook nog een aantal hinden en kalveren worden gedood. In deelgebied A (NPZK e.o.) moet vooral het aantal hinden en hun kalveren nog verder worden teruggebracht. De totale reductie is met 675 stuks wel al iets kleiner dan voorgaande seizoenen. Ten zuiden van Noordwijk aan Zee (deelgebieden C en D) is nog altijd geen sprake van vestiging van damherten. Slechts incidenteel wordt er een waargenomen, meestal in het nulstandsgebied of als slachtoffer van een aanrijding. Van schade aan landbouwbelangen is, dankzij de genomen maatregelen (al enige jaren) geen sprake meer. Het aantal aanrijdingen met herten, die hoofdzakelijk plaatsvinden in NoordHolland, is flink afgenomen tot 40 à 50 per jaar. De komende seizoenen moet uit de monitoring en onderzoeksgegevens gaan blijken of met de indertijd bepaalde doelstanden de schade aan de natuurwaarden voldoende is teruggedrongen. De eerste tekenen zijn voorzichtig positief voor de lage kruidenvegetaties, maar voor herstel van hogere kruidvegetaties en bosverjonging lijkt de begrazingsdruk nog steeds te hoog.
24
Bijlagen
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
25
Bijlage 1: totale reductie van damherten op grond van de ontheffingen binnen en buiten het leefgebied en de opdracht ter voorkoming van onnodig lijden Beheerseizoen
NoordZuidTOTAAL Holland Holland Actief beheer Leefgebied 2015/16 175 17 192 2016/17 1628 150 1778 2017/18 1692 45 1737 2018/19 1977 105 2082 2019/20 2019 252 2271 2020/21 2010 83 2093 2021/22 2211 738 2949 2022/23 1487 619 2106 2023/24 1969 602 2571 2024/25 1299 254 1553 Actief beheer Bufferzone 2015/16 12 0 12 2016/17 58 28 86 2017/18 100 55 155 2018/19 117 47 164 2019/20 105 36 141 2020/21 70 84 154 2021/22 166 104 270 2022/23 211 96 307 2023/24 185 91 276 2024/25 202 64 266
BeheerNoordZuidTOTAAL seizoen Holland Holland Actief beheer buiten leefgebied 2015/16 12 12 24 2016/17 50 224 274 2017/18 70 99 169 2018/19 64 139 203 2019/20 50 73 123 2020/21 22 113 135 2021/22 73 147 220 2022/23 37 37 74 2023/24 26 27 53 2024/25 66 10 76 Locatiegegevens onbekend 16/17 146 17/18 49 18/19 71
Rapportage beheer en telling damherten: Seizoen 2024-2025
Beheerseizoen 2015/16 2016/17 2017/18 2018/19 2019/20 2020/21 2021/22 2022/23 2023/24 2024/25
NoordZuidHolland Holland Valwild 30 6 339 16 115 3 89 11 90 15 65 15 89 13 76 8 36 12 42 8
TOTAAL 36 355 118 100 105 80 102 84 48 50
26