CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1 DEF_Eindadvies Vertel het hele verhaal.pdf

RAAD 26 juni 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de vestiging van het toekomstige Nationaal Slavernijmuseum op het Java-eiland (VN2024-007214)31.865 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

1100

Multifunctionele ruimte (debat, film, dans, theater) voor 350-400 personen.

700

Kenniscentrum (educatieve en onderzoeksruimten)

1.200

Ruimten voor ceremonies en reflectie

200

Totaal bvo (incl. verkeersruimte, ontwerpverlies en techniek en constructie)

Ca. 6.700

Wangechu Mutu, Intertwined, New Museum of Contemporary Art, New York Foto: Peggy Brandon

De tijdelijke tentoonstellingen moeten zorgen voor verbeelding, verdieping en verbinding. Er dient ruimte te zijn voor commentaar, perspectiefverandering of andere stemmen, ongebruikelijke vormen en ‘maakprocessen’. Voor de maakprocessen die leiden tot tentoonstellingen door betrokken gemeenschappen of individuen stelt het Nationaal Slavernijmuseum een redactioneel kader op, waarbinnen externe makers vanuit hun visie te werk kunnen gaan. Elementen van het redactioneel kader zullen zijn: transparantie m.b.t. inclusiviteit, fair practice, het fungeren als safe space en respect voor de waarden waar het Nationaal Slavernijmuseum voor staat.

In de bijlage van het Programma van eisen is een volledige ruimtestaat opgenomen. * Bvo = Bruto vloeroppervlak in m2 ** Fno = Functioneel nuttig oppervlak in m2

88

Vertel het hele verhaal

89

De tentoonstellingen kunnen heel uiteenlopend van soort zijn: • Presentaties van beeldende kunst • Historische tentoonstellingen • Installaties en performances • Cross overs en multimedia presentaties (nieuwe media) Idealiter worden de exposities ook gekoppeld aan mogelijkheden voor reflectie, gesprek en debat. Dit is daarmee ook een plek waar de bezoeker in persoon kan participeren.

Collectie Nationaal Slavernijmuseum Volgens de museologie van het Nationaal Slavernijmuseum staan verhalen centraal en niet objecten. Dit betekent niet dat het Nationaal Slavernijmuseum geen fysieke collectie zal opbouwen, maar wel dat de collectie niet het vertrekpunt is van dit museum, waar dit in traditionele musea veelal wel het geval is. De collectie van het Nationaal Slavernijmuseum is illustratief bij het verhaal dat het museum vertelt en legt uit, geeft emotie aan of reageert op het verhaal. Dit vraagt om een specifieke houding die tegelijk aansluit op de nieuwe ICOM-museumdefinitie uit 2022. In het verkenningsrapport Met de kracht van de voorouders en het onderliggende deelrapport Collectievorming van Museum zonder muren worden al concrete aanbevelingen gedaan over collectievorming, collectiebeleid en collectiebeheer. Het deelrapport bevat ook een inventarisatie van bestaande collecties, waarin mogelijk objecten voor het NSM te vinden zijn.

COLLECTIEVORMING Het museum begint met een beperkte collectie die organisch groeit, bestaand uit fysieke objecten, bestaande opnames en nieuwe digitale verhalen. De collectie dient ter illustratie van de vaste en tijdelijke tentoonstellingen en zal hierbij ondersteunend zijn. Bij de fysieke objecten is het verhaal dat een object vertelt leidend, in lijn met de museologie. Daarmee is de context rondom het object - hoe het object gepresenteerd wordt en wat er precies over het object verteld wordt - bijna net zo belangrijk als het object zelf. Ook de omschrijvingen van objecten in het museum bieden een andere kijk op de kennis en kunde van de mensen die de objecten hebben gemaakt. De omschrijvingen zullen bij voorkeur niet antropologisch beschrijvend zijn maar ook waar toepasbaar de culturele-kunstzinnige context van het object centraal stellen. Dat geeft de ruimte om de waarde van een object als kunstwerk of als culturele uiting te tonen. In deze andere manier van omschrijven van fysieke objecten zit kracht: het gaat over waardering, erkenning en culturele identiteit. Dit draagt bij aan het helende element van de collectie. Een voorbeeld daarvan is de huidige waardering van het aardewerk van David Drake, een meester pottenbakker en tot slaaf gemaakte Afro-Amerikaanse man, die tussen 1820 en 1870 actief was.

Een ander voorbeeld is het Schomburg Center for Research in Black Culture. Dit instituut in de New Yorkse wijk Harlem heeft een lange geschiedenis in het vastleggen van het Zwart Amerikaanse erfgoed, op basis van culturele objecten uit de gemeenschap. Tijdens ons bezoek werd het belang van het goed beschrijven van de collectie benadrukt.

De belangrijkste aanbevelingen uit het Verkenningsrapport worden in dit plan versterkt: • Bouw een bescheiden kerncollectie op. • Maak gebruik van een mengvorm tussen bruiklenen en een bescheiden eigen collectie. • Verzamel erfgoedbreed: niet alleen fysieke objecten, maar ook immaterieel en mentaal erfgoed vastleggen (Zie Alex van Stipriaan, ‘Trots op Nederland’, 2016). • Het verzamelen van relaties is minstens net zo belangrijk als het verzamelen van objecten. • Pas participatief verzamelen toe. • Voorkom neokoloniaal collectiebeleid: put niet vanzelfsprekend uit collecties die gesitueerd zijn in het Caribisch deel van het Koninkrijk, Suriname, het IndischOceanisch gebied en de Indonesische archipel.

Curator bij het Schomburg Center in Harlem laat objecten zien uit een geschonken collectie 19de eeuwse Surinaams handgemaakte kralenornamenten tijdens een werkbezoek. Foto: Peggy Brandon

Museum of Fine Arts Boston over het werk van David Drake (bron: New York Times)

• In dit plan blijven wij dicht bij deze aanbevelingen. Tijdens de publieks- en participatiebijeenkomsten hebben wij deze uitgangspunten besproken met een breed publiek.

90

Vertel het hele verhaal

91

In het geval van fysieke objecten met een museale waarde zal er veel met bruiklenen gewerkt worden, zowel uit Europees-Nederland als daarbuiten. Musea en archieven zijn bereid bruiklenen te geven van objecten. In het vooronderzoek zijn hiertoe reeds contacten gelegd met: The Schomburg Center for Research in Black Culture in New York, het NMAAHC in Washington D.C., Keramiekmuseum Princessehof in Leeuwarden, Museum de Fundatie in Zwolle, de collectie Buku in Amsterdam, het Rijksmuseum in Amsterdam, het Amsterdam Museum in Amsterdam en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (verder: RCE). Ook is er een aankoopbudget in de begroting opgenomen om sleutelstukken voor het museale verhaal in eigendom te nemen. Uit de participatie kwam naar voren dat collectiehouders uit het Caribisch deel van het Koninkrijk het terecht geen vanzelfsprekendheid vinden dat het museum structureel uit hun collecties put. In de gevallen dat er toch objecten uit deze collecties getoond zullen worden in het Nationaal Slavernijmuseum, is het advies dat het museum hiervoor bruikleengeld beschikbaar stelt. Ook is het van belang dat het museum geen menselijke objecten met voorouder-delen of roofkunst toont. Daarnaast zullen mensen objecten en voorwerpen aan het museum willen schenken of aanbieden.

Het gaat hier om een verscheidenheid aan voorwerpen: van een muziekinstrument tot een brief en van een sieraad tot een beeld van houtwerk. Hierdoor heeft het museum de unieke kans om voorwerpen te verzamelen die tot voor kort nauwelijks, niet of niet systematisch werden verzameld. Zo ontstaat er een gestructureerde materiële overlevering van de slavernijgeschiedenis als een eigen collectie van het slavernijmuseum. Wij kijken hierbij vol inspiratie naar de verzamelstrategie van het NMAAHC, Save Our African American Treasures, omschreven in onderstaand kader. Een verzamelstrategie zoals Save Our African American Treasures past bij het centraal stellen van verhalen en draagt bij aan draagvlak voor het museum. Tegelijkertijd zijn er ook lessen te leren. Door de open verzamelstrategie heeft het NMAAHC ook objecten verzameld die uiteindelijk niet in het museale concept pasten. Hierdoor leggen de objecten veel beslag op depotruimtes, wat hoge kosten met zich meebrengt. Ook is het belangrijk dat er vanaf het begin accuraat metadata worden toegeschreven aan alle objecten. Het toepassen van een dergelijke strategie vraagt daarom om zorgvuldigheid en weldoordachte keuzes vanaf het begin.

Verzamelstrategie NMAAHC In 2008 startte het Smithsonian NMAAHC het reizende programma Save Our African American Treasures - A National Collections Initiative. Dit initiatief had als doel mensen uit het hele land te helpen met het identificeren en conserveren van persoonlijke bezittingen om deze voor toekomstige generaties te bewaren. Dit doet het NMAAHC tot op heden in samenwerking met lokale organisaties, regionale musea en historische verenigingen. Het opbouwen van de collectie van het NMAAHC begon hiermee al jaren voordat het zijn fysieke deuren opende in 2016. De betrokkenheid van de gemeenschap, samenwerking met belanghebbenden, organisaties en kennisinstellingen met het NMAAHC werd hierdoor al over langere tijd opgebouwd en versterkt. De NMAAHC zocht daarnaast ook actief naar donaties, leningen en acquisities die de gehele breedte en diepte van de Afrikaans-Amerikaanse geschiedenis zou laten zien. De NMAAHC-collectie omvat een breed scala aan media, waaronder artefacten, foto’s, documenten, kunstwerken en multimedia-installaties, mede afkomstig uit persoonlijke archieven. En omvat hiermee belangrijke historische gebeurtenissen zoals de slavernij, de burgerrechtenbeweging en de bijdragen van Afro-Amerikanen op verschillende gebieden, zoals kunst, muziek, sport, wetenschap en politiek.

De collectie bevat ook persoonlijke verhalen en alledaagse voorwerpen die de ervaringen en veerkracht van Afro-Amerikanen door de geschiedenis heen weerspiegelen. Deze objecten dienen als krachtige herinneringen aan de strijd, prestaties en het culturele erfgoed van de Afro-Amerikaanse gemeenschap.

Zonder het publiek actief te benaderen heeft het Nationaal Slavernijmuseum de afgelopen periode al objecten aangeboden gekregen. Tot op heden is nog geen van deze objecten geaccepteerd, omdat de inrichting eerst verder uitgewerkt moet worden en er weldoordachte keuzes gemaakt moeten worden over het administreren, bewaren en presenteren van deze objecten. Om dat gedegen te doen is het al in 2024 samenstellen van een curatorium onderdeel van het onderliggende museale collectieplan. Naast de objecten zal het museum bestaand digitaal erfgoed verzamelen. Het gaat in dit geval om het ontsluiten van immaterieel erfgoed. Te denken valt aan oude thuisopnames, registraties van bijeenkomsten en metadata over collecties (registraties van objecten in privébezit). In aansluiting bij het uitwerken van de vijf tijdvakken en de ontwikkeling van de aanloopprogrammering wordt er stapsgewijs een manier van verzamelen gecreëerd.

92

Vertel het hele verhaal

Tentoonstelling Slavernij en vrijheid in het National Museum of African American History & Culture in Washington D.C Foto: Eric Long / NMAAHC

Hiervoor is ook ontsluiting van de expertise en verzamelingen binnen het netwerk van het museum een belangrijke spil. Het NAAM instituut in Curaçao heeft de door Paul Brenneker en Elis Juliana bijeengebrachte Zikinzá-collectie. Deze bevat fragmenten van liederen van, en over, personen die vooral uit Curaçao naar elders zijn vertrokken die een oorsprong hebben rondom de afschaffing van de slavernij. Een ander inspirerend voorbeeld is het archief Fundashon Históriko Kultural Boneriano (FuHiKuBo) van journalist en auteur Bòi Antoin. Bòi Antoin spande zich jaren in om de Bonairiaanse cultuur te bewaren en haar (orale) geschiedenis te ontsluiten. Hij verzamelde zowel materieel als immaterieel cultureel erfgoed. De collectie is ondergebracht in het archief FuHiKuBo en ontsloten op de website ArchivoBoneiru en bevat foto’s, videobanden, audiotapes, voorwerpen, boeken en documenten. Tot slot zal het museum een nieuwe digitale collectie opbouwen, onder andere door het verzamelen van verhalen. Zo wordt levende orale geschiedenis onderdeel van het museale programma. Dit gaat bijvoorbeeld om de vele verhalen die opgehaald zijn tijdens de publieks- en participatiebijeenkomsten. Om deze verhalen in het museum te presenteren, zullen deze gedigitaliseerd moeten worden, bijvoorbeeld door opnames te maken.

Aan bezoekers wordt de mogelijkheid geboden om volgens een vast stramien verhalen digitaal vast te leggen. Het shoah project van Steven Spielberg is een goed voorbeeld hiervan. Het is belangrijk dat de verhalen op een gestructureerde manier worden opgeslagen. Ook hier is het toepassen van metadata cruciaal. Daarnaast zullen ook lezingen, voorstellingen, panelgesprekken, verhalenvertellingen en andersoortige evenementen die plaatsvinden in de multifunctionele ruimte voor voorstellingen en debat van het museum gedigitaliseerd worden en van metadata worden voorzien, zodat ook deze een plek krijgen in de collectie van het museum. COLLECTIESTRATEGIE Deze manier van collectievorming is complex en vereist een heldere collectiestrategie. De komende jaren is er veel nodig om de vijf tijdvakken van het museum uit te werken en om te zetten in een permanente opstelling. Tot slaaf gemaakte mensen konden wel verhalen doorgeven maar weinig objecten en omdat er een verbod op geletterdheid was, zijn er weinig schriftelijke bronnen. Door de wens om verhalen centraal te stellen, de gelaagdheid van de vijf tijdvakken en de wens om verschillende perspectieven en regio’s naast elkaar te behandelen, is er veel onderzoek nodig om de thema’s uit te werken in tentoonstellingsvormen. Er zullen objecten, archiefstukken en verhalen verzameld worden om hier concreet invulling aan te geven.

Dit onderzoek zal van invloed zijn op de kerncollectie van het museum. Een voorbeeld hiervan is de tentoonstelling Abolitionisme in Nederland, die in het voorjaar van 2024 opent in het Verzetsmuseum. Dit is de eerste pop-up tentoonstelling van het Nationaal Slavernijmuseum (meer informatie hierover in de paragraaf over aanloopprogrammering). In deze tentoonstelling staat verzet tegen slavernij in Nederland, specifiek in Amsterdam, centraal. De les die we leren uit de ontwikkeling van deze tentoonstelling is dat er zelfs voor een beperkte tentoonstelling al enorm veel onderzoek nodig is. Dat levert wel direct een primeur op over de rol van jonge Amsterdammers in 1850.

94

Vertel het hele verhaal

Voor het ontsluiten van archiefstukken en krantenknipsels zijn experts nodig. Tijdens de aanloopprogrammering wordt deze manier van werken getest en aangescherpt, om uiteindelijk bij te dragen aan de permanente opstelling in het museum. Deze manier van museologie en collectievorming vereist een grote bereidheid tot samenwerking vanuit het museale veld, archieven en andere instituten. Het vraagt om gespecialiseerde kunsthistorici en mensen met kennis van de culturele uitingen en de spiritualiteit binnen de gemeenschappen die tot de bezoekers van het museum horen. Het Nationaal Slavernijmuseum zal zich daarom moeten verbinden met verwante musea en (kennis)instellingen in Europees Nederland, het Caribisch deel van het Koninkrijk, het Indisch-Oceanisch gebied, de Indonesische Archipel, Zuid-Afrika en de rest van de wereld. Wij hebben het afgelopen jaar al geïnvesteerd in een breed netwerk van museale en institutionele partners, zowel in Europees Nederland als daarbuiten. Voorbeelden hiervan zijn: • Het Nederlands Fotomuseum (nam fotocollectie over van het Wereldmuseum) • Het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMvW) • De Musea binnen het Smithsonian netwerk, zoals Het National Museum of the American Indian in Washington D.C., Het American History Museum • Het Nationaal Archief, provinciale, regionale en stadsarchieven in Europees Nederland en daarbuiten.

• Musea en erfgoedinstellingen op Saba, Sint Maarten, Sint Eustatius, Aruba, Curaçao, Bonaire en Suriname. • Museale en erfgoedinstellingen in Indonesië, het Afrikaans continent en Zuid-Amerika. • Onderzoeksinstituten zoals het IISG en het NiNsee. • Het Zeeuws Archief in Middelburg. Door nauwe samenwerking met het museale veld, archieven en andere instituten kan het Nationaal Slavernijmuseum een rol spelen in dat bestaande verzamelingen bij archieven, bibliotheken en musea het slavernijverleden serieus opnemen in hun collectiebeleid en onderzoek doen naar de huidige collectiestukken. Tot slot zal er nagedacht moeten worden over praktische zaken, zoals depotruimte. Het Nationaal Slavernijmuseum heeft vooralsnog geen beschikking over een eigen depot. Hier kan samenwerking worden gezocht met instellingen die ruimte hebben in het eigen depot voor een externe collectie. In eerste instantie lijken instellingen met een museaal depot in Amsterdam de beste optie. Het Scheepvaartmuseum, Het Amsterdam Museum en het Stadsarchief lijken geschikte partijen om hierover gesprekken te voeren. Om dit te realiseren, moet er gekeken worden naar geschatte benodigde ruimte, kosten voor beheer en kosten voor eigen medewerkers collectiebeheer.

95

CURATORIUM Als concrete vervolgstap adviseren wij om in de volgende fase een curatorium samen te stellen, met als doel om de collectievorming en collectiestrategie verder te concretiseren en zo invulling te geven aan de vijf tijdvakken van het museum. Verder kan het curatorium een begin maken met het accepteren en vastleggen van aangeboden objecten en het concretiseren van de opgebouwde samenwerkingen.

Scholen zullen actief benaderd worden met het educatieve aanbod en samen met docenten, educatie-instellingen en educatie steunfuncties wordt samenwerking gezocht. Voor dit alles is het belangrijk dat het laagdrempelig, ondersteunend en stimuleert om met het thema aan de slag te gaan en dat de informatie feitelijk en juist is. De samenhang met historici, pabo’s en educatieve uitgeverijen is van belang.

Dit curatorium kan bestaan uit onderzoekers, tentoonstellingsmakers, museum professionals, historici en kunstenaars met specifieke kennis van en vaak een binding met de geografische gebieden waar het museum over informeert. De samenstelling van het curatorium zal gebalanceerd moeten zijn wat betreft leeftijden, achtergronden en genders.

De verkenning bevat al een aantal hele concrete ideeën en voorstellen voor de invulling van het educatie- en onderwijsaanbod. Ons advies is dat de toekomstige organisatie het educatieprogramma verder uitwerkt. Dit moet in samenhang gebeuren met de verdere uitwerking van het museumconcept en het tentoonstellingsaanbod en in nauwe samenwerking met bijvoorbeeld scholen, educatieve steunfuncties, lerarenopleidingen en gemeenschappen. Het museum kan dit niet allemaal zelf doen. Bij alles wordt steeds de samenwerking met scholen gezocht en aansluiting bij het curriculum.

Educatie Het museum streeft ernaar dat ieder kind, iedere klas en elk gezin het museum fysiek of digitaal bezoekt en lesprogramma’s van het museum gebruikt. Educatie heeft, zoals in de verkenning al is aangegeven en ook duidelijk naar voren kwam tijdens de participatie, een centrale functie in het Nationaal Slavernijmuseum. Educatie is hét middel om kennis en bewustzijn over het Nederlandse slavernijverleden te vergroten en daarom zal het museum een gedegen educatieprogramma voor kinderen, jongeren maar ook volwassenen hebben. Deze opdracht blijkt ook uit het participatietraject. Educatie wordt door velen als essentieel onderdeel van het museum beschouwd: hoe vertel ik de verhalen over het slavernijverleden, over mijn verleden en over mijn voorouders aan mijn kinderen en kleinkinderen? We willen daarom educatie passend bij verschillende leeftijdscategorieën aanbieden. Op deze manier kunnen jonge bezoekers het verhaal van de slavernijgeschiedenis deskundig en passend bij hun leeftijd horen, zien en beleven. We onderschrijven daarmee dat iedere scholier, zoals in de verkenning staat, een keer een bezoek aan het museum brengt en het hele verhaal van de Nederlandse geschiedenis hoort op een manier die raakt, beklijft en doorverteld wordt. De educatie omvat alle thema’s die we in de vijf tijdvakken benoemen.

Daarmee is de educatie gericht op kennis te vergroten en meer bewustwording over het slavernijverleden te creëren. Daarnaast is er ook behoefte aan de overdracht van culturele uitingen; bijvoorbeeld taalles, dans, muziek en textiele technieken. Ook dit is een manier van verhalen vertellen en doorvertellen. In de vijf tijdvakken en thema’s zal meerlagige kennisoverdracht steeds de kern zijn. Die kennis wordt laagdrempelig en in begrijpelijke taal aangeboden. In aparte educatieruimtes krijgen schoolklassen of andere doelgroepen eigen programma’s op afspraak, van basisonderwijs tot mbo tot volwassenen. Door het museum heen zijn rondleidingen op afspraak en in de workshopruimte (in het algemene deel van het museum) zijn er wisselende programma’s voor bijvoorbeeld kinderen in de vrije tijd. Daarnaast kan het museum lespakketten en online educatie aanbieden, bijvoorbeeld met online rondleidingen door het museum.

96

Vertel het hele verhaal

Kindermuseum

Superstraat in het Wereldmuseum in Rotterdam met een van de educatieve medewerkers. Foto’s: Peggy Brandon

We adviseren om een apart kindermuseum te maken. We zien dit als essentieel om het verhaal aan iedereen te kunnen vertellen; door een eigen plek te maken voor kinderen waar het verhaal van het slavernijverleden op hun niveau wordt verteld. Op dit punt wijkt ons advies af van de verkenning. In de verkenning is alleen gesproken over een apart familie & kinderpad door het museum. In gesprekken met het museale veld werd een eigen kindermuseum sterk geadviseerd. Ook in de participatie kwam naar voren dat hier behoefte aan is; ouders gaven aan dat zij samen met hun kind naar het museum willen gaan in een speciaal voor kinderen ontworpen emotioneel veilige en stimulerende omgeving. In het participatietraject met jonge kinderen dat in samenwerking met De Nederlandsche Bank wordt uitgevoerd, kwam dat in andere bewoordingen terug. Het kindermuseum moet een warme plek worden waar kinderen veilig de kernbegrippen van vrijheid en gevangenschap en verzet, kennis en cultuur kunnen leren. Het kindermuseum kan differentiëren tussen leeftijdsgroepen. 97

Kinderen tussen de 4 en 6 verdienen een andere aanpak dan kinderen vanaf 8 jaar in een meerjarige opstelling die voor zowel school als familiebezoek geschikt is. De werkbezoeken aan de binnenspeelplaats en het kindermuseum van het Militair Museum te Soesterberg, de Superstraat in Wereldculturen Rotterdam, het kindermuseum van het Holocaust Memorial Museum in Washington DC, het Junior-museum van Wereldculturen Amsterdam en de indoor playground van het Maritiem Museum in Rotterdam ondersteunen deze keuze. Het is aan de toekomstige museumorganisatie om het plan voor het kindermuseum verder uit te werken. Dit moet in samenhang gebeuren met de verdere uitwerking van het museumconcept en het tentoonstellingsaanbod. En ook hiervoor geldt dat dit een combinatie kan zijn van vaste tentoonstellingen en wisselend aanbod. Dit is een grote en aparte deelopgave binnen de verdere ontwikkeling van het museum.

Netwerkmuseum Het Nationaal Slavernijmuseum is een netwerkmuseum. Het kenniscentrum ondersteunt deze netwerkfunctie. Dit houdt in dat er actief wordt gewerkt aan een netwerk van instellingen die gaan over de internationale geschiedenis van kolonisatie en slavernij. Dit netwerk speelt zich af over alle werelddelen. Hiervoor zijn al verschillende zetten gedaan. Zo zijn we onderdeel van netwerken in West-Afrika, Noord-Amerika en Zuid-Amerika en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Een voorbeeld hiervan is het netwerk Foundation for the Memory of Slavery. Omdat er in Europa nog weinig slavernijmusea zijn, kan het Nationaal Slavernijmuseum een initiërende rol spelen in samenwerkingen op Europees niveau. Omdat de geschiedenis van het Nederlandse slavernijverleden zoveel aspecten heeft, is het mogelijk verbindingen te maken met verschillende type erfgoedorganisaties. Door de samenwerking met deze instellingen kan het slavernijmuseum ervoor zorgen dat onderzoeksinstellingen, musea, archieven en het slavernijverleden opnemen in bijvoorbeeld hun collectiestrategie. Als netwerkmuseum heeft het Nationaal Slavernijmuseum zo ook invloed op andere instituten. Er wordt ook samengewerkt met musea die verder afstaan van de geschiedenis van kolonisatie en slavernij, zoals musea voor moderne kunst en zogenaamde traumamusea (bijvoorbeeld holocaustmusea).

Zo trekt het Nationaal Slavernij­ museum hiervoor in Amsterdam bijvoorbeeld op met het nieuwe Nationaal Holocaustmuseum dat in 2024 opent. De open kennisdeling van het Joods Cultureel Kwartier over het traject van de totstandkoming van dit museum is heel waardevol. Tot slot is het museum ook nadrukkelijk een netwerkmuseum binnen het Nederlandse koninkrijk. Het museum werkt samen met museale functies, archieven en erfgoed specialisten op Sint-Eustatius, Saba, Curaçao, Bonaire, Aruba en Sint-Maarten. Daar is het museum een netwerkorganisatie die kennis deelt en kennis ophaalt. In gezamenlijkheid wordt er gewerkt aan tentoonstellingen en programmering. Een voorbeeld hiervan is de tentoonstelling Slavernij van het Rijksmuseum, die in het Caribisch deel van het Koninkrijk te zien zal zijn. 98

Vertel het hele verhaal

Digitaal museum Het Nationaal Slavernijmuseum zou niet alleen een fysieke plek moeten zijn. Door ook een digitaal museum te maken, kan het museum altijd en overal toegankelijk zijn voor zoveel mogelijk mensen. Van Groningen tot Maastricht en van Suriname tot Sint Eustatius. Dit sluit aan bij de veelgestelde vraag uit de participatie- en publieksbijeenkomsten over hoe mensen op afstand betrokken kunnen zijn en blijven bij het museum. Bovendien kunnen bijvoorbeeld inwoners van het Caribisch deel van het Koninkrijk door hoge reiskosten moeilijk naar het museum komen. Ook binnen Europees-Nederland is reizen niet voor iedereen mogelijk. Als kwartiermakers zien wij daarom de noodzaak om het museum digitaal goed toegankelijk te maken. Dit is niet nieuw en gebeurt al veel in het museale veld, bijvoorbeeld door digitale rondleidingen, filmpjes, 3D representaties van museale opstellingen en het digitaal toegankelijk maken van de collectie. Mooie voorbeelden hiervan zijn het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, het Wereldmuseum Rotterdam en Tate Modern in London. Ook kan er een stap verder gezet worden middels innovatieve technologie. Bedrijven zoals Bloomberg zijn hier vooruitstrevend in en ontwikkelden voor veel Amerikaanse musea - evenals voor het Tate Modern - digitale tours. Bij het Tate Modern is een deel vrij toegankelijk en een deel via betaalde lidmaatschappen.

Dit laatste biedt mogelijkheden voor een verdienmodel. Wij adviseren om in de volgende fase het plan voor het Digitale Museum verder uit te werken samen met partijen die hier veel ervaring mee hebben. Dit moet in samenhang gebeuren met de verdere uitwerking van het museumconcept en het tentoonstellingsaanbod. Dit is een grote en aparte deelopgave binnen de verdere ontwikkeling van het museum.

Door ook een digitaal museum te maken, kan het museum altijd en overal toegankelijk zijn voor zoveel mogelijk mensen. 99

Naamgeving museum Tijdens de verkenning naar een museale voorziening over het slavernijverleden is de term slavernijmuseum als werktitel gebruikt. In een later stadium kwam hier de toevoeging ‘Nationaal’ bij. Maar is dit de naam die het meest recht doet aan het museum dat wij willen oprichten over de slavernijgeschiedenis? Tijdens de participatiebijeenkomsten en het onderzoek naar de positionering van het museum in samenwerking met Herc hebben we deze vraag geprobeerd te beantwoorden. Tijdens de participatiebijeenkomsten en aan Herc hebben we de vragen gesteld: Wat vinden jullie een passende naam voor het museum? Is de werktitel die we nu gebruiken, Nationaal Slavernijmuseum, een goede naam? Wat vinden jullie van deze naam, wat roept deze op, welke verwachtingen worden er gecreëerd? In het participatieverslag hebben we de antwoorden van de bezoekers opgetekend. Samen met het onderzoek dat Herc deed hebben we hiervan geleerd dat de meeste personen neutraal tot positief zijn over ‘Nationaal Slavernijmuseum’. Een kleine groep heeft geen goed gevoel bij het woord slavernij in de titel. Deze groep vindt dat de aanduiding ‘Nationaal Slavernijmuseum’ te veel de nadruk legt op de slavernij en het verleden, terwijl het accent juist moet liggen op de weerbaarheid, kracht en trots.

Na de vraag naar een alternatieve, betere naam, stellen mensen hun mening vaak bij: “Slavernij is waar het museum over gaat, dus hoe moet het anders heten.” Bij doorvragen over wat Slavernijmuseum oproept noemen gesprekspartners begrippen als geschiedenis, onderzoek, educatie, informatie, maar ook pijn. Begrippen die goed passen bij de thema’s die het museum wil uitdragen. De aanduiding ‘Nationaal’ vindt niet iedereen positief. Alternatieven die worden genoemd zijn: Slavernij Rijksmuseum, Internationaal Slavernijmuseum of Nederlands Slavernijmuseum. Het loslaten van de term slavernij of juist het aanvullen, opent de weg naar andere beeldspraak zoals: Kracht! Nationaal Slavernij- en Vrijheidsmuseum. En het geeft de mogelijkheid om een relatie met de slavernij in het Indisch-Oceanisch gebied en de Indonesische Archipel in de naam of de ondertitel op te nemen. Ons advies is om op dit moment de werknaam te behouden en voor de opening de naamgeving van het museum onderdeel te maken van een nieuw participatie-initiatief.

Aanloopprogrammering Alhoewel het Nationaal Slavernijmuseum zijn deuren pas opent in 2030 is het museum al in 2023 gestart met een inhoudelijk programma. Deze zogenaamde aanloopprogrammering heeft verschillende doelstellingen: • Het toetsen en testen van de museologie en het museumconcept met vijf tijdvakken; • het maken van een start met de collectievorming en collectiestrategie van het museum; • groeien in de rol van netwerkmuseum door verbindingen aan te gaan met kennisinstellingen, musea, archieven en andere partnerorganisaties door het hele Koninkrijk en daarbuiten; • de band met de diverse doelgroepen en samenwerkingspartners aanhalen en verdiepen; • de zichtbaarheid en de naamsbekendheid van het museum nationaal en internationaal vergroten. Samen met interdisciplinair en cultuur-divers creatief collectief Lowrey Foley McClane (verder LFMC) hebben we een voorstel voor het aanloopprogramma ontwikkeld. Het aanloopprogramma krijgt jaarlijks een thema en omvat verschillende activiteiten die aansluiten op bovenstaande doelstellingen. Voorbeelden zijn pop-up tentoonstellingen op verschillende locaties, educatieve activiteiten en webinars. De aanloopprogrammering speelt zich nadrukkelijk niet alleen af in Europees-Nederland, maar ook in het Caribisch deel van het Koninkrijk en in Suriname.

De thema’s voor de aanloopprogrammering zijn ontwikkeld door LFMC en aangevuld door de verhalen, behoeftes en wensen van de participanten van de participatiebijeenkomsten. We stellen voor om de volgende thema’s te hanteren: • 2024 – Slavernij: Verzet & Weerbaarheid • 2025 – Slavernij & Erfenis • 2026 – Slavernij & Vrouwen • 2027 – Afro & Asian Futurisme • 2028 & 2029 – Van Slavernij tot racisme, discriminatie en heling, een gedeelde geschiedenis In 2023 vond er al een educatief traject plaats en in 2024 is er in ieder geval een pop-up tentoonstelling in het Verzetsmuseum in Amsterdam, één in het Nationaal Archief in Den Haag en een tentoonstelling in Curaçao. Ook tonen we de tentoonstelling Slavernij van het Rijksmuseum in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Ook ontwikkelen we momenteel een reizende digitale, interactieve zuil die de komende jaren een plek kan krijgen bij culturele instellingen door het hele koninkrijk. Deze interactieve zuil nodigt bezoekers van deze culturele instellingen door het hele koninkrijk uit om na te denken over wat zij belangrijk vinden voor

100

Vertel het hele verhaal

101

het slavernijmuseum. De antwoorden die bezoekers geven komen terecht in een database, die gebruikt zal worden bij de verdere ontwikkeling van het museum. Er zullen vijf van dit soort zuilen door Nederland reizen om zo input voor het hele land te verzamelen. Deze zuilen ontwikkelen we in samenwerking met het Nationaal Archief en digitale conceptontwikkelaar Shosho. 2023: EDUCATIE EN PARTICIPATIETRAJECT WAARVOOR KOM JIJ NAAR HET NATIONAAL SLAVERNIJMUSEUM? In 2023 is het museum van start gegaan met het participatieve educatietraject genaamd: Waarvoor kom jij naar het Nationaal Slavernijmuseum?, in samenspraak met de Nederlandse Bank. Doel van dit project was om kennis op te doen over de wensen en beelden van kinderen en jongeren over het museum en het kenniscentrum om zo een intergenerationeel beeld van het slavernijverleden te kunnen presenteren in het uiteindelijke museum. Daarnaast bood het project een onderwijsprogramma over het slavernijverleden om de bewustwording en kennis van kinderen en jongeren over het slavernijverleden te vergroten. Tijdens het project zijn duizenden kinderen en jongeren (in de leeftijdsgroepen 9-12 en 12-18) in Europees-Nederland, Aruba en Curaçao bevraagd over wat ze zouden willen zien, doen en maken in het Nationaal Slavernijmuseum. Hiervoor is educatief gespreksmateriaal ontwikkeld.

In de loop van 2024 is een boekje gereed, waarin duidelijk wordt gemaakt wat de kinderen vinden van het museum, inclusief quotes en tekeningen. Op middellange termijn draagt de opgedane kennis uit dit educatietraject bij aan een pop-up tentoonstelling. Tot slot draagt het ook bij aan de educatieve rol van het museum en geeft de informatie van de kinderen invulling aan de vijf tijdvakken. Om al deze kinderen te bereiken werkten we samen met zeven partners: H’ART Museum, Stichting Rode Loper op School, Uitgeverij Levendig, Human Nature, Kult & Ace, Shosho en het Leerorkest. Het project werd gefinancierd door De Nederlandse Bank.

2024: TENTOONSTELLING “ABOLITIONISME IN AMSTERDAM” IN HET VERZETSMUSEUM De eerste pop-up tentoonstelling van het Nationaal Slavernijmuseum organiseren we in samenwerking met het Verzetsmuseum. De tentoonstelling opent medio maart 2024 en is op dit moment volop in ontwikkeling. De tentoonstelling past binnen het thema van 2024 “verzet & weerbaarheid” en bespreekt de abolitionisten in Amsterdam en omstreken. In de tentoonstelling worden de nog weinig bekende verhalen verteld van een groep jongeren in Amsterdam die streden voor de afschaffing van de slavernij, het Jongelings Genootschap ter Afschaffing van Slavernij, opgericht in 1852. Ook gaat de tentoonstelling in op het onbekende verhaal over de publieke opinie in Nederland voor en tegen afschaffing van de slavernij. Hiermee toont het Nationaal Slavernijmuseum verschillende kanten van het Nederlandse slavernijverleden. De belangrijkste doelen van deze tentoonstellingen zijn: • Informeer het publiek over een nog onbekend onderdeel van de geschiedenis van het Nederlandse slavernijverleden. • Inspireer met de gedachte dat je het verschil kan maken als je opstaat tegen onrecht, hoe jong je ook bent. • Informeer het publiek over de komst van het Nationaal Slavernijmuseum.

Rijksmuseum tentoonstelling Slavernij in Caribisch deel van het Koninkrijk In samenwerking met het Rijksmuseum brengt het Nationaal Slavernijmuseum de tentoonstelling Slavernij, die in 2021 in het Rijksmuseum te zien was en in 2023 in de UN building in New York, in de vorm van een poster-tentoonstelling naar het Caribisch deel van het Koninkrijk en Suriname. De slavernijtentoonstelling van het Rijksmuseum wordt in samenwerking met lokale partners via posters beschikbaar gesteld aan Suriname, Curaçao, Bonaire, Aruba, St Maarten, St Eustatius en Saba. De tentoonstelling vertelt tien waargebeurde verhalen van mensen die op verschillende manieren verbonden waren aan het Nederlandse slavernijverleden. Tien persoonlijke verhalen over mensen die bijvoorbeeld tot slaaf zijn gemaakt of slavenhouder waren, of zich verzetten. Naast deze tien verhalen krijgt iedere locatie de mogelijkheid om twee eigen verhalen toe te voegen aan de hand van te ontwerpen posters.

Kinderen op Curaçao en Aruba geven hun advies over het Nationaal Slavernijmuseum via Uitgeverij Levendig. Foto: Uitgeverij Levendig

102

Vertel het hele verhaal

103

3.2 Kenniscentrum

Kenniscentrum en samenwerkingen Het kenniscentrum krijgt zijn eigen plek in het museum die toegankelijk moet zijn voor alle bezoekers die meer kennis willen opdoen over het Nederlandse slavernijverleden en/of hun eigen connectie hiermee. Het kenniscentrum moet een plek zijn voor onderzoekers en studenten die zich begeven in het onderzoeksveld rondom slavernij, kolonialisme en cultureel erfgoed om zelfstandig onderzoek te doen.

Het kenniscentrum - onderdeel van het Nationaal Slavernijmuseum - maakt het museum een bron van informatie voor iedereen die zich verder wil verdiepen in het slavernijverleden of zijn persoonlijke familiegeschiedenis. Het kenniscentrum heeft een kenniselement, een publiekselement en een digitaal element. Het publiekselement uit zich in een publiekscentrum met digitale infrastructuur en getraind personeel dat het kloppend hart van het kenniscentrum vormt. In dit publiekscentrum is ook het meest directe contact met de bezoekers door middel van familie- en voorouderonderzoek waardoor thema’s voor randprogrammering, tijdelijke tentoonstellingen, educatie, workshops en bijeenkomsten samen met hen bepaald en ontwikkeld kunnen worden. In de toekomst kan het kenniscentrum ook zelfstandig onderzoek stimuleren en een ontmoetingsplek voor onderzoekers zijn. 104

Vertel het hele verhaal

Samenwerkingen met onderzoekscentra en universiteiten zijn een essentieel onderdeel van het kenniscentrum. Mede door het Herdenkingsjaar Slavernijverleden is er aandacht voor een onderzoeksagenda rondom het slavernijverleden. Dit zien we onder andere terug in het onderzoek van de regiegroep Staat en Slavernij. Het Nationaal Slavernijmuseum hecht veel belang aan samenwerkingen met het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (verder: NIAS) en het IISG. Ook zijn samenwerkingen met de Universiteit van Suriname en de University of Curaçao hier van belang. De installatie van drie leerstoelen in EuropeesNederland en een in Caribisch-Nederland rondom de slavernijgeschiedenis door het ministerie van Binnenlandse Zaken, biedt nieuwe mogelijkheden voor samenwerkingen en kennisontwikkeling binnen het netwerk. Het NiNsee heeft als samenwerkingspartner een bijzondere rol. Dat is mede door hun brede netwerk onder relevante doelgroepen en hun kennis over het slavernijverleden en de doorwerking ervan in het heden. Daarnaast is hun ervaring met het maken van tentoonstellingen als Kind aan de ketting van grote waarde voor de verdere ontwikkeling van onderzoek voor tentoonstellingen door het kenniscentrum. Een andere partner is de Fulbright Foundation.

Door deze foundation kunnen onderzoekers en specialisten uit de Verenigde Staten hun kennis inbrengen in het centrum. Het onderzoeksveld rondom het Nederlandse slavernijverleden is in beweging en juist door dit soort relaties met deze instituten blijft de informatie die het museum tentoonstelt accuraat. Maar niet alleen voor de tentoonstellingen is onderzoek van belang; ook voor randprogrammering, tijdelijke tentoonstellingen, educatie, workshops en bijeenkomsten. Contact met historici en andere onderzoekers, in binnen- en buitenland is daarom essentieel. Veel musea hebben een kenniscentrum element dat in dialoog staat met het museum. Denk bijvoorbeeld aan de visiting fellows van het Rijksmuseum, die op uitnodiging onderzoek mogen komen doen naar de collectie om vervolgens te inspireren voor uitbreiding, verdieping en kritische evaluatie. Ook is het kenniscentrum een plek waar onderzoekers elkaar kunnen ontmoeten, conferenties kunnen hosten, of workshops kunnen geven. Een kenniscentrum geeft ook wetenschappelijk gewicht aan het museum, bovendien kan het educatie doeleinden ondersteunen.

105

Publiekscentrum voor familieonderzoek Tijdens het participatietraject is duidelijk naar voren gekomen dat er grote behoefte is aan familieonderzoek en voorouderonderzoek. Veel deelnemers gaven aan geïnteresseerd te zijn in hun familiegeschiedenis en hoe deze verbonden is met de Nederlandse slavernijgeschiedenis. Het Nationaal Slavernijmuseum moet daarom een plek zijn voor iedereen om zijn persoonlijke geschiedenis te ontdekken in het publiekscentrum. Dit publiekselement is essentieel en draagt bij aan de doelstelling van het museum om het hele verhaal toegankelijk voor iedereen te maken. Een aantal deelnemers gaf aan dat zij zelf al geprobeerd hebben om hun familiegeschiedenis, maar ze zijn op een bepaald punt vastgelopen. Dit is waarom wij de opbouw van een team van experts voor ogen hebben, die kennis hebben over het Nederlandse slavernijverleden en archieven kunnen navigeren. Deze experts kunnen, daarbij ondersteund door vrijwilligers die zich eveneens in de materie hebben verdiept, de bezoekers helpen om meer te weten te komen over hun verleden: persoonlijk, familiaal, herkomst, plantage(s) et cetera. Voor bezoekers moet het mogelijk zijn om van tevoren een tijdslot af te spreken en van een medewerker van het centrum (zoek)hulp en ondersteuning te krijgen.

De mogelijkheid tot familieonderzoek is het belangrijkste aspect van het kenniscentrum en vraagt om een stevige digitale basis in de vorm van een portal die digitaal toegang biedt tot de vele digitale archieven die er zijn. Veel archieven kunnen worden geraadpleegd als zij op een makkelijke manier digitaal kunnen worden bekeken. Daarnaast is het waardevol om alle archiefmateriaal op één plek digitaal toegankelijk te hebben. De kern van het publiekscentrum is dan ook het eigen onderzoek van bezoekers, die daarin door kundig personeel en vrijwilligers op weg worden geholpen. Ook zal er een Mapping Slavery applicatie komen in het publiekscentrum. Mapping Slavery is een publieksgeschiedenis project geïnitieerd door Dr. Dienke Hondius en het huidige team bestaat uit Jennifer Tosch, Nancy Jouwe en Sjoerd Jaarsma. Het brengt de historische plaatsen in kaart van het slavernijverleden en het erfgoed van het Nederlandse koloniale rijk. Middels een digitale toepassing van dit project in het publiekscentrum kunnen deelnemers onderzoeken wat de verbindingen zijn tussen hun woonplaats en de Nederlandse slavernijgeschiedenis. Bij de participatiebijeenkomsten hebben we in elke stad die we bezochten lokale verhalen verteld over slavernij om zo de verbinding met het Nederlandse slavernijverledvocen te maken.

Veel deelnemers hebben aangegeven dat de geschiedenis op deze manier dichtbij kwam en dat ze hierdoor nieuwe inzichten kregen. Dit heeft voor ons duidelijk gemaakt dat een Mapping Slavery applicatie een belangrijke toevoeging aan het publiekscentrum is.

Een plek om je persoonlijke geschiedenis te ontdekken. 106

Vertel het hele verhaal

Borderellen - Zoveel geld leverde de afschaffing van de slavernij de slavenhouders op Eigenaren dienden voor de afschaffing van de slavernij in 1863 een borderel in, een document waarmee ze compensatie konden claimen. De uitgekeerde bedragen zijn nu per plantage en per eigenaar te zien op de website van NRC. Op een plantagekaart met een datatabel is daar te zien welke slavenhouder compensatie kreeg (en hoeveel) van de Nederlandse overheid voor de afschaffing van de slavernij in Suriname en het Nederland Caribisch gebied. De gegevens op de kaart en in de tabel zijn gebaseerd op de borderellen en bijbehorende verslagen en processen-verbaal uit het archief van de Algemene Rekenkamer, dat in het Nationaal Archief ligt. Historicus Okke ten Hove heeft de dossiers met de hand overgeschreven, en daarna gedigitaliseerd. NRC heeft de gegevens daarna geautomatiseerd, verwerkt en handmatig bijgewerkt. Het ontsluiten van de archieven door Okke ten Hove en het bij elkaar brengen van gedigitaliseerde data en deze plaatsen op een kaart door NRC is een goed voorbeeld van het toegankelijk maken van archiefmateriaal voor het op een relatief eenvoudige manier uitvoeren van zelfstandig onderzoek naar de familiegeschiedenis. Bron: Houtekamer, C., & De Jong, W. (2023, 24 oktober). Zoveel geld leverde de afschaffing van de slavernij de slavenhouders op. NRC.

https://www.nrc.nl/nieuws/2023/06/30/ zoveel-geld-leverde-de-afschaffing-van-de-slavernij-de-slavenhouders-op-a4168561

Monument van 11.000 namen, Tropenmuseum, Keti Koti, Oosterpark, 2013-2018. Foto: Burobraak, Arjan Braaksma

Digitale toegangspoort Het is belangrijk dat het kenniscentrum zich ook online manifesteert. Deze online aanwezigheid draagt bij aan de toegankelijkheid van het kenniscentrum. Met de opbouw van het online kenniscentrum kan in de aanloopperiode 2024-2030 al worden begonnen. Daarnaast kan een online platform ook al worden gebruikt voor informatie over de aanloop programmering. De digitale ontsluiting van slavernij- en koloniale persoonsarchieven heeft de laatste jaren een ontwikkeling doorgemaakt. Er zal de komende jaren nog meer ontsloten worden, maar de informatie is verspreid in binnen- en buitenland en enorm omvangrijk. Het Nationaal Slavernijmuseum wil bijdragen aan de toegankelijkheid van al deze belangrijke informatiebronnen om ondersteuning te bieden aan iedereen die zijn familiegeschiedenis wil onderzoeken. Daarom moet alle informatie via één toegangsweg bereikbaar zijn. Hierin zien wij een belangrijke en verbindende rol voor het Nationaal Slavernijmuseum. Daarom is er met de volgende belangrijke instellingen contact opgenomen in het voortraject over eventuele samenwerkingen: • Het Nationaal Archief in Den Haag heeft de database van de Surinaamse volkstelling uit 1921 en de Surinaamse slavenregisters met de namen geregistreerd van tot slaaf gemaakte mensen in de periode 1830 tot 1 juli 1863.

• Het nieuwe digitale archief Exploring Slave trade in Asia van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (verder: IISG) is een nieuwe informatiebron over slavernij in Indonesië. • Het Zeeuws archief heeft een schat aan informatie betreft de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC) en zet belangrijke stappen in verdere digitale ontsluiting. • Het Nationaal Archief van Curaçao heeft de slaven- en emancipatie registers van Curaçao. • Er zijn ook nog vele andere lokale en particuliere archieven die bijdragen aan de volledigheid van informatie. Denk bijvoorbeeld aan het Stadsarchief Amsterdam en het archief in Groningen.

New York At its Core Exhibition opens at Museum of the City of New York. Foto: Peggy Brandon

108

Vertel het hele verhaal

109

3.3 Het museum

maken we samen

Permanente dialoog In Hoofdstuk 2.1 ‘Met ons en door ons’ en in het participatieverslag omschreven we het belang en de uitkomsten van het participatietraject. Wij adviseren om deze participatie voort te zetten tot aan de opening van het museum en daarna om de opgebouwde steun voor het museum te behouden en te versterken. Dit kan onder andere gebeuren door: • Publieks- en participatiebijeenkomsten te blijven organiseren door het hele koninkrijk; • prioriteit te blijven geven aan de relaties die het museum heeft met het Caribisch deel van het Koninkrijk en Suriname (denk aan het samen ontwikkelen van tentoonstellingen; het organiseren van werkbezoeken en het organiseren van digitale colleges); • het internationale deel van het participatietraject verder uit te breiden naar het Indisch-Oceanisch gebied, de Indonesische Archipel, Zuid-Afrika en andere plekken waar Europees-Nederland een rol heeft gespeeld als kolonisator; • initiatieven die voortkomen uit de publieks- en participatiebijeenkomst de ruimte te geven om zich onafhankelijk door te ontwikkelen; • in de aanloopprogrammering verschillende doelgroepen bij het museum te betrekken (denk bijvoorbeeld aan de digitale, interactieve zuil en aan het educatietraject Waarvoor kom jij naar het Nationaal Slavernijmuseum?)

Het verhaal dat het Nationaal Slavernijmuseum vertelt is continu in ontwikkeling en wordt voortdurend aangevuld en verrijkt. Sinds het initiatiefvoorstel voor het museum in 2017 is er veel veranderd, zoals er ook in 2030, het jaar dat het museum zijn deuren opent, ten opzichte van nu veel veranderd zal zijn. Daarom is het belangrijk dat de participatie over het museum, zoals we deze het afgelopen jaar zijn gestart, doorgaat en dat er breed eigenaarschap voor het museum ontstaat. In Europees-Nederland, in het Caribisch deel van het Koninkrijk én daarbuiten. Tot aan de opening van het museum én daarna. Naast de aanloopprogrammering doen we dit de komende jaren door een permanente dialoog te voeren, een ambassadeursnetwerk op te bouwen en nu al te starten met de fondsenwerving voor het museum. 110

Vertel het hele verhaal

• participatief werken integraal onderdeel te maken van de museumorganisatie.

Netwerk van ambassadeurs Naast een permanente dialoog met alle gemeenschappen is ons voorstel een ambassadeursnetwerk op te bouwen. Het doel van dit netwerk is het verbreden van het eigenaarschap van het museum. De ambassadeurs kunnen met hun persoonlijke verhalen verbinding maken met hun eigen netwerk. Zij zijn de pilaren waarop het museum rust. Zij maken contact tussen het museum en de buitenwereld en vertellen ieder vanuit een eigen persoonlijke invalshoek op aansprekende wijze het verhaal van het museum binnen de diverse gemeenschappen. Ambassadeurs kunnen ook belangrijke instellingen, grote bedrijven of vermogende particulieren betrekken. Bijvoorbeeld als sponsor van het museum, om mee te denken of voor het ‘openen van deuren’. Het voorstel is om in totaal 160 ambassadeurs te werven, één ambassadeur per jaar dat de slavernij is afgeschaft (uitgaande van 1863). De ambassadeurs vormen een representatieve afspiegeling van de samenleving in al haar diversiteit. Zij dragen het museum een warm hart toe en brengen het positief onder de aandacht. Daarbij is het belangrijk dat vertegenwoordigers uit het Caribisch deel van het Koninkrijk, het Indisch-Oceanisch gebied en de Indonesische Archipel ook vertegenwoordigd zijn in dit netwerk.

111

In de afgelopen periode zijn de eerste stappen gezet om het ambassadeurs­ netwerk op te bouwen. In het voorjaar van 2023 vond een verkennende bijeenkomst plaats waar het doel van het netwerk en de mogelijke rol van de ambassadeurs werd besproken. In oktober 2023 is de conferentie “To build a museum” georganiseerd (in aanwezigheid van Lonnie G. Bunch III, zie hoofdstuk 2.1) onder andere om potentiële ambassadeurs te betrekken. Ons advies is om dit netwerk zo snel mogelijk te laten groeien. De ambassadeurs spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van het museum en zo worden ze ook onderdeel en mede-eigenaar van het museum in opbouw.

Fondsenwerving Fondsenwerving is een belangrijke manier om mensen te betrekken bij het museum, het draagvlak te verbreden en aanvullende financiering voor het museum te genereren. We vinden het belangrijk dat fondsenwerving niet als losstaand (organisatie)onderdeel gezien wordt gericht op het vinden van aanvullende financiering, maar dat hierin het creëren van draagvlak voor het museum centraal staat. Zo kan ook een lidmaatschap van het museum worden ontwikkeld waar mensen voor een klein bedrag al vanaf het komende jaar lid kunnen worden. Hiermee ontstaat er direct een verbinding van de fondsenwerving met het ambassadeursnetwerk en de participatie, die zo nauw verbonden zijn met de gedachte achter dit museum. Gedurende onze opdracht hebben wij Van Dooren Advies gevraagd om een haalbaarheidsonderzoek uit te voeren met een inschatting voor de financiële mogelijkheden voor het slavernijmuseum. Ook Van Dooren geeft aan dat fondsenwerving breder is dan alleen het verzorgen van aanvullende financiering. Bovendien is het vinden van aanvullende financiering geen gegeven. De positionering, de governance, het opdrachtgeverschap en de organisatie van het Nationaal Slavernijmuseum zijn allemaal van invloed op de haalbaarheid van de fondsenwerving. In onderstaand kader staan de belangrijkste adviezen van Van Dooren Advies.

In hoofdstuk 4.2 gaan we nader in op het bedrag dat we verwachten te kunnen werven voor de investering in het museum en de exploitatie na opening.

112

Vertel het hele verhaal

Haalbaarheidsonderzoek fondsenwerving door Van Dooren Advies Positionering, opdrachtgeverschap, organisatie en governance zijn van groot belang voor de haalbaarheid van de fondsenwerving. Hierover zegt Van Dooren Advies het volgende: •

De verwezenlijking en totstandkoming van het slavernijmuseum vereisen een langdurige commitment. De initiatiefnemers zullen verantwoordelijkheid en risico’s moeten nemen. De overheid zal een stevige basis moeten verzorgen en garant moeten blijven staan voor dat fundament.

•

Onderzoek of het Nationaal Slavernijmuseum een Rijksmuseum kan worden. De wettelijke verankering die hieruit volgt zorgt voor financiële stabiliteit op de lange termijn. Voor mogelijke externe financiers is deze financiële stabiliteit belangrijk voor het geven van geld.

•

Hoe meer het belang van het Nationaal Slavernijmuseum wordt benadrukt op landelijk niveau, hoe aantrekkelijker het museum wordt voor potentiële gevers.

•

Goede samenwerkingsrelaties met het Caribisch deel van het Koninkrijk en Suriname zijn belangrijk voor het draagvlak en vertrouwen in het Nationaal Slavernijmuseum.

113

Secretary Lonnie Bunch, de founding director van het NMAAHC in gesprek met presentator Andrew Makkinga tijdens de conferentie “To Build a Museum” in Amsterdam Foto: Isaac Owusu

114

Vertel het hele verhaal

115

W at g i d o n r e is

4. Wij nazaten zijn de stoutste dromen van onze voorvaderen

116

Vertel het hele verhaal

117

4.1 Organisatie Gemeenschapsgerichte organisatie en duurzame participatie Een voorbeeld van een gemeenschapsgerichte organisatie, waar duurzame participatie in het hart van de organisatie zit, is Keti Koti Zeeland onder leiding van voorzitter Angelique Duijndam. Angelique Duijndam is niet alleen voorzitter van Keti Koti Zeeland, ze zet zich ook op heel veel andere manieren in voor aandacht voor het trans-Atlantische slavernijverleden. Zo was ze mede-aanjager van het burgerinitiatief voor het plaatsen van een slavernijmonument in Vlissingen. Ze is een netwerker pur sang. ‘Als netwerker ben je oprecht geïnteresseerd in de ander en sta je op een respectvolle manier open voor verhalen. Hierdoor kan je kennis ontvangen en kennis delen.’ Duijndam vindt het belangrijk bij te dragen aan het vergroten van kennis en bewustzijn over het slavernijverleden en de impact daarvan op onze huidige samenleving. Niet om een schuldvraag op te roepen, maar om samen de geschiedenis te onderzoeken, ervaringen uit te wisselen, elkaar te ontmoeten en nieuwe verhalen te creëren voor een gezamenlijke en gelijkwaardige toekomst. Samenwerken is zeer belangrijk, in het bijzonder de samenwerking tussen verschillende lokale organisaties. Duijndam bracht Zeeuwse organisaties bij elkaar die allen bezig waren met het thema slavernij. ‘Samen trekken we de kar. Je moet de mensen meenemen.

Zorgen dat ze aanhaken en niet meer loslaten. Daardoor creëer je draagvlak in je eigen gemeenschap. We hebben elkaar nodig!’

Om het hele verhaal van het Nederlandse slavernijverleden te kunnen vertellen, is intensieve samenwerking van de toekomstige museumorganisatie met bezoekers, musea en bijvoorbeeld kennisinstellingen noodzakelijk. Dit vraagt om een museumorganisatie en personeelsbestand waarin participatief en gemeenschapsgericht werken centraal staan. De museumorganisatie wordt tussen 2024 en 2030 stapsgewijs opgebouwd. 118

Vertel het hele verhaal

Participatiebijeenkomst in Amsterdam Zuidoost. Foto: Isaac Owusu

119

Organisatiestructuur Op basis van het museumconcept is op hoofdlijnen een structuur voor de museumorganisatie gemaakt. Echter, in deze fase is het nog te vroeg voor een uitgewerkte structuur met gedetailleerde functies. Er is ter voorbereiding veel voorwerk gedaan door een veelheid van museale organisatie te analyseren samen met de directies van de musea. Met een aantal aannames uit dit traject is een inschatting gemaakt van de grootte van de formatie. Dit is terug te vinden in het personeelsplan dat we samen met adviseur Siebe Weide ontwikkelden. De personeelskosten zijn immers een belangrijk onderdeel van de exploitatie van het nieuwe museum. Om het hele verhaal te kunnen vertellen en permanente dialoog te kunnen voeren, is een museumorganisatie en personeelsbestand nodig waarin participatief en gemeenschapsgericht werken centraal staan. Het is aan de toekomstige museumorganisatie om uit te werken hoe dit vertaald wordt in de specifieke werkwijze van het museum en wat dit precies vraagt van de medewerkers van het museum. Het zou ook kunnen dat hiervoor specifieke rollen binnen de organisatie komen, zoals community builders. VOORSTEL ORGANISATIESTRUCTUUR

• Onder programma valt het aanbod van tentoonstellingen en randprogrammering (zoals theatervoorstellingen, concerten, debatten enzovoorts). Ook het educatieve aanbod valt onder Programma. • Onder Onderzoek en Kennis vallen activiteiten zoals het ontwikkelen en uitvoeren van het wetenschappelijke onderzoeksprogramma, het verlenen van toegang tot onderzoeksbronnen en het actief delen van kennis via publicaties en bijeenkomsten (lezingen, debat). • Onder Publiek vallen alle functies die direct te maken hebben met het benaderen, aantrekken, ontvangen en begeleiden van het publiek zoals marketing en communicatie en de publieksbegeleiding.

Musea van de omvang van het Nationaal Slavernijmuseum hebben vaak een meervoudige directie met een inhoudelijk en een zakelijk directeur. De inhoudelijk directeur is meestal de voorzitter van het bestuur of zelfs de enige bestuurder. Het is de vraag wat voor directie het Nationaal Slavernijmuseum nodig heeft. In de aanloopfase kan dat een meervoudige directie zijn. Na opening is een algemeen directeur met een team van hoofden een goed werkbaar alternatief en legt meer nadruk op de gezamenlijkheid van het team, dan wanneer de hoofden onder een tweehoofdige directie vallen. Daarbij scheelt de keuze voor één directeur in de omvang van het management, de bijbehorende ondersteuning en daarmee al gauw in de loonkosten. In dit plan gaan wij daarom vooralsnog uit van één directeur.

Staf

Onderzoek en kennis

• De directeur geeft leiding aan het hoofd Programma, het hoofd Onderzoek en Kennis, het hoofd Publiek, het hoofd Bedrijfsvoering en de staf. Met de hoofden vormt de directie het managementteam.

• Onder Bedrijfsvoering valt alles wat voorwaardelijk en ondersteunend is aan de inhoudelijke taken van het museum: financiën (o.a. fondsenwerving), personeelszaken, secretariaat, (gebouw)beheer, techniek en commercie (verhuur en horeca). Directie

Programma

TOELICHTING ORGANISATIESTRUCTUUR • De directie is eindverantwoordelijk voor de continuïteit van de organisatie: het ontwikkelen en uitvoeren van het inhoudelijke, organisatorische en financiële beleid. De directeur legt verantwoording af over het gevoerde beleid aan een Raad van Toezicht.

Publiek

Bedrijfsvoering

STAPSGEWIJZE OPBOUW ORGANISATIE De organisatie van het Nationaal Slavernijmuseum wordt in fases opgebouwd. In de fase tot de opening van het museum is een andere organisatie nodig dan in de fase na de opening, wanneer er een stabiele museumorganisatie moet zijn. Tot de opening van het museum wordt de organisatie stapsgewijs opgebouwd. Ons advies is dat de gemeente zo spoedig mogelijk een zelfstandige organisatie opricht in de vorm van een stichting. Deze kan dan voor de opening van het gebouw – vanuit een zelfstandige en onafhankelijke positie – starten met het uitvoeren van de aanloopprogrammering, het onderhouden en uitbreiden van het netwerk van en draagvlak voor het museum en met de fondsenwerving.

120

Vertel het hele verhaal

121

De opening van het museum moet grondig worden voorbereid. Er is ontzettend veel werk nodig vanuit de museumorganisatie om in 2030 een volledig ingericht en opererend museum te kunnen openen voor circa 270.000 bezoekers per jaar*. Werk dat varieert van de ontwikkeling van een kenniscentrum tot aan de protocollen voor publieksbegeleiding en de menukaart van het restaurant. Hoewel het fysieke museum haar deuren pas opent als het gebouw klaar is, kan online het museum al eerder van zich laten horen. Zo is er vanaf 2024 een website nodig om geïnteresseerden te informeren over de stand van zaken rondom het museum en het aanloopprogramma. Zodra het museumprogramma en vooral het onderzoeks- en kenniscentrum meer vorm krijgen, kunnen deze onderdelen ook deels online aangeboden worden. * In de begroting van het Nationaal Slavernijmuseum zijn we uitgegaan van 267.000 bezoekers

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14297057/1