CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1.Cultuurhistorisch onderzoek en waardering terrein en gebouwen.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 15 december 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van het collegebesluit inzake vrijgeven voor inspraak van de concept Nota van Uitgangspunten Marineterrein op 9 november 2021 (ZD2021-013798)24.872 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

33

34

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

<< Fragment van de plattegrond van ’s Rijks Maritieme Etablissement, opgetekend door B.J. Tideman, 1857. [Nationaal Archief_4MTSH_848] < Ir. B.J. Tideman, geschilderd door Johannes Petrus Oppers, 1886. [Particuliere Collectie, Foto: RKD] > Ontwerptekening van de vergroting van de hellingen op de Marinewerf ter hoogte van het Grootmagazijn, 19de eeuw. [Nationaal Archief_4MTHS_872]

bevond zich toen op de noordelijke arm. Op de zuidelijke arm hout- en andere loodsen gekomen. In de Dijksgracht lagen enkele drijvende dokken. Deze waren particulier bezit maar werden door de Marine gebruikt.30 De Houthaven, die eerder op Oostenburg was ondergebracht, was verplaatst naar een met een loopbrug afgescheiden gedeelte in het zuidwestelijk deel van het dok. Het Agterste Magazijn was omgebouwd tot marinierskazerne. Tideman veranderde de werf in twee jaar tijd van een traditionele werf voor houten schepen tot een modern industrieel complex, ingericht voor de bouw van stalen schepen.31 Steeds meer open water werd opgeofferd ten gunste van de werf. Sloten en insteekhavens op de Voorwerf werden gedempt. Nieuwe functies als ovens, walserijen en ijzergieterijen kregen een plaats. Resten van een galvaniseerinrichting, bedoeld om de stalen platen voor de scheepsbouw te bewerken, werden in 1997 halverwege het Voorwerfterrein opgegraven.32 Het waren nu hoogtijdagen op de werf geworden en in 1878 had de werf alweer een geheel nieuw

aanzien gekregen, zoals is opgetekend op de plattegrond uit dat jaar (zie p.36). De helling voor de sloepen en de houtloodsen lagen nog steeds op de noordelijke arm, op de noordwestelijke arm waren een scheepstimmerwerkplaats en een artillerieloods opgericht. Van deze gebouwen is de scheepstimmerwerkplaats bewaard gebleven, de oriëntatie van het gebouw herinnert nog aan het vroege negentiende-eeuwse contour van May’s dam. Er was land aangeplempt in de versmalling waar de oorspronkelijke opening naar het IJ zich bevond (de voormalige Admiraliteitsboom). Dit gedeelte was nog onbebouwd, mogelijk omdat de grond nog onvoldoende was ingeklonken en dus te zacht was. Op de zuidelijke arm bevond zich nu de kanongieterij. De mastenmakerij in de noordoosthoek had plaatsgemaakt voor een ijzermagazijn en een ronde geschutsgieterij.

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

35

< Situatie ’s Rijks Werf te Amsterdam, 1878. [Lemmers, 2005] > Foto’s van de Rijkswerf en het dok. De nummers van de foto’s corresponderen met die op de kaart uit 1878:

Scheepstimmerwerkplaats woning met tuin

Kanongieterij

bergplaats artilleriematerieel Houtenloodsen

Sloepenloodsen

6 3

8

4

Kogeleiland

5 Zeemagazijn

1

Ijzermagazijn

7 Gieterij

2 poortgebouw Marinierskazerne

36

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

plaats bij kazerne

1. De Voorwerf met rechts het poortgebouw ter hoogte van de poort, 1914. Opvallend zijn de bomen en de waterpomp op de achtergrond. Dit gedeelte van de werf werd voorheen ‘de Beurs’ genoemd omdat hier de werknemers uitbetaald kregen. De waterpomp staat er nog maar is iets naar het noordwesten verplaatst. [Stadsarchief Amsterdam_010118000228] 2. De Voorwerf ter hoogte van het poortgebouw in 1901. Op de achtergrond is het Zeemagazijn te zien. De foto is genomen tijdens een bezoek van koningin Wilhelmina en prins Hendrik ter gelegenheid van hun huwelijk. [Stadsarchief Amsterdam_010194002312] 3. De noordelijke arm van de Rijkswerf gezien vanaf het dok richting Dijksgracht,1912. Links is de sloepenloods (de Vijfbeuken) en rechts de voormalige radarschool. [Stadsarchief Amsterdam_OSIM00001002559] 4. Scheepshellingen op de Voorwerf ter hoogte van het poortgebouw, 1914. [Stadsarchief Amsterdam_010118000226] 5. De werf ter hoogte van de smederij (op de achtergrond), 1915. Het grote gebouw links is de voormalige koperslagerij (later in gebruik als sportschool). [Stadsarchief Amsterdam_010118000230] 6. De tanker Artemis kort na de tewaterlating vanaf de Rijks Marinewerf. De tanker ligt aangemeerd voor de Vijf Beuken. [Stadsarchief Amsterdam_010179000127] 7. Scheepshelling naast de voormalige koperslagerij, 1906. Op de foto is Hr.Ms.

Pantserschip ‘Jacob van Heemskerck’ net door Prins Hendrik te water gelaten. [Stadsarchief Amsterdam_010007000670] 8. Voormalige IJ-gracht gezien in westelijke richting naar het Oosterdok. Rechts een gedeelte van de zuidelijke arm van de Rijkswerf, ca. 1890, met op de Marinewerfkade het tussen 18821884 gebouwde ‘Marine-Paleis’. [Stadsarchief Amsterdam_010007000538]

1

4

7

5 2

8

33

6

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

37

38

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

< Zicht op de Rijksdok, foto gemaakt door Jacob Olie in 1899. Rondom het Paleis en op de achtergrond bij de Vijf Beuken zijn volwassen bomen te zien. [Stadsarchief Amsterdam_ 10019A000415]

Opvallend is dat de hellingen op het achterste deel van de Voorwerf op de kaart uit 1878 aanzienlijk langer zijn geworden ten opzichte van twintig jaar eerder. De moderne schepen, die immers steeds groter werden, zullen dit noodzakelijk hebben gemaakt. Veranderd aanzien De werf kreeg in de laatste twee decennia van de negentiende eeuw een ander aanzien. Tussen 1878 en 1894 werd de middenarm van May’s dam aanzienlijk verbreed. Er kwamen nieuwe gebouwen op nog onbebouwde delen op de dam, onder andere op de plaats van de vroegere coupure naar het IJ (noordoostelijk deel). Ook werd de schuine hoek bij de scheepstimmerwerkplaats parallel aan de palenrij aangeplemt en zo ontstond meer kaderuimte aan de Oosterdokzijde. Aanleiding hiervoor was hoogstwaarschijnlijk de behoefte om de grotere schepen buiten het dok aan te leggen. Na een grote brand op de Voorwerf in 1883 werden alle scheepskappen afgebroken.33 In 1888 kwamen in de zuidoosthoek van het dok overdekte sleephellingen voor moderne torpedo’s en op de dam de torpedomagazijnen. Op het nog onbebouwde zuidelijk deel van de middenarm kwamen een montagehal en werkplaats. Het transport van de explosieven verliep over rails van de montagehal naar de kade.34 Op de Voorwerf kreeg nieuwe en moderne apparatuur voor de aanbouw van pantserschepen een plaats en al dan niet tijdelijke loodsen werden opgericht.

Hieraan lag geen plan ten grondslag, en de inrichting was steeds afhankelijk van de schepen die op dat moment in aanbouw waren.35 Wonen en werken op de werf: de bouw van het Paleis In de 1880-er jaren bleken bewoners van huizen op het terrein van de Rijkswerf steeds vaker met gezondheidsklachten te kampen.36 De aanhoudende stank in de huizen, die als veroorzaker van vele ziektegevallen werd gezien, was te wijten aan slechte hygiënische omstandigheden en verontreinigde grond onder het Poortgebouw (door gebrekkige afvoer van fecaliën en afval).37 Op de zuidelijke arm van de dam liet de Minister van Marine enkele loodsen

afbreken voor nieuwe huisvesting van de hogere officieren. Dit gebouw, dat het Paleis werd genoemd, verrees in de jaren 18821884, naar een ontwerp van de Utrechtse architect Ferdinand Nieuwenhuis (1848-1919), in een voor die tijd typische eclectische bouwstijl.38 Via een loopbrug vanaf de Kattenburgerstraat naar het Kogeleiland en een tweede brug vanaf het Kogeleiland naar de dam was het Paleis te bereiken. Op het Kogeleiland werd een wachtpost ingericht. Het Zeemagazijn was nu van de Nieuwe Vaart afgesloten. In het Poortgebouw werden alleen nog kantoren ondergebracht. De vleugel met commandantswoning werd korte tijd school voor stuurmansleerlingen en rond 1900 scheikundig laboratorium. De arbeiders die op de werf werkten woonden voornamelijk op Kattenburg. In de ochtend kwamen zij door de poort de werf binnen, die daarna weer gesloten werd. Ook tussen de middag en in de avond ging de poort even open om de arbeiders binnen of buiten te laten. Met een bel in de klokkentoren werden de werktijden aangegeven, die wisselden met de seizoenen.39 Groeninrichting Behalve bebouwing was er ook ruimte voor groenaanleg op de Rijkswerf. Op de kaarten uit 1841 en van Tideman uit 1857 is de gehele zuidwestelijke arm van de dam aangeduid als ‘tuin’. De kaarten laten een inrichting zien met slingerende paadjes en bosschages, vermoedelijk voor een wandel- en verblijffunctie.

De kaart uit 1878 laat zien dat zich nu op de zuidwestelijke arm bij de toegang tot het dok een woning bevond (mogelijk van de wachtcommandant of provoost) waaromheen een tuin was ingericht. Ook rondom het Paleis werd een tuin aangelegd. Foto’s gemaakt eind negentiende eeuw getuigen van volwassen bomen langs de Dijksgracht en rondom het Paleis (zie p. 31 en p. 32). Aan het einde van de periode was het pad langs het Poortgebouw een bredere strook geworden, waarop zich eveneens volwassen bomen bevonden.

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

39

Erfenissen episode 2

contouren situatie in 1878 contouren verdwenen dam rondom dok gebouwen uit tweede episode

10 Uit deze episode zijn de volgende elementen nog aanwezig (doorgenummerd na de erfenissen van episode 1):

10 11 14 12 10

13

15

40

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

10. Ooster Dok, Oostelijke afsluitdijk en sluizen. Op de afsluitdijk werd later de spoorweg aangelegd; 11. Dijksgracht tussen voormalige dam Rijkswerf en Oostelijk afsluitdijk; 12. Verbreding dam (noordelijke arm); 13. Verbreding Voorwerf in noord-westelijke richting; 14. Scheepstimmerwerkplaats op voormalige noordwestelijke dam; 15. Waterput op de Voorwerf. Deze is iets verplaatst ten opzichte van locatie op foto nr. 1 op p. 37.

Nieuwe ontwikkelingen, nieuwe obstakels De steeds groter wordende schepen waren mede de oorzaak van de achteruitgang van de werkzaamheden op de Rijkswerf vanaf de 1880-er jaren. De Oosterdoksluizen hadden gezorgd voor een beperking van de maximale omvang van de schepen die van de werf gleden. De nauwe sluisdoorgangen maakten het dok moeilijk toegankelijk voor grotere schepen. De plannen in de 1860-er en 1870-er jaren voor de aanleg van het Noordzeekanaal als verlengde van het IJ (geopend in 1876), wat een aanzienlijk kortere route van de Amsterdamse havens naar de Noordzee betekende, maakten een beheersing van de waterstand in het IJ noodzakelijk. Daartoe werden in 1872 de Oranjesluizen bij Schellingwoude geopend. Het Oosterdok, dat was aangelegd om de aanvoer van modder uit de Zuiderzee te stoppen was nu overbodig geworden.40 De grote zeeschepen konden echter niet aan de dukdalven in het Oosterdok aanleggen maar hadden diepe havens met brede kades nodig. Die nieuwe haventerreinen kwamen aan het eind van de negentiende en begin twintigste eeuw in de vorm van de nieuwe oostelijke haveneilanden ten noordoosten van de Oosterdoksdijk (Java-eiland en KNSM-eiland). Een andere grote hindernis ontstond door de aanleg van de spoorlijn naar het oosten van het land na de bouw van het Centraal Station in 1889.

Het tracé volgde de Oosterdoksdijk waarvoor de Oosterdoksluis werd voorzien van een beweegbare brug.41 De schepen die het dok in en uit moesten varen, waren nu afhankelijk van de openingstijden van de spoorbrug geworden.

1826 op.42 De fabriek breidde snel en flink uit en zorgde voor nieuwe banen op Oostenburg. Het werkaanbod varieerde mee met de ups en downs van de werf. Ook de Stoomfabriek bood geen garantie op werk. Eind negentiende eeuw was de woonsituatie op Kattenburg behoorlijk verslechterd.43 Verkrotting en slechte hygiënische omstandigheden, onzekere arbeid, armoede, het waren ingrediënten voor een proletarisering van de wijk. Het uitte zich in een groot aandeel in het sociale verzet aan het begin van de twintigste eeuw, zoals bij de Spoorwegstaking in 1903.44 Tijdens de Bloednacht van Kattenburg in 1911 kwam het tot oproer en een schietpartij tussen soldaten en de al twee weken stakende Kattenburgers.45 Sluiting van de Rijkswerf Langzaam maar zeker ging aan het einde van de negentiende eeuw de werkgelegenheid op de werf achteruit. Steeds meer schepen voor de Marine werden op particuliere werven gebouwd waar geen beperking voor de omvang gold.46 Terwijl de werkzaamheden op de werf afnamen, kreeg de Rijkswerf er aan het begin van de twintigste eeuw nog een aantal nieuwe functies bij. In 1904 kwam de Dienst der Draadloze Telegrafie (later: Radiodienst der Marine) op de Rijkswerf, eerst in een wachtschip, en rond 1911 in het centrale torpedomagazijn. Hiermee verwante opleidingen, tot telegrafist en radio-officier en -onderofficier kregen een plaats op de werf in Amsterdam.

In 1914 werd echter het besluit genomen om de werf te sluiten en op 4 juli 1915 gingen de poorten van de Rijkswerf definitief dicht.47

Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg: verkrotting De drie eilanden waren in de loop van de achttiende eeuw voor hun werkgelegenheid grotendeels afhankelijk geworden van de scheepswerven en de Marine. Met het faillissement van de VOC in 1799 verdween een groot deel van de werkgelegenheid op het eiland Oostenburg, maar de vestiging van de Fabriek van Stoomen Andere Werktuigen (het latere Werkspoor) vulde dit gat vanaf Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

41

Werkplaats

Sloepenloodsen

Bureau Scheepsbouw

Schietbaan

Gieterij

Terrein Marine Etablissement

Terrein Munitie-bureau

In bruikleen door gemeente Amsterdam voor heipalen Militaire kustwacht

Terrein Marine Etablissement

Torpedoatelier en draadloze telegrafie Bergplaats projectielen

42

Het ‘Paleis’: Hellingen voor torpedoschepen woningen directeur Bergplaats hout en beambten

Bergplaats artillerie

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

Scheikundig laboratorium

Kantoren en poort

Woningen

Werkplaats scheepsmakers

Ijzermagazijn

Marinierskazerne (na 1919 Marinekazerne)

Episode 3 (1915-1962) Marine Etablissement Amsterdam: opleidingen en particulieren

< Plan van de Rijkswerf te Amsterdam, 1916. Op de kaart is in bruin het terrein dat door de Marine in bruikleen wordt gesteld voor het Munitie-bureau. UIteindelijk wordt een kleiner gedeelte van dit gebied door het Munitie-bureau gebruikt (in wit omkaderd). De andere delen van het terrein blijven in gebruik door het Marine Etablissement. [Lemmers, 2005]

Nadat de Rijkswerf wegens gebrek aan werk op de scheepswerf in 1915 was opgehouden te bestaan, werd het complex omgedoopt tot Marine Etablissement. De jaren die volgden stonden in het teken van hergebruik van bestaande gebouwen, nieuwe gebouwen en gebruik door niet-Marine onderdelen. Het eind van deze derde periode was tevens het einde van het terrein zoals het drie eeuwen daarvoor vorm had gekregen. Aanpak van het terrein Een deel van het terrein van de voormalige Rijkswerf, in eerste instantie bedoeld om te verkopen, werd in bruikleen gegeven aan het Munitie-bureau, dat in verband met de mobilisatie in 1914 was opgericht, voor een munitiefabriek en opslagplaats. Op het Plan van de Rijkswerf te Amsterdam, een plattegrond van het terrein uit 1916 is te zien dat dit het noordoostelijk deel van het terrein besloeg, met uitzondering van de uiterste noordoostelijke punt rondom de mariniers-kazerne.48 Het Munitie-bureau nam ook de hierop gelegen opstallen en werktuigen in gebruik. Een nieuwe toegangspoort langs de kazerne diende als entree voor het personeel van het Munitie-bureau. In het dok werden door de overheid tijdens de mobilisatie schepen ondergebracht die geladen waren met graan en veevoer.49 Het nog aan het Marine Etablissement toebehorende resterende deel van het terrein werd heringericht.

Eén van de scheepshellingen aan de Voorwerf werd gelijk gemaakt met de omliggende grond ten behoeve van een gebouw voor werkplaatsen en magazijnen. Ook de overige hellingen werden daarna binnen enkele jaren ‘met de grond gelijk gemaakt’.

Magazijnfunctie In de eerste jaren na sluiting van de Rijkswerf had het Marine Etablissement voornamelijk een magazijnfunctie voor de aanschaf, opslag en verstrekking van materialen en goederen voor de vloot (kleding, kooigoederen, levensmiddelen en scheepsinventarissen).50 Ook leverde het geschut, munitie en magazijngoederen aan andere departementen. Het Departement van Oorlog en Centraal Magazijn van Militaire Kleding en Uitrustingen hadden opslagruimte op het terrein in gebruik. In 1922 werd besloten tot behoorlijke inkrimping, waarna de magazijndienst aanzienlijk werd teruggebracht (tot kleding en levensmiddelen).51 De Genie (Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen) droeg in datzelfde jaar de verpachting van het terrein over aan de dienst Domeinen en gaf het onderhoud in handen van de Rijksgebouwendienst (beide onderdeel van het Ministerie van Financiën).52 Defensie bleef echter wel eigenaar van het terrein en de opstallen. Herinrichting en nieuwe gebouwen Op de zuidwestelijke hoek van May’s dam kwam in 1916 een drie verdiepingen hoog opleidingsgebouw voor de inmiddels permanent gevestigde opleidingen op de werf, later de Verbindingsschool geheten. De mariniers-kazerne werd in 1919 afgebroken en vervangen door een nieuw kazernegebouw voor de circa 500 personeelsleden die op het terrein werkzaam waren. In plaats van mariniers-kazerne werd het de Marine-kazerne.

Naast de kazerne waren de geneeskundige dienst (sinds 1917) en het bureau werving er gehuisvest.

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

43

Binnenhaven Dijksgracht

IJ

dok

Oostelijke sluizen

Ooster dok

44

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

< Luchtfoto van het Oostelijk Havengebied gezien in noordoostelijke richting, 1930. Rechts is een deel van het Marine Etablissement te zien.

Het kantoorgedeelte van het Poortgebouw werd gemoderniseerd en van centrale verwarming en elektrische verlichting voorzien.53 In 1926 werden hier - in het deel na de knik met de voormalige werkplaatsen - opnieuw ambtswoningen ingericht. Het Poortgebouw was nu verlengd van Zeemagazijn tot aan de voormalige Smidswinkel (in deel 2 wordt dit het Voorwerfgebouw genoemd). De woningen in het Paleis bleven nog bewoond door de (hogere) officieren van de Marine. Particuliere huurders Het Munitie-bureau verliet het terrein na 1918. Het Nationaal Luchtvaart Laboratorium en de Vereeniging tot Bevordering van de Watersport kregen als eerste niet-Marine onderdelen enkele gebouwen op het terrein in bruikleen. Hierna huurden steeds meer particulieren gebouwen op het terrein, waaronder aannemers, expediteurs, een aardappelhandel, metaalwarenfabriek, sociale werkplaatsen, enkele gemeentediensten, en vele anderen. Een deel van het dok in de Houthaven werd aan de gemeente Amsterdam verhuurd voor de opslag van heipalen. Personeel van het Marine Etablissement en het Nationaal Luchtvaart Laboratorium konden panden huren op het terrein, die in verband met de woningnood speciaal daarvoor bewoonbaar waren gemaakt. Woningen aan de Voorwerf werden in eerste instantie aan Marine-personeel verhuurd, maar geleidelijk aan kwamen er ook particulieren in te huren.

Op foto’s en kaarten is geen duidelijke scheiding (met hekken e.d.) tussen de complexen verhuurd aan externen en die in gebruik door de Marine te zien. Duitse bezetting 1940-1945 Bij de mobilisatie in 1939 moesten de huurders het terrein verlaten, dat werd ingericht als opslag- en distributiecentrum. Net als bij de mobilisatie in 1914 werden ook nu schepen met graan, van regeringswege, in het dok gelegd. Na de capitulatie moesten alle Marine-inrichtingen worden overgegeven in Duitse handen.54 Hoe het terrein in de oorlogsperiode precies werd gebruikt, is niet bekend. De Duitsers namen het terrein in gebruik als

Wehrmachtverpflegungshauptamt (de centrale intendance), later Wehrmachtverpflegungsamt, en als hospitaal.55 Na de bevrijding bleek het terrein in vervallen staat, maar ook een aantal gebouwen rijker. In maart 1945 was door de Duitsers een houten U-vormige legerkantine op het Voorwerfterrein geplaatst, gefundeerd op betonplaten. Volgens een beschrijving van het terrein uit 1960 was dit gebouw van elders overgeplaatst.56 Het gebouw van de geneeskundige dienst in de noordoosthoek van het terrein (‘de ziekenboeg’) was van een extra verdieping voorzien. Ook waren er schuilkelders en bunkers op het terrein gekomen.57 Bunkers die net buiten de eigendomsgrenzen van het etablissement waren gebouwd, werden in 1946 verwijderd in opdracht van de gemeente. Een aantal van de bunkers in het terrein werden voorzien van dieselgenerators voor de stroomvoorziening van het terrein. Naoorlogs centrum voor opleidingen Vanaf 1946 was het Marine Etablissement weer volledig in gebruik door Defensie. Het fungeerde nu hoofdzakelijk als centrum voor opleidingen. Met het opknappen van het vervallen terrein, werden ook gebouwen gemoderniseerd, gerestaureerd, en er kwamen nog meer nieuwe gebouwen bij.

Vanwege krappe financiën duurde dit een groot aantal jaren.In de jaren 1947-1948 werden de vijf sloeploodsen aan de noordzijde van het dok getransformeerd tot grote werkplaatsen voor de Technische Opleidingen Koninklijke Marine (TOKM). Het gebouw kreeg de naam De Vijf Beuken, verwijzend naar de vijfbeukige vorm met zadeldaken. De TOKM-kazerne was ondergebracht in de voormalige scheepstimmerwerkplaats op de noordwestelijk arm van May’s dam. Eén van de gebouwen op het Voorwerfterrein, dat op de voormalige grote scheepshelling was gebouwd, werd ingericht als huis voor de Marine Vrouwenafdeling (Marvahuis). Nieuwe gebouwen die verschenen waren twee transformatorhuisjes (1947), een houten schoolgebouw op de voormalige torpedohellingen (1948), twee ketelhuizen (1950), twee Amerikaanse dumploodsen langs de muur met de Kattenburgerstraat (1952), en een lesbarak Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

45

9 13

8

14 7

12

15

3 4

2 1

46

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

10

5

6

11

< SItuatie van het Marine Etablissement, 1950. De kaart geeft de staat van de gebouwen aan. Gebouwen rood ingetekend zijn in zeer slechte, in licht rood zijn in slechte staat en rood omkaderd in redelijke staat. Opvallend is de getekende boombeplanting op het Voorwerf en langs de kades aan de Dijksgracht, Marinewerfkade, rondom het dok en de gebouwen. Op de kaart zijn nummers getekend die corresponderen met de foto’s op pagina’s 42-43. [Nationaal Archief_ NA 2.12.56 inv.nr. 8027]

voor de TOKM (1956). In 1950 werd een opvallend gebouw voor de Scheepsbeveiligingsdienst opgericht, dit is het enige gebouwtje dat uit deze periode nog bewaard is gebleven en is vanaf 1982 tot 2017 in gebruik geweest door het Zeekadettencorps. Opvallend zijn de situering van het gebouwtje met de rug naar het dok toe en de locatie in de ‘oksel’ van de dam (de hoek van de noordelijke met de westelijke arm). Andere diensten die een plek kregen op het terrein waren de Marine Inlichtingendienst (MARID) met wiskundig centrum en tolkenopleiding, de Stichting Marine Cantine Dienst (MARCANDI), de Marinevervoersdienst, de opleidingen voor koks en hofmeesters, een kleermaker, schoenmaker, tandtechnisch laboratorium en de Stichting Diergeneeskundig Onderzoek. Rijke vormgeving Ten behoeve van de plannen voor de IJ-tunnel (zie onder) werden in 1957 alle opstallen op het Marine Etablissement (in totaal 52) uitgebreid in foto’s vastgelegd.58 In 1960 stelde de Rijksgebouwendienst een Kwaliteitsrapport op, waarin alle gebouwen werden beschreven. Op de bijbehorende plattegrond is de staat van onderhoud van de panden aangegeven.59 Uit het fotomateriaal krijgen we een goed beeld van de inrichting van het terrein en de soms rijke vormgeving, de materialiteit en omvang van de gebouwen op dat moment.

De verschillende bouwjaren en functies hebben gezorgd voor een diversiteit aan materialen en architectuur. De meeste gebouwen bestaan uit metselwerk. Slechts de barakken pal langs de Dijksgracht zijn uit hout opgetrokken, alsmede het U-vormige voormalige kantinegebouw uit de Duitse tijd (op de Voorwerf), een schoolbarak van de TOKM op de zuidwestelijke arm en het kantinegebouw op de zuidelijke arm. De meeste gebouwen, hoewel in slechte staat verkerend, werden met zorg vormgegeven en in enkele gevallen van ornamenten voorzien. Vooral de gebouwen aan de kant van de stad hadden een rijkere en representatieve uitstraling en stonden in contrast met de meer sobere functionele bouw aan de havenkant. Naast het Paleis vallen bijvoorbeeld ook op de voormalige smederij aan de Voorwerf met een opvallende (negentiende-eeuwse) lichtkap, de

Verbindingsschool en het rijk vormgegeven houten kantinegebouw op de zuidelijke arm, in het verlengde van het Paleis. Groeninrichting De foto’s tonen ook (delen van) de beplanting verspreid over het terrein. Langs de dok- en buitenkades, maar ook bij plantsoenen en gebouwen zoals de Scheepstimmerwerkplaats, het Paleis en het zuidelijk deel van de Voorwerf werden bomen geplant. Waar gewoond werd, zoals bij de legeringsgebouwen, was tuinaanleg te vinden. Heggetjes en laag struikgewas sierden het terrein. Bij een aantal gebouwen groeiden klimplanten tegen de gevels. Voor de bestrating is op de foto’s een afwisseling zien in straatklinkers voor de straten, betontegels voor de voetpaden en halfverhading bij de pleinen. Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg: saneringsplannen De eind negentiende eeuw ingezette verpaupering van de oostelijke eilanden ging in de twintigste eeuw door. Werven, loodsen en industrie gingen ten koste van wonen. De vervuiling nam toe. In 1930 verscheen een Algemeen plan voor sanering en krotopruiming voor de hele stad.60 Een jaar later kwam de Nota Stadsontwikkeling en Verkeer, waarin werd gepleit voor grote verkeersdoorbraken om de binnenstad bereikbaar te houden. Maar de economische crisis in de jaren dertig, die ook bijdroeg aan bouwkundig verval, vertraagde de uitvoering van het plan.

Pas enige tijd na de Tweede Wereldoorlog nam de gemeenteraad van Amsterdam vier Wederopbouwplannen aan: voor de Nieuwmarktbuurt, de Jodenbreestraat, de Weesperstraat en de Oostelijke eilanden. Voor de eilanden betekende het Wederopbouwplan 1953 dat de havenbedrijvigheid zou worden uitgebreid en woningen moesten verdwijnen. Het zou echter nog tot eind jaren zestig duren voordat de buurt op Kattenburg was ontruimd en tot uitvoer van het plan kon worden overgegaan.

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

47

1

4

7

2

5

8

3

6

9

48

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

Foto’s van de gebouwen en de buitenruimte van het Marine Etablissement, 1957. De gebouwen op p. 42 zijn de gebouwen die bij de herinrichting van het Marine Etablissement overbleven. De gebouwen rechts zijn enkele van de gebouwen die gesloopt zijn voor de aanleg van de IJ-tunnel. [Nationaal Archief_ NA 2.12.56 inv.nr. 8027] 1. Poortgebouw gezien vanuit de Kattenburgerstraat. 2. Poortgebouw en Voorwerf met boombeplanting. 3. Marvagebouw op de Voorwerf. 4. Voormalig sportgebouw op het Voorwerf, voorheen de koperslagerij. 5. Een van de Amerikaanse loodsen op de plek van het voormalig Groot magazijn. 6. De voormalige Marinekazerne (gebouwd in 1919). 7. De voormalige sloepenloodsen ‘Vijf Beuken’ op de noordelijke arm. 8. Gebouw van de Scheepsbeveiligingsdienst met scheepsfragment (daarna in 1982 in gebruik door het Zeekadetkorps). 9. Voormalige scheepstimmerwerkplaats, daarna in gebruik als TOKM-kazerne. 10. Voormalige smederij tussen het poortgebouw en het Groot Magazijn (daarna in gebruik als tijdelijk cafetaria en kantoor). 11. Voormalige ziekenboeg op de hoek DijksgrachtKattenburgerstraat. 12. Voormalig kledinguitgifte magazijn aan de Dijksgracht. 13. Voormalige verbindingsschool gezien vanuit het Oosterdok. 14. Kantine en slaapzaal van de verbindingsschool. 15. Het Paleis gezien vanuit het dok.

Rechts is een deel van de voormalige torpedoloods zichtbaar (later in gebruik als schoolgebouw TOKM).

10

13

11

14

12

15

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

49

Marine Etablissement

IJ-tunnel

50

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

<< Maquette van de IJ-tunnelplannen, 1955. Te zien is dat voor de bouw van de tunnel het noodzakelijk is het meest zuidelijke en westelijke deel van de dijk te amoveren. [Bouwkundig Weekblad jg. 73 nr. 28 p.3] < Bestemmingskaart Wederopbouwplan Oostelijke Eilanden, 1953. Voorgesteld wordt om de woningen aan de Kattenburgerstraat te saneren en te vervangen door ruime bouwblokken. Daarbij wordt ook voorgesteld het profiel van de Kattenburgerstraat te verbreden en van boombeplanting te voorzien. [WUR, archief speciale collecties]

Plannen voor een IJ-tunnel: nieuwbouw in een gedempt dok Al in de eerste helft van de twintigste eeuw werden meerdere plannen voor een tunnel onder het IJ gemaakt, maar pas in 1953 werd in de Amsterdamse gemeenteraad het besluit genomen over het meest geschikte traject. De tunnel zou door het Oosterdok worden aangelegd. Het terrein van het Marine Etablissement zou hierdoor aanzienlijk moeten worden ingekrompen – de zuidelijke en zuidwestelijke arm van May’s dam zouden moeten verdwijnen – en enkele gebouwen moesten daardoor worden afgebroken.61 Hoewel de Marine steeds aangaf dat het huidige Marine Etablissement de meest geschikte locatie was voor de opleidingen van de Marine, werkte zij wel mee aan andere oplossingen.62 Een van de opties die door de betrokken partijen – de Marine, Rijksgebouwendienst, Dienst der Domeinen, het Ministerie van Oorlog, Rijkswaterstaat, Gemeente Amsterdam – werd onderzocht was een complete verhuizing van het complex naar Zeeburg aan de monding van het IJ. Hier zou een driehoekig eiland nabij Schellingwoude geschikt kunnen worden gemaakt.

In 1956 leken gemeente en Marine hierover overeenstemming te hebben bereikt: het Marine Etablissement zou worden verplaatst naar het Zeeburgereiland, de gemeente zou vrijwel alle kosten voor haar rekening nemen.63 Het ingenieursbureau Van Hasselt en De Koning, dat de plannen voor de IJ-tunnel zou uitvoeren, maakte tevens een ontwerp voor een nieuw Marine Etablissement op Zeeburg.64

die zij grotendeels voor haar rekening zou moeten nemen. Voor de Marine bood het voordelen, dat men op het huidige terrein kon blijven én tegelijk kon het terrein worden heringericht met moderne nieuwbouw. Gedurende de jaren 1957 tot 1960 werd er opnieuw veel vergaderd. Het bureau Van Hasselt en De Koning maakte eerste globale schetsplannen voor de herinrichting op een ingekrompen Marine Etablissement. In 1962 werd, op basis van een schetstekening van Van Hasselt en De Koning uit 1959, het dok grotendeels gedempt. Een kleine insteekhaven voor de bereikbaarheid over water bleef gespaard. Uiteindelijk was het echter niet het bureau van Van Hasselt en De Koning dat de herinrichting van het Marine Etablissement ter hand nam, maar het Rotterdamse ingenieursbureau van F.C. De Weger.

Hierna echter bleek de verhuizing naar het Zeeburgereiland toch nog op de nodige bezwaren te stuiten. Vooral financiële bezwaren van de kant van de Rijksoverheid stonden een verhuizing in de weg. Een tweede optie kwam naar voren. Van Hasselt en De Koning stelden voor dat de Marine op het huidige Marine Etablissement kon blijven, als een (groot) gedeelte van het dok zou worden gedempt. Hier konden dan nieuwe gebouwen komen ter vervanging van de gebouwen die voor de bouw van de IJ-tunnel moesten worden gesloopt. Voor de gemeente Amsterdam was dit een goedkopere oplossing dan een verhuizing naar Zeeburg, Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

51

52

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

<< Plan voor het nieuwe Marine Etablissement op het Zeeburgereiland. [Stadsarchief Amsterdam_ CTAC00026000099] Diverse schetsen van het Marine Etablissement door ingenieurs- en architectenbureau Van Hasselt en De Koning. [Nationaal Archief 2.12.56 inv.nr. 8029] < Eerste fase terreinuitbreiding door middel van aanplemping van het dok als uitgangspunt, 6 februari 1959. In zwart is de nieuwbouw die direct nodig is bij de uitvoering van het tunnelplan, zonder bestaande bouw te slopen in de overige delen van het terrein. > Tweede fase, 6 februari 1959. Deze situatie laat de uiteindelijke situatie zien, waarbij bestaande bouw in zeer slechte staat wordt geamoveerd en de gebouwen zo ruim worden gesitueerd dat vrijwel overal uitbreidingsmogelijkheid is. < Nieuwe situatie 21 juli 1960. In deze situatie wordt uitgegaan van het aanplempen van een deel van het dok dat gelijk is aan het oppervlak dat door de IJ-tunnel voor de Marine verloren gaat. Voor deze situatie wordt uiteindelijk niet gekozen.

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

53

54

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

Erfenissen episode 3 contouren situatie in 1950 contouren verdwenen dam rondom dok

17

boombeplanting episode 3

17

gebouwen episode 3

16

Uit deze episode zijn de volgende elementen nog aanwezig (doorgenummerd na de erfenissen van episode 2): 16. De verbreding van de Oostelijke afsluitdijk t.b.v. het spoor; 17. De aanleg van de Binnenhaven en de Handelskade; 18. De verbindingen tussen de Oostelijke eilanden en het havengebied langs het IJ; 19. Het tracé van de IJ-tunnel; 20. De verdeling van het Marinedok in twee delen (houthaven en dok); 21. Het Zeekadetkorpsgebouw, voorheen Scheepsbeveilingingsschool als markering van de oksel van het voormalige dok; 22. De restanten van (boom)beplanting op het Voorwerf en rond de Scheepstimmerwerkplaats; 23. De Amerikaanse loods ten noorden van het depotgebouw.

18 21

22

23

19

20 22

< Plattegrond van de toestand van het terrein in 1962, in afwachting op de metamorfose. [Lemmers, 2005, p. 170]

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

55

56

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

Episode 4 (1962-2011) Nieuwe Marine Etablissement: metamorfose

< Maquette van het nieuwe Marine Etablissement te Amsterdam, 1964. De foto laat een perspectief zien vanuit het noorden met op de voorgrond de voormalige scheepstimmerwerkplaats. In zwart gestippeld op het water is de toekomstige uitbreiding van de kade aangeveven, waarvan die aan de kant van de Dijksgracht uiteindelijk is uitgevoerd. [NIHM_ 2009-013-061_019]

Nadat het besluit was genomen dat het huidige Marine Etablissement door de Marine zou worden gehandhaafd, werden plannen voor de herinrichting van het terrein gemaakt. Dat kwam neer op een ware ruimtelijke en functionele metamorfose. Niet alleen het terrein kreeg door de amputatie van de zuidelijke en een groot deel van de westelijke arm van May’s dam en de demping van het grootste deel van het dok een heel ander aanzien, ook verdwenen er functies en gebouwen van het terrein en kwamen er andere voor terug. De Marine zag in de herinrichting van het Marine Etablissement een mogelijkheid om gebouwen die niet strikt noodzakelijk voor de bouw van de IJ-tunnel moesten wijken maar in slechte staat verkeerden, eveneens te vervangen. Gebouwen die moesten verdwijnen moesten functioneel vervangen worden, waaronder werd verstaan ‘functioneel gelijkwaardig en aan moderne eisen aangepast, naar oordeel van de Minister van Defensie’.65 Ingenieursbureau Frans de Weger Toen bleek dat het bureau Van Hasselt en De Koning vanwege de vele werkzaamheden voor de bouw van de tunnel, de verdere uitvoering van de herinrichtingsplannen van het terrein niet ter hand kon nemen, werd het Rotterdamse ingenieursbureau F.C.

de Weger erbij betrokken.66 Bureau De Weger, opgericht in 1949 door ingenieur Frans de Weger, had al een zekere reputatie verworven met de bouw van fabriekshallen en dokken voor Wilton Feijenoord in Schiedam (1951) en met kantoren, magazijnen en legeringsgebouwen voor de Marinebasis in Den Helder (ca. 1958). Hierdoor bestonden contacten met het bouwbureau van de Koninklijke Marine in Den Haag.67 Het Bureau De Weger aanvaardde de opdracht mits ze, gezien de tijdsdrukte, mocht afwijken van de gebruikelijke aanbestedingsprocedure.68

Ruimtelijke metamorfose van het Marine Etablissement De Weger gebruikte de schetsplannen van Van Hasselt en De Koning voor de herinrichting van het Marine Etablissement als onderlegger, maar wijzigde deze plannen diverse malen naar aanleiding van opmerkingen van de Dienst Stadsontwikkeling, de Schoonheidscommissie, de Rijksgebouwendienst en tevens de Marine zelf.69 De diverse schetsplannen laten de ontwikkeling zien van de zoektocht naar een logische invulling van het terrein met een verdeling in verschillende (hiërarchische) zones en waarbij oude en nieuwe gebouwen ingebed werden in het groen. Het Voorwerfterrein nabij het Zeemagazijn en het Poortgebouw diende als een representatieve groene entree. Hier kwamen de gebouwen voor de hogere rangen (commandantswoning, commandementsgebouw en officiersgebouw). De opleidingsgebouwen van de TOKM werden op de kade aan het Oosterdok gesitueerd, gericht op het water en de stad, en in de nabijheid van de opleidingsschepen. De lesgebouwen van de Verbindingsschool werden op het middenterrein geplaatst rondom het seinersveld (waarop geoefend werd met seinvlaggen). Hier kwamen ook het kantine-complex en een sportveld. Langs de Dijksgracht kwamen diverse voorzieningen en gebouwen van een meer utilitair karakter. Het terrein werd door een groene bomenkade omkaderd en kreeg een rondgaande wegstructuur met een ingang bij de voormalige smederij.

De bouw zou worden uitgevoerd in twee fasen. Het programma omvatte 12 gebouwen die in korte tijd moesten worden gebouwd.70 Hierdoor konden de gebouwen niet gelijktijdig worden ontworpen. De nieuwe methode van systeembekisting en standaardisering die door De Weger was ontwikkeld, zorgde ervoor dat het snel ging met de bouw. Hierdoor ook vormen de gebouwen van De Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

57

l n j m

P

4

i

q

k

P

5

P

f 1

d

2 e

t

g zij-ingang

p o

c s

a nieuwe hoofdingang

b 3

58

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

h

Legenda a. Commandantswoning b. Commandementsgebouw c. Officiersgebouw d. TOKM e. VSB opleidingsgebouw f. VSB legeringsgebouw g. Marid-gebouw i. Provoosthuis h. Sloepenloods j. Marcandi k. Kantinegebouw l. Schietbaan m. Onderofficiersgebouw n. Garagegebouw o. Sportvelden p. Seinersveld q. Atletiekbaan s. Parkachtig Voorwerfgebied t. Bassin

< Situatietekening eind fase 2, Bureau De Weger, 4 maart 1966. Deze tekening komt het meest in de buurt van de uitgevoerde situatie. In zwart zijn de gebouwen uit voorgaande episodes die zijn blijven staan en in grijs de nieuwe gebouwen. De kaart is bewerkt met nummers die corresponderen met de nummers op de foto’s hiernaast. Met een witte stippellijn is de interne wegstructuur in het terrein weergegeven. De witte lijn geeft de Kattenburgerstraat aan, de blauwe lijn de contouren van het water en in groen de gebieden bestemd voor beplanting. De rode pijlen geven de toegangen van de gebouwen weer. [Nationaal Archief 2.12.56 inv.nr. 8031] 1. De schijven met kantoor en opleidingsruimte van de TOKM [NIMH_ 2158_012926]; 2. Het legeringsgebouw van de Verbindingsschool. Links een stukje van het opleidingsgebouw [BOUW 1967]; 3. Het commandementsgebouw op de Voorwerf met rechts een deel van het Marvahuis [BOUW 1967]; 4. Het onderofficiersgebouw (uiterst links) [Stadsarchief Amsterdam_ 010122022675]; 5. Het kantinegebouw voor korporaals en manschappen (later evenementengebouw genoemd) [Bouwkundig Weekblad, 1968].

1

3

4 2

5

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

59

60

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

<< Plan voor de verbreding van de kade en het maken van een walmuur langs de Dijksgracht, 1966. [Stadsarchief Amsterdam_ CTAC00036000786_44825] < Ouderdag bij het Marva-centrum Amsterdam, 1964. De foto is genomen vanuit de westelijke dam. Op de achtergrond is de bouw van het nieuwe TOKM-complex op het gedempte dok te zien. De westelijke dam was toen nog niet verwijderd. [NIMH 2009-013-038_010]

< Het Marine Etablissement in 1964. De foto is genomen vanuit het Oosterdok bij de voormalige coupure naar het dok. Links op de achtergrond zijn de nieuwe gebouwen voor de TOKM te zien op het deel van het dok dat is gedempt. [NIMH 2009-013-151_012]

Weger in architectonisch opzicht een samenhangend ensemble op het terrein.Terwijl de demping van het dok gaande was, werd in juni 1962 al de eerste paal voor nieuwbouw op het bestaande terrein geslagen.71 In augustus 1963 werd het Wiskundig Centrum (de nieuwbouw voor de Marine inlichtingendienst MARID) opgeleverd en in december de commandantswoning. In datzelfde jaar werd de demping van het dok voltooid en het terrein volledig bouwrijp gemaakt. In de eerste fase tussen 1962 en 1966 kwamen verder de nieuwe Verbindingsschool, de kazerne van de Verbindingsschool (VBS), het nieuwe TOKM-gebouw en het nieuwe kantinecomplex tot stand. Het officiersgebouw was in 1966 gereed en sloot de eerste fase van de herinrichting af. Vanwege verbetering van de gebouwen in de vorm van nieuwbouw werd afgesproken dat de Marine ook een deel van de kosten zou dragen. Van de kosten voor het eerste deel van de herinrichting kwam 68% voor rekening van de gemeente Amsterdam en 32% voor rekening van het Rijk.72 In de tweede fase tussen 1966 en 1968 werden gerealiseerd: het onderofficiersgebouw, een gebouw voor de kantine-dienst (MARCANDI) en een nieuw provoosthuis. Deze laatste twee kwamen aan de kant van de Dijksgracht waar de kademuur was verlegd en een strook grond aangeplempt waardoor een aanzienlijk bredere kade was ontstaan.

Dit had te maken met het feit dit de plek moest zijn voor de aanleg van schepen, samen met het nieuwe bassin. In verband met de doorvaart in het Oosterdok moest de rest van de kades vrij blijven. De kadeinrichting met bolders ontwierp Bureau De Weger in samenwerking met de afdeling Havenwerken van Publieke Werken Amsterdam. Volgens de laatste plannen van De Weger zou er aan de Kattenburgerstraat een nieuwe entree komen, maar deze werd pas in de 1980-er jaren uitgevoerd. Op het Voorwerfterrein vóór de Amerikaanse loodsen kwam een sportveld (voetbalveld) en op het middenterrein een exercitieveld met atletiekbaan. Het exercitieveld werd later tevens in gebruik genomen als helikopterlandingsplaats.

Sloopwerk Omdat het werk van de Marine tijdens de herinrichting door moest blijven gaan, werd telkens als een nieuw pand gereed kwam, een oud pand gesloopt of gerenoveerd.73 In 1964 begon de sloop van delen van het Marine Etablissement ten behoeve van de aanleg van de IJ-tunnel.74 Het Kogeleiland werd in 1965 afgegraven. Het Paleis, waarvan bij aanvang van de plannen nog sprake was om het elders te herbouwen, werd uiteindelijk in 1968 opgeblazen. De beoogde sloop van het TOKM-gebouw (oorspronkelijke de Scheepstimmerwerkplaats), op de noordwestelijke hoek van het complex, is nooit uitgevoerd. ’s Lands Zeemagazijn wordt Scheepvaartmuseum In de herindelingsplannen van de Marine had ’s Lands Zeemagazijn geen functie meer en werd het aangemerkt om afgestoten te worden. In 1968 werd het gebouw overgenomen door de Vereeniging Nederlandsch Historisch Scheepvaartmuseum en na een grondige verbouwing in 1973 in gebruik genomen als het nieuwe Nederlandse Scheepvaartmuseum.75 Inrichting buitenruimte door Hans Warnau In 1963 kreeg het bureau J. Meijers en H. Warnau officieel de opdracht om, in overleg met Bureau De Weger, een beplantingsplan voor het nieuwe Marine Etablissement te maken.76 Opvallend is dat in het bureauarchief een schets voor de beplanting is gevonden uit 8 november 1962.

Mogelijk kreeg Hans Warnau deze opdracht naar aanleiding van de bemoeienis van stedenbouwkundinge Jacoba Mulder die het plan voor het nieuwe Marineterrein ‘weinig fraai, onbegrijpelijk en chaotisch’ vond.77 Warnau was geen onbekende in de gemeente Amsterdam, omdat hij tussen 1951-1954 werkzaam was als assistentstedenbouwkundige op de Afdeling Stadsontwikkeling van Publieke werken onder leiding van ir. L.S.P. Scheffer en later C. van Eesteren. Daar werkte hij nauw samen met Mulder aan onder andere het Bellamyplein in Oud-West en het Darwinplantsoen in Watergraafsmeer.

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

61

62

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

< Schets voor beplanting Marine Etablissement door Meijers en Warnau tuinarchitecten, 8 november 1962. [WUR specialle collecties, projectnummer 52.0593] << SItuatie ME eind derde fase 1965, 21 juni 1965. [WUR specialle collecties, projectnummer 52.0593] ^ Marine Etablissement gezien vanuit het noorden, omstreeks 1970. [NIMH_ 2158_078588] ^^ Het parkachtige Voorwerfgebied tussen het poortgebouw en het commandementgebouw met haagbeplanting en een afwisseling tussen oude en jonge bomen, omstreeks 1970. [NIMH_ 2097_048_088760]

Warnau was een voorstander van de toepassing van eenvoudige geometrische vormen in tegenstelling tot opvallende of ingewikkelde vormen. Bij een terreinontwerp vond hij het belangrijk om de aard van het landschap en de geschiedenis van een plek inzichtelijk te maken.78 Beide opvattingen zijn in de inrichting van het Marine Etablissement te herkennen. Zo gebruikte hij bomen als middel om de blik vanuit de stad aantrekkelijker te maken, de ruimte te structureren en intiemer te maken. Het schetsplan uit 1962 laat een veelheid zien aan boombeplanting langs de kades en als overgang tussen de verschillende deelgebieden binnen het terrein. Met enkele bomenrijen markeerde hij de kaderand naar de stad toe, terwijl hij langs de hoofdstructuur binnen het terrein dubbele bomenrijen of meer toepaste (zoals de weg langs het Poortgebouw, tussen de Verbindingsschool en het sportveld, langs de gebouwen aan de Dijksgracht en de parkeergebieden).

De representatieve gebouwen zoals de commandantswoning, het officiersgebouw, het onderofficiersgebouw en het provoosthuis, voorzag hij van een tuin rondom met een rijke variatie aan beplantingssoorten. De overige delen van het terrein richtte hij eenvoudiger in met bomen (esdoorn), gras (met een graszaadmengsel), hagen (iep of liguster), klinkerbestrating en halfverharding. Ook hergebruikte Warnau bestaande beplanting zoals 23 prunusbomen en de boombeplanting op het Voorwerfgebied. Bij de inrichting van de Voorwerf ging hij uit van de daar al bestaande parkachtige inrichting. Zijn uitgangspunt voor de inrichting van de buitenruimte was om het groen boven de bestrating te laten prevaleren en deze tot een goed utilitair en eenvoudig werkstuk te maken.79

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

63

64

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

< Het Marine Etablissement gezien vanuit het westen met op de voorgrond de stadsvernieuwing langs de Kattenburgerstraat en op de achtergrond Amsterdam Centraal Station en het IJ, omstreeks 1987 na de bouw van het wachtgebouw (1982), het legeringsgebouw (1985) en de sportschool (1985). [NIMH_ 2097-003-016-001]

Door de gefaseerde bouw van de gebouwen op het nieuwe Marine Etablissement, werd ook de buitenruimte in delen uitgewerkt en uitgevoerd. Een vergelijking tussen het schetsplan uit 1962 met een kaart uit 21 juni 1965 (met daarin getekend de situatie eind derde fase) laat zien dat het gros van de oorspronkelijke ideeën van Warnau overeind bleven, maar uiteindelijk minder bomen werden voorgesteld. De foto’s uit omstreeks 1970 komen overeen met de tekening uit 1965 en laten een functioneel en sober doch groen Marine Etablissement zien met een afwisseling tussen de nieuwe jongere boombeplanting en meer volwassen (lees reeds bestaande) bomen. 1980-er jaren Aan het begin van de tachtiger jaren noodzaakten een gewijzigde verkeerssituatie en benodigde aanpassingen in beveiliging en huisvesting van het wachtpersoneel tot de bouw van een nieuwe toegangspoort met wachtgebouw.80 De nieuwe entree tot het Marine Etablissement kwam aan de Kattenburgerstraat in het verlengde van de weg langs het officiersgebouw, waar deze ook in de plannen van De Weger was voorzien. De opdracht voor het ontwerp werd gegeven aan architect Jan Benthem van het toen net opgerichte bureau Benthem Crouwel architecten. Benthem ontwierp een 4,5 meter hoge, stalen toegangspoort, die tegen de stenen muur lag die de afscheiding van het terrein met de straat vormde en waarin een doorgang was gemaakt.

Twee hoge masten met aan weerszijden kabels verwezen naar de maritieme functie van het terrein. Het nieuwe wachtgebouw lag direct rechts na binnenkomst op het terrein. De eerste keer dat de poort werd geopend bleek de constructie te haperen en kon deze niet meer dicht. Als onervaren architect had hij het ontwerp niet goed doordacht, aldus Jan Benthem.81 De poort werd weer verwijderd en de entree bleef vooralsnog open. In 1985 kreeg het Bureau De Weger opnieuw een opdracht die betrekking had op het Marine Etablissement.82 Het betrof een

legeringsgebouw voor korporaals en manschappen ter vervanging van het Marvahuis en de Marinekazerne (in de correspondentie nog aangeduid als marinierskazerne), beide daterend uit begin twintigste eeuw.83 Renovatie van deze panden, die in slechte staat verkeerden en niet meer aan de geldende normen voldeden, bleek technisch niet mogelijk (Marvahuis) of te kostbaar (Marinekazerne). Omdat de kazerne van de Verbindingsschool een andere bestemming zou krijgen (als lesgebouw) zou in een tweede fase ook hiervoor vervangende accommodatie moeten komen. Het vervangende legeringsgebouw werd op het nog open terrein vóór de TOKM-kazerne (voormalig scheepstimmerwerkplaats) en het onderofficiersgebouw gesitueerd. Hier was tevens ruimte voorzien voor de vervangende accommodatie voor de VBS-kazerne. Eind 1985 werden beide nieuwe gebouwen opgeleverd. Eveneens in 1985 werd de sportaccommodatie aangepakt. Vanwege de slechte staat en de te geringe capaciteit was een nieuwe sportschool gewenst.84 De nieuwe sportschool werd ontworpen door dezelfde aannemersfirma die ook het sportcomplex op het Marineterrein in Den Helder had aangelegd, hoewel de Rijksbouwmeester bezwaren hiertegen aandiende.

In een brief aan de Directeur van de Rijksgebouwendienst merkt hij op dat ‘de plattegrond samenhang mist’ en ‘de uitwendige vormgeving en detaillering en materiaalkeuze ver beneden het niveau dat tussen de omringende – zorgvuldig ontworpen – gebouwen verlangd moet worden’.85 Hoe de discussie afliep is niet uit de stukken te halen, maar de nieuwe sportaccommodatie kwam naast het voetbalveld langs de nieuwe toegangsweg te liggen. In 1987 werden het Marvahuis, de Marinekazerne en de oude sportschool gesloopt. De Vijf Beuken stond jaren leeg (De Weger had hier een zwembad geprojecteerd), werd in 1992 in gebruik genomen als bevoorradingscomplex, maar eind jaren negentig alsnog gesloopt. De bevelhebber der Zeestrijdkrachten nam in 1992 intrek in de commandantswoning, waarvoor de commandant

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

65

66

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

< Het Marine Etablissement gezien vanuit het zuiden, voor de bouw van het gebouw voor de Koninklijke Marechaussee op de noordoostelijke hoek van het terrein, begin 21ste eeuw. In het midden ligt het depot van het Scheepsvaartmuseum achter de muren langs de Kattenburgerstraat. [RVB_ 25G30_4]

(Commandant Maritieme Middelen) verhuisde naar een nieuwe ruimte in het officiersgebouw. Verlenging Poortgebouw Het was de bedoeling om het Poortgebouw bij de herindeling in de jaren zestig te restaureren. Pas in de negentiger jaren werd deze wens tot vervulling gebracht. Het Poortgebouw en de naast gelegen voormalige werkplaatsen verkeerden inmiddels, na jaren zonder onderhoud, in slechte staat. Zowel architect Hans van Heeswijk in samenwerking met Van Hoogevest architecten als architect Hans Tupker in samenwerking met Van Asbeck Bouw en Restauratie consultants presenteerden op verzoek van de Rijksgebouwendienst in 1994 plannen voor restauratie- en nieuwbouwmogelijkheden van het Poortgebouw.86 In de uitvoering viel de keuze op het plan van Tupker en Van Asbeck maar in feite was er nauwelijks voorkeur voor één van beide.87 De binnenzijde van het Poortgebouw werd rigoreus veranderd, van de oorspronkelijke interne structuur van het gebouw bleef weinig over. Aan de noordzijde van het Poortgebouw, tegenover het wachtgebouw, ontwierp Tupker in datzelfde jaar een uitbouw op de plek waar ooit de smederij had gestaan. De nieuwbouw werd geïntegreerd in de muur langs de Kattenburgerstraat en is nu onderdeel van het Poortgebouw en in gebruik genomen in 1995. Na renovatie van het Poortgebouw werd in het pand het kantoor van de commandant in de commandantsvleugel ondergebracht.

Diverse andere diensten en staffuncties namen de rest van het gebouw in gebruik. In het kader van de toenmalige percentageregeling die ook op de restauratie van toepassing was (1% van het budget wordt besteed aan kunst) werd de fontein van Arthur Spronken op het Voorwerfterrein aangeschaft.88 Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg: stadsvernieuwing Na de presentatie van het Wederopbouwplan Oostelijke Eilanden in 1953 door de gemeente duurde het lange tijd voordat tot uitvoering van het plan kon worden overgegaan. Kattenburg zou vooral een bestemming met havenbedrijvigheid krijgen. Alle

woningen op Kattenburg moesten worden ontruimd, wat het herhuisvesten van 1400 gezinnen betekende.89 Pas eind jaren zestig was het zover en begon de gemeente, vooruitlopend op de uitvoering van het wederopbouwplan, woningen te slopen. Kattenburg was de eerste saneringsbuurt van Amsterdam. Na vele protesten van de bewoners werd de buurt in 1971 aangewezen als woongebied. Met de stadsvernieuwing werden hier grootschalige woningbouwcomplexen gebouwd in een hovenstructuur.90 Er is veel openbaar groen in de wijk. De oorspronkelijke ruimtelijke structuur, bepaald door de twee lengtestraten (Grote en Kleine Kattenburgerstraat), is door de stadsvernieuwing verloren gegaan. De scheepsbouw is verdwenen en de verbinding met het water wordt gevormd door wandelkades en een jachthaven. Ook op Wittenburg is dit het geval. Hier is echter de ruimtelijke structuur met twee lengtestraten wel herkenbaar gebleven. Oostenburg heeft een gemengdere opzet gekregen, met woningen, kantoren en kleinschalige industrie. Functionele metamorfose In de loop van de tweede helft van de twintigste eeuw verlieten veel Marinediensten het terrein, veelal vanwege overplaatsing naar Den Helder.

Hieronder bevonden zich de Verbindingsschool, het Marva Centrum, scheikundig laboratorium, tandtechnisch laboratorium, Marine Cantine Dienst en de technische opleidingen.91 Door reorganisaties bij Defensie, kwamen er steeds meer algemene krijgsmachtonderdelen op het terrein.92 De dienst Werving en Selectie werd aanzienlijk uitgebreid en nam in 1980 de voormalige Verbindingsschool in gebruik. Inmiddels is deze dienst omgedoopt tot Instituut Keuring en Selectie van het Ministerie van Defensie en worden alle potentiële kandidaten voor alle onderdelen van de krijgsmacht als eerste op het Marine Etablissement gekeurd en geselecteerd. Tevens fungeert het Marine Etablissement als Facilitair Steunpunt voor de gehele krijgsmacht (FSP).

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

67

Erfenissen episode 4

contouren situatie tot 2011 wegstructuur plan De Weger kadeinrichting

25 gedeelte nieuwe muur Kattenburgerstraat boombeplanting ontwerp H. Warnau gebouwen episode 4

Uit deze episode zijn de volgende elementen nog aanwezig (doorgenummerd na de erfenissen van episode 3):

29

32 34

34

32 32

30

34

32

32

32

30 32 32 24 32

28

36

30

32 38

68

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

33 27

35 31

31 26

30 34

37

24. Het IJ-tunnel, met later de bouw van NEMO op het tunnelhoofd; 25. De demping Binnenhaven en herontwikkeling Handelskade; 26. De verbreding en herinrichting van de Kattenburgerstraat; 27. De stadsvernieuwing op Kattenburg en Wittenburg en gedeeltelijke demping Kattenburgervaart; 28. De sloop van de zuidwestelijke rand van het Marineterrein, demping Marine dok en aanleg bassin; 29. De verbreding van de kade aan de Dijksgracht; 30. De inrichting van de buitenruimte: bestrating, beplanting en kadeinrichting naar ontwerp Bureau De Weger en H. Warnau; 31. De entrees aan Kattenburgerstraat: een hoofdingang ter hoogte van voormalige smederij en een zij-ingang naast de voormalige Marinekazerne; 32. Het ensemble van gebouwen van Bureau De Weger (1962-1968); 33. Het wachtgebouw van Benthem & Crouwel (1982); 34. Het legeringsgebouw en de sportschool (1985); 35. De renovatie van het Poortgebouw en de aanvulling met de noordelijke kop door architect Hans Tupker (1995); 36. Het depot van het Scheepsvaartmuseum (2001); 37. Het gebouw van de Koninklijke Marechaussee (20062008); 38. De fontein van Arthur Spronken op het Voorwerfterrein.

Aanpassingen in de 21e eeuw Van de oude dumploodsen langs de muur aan de Kattenburgerstraat werd er een afgebroken en de andere gehalveerd. Op het vrijgekomen terrein kwam in 2001 een depot van het Scheepvaartmuseum. De gunstige locatie, vlakbij het museum en op een maximaal beveiligd terrein, speelde hierbij een belangrijke rol. Het gebouw werd ontworpen door architect Liesbeth van der Pol en is geïnspireerd door het geheimzinnige karakter van het terrein, de oase van rust en groen achter de muren. Het moet ‘een geheimzinnig gebaar uitstralen door wat er boven de muur uitsteekt, en de suggestie wekken dat er waardevolle spullen in bewaard worden en een doorvertaling zijn van de loods erachter’, aldus Van der Pol.93 Het markante gebouw is vanaf de Kattenburgerstraat te zien, net als in de achttiende eeuw de overkappingen op de Voorwerf. In 2002 werd het commandementsgebouw, nadat deze functie in het Poortgebouw was gehuisvest, omgebouwd tot ziekenboeg. De gunstige ligging van het terrein maakt het geschikt voor vlootbezoeken, conferenties en andere evenementen. In 2004 werd het kantine-gebouw van De Weger verbouwd tot Evenementen Centrum Amsterdam (ECA). Tussen 2006 en 2008 tenslotte, verscheen in de noordoosthoek van het terrein, een gebouw voor de Koninklijke Marechaussee van het bureau Wansleben Architekten uit Keulen.

Het grote, vierkante moderne gebouw heeft dezelfde afmetingen als het Scheepvaartmuseum en vormt hiervan de tegenhanger aan het einde van de Kattenburgerstraat.94

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

69

70

Marineterrein Amsterdam - Deel 1: het terrein

Episode 5 (2011-heden) Marineterrein: stadskwartier achter de muren

< Het Marineterrein gezien vanuit het zuiden, 2015. Opvallend is de groene inrichting van het terrein en langs de Kattenburgerstraat. [foto: Siebe Swart]

In het eerste decennium van de 21e eeuw komt de discussie op gang tussen de gemeente Amsterdam en het Rijk over de belangen van het terrein van het Marine Etablissement voor de stad Amsterdam en voor Defensie. De centrale ligging en omvang van het terrein (14 ha) maken het voor de gemeente een interessant gebied voor stedelijke ontwikkeling. In oktober 2010 brachten de Amsterdamse gemeenteraadsfracties van D66, Groenlinks en de PvdA een visie uit op toekomst van het terrein.95 Aanleiding waren de (al langer lopende) plannen voor wijziging van het bestemmingsplan in verband met een mogelijk vertrek van Defensie van het etablissement. Zij pleitten daarin voor een hoogwaardige groene invulling, een ‘stadspark van de toekomst’ waarin plaats zou zijn voor groen, culturele en sportieve activiteiten en mogelijk maatschappelijke functies. Op dat moment echter is er, volgens een reactie van Defensie op deze visie, geen sprake van een vertrek van de Marine van het terrein. Al snel hierna veranderde de situatie. In 2011 besloot Defensie uit bezuinigingsoverwegingen om het Marine Etablissement (grotendeels) te verlaten. Op 22 november 2011 meldde Het Parool dat het Marineterrein (zoals het Marine Etablissement in de pers werd genoemd) tijdelijk zou worden opengesteld voor publiek.96 Het was voor het eerst in meer dan 350 jaar dat de ‘gewone Amsterdammer’ het terrein kon betreden.

De openstelling was eenmalig en er gold nog wel een legitimatieplicht. De gemeente en Defensie wilden met de openstelling omwonenden de mogelijkheid geven mee te denken over herbestemming van het terrein. Ontwikkelingsplannen Vanaf 2011 hebben het Rijk (Rijksvastgoedbedrijf, ministeries van Binnenlandse Zaken en Defensie) en de gemeente Amsterdam

(Centrale Stad, stadsdeel Centrum) samen uitgangspunten voor de stedelijke ontwikkeling van het Marine Etablissement vastgelegd: de strategienota Marineterrein (2013), de bijbehorende bestuursovereenkomst (2013) en de Principenota Marineterrein (2017). Het Marine Etablissement werd officieel omgedoopt tot Marineterrein. De uitgangspunten behelsden een gefaseerde ontwikkeling, waarin Defensie het terrein geleidelijk zal verlaten, naar een ‘toekomst waarin het Marineterrein een prominente en vanzelfsprekende positie zal verwerven in het internationale innovatienetwerk van Amsterdam, en waarin het wezenlijk zal bijdragen aan de verduurzaming van de samenleving en de economische toekomst van stad, de regio en het land. […] Het Marineterrein zal zich daarom niet alleen onderscheiden in de inrichting, maar ook in de ontwikkelingsstrategie. Een toekomstbestendig innovatiemilieu dat in staat is om voortdurend nieuwe, nu nog ongekende ontwikkelingen in zich op te nemen. Zowel in de bouw als in de planvorming wordt daarom gezocht naar vormen en methoden die adaptief en flexibel zijn’, aldus de ambitie verwoord in de Principenota.97 Een speciaal opgerichte zelfstandige organisatie, het Bureau Marineterrein Amsterdam, begeleidt de geleidelijke ontwikkeling van het terrein. Tweedeling Vanaf 2013 vond een gefaseerd vertrek van de op het terrein gevestigde diensten van Defensie plaats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10878382/1