CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Bijlage 1.1_NRD planMER windenergie Amsterdam.pdf

RAAD 12 december 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Uiten van wensen en bedenkingen inzake het voorgenomen collegebesluit over het Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA) en het PlanMER (VN2024-013643)25.830 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Niet gevonden in dit document.

S70 S71

Vragen of er voldoende infrastructuur en capaciteit is om alle opgewekte stroom (wind, zon) te vervoeren. Vragen of windturbines door technologische ontwikkelingen op den duur niet overbodig worden OF technologische lock-in: nieuwe technologieën kunnen later minder goed worden ingepast. Zorgen over opslag van energie. Elektriciteitsnet niet ingericht op fluctuatie tussen vraag en aanbod.

5 1

Reactie 3 1 en 3

Nut en noodzaak van windenergie in de gemeente Amsterdam valt buiten de reikwijdte van het planMER maar zal in het PWA opnieuw worden toegelicht.

4

Zie S69. Opslag van duurzame energie valt buiten de reikwijdte van het planMER en het PWA.

Zorgen over recyclebaarheid (circulariteit) windturbines.

4

S73

Vragen of windturbines wel nodig zijn, is energiebesparing alléén niet voldoende? Bewoners vinden dat een stad als Amsterdam, vergeleken met andere gebieden in Nederland, geen gunstige plek is voor plaatsen van windturbines. Zorgen dat opgewekte energie wordt opgekocht door datacenters en dus ongelijke verdeling lusten en lasten Vraag of door het verminderen van het aantal datacenters de energievraag (en daarmee vraag naar windenergie) niet ook dalen? Wens dat er regels opgesteld worden die beperkingen stellen aan hoeveelheid energie die datacenters gebruiken.

3

S75 S76 S77

Toelichting Zon op dak heeft de aandacht van de gemeente, maar ook daarnaast zijn er veel stappen nodig, waaronder windenergie. Het planMER bevat een analyse van de (ligging ten opzichte van) netinpassing per zoekgebied. Het PWA zal nader ingaan op de relatie tussen de gemeentelijke doelstelling en de regionale netcapaciteit.

3

S72

S74

Krijgt een plek in het participatieproces i.h.k.v. programma en i.h.k.v. relaties met buurgemeenten. De gemeentegrensoverschrijdende milieueffecten van de Amsterdamse windturbines worden meegenomen in het planMER.

3

De gemeente houdt de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van recyclebaarheid van windturbineonderdelen nauwgezet in de gaten. Gezien het belang van de energietransitie en de geringe omvang van het effect acht de gemeente het niet wenselijk om op voorhand dit argument te gebruiken om geen windenergie mogelijk te maken. Onderzoek naar de mogelijkheden om windturbineonderdelen te recyclen past niet bij het detailniveau van dit planMER en biedt geen onderscheidend inzicht in de verschillende zoekgebieden. Zie S70. Op basis van de milieueffecten maakt het PWA keuzes voor het al dan niet mogelijk maken van windenergie.

3 en 5

Krijgt een plek in communicatie van het programma (informeren/uitleggen)

3 en 5

Zie S75.

3 en 5

Zie S75.

5 1 51

Tabel 18 Input m.b.t. het hoofdthema ‘CO2-doelstelling’ Signaal/wens uit de stad Bewoners vinden ambitie voor Amsterdam niet realistisch, moet op natioS78 naal niveau worden opgelost. S79

S80 S81 S82

Vragen waarom windmolens nabij de stad geplaatst moeten worden, aangezien het rendement van windturbines op zee hoger ligt. Vragen of er nieuwe vormen van windturbines zijn die goed bij de stad kunnen passen én of zoekgebieden hierop aangepast moeten/kunnen worden. Zorgen dat rendement van windmolens omlaag gaat, omdat ze vaak stil komen te staan om overlast te voorkomen. Vraag of het vergroten van bestaande (kleinere) windmolens in grotere voldoende is om aan vraag/doelstelling te voldoen.

Reactie

Toelichting

3

Zie S70.

3

4 1 4

De opgave voor windenergie op land ligt vast, zowel op landelijk, regionaal als gemeentelijk niveau. Ook wind op zee maakt deel uit van de toekomstige energiemix. Op zee is niet genoeg ruimte om aan de gehele energievraag van Nederland te voldoen. Grootschalige windturbines met 3 wieken zijn de meest efficiënte en kosteneffectieve manier van opwek van duurzame elektriciteit. Aangezien het PWA een doelbereik heeft dat is uitgedrukt in MW grootschalige windenergie vallen alternatieve opwekvormen buiten de reikwijdte van het MER. De opbrengstverliezen als gevolg van stilstand of terugregeling ten behoeve van geluid- en slagschaduwreductie worden in het MER inzichtelijk gemaakt. Het PWA kijkt nadrukkelijk naar locaties in aanvulling op bestaande windparken. Eventuele opschaling van bestaande parken is momenteel niet aan de orde, maar kan wel bijdragen aan een toekomstige, nog hogere doelsteling in de periode na 2030.

5 2 52

4.3

Input uit expertadviezen

4.3.1

Expertadvies Gezondheid De expertgroep Gezondheidseffecten windturbines heeft advies uitgebracht over de mogelijke gezondheidseffecten van windturbines en over de wijze waarop gezondheidseffecten meegenomen kunnen worden in de afweging rond de plaatsing van windturbines. De expertgroep heeft hierbij uitgebreid stil gestaan bij de zorgen, wensen en behoeften vanuit de omgeving en klankbordgroepen. Het document Advies expertgroep Gezondheid bevat belangrijke input voor het proces om te komen tot het planMER en het Programma Wind Amsterdam. Van alle opgehaalde onderwerpen is hieronder benoemd of het aspect; 1. een plaats heeft of krijgt in het planMER, of; 2. niet bij de fase of het detailniveau van een planMER past maar onderzocht moet worden in het vervolgtraject op individueel projectniveau (projectMER), of; 3. niet thuishoort in het planMER, maar wel terugkomt in het Programma Wind Amsterdam, of; 4. niet nader wordt onderzocht en waarom niet, of anders; 5. te maken heeft met het participatieproces en aldaar wordt opgepakt.

Tabel 19 Input vanuit Advies expertgroep Gezondheid Advies Wens dat gemeente in afspraken met initiatiefnemers opneemt hoe om te gaan met G1 de situatie waarin de lokale normen worden ingehaald door strengere landelijke normen Sommige onderwerpen (gezondheidseffecten) behoeven nader onderzoek. AdviesG2 groep adviseert gemeente om het ministerie van EZK te informeren over dit advies met het oog op de landelijke normering. Advies van expertgroep om uit te gaan van grenswaarde die niet overschreden mag G3 worden en standaardwaarde waarvan enkel vanuit een ruimtelijke afweging van alle relevante maatschappelijke belangen mag worden afgeweken. Advies voor bescherming van de bevolking tegen geluidsoverlast om uit te gaan van G4 een norm op basis van geluidsbelasting (jaargemiddelde met straffactoren voor dag en nacht) en geen afstandsnorm. G5 Geadviseerde grenswaarde is 45 dB Lden (overeenkomend met advies WHO)

Reactie 3

Toelichting Lokale normen kunnen een plek krijgen in het PWA. De wijze waarop deze normen anticiperen op nieuwe landelijke normen is in deze fase nog niet duidelijk. Ten tijde van publicatie van het PWA zal er meer informatie zijn over nieuwe landelijke normen.

3

Zie punt G1.

1

Het MER brengt het effect van toepassen van een grenswaarde van 45 dB Lden in beeld met behulp van een 'Optimalisatiealternatief Gezondheid'. Zie paragraaf 3.3.

3

Het planMER berekent geluidseffecten op basis van het Reken- en Meetvoorschrift Windturbines. Voor wat betreft lokale normen zie G1.

1

G6

Standaardwaarde aanhouden van 42 dB Lden (binnen bandbreedte van 40 en 45 dB Lden)

2

G7

Pas een straffactor toe op windturbines die tonaal geluid veroorzaken

2

G8

Hanteer een aparte norm voor laagfrequent geluid (vergelijkbaar met die in Denemarken)

1 en 2

Zie G3. Het planMER beschouwt het effect van een norm van 45 dB Lden. De mogelijkheid tot voldoen aan de standaardwaarde van 42 db Lden vereist lokaal maatwerk en onderzoek daarnaar past dus beter bij concrete projecten (projectMER). Moderne windturbines produceren geen tonaal geluid, tenzij er een technisch mankement optreedt, waar in de planMER-fase geen rekening mee gehouden kan worden. Het hinderlijke karakter van windturbinegeluid is reeds meegenomen bij het kiezen voor een strenge norm. Zie ook G1. Het planMER maakt op basis van een representatieve voorbeeldberekening inzichtelijk welke geluidsbelasting van windturbines leidt tot welke laagfrequente geluidsniveaus. Omdat laagfrequent geluid bij toepassing van een strenge norm (van ca. 45 dB Lden) geen significante effecten veroorzaakt wordt dit thema niet als beoordelingscriterium meegenomen. Eventueel kan de laagfrequente immissie wel voor concrete projecten inzichtelijk worden gemaakt (projectMER).

5 3 53

G9

G10

G11

G12 G13 G14 G15

G16

G17 G18 G19

G20 G21

G22

G23

Advies

Reactie

Streef zoveel mogelijk na om ritmische geluiden tegen te gaan

4

Uitgaan van grenswaarde van een belasting van gevoelige objecten van max. 17 dagen, 20 minuten per jaar. Aanbeveling om slagschaduw zoveel mogelijk te reduceren. Betrek (naast bovenstaande) ook cumulatie geluid, mogelijke visuele hinder en de nabijheid van volkstuinen, recreatieobjecten en andere locaties waar mensen overnachten. Ook maatschappelijke belangen: natuurwaarden, kwaliteit van leefomgeving en belang energietransitie meenemen. Uitvoeren van nulmeting (startpunt monitoring): geluidsbelasting zonder windturbines. Periodieke monitor: naleving van geluidsnorm en schaduwnorm en de effecten van andere factoren. Neem bij handhaving/monitoring niet enkel geluidsnorm en slagschaduwnorm mee, maar ook de zorgen van omwonenden. Zorg dat (wetenschappelijk) onderzoek is uitgevoerd op algemene bevolking en geen/te weinig rekening houdt met individuele cases. Daarnaast weinig zekerheid over kwaliteit, kwantiteit van wetenschappelijke artikelen. Vragen/zorgen over de gezondheidseffecten van windturbines op lange termijn. De houding ten aanzien van windturbines en het onvoldoende gehoord worden zijn belangrijke factoren in de ervaring van ernstige hinder bij omwonenden. De expertgroep dringt bij de gemeente en haar gesprekspartners aan op een wederzijds zorgvuldig proces van participatie en dialoog om de beleving van hinder en daarmee samenhangende gezondheidseffecten te beperken.

Zorg dat grotere windturbines hogere luchtlagen halen en daarom meer geluid maken dan kleine turbines. De zorg is dat grotere turbines meer of andere gezondheidseffecten veroorzaken. Houdt rekening met effecten van bebouwing en ondergrond. Houdt rekening met de nabijheid van grote bewoningsconcentraties. Begin in afwachting van de nieuwe landelijke normen met de plaatsing van windturbines op locaties waar het aantal omwonenden en de risico's van ernstige hinder beperkt zijn. Bewoners zijn bezorgd dat de plaatsing van windturbines op termijn negatieve gezondheidseffecten bij kinderen in de omgeving kan leiden. (Momenteel nog niks over bekend). Locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang en basisscholen beschouwen als geluidsgevoelige objecten. Bij de klankbordgroep en bij inwoners van de stad bestaat de zorg dat bepaalde groepen omwonenden gevoeliger zijn voor de gezondheidseffecten van windturbines dan anderen. Gedacht kan worden aan onderscheid naar geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en geestelijke of fysieke toestand. Net als bij andere geluidsbronnen gelden volkstuinen niet als geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet Milieubeheer. Zij bevinden zich veelal al in de geluidscontouren van andere geluidsbronnen – zelfs tot boven de maximale ontheffingswaarde.

De expertgroep adviseert om volkstuinen wel mee te nemen in de ruimtelijke afweging en de project-m.e.r.

1

1

3 3 1 en 3 4

5

1 1

Toelichting Windturbinegeluid is hinderlijk. Deze hinderlijkheid leidt tot een bepaalde geluidsnorm en is gebaseerd op alle karakteristieken van het geluid, waaronder het ritmische karakter. Door een strenge norm toe te passen wordt de omgeving beschermd tegen onwenselijke effecten van de geluidskarakteristieken. Het planMER gaat uit van een maximale belasting van 340 minuten (17x20) per gevoelig object per jaar. Zie paragraaf 3.4. Het planMER is bedoeld om een bredere afweging te maken waarbij meerdere milieueffecten betrokken worden, waaronder geluid (inclusief cumulatie met andere bestaande en vergunde geluidsbronnen), effecten op volkstuinen, recreatieobjecten en andere overnachtingslocaties, ecologie, landschap en energieopwekking. De wijze waarop monitoring wordt vormgegeven zal in het PWA worden toegelicht. De keuze voor het uitvoeren van een nulmeting en de onderzoeksmethode vallen buiten de reikwijdte van het planMER. Zie G12. Het geluidsonderzoek baseert zich op het Reken- en Meetvoorschrift Windturbines en gaat daarbij uit van de inzichten zoals in de laatste wetenschappelijke publicaties uiteen zijn gezet. De normstelling komt in het PWA aan bod en zal aldaar onderbouwd worden. In lijn met het standpunt van de expertgroep worden geen langdurige effecten van geluidsbelasting aangenomen.

'Het voeren van een zorgvuldig geprek en het in gesprek gaan over zorgen vormt de kern van de participatieaanpak van het PWA. Als gevolg van bouwhoogtebeperkingen op verschillende plekken in de gemeente zullen in verschillende zoekgebieden verschillende afmetingen passen, waardoor ook inzicht in de relatie tussen tiphoogte en geluidsproductie wordt verkregen. Zie hoofdstuk 2 van de NRD. Zie G4.

1

Ook in de planMER fase kan al inzicht worden geboden in de toename van het aantal ernstig geluidgehinderden in de omgeving van de verschillende zoekgebieden. Zie paragraaf 3.3 van de NRD.

4

Inzicht bieden in de demografische samenstelling van de omgeving leidt niet tot een beter inzicht in de milieueffecten en wordt daarom niet betrokken in het planMER.

4

Zie G20.

4

Zie G20.

1 en 3

In hoeverre er geluidsnormen worden opgenomen voor (bijvoorbeeld) volkstuinen is op dit moment nog niet bekend. Wel zal het planMER inzicht bieden in de geluidsbelasting ter plaatse van dergelijke terreinen, ter onderbouwing van het PWA.

5 4 54

G24

G25

4.3.2

Advies De expertgroep benadert dat de gezondheidseffecten van de plaatsing van windturbines moet worden afgewogen tegen andere maatschappelijke en gezondheidsbelangen, zoals het tegen gaan van de opwarming van het klimaat. Zorgen om vrijkomen van stoffen door slijtage en erosie van (onderdelen van) windturbines. Met name risico's van microplastics en Bisfenol A die door erosie van de wieken in het milieu terecht komen.

Reactie

Toelichting

1

Het planMER biedt inzicht in de hoeveelheid opgewekte energie en de daarmee gepaard gaande reductie van emissie van schadelijke stoffen. Zie paragraaf 3.11 van de NRD.

3

De gemeente betrekt de resultaten van de quick scan 'Inzicht in emissies van chemische stoffen bij windturbines op zee' (augustus 2021) voor zover van toepassing bij het opstellen van het PWA. Er zijn geen onderscheidende effecten, waardoor het betrekken van dit onderwerp in het planMER niet doelmatig is.

Expertadvies Natuur Het document, opgesteld door de expertgroep Windturbines en Natuur heeft advies uitgebracht over de wijze waarop effecten op natuur en (beschermd) landschap te betrekken zijn bij besluitvorming over nieuwe windturbines in Amsterdam. Het Advies Windturbines en Natuur bevat belangrijke input voor het proces om te komen tot het planMER en het Programma Wind Amsterdam. Van alle opgehaalde onderwerpen is in de volgende tabel in de kolom ‘Reactie’ benoemd of het aspect; 1. een plaats heeft of krijgt in het planMER, of; 2. niet bij de fase of het detailniveau van een planMER past maar onderzocht moet worden in het vervolgtraject op individueel projectniveau (projectMER), of; 3. niet thuishoort in het planMER, maar wel terugkomt in het Programma Wind Amsterdam, of; 4. niet nader wordt onderzocht en waarom niet, of anders; 5. te maken heeft met het participatieproces en aldaar wordt opgepakt.

Tabel 20 Input vanuit Advies Expertgroep Windturbines en natuur. Advies

Reactie

N1

In elk zoekgebied moet veldwerk worden uitgevoerd, vliegbewegingen van vogels/vleermuizen in kaart worden gebracht.

1 en 2

N2

In elk zoekgebied moeten (negatieve) effecten op Natura 2000-gebieden en IHDS in kaart worden gebracht (incl. externe werking). Natuurtoets moet worden uitgevoerd (evt. PB).

1 en 2

N3

N4

Fort Diemerdam is onderdeel van UNESCO werelderfgoed (zoekgebied Oost/Diemen. Bescherming van de landschappelijke waarde van deze locatie is een belangrijk punt. Zoekgebied (Oost/Diemen) maakt onderdeel uit van PBL (Vechtstreek Noord), met als kernkwaliteit weidevogels. Ecologisch onderzoek is nodig om te kijken of plannen geen inbreuk maken op de planologische bescherming van de provincie van weidevogelgebieden (bv. leefgebied wordt ongeschikt door verstoring in aanleg- en gebruiksfase).

1

1

Toelichting Veldonderzoek is van belang voor, en past bij het detailniveau van individuele windprojecten. Het is niet doelmatig om voor alle zoekgebieden ecologisch veldwerk uit te voeren als nog niet zeker is of dergelijke gebieden in het PWA mogelijk worden gemaakt. In het planMER wordt gebruikt gemaakt van de beschikbare literatuur en data, zoals o.a. de data van de Vogelatlas Amsterdam. De ligging t.o.v. Natura 2000-gebieden is onderdeel van de ecologische effectbeoordeling. Hierbij worden eventuele effecten op aangewezen doelsoorten van de Natura 2000-gebieden (incl. externe werking) ook meegenomen (op basis van nader te bepalen verstoring- en effectafstanden). Een natuurtoets (incl. veldwerk) is onderdeel van een projectMER, omdat het behoort tot de onderzoeksopgave op projectniveau. Het opstellen van een passende beoordeling is pas nodig als de gemeente voornemens is deze locatie op te nemen in het PWA (en significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten). Ligging t.o.v. UNESCO werelderfgoed is onderdeel van de landschappelijke effectbeoordeling. Zie paragraaf 3.9.2. van de NRD. Ligging t.o.v. weidevogelgebieden is onderdeel van de ecologische effectenbeoordeling. Zie paragraaf 3.6.2. van de NRD.

5 5 55

N5

N6

N7

N8

N9

N10 N11 N12

N13

N14

N15

Advies Zoekgebied Diemen A t/m G overlappen met NNN (zoekgebied Oost/Diemen). Compensatie noodzakelijk van beheertype dat fysiek en of kwalitatief wordt aangetast. Nadere toetsing nodig. Zoekgebied Ouderkerkerplas (Zuidoost) maakt deel uit van PBL, met als kernkwaliteit weidevogels (naast Noordse woelmuis). Ecologisch onderzoek is nodig om te kijken of plannen geen inbreuk maken op de door de provincie gewenste planologische bescherming van weidevogelgebieden (bv. leefgebied wordt ongeschikt door verstoring in aanleg- en gebruiksfase). Zoekgebieden Knooppunt Holendrecht en Oudekerkerplas hebben overlap met NNN (Zoekgebied Zuidoost). Compensatie noodzakelijk van beheertype dat fysiek en of kwalitatief wordt aangetast. Nadere toetsing nodig. Zoekgebied Ring A10-Noord overlapt met BPL: Waterland, met als kernkwaliteit weidevogels. Ecologisch onderzoek is nodig om te kijken of plannen geen inbreuk doen op de door de provincie gewenste planologische bescherming (bv. leefgebied wordt ongeschikt door verstoring tijdens aanleg- en gebruiksfase). Vochtig weidevogelgrasland is niet vervangbaar, dus compensatie niet eenvoudig. Zoekgebied Ring A10-noord overlapt met BPL: Waterland, met als kernkwaliteit weidevogels. Ecologisch onderzoek is nodig om te kijken of plannen geen inbreuk doen op de door de provincie gewenste planologische bescherming (bv.

leefgebied wordt ongeschikt door verstoring tijdens aanleg- en gebruiksfase). Vochtig weidevogelgrasland is niet vervangbaar, dus compensatie niet eenvoudig. Zoekgebied Strand/Buiten-Eiland is aangrenzend aan Natura 2000 Markermeer en IJmeer. Significante negatieve effecten op de relevante soorten niet uitgesloten. Passende beoordeling is nodig. Met name voor zoekgebied Strand/Buiten-Eiland: risico's voor trekvogels en in het gebied aanwezige vogels Zoekgebied Strand/Buiten-Eiland heeft mogelijk invloed op vrije zicht vanuit vuurtoreneiland op forteiland Pampus, dat van hoge waarde is in het kader van UNESCO status van de Stelling van Amsterdam

Uitbreiding van toetsing met alle soorten op de Rode Lijst, waarvoor geldt dat de soortgroepen ook via de Wnb worden beschermd: hogere planten, gewervelde diersoorten (vis, amfibie, reptiel, vogel en zoogdier) alsmede vlinders en libellen (evt. kevers).

Vastgesteld moet worden of significante negatieve effecten in de aanlegfase op de SvI kunnen worden uitgesloten voor: - vogelsoorten die in relevante aantallen/populaties in het gebied voorkomen (broed, trek als overwinterende soorten) en die gevoelig zijn voor de effecten van windturbines; - overige soorten die beschermd zijn volgens Habitatrichtlijn (vleermuizen, plantensoorten, amfibieën en reptielen). Vastgesteld moet worden of significante negatieve effecten door verlies aan habitat of vermijding door verstorende werking uitgedrukt als verlies aan kwaliteit en habitat in gebruiksfase op de SvI kunnen worden uitgesloten voor:

Reactie

Toelichting

1

Ligging t.o.v. Natuurnetwerk Nederland is onderdeel van de ecologische effectbeoordeling. Zie paragraaf 3.6.2. van de NRD.

1

Zie N4.

1

Zie N5.

1

Zie N4.

1

Zie N5.

1 en 2 1

Ligging t.o.v. N2000-gebieden is onderdeel van de ecologische effectbeoordeling. Het opstellen van een passende beoordeling is pas nodig als de gemeente voornemens is deze locatie op te nemen in het PWA. Aanwezigheid van kwetsbare (vogel)soorten is onderdeel van de ecologische effectbeoordeling. Zie paragraaf 3.6.2. van de NRD.

1

Zie N3

1 en 2

In de effectbeoordeling van het planMER worden de Rode Lijstsoorten van kwetsbare vogels meegenomen, omdat deze gevoelig zijn voor windenergie. Voor vleermuizen maken we geen onderscheid in Rode Lijst soorten (immers zijn alle vleermuissoorten zwaar beschermd). Voor de overige soortgroepen (hogere planten, vissen, amfibieën, reptielen en (landgebonden) zoogdieren) geldt dat deze niet doorslaggevend kunnen zijn voor effecten en vaststelling van zoekgebieden. Locatiespecifiek kunnen deze soortgroepen wel nadelige effecten ondervinden. Derhalve worden deze soortgroepen in een latere fase meegewogen in de ProjectMER's die volgen op de planMER (wanneer binnen een zoekgebied de exacte locatie van windturbines zijn/worden bepaald).

1 en 2

Effecten in aanlegfase voor de genoemde soortgroepen worden in kaart gebracht, maar niet getoetst aan SvI. Dit past beter bij detailniveau van projectMER.

1 en 2

Effecten door verstoring, vermijding, verlies leefgebied in gebruiksfase voor de genoemde soortgroepen worden in kaart gebracht en globaal getoetst aan SvI.

5 6 56

N16

N17

N18

N19

N20

N21

N22

N23

Advies - vogelsoorten die in relevante aantallen/populaties in het gebied voorkomen (broed, trek als overwinterende soorten) en die gevoelig zijn voor de effecten van windturbines; - overige soorten die beschermd zijn volgens Habitatrichtlijn (vleermuizen, plantensoorten, amfibieën en reptielen). Vastgesteld moet worden of significante negatieve effecten door barrièrewerking op de SvI kunnen worden uitgesloten voor: - vogelsoorten die in relevante aantallen/populaties in het gebied voorkomen (broed, trek als overwinterende soorten) en die gevoelig zijn voor de effecten van windturbines; - overige soorten die beschermd zijn volgens Habitatrichtlijn (vleermuizen, plantensoorten, amfibieën en reptielen). Sterfte van individuen door botsing met windturbines; dit is van toepassing op vogels en vleermuizen. Bij de berekening van aanvaringsslachtoffers wordt de 1% mortaliteitsnorm gehanteerd. Daarbij moet rekening worden gehouden met cumulatie door andere projecten die een vergelijkbaar effect kunnen hebben op dezelfde populatie. Gebiedsbescherming is maatwerk. Er moet worden gekeken naar de gebiedsspecifieke IHD's en de verwachte effecten dienen hieraan gespiegeld te worden. Hiervoor is gebiedsspecfieke informatie nodig over het voorkomen van soorten (en evt. veldwerk). Optreden van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden moet worden uitgesloten.

De eerste stap is het uitvoeren van een natuurtoets. Per gebied worden de effecten op IHDs getoetst. Kunnen significante effecten niet worden uitgesloten? Passende Beoordeling opstellen. De wezenlijke waarden en kenmerken van NNN mogen niet worden aangetast door habitatverlies, verlies van kwaliteit door verstoring in gebruiksfase en verlies van kwaliteit op plekken waar tijdelijke werkterreinen en bouwwegen worden gerealiseerd. Vanuit goede r.o. is het wenselijk om ontwikkelingen direct nabij NNN op effecten te onderzoeken (externe werking). In beeld brengen of beschermde houtopstanden worden verwacht en of vervolgstappen nodig zijn. Vervolgonderzoek is veldbezoek om te controleren of groenstructuren aanwezig zijn die als beschermde houtopstand kwalificeren. Indien aanwezig en worden aangetast: boominventarisatie is nodig en melding bij BG (herplantplicht). Toetsing aan de kernkwaliteiten van een BPL gebied voor de zoekgebieden wind/zon. Hierbij moet worden onderbouwd dat er een groot openbaar belang is. Belangrijkste potentiële effecten zijn openheid en ruimtebeleving van landschap. Daarnaast habitat voor weidevogels. Binnen BPL zijn specifieke delen aangewezen die open en ruimte en vergezichten dienen te houden.

Reactie

Toelichting

1 en 2

Effecten door barrièrewerking voor de genoemde soortgroepen worden in kaart gebracht en globaal getoetst aan SvI.

2

Berekening van sterfte-aantallen past niet bij het detailniveau van een planMER, maar behoort tot de onderzoeksopgave op projectniveau. Daarbij is het zonder meer van belang om cumulatie met andere bestaande en vergunde windparken te betrekken.

1 en 2

Zie N2. Voor planMER wordt geen veldwerk uitgevoerd, maar o.a gebruik gemaakt van NDFF om informatie te verkrijgen. Effecten op gebiedsspecifieke IHD’s worden globaal in kaart gebracht voor de (op de locatie aanwezige) aangewezen doelsoorten van de Natura 2000-gebieden.

1 en 2

Zie N2.

1

Zie N5. Daarnaast wordt externe werking NNN meegenomen in planMER.

2

2

1

N24

Visualisaties van mogelijke opstellingen zijn nodig voor beoordeling in hoeverre kernkwaliteiten worden aangetast en hoe nieuwe windturbines zich ruimtelijk verhouden tot het omliggende, bestaande landschap.

1 en 2

N25

Randvoorwaarden voor ontwikkeling windenergie uit afwegingskader Hollandse Waterlinies

1

N26

Ingrepen in HGS moeten op inpasbaarheid worden getoetst.

1

Beoordeling effecten op houtopstanden past niet binnen detailniveau planMER, omdat dit afhankelijk is van specifieke locaties van windturbines. Wordt in een latere fase wel meegenomen in projectMER. Veldonderzoek is van belang voor, en past bij het detailniveau van, individuele windprojecten. Het is niet doelmatig om voor alle zoekgebieden ecologisch veldwerk uit te voeren als nog niet zeker is of dergelijke gebieden in het PWA mogelijk worden gemaakt Ligging t.o.v. BPL-gebieden (uitgesplitst in ecologisch en landschappelijk beschermde gebieden) is onderdeel van de ecologische en landschappelijke effectbeoordeling. Zie paragrafen 3.6.2 en 3.9.2. Het MER zal visualisaties gebruiken ter ondersteuning van de landschappelijke effectbeoordeling. Gegeven de omvang van het onderzoeksgebied en het aantal zoekgebieden zal het aantal visualisaties per zoekgebied beperkt zijn. Wanneer op projectniveau meerdere opstellingsalternatieven met elkaar vergeleken worden (in het projectMER) ligt het voor de hand om aanvullende visualisaties te gebruiken. Het genoemde afwegingskader vormt een toetsingskader voor de landschappelijke effectbeoordeling in het planMER. Zie paragraaf 3.9 van de NRD. Ligging t.o.v. de Hoofdgroenstructuur is onderdeel van de recreatieve effectbeoordeling. Zie paragraaf 3.10 van de NRD.

5 7

57

Advies

Reactie

N27

Toets cumulatieve ecologische effecten in de planMER.

1

N28

Neem in planMER op 'Groot-Amsterdams' schaalniveau (dus inclusief zoekgebieden in buurgemeenten) op hoe de compensatieopgave het best ingevuld kan worden.

2 en 3

N29

Werk in planMER uit hoe de gezamenlijk inzet van monitoring het best vorm kan krijgen (regisserende rol van gemeente Amsterdam).

2 en 3

Toelichting Het planMER gaat in op de cumulatieve effecten van de verschillende zoekgebieden onderling en met bestaande en vergunde windparken. De compensatieopgave gaat uit van daadwerkelijke aantasting en/of verstoring en is mede afhankelijk van de hoeveelheid windturbines en de specifieke windturbineposities. Deze informatie wordt pas in een nader stadium uitgewerkt en pas daarom beter bij het detailniveau van een projectMER. Het invullen van de specifieke compensatie opgave is nodig als de gemeente voornemens is deze locatie op te nemen in het PWA. Op basis van de resultaten MER worden aanbevelingen gedaan voor monitoringmaatregelen. Het specificeren van deze monitoringsopgave wordt in het PWA opgenomen.

5 8 58

4.4

Input uit aangenomen moties Van de aangenomen moties is in de volgende tabel in de kolom ‘Reactie’ benoemd of het aspect; 1. een plaats heeft of krijgt in het planMER, of; 2. niet bij de fase of het detailniveau van een planMER past maar onderzocht moet worden in het vervolgtraject op individueel projectniveau (projectMER), of; 3. niet thuishoort in het planMER, maar wel terugkomt in het Programma Wind Amsterdam, of; 4. niet nader wordt onderzocht en waarom niet, of anders; 5. te maken heeft met het participatieproces en aldaar wordt opgepakt.

Tabel 21 Input vanuit moties en amendementen Input uit moties In aanvulling op 'Signalen uit de Stad' een kader op stellen waarin verschillende gewichten worden M1 gegeven aan ten minste de volgende onderwerpen: 1) Hinderbeleving en gezondheid, 2) Externe veiligheid, 3) Ecologie, natuur en landschap en 4) Energieopbrengst. De zoekgebieden voor windturbines leiden tot zorgen bij bewoners, natuurorganisaties en artsen. De zorgen gaan over mogelijk hinderbeleving en invloed op gezondheid, natuur en biodiversiteit, M2 veiligheid, ruimtelijke inrichting en landschapskwaliteit. Een zorgvuldige afweging is noodzakelijk, waarbij niet alle elementen even zwaar wegen. Groot extra gewicht in afwegingen voor gezondheid en natuur.

M3

M4 M5 M6

M7

M8

Bij plaatsing van windturbines in Amsterdam moet gezorgd worden voor mitigerende maatregelen om vogelaanvaringen zo veel mogelijk te voorkomen.

In planMER moet voorzien in beschrijving op welke specifieke manier de planMER wordt vormgegeven. De opgestelde planMER (inclusief matrix met effecten) zo mogelijk binnen zes maanden maar uiterlijk voor het einde van dit kalenderjaar voor te leggen aan de gemeenteraad. 'Afwegingskader' vervangen door 'document' Onderzoek welk instrumentarium kan ingezet worden om te bevorederen dat duurzame energie in Amsterdam zoveel mogelijk wordt opgewekt door coöperaties van burgers, en ten goede komt aan Amsterdammers en Amsterdamse bedrijven. Aanbevelingen uit onderzoek van Universiteit Leiden overnemen (onderzoek gaf aan dat gemeenten en participanten vanuit eigen logica redeneerden en tegenover elkaar kwamen te staan); de Raad informeren hoe deze lessen in praktijk gebracht moeten worden bij vervolg RES en toekomstige participatietrajecten duurzaamheid. Vroegtijdig betrekken van groep mensen met diversiteit aan belangen en standpunten; gemeente moet voorbereid zijn op snelle polarisatie; lessen vanuit RES proces zijn waardevol voor andere participatietrajecten Benodigd zijn duidelijke en concrete geluidsnormen; bij normstelling het advies van expertgroep voor wenselijke geluidsnorm te betrekken; normen benodigd vóórdat nieuwe afspraken met toekomstige initiatiefnemers gemaakt worden

Reactie

Toelichting

3

Het PWA wordt een afwegingskader waarin, mede onderbouwd met het planMER, keuzes worden gemaakt omtrent locaties en randvoorwaarden voor windenergie.

1

Het planMER onderzoekt de zoekgebieden op een breed scala van milieueffecten, met bijzondere aandacht voor Gezondheid en Natuur in de vorm van Optimalisatiealternatieven.

1 en 2

Voor mitigerende maatregelen is maatwerk nodig. In het planMER worden generieke mitigerende maatregelen als aanbevelingen meegegeven die nader dienen te worden uitgewerkt op een specifieker detailniveau (projectMER). Voor het specificeren van mitigerende maatregelen is veldonderzoek van belang , dat beter past bij het detailniveau van individuele windprojecten. Het is niet doelmatig om voor alle zoekgebieden ecologisch veldwerk uit te voeren als nog niet zeker is of dergelijke gebieden in het PWA mogelijk worden gemaakt.

1

Deze NRD bevat de voorgestelde onderzoeksopzet.

4

Motie is uitgevoerd en heeft betrekking op reflectiefase.

3

De wijze waarop windparken mede lokaal en/of coöperatief worden ontwikkeld valt buiten de reikwijdte van het planMER, maar verdient een plaats in het PWA.

3 en 5

De lessen van Universiteit Leiden zijn opgenomen in het participatieplan voor het PWA

1 en 3

Het planMER biedt inzicht in de haalbaarheid en het effect van de norm die door de expertgroep is voorgesteld. Het is in deze fase nog niet duidelijk of het opnemen van een gemeentelijke norm (in plaats van een norm per windpark) de beste route is. In geval van een gemeentebrede norm is het PWA een logische plaats om deze vast te leggen. Daarnaast houdt de gemeente de ontwikkelingen rondom de landelijke milieu5 bij. normen nauwgezet

9 59

6 0 60

4.5

Het verdere proces De uitkomsten van de Plan-MER vormen input voor het besluit over de windzoekgebieden in het Programma. Het doel van het Programma Windenergie Amsterdam is om een keuze te maken in welke zoekgebieden het beste windmolens kunnen worden geplaatst en onder welke voorwaarden kan worden gestart. Ook staan er richtlijnen in voor maatschappelijke participatie, samenwerking met andere partijen en hoe bewoners kunnen meeprofiteren van een windmolen in hun buurt, zodat de initiatiefnemers en bewoners in de fase van uitvoering weten waar ze aan toe zijn. Het uiteindelijke besluit over de beste locatie(s) ligt bij de politiek. Er zijn verschillende onderdelen van het Programma waarover de gemeente graag met bewoners gesprek gaat of hun mening hoort. Deze onderwerpen en hoe mensen kunnen meedenken worden in het participatieplan toegelicht. De bedoeling is dat het participatieplan ongeveer gelijktijdig met de tervisielegging van de NRD wordt gepubliceerd op de website. Startpunt voor de participatie zijn de wettelijk verplichte participatietrajecten die horen bij een plan-MER (inclusief deze NRD) en een Programma binnen de omgevingswet. Deze participatie zal de gemeente duidelijk en breed communiceren en toegankelijk maken. Daarnaast wordt op de NRD (vrijwillig) en het MER (verplicht) advies gevraagd aan de commissie m.e.r.

SARA Een vast onderdeel van het participatieproces vormt in ieder geval de SARA. In maart 2022 is de Stedelijke Klankbordgroep uit de reflectiefase opgevolgd door de Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam (SARA). Zij hebben tevens de samenstelling uitgebreid; er nemen lokale vertegenwoordigers deel met verschillende perspectieven op windenergie, en leden van de klankbordgroepen Gezondheid en Natuur. De gemeente heeft met de SARA werkafspraken gemaakt waarin is vastgelegd dat de SARA zal adviseren op concept producten van de gemeente. SARA zorgt voor raadpleging van haar achterban. De gemeente heeft SARA gevraagd om mee te denken over en te adviseren op de onderzoeksopzet voor de planMER (Notitie Reikwijdte en Detailniveau; NRD) en de concept opzet van het PWA. - Inspraak: de Notitie Reikwijdte en Detailniveau wordt na gereedkomen op de website van de Gemeente Amsterdam gepubliceerd. Geïnteresseerden – in principe iedere bewoner van Amsterdam en buurgemeenten en andere belanghebbenden kunnen de NRD inzien en hun schriftelijke reactie (zienswijze) geven gedurende een periode van 6 weken. Rond deze tijd wordt ook de opzet van het PWA online gepubliceerd. Hierop is in deze fase nog geen inspraak mogelijk. Het m.e.r.-traject is een van de pijlers van het Programma Windenergie Amsterdam (PWA). Het participatieplan is daarom breder dan enkel de NRD.

Het participatieplan gaat over de inrichting van het programma (PWA), het beleid waaraan initiatiefnemers van windparken bij realisatie dienen te voldoen, de uitkomsten van de planMER en de alternatieven (combinaties van zoekgebieden) die hieruit voortko-

Participatieproces

61

men. Het participatieplan loopt vanaf Q2 2023 tot en met Q1 van 2024. De meedenk-vormen voor deze consultatie-onderdelen worden in begin 2023 nader uitgewerkt en gepresenteerd in het participatieplan. Ook in deze fase brengt SARA advies uit op het concept van de PlanMER. Tenslotte geeft SARA advies op de conceptbesluiten voor het PWA, waarin onder andere het voorkeursalternatief (zoekgebied(en), of combinatie daarvan, gebaseerd op de onderzoeksresultaten van de planMER en toepassing van een afwegingskader) wordt opgenomen. Figuur 13

Participatieproces

Tijdlijn van (participatie omtrent) het proces van windenergie in de gemeente Amsterdam.

62

Bijlage A Beleidskader A.1

Inleiding In deze bijlage is, op hoofdlijnen, het relevante beleidskader van het Rijk, de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam geschetst. Het ruimtelijke beleidskader is relevant, omdat het een kader geeft waarbinnen onderzoek wordt gedaan naar de milieueffecten van nieuwe ruimte vragende functies. Anderzijds is het nadrukkelijk de bedoeling dat wordt gezocht naar oplossingen voor meervoudige opgaven waarbij bestaand ruimtelijk beleid niet op voorhand als een belemmering moet worden beschouwd.

A.2

Europees en rijksbeleid De Raad en het Europees parlement hebben richtlijn 2018/2001 vastgesteld op grond waarvan Nederland wordt verplicht om in 2030 32% van het totale bruto eindverbruik aan energie op te wekken met behulp van hernieuwbare bronnen. Deze richtlijn vormt de basis voor het rijksbeleid ten aanzien van de opwekking van duurzame energie. In het verlengde van het Klimaatakkoord van Parijs hebben de lidstaten zich gecommitteerd aan een reductie van de uitstoot van broeikasgassen tot 40% ten opzichte van 1990, te bereiken in 2030. Nederland heeft als lidstaat deze lat hoger gelegd en zich gecommitteerd aan een reductiedoelstelling van 49% met in het verlengde daarvan te werken naar een CO2 neutrale economie in 2050. De opgave voor de RES’en, voortkomend uit de afspraken aan de Klimaattafel Elektriciteit is om in 2030 ten minste 35 TWh aan hernieuwbare energie op land te realiseren. De invulling hiervan is techniekneutaal hetgeen betekent dat geen specifieke techniek is voorgeschreven om het doel aan hernieuwbare energie op land te realiseren. Het omgevingsbeleid van het Rijk is in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormgegeven. Het Barro richt zich op een groot schaalniveau en heeft als gevolg daarvan een zeker (hoog) abstractieniveau.

Hieruit komen geen concrete beleidskaders voort voor de ontwikkeling van een windpark. Beleid is op provinciaal niveau nader uitgewerkt en getoetst aan de gestelde richtlijnen uit het NOVI en Barro. In het NOVI schetst het Rijk een lange termijn visie op de toekomstige ontwikkeling van een duurzame leefomgeving in Nederland. Daarbij wordt een integrale benadering voorgesteld, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties en met meer regie van uit het Rijk. Nationale belangen en opgaven in de fysieke omgeving worden in de NOVI vertaald naar prioriteiten, waarbij de eerste prioriteit van de NOVI luidt: ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’. In het NOVI wordt een voorkeur uitgesproken voor grootschalige clustering van duurzame energieproductie, waarbij een afweging tegenover andere relevante waarden zoals landschap, nationale veiligheid, natuur, cultureel erfgoed, water, bodem en draagvlak dient te worden gemaakt. Een natuur inclusief ontwerp en beheer van het windpark is hierbij van belang om verstoring of aantasting van natuur en biodiversiteit zoveel mogelijk te voorkomen. Ook moeten bewoners van een gebied worden betrokken, participeren in het project en waar mogelijk meeprofiteren.

Participatieproces

63

De wettelijke kaders ten aanzien van de onderzochte sectorale onderwerpen vallen ook onder het rijksbeleid en worden per onderwerp toegelicht in Hoofdstuk 4. De Europese Commissie heeft in oktober 2022 een tijdelijke noodverordening gepubliceerd met als doel om de inzet van hernieuwbare bronnen te versnellen. Verder is niet op alle punten duidelijk hoe de noodverordening zich verhoudt tot de uitleg van de MER-richtlijn. Het kabinet zal hierover verduidelijking vragen aan de Commissie.

A.3

Regionaal beleid De gemeenteraad van de gemeente Amsterdam heeft de RES 1.0 Noord-Holland Zuid in 2021 vastgesteld. Noord-Holland Zuid is een van de dertig energieregio’s in Nederland en onderverdeeld in zes deelregio’s: Amstelland, Amsterdam, Gooi en Vechtstreek, Haarlemmermeer, IJmond & Zuid-Kennemerland en Zaanstreek/Waterland. In de RES 1.0 NHZ zijn ambities vastgelegd over hoe zij willen voldoen aan de doelstellingen uit het Klimaatakkoord. In de RES 1.0 NHZ is de gezamenlijke ambitie van betrokken gemeenten, waterschappen, provincie en netbeheerders om 2,7 TWh aan hernieuwbare energie op te wekken in 2030 vastgelegd, waarvan 0,7 TWh reeds wordt opgewekt. De gemeente Amsterdam heeft hierin een bod opgenomen van 0,7 TWh hernieuwbare elektriciteit met ten minste 127 MW opgesteld vermogen windenergie in de windzoekgebieden. Hiervoor zijn 32 zoekgebieden voor de opwek van zonne-en windenergie in de regio aangemerkt, waarbinnen nog geen concrete locaties voor windturbines of zonnevelden zijn vastgelegd. De in de RES vastgestelde zoekgebieden worden in de Omgevingsvisie vertaald.

A.4

Provinciaal beleid Het beleid van de provincie Noord-Holland voor de opwekking van duurzame energie is vastgelegd in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en de daarbij behorende Omgevingsverordening NH2020 (OV NH2020). De Omgevingsverordening NH2022 is op 23-05-2022 vastgesteld door Provinciale Staten en treedt tegelijkertijd met de Omgevingswet in werking. Omgevingsvisie NH2050 – Balans tussen economische groei en leefbaarheid In de Omgevingsvisie NH2050 zet Provinciale Staten van de provincie Noord-Holland koers richting een toekomst waarin economische groei en leefbaarheid is gebalanceerd met aandacht voor een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, dier en plant. De provincie heeft de ambitie om in 2050 volledig klimaatneutraal en circulair te zijn. Om dit te behalen is een optimale mix nodig van energiebesparing en verschillende vormen van duurzame energie. De regionale optimale energiemix wordt als volgt gedefinieerd: “de regionale optimale energiemix voor opwekking van hernieuwbare energie in de ondergrond, op de bovengrond en in de bebouwde omgeving past bij de regionale landschappelijke en gebiedskwaliteiten en economische kansen”. De provincie biedt zowel op land als op zee ruimtelijke mogelijkheden voor windenergie en de benodigde infrastructuur.

Hierbij wordt ook rekening gehouden met ambities voor verstedelijking en mogen de ontwikkelingen geen inbreuk doen op landschappelijke en cultuurhistorische waarden en karakteristieken. Er wordt zorgvuldig afgewogen welke ruimtelijk-economische ontwikkelingen, zoals windturbines, op welke locaties en wijze kunnen worden ontwikkeld. Over het algemeen geldt dat in gebieden met grotere structuren en geringe aanwezigheid

Participatieproces

64

van bijvoorbeeld cultuurhistorie meer en grotere ontwikkelingen mogelijk zijn dan in gebieden waar de waarden van cultuurhistorie, openheid of ecologie hoog zijn. In alle gevallen is de ruimtelijke kwaliteit het uitgangspunt. De Omgevingsvisie geeft de volgende randvoorwaarden: - Restricties behorend bij werelderfgoederen (UNESCO), in dit geval de Waddenzee, de Beemster, de Stelling van Amsterdam en de Amsterdamse grachtengordel, als ook voor de bij UNESCO genomineerde Nieuwe Hollandse Waterlinie waarbij naar een gezamenlijke uitwerking wordt toegewerkt met de provincies Noord-Brabant, Gelderland en Utrecht - De Europese Landschapsconventie voor de bescherming van het landschap. De provincies dragen hiervoor een belangrijke verantwoordelijkheid - Rijksmonumenten, provinciale monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten. Omgevingsverordening NH2020 De Omgevingsverordening NH2020 (OV NH2020), gewijzigd in juni 2022 door middel van de ‘Eerste partiële herziening Omgevingsverordening Noord-Holland 2020’, bevat de regels over de fysieke leefomgeving. De Omgevingsverordening bevat de basis van de vertaling van de Omgevingsvisie NH2050 en het coalitieakkoord Duurzaam Doorpakken (2019-2023). Voor de Omgevingsverordening 2020 en de Omgevingsvisie 2050 had de provincie een planMER opgesteld en voor de wijziging een addendum planMER.

Artikel 4.100 Bouwverbod Windturbines lid 1 voorziet in een bouw- en opschalingsverbod voor windturbines met een rotordiameter van meer dan 5 meter of een ashoogte van meer dan 7 meter, wanneer een ruimtelijk plan niet voldoet aan artikel 6.27 a, tenzij sprake is van vervanging van een of meer met vergunning gebouwde windturbines: a. door eenzelfde aantal of minder windturbines met eenzelfde, vergelijkbare of geringere ashoogte, rotordiameter en verschijningsvorm; en b. op gronden waarop op het tijdstip van het van kracht worden van deze bepaling de bouw van een of meer windturbines volgens een ruimtelijk plan is toegestaan. 2. [vervallen] 3. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid. Op basis van artikel 6.27a ‘Windturbines in RES zoekgebieden’ eerste lid mogen binnen de provincie Noord-Holland windturbines met een rotordiameter van meer dan 5 meter of een ashoogte van meer dan 7 meter uitsluitend worden gerealiseerd, vervangen of opgeschaald binnen werkingsgebied zoekgebieden wind en wind + zon van de RES 1.0. Hierbij dienen volgens lid 1 de windturbines zorgvuldig ruimtelijk te worden ingepast en dient advies te worden gevraagd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling inzake de locatieafweging en de ruimtelijke inpassing van de windturbines.

Gedeputeerde Staten kan op basis van lid 2 van artikel 6.27a hiervoor nadere regels stellen. Ook kan GS windenergiegebieden aanwijzen, waarbinnen de genoemde criteria voor windturbines kan worden afgeweken. Op basis van artikel 6.27b Kleine windturbines in landelijk gebied kan voor zover een ruimtelijk plan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied, in afwijking van artikel 6.27a, ook buiten het werkingsgebied zoekgebieden wind en wind + zon RES 1.0 voorzien in de bouw van één windturbine per perceel, als: Participatieproces

65

a. de windturbine wordt gebouwd op een agrarisch bouwperceel of op een bouwperceel van ten minste 1 hectare waar een stedelijke activiteit is toegestaan; b. de ashoogte niet meer bedraagt dan 15 meter vanaf het maaiveld; c. de windturbine in landschappelijk opzicht aansluit op de bijbehorende bebouwing; en d. de windturbine zorgvuldig ruimtelijk wordt ingepast. Gedeputeerde Staten kan op basis van lid 2 van artikel 6.27b hiervoor nadere regels stellen. Op 17-07-2022 is het Besluit tot wijziging van de Omgevingsregeling NH2020 gepubliceerd waardoor een aantal wijzigingen toegekend zijn op de Omgevingsverordening NH2020. Op basis van Artikel 2.19 ‘Ruimtelijke kwaliteit Windturbines’ dient bij de ruimtelijke inpassing zoals bedoeld in artikel 6.27a lid 1 en 6.27b, lid 1, sub d van de Omgevingsverordening door het bevoegd gezag in ieder geval te worden betrokken: a. De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie; en b. Ruimtelijke handreiking wind op land zoals door Gedeputeerde Staten vastgesteld op 31 augustus 2021 en gewijzigd vastgesteld op 11 januari 2022. Daarnaast komen Artikel 2.17 ‘Windturbines binnen herstructureringsgebieden MRA’, Artikel 2.18 ‘Windenergiegebieden binnen de MRA’ te vervallen. Van de Omgevingsverordening NH2020 en de Omgevingsregeling NH2020 zijn geconsolideerde versies beschikbaar op de website van de provincie.

Omgevingsverordening NH2022 De Omgevingsverordening Noord-Holland 2022 is door Provinciale Staten vastgesteld. Deze Omgevingsverordening treedt tegelijk met de Omgevingswet in werking en vervangt de Omgevingsverordening NH2020. In de Omgevingsverordening NH2022 is opgenomen dat afspraken uit de RES 1.0 NHZ leidend zijn voor het provinciale regels ten aanzien van wind op land (Artikel 6.36 Windturbines in RES zoekgebieden). Concreet betekent dit dat de provincie voorziet in de bouw, vervanging of opschaling van een of meer grootschalige windturbines binnen de RES zoekgebieden voor windenergie. Gedeputeerde Staten kunnen daarbij regels stellen over de zorgvuldige ruimtelijke inpassing. Buiten de RES-zoekgebieden zijn alleen kleine windturbines (tot 15 meter) op agrarische bouwpercelen toegestaan en mogen bestaande windparken worden vervangen/vernieuwd. Aan windturbines binnen de RES zoekgebieden wordt enkel nog de eis gesteld dat de windturbines: a). zorgvuldig ruimtelijk worden ingepast; b). aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies wordt gevraagd inzake de locatieafweging en de ruimtelijke inpassing van de windturbines. Bij de ruimtelijke inpassing als bedoeld in Artikel 6.36 en Artikel 6.37 van de verordening wordt door het bevoegd gezag in ieder geval betrokken: a). de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie; b).

de Ruimtelijke handreiking wind op land zoals door Gedeputeerde Staten vastgesteld op 31 augustus 2021 en gewijzigd vastgesteld op 11 januari 2022. Beschermingsregimes, zoals regels voor o.a. het Bijzonder Provinciaal Landschap, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en het Natuurnetwerk Nederland

Participatieproces

66

of natuurverbinding en stiltegebieden blijven van kracht. Voor het Unesco werelderfgoed is een afwegingskader energietransitie Hollandse Waterlinie in samenwerking met de vier provincies gemaakt waarin gekeken is waar en onder welke voorwaarden ruimte geboden kan worden aan wind en zon. Voor het beschermingsregime Weidevogelleefgebied geldt dat weidevogelleefgebieden die binnen NNN liggen, onder het beschermingsregime NNN vallen. Weidevogelleefgebieden buiten NNN vallen onder het beschermingsregime van BPL. Voor NNN geldt dat de meerwaardebepaling de saldobenadering vervangt. Dit betekent dat een ontwikkeling (windturbine) duidelijk aantoonbare meerwaarde voor NNN moet hebben voor wat betreft kwaliteit en samenhang. Daarnaast geldt dat een ontwikkeling in NNN alleen mogelijk is als deze de wezenlijke kenmerken en waarden niet aantast of van groot belang is en er geen reële alternatieven zijn. Opname van een locatie in een RES betekent niet per definitie dat de ontwikkeling van windturbines of een zonnepark op deze locatie van groot belang is en dat daarvoor geen reële alternatieven bestaan. Verschil ten opzichte van de Omgevingsverordening NH2020 De Omgevingsverordening NH2022 is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 2.6 van de Omgevingswet bepaalt, dat Provinciale Staten één omgevingsverordening vaststellen waarin de provinciale regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Voor de omgevingsverordening geldt bij de invoering van de Omgevingswet geen overgangsrecht, zodat de omgevingsverordening gelijktijdig met de Omgevingswet in werking moet treden. Daarnaast zijn een aantal specifieke onderwerpen toegevoegd, te weten op het terrein van natuur en milieu en de Regionale Energie strategieën 1.0 (RES’en 1.0). De RES’en 1.0 zijn leidend voor wind op land. Ook is uitvoering gegeven aan moties en toezeggingen die voortkwamen uit de behandeling van de Omgevingsverordening NH2020 in Provinciale Staten. Er heeft geen heroverweging van de Omgevingsverordening NH2020 plaats gevonden tenzij hier een directe aanleiding of noodzaak toe was. Er is dus sprake van een beleidsarme omzetting naar de systematiek en terminologie van de Omgevingswet.

A.5

Gemeentelijk beleid In de structuurvisie Amsterdam 2040, Economisch, Sterk en Duurzaam (structuurvisie) is de ambitie vastgelegd om de uitstoot van CO2 te verminderen door energie op te wekken met wind. Volgens de structuurvisie was circa 400MW aan windenergie nodig in 2040. Ten behoeve van de besluitvorming over de structuurvisie is destijds een planMER opgesteld. In de structuurvisie is de Haven Amsterdam als belangrijke locatie genoemd maar voor het realiseren van de doelstelling was deze locatie niet voldoende. In de structuurvisie is daarom de opdracht opgenomen om een onderliggende ruimtelijke visie op het plaatsen van windmolens op te stellen die de kansen, beperkingen en spelregels van de windmolens inzichtelijk maakt. Deze opdracht is uitgevoerd met de Windvisie 2012 ‘Ruimte voor windmolens in Amsterdam’ (Windvisie). In de Routekaart Amsterdams Klimaatneutraal is de aanpak van beperken van broeikasgasuitstoot door energieopwekking beschreven. De strategie om duurzame energie op te wekken is uitgewerkt in de RES 1.0 NHZ, waarbij het doel van de gemeente Amsterdam is om in 2030 0,7 TWh hernieuwbare elektriciteitsopwek te realiseren. Hiervoor zet de gemeente in op 400 MW opgesteld vermogen zonne-

Participatieproces

67

energie op grote daken en via dubbelgebruik van stedelijke ruimtes. Op kleine daken zet de gemeente in op 150 MW opgesteld vermogen zonne-energie. Voor windenergie beoogt de gemeente om in 2030 een extra opwek van 52 MW opgesteld vermogen te hebben gerealiseerd. In totaliteit is de ambitie van de gemeente Amsterdam om 127 MW energie op te wekken. De benodigde vergunningen hiervoor moeten voor 2025 zijn afgegeven. In het kader van de Routekaart AKN (Amsterdam) heeft het Havenbedrijf afspraken gemaakt om fossiele brandstoffen voor 2050 uit te faseren door hernieuwbare energiedragers te infaseren. Het Havenbedrijf streeft daarnaast ambitieuze doelen na voor de opwek en opslag van duurzame energie, brengt het energiegebruik van klanten in kaart en gaat actief op zoek naar duurzame mogelijke initiatieven. De ambitie is om in 2030 10 MW extra windenergie te hebben gerealiseerd, waarvoor binnen het Havengebied ruimte moet worden gemaakt. In de Gemeentelijk Visie Haven 2020-2040 is aangegeven dat de zeehaven in potentie een belangrijke bijdrage kan leveren aan de omslag naar duurzame energie. Dit vanwege de ligging aan de Noordzee, die bij uitstek geschikt is voor grootschalige opwek van windenergie en CO2-opslag. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan grootschalige offshore opwekking van windenergie.

Omgevingsvisie Amsterdam 2050 De omgevingsvisie Amsterdam 2050 is vastgesteld in 2021 door de gemeenteraad en vormt een kader voor beleid, programma’s en projecten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving binnen het grondgebied van Amsterdam. Voor de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is een Omgevingseffectrapportage (OER) opgesteld, waarin naast milieueffecten ook in brede zin is gekeken naar de fysieke leefomgeving. De gemeenteraad heeft bij het vaststellen van de Omgevingsvisie (8 juli 2021) de ambities vastgelegd in 2030 minstens 127 megawatt vermogen aan windenergie te realiseren met windturbines of windparken. De windzoekgebieden vanuit de concept-RES 1.0 NHZ zijn in de Omgevingsvisie opgenomen en in samenhang gebracht met andere waarden en ruimtelijke ontwikkelingen. In de Omgevingsvisie is opgenomen dat de gemeente onder voorwaarden medewerking verlenen aan initiatiefnemers van windprojecten. Om tot de voorkeursgebieden te komen is een afweging gemaakt op basis van vier criteria, die voortkomen uit het nationaal afwegingskader voor de RES: 1. hoeveelheid duurzame energie die opgewekt kan worden; 2. maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak; 3. natuur- en milieubelangen i.c.m. mogelijkheden voor ruimtelijke inpassing; 4. efficiëntie van energiesysteem.

De gemeente Amsterdam steunt alleen initiatieven waarbij windturbines worden ontwikkeld met minstens 50% lokaal eigendom (coöperatieve ontwikkeling van windturbines). Op deze manier kunnen alle Amsterdammers mee profiteren van de opgewekte elektriciteit. Initiatiefnemers voor een windpark dienen een participatieplan op te stellen gericht op de concrete kenmerken van een initiatief, zoals het aantal windturbines. De specifieke locatie van de te plaatsen windturbines moet in overleg met de omgeving en belanghebbenden worden bepaald.

Participatieproces

68

Ter uitwerking van de Omgevingsvisie 2050 is een uitvoeringsagenda vastgesteld. Hierin is opgenomen dat er samenhang met andere beleidsthema’s een omgevingsprogramma Duurzame energie wordt opgesteld. Dit is een op uitvoeringsgericht ruimtelijk kader gericht op een goede ruimtelijke inpassing van windturbines. Werkgroep voor inhoud van omgevingsprogramma Er zal naast de planMER werkgroep een werkgroep worden ingesteld voor het bepalen van de inhoud en het te voeren proces tot vaststelling van het omgevingsprogramma. Voor de opzet van omgevingsprogramma zal ter voldoening aan alle wettelijke regels voor het opstellen van een omgevingsprogramma gebruik worden gemaakt van de “wegwijzer van de VNG” en voorbeelden van het Informatiepunt Leefomgeving (Iplo.nl)” Voorts zal de inhoud worden bepaald door gebruik te maken van specialistische expertise voor de opgave. Hierbij zal worden geïnventariseerd met wie afspraken moet worden gemaakt.

Wat we nog niet weten / nog uitgezocht moet worden leggen we vast in het Omgevingsprogramma Het programma belicht alle inhoudelijke en procesmatige aspecten die nodig zijn om de ambities uit de Omgevingsvisie / RES voor windturbines te realiseren, zoals de aanleiding / probleemschets en opgave, een afbakening van het programma als uitwerking van de uitgangspunten van de Omgevingsvisie, het proces en het vervolg, het type programma (onverplicht programma, de relatie met andere Omgevingsprogramma’s binnen thema duurzame energie, de relatie met Projectbesluit provincie, het Omgevingsplan (regels, instructieregels provinciale verordening), de looptijd, de uitkomsten van de onderzoeken in het kader van de m.e.r., de maatregelen gericht op het beschermen, beheer en ontwikkelen van fysieke leefomgeving, bijdrage leveren aan uitvoering van ambities, de relatie met andere aspecten: bestuurlijke afstemming buurgemeenten, waterschappen e.d. en het participatieproces. Het programma zal ook ingaan op de uitvoering en publicatie van programma (Uitvoering: en implementatie, monitoring en evaluatie, Beheer en financiering programma, - Digitalisering: Publiceren in het DSO en waar vindbaar? Als onderdeel van de doorwerking van de beleidscyclus zal aandacht worden besteed aan de evaluatie/ herijkingscyclus/ monitoring.

Ecologische structuur Amsterdam De gemeente Amsterdam heeft een Ecologische structuur opgenomen, ter versterking en aanvulling op provinciaal beleid. De bijbehorende Ecologische visie is vastgesteld als onderdeel van de Structuurvisie Amsterdam 2040. Binnen de Ecologische structuur mogen geen ruimtelijke plannen worden gerealiseerd die leiden tot een verzwakking. Wanneer ruimtelijke plannen aan B & W ter toetsing worden voorgelegd dan is de Ecologische visie een toetsingsinstrument als richting bepalend beleidsdocument. Het uitgangspunt van de visie is dat ‘de ecologische hoofdstructuur wordt gerespecteerd, knelpunten worden aangepakt en voor wijzigingen, is vergelijkbaar met de hoofdgroenstructuur, een besluit van de gemeenteraad nodig’. Na vaststelling van de Omgevingswet zal de Ecologische structuur onderdeel worden van de Hoofdgroenstructuur binnen de gemeente Amsterdam. Ruimtelijke plannen mogen niet leiden tot verzwakking van de Ecologische structuur. Amsterdamse gedragscode Flora Fauna

Participatieproces

69

De Amsterdamse gedragscode flora fauna is een aanvulling op de sectorale gedragscode soortbescherming voor gemeenten en de (inter)nationale bescherming van soorten middels de Wet natuurbescherming. In de gedragscode staan aanvullende voorwaarden geformuleerd voor het specifieke lokale karakter van de gemeente Amsterdam. In de gedragscode zijn 29 Amsterdamse beleidssoorten (ABS) benoemd, waarvan 26 soorten flora en 3 soorten fauna. Voor deze soorten zijn voorwaarden en waar mogelijk/noodzakelijk maatregelen uitgewerkt in aanwijzingen voor zorgvuldig handelen. Het uitgangspunt hierbij is dat wordt ingezet op zoveel mogelijk handhaven van bestaande natuurwaarden.

Participatieproces

70

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14938074/1