CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1. BEKENDMAKING - Wijzigingsbesluit PP

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 16 mei 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de verlenging en verkleining van de oormerking middelen in het Klimaatfonds voor een herziening van de subsidieregeling Ruimte voor Duurzaam Initiatief Amsterdam (VN2024-002299)15.776 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

5 alinea's met “wijzigingsbesluit”: 3 59 251 254 259

Opmerkingen voor publicatie: Te publiceren in: Uiterlijk bekendmaken op: Niet eerder bekendmaken dan op: Consolideren op overheid.nl Gevolgen voor de werking van een andere regeling: Externe informatieve bijlage voor de leesbaarheid: Andere bijzonderheden:

Gemeenteblad zo snel mogelijk n.v.t. Ja Wijzigt de subsidieregeling Ruimte voor Duurzaam Initiatief Amsterdam n.v.t. n.v.t.

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam tot wijziging van de subsidieregeling Ruimte voor Duurzaam Initiatief Amsterdam in verband met een herziening van sommige voorwaarden, verlenging van de looptijd en aanpassing aan de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2023 (Wijzigingsbesluit herziening Ruimte voor Duurzaam Initiatief Amsterdam projecten en programma’s 2024) Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, gelet op artikel 3, eerste lid van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2023, besluit: Artikel I Verwerking ASA2023 de Subsidieregeling Ruimte voor Duurzaam Initiatief Amsterdam als volgt te wijzigen: a. in het intitulé wordt de zinsnede ‘gelet op artikel 4:23, derde lid onder d van Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 3 van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013, gezien de het vervallen van de oude regeling en gezien de duurzaamheidsdoelstellingen van het college in het coalitieakkoord ‘Een nieuwe lente, een nieuw geluid’ vervangen door 8 ‘gelet op 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, gelet op artikel 3, tweede lid van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013 en artikel 3, eerste lid van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2023, gezien de duurzaamheidsdoelstellingen van het college in de coalitieakkoorden ‘Een nieuwe lente, een nieuwe geluid’ en ‘Amsterdam Akkoord’ ; b.

in artikel 1.1, onderdeel b wordt het jaartaal ‘2013’ twee maal vervangen door ‘2023’; c. in artikel 1.2 wordt het jaartal ‘2013’ twee maal vervangen door ‘2023’; d. in artikel 2.7, eerste lid wordt de aanhef gewijzigd naar ‘Het college weigert een subsidie te verlenen voor een duurzaam project of een duurzaam programma als:’; e. artikel 2.7, eerste lid, onderdeel d wordt vervangen door de volgende twee onderdelen: d. de subsidieaanvrager, geen woningcorporatie zijnde, niet voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden van de de-minimisverordening; en e. een weigeringsgrond uit artikel 8, eerste lid van de ASA2023 of artikel 4:25, tweede lid Awb van toepassing is. ;

f. in artikel 2.7, tweede lid wordt de aanhef gewijzigd naar ‘Het college kan weigeren of gedeeltelijk verlenen als:’; g. in artikel 2.7 wordt het leesteken ‘.’ aan het einde van onderdeel j vervangen door ‘;’; h. in artikel 2.7, tweede lid wordt aan het einde een onderdeel toegevoegd dat luidt: k. een weigeringsgrond uit artikel 8, tweede lid van de ASA2023 of 4:35 Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. ; i. in artikel 2.8 worden de onderdelen 1 tot en met 5 vernummerd naar respectievelijk onderdelen a tot en met e; j. in artikel 2.8 wordt de aanhef gewijzigd naar ‘Aan de subsidie zijn de volgende verplichtingen verbonden:’ k. in artikel 2.8 worden de leestekens ‘.’ aan het einde van elk onderdeel vervangen door ‘;’; l. in artikel 2.8 wordt aan het einde een onderdeel toegevoegd dat luidt: f. de verplichtingen uit artikelen 9 en 10 van de ASA2023. ; m. in artikel 2.8 komt, onder vernummering van onderdelen e en f naar respectievelijk d en e, het onderdeel d te vervallen; n. in artikel 2.9 worden de onderdelen 1, 2 en 3 vernummerd naar respectievelijk a, b en c; o. in artikel 2.9 wordt de aanhef gewijzigd naar ‘De aanvraag tot subsidievaststelling bevat:’; p. in artikel 2.9 worden de leestekens ‘.’ aan het einde van elk onderdeel vervangen door ‘;’; q. in artikel 2.9 wordt aan het einde een onderdeel toegevoegd dat luidt: d.

de gegevens en documenten die, mede gelet op artikel 1.8, worden vereist op grond van artikel 16 van de ASA2023. ; r. in artikel 3.5, eerste lid wordt de aanhef gewijzigd naar ‘Bij een aanvraag voor een subsidie voor de uitvoering van een verkenning bevat de beschrijving, zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid van de ASA2023 tevens een beschrijving van:’; s. in artikel 3.5, eerste lid komen in elk van de onderdelen de woorden ‘een omschrijving van’ te vervallen; t. in artikel 3.5, tweede lid wordt de aanhef gewijzigd naar ‘Een aanvraag voor een subsidie voor de uitvoering van een haalbaarheidsstudie bevat’; u. in artikel 3.5, tweede lid wordt het leesteken ‘.’ aan het einde van onderdeel c vervangen door ‘;’; v. in artikel 3.5, tweede lid wordt aan het einde twee onderdelen toegevoegd die luiden: d. de gegevens en documenten die worden vereist op grond van de algemene bepalingen in hoofdstuk 1; e. de gegevens en documenten die worden vereist op grond van artikel 16 van de ASA2023. ; w. in artikel 3.5, derde lid wordt de aanhef gewijzigd naar ‘Een aanvraag voor subsidie voor de het uitwerken van een ontwerp bevat:’ x. in artikel 3.5, derde lid wordt het leesteken ‘.’ aan het einde vervangen door ‘;’; y. in artikel 3.5, derde lid worden aan het einde twee onderdelen toegevoegd die luiden: g.

de gegevens en documenten die worden vereist op grond van de algemene bepalingen in hoofdstuk 1; h. de gegevens en documenten die worden vereist op grond van artikel 16 van de ASA2023. ; z. artikel 3.5, vierde lid wordt gewijzigd en komt te luiden: 2

4. Een subsidieaanvraag van een ondernemer of een onderneming bevat een volledig ingevulde verklaring de-minimissteun. Woningcorporaties of een andere organisatie die met de aanvraag uitvoering geven aan een wettelijke taak zijn hiertoe niet verplicht. ; aa.in artikel 3.6, eerste lid wordt de aanhef gewijzigd naar ‘Het college weigert subsidie te verlenen als:’; bb. in artikel 3.6, eerste lid wordt het leesteken ‘.’ aan het einde vervangen door ‘;’; cc. in artikel 3.6, eerste lid wordt aan het einde een onderdeel toegevoegd dat luidt: f. een weigeringsgrond uit artikel 8, eerste lid van de ASA2023 of artikel 4:25, tweede lid Awb van toepassing is. ; dd.in artikel 3.6, tweede lid wordt de aanhef gewijzigd naar ‘Het college kan een subsidie weigeren of gedeeltelijk verlenen als:’; ee. in artikel 3.6 tweede lid wordt het leesteken ‘.’ aan het einde vervangen door ‘;’. ff. in artikel 3.6 tweede lid wordt aan het einde een onderdeel toegevoegd dat luidt: i. een weigeringsgrond uit artikel 8, tweede lid van de ASA2023 of 4:36 Awb van toepassing is. ; gg.Artikel 3.7 wordt gewijzigd en komt te luiden: Artikel 3.7 Aanvullende verplichtingen Aan de subsidie zijn de volgende verplichtingen verbonden: a. de subsidieontvanger moet de activiteiten binnen een termijn van twee jaar na de datum van de verleningsbeschikking uitvoeren; b.

de subsidieontvanger draagt zorg voor de benodigde toestemmingen en vergunningen; c. de subsidieontvanger houdt een logboek bij; d. de subsidieontvanger deelt actief kennis met soortgelijke organisaties in andere buurten; e. een woningcorporatie administreert de netto kosten, bedoeld in artikel 5 van het DAEBvrijstellingsbesluit, die zijn verbonden met de activiteiten bedoeld in artikel 3.1, op een zodanige wijze dat inzicht kan worden verkregen in de hoogte van deze kosten, zulks afgescheiden van de reguliere bedrijfsvoering, in relatie tot de voor deze activiteiten verstrekte subsidie; f. de verplichtingen op grond van artikel 9 en 10 van de ASA2023. ; hh.Artikel 3.8, wordt gewijzigd en komt te luiden: Artikel 3.8 Bij de vaststelling in te dienen gegevens 1. Een aanvraag tot vaststelling van een subsidie voor een verkenning bevat een voorstel voor een haalbaarheidsstudie, zoals bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, onder a. 2. Een aanvraag tot vaststelling van een subsidie voor een haalbaarheidsstudie bevat een rapport van de haalbaarheidsstudie met een voorstel voor een klimaatneutrale of aardgasvrije energievoorziening voor de buurt, inclusief de rapportage over het benodigde draagvlak in de buurt 3. Een aanvraag tot vaststelling van een subsidie voor het uitwerken van een ontwerp bevat de volgende documenten: a.

een definitief en gedetailleerd ontwerp aardgasvrije of klimaatneutrale energievoorziening;

3

b. een omschrijving van het doorlopen proces om te komen tot een bestedingsvoorstel dat ziet op de realisatie en exploitatie van de uitgewerkte variant en indien sprake is van een geslaagd proces als bijlage dat bestedingsvoorstel; c. een omschrijving van het doorlopen proces om te komen tot realisatieovereenkomsten tussen de noodzakelijke betrokken partijen, waaronder in ieder geval de eigenaren van het vastgoed dat noodzakelijk is om de gekozen variant te kunnen exploiteren en, indien sprake is van een geslaagd proces, als bijlage de realisatieovereenkomst(en); d. een overzicht van de noodzakelijke toestemmingen en vergunningen voor de realisatie en exploitatie van de aardgasvrije of klimaatneutrale energievoorziening voor de buurt; e. een verslag van de kennisdeling over de realisatie van een klimaatneutrale of aardgasvrije buurt met soortgelijke organisaties in andere buurten. 4. Een aanvraag tot vaststelling van subsidie bevat bovendien de gegevens en documenten die worden vereist op grond van artikel 16 van de ASA2023. ; ii.

Na artikel 1.4 worden vijf artikelen toegevoegd die luiden: Artikel 1.5 Wisselwerking tussen hoofdstukken Bepalingen in de hoofdstukken van deze regeling, anders dan in hoofdstuk 1, die geen expliciete verwijzing naar een artikelnummer in een ander hoofdstuk of wetgeving in materiele zin bevatten zijn in hun werking beperkt tot het hoofdstuk waar zij deel van uitmaken. Artikel 1.6 Aanvraagmoment Het tijdvak voor het aanvragen van een subsidie eindigt gelijk met de looptijd van het subsidieplafond dat voor de subsidiabele activiteit is bepaald, tenzij in een ander hoofdstuk nadrukkelijk een ander aanvraagtijdvak is bepaald. Artikel 1.7 Volgorde behandeling aanvragen 1. Subsidieaanvragen worden in behandeling genomen in de volgorde van ontvangst daarvan. 2. Als tijdstip van ontvangst geldt het moment waarop de aanvraag compleet is. Artikel 1.8 Geen directe vaststelling 1. Subsidies worden niet direct vastgesteld. 2. In afwijking op de ASA2023 gelden voor aanvragen tot vaststelling voor subsidies kleiner of gelijk aan €20.000 de volgende voorwaarden: a. deze bevat een verslag waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn verricht en waarin duidelijk wordt gemaakt in hoeverre de beoogde doelstellingen en resultaten zijn gerealiseerd; b.

deze dient uiterlijk 12 weken na afloop van de subsidiabele activiteiten bij het college ingediend te zijn, tenzij in de verleningsbeschikking een andere termijn wordt gesteld; en c. het college kan de ontvanger van de subsidie eenmaal op verzoek uitstel verlenen op de bij onderdeel b genoemde termijnen. Artikel 1.9 Voorschot Bij de verlening van subsidie wordt een voorschot van 100% van het verleende subsidiebedrag gegeven, tenzij de aanvrager blijk geeft van een andere voorkeur of het college gelet op de omstandigheden van het geval een andere bevoorschotting nodig acht. ; Artikel II Herzieningswijzigingen 4

De subsidieregeling Ruimte voor duurzaam initiatief Amsterdam wordt als volgt gewijzigd: a. in artikel 1.1 wordt, onder vernummering van onderdelen d en e naar respectievelijke e en f, onderdeel f vernummerd naar d. b. in artikel 1.1 wordt, onder vernummering van de onderdelen f tot en met s, naar respectievelijk h tot en met u, worden twee onderdelen ingevoegd luidende:

c.

f. DAEB-vrijstellingsbesluit: het Besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011, betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor openbare dienst, verleend aan bepaalde, met beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PbEU C9380)), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; g. deelproject: onderdeel van een duurzaam programma; ; artikel 1.1, onderdeel j wordt gewijzigd en komt te luiden:

d.

j. duurzaam programma: een project dat bestaat uit een aantal met elkaar samenhangende deelprojecten dat bijdraagt aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente Amsterdam en die een groot bereik hebben onder Amsterdamse bewoners en/of bedrijven; ; artikel 1.1, onderdeel k wordt gewijzigd en komt te luiden: k. duurzaam project: een, in tijd en middelen begrensde, activiteit die bijdraagt aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente Amsterdam;

; e.

artikel 1.1, onderdeel m word gewijzigd en komt te luiden: m. eigen bijdrage: eigen bijdrage in geld of activiteiten van de aanvrager die noodzakelijk zijn om het beoogde resultaat van de subsidieaanvraag te realiseren;

; f.

in artikel 1.1 wordt, onder vernummering van de onderdelen p tot en met u naar respectievelijk q tot en v, een onderdeel ingevoegd dat luidt: p.

g.

ketensamenwerking: een vorm van samenwerking tussen partijen die noodzakelijk is voor het sluiten van kringlopen;

; artikel 1.1, onderdeel r wordt gewijzigd en komt te luiden: r. onderneming: een entiteit die economische activiteiten uitoefent, zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid van de de-minimisverordening; ;

h. in artikel 1.1, onderdeel u worden de woorden ‘toegerekend kunnen worden aan de uitvoering van één van de projecten’ vervangen door ‘toegerekend kunnen worden aan de uitvoering van de deelprojecten’. ; i. in artikel 1.1 wordt, onder vernummering van onderdeel v naar w, een onderdeel toegevoegd dat luidt: 5

j.

k. l.

v. sociaal fundament: de sociale aspecten die bijdragen aan het welzijn van Amsterdammers: gezondheid, handelingsvaardigheid, verbondenheid en zelfstandigheid; ; in artikel 1.3 wordt de zinsnede ‘zowel initiatieven die leiden tot klimaatneutrale of aardgasvrije buurten, als de totstandkoming van duurzame projecten en programma’s’ vervangen door ‘van initiatieven voor klimaatneutrale of aardgasvrije buurten of voor de voorbereiding van duurzame projecten en programma’s’; in artikel 1.4 worden de woorden ‘In zover’ vervangen door ‘Voor zover’; artikel 2.1 wordt gewijzigd en komt te luiden:

artikel 2.1 subsidiabele activiteiten Het college kan een eenmalige subsidie verlenen voor de volgende op Amsterdam gerichte activiteiten die in samenwerking tot stand komen: a. de voorbereiding van een duurzaam project dat complex is, omdat een combinatie van ten minste twee van de onderstaande activiteiten met betrekking tot het project noodzakelijk is: i. onderzoeken van technische haalbaarheid; ii. onderzoeken van organisatorische haalbaarheid; iii. onderzoeken van financiële haalbaarheid; iv. onderzoeken van juridische haalbaarheid; v. aantonen of realiseren noodzakelijk draagvlak voor de uitvoering; b. het voorbereiden en opzetten van een duurzaam programma dat bestaat uit twee of meer deelprojecten en complex is, omdat een combinatie van ten minste twee van de onderstaande activiteiten met betrekking tot de deelprojecten noodzakelijk is: i. onderzoeken van technische haalbaarheid; ii. onderzoeken van organisatorische haalbaarheid; iii. onderzoeken van financiële haalbaarheid; iv. onderzoeken van juridische haalbaarheid; v. aantonen en realiseren van het noodzakelijk draagvlak voor uitvoering. ; m. artikel 2.2 wordt gewijzigd en komt te luiden:

n.

artikel 2.2 subsidieplafonds 1. Het subsidieplafond voor verlening van subsidie voor duurzame projecten bedraagt gedurende de volgende tijdvakken: a. januari 2024 tot en met 31 december 2024 €250.000; b. januari 2025 tot en met 31 december 2025 €250.000; en c. januari 2026 tot en met 31 december 2026 €250.000. 2. Het subsidieplafond voor verlening van subsidie voor duurzame programma’s bedraagt gedurende de volgende tijdvakken: a. januari 2024 tot en met 31 december 2024 €450.000; b. januari 2025 tot en met 31 december 2025 €450.000; en c. januari 2026 tot en met 31 december 2026 €450.000. ; in artikel 2.3, eerste lid wordt de aanhef gewijzigd naar:

o.

De noodzakelijke kosten die voor subsidie in aanmerking komen zijn: ; in artikel 2.3, eerste lid wordt een onderdeel toegevoegd dat luidt:

6

d. notariële kosten voor het oprichten van een rechtspersoon of wijzigen van de statuten. ; p. in artikel 2.3, tweede lid, aanhef komt de zinsnede ‘op grond van artikel 2.1.’ te vervallen. q. artikel 2.3, tweede lid, onderdeel c wordt gewijzigd en komt te luiden: c.

r.

s. t. u. v. w.

x. y.

programmakosten die meer bedragen dan 15% van de opgetelde kosten van alle deelprojecten; en

; in artikel 2.3, tweede lid wordt een onderdeel toegevoegd dat luidt: d. de ureninzet voor het delen van kennis. ; in artikel 2.4, eerste lid wordt de zinsnede ‘de activiteiten uit artikel 2.1, onder 1’ vervangen door ‘een duurzaam project’; in artikel 2.4, eerste lid wordt het bedrag ‘€15.000,-’ vervangen door ‘€20.000’. in artikel 2.4, tweede lid wordt de zinsnede ‘de activiteiten uit artikel 2.1, onder 2’ vervangen door ‘een duurzaam programma’; in artikel 2.5, tweede lid wordt het bedrag ‘€60.000’ vervangen door ‘€70.000’. in artikel 2.5, eerste lid wordt de zinsnede ‘activiteiten zoals omschreven in artikel 2.1, onder 1 kan door een ieder’ wordt vervangen door ‘een duurzaam project kan door natuurlijke personen en rechtspersonen, die belang hebben bij het op te zetten duurzame project,’; in artikel 2.5, tweede lid wordt de zinsnede ‘activiteiten zoals omschreven in artikel 2.1, onder 2’ vervangen door ‘een duurzaam programma’; artikel 2.6 wordt gewijzigd en komt te luiden:

Artikel 2.6 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens De subsidieaanvraag bevat: a. een ingevuld aanvraagformulier, zoals dat op grond van artikel 6, eerste lid, van de ASA2023 in bijlage A is vastgesteld; b. een schriftelijke verklaring of gespreksverslag of ander bewijs van instemming van essentiële partijen die een belangrijke rol moeten spelen in de uitvoering of in een latere fase toestemming moeten geven; c. voor ondernemingen, niet zijnde woningcorporaties, een volledig ingevulde verklaring de-minimissteun; d. alle op grond van artikel 6 van de ASA2023 vereiste gegevens en documenten, met uitzondering van de in artikel 6, tweede lid, onderdelen a en b van de ASA 2023 genoemde beschrijving en begroting. ; z. in artikel 2.7, eerste lid komen, onder vernummering van onderdelen c, d, e naar respectievelijk a, b en c, onderdelen a en b te vervallen. aa. artikel 2.7, tweede lid, onderdeel a wordt gewijzigd en komt te luiden: a.

de eigen bijdrage van de aanvrager aan de activiteiten naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is voor of onvoldoende bijdraagt aan het behalen van de doelstellingen van het project of het programma;

; bb. in artikel 2.7, tweede lid, onderdeel d worden de woorden ‘een project’ vervangen door ‘activiteiten’; cc. artikel 2.7, tweede lid, onderdeel e wordt gewijzigd en komt te luiden:

7

e.

de activiteiten naar het oordeel van het college onvoldoende ten gunste komen aan huishoudens met lage- en middeninkomens;

; dd. artikel 2.7, tweede lid, onderdeel f wordt gewijzigd en komt te luiden: f.

de activiteiten overwegend gericht zijn op productontwikkeling zonder dat deze gericht zijn op het verbeteren van de ketensamenwerking of het versterken van het sociale fundament;

; ee. artikel 2.7, tweede lid, onderdeel h wordt gewijzigd en komt te luiden: h.

de activiteiten overwegend een belang met een commercieel karakter dienen zonder dat deze gericht zijn op het verbeteren van de ketensamenwerking of het versterken van het sociale fundament;

; ff. in artikel 2.7, tweede lid, onderdeel j komt de zinsnede ‘, dit project of dit programma’ te vervallen; gg. in artikel 2.7 wordt, onder vernummering van onderdeel k maar onderdeel n, na artikel j een drietal onderdelen toegevoegd die luiden: k. het plan voor kennisdeling tijdens en na de activiteiten onvoldoende uitgewerkt is of niet verrijkend genoeg is; l. wanneer op voorhand duidelijk is dat de risico’s die gepaard gaan met de subsidiabele activiteiten een reële belemmering vormen om vervolg te geven aan de activiteiten; m. de aanvrager een aanvraag doet namens of in het belang van een doelgroep, zonder dat de aanvrager kan aantonen dat: i. de doelgroep is betrokken bij de subsidieaanvraag of ii. de aanvraag het belang van de doelgroep dient; ; hh. in artikel 2.8 komen, onder vernummering van onderdeel e naar c, de onderdelen c en d te vervallen. ii. artikel 2.8, onderdeel a wordt gewijzigd en komt te luiden: a. de activiteiten worden binnen een door het college bij verlening bepaalde termijn uitgevoerd met een maximale termijn van twee jaar. Deze termijn kan door het college op verzoek worden verlengd in het college hiervoor een uitstelverzoek ontvangt. Dit uitstelverzoek voorziet in een sluitende verklaring en moet binnen de uitvoeringstermijn zijn ingediend; Artikel III Algemene toelichting De toelichting wordt gewijzigd en komt te luiden:

Algemene Toelichting Inleiding Om onze stad leefbaar te houden, heeft Amsterdam zich als doel gesteld om in 2050 een klimaatneutrale en circulaire stad te zijn. Dit betekent een stad die van kolen, olie en aardgas overgaat op schone energie. En bovendien dat afval niet meer bestaat. Alles maakt deel uit van een kringloop. Om deze doelstellingen te halen is het belangrijk dat iedereen z’n steentje bijdraagt in de verduurzaming van onze stad; de gemeente zelf, het bedrijfsleven, en de inwoners. Gelukkig zijn er al veel Amsterdammers die zich betrokken voelen bij hun stad en met duurzame projecten 8

bijdragen aan het behoud van het leefklimaat. Speciaal voor deze initiatiefnemers hebben we de subsidieregeling Ruimte voor duurzaam initiatief in het leven geroepen. Met deze steun in de rug kan men de haalbaarheid van hun project/programma dichterbij brengen. Coalitieakkoord en de uitwerkingen daarvan De initiatieven die met deze subsidieregeling worden voorbereid of uitgevoerd zijn gericht op Amsterdam en dragen bij aan de realisatie van de duurzaamheidsdoelstellingen in het coalitieakkoord. Het betreft ambities rond duurzame energie en energiebesparing, schone lucht, circulaire economie en klimaatadaptatie. De coalitie zet in op brede welvaart en de toepassing van modellen zoals de Amsterdamse Donut. De verduurzaming van de stad is daarmee ook een sociale en maatschappelijke opgave. Duurzame projecten en programma’s De subsidieregeling faciliteert duurzame initiatieven van ‘onderop’; aanvragers zijn zelf medeuitvoerder van het beoogde project of programma. De subsidie kan aangevraagd worden voor voorbereidingskosten: kosten die gemaakt moeten worden, voordat een project daadwerkelijk gerealiseerd kan worden. Op weg naar klimaatneutrale buurten Op 14 april 2020 heeft het college besloten om de Subsidieregeling ruimte voor duurzaam initiatief Amsterdam uit te breiden door een nieuw hoofdstuk aan deze subsidieregeling toe te voegen.

Dit derde hoofdstuk ziet op het stapsgewijs stimuleren van de groei van buurtgerichte initiatieven tot het buurtgericht aardgasvrij of klimaatneutraal maken van een buurt. De opzet van de regeling is dat stapsgewijs groter wordende subsidiebedragen op basis van geleidelijk steeds hoger wordende aanvraag vereisten beschikbaar worden gesteld. Er is een directe aansluiting tussen de gesubsidieerde activiteiten en de ingangsvereisten voor de volgende fase. Op deze manier worden buurtgerichte initiatieven gestuurd om te professionaliseren en wordt de basis gelegd voor kansrijke uitkomsten. Het einddoel is dat er breed gedragen plannen voor buurten ontstaan. Plannen die voorzien zijn van een onderbouwd bestedingsvoorstel om de uitvoering te betalen op basis waarvan de raad middelen uit bijvoorbeeld het Klimaatfonds beschikbaar kan stellen. Artikel IV Artikelsgewijze toelichting De artikelsgewijze toelichting wordt gewijzigd en komt te luiden:

Artikelsgewijze Toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepaling De artikelen in dit hoofdstuk zijn algemeen van aard en zijn van algemene toepassing binnen deze regeling. Artikel 1.1 Begripsbepalingen d. buurt: De door denkbeeldige lijnen begrensde delen van het grondgebied van de gemeente Amsterdam komen doorgaans overeen met de statistische buurtindeling. Dit is echter niet verplicht. Als een gewenste energieoplossing een andere schaal vereist dan kan hiervan afgeweken worden. Vandaar dat in de definitie de term ‘redelijkheid’ is opgenomen. j. duurzaam programma: De samenhang tussen de deelprojecten komt tot uiting in een gemeenschappelijke doelstelling of ambitie rond duurzaamheid. l. duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente Amsterdam: Een overzicht van deze plannen vindt u op de duurzaamheidspagina van de gemeente: Externe link:www.amsterdam.nl/duurzaam m. eigen bijdrage: Voorbeelden van activiteiten die aan te merken zijn als een eigen bijdrage zijn het leveren van cofinanciering, eigen expertise, het zelf uitvoeren van een buurtonderzoek, het verkrijgen van draagvlak of de organisatie van bijeenkomsten. 9

n. energievoorziening: daaronder vallen in ieder geval gasdistributienetten, elektriciteitsdistributienetten, warmtedistributienetten, maar ook gasverbrandingsinstallaties, elektrische verwarmingsapparaten en warmtewisselaars. p. ketensamenwerking: Om tot een circulaire economie te komen moeten bedrijven samenwerken in de keten. Bedrijven voeren gezamenlijk activiteiten uit die, direct of indirect, leiden tot een efficiënte en duurzame omgang met grondstoffen. v. Sociaal fundament: dit is gebaseerd op de Stadsdonut voor Amsterdam. Het is de uitwerking van de vraag: wat betekent het voor de inwoners van Amsterdam om tot bloei te komen? De vele aspecten van welzijn worden in de Stadsdonut samengebracht op vier terreinen. Dat wil zeggen Amsterdammers zijn: • gezond, en beschikken over voedsel, water, gezondheidszorg en huisvesting; • handelingsvaardig, en beschikken over scholing, energie, inkomen en werk; • verbonden, en zijn dus mobiel, maken deel uit van de gemeenschap en de cultuur, en hebben toegang tot de digitale wereld; • zelfstandig, en hebben dus politieke en sociale rechten, en leven in een samenleving waarin vrede en gerechtigheid en gelijkheid in verscheidenheid zijn gewaarborgd. Artikel 1.2 Toepasselijkheid Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2023 Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013 (ASA 2013).

De ASA2013 is inmiddels vervangen door de Algemene Subsidieverordening 2023 (ASA2023). Met Wijzigingsbesluit herziening Ruimte voor Duurzaam Initiatief Amsterdam projecten en programma’s 2024 is de subsidieregeling herzien, zodat deze aansluit bij de ASA2023 en praktisch op grond van de ASA2023 vastgesteld zou kunnen zijn. Een aantal aspecten is niet in deze subsidieregeling vastgelegd, maar volgt uit de ASA 2023. Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is het nodig ook de ASA 2023 te lezen. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat algemene bepalingen die van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling. De Algemene subsidieverordening Amsterdam 2023 (ASA 2023) is te vinden op www.overheid.nl. Artikel 1.3 Doel Subsidieregeling Deze subsidieregeling heeft een tweeledig doel. Het eerste doel is om initiatieven die duurzaamheidswinst opleveren te stimuleren. Deze duurzaamheidswinst dient in lijn te liggen met de algemene doelstellingen van de gemeente Amsterdam, op een of meer van de volgende thema’s: duurzame energie, energiebesparing, duurzame mobiliteit, klimaatbestendige stad en circulaire economie. Het tweede doel is specifiek gericht op het stimuleren van buurtgerichte initiatieven die bijdragen aan een klimaatneutrale of aardgasvrije stad.

De subsidieregeling uit hoofdstuk 3, Op weg naar klimaatneutrale buurten, stimuleert buurtgerichte initiatieven die dat doel nastreven. Artikel 1.4 Europees kader bij subsidie aan woningcorporaties Subsidies op basis van deze regeling kunnen in sommige gevallen ook aan woningcorporaties verleend worden. Voor Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB) bestaan afzonderlijke voorwaarden met betrekking tot Europees toelaatbare staatsteun. Om aanspraak te kunnen maken op die voorwaarden is een zogenaamd DAEB-aanwijzingsbesluit nodig. Dat gebeurt middels deze bepaling. Deze bepaling is uitsluitend relevant voor woningcorporaties. Artikel 1.5 Wisselwerking tussen hoofdstukken De subsidieregeling Ruimte voor duurzaam initiatief Amsterdam is een verzamelregeling. In ieder hoofdstuk, behalve het eerste, wordt een andere groep subsidies beschreven met specifieke voorwaarden. Deze bepaling ziet er op dat de voorwaarden uit de verschillende specifieke hoofdstukken geen wisselwerking met elkaar hebben. Hoofdstuk 1 is een algemeen hoofdstuk en dat is van toepassing op alle hoofdstukken binnen de regeling. Wisselwerking is wel mogelijk als er sprake is van expliciete verwijzing. Verwijzing naar wetgeving in materiele zin is bewust zo breed 10

mogelijk gekozen om expliciete verwijzing naar iedere algemene, burgers bindende rechtsregel mogelijk te maken. Artikel 1.6 Aanvraagmoment Deze bepaling is expliciet bedoelt om weigering op grond van artikel 8, eerste lid, onderdeel a van de ASA2023 mogelijk te maken. De weigeringsgrond in artikel 4:25, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht biedt uitsluitend ruimte als het tot overschrijding van het plafond zou leden. In het geval dat het tijdvak van het plafond verstreken is, is het plafond niet overschreden. Weigering zou dan moeten gebeuren op basis van het feit dat er geen plafond is vastgesteld. Wat een vervelende discussie opent. Deze bepaling leidt er toe dat het einde van het tijdvak automatisch ook de laatste aanvraagdatum is, tenzij er nadrukkelijk een ander tijdvak is bepaald. Artikel 1.7 Volgorde behandeling aanvragen Subsidieaanvragen worden behandeld op van het principe ‘Wie het eerst komt, wie het eerste maal’. Artikel 1.8 Geen directe vaststelling Eerste lid Dit artikellid is gebaseerd op artikel 15, eerste lid van de ASA2023. Het college stelt hierbij in een nadere regel dat afweken wordt van de bepaling dat subsidies tot en met €20.000 direct vastgesteld worden. Dat betekent dat alle aanvragers van subsidie op grond van deze gehele regeling een aanvraag tot vaststelling moeten indienen.

Tweede lid Dit artikellid bepaalt wat de aanvrager allemaal moet indienen in het kader van een aanvraag tot vaststelling voor een subsidie onder de €20.000,-. Gekozen is om de in te dienen stukken te beperken en uitsluiten te vragen om een verslag, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a van de ASA2023. Het financiele verslag kan achterwege blijven, dat drukt de administratieve lasten voor de aanvrager van de kleinere subsidie en houdt ook voor de gemeente uitvoering eenvoudig. De andere zaken die op grond van de ASA2023 aangeleverd zouden moeten worden bij een aanvraag tot vaststelling zijn alleen relevant voor subsidies van €250.000,- of meer. Daar komen we logischerwijs met bedrag tot en met €20.000 niet aan toe. Artikel 1.9 Voorschot Dit artikel maakt expliciet dat in principe een 100% voorschot wordt gegeven. Uitzonderingen daarop zijn de gevallen dat de aanvrager zelf het geld niet vooraf wil hebben of als het college het gelet op de specifieke omstandigheden van het geval een andere bevoorschotting wenselijk acht. Hoofdstuk 2 Duurzame projecten en programma’s Artikel 2.1 Subsidiabele activiteiten Aanhef en onderdeel a De subsidie voor projecten is bedoeld voor proceskosten die gemaakt moeten worden voordat het zeker is of een project door kan gaan. Vaak is er behoefte aan juridische, technisch en/of financieel advies.

Soms moet ook het draagvlak vergroot worden of de samenwerking tussen partijen versterkt worden om tot uitvoering over te gaan. Om voor subsidie in aanmerking te komen moet worden onderbouwd dat de voorbereiding complex is, omdat tenminste twee vraagstukken tegelijkertijd spelen. De subsidie mag niet worden besteed aan algemene activiteiten die samenhangen met de bedrijfsvoering van de aanvrager. Aanhef en onderdeel b De subsidie voor programma’s is voor activiteiten die nodig zijn voor het voorbereiden en opzetten van een duurzaam programma. Het duurzame programma bestaat uit meerdere deelprojecten die 11

bijdragen aan dezelfde duurzaamheidsdoelstelling De bijdrage van de afzonderlijke deelprojecten aan de duurzaamheidsdoelstelling dient zo concreet mogelijk uitgewerkt te worden. onderdeel b, sub v Binnen een programma moeten veel Amsterdammers (bewoners en/of bedrijven) bereikt en geactiveerd worden. Daarmee wordt het draagvlak binnen de stad voor duurzaamheid vergroot. Artikel 2.2 Subsidieplafond en verdeelsleutel Dit artikel bepaalt de verschillende subsidieplafonds voor Duurzame projecten en duurzame programma’s. Het subsidieplafond is het maximale bedrag per jaar dat het college op grond van de regeling mag verlenen. Als in een jaar al het maximale bedrag uitgegeven is dan worden daarna binnenkomende subsidieaanvragen direct geweigerd op grond van 4:25, tweede lid Awb. U kunt het gehele jaar aanvragen indienen, tenzij het jaarlijkse subsidieplafond bereikt is. U kunt dan wel in het daaropvolgende tijdvak opnieuw een aanvraag indienen. Het streven is om ervoor te zorgen dat u op de gemeentewebsite over deze subsidieregeling kunt u zien hoeveel ruimte er globaal nog binnen het vigerende subsidieplafond bestaat. Artikel 2.3 Subsidiabele kosten Eerste lid Alleen kosten die noodzakelijk zijn komen in aanmerking voor subsidie.

Dit betekent dat er wordt getoetst of de kosten wel redelijk zijn: als een hoge kostenpost in de begroting is opgenomen voor bijvoorbeeld externe advieskosten, maar deze post is niet gespecificeerd of een objectieve onderbouwing ontbreekt waarom de kosten nodig zijn voor het doel van de subsidie, dan kunnen de kosten uitgesloten worden. Het is dus aan de aanvrager om steeds aannemelijk te maken dat de opgevoerde kosten noodzakelijk zijn voor het doel van de subsidie als bedoeld in artikel 1.3. Eerste lid, Onderdeel a - ureninzet van werknemers en derden; De aanvrager kan subsidie vragen voor vergoeding van de ureninzet van werknemers en/of deskundigen inhuren om de haalbaarheid van een project te onderzoeken. Denk daarbij aan een financieel, juridisch, technisch of andere expert waarvan het advies noodzakelijk is om te kunnen starten met het project. Als een individu (natuurlijk persoon) subsidie aanvraagt kan dit dus niet ingezet worden als vergoeding van de eigen ureninzet. Hiermee willen we voorkomen dat mensen met behulp van subsidie hun eigen werk creëren. Eerste lid, Onderdeel b - vergoeding van vrijwilligers en onkosten De aanvrager kan subsidie aanvragen voor een vrijwilligersvergoeding voor mensen met een uitkering, of voor onkosten die vrijwilligers moeten maken, zoals reiskosten. Hiervoor gelden de tarieven zoals vastgesteld door de Belastingdienst.

Zie: Externe link:https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/prive/werk_e n_inkomen/werken/werken-als-vrijwilliger/vergoeding_voor_inzet_en_voor_kosten Eerste lid, Onderdeel c - de kosten van projectgebonden materiaal Voorbeelden zijn gereedschap, meetapparatuur en/of constructiemateriaal die nodig zijn om de haalbaarheid te toetsen. Ook communicatiemateriaal (bijvoorbeeld t.b.v. draagvlakverwerving) is subsidiabel. Kantoorartikelen en kosten huisvesting vallen hier niet onder. Ook investeringen in hardware als onderdeel van de realisatie zijn niet subsidiabel. Bij de beantwoording van de vragenlijst moet onderbouwd worden waarom deze activiteiten noodzakelijk zijn om het gewenste resultaat van uw project of programma te bereiken. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn voor het realiseren van een (gezamenlijke) business case of om samenwerking te bekrachtigen. 12

Tweede lid, onderdeel a, vergoeding derdendiensten Dit maximumtarief is gelijkgesteld met het maximum dat geldt voor externe inhuur binnen de gemeente Amsterdam, zoals vastgelegd in het Raadsbesluit initiatiefvoorstel “beperking topsalaris externe inhuur” van 22 april 2015 (2015,233). Het college heeft inmiddels deze beperking opgeheven en daarbij is aangesloten bij de Wet Normering Topinkomens. Er is desondanks bewust gekozen om op deze manier het uurtarief te blijven maximeren. Tweede lid, onderdeel b - de kosten van projectgebonden materiaal als dit meer dan 20% is van het aangevraagde bedrag; Omdat de middelen zijn bedoeld voor activiteiten die vooraf gaan aan de uitvoering van een of meerdere duurzame initiatieven, is het percentage van het bedrag dat voor de proef(installatie) mag worden ingezet gemaximeerd op 20% van de begroting. Tweede lid, onderdeel c - programmakosten die meer zijn dan 15 % van het aangevraagde bedrag, exclusief de programmakosten; Voor het bepalen van de maximale hoogte van het subsidiebedrag worden de kosten bij elkaar opgeteld die rechtstreeks aan de deelprojecten worden besteed. Stel dat de opgetelde kosten voor de projecten € 30.000,-- bedraagt, dan is de hoogte van het subsidiebedrag voor de programmakosten maximaal € 4500,-- . Artikel 2.4 Hoogte van de subsidie Dit artikel regelt de hoogte van de maximale hoogte van de subsidie.

Artikel 2.5 De aanvrager Dit artikel regelt wie de subsidie aan kan vragen. Voor projecten kan iedereen met een belang bij het duurzame project aanvragen. Subsidie voor programma’s kan uitsluiten door rechtspersonen worden aangevraagd. Onder de rechtspersonen die kunnen aanvragen vallen bijvoorbeeld de stichting, de coöperatie of de vereniging. Het aantoonbare belang kan de vastgestelde, maatschappelijke doelstelling van de aanvrager zijn. Het belang kan ook de binding zijn van de aanvrager met het gebied of de buurt waar de activiteiten plaatsvinden. Bijvoorbeeld als de aanvrager gevestigd is in het gebied en ook al eerder buurtgerichte activiteiten heeft uitgevoerd. Artikel 2.6 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens Dit artikel regelt welke informatie ingediend moet worden. aanhef en onderdeel a Centraal in de aanvraag staat het aanvraagformulier, zoals dat is opgenomen in bijlage A. Omdat het aanvraagformulier een belangrijke rol speelt in de beoordeling is het is van groot belang om het aanvraagformulier volledig en correct in te vullen. Bijlage A bevat afzonderlijke aanvraagformulieren voor projecten en voor programma’s. Het aanvraagformulier is ook in digitale variant beschikbaar. Aanvullend op het aanvraagformulier is het mogelijk een filmpje in te dienen, als de initiatiefnemer denkt dat de omschrijving van het voorstel dan beter tot z'n recht komt.

Dit filmpje mag maximaal 3 minuten duren. Dat stelt aanvragers die makkelijker spreken dan schrijven ook in staat het projectvoorstel goed voor het voetlicht te brengen. aanhef en onderdeel b Dit geldt altijd voor (deel)projecten gericht op ketensamenwerking omdat ‘samenwerking’ hier centraal staat. Er moet aangetoond worden dat een aantal (beoogde) ketenpartijen het doel van de subsidieaanvraag onderschrijven en bij de uitvoering betrokken zijn. Voor andere (deel)projecten is dit verplicht indien voor de daadwerkelijke uitvoering van een project toestemming nodig is van een direct betrokkene zoals een vastgoedeigenaar. Denk aan een complex waar energiemaatregelen genomen gaan worden of de aanpak van een gedeelde 13

(binnen)tuin. Om vanaf het begin af aan te werken aan het benodigde draagvlak is het verplicht om met deze partijen af te stemmen over de subsidieaanvraag. Zij moeten dit ondersteunen. Een bewijs hiervan kan een kopie van een mailwisseling zijn. Aanhef en onderdeel c Op grond van de reguliere De-minimisverordening kunnen decentrale overheden ondernemingen over een periode van drie belastingjaren tot € 200.000,- (het huidige belastingjaar en de twee voorafgaande) steunen zonder dat dit staatssteun oplevert. Deze steun is zó minimaal (deminimissteun) dat het weinig tot geen impact heeft op de interne markt. Om de-minimissteun te mogen ontvangen, moet de ontvanger een de-minimisverklaring overleggen. In een deminimisverklaring geeft de gesteunde onderneming de de-minimissteun weer die in de voorgaande twee belastingjaren is ontvangen. Aanhef en onderdeel d Dit onderdeel is er op gericht te voldoen aan de vereisten die volgen uit te ASA2023. Het betreft in ieder geval de volgende documenten en gegevens:  het bankrekeningnummer en een kopie van een bankafschrift of kopie van een bankpas van de aanvrager; en  de laatste jaarrekening, voor zover de rechtspersoon deze verplicht is op te stellen. Het is dus niet nodig om een beschrijving van de activiteiten of een begroting, zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a van de ASA2023 aan te leveren.

De gedachte is dat de antwoorden op de vragen in het aanvraagformulier, uit onderdeel a, de benodigde informatie verschaffen. Artikel 2.7 Weigeringsgronden Eerste lid, aanhef Dit artikellid somt de gebonden weigeringsgronden op. Het college moet in de gevallen die in de onderdelen van dit lid worden opgesomd de subsidie weigeren. Eerste lid, aanhef en onderdeel a Vereist wordt dat activiteiten nog niet begonnen zijn, voordat de subsidie aangevraagd wordt. Er is een groot grijs gebied waar gesteld kan worden dat een deel van de activiteiten al begonnen is. Het college beoordeelt daarbij of de activiteiten al begonnen zijn. De subsidie kan alleen verleend worden als de reeds begonnen activiteiten buiten de subsidieaanvraag worden gelaten. Het is aan de aanvrager om ervoor te zorgen dat de aanvraag geen reeds begonnen activiteiten bevat. Eerste lid, aanhef en onderdeel b Deze bepaling heeft een grote overlap met artikel 8, tweede lid, onderdeel d van de ASA2023. Het beoogt te borgen dat geen subsidie verleend wordt de niet binnen de Europese regels met betrekking tot staatssteun past. Het fundamentele verschil is echter dat expliciet wordt gemaakt dat, behalve voor corporaties, uitsluitend gebruik gemaakt zal worden van de uitzonderingsmogelijkheden geboden door de de-minimisverordening.

Het college hoeft dus niet te onderzoeken of ondersteuning op grond van bijvoorbeeld de Algemene Groepsvrijstellingsverordening mogelijk is. Voor woningcorporaties geldt dit de-minimisvereiste niet, omdat gebruik wordt gemaakt van de vrijstellingen die volgen uit het DAEBvrijstellingsbesluit. Eerste lid, aanhef en onderdeel c Deze bepaling is eigenlijk juridisch niet nodig, want de ASA2023 en de Awb zijn ook zonder deze bepaling van toepassing. Hij is toegevoegd om de lezer van de regeling te helpen herinneren aan het bestaan van deze weigeringsgronden. Tweede lid, aanhef

14

De onderdelen van dit lid sommen de discretionaire weigeringsgronden op. Het college ‘kan’ deze weigeringsgronden toepassen, maar is daar niet toe verplicht. Het college is kan ook gedeeltelijk weigeren, wat betekent dat ze slechts een deel van de subsidiabele activiteiten subsidieert of een deel van het aangevraagde subsidiebedrag verleend. Tweede lid, aanhef en onderdeel a De subsidie dekt niet alle kosten van álle activiteiten die nodig zijn om een project of een programma van de grond te krijgen. Een eigen bijdrage van de aanvrager is noodzakelijk. De aanvrager wordt uitgedaagd om zelf activiteiten uit te voeren waardoor het succes van het project of het programma vergroot kan worden. Voorbeelden van activiteiten die de aanvrager zelf uit kan voeren zijn: een buurtonderzoek, het verkrijgen van draagvlak, of de organisatie van bijeenkomsten. Als de eigen bijdrage een te beperkte bijdrage levert aan het realiseren van het project of programma, dan kan het college kiezen om de subsidie te weigeren of de subsidie lager te verlenen. Tweede lid, aanhef en onderdeel b Deze bepaling stelt het college in staat om zonder dat de aanvrager zelf het aanvraagbedrag naar beneden bijstelt, toch een lagere subsidie te verlenen. Ze verlenen de subsidie dan gedeeltelijk.

Tweede lid, aanhef en onderdeel c Vereiste aan projecten en programma’s om voor subsidies in aanmerking te komen is dat ze complex zijn. Dat volgt uit artikel 2.1. De aanvrager moet echter wel voldoende onderbouwen dat een aanvraag complex is. Als die onderbouwing onvoldoende is of als de geleverde onderbouwing tot de conclusie leidt dat de activiteiten onvoldoende complex zijn kan het college op grond van deze weigeringsgrond kiezen om de subsidie te weigeren. Dit kan bijvoorbeeld ook het geval zijn als er al een vergelijkbaar project heeft plaatsgevonden zonder dat er haalbaarheidsonderzoeken nodig waren of dat er (technische) oplossingen toepasbaar zijn die naar het oordeel van het college even goed zijn als de oplossingen die de aanvrager wil onderzoeken. Tweede lid, aanhef en onderdeel d Bij een rendabele investering kunnen onderzoekskosten meegenomen worden en is er dus geen subsidie nodig. Dat verminderd natuurlijk de rendabiliteit van de investering. Het college is niet voornemens subsidie te verlenen om de winsten van de initiatiefnemers te vergroten. Maar er kunnen specifieke omstandigheden zijn (bijvoorbeeld bij innovatie) dat rechtvaardigt. De aanvrager moet motiveren waarom dit het geval is. Tweede lid, aanhef en onderdeel e Indien relevant moet een duurzaam initiatief inzetten op resultaten die in lijn zijn met het principe van klimaatrechtvaardigheid.

In het coalitieakkoord ‘Amsterdams Akkoord’’ staat hierover: In onze aanpak zetten we extra in op het bestrijden van energiearmoede door energielasten van mensen met lage inkomens te verlagen. Iedereen moet immers mee kunnen doen en klimaatbeleid moet juist ten goede komen aan mensen met een smallere beurs door verlaging van de woonlasten. Het draagvlak in de buurt, het sociaal fundament en/of het bereik van het project onder Amsterdammers onvoldoende moet voldoende uitgewerkt zijn; Tweede lid, aanhef en onderdeel f: Productontwikkeling (bijvoorbeeld een app, een lespakket, een innovatief PV paneel, of een duurzaam vervoermiddel) is geen doel van deze regeling, tenzij dit tegelijkertijd het sociale fundament versterkt, bijvoorbeeld door het creëren van werkgelegenheid of het verbeteren van leefomstandigheden van Amsterdammers. Dat moet zo concreet mogelijk onderbouwd worden in het aanvraagformulier. Productontwikkeling is wel toegestaan als dit het resultaat is van beoogde ketensamenwerking. Het nieuwe product (of dienst) kan bijvoorbeeld onderbouwd worden aan de hand van de strategieën op de R-ladder. De R-ladder geeft de mate van circulariteit aan. Hoe hoger een 15

strategie op de R-Ladder staat, hoe meer grondstoffen bespaard worden. De reden dat dit wel voor subsidie in aanmerking komt, is dat de totstandkoming van ketensamenwerking erg complex is, maar wél nodig is in de transitie richting de circulaire economie. Tweede lid, aanhef en onderdeel g Wanneer de activiteiten uit het project ook gedekt kunnen worden door een andere Amsterdamse regeling zal de aanvraag bij deze regeling geweigerd worden. Onder een dergelijke regeling vallen ook de diensten die de gemeente aanbiedt aan verschillende doelgroepen zoals VvE’s. Tweede lid, aanhef en onderdeel i Het aangevraagde subsidiebedrag moet redelijk in verhouding staan tot het resultaat dat hiermee bereikt kan worden. Het college is niet voornemens hele grote subsidies te verlenen voor hele kleine resultaten. Tweede lid, aanhef en onderdeel j Een aanvrager kan meerdere keren subsidie op grond van artikel 2.1 aanvragen, voor verschillende projecten, al dan niet ondergebracht in één programma. Een aanvrager kan in totaal niet meer dan € 100.000 aanvragen. Voor een programma of een project kan in totaal ook niet meer dan € 100.000 aangevraagd worden. Tweede lid, aanhef en onderdeel k Kennisdeling is een belangrijk onderdeel van deze subsidie.

Het is de bedoeling dat aanvragers duidelijk laten zien welke kennis ze denken te vergaren door dit complete project of programma uit te voeren en hoe ze ervoor zullen zorgen dat deze kennis voor andere beschikbaar is. Het is de bedoeling dat andere aanvragers de opgedane kennis van voorgaande subsidies kunnen gebruiken, zodat zij geen aanvraag hoeven in te dienen. Als geen voldoende doordacht plan voor kennisdeling bestaat, dan kan het college kiezen om de subsidie te weigeren. Tweede lid, aanhef en onderdeel l Als onvoldoende rekening wordt gehouden met risico's of belemmeringen die de eindelijke uitvoering in de weg staan, kan dat een reden zijn om de subsidie te weigeren. Denk aan het verkrijgen van een vergunning, het vinden van een locatie of als uitvoering niet mogelijk is zonder instemming / medewerking van een bepaalde organisatie/ partij en die partij geen blijk heeft gegeven van de intentie om die instemming of medewerker te geven. Tweede lid, aanhef en onderdeel m Betrokkenheid van de aanvrager bij het onderwerp waarvoor ze subsidie aanvragen is essentieel. De aanvrager moet aantonen dat ze zelf deel van de doelgroep zijn of aantoonbare affiniteit met de doelgroep hebben. Als de aanvrager deze relatie met de doelgroep onvoldoende aannemelijk maakt, dan kan het college kiezen om de subsidie te weigeren.

Tweede lid, aanhef en onderdeel n Deze bepaling is eigenlijk juridisch niet nodig, want de ASA2023 en de Awb zijn ook zonder deze bepaling van toepassing. Hij is toegevoegd om de lezer van de regeling te helpen herinneren aan het bestaan van deze weigeringsgronden. Artikel 2.8 Aanvullende verplichtingen Aanhef Dit artikel regelt de aanvullende verplichtingen die gelden voor partijen die de aangevraagde subsidie verleend hebben gekregen. De verplichtingen zijn opgesomd in de onderdelen van dit artikel. Het niet naleven van deze voorwaarden kan leiden tot het lager of op nihil vaststellen van de subsidie op grond van 4:46, tweede lid, onderdeel b van de Awb.

16

Aanhef en onderdeel a De aanvrager moet de activiteiten natuurlijk wel binnen een redelijke termijn uitvoeren. In principe is daarbij een termijn van 2 jaar gesteld, maar daar kan op basis van de planning in de aanvraag middels de verleningsbeschikking worden afgeweken. Uitstel op de gestelde termijn is mogelijk, maar de aanvrager moet dat uitstel wel tijdig aanvragen en dat uitstel moet met dragende redenen onderbouwd zijn. Het college kan dat uitstel ook weigeren in welk geval zij overgaat tot ambtshalve vaststelling van de subsidie op grond van 4:47, onderdeel a, Awb. Aanhef en onderdeel b Dit is een verplichting die uitsluitend voor woningcorporaties geldt. Het betreft een verplichting om een voldoende nauwkeurige administratie bij te houden. Waarbij de kosten voor de gesubsidieerde activiteiten goed te onderscheiden zijn van de gebruikelijke bedrijfsvoering. De reden hiervoor is dat het DAEB-vrijstellingsbesluit vereist dat er niet meer subsidie wordt gegeven dan de daadwerkelijk gemaakte kosten voor het project of programma. Als de administratie niet van voldoende kwaliteit is kan het college op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb de verleende subsidie lager vaststellen. Aanhef en onderdeel c Deze bepaling is eigenlijk juridisch niet nodig, want de ASA2023 zijn ook zonder deze bepaling van toepassing.

Hij is toegevoegd om de lezer van de regeling te helpen herinneren aan het bestaan van deze weigeringsgronden Artikel 2.9 Verantwoording en vaststelling van de subsidie Aanhef Bij het doen van een verzoek tot vaststelling van de subsidie zal de aanvrager de in dit artikel en de in artikel 14 van de ASA 2013 opgenomen documenten moeten overleggen. Dit artikel heeft werking op voor subsidies boven de €20.000,-. Voor subsidies onder de €20.000,- gelden de voorwaarden die volgen uit artikel 1.8 van deze regeling. Aanhef en onderdeel a Betaalde facturen worden gevraagd, omdat het college daaruit redelijkerwijs moet kunnen afleiden dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd. Gevraagd wordt in feite om kopieën van de facturen. Het gevraagde betaalbewijs kan bijvoorbeeld bestaan uit een bankrekeningafschrift van de betaling, ook een getekende verklaring van de opsteller van de factuur dat deze voldaan is kan als betaalbewijs fungeren. Aanhef en onderdeel c Op basis van de digitale kopieën van publicaties, onderzoeken en presentaties die in het kader van de activiteiten zijn gemaakt kan achterhaald worden wat er onderzocht is en of die uitkomsten relevant zijn voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten. Aanhef en onderdeel d Deze bepaling is eigenlijk juridisch niet nodig, want de ASA2023 zijn ook zonder deze bepaling van toepassing.

Hij is toegevoegd om de lezer van de regeling te helpen herinneren aan het bestaan van deze weigeringsgronden Hoofdstuk 3 Op weg naar Klimaatneutrale buurten Artikel 3.1 Subsidiabele activiteiten De activiteiten om te komen tot een klimaatneutrale of aardgasvrije buurt zijn ondergebracht bij verschillende subsidies. Deze activiteiten bieden de subsidieaanvrager houvast in het complexe proces van het ontwikkelen van een buurtgericht initiatief tot een aardgasvrije of klimaatneutrale buurt. Een initiatief kan klein beginnen en wordt gaandeweg groot en professioneel genoeg om een solide investeringsvoorstel te ontwikkelen. Initiatiefnemers moeten de voorgaande 17

activiteiten doorlopen hebben om in aanmerking te komen voor de subsidie in die fase. Dit wordt geborgd met artikel 3.6, eerste lid, onder d en e. Met eenmalige subsidie wordt bedoeld dat het een incidentele subsidie betreft en geen periodieke subsidie die herhaaldelijk (bijvoorbeeld jaarlijks) wordt uitgekeerd. Per activiteit is het aan te vragen subsidiebedrag gemaximeerd. Een aanvrager kan voor elke activiteit subsidie aanvragen. Het totaal aan te vragen subsidiebedrag over de drie fasen gezamenlijk kan, als gevolg van artikel 3.6, tweede lid, onder c, niet meer zijn dan €150.000,-. Het is aan de aanvrager zelf om te bepalen hoe dit het beste verdeeld kan worden over de verschillende fases. Onderdeel a verkenning Het is de bedoeling dat de initiatiefnemer via een verkenning een plan formuleert en onderbouwt om een klimaatneutrale of aardgasvrije buurt te realiseren. Hierbij past een brede en open opvatting qua mogelijke toe te passen technieken en wat betreft partijen die nodig zijn bij de verdere uitwerking. Bij de verkenning kan 100 % van de subsidiabele kosten vergoed worden, met een maximum van € 15.000 Cofinanciering is dus geen vereiste. Wel moet de initiatiefnemer een eigen bijdrage leveren. De definitie van de eigen bijdrage staat in de begripsomschrijvingen (artikel 1.1) en wordt nader toegelicht in de toelichting van artikel 3.5, eerste lid onderdeel c.

In artikel 3.5 eerste lid omschrijft ook welke gegevens u nog meer moet indienen. De verkenning mondt uit in een plan van aanpak voor een haalbaarheidsstudie. Daarnaast zorgt u in deze fase voor de samenwerking met noodzakelijke stakeholders om vervolgstappen te kunnen zetten. De resultaten van de verkenning zijn vereisten voor een subsidieaanvraag voor het uitvoeren van de haalbaarheidsstudie. Dat blijkt ook uit artikel 3.5 tweede lid. Onderdeel b haalbaarheidsstudie Tijdens de haalbaarheidsstudie worden meerdere warmteoplossingen tegen elkaar afgewogen op basis van de uitgangspunten en randvoorwaarden die zijn geformuleerd tijdens de verkenning. Dit is een proces waar meerdere partijen aan deelnemen, bijvoorbeeld de belangrijkste vastgoedeigenaren (VvE’s, woningbouwcorporaties), de energieleverancier en netwerkbeheerder. Deze deelname is geregeld in een intentieovereenkomst die onderdeel uitmaakt van de aanvraag. In deze fase wordt ook het draagvlak gepeild onder de eindgebruikers (vooral bewoners). In artikel 3.5 tweede lid staat welke gegevens ingediend moeten worden. U kunt voor deze fase maximaal 80.000,- aanvragen. Voor deze fase is tenminste 30% cofinanciering noodzakelijk. Dat betekent dat uw plan voor de haalbaarheidsstudie niet volledig door deze subsidieregeling gefinancierd wordt.

De haalbaarheidsstudie mondt uit in een voorstel voor een klimaatneutrale of aardgasvrije energievoorziening voor de buurt. Zie artikel 3.8, tweede lid. Een rapport over de haalbaarheidsstudie moet u bij de vaststelling van de subsidie indienen. Inzet is tevens dat het commitment van de noodzakelijke samenwerkingspartners verder vergroot wordt en is vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. Deze overeenkomst is nodig bij een subsidieaanvraag voor het ontwerp. Zie hiervoor artikel 3.5 derde lid. Onderdeel c ontwerp De activiteiten bij deze subsidie richten zich op het uitwerken van een ontwerp. In artikel 1.1 onderdeel p wordt omschreven wat een ontwerp inhoudt. Er is sprake van een definitief en uitgewerkt ontwerp als het ontwerp dusdanig concreet is dat het bruikbaar is voor het aanvragen van concrete offertes voor de realisatie. Dat kan betekenen dat sommige delen van de realisatie tot op het niveau van een bouwkundig bestek uitgewerkt dienen te zijn. Het lijkt daarbij verstandig om aansluiting te zoeken bij de in Nederland gebruikelijk besteksystematieken, zoals STABU, NBS of RAW. Inzet is dat aan het eind van deze fase alle voor deze buurt relevante partijen klaar en bereid zijn om het plan tot uitvoering te brengen. Dat wordt bekrachtigd in een realisatieovereenkomst.

In deze fase wordt naast het technische rekenwerk ook gevraagd dat de aanvrager aantoont dat er draagvlak in de buurt is voor uit te werken variant. Zonder draagvlak van de eigenaren en gebruikers is de kans dat het uit te werken plan voor de energievoorziening tot uitvoering komt 18

vrijwel nihil. Het aantonen van draagvlak gebeurt door middel van een onderzoek. Handtekenlijsten, de resultaten van een enquête en/of het aantal betalende leden kunnen bruikbare gegevens opleveren voor het bepalen van het draagvlak. Een dergelijk onderzoek toetst idealiter in welke mate de verschillende te onderscheiden groepen (Particulieren, VvE, Woningbouwcorporaties, Commerciële investeerders, huurders, bedrijfseigenaren) de gekozen oplossing onderschrijven. Het voorleggen van een oplossing bevat in ieder geval dat een onderbouwde indicatie is gegeven van de voor die groep relevante kosten. Draagvlak zonder een gedeelde visie op de potentiële financiële consequenties is in deze fase onvoldoende. In artikel 3.5, derde lid staat welke gegevens u voor de activiteiten in de fase van het ontwerp moet inleveren. De kans bestaat dat tijdens de ontwerpfase gebleken is dat de realisatie en exploitatie van een alternatieve energievoorziening niet rendabel te maken is. Voor het onrendabele deel van de realisatie en exploitatie van de alternatieve energievoorziening kan de gemeente kiezen om bij te springen. Dat kan zij bijvoorbeeld doen door eindgebruikers een subsidie voor het aardgasvrij maken van hun woning te geven of door een bijdrage te doen aan de investeringen in de realisatie.

In het op te stellen bestedingsvoorstel onderbouwt en rechtvaardigt u aan de gemeenteraad een bijdrage van de gemeente voor het uitgewerkte ontwerp. Artikel 3.2 Subsidiabele kosten Alleen kosten die noodzakelijk zijn komen in aanmerking voor subsidie. Dit betekent dat er wordt getoetst of de kosten wel redelijk zijn: als een hoge kostenpost in de begroting is opgenomen voor bijvoorbeeld externe advieskosten, maar deze post is niet gespecificeerd of een objectieve onderbouwing ontbreekt waarom de kosten nodig zijn voor het doel van de subsidie, dan kunnen de kosten afgewezen worden. Het is dus aan de aanvrager om steeds aannemelijk te maken dat de opgevoerde kosten noodzakelijk zijn voor het doel van de subsidie als bedoeld in artikel 1.3. Eerste lid, aanhef en onderdeel a - ureninzet van werknemers en derden; De aanvrager kan subsidie vragen voor vergoeding van de ureninzet van werknemers en/of deskundigen inhuren om de activiteiten voor de verkenning, de haalbaarheid of het ontwerp uit te voeren. Denk daarbij aan een financieel, juridisch of energiedeskundig waarvan het advies noodzakelijk is om varianten naast elkaar te kunnen zetten of door te rekenen. Voor het uitvoeren van een verkenning kan een individu (natuurlijk persoon) subsidie aanvragen. Deze subsidie kan in dat geval niet ingezet worden als vergoeding van de eigen ureninzet.

Hiermee willen we voorkomen dat mensen met behulp van subsidie hun eigen werk creëren. Eerste lid, aanhef en onderdeel b - vergoeding van vrijwilligers en onkosten De aanvrager kan subsidie aanvragen voor een vrijwilligersvergoeding, of voor onkosten die vrijwilligers moeten maken, zoals reiskosten. Hiervoor gelden de tarieven zoals vastgesteld door de Belastingdienst. Zie: Externe link:https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/prive/werk_e n_inkomen/werken/werken-als-vrijwilliger/vergoeding_voor_inzet_en_voor_kosten Eerste lid, aanhef en onderdeel c - de kosten van projectgebonden materiaal. Te denken valt aan communicatiemateriaal (bijvoorbeeld t.b.v. draagvlakverwerving) of een proefopstelling waarmee de haalbaarheid van een energie maatregel getest wordt. Kantoorartikelen en kosten huisvesting vallen hier niet onder. Ook investeringen in installaties of infrastructuur als onderdeel van de realisatie zijn niet subsidiabel. Eerste lid, aanhef en onderdeel e – Notariële kosten De notariële kosten voor het inrichten van een rechtspersoon zijn ook subsidiabel. Gezien de hoge uurtarieven van notarissen dient u bij de selectie van de notaris aandacht te besteden aan de weigeringsgrond in artikel 3.6 tweede lid, onderdeel d.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14104750/2