CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1_20211122 Lodewijk van Deysselbuurt_Investeringnota H1-H6.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 15 december 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de Investeringsnota Lodewijk van Deysselbuurt en het beschikbaar stellen van een krediet. (ZD2021-014380)20.348 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

62

Er zijn in de TKK 7 aardgasvrije scenario’s vergeleken op betaalbaarheid (totale keten kosten) en duurzaamheid (CO2-uitstoot). Uit de scenarioanalyse komt naar voren dat een MT-warmtenet (70°C), aangesloten op het reeds bestaande Westpoort Warmte netwerk, voor zowel de bestaande bouw als de in te passen nieuwbouw, de laagste totale ketenkosten heeft voor de wijk.

De uitkomst van de TKK-analyse wordt hoofdzakelijk verklaard door: 1. De meerkosten die een gescheiden infrastructuur voor bestaande en nieuwbouw oplevert. 2. De meerkosten die ontstaan in de woning en door de benodigde tapwatersystemen in lagere temperatuurregimes Voor duurzaamheid is gekeken naar de CO2-uitstoot van verschillende scenario’s tot 2050. De landelijke afspraak is dat in 2050 zowel het elektriciteitsnetwerk als het warmtenet klimaatneutraal zijn. Dit betekent dat vanaf dat jaartal alle scenario’s gelijk zullen scoren op duurzaamheid, namelijk nul CO2-uitstoot per geleverde eenheid warmte. Uit de TKK analyse blijkt dat scenario aquathermie 40°C voor nieuwbouw en bestaande bouw de laagste cumulatieve CO2-uitstoot heeft tot 2050. Dit energiesysteem bespaart 1000 ton CO2 t.o.v. een MTwarmtenet (70°C), maar heeft € 14 miljoen hogere totale keten kosten. Dit komt neer op een bedrag van € 14.000 per ton CO2, waar de huidige prijs van CO2 rechten circa €20 per ton bedragen. Het MT-warmtenet (70°C) met de laagste totale ketenkosten scoort als 4e beste alternatief qua duurzaamheid en levert een CO2 winst op van 82% ten opzichte van de gasreferentie. De lijn van de Transitievisie Warmte volgend is aansluiting van zowel bestaande- als nieuwbouw op het bestaande MT-warmtenet (70°C) aan te raden als warmtesysteem voor de Lodewijk van Deysselbuurt.

De vastgoedeigenaar (in dit geval woningcorporatie Rochdale) beslist zelf over de uiteindelijke systeemkeuze waarbij naast de TKK, voldoen aan de BENG en betaalbaarheid voor de eigen huurders in de Van Deysselbuurt ook criteria voor de uiteindelijke keuze zijn. De gemeente gaat in gesprek met de overige vastgoedeigenaren in de buurt of zij mee aan willen sluiten op het bestaande MT-warmtenet (70°C).

Dit jaar starten partijen betrokken bij de energietransitie een onderzoek naar de mogelijkheid om aquathermie uit de Sloterplas op het MT-warmtenet (70°C) in te voeden. De toekomstbestendigheid en openheid van het bestaande warmtenet neemt toe naarmate verschillende duurzame bronnen ingepast kunnen worden. Mogelijk is dit in de toekomst een aantrekkelijke energiebron in combinatie met een temperatuurverlaging van de bestaande infrastructuur.

6.2 Klimaat Klimaatadaptatie omvat onderwerpen als regenbestendig (Amsterdam Rainproof), hittebestendig en droogtebestendig ontwikkelen. Door klimaatverandering zal het vaker warm en droog zijn, terwijl korte maar zware buien druk uitoefenen op de bestaande riolering. Deze ontwikkelingen vragen ook om een bijdrage op particulier terrein. Bij het ontwerpen van gebouwen moet het vasthouden en vertragen van hemelwater worden meegenomen. Van toepassing is de Amsterdamse Hemelwaterverordening. Verder zijn daken en gevels geschikt om vegetatie aan toe te voegen voor het opvangen van water en om hittestress tegen te gaan. Door het toevoegen van bomen in de openbare ruimte worden droogte en hitte beide tegengegaan. Het situeren van bomen knelt vaak met andere zaken zoals ondergrondse infrastructuur. Als oplossing kan daarom gekeken worden naar kabelprofielen die in de onderste grondwaterlaag liggen.

6.3 Rainproof Volgens de doelstellingen van Amsterdam Rainproof wordt de Lodewijk van Deysselbuurt zodanig ontworpen dat een bui van 60 mm in één uur kan worden verwerkt,

Investeringsnota - Lodewijk van Deysselbuurt

zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur. Hierbij kan het regenwaterriool circa 20 mm verwerken, de openbare ruimte de andere 40 mm. Voor verwerking van het (overtollige) hemelwater geldt de drietrapsstrategie ‘vasthouden, bergen, afvoeren’. Deze drietrapsstrategie heeft de gemeente verwerkt in een Rainproof-oplossingenkaart. De oplossingenkaart laat zien waar de kansen in het gebied liggen om water vast te houden of te bergen en waar het hemelwater naartoe kan worden afgevoerd. Uit de berekeningen blijkt dat een aanzienlijk deel van het oppervlak nodig is als bergingsruimte. De nieuwe woningen moeten voldoen aan de Amsterdamse Hemelwaterverordening en dus mogelijkheden bieden voor de tijdelijke opvang van regenwater, bijvoorbeeld met tuinen, groene daken of zelfs watertanks. Water opvangen kan door dubbel gebruik, bijvoorbeeld een groenstrook, straat of parkeervak dat bij extreme neerslag vol loopt als tijdelijke waterberging om het water in de uren daarna langzaam af te voeren. Dit werkt de gemeente uit bij het ontwerpen van de straatprofielen van het maaiveldontwerp. Er wordt dan ook gekeken naar mogelijkheden om de bergingsbehoefte te verdelen (tussen deelgebieden) of reduceren (door de hemelwaterafvoer iets ruimer te maken waardoor een groter deel van (extreme) neerslag door het riool kan worden afgevoerd).

Andere optie is om neerslag via de straat af te voeren naar het oppervlaktewater bij het Eendrachtspark. Water- en bodemstrategie De transformatie van de buurt vraagt om een integrale aanpak van de bodem, het grond-, oppervlakte- en regenwater en de kabels en leidingen, in relatie tot de ontwikkeling van de woningen, met mogelijk parkeerkelders. Voor de gronduitgiften verkent de

gemeente de belangrijkste voorwaarden voor de water- en bodemstrategie. In de bijlage Waterparagraaf staan alle waterhuishoudkundige aspecten waarmee rekening moet worden gehouden in deze water- en bodemstrategie.

6.4 Watercompensatie en groennormen. De vernieuwing van de buurt en de verdichting van m.n. de zuidzone leidt tot een toename van verharding en bebouwd oppervlak. In de noordzone worden op de huidige schoollocatie woningen bijgebouwd. Dit betekent enige toename van de verharding van de openbare ruimte. De aanpak van de middenzone leidt nauwelijks tot een toename van bebouwd oppervlak en verharding van de openbare ruimte, omdat teruggebouwd moet worden op de bestaande footprint en er in de middenzone tussenstraten verdwijnen. In de zuidzone neemt door de verdichting, het verschuiven van de rooilijn aan de Röellstraat naar het zuiden en het intensiveren van de openbare ruimte inrichting het verhard oppervlak toe. Voor elke 10 m2 toename van bebouwing en van de verharding van de openbare ruimte zal 1 m2 extra open water worden gerealiseerd, door verbreding van de waterlopenstructuur in de buurt. Vanwege de toenamen van verhard oppervlak van ca. 8750 m2, zal ca. 875 m2 extra open water worden gerealiseerd in overleg met Waternet. Voor het beleid m.b.t. groennormen is in de Van Deysselbuurt minimaal 16 m2 openbaar toegankelijk groen per woning nodig. Hoewel het areaal openbaar en collectief groen licht afneemt door de vernieuwing, blijft het areaal openbaar en collectief groen ruim boven de norm, met ca. 22 m2 openbaar groen per woning en 9 m2 collectief groen per woning.

63

Deze doelstelling wordt gehaald met name doordat de Van Deysselbuurt nu al een relatief groene buurt is. In de nieuwe situatie, na de vernieuwing, zal daarbij de inrichtings- en gebruikskwaliteit van het openbaar groen zijn toegenomen, onder andere door verbetering van speelgelegenheid in de buurt. Aanvullend hierop wordt vanuit het Vernieuwingsprogramma Ontwikkelbuurten ook geïnvesteerd in de aanliggende parkgebieden, zoals het Eendrachtspark en het Sloterpark.

6.5 Planten en dieren Voordat de ontwikkeling plaats kan vinden dient een zogenaamde quickscan flora en fauna plaats te vinden. Onderzocht wordt of op de locatie dier- en/ of plantsoorten aanwezig zijn die op grond van de Wet natuurbescherming strikt beschermd zijn. Mochten strikt beschermde soorten worden aangetroffen, wat wel de verwachting is gezien het vele groen in de buurt, dan dient beoordeeld te worden of de ontwikkelingen negatieve gevolgen hebben voor de strikt beschermde plant- en diersoorten. Als er negatieve gevolgen zijn dan dienen maatregelen genomen te worden om gevolgen te voorkomen of indien dergelijke maatregelen niet mogelijk zijn, dient een ontheffing van de wet aangevraagd te worden. Voordat een ontheffing aangevraagd kan worden is dan aanvullend onderzoek noodzakelijk. Een van de duurzaamheidsdoelen van de gemeente Amsterdam is het versterken van de biodiversiteit in de stad. Natuurinclusief bouwen en groen toevoegen aan de openbare ruimte dragen beide bij aan leefbare stad voor dier en mens. De Lodewijk van Deysselbuurt is gelegen nabij het Eendrachtspark en het Sloterpark, die beide deel uitmaken van de Hoofdgroenstructuur. Met deze ligging kan de ontwikkeling van het gebied als een natuurverbinding bijdragen aan de groenstructuur

64

werknummer

1836 opdrachtgever

openbaar groen

43 384 m2

collectief groen (dek)

3 643 m2

Openbaar groen /woning :

22 m2

collectief groen (maaiveld)

13 210 m2

Openbaar en collectief groen/woning :

31 m2

gemeente Amsterdam Rochdale en Heijmans werk

stadium

DO onderwerp tekening

Groen per woning SP schaal

1:1000

uitgeefbaar

66 723 m2

formaat

aantal wo. : 1 931

A1 getekend

AR

Groenoppervlak Lodewijk van Deysselbuurt

datum

03.02.2021 gewijzigd

09.07.2021 tekeningnummer

Bij het definitief ontwerp van het terrein moet de initiatiefnemer een groenplan aanleveren waarin (in ieder geval) is uitgewerkt op welke wijze, met welk doel en met welke beplanting groen wordt gerealiseerd in het gebied. Niet alleen planten zijn van belang, maar ook dieren. In het plan moet worden toegelicht hoe er omgegaan wordt met natuurinclusief bouwen. De ontwikkelende partij moet minimaal voldoen aan de volgende eis: Minimale natuurinclusiviteits-score van 30 punten. Natuurinclusief bouwen wordt als onderdeel van de Groenvisie medio 2021 vastgesteld. Het puntensysteem wordt gezien als uitvoering van de Groenvisie.

De ingepaste natuurmaatregelen moeten aansluiten op de omgeving van het terrein en de biodiversiteit in het herontwikkelingsgebied helpen verhogen. Het transformeren van de openbare ruimte is een kans om innovatieve manieren van groen toe te passen. Voor de Van Deysselbuurt betekent dit in ieder geval het toepassen van groen dat insecten (zoals bijen en vlinders) aantrekt en ratten juist afstoot. Dit zal in het ontwerp van de openbare ruimte concreet moeten worden.

000-00

6.6 Materialen Amsterdam wil in 2030 50 procent minder nieuwe grondstoffen gebruiken en in 2050 100 procent circulair (volledig recyclebaar) zijn. Adaptief en demontabel bouwen en het gebruik van klimaatneutrale, biologisch gerelateerd, en hernieuwbare materialen levert een bijdrage aan het behalen van deze doelstellingen. Bij de ontwikkeling van nieuwe gebouwen in het herontwikkelingsgebied stellen we nog geen harde eisen voor circulair bouwen, wel moedigt de gemeente inzet op dit duurzaamheidsthema aan. Circulair bouwen bestaat hier uit twee onderdelen: materiaalgebruik en flexibel ontwerp. Bij circulair bouwen worden de gebouwen zo ontworpen dat de materialen een zo lang mogelijke levensduur krijgen door middel van hergebruik of herbestemming. Door een grondstoffenpaspoort toe te passen kan hergebruik worden gestimuleerd en de transparantie van toegepaste materialen worden vergroot. De onderstaande eis geldt hiervoor:

Als de ontwerpers kiezen voor het gebruik van hout, wordt er alleen hout toegepast met een FSC-keurmerk of een vergelijkbare kwaliteit. Materialen als staal en beton zijn minder duurzaam en zouden in mindere mate toegepast moeten worden. Verontreiniging van het hemelwater door bouwmaterialen moet worden voorkomen door geen gebruik te maken van ongewenste materialen zoals lood, ongecoat zink en verzinkte materialen, teerhoudende dakbedekking, koperen waterleidingen en koperen dakbedekking. Voor de openbare ruimte is de materialisatie volgens Puccini het uitgangspunt. Deze standaard staat voor een kwalitatief goede, fysieke inrichting van de openbare ruimte. Een inrichting die gebruiksvriendelijk, toegankelijk, veilig, beheersbaar, duurzaam, betaalbaar, samenhangend én mooi is. Verder kan waar mogelijk ingezet worden op het weglaten van verharding. Waar mogelijk kunnen de materialen die vrijkomen tijdens het slopen van huidig vastgoed en het herinrichten van de openbare ruimte geïnventariseerd en hergebruikt worden.

Landelijk geldt een minimale MPG-score (MilieuPrestatie Gebouwen) van ≤ 1,0. Het gaat hierbij om nieuwe kantoorgebouwen (groter dan 100 m²) en om nieuwbouwwoningen. De ambitie van de gemeente ligt hoger, namelijk een MPG-score van ≤ 0,8. Hierbij hoeven zonnepanelen niet te worden meegeteld. Welke eisen hiervoor gelden, is terug te vinden op www.rvo.nl (thema ‘Duurzaam ondernemen’)

6.7 Mobiliteit

Met een modulaire en flexibele aanpak kunnen gebouwen worden aangepast op nieuwe gebruikers en andere toepassingen. Voor de begane grond aan de Burgemeester Röellstraat wordt om deze reden uitgegaan van een verhoogde bruto verdiepingshoogte, zodat uitwisselbaarheid van functies in de toekomst mogelijk blijft. Daarbij is voor utiliteitsbouw de ambitie vastgesteld van een minimale MAT 8-score van 67 procent.

■ Bij woongebouwen met meer dan tien parkeervakken op hetzelfde terrein moet voor elk parkeervak leidinginfrastructuur (loze leidingen) worden aangelegd voor de aanleg van laadpunten. Dit geldt voor nieuwe woongebouwen en voor bestaande woongebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd. ■ Bij openbare gebouwen met meer dan tien parkeervakken op hetzelfde terrein moet minimaal

Investeringsnota - Lodewijk van Deysselbuurt

Voor het halen van de ambitie om vanaf 2030 alleen nog uitstootvrije mobiliteit toe te staan moeten duurzame vormen van mobiliteit worden gestimuleerd. In het bouwbesluit is sinds 10 maart 2020 het onderstaande opgenomen met betrekking tot laadpalen bij parkeerplaatsen op de kavels zelf.

één oplaadpunt voor de hele parkeergelegenheid worden aangelegd. Ook moet er leidinginfrastructuur (loze leidingen) worden aangelegd voor een op de vijf parkeervakken. Dit geldt voor nieuwe gebouwen en voor bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd. Naast deze verplichtingen wil de gemeente fietsgebruik stimuleren. Fietsen is gezond, draagt bij aan schonere lucht en aan een leefbaar en bereikbaar Amsterdam. Het is dan ook belangrijk om goed toegankelijke fietsparkeerplekken met voldoende (inpandige) ruimte voor scooters en een aantal oplaadpunten voor elektrische tweewielers te realiseren. Deze en andere normen en richtlijnen zijn opgenomen in de nota ‘Parkeernormen Fiets en Scooter’.

6.8 Afvalinzameling De gemeente Amsterdam streeft ernaar om afval zoveel mogelijk bij de bron te scheiden. De essentie van het beleid is dat bewoners hun restafval (incl. plastic), glas, papier, GFT/GFE en textiel dichtbij de woning kwijt kunnen in ondergrondse en bovengrondse containers. Bij de locatiekeuze voor de containers houdt de gemeente rekening met maximale loopafstanden en ondergrondse mogelijkheden. Het dan nog resterende grof afval wordt op afspraak opgehaald. De gedachte is om op termijn in de wijk punten te realiseren waar bewoners dit zelf naartoe kunnen brengen. Voor GFT/GFE geldt verder dat gemeente adviseert om bij wooncomplexen met meer dan 50 woningen voedselvermalers toe te passen, aangesloten op een apart leidingenstelsel dat niet loost op het riool. De wijze van toepassing van dit systeem heeft de gemeente nog in onderzoek.

65

6.9 Overig Kabels en Leidingen Er liggen diverse (hoofd)kabels en leidingen in het plangebied. Vanwege herstructurering van het gebied; de vervanging van gasleidingen door leidingen voor een alternatief verwarmingssysteem; en het feit dat het overgrote deel van de leidingen van nutsvoorzieningen is verouderd, wordt een groot deel van het kabels- en leidingenpakket in de ondergrond vervangen door de betreffende nutspartijen. Geluid Wegverkeer De Lodewijk van Deysselbuurt ligt binnen de zone van 50 km/u wegen, respectievelijk de Burgemeester Röellstraat en de Slotermeerlaan. De buurt wordt doorsneden door de Burgemeester van Leeuwenlaan. Dit gedeelte van de Burgemeester van Leeuwenlaan is ook een 50km/u weg, mogelijk af te waarderen tot 30km/u. Laatstgenoemde type wegen hebben krachtens de Wet geluidhinder (Wgh) geen zone. De verwachting is dat de voorkeursgrenswaarden uit de Wgh voor woningen worden overschreden vanwege het wegverkeerslawaai van de Burgemeester Röellstraat, de Slotermeerlaan en de Burgemeester van Leeuwenlaan. Voor nieuw te bouwen woningen binnen de geluidszone van deze wegen zal, als sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarden een ontheffing van de voorkeurswaarde worden aangevraagd. Mogelijk moeten nieuwe woningen die langs de Burgemeester Röellstraat komen worden voorzien van een dove gevel.

Indien nieuw te bouwen woningen uitgevoerd moeten worden met dove gevel, dan is op grond van het geluidbeleid van Amsterdam een stille zijde verplicht.

66

Industrieterrein Westpoort Het plan is gelegen binnen de zone van het gezoneerde industrieterrein Westpoort. De verwachting is dat, gezien de afstand tot het gezoneerde industrieterrein de voorkeursgrenswaarde vanwege industrielawaai niet wordt overschreden. Indien uit nader onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, dan zal een ontheffing van de voorkeursgrenswaarden worden afgegeven. Bezonning In verband met de hoogte en omvang van de te realiseren gebouwen en de nabijheid van woningen en tuinen van derden, wordt de schaduwval van de gebouwen in de Lodewijk van Deysselbuurt in de bijlage inzichtelijk gemaakt. Luchtkwaliteit Bij ontwikkelprojecten is het niet toegestaan dat de luchtkwaliteit met meer dan 3% verslechtert. Voor bepaalde categorieën van projecten is de 3 procentgrens getalsmatig geconcretiseerd in de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). Voor deze categorieën is het wettelijk geregeld (gebaseerd op berekeningen) dat in die gevallen de negatieve effecten de 3 procent-grens in ieder geval niet overschrijden. Dit betekent dat in de aangewezen gevallen zelfs geen indicatief onderzoek hoeft plaats te vinden en dat het project zonder verdere motivering of toetsing door kan gaan. Met de bouw van minder dan 1500 woningen valt het project binnen een van deze aangewezen categorieën voor de 3 procent-grens.

Archeologie Door Bureau Monumenten en Archeologie is 2018 in het kader van het bestemmingsplan Slotermeer 2018 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor geheel Slotermeer. Uit dit onderzoek blijkt dat ter plaatse van de planlocatie een lage archeologisch verwachtingswaarde geldt, omdat sprake is van recente verstoringen in de vorm van ophogingen. Nader onderzoek naar archeologische waarden is dan ook niet noodzakelijk.

Duurzaamheidsaspecten

Investeringsnota - Lodewijk van Deysselbuurt

67

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10878317/1