CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1_2 Bijlage - Onderzoek Ondervertegenwoordigd Amsterdam.pdf

RAAD 5 maart 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de eerste Staat van de juridische functie (VN2025-002456)34.445 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Uit SCP onderzoek (Miltenburg et al., 2022) blijkt dat de ervaring van toegenomen polarisatie vooral komt door verharding van de toon en verslechterde omgangsvormen in het publieke debat. Mensen geven aan polarisatie vooral in de politiek en op sociale media te zien. 53

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024

Hoewel ideologische polarisatie gemiddeld niet is toegenomen, laat het SCP rapport (Miltenburg et al., 2022) zien dat mensen op bepaalde onderwerpen wel degelijk tegenover elkaar zijn komen te staan. Zo hebben de covidpandemie en discussies over vaccineren gezorgd voor spanningen tussen vrienden en familie. Het SCP-onderzoek Sceptische visies in het coronadebat (Schaper & Hartman, 2023) toont zelfs dat sommige mensen met coronascepsis zich door hun omgeving en de overheid buitengesloten, gecensureerd en weggezet voelden. De onderzoekers benadrukken dat de overheid er ook moet zijn voor mensen met afwijkende opvattingen over maatschappelijke thema’s zoals de covidpandemie, klimaat en stikstof. Wanneer dit niet gebeurt, kunnen de politiek en de overheid – onder versterking van sociale media – zélf bijdragen aan toename van affectieve polarisatie (Schaper & Hartman, 2023). Ook kunnen gevoelens van ‘achterblijven’ ten opzichte van anderen de onderlinge solidariteit verminderen en antipathie richting anderen vergroten (Van Oudenhoven-van der Zee, 2024). Mensen die zowel bij de politiek, de maatschappij als hun omgeving geen aansluiting vinden kunnen overgaan op extremere acties om hun situatie kenbaar te maken – acties die zich ook tot de overheid kunnen richten.

Uit recent onderzoek blijkt dat 18% van de Nederlanders vindt dat de overheid zo slecht functioneert dat het systeem het beste omvergeworpen kan worden en 6% vindt zelfs dat geweld daarbij geoorloofd is (Miltenburg et al. 2023). Het groeiend aantal Nederlanders dat zich onafhankelijk van de Nederlandse Staat verklaart, zogenaamde soevereinen, kunnen in het licht van deze ontwikkelingen worden bezien (Zuidervaart, 2023).

5.3 Deelconclusie zorgen over de (eigen positie in de) samenleving Amsterdammers met een migratieachtergrond en/of een praktisch beroep ervaren maatschappelijke en politieke achterstelling en onderwaardering. Amsterdammers met een migratieachtergrond krijgen vaak te maken met discriminatie en voelen zich soms weggezet als ´tweederangsburger´. Ook Amsterdammers met een basis- of mbo-opleiding voelen zich ondergewaardeerd: ondanks hun harde werk plukken zij niet de vruchten van de welvaartsgroei in de stad. Sommige Amsterdammers zonder migratieachtergrond ervaren dat nieuwkomers met een migratieachtergrond worden ‘voorgetrokken’. Verder zijn Amsterdammers over het algemeen positief over de omgang tussen groepen met verschillende politieke opvattingen, religies en culturele achtergronden. Toch geeft het overgrote deel van de Amsterdammers aan dat verschillen van mening groter te lijken worden. Bezorgde buitenstaanderstemmers zijn negatiever dan gemiddeld over de omgang tussen verschillende groepen. Verklaringen voor deze gevoelens van achterstelling en onderwaardering kunnen onder meer gevonden worden in het diepgewortelde normdenken in de Nederlandse maatschappij (i.e. de macht van de heersende norm). Dit zorgt mede voor structurele onderwaardering van mensen met een migratieachtergrond en/of praktisch beroep.

Ook de zichtbare verschillen tussen arm en rijk leiden in een stad als Amsterdam tot sterke gevoelens van relatieve deprivatie (i.e. achterstelling ten opzichte van anderen). De toename van ideologische polarisatie is beperkt, maar mensen maken zich wel zorgen over affectieve polarisatie. Dit wordt gevoed door de politiek en de media. Wanneer mensen het gevoel hebben maatschappelijk ‘achter te blijven’ of niet serieus genomen te worden, kan dit leiden tot negatieve gevoelens jegens anderen.

54

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024

Barnas, K-Buurt

"Ik woon al dertig jaar in de buurt. Toch ken ik de buurt niet zo goed. Ik ga alleen naar bepaalde plekken waar ik mij vertrouwd voel. De gemeente zou meer kunnen doen aan het afval op straat. Ik vind dat daar echt meer aan gedaan zou kunnen worden. Ik zie regelmatig mensen blikjes vissen uit de vuilnisbakken. Als je dan in de supermarkt je blikjes wil inleveren, staan er altijd heel veel mensen met grote zakken blikjes te wachten om ze in te leveren. Daaraan zie ik dat er veel armoede is in de buurt. Ik stem eigenlijk nooit. Ik heb een Indonesisch paspoort waardoor ik niet voor de nationale of Europese verkiezingen mag stemmen. Er zijn veel mensen in de buurt met dezelfde situatie als ik. Ik mag wel voor de gemeenteraadsverkiezingen stemmen. Toch heb ik dat de afgelopen keer niet gedaan. Ik heb niet genoeg informatie en ik verdiep me er eigenlijk ook niet echt in. Politiek heeft me nooit echt geïnteresseerd. Ik ben geen politiek mens. Politiek is een vak; je kan je mening geven, maar als het puntje bij het paaltje komt, doen ze toch wel wat ze zelf willen. Misschien zou ik wel stemmen voor de nationale verkiezingen, maar ze zeiden dat ik dan moest kiezen voor een Nederlands paspoort. Ik zou dan mijn Indonesische paspoort moeten opgeven. Dat vond ik toch wel moeilijk.

Ik voel nog steeds een hele sterke band met mijn familie daar, waardoor ik het niet wil opgeven." Foto en verhaal: Debra Barraud.

55

Deel B.

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024

Hoofdstuk 6. Zorgen over de politiek en overheid Kernpunten – wat de stad ons vertelt 

Amsterdammers zijn positiever over lokale dan landelijke instituties. Desondanks is het vertrouwen in lokale instituties laag onder bepaalde groepen. Vooral Amsterdammers met een migratieachtergrond, een laag inkomen, een basis- of mboopleiding en ouderen hebben relatief weinig vertrouwen.

Deze groepen ervaren relatief vaak dat de belangen van mensen zoals zij niet goed vertegenwoordigd worden in de Amsterdamse gemeenteraad. Zij ervaren dat de politiek niet naar hen luistert en dat ze weinig invloed op besluiten hebben.

Met name Amsterdammers met een jonge leeftijd, een migratieachtergrond en/of een basis- of mbo-opleiding vinden dat lokale politici en ambtenaren hun dagelijkse realiteit onvoldoende begrijpen. Zij ervaren een gebrek aan inlevingsvermogen.

Amsterdammers met weinig hulpbronnen lopen tegen drempels aan in hun contact met instanties. De juiste hulp krijgen, vraagt te veel financiële, digitale en taalvaardigheden. Sommigen van hen Amsterdammers voelen zich in contact met instanties niet serieus genomen en zijn soms zelfs niet meer geneigd aan te kloppen bij de overheid.

Kernpunten – duidingen door experts 

Politieke participatievormen zijn vooral ingericht op mensen met een hbo-/woopleidingsniveau en veel tijd en hulpbronnen. Dit draagt bij aan de uitsluiting van andere groepen.

De verschillen tussen Nederlanders met weinig en veel politiek vertrouwen worden groter. Politiek vertrouwen is steeds vaker een motivator voor stemgedrag en partijkeuze. Wantrouwende burgers zijn vaker ontevreden over politieke besluitvormings- en uitvoeringsprocessen dan vertrouwende burgers.

De overheid kan de hoge verwachtingen van burgers niet (allemaal) waarmaken. Politieke beloften sluiten niet altijd aan bij de weerbarstige praktijk. Versnipperde verantwoordelijkheden voor beleid en uitvoering belemmeren daadkracht.

Vermarkting en decentralisatie in het openbaar bestuur hebben tot verschraling van publieke diensten en toenemende afstand tussen overheid en burger geleid. Dit raakt met name burgers die afhankelijk zijn van deze diensten.

Maatschappelijke organisaties, verenigingen en burgerinitiatieven weten wat er bij verschillende (ondervertegenwoordigde) groepen in de samenleving speelt. Hun kennis en ervaring wordt nog onvoldoende op waarde geschat en benut in democratische besluitvorming en beleid. 5656

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024

6 Zorgen over de politiek en overheid

Eerder lieten we zien dat groepen Amsterdammers die minder geneigd zijn te stemmen of stemmen op buitenstaanderpartijen zorgen ervaren over de veranderende stad en leefomgeving (hoofdstuk 4) en over (hun positie in) de samenleving (hoofdstuk 5). Dit laatste hoofdstuk verkent hun zorgen en onvrede over de politiek en de overheid. Daarbij is goed om aan te geven dat uit onderzoek blijkt dat Amsterdammers het onderscheid tussen landelijke en lokale politiek en overheid vaak niet maken. Dit betekent dat de lokale politiek ook wordt afgerekend op landelijke ontwikkelingen, zoals de Toeslagenaffaire, het debat in de Tweede Kamer en de houding van landelijke politici (Vermeulen et al., 2023). Desalniettemin vinden we het belangrijk om deze sentimenten onder Amsterdammers in kaart te brengen; dit is immers wat leeft in de stad. Vervolgens schetsen we samen met experts de bredere maatschappelijke en bestuurlijke ontwikkelingen die mogelijk hebben bijgedragen aan deze sentimenten in de stad.

6.1 Wat de stad ons vertelt Laag vertrouwen in de politiek en overheid In Amsterdam is het vertrouwen in lokale instituties – de burgemeester, wethouders, de gemeenteraad en ambtenaren – “Je kunt je mening geven, over het algemeen hoger dan het vertrouwen in landelijke maar als het puntje bij het instituties (Rubingh et al., 2024). Dit verschil tussen vertrouwen paaltje komt doen ze toch in lokale en landelijke instituties zien we ook in de rest van wel wat ze zelf willen.” Nederland (De Blok & Brummel, 2022). Desalniettemin hebben bepaalde groepen Amsterdammers weinig vertrouwen in - Barnas, K-buurt Amsterdamse instituties: Amsterdammers met een migratieachtergrond, een laag inkomen, een basis- of mboopleiding en/of oudere Amsterdammers (Rubingh et al., 2024). Illustratief hiervoor is een onderzoek onder vier groepen Amsterdammers over de nationale politiek: marktpersoneel, ROCstudenten, advocaten en leden van een bridgeclub (Steenvoorden, 2023). Het marktpersoneel en de ROC-studenten delen een gebrek aan politiek vertrouwen en voelen zich genegeerd door de politiek. Het marktpersoneel voelt zich kwetsbaar voor de regelingen van de overheid die hen verrassen en soms hard raken. ROC-studenten ervaren de politiek als een oneerlijk spel, waarin zij buitenspel staan vanwege de discriminatie en ongelijkheid in de samenleving en het onderwijs.

Ook de manier waarop nationale politiek bedreven wordt, ervaren veel Amsterdammers als problematisch. Oorzaken daarvoor zijn ‘loze beloftes’ bij verkiezingen, schofferende taal in het debat en politici die de waarheid ontwijken (Steenvoorden, 2023). Dit blijkt ook uit Amsterdams onderzoek onder jongeren, Amsterdammers met een migratieachtergrond en met een basis- of mbo-opleiding. Hoewel is gevraagd naar wat men vindt over de politiek in Amsterdam noemen mensen vaak landelijke politici en schandalen. Amsterdammers hebben het gevoel dat nationale politici hun fouten niet erkennen en de belangen van mensen in een meer kwetsbare positie niet oprecht vertegenwoordigen. Dat beeld straalt af op de lokale politiek (Vermeulen et al., 2023).

57

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024 Als we naar verschillende groepen stemmers kijken, valt op dat bezorgde buitenstaanderstemmers twee keer zo vaak als gemiddeld aangeven weinig vertrouwen te hebben in instituties, zowel lokaal als landelijk (zie figuur 6.1). Deze groep maakt zich ook twee keer zoveel als gemiddeld zorgen over het bestuur en de politiek in de stad (zie figuur 4.1, p.39). In deze groep zitten relatief veel mensen met een lager en middeninkomen en basis- of mboopleiding. Bezorgde niet-stemmers lijken in hun “Ik ben mijn vertrouwen in de antwoorden meer op het Amsterdamse gemiddelde; overheid lang geleden verloren. alleen over de meeste lokale instituties zijn zij iets […] Ik stem niet. Ik vind het negatiever dan gemiddeld. Ook geven zij vaker aan ‘niet allemaal bullshit. Ze zijn zo te weten’ of ze vertrouwen hebben in lokale instituties, respectloos tegen elkaar.” wat kan duiden op onbekendheid met de lokale overheid - Romeo, Indische Buurt-Oost en politiek. Dit kan ermee te maken hebben dat in deze groep veel eerste generatie migranten zitten. Figuur 6.1 Aandeel Amsterdammers dat aangeeft weinig vertrouwen te hebben in lokale en landelijke instituties (procenten)

Ervaren gebrek aan representatie 30% van alle Amsterdammers vindt dat de belangen van mensen zoals zij niet goed vertegenwoordigd worden in de Amsterdamse gemeenteraad (zie figuur 6.2). Amsterdammers die zich niet vertegenwoordigd voelen, vinden ook vaker dan gemiddeld dat het de verkeerde kant op gaat met de stad (Rubingh et al., 2024). Dit geldt vooral voor Amsterdammers die wel eens discriminatie hebben ervaren, Amsterdammers met een hoge leeftijd, een basis/mbo-opleiding en/of een laag inkomen (Rubingh et al., 2024). Ook uit Amsterdams onderzoek onder nietstemmende jongeren, Amsterdammers met een basis- of mbo-opleiding en Amsterdammers met een migratieachtergrond blijkt een gedeeld gevoel dat de politiek niet naar hen luistert en hen in de steek laat. Dat zorgt voor afstand, weinig gevoelde betrokkenheid en desinteresse in de lokale 58

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024 politiek (Vermeulen et al., 2023). Deze kiezers, vooral (maar niet uitsluitend) wonend aan de randen van de stad, voelen zich achtergesteld door de politiek: politici komen niet uit hun buurt en luisteren niet naar hen. Dit voedt wantrouwen (Vermeulen et al., 2023). Als we naar verschillende groepen stemmers kijken, vallen vooral de bezorgde buitenstaanderstemmers op: ruim de helft van hen vindt dat hun belangen onvoldoende vertegenwoordigd worden in de gemeenteraad tegenover 30% gemiddeld (zie figuur 6.2). Hierin zitten veel lage en middeninkomens en Amsterdammers met een basis- of mbo-opleiding. Ook 39% van de bezorgde niet-stemmers, met relatief veel eerste generatie migranten, vindt dit. Daarnaast denkt ongeveer 40% van zowel de bezorgde niet- als buitenstaanderstemmers dat raadsleden en wethouders niet geven om wat mensen zoals zij denken (tegenover 22% gemiddeld; Rubingh et al., 2024 ). Figuur 6.2 Mening van Amsterdammers over de stelling ‘de belangen van mensen zoals ik worden in de Amsterdamse gemeenteraad goed vertegenwoordigd’ (procenten)

Uit de toelichting van bezorgde buitenstaanders bij hun zorgen over bestuur en politiek spreekt onvrede over het ‘linkse stadsbestuur’ (zie figuur 4.1, p.39). Ook uit gesprekken in Tuindorp Buiksloot en De Punt kwam frustratie naar voren over bestuurders ‘die zich alleen maar met diversiteit en klimaat bezighouden’ (maart 2024). In Amsterdam hebben buitenstaanderpartijen de afgelopen decennia zelden onderdeel uitgemaakt van de coalitie; de SP is de enige uitzondering. Ervaren gebrek aan inlevingsvermogen Door de manier waarop politici en beleidsmakers communiceren en beslissingen nemen, hebben sommige Amsterdammers het gevoel dat zij niet begrijpen wat er werkelijk in hun leven en buurt speelt. Met name Amsterdammers met een jonge leeftijd, een migratieachtergrond en/of een basisof mbo-opleiding ervaren een gebrek aan inlevingsvermogen en empathie van lokale politici en ambtenaren (Vermeulen et al., 2023). Zij ervaren niet altijd dat politici en ambtenaren hun dagelijkse realiteit onvoldoende begrijpen. Dat maakt hen onzeker, omdat ze er niet op vertrouwen dat er bij beleid goed wordt nagedacht over nadelige effecten voor hen en ervaren dat besluiten in hun nadeel uitpakken (Vermeulen et al. 2023; Steenvoorden, 2023). Een voorbeeld waar dit gevoel tot uiting kwam, is een nieuw gezondheidscentrum in de H-buurt voor Amsterdammers met een West-Afrikaanse achtergrond.

Hoewel er een bekende en vertrouwde West-Afrikaanse dokter actief was in de buurt, leidde de gemeentelijke aanbesteding tot een “Je moet meer kunnen dan alleen maar een gezondheidscentrum van een nationaal beetje smerig spelletjes spelen in de politiek. Je conglomeraat met dokters zonder Westmoet je kunnen inleven, je moet weten wat er Afrikaanse binding en wortels in de wijk in de bevolking speelt. Ga bij scholen langs, (interview gebiedsmakelaar H-Buurt, maart praat met mensen, praat daarmee.” 2024). Dergelijke keuzes kunnen bewoners in hun beeld bevestigen dat de overheid - Man met Caraïbische migratieachtergrond, respondent niet opkomt voor mensen zoals zij. Als we ‘Lage lokale betrokkenheid en grote ongelijkheid’ 2023 naar verschillende groepen stemmers kijken, vindt een groot aandeel van de bezorgde niet-stemmers (38%) en de bezorgde buitenstaander-stemmers (41%) dat de overheid 59

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024 onvoldoende doet voor mensen zoals zij ten opzichte van het Amsterdamse gemiddelde (26%; zie figuur 6.3). Figuur 6.3 Mening van Amsterdammers over de stelling ‘De overheid doet onvoldoende voor mensen zoals ik’ (procenten)

Ervaren gebrek aan toegankelijke informatie en dienstverlening Contact met de overheid vereist goed begrip van overheidssystemen, taalvaardigheid en financiële en digitale vaardigheden. Amsterdammers die hier niet of in mindere mate over beschikken lopen dikwijls tegen obstakels aan (Vermeulen et al., 2023; gesprekken in Geuzenveld en de Indische Buurt, maart en april 2024). Voor sommige Amsterdammers hebben de obstakels en het ervaren onbegrip in hun contact met instanties ervoor gezorgd dat zij helemaal geen contact meer willen opnemen (gesprekken in Geuzenveld en de Indische Buurt Oost, maart en april 2024; Vermeulen et al., 2023). Als we naar verschillende groepen stemmers kijken, zijn met name bezorgde buitenstaanderstemmers negatiever dan gemiddeld over de gemeentelijke dienstverlening (zie figuur 6.4). Amsterdammers die negatief zijn over de gemeentelijke dienstverlening geven onder meer ”Het gaat inmiddels een stuk beter aan dat ze zich niet serieus genomen voelen (Wat met mij, maar ik heb eigenlijk nog Amsterdammers Bezighoudt, nog te publiceren). Ze steeds een begeleider nodig.

Maar hebben ook relatief weinig vertrouwen in door mijn slechte ervaring neem ik die Amsterdamse instituties en voelen zich onvoldoende stap niet meer richting de gemeente.” vertegenwoordigd door de Amsterdamse - Beverly, Indische Buurt-Oost gemeenteraad (figuur 6.1 en 6.2; Rubingh et al., 2024). Figuur 6.4 Aandeel Amsterdammers dat een rapportcijfer van 5 of lager gaf aan de dienstverlening van de gemeente Amsterdam, gebaseerd op het laatste contact (procenten)

60

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024 Niet alleen inwoners geven aan te maken te hebben met ingewikkelde eisen en controles; ook lokale initiatiefnemers in onder andere de Indische Buurt-Oost ervaren dit. Deze kleinschalige buurtinitiatieven hebben veel waarde voor en kennis over de buurt. Ze hebben alleen vaak weinig tijd, capaciteit of kennis om aan alle eisen van gemeentelijke subsidies te voldoen. Hierdoor kunnen zij lastig concurreren met grote gemeentelijke partners die wel beschikken over ‘systeem-professionaliteit’, mede doordat de gemeente daar soms al een subsidierelatie mee heeft (gesprekken in de Indische Buurt-Oost, april 2024).

“Ze [ambtenaren] kunnen toch ook een paar keer bij m’n initiatief langskomen om te kijken wat voor goeds ik met het geld doe?” - Maatschappelijk werker, Indische Buurt

6.2 Duiding door experts De representatieve democratie lijkt met name ingericht op mensen met een hbo-/woopleidingsniveau en met veel tijd en hulpbronnen; dit sluit vooral jongeren, mensen met een basis of mbo-opleiding, een migratieachtergrond en/of een slechtere gezondheid uit. Nederlanders zijn redelijk tevreden met het functioneren van de democratie, zowel op lokaal als op nationaal niveau (De Blok & Brummel, 2022). Toch werkt de Nederlandse democratie niet voor iedereen even goed, stelt de Staatscommissie Parlementair Stelsel in het rapport Lage drempels, hoge dijken (Remkes et al., 2018). Er is sprake van ongelijkheid in representatie, politieke participatie en ervaring van maatschappelijk onbehagen. Verschillende onderzoeken laten zien dat die ongelijkheden een sterke sociaaleconomische en culturele dimensie hebben (Vrooman et al., 2023; Vermeulen et al., 2023; De Voogd & Cuperus, 2021; Vollaard et al., 2022). Zo ervaren mensen met weinig hulpbronnen zoals tijd, geld, opleiding, sociaal netwerk en democratische vaardigheden relatief veel maatschappelijk onbehagen en weinig vertrouwen in de politiek (Vrooman et al. 2023). In het algemeen is politieke participatie laag onder mensen met weinig politiek zelfvertrouwen en (een omgeving met) weinig politieke interesse.

Dit betreft vooral jongeren, mensen met een basis of mbo-opleiding, een migratieachtergrond en/of een slechtere gezondheid (Vrooman et al., 2023; Bovens & Wille, 2011; Vermeulen et al., 2023). Voor deze groepen is de drempel voor politieke participatie (te) hoog. Dat gaat zowel voor stemmen als voor andere politieke activiteiten zoals inspraakrecht, participatietrajecten of burgerberaden. Dit soort participatiekanalen worden onvoldoende ingericht op mensen met andere sociaalculturele waarden dan de norm, mensen die de Nederlandse taal niet goed spreken en/of mensen die – bijvoorbeeld door zorgen in hun dagelijkse leven – weinig tijd of aandacht hebben voor de politiek (Vrooman et al., 2023; Bovens & Wille, 2011; Vermeulen et al., 2023). Deze groepen participeren eerder op manieren die als ondergeschikt aan ‘conventionele’ politieke activiteiten worden gezien in de maatschappij (interview Ghorashi, augustus 2024). Denk aan protesteren, online activisme of aansluiten bij een sociale beweging versus stemmen of lid zijn van een politieke partij. Zo zijn mensen met een tweede generatie migratieachtergrond vaker politiek actief middels fysieke en online (protest)acties dan mensen zonder migratieachtergrond (Dagevos & Vermeulen, 2024). Verschillende groepen herkennen zich daarnaast niet of minder in politici, bestuurders en ambtenaren.

Nederlanders met een migratieachtergrond voelen zich weinig vertegenwoordigd, vinden de politiek te weinig divers en ervaren dat de politiek niet naar hen luistert (Dagevos & Vermeulen, 2024). Ook mensen met een basis- of mbo-opleiding ervaren dat de politiek er niet voor hen is. Zo blijkt uit onderzoek dat volksvertegenwoordigers en ambtenaren vaak hbo- of woopgeleid zijn en dat de standpunten van politici grotendeels overeenkomen met de voorkeuren van 61

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024 hbo- en wo-opgeleide burgers (Vollaard et al., 2022; Schakel, 2020; Schakel & Van der Plas, 2021; Bovens & Wille, 2011). Dit speelt ook in Amsterdam (Boterman & van Gent, 2023). Daar komt bij dat bestuurders vaak moeilijke taal gebruiken en uit een welgesteld milieu komen. Dat draagt voor bepaalde groepen bij aan een gevoel van afstand met de overheid (interview Van Oudenhoven-van der Zee, augustus 2024). Het gebrek aan herkenning in de politiek leidt bij deze groepen tot het gevoel dat hun problemen niet erkend worden (Dagevos & Vermeulen, 2024; Vrooman et al., 2023; Vermeulen et al., 2023). De verschillen tussen Nederlanders met weinig en veel politiek vertrouwen worden groter De afgelopen 15 jaar is het gemiddelde vertrouwen in de politiek stabiel gebleven, maar is het verschil tussen Nederlanders met meer en minder politiek vertrouwen groter geworden. De toename in het verschil komt vooral doordat wantrouwende burgers steeds meer wantrouwen ervaren. Daarbij speelt de tevredenheid met het besluitvormings- en het uitvoeringsproces voor politiek wantrouwende burgers een veel grotere rol in hun vertrouwensoordeel dan voor vertrouwende burgers (De Blok & Brummel, 2022). Het vertrouwen van Nederlanders op een eerlijk verkiezingsverloop hangt sterk samen met politieke voorkeur.

Kiezers van PvdA, GroenLinks en Volt geloven het sterkst in een eerlijk verloop, terwijl kiezers van PVV, DENK en vooral FVD daar het minst in geloven (Van Noije, & Den Ridder,, 2024). Er zijn grote verschillen in vertrouwen tussen mensen die goed kunnen meekomen in de samenleving en mensen die achterblijven (De Ree, 2024). Omdat politiek vertrouwen steeds vaker meespeelt bij partijkeuze, ontstaat er ook een steeds duidelijker onderscheid tussen partijen met ‘vertrouwende kiezers’ (o.a. VVD, D66, CDA, CU) en partijen met ‘wantrouwende kiezers’ (o.a. PVV, FvD, JA21, BBB; CBS, 2019; interviews Van der Meer & De Blok, augustus 2024). Een kritische houding ten aanzien van de politiek is niet problematisch. Sterker nog: het houdt gezagsdragers scherp en draagt daarmee juist bij aan de betrouwbaarheid van politiek en overheid (Zmerli & Van der Meer, 2017). Maar een te groot verschil in politiek vertrouwen tussen groepen is onwenselijk. Dat duidt namelijk op het onvermogen van de representatieve democratie om met het maatschappelijk onbehagen van bepaalde groepen om te gaan (interview Van der Meer, augustus 2024). Met name onder kiezers op partijen aan de flanken groeide het sentiment dat stemmen ‘toch geen zin heeft’.

Zij zagen Nederland de afgelopen twaalf jaar bestuurd worden door coalities van gevestigde (midden)partijen zonder uitzicht op een realistisch alternatief (interview Van der Meer, augustus 2024). Wanneer partijen structureel geen onderdeel van de regeringscoalities zijn, kan dit bij hun kiezers leiden tot wantrouwen (Kern & Kölln, 2022). Niet toevallig staan kiezers met weinig politiek vertrouwen vaak positief tegenover vormen van directe democratie zoals het referendum: een rechtstreekse manier om invloed uit te oefenen (Ouattara & Van der Meer, 2023). Anderen hebben de voorkeur voor bijvoorbeeld protesteren, online activisme of aansluiting bij een sociale beweging. Wanneer deze participatievormen niet erkend worden, kan dit leiden tot twijfels over de legitimiteit van de politieke macht of zelfs het democratisch systeem (interviews Van der Meer & De Blok, augustus 2024). Iemands vertrouwen in het nationale bestuur hangt samen met vertrouwen in het lokaal bestuur. Beiden worden beïnvloed door iemands algemene houding tegenover een politiek systeem. Ook is het vertrouwen in de nationale politiek vaak een maatstaf voor vertrouwen in minder bekende bestuurslagen. Wel wordt lokaal vertrouwen ook bepaald door de tevredenheid met lokale prestaties (Blok & Brummel, 2022).

62

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024 De overheid kan de hoge verwachtingen van burgers niet (allemaal) waarmaken In tijden van grote maatschappelijke opgaven en crises wordt er veel verwacht van de politiek en overheid (Miltenburg et al., 2024). De meeste Amsterdammers maken hierin geen onderscheid tussen de landelijke en lokale overheid (Vermeulen et al., 2023). Die verwachtingen worden onder andere gevoed door grote politieke beloften en ruimhartige compensatieregelingen – bijvoorbeeld bij de covidpandemie en de toeslagenaffaire (interviews De Groot & Van Oudenhoven-van der Zee, augustus 2024). Mede hierdoor is er een vals verwachtingspatroon ontstaan dat de overheid complexe problemen eenvoudig kan oplossen, maar de praktijk blijkt weerbarstiger. In hun handelen hebben lokale en landelijke overheden zich aan financiële en juridische kaders te houden, waardoor niet alles snel kan (Van Oudenhoven-van der Zee, 2023). Daarnaast beperkt versnippering van verantwoordelijkheden de slagkracht van overheden: deze zijn verspreid over verschillende bestuurslagen (Rijk, provincies, gemeenten), uitvoeringsinstanties en maatschappelijke organisaties. Een gemeente kan er bijvoorbeeld op worden aangesproken als een woningcorporatie of zorgaanbieder niet levert, terwijl de gemeente niet de regie heeft over het nationale beleid (en daarmee de corrigerende middelen).

Uiteindelijk zijn met name burgers die afhankelijk zijn van publieke diensten hier de dupe van (Kruiter et al., 2023). De discrepantie tussen grote politieke beloften en de weerbarstige praktijk heeft invloed op het politiek vertrouwen. De huidige regeringspartijen hebben over het algemeen kiezers met lager politiek vertrouwen. Sinds hun verkiezing zien we een lichte stijging in vertrouwen, vooral onder mensen die basis- en mboopgeleid zijn (Den Ridder et al., 2024; Nieuwkerk & Hekkema, 2024). Wanneer deze partijen er niet in slagen hun verkiezingsbeloftes waar te maken, kan dat het vertrouwen van kiezers met relatief weinig vertrouwen verder schaden (interviews De Groot, De Blok & Van Oudenhoven-van der Zee, augustus 2024). Vermarkting en decentralisatie in het openbaar bestuur hebben geleid tot verschraling van publieke diensten en toenemende afstand tussen overheid en burger In de jaren ’80 ontstond in Nederland de overtuiging dat de markt en de zelfstandigheid van burgers centraal moesten staan, en dat de overheid dit op afstand moest faciliteren (Polman et al., 2022). Dit leidde tot de vermarkting van verschillende maatschappelijke instituties en de decentralisatie van publieke taken zoals jeugdzorg, maatschappelijke ondersteuning en asielopvang.

Hoewel het idee was dat gemeenten dichterbij de burger stonden dan het Rijk, leidde de decentralisatie paradoxaal genoeg juist tot een grotere afstand tussen overheid en burgers. Gemeenten moesten hun nieuwe taken namelijk met minder geld uitvoeren, wat leidde tot automatisering, minder persoonsgerichte dienstverlening en verschraling van voorzieningen in bepaalde wijken (Polman et al., 2022; De Groot, 2022; Amagir & Kremer, 2024; interview De Blok, augustus 2024). Gedigitaliseerde dienstverlening heeft de overheid voor velen een onpersoonlijk instituut gemaakt (o.a. Staatscommissie Rechtstaat, 2024). Het ontbreken van een gezicht is juist voor mensen met een hulpvraag lastig, omdat het aanvragen van steun een hele stap kan zijn. Het kan bijvoorbeeld ingewikkeld zijn om de juiste hulp te krijgen bij hulp- en zorgvragen: men krijgt te maken met bureaucratische procedures, voelt zich van het kastje naar de muur gestuurd en wordt dikwijls te woord gestaan door ambtenaren die vanuit regelingen in plaats van de persoon denken (interviews Kremer & Braun, september 2024; Plaisier et al., 2023; Staatscommissie Rechtstaat, 2024; Amagir & Kremer, 2024). De houding van instanties speelt hierin mee: sommige burgers ervaren een onverschillige of afhoudende opstelling, of voelen zich benaderd met wantrouwen of paternalisme (interview Kremer, september 2024).

Het gevolg is dat veel mensen niet meer voor hulp bij de overheid willen of durven aankloppen (interviews Kremer & Braun, september 2024; Plaisier et al., 2023; Staatscommissie Rechtstaat, 2024; Amagir & Kremer, 2024). Daar komt bij dat juist burgers met weinig hulpbronnen vaak onvoldoende bescherming door en tegen de overheid ervaren (Staatscommissie Rechtstaat, 2024) – iets wat 63

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024 bijvoorbeeld in het Toeslagenschandaal pijnlijk bloot werd gelegd. Ook is de toegang tot rechtsbescherming voor mensen met weinig hulpbronnen verslechterd door bezuinigingen op de rechtsbijstand (Staatscommissie Rechtstaat, 2024). De drempels die deze burgers ervaren in hun interactie met instanties kunnen leiden tot wantrouwen en soms zelfs tot angst voor de overheid (Staatscommissie Rechtstaat, 2024): het vertrouwen wordt gemaakt of gebroken in het contact met de overheid. Dit zien we ook in Amsterdam terug (Amagir & Kremer, 2024; interview Kremer, september 2024; De Blok & Brummel, 2022; Rubingh et al., 2024). Verschillende experts benadrukken in dit kader ook het belang van procedurele rechtvaardigheid: wanneer een proces eerlijk is verlopen zullen de meeste mensen begrip voor de uitkomsten hebben – ook als dit niet hun gewenste uitkomst is (interviews De Blok & Van Oudenhoven-van der Zee, augustus 2024; interviews Kremer & Braun, september 2024). Bij procedurele rechtvaardigheid is heldere communicatie over de uitkomsten van belang, net als ‘zachte’ waarden: burgers moeten gezien, gehoord en begrepen worden, met aandacht voor hun persoonlijke verhaal (Van den Bos, 2023; Lamont, 2023).

Daar komt bij dat in Amsterdam ook de afschaffing van de stadsdeelraden – als gevolg van de nieuwe Gemeentewet in 2014 – heeft bijgedragen aan een grotere afstand tussen bewoners en bestuurders. Het zorgde voor inperking van de democratische invloed van volksvertegenwoordigers dicht op de stad en een afname van de benaderbaarheid van bestuurders. Nog steeds kloppen Amsterdammers die contact zoeken met politici als eerst bij stadsdeelbesturen aan (Rubingh et al., 2024), maar zij maken niet meer de uiteindelijke politieke keuzes. En dat terwijl slechts een klein deel van de Amsterdammers (7%) bekend is met hun stadsdeelvoorzitter (Rubingh et al., 2024). De maatschappelijke democratie wordt nog onvoldoende op waarde geschat en benut in democratische besluitvorming In een representatieve democratie is het de meerderheid die bepaalt, maar wordt er rekening gehouden met minderheden. Dit vraagt om het doorlopend ophalen en afwegen van verschillende perspectieven voor het collectief belang (interview Braun, september 2024). We weten inmiddels dat de representatieve democratie niet alle groepen even goed betrekt – noch bij verkiezingen, noch bij tussenliggende participatiemogelijkheden. Met deze tussenliggende participatiemogelijkheden worden namelijk vooral groepen bereikt die ook al stemmen bij de verkiezingen (De Voogd & Cuperus, 2021; Binnema & Michels, 2021).

Zo krijgen de stemmen die al gehoord worden een extra podium. Terwijl het juist ook tussen verkiezingen van belang is om perspectieven breed op te halen, want dan worden de belangrijkste belangenafwegingen gemaakt: in de vertaling van politieke ambities naar beleid en uitvoering (Binnema & Michels 2021). Maatschappelijke organisaties, verenigingen, burgerinitiatieven, belangenorganisaties en sociale bewegingen – ook wel de maatschappelijke democratie – weten beter dan overheden politiek ondervertegenwoordigde groepen te bereiken (Albareda, 2018; Braun, 2022). Doordat deze ´tussenorganisaties´ en ´tussenpersonen´ weten wat er bij ondervertegenwoordigde groepen speelt en zien hoe overheidsbeleid in de praktijk uitwerkt, kunnen zij volksvertegenwoordigers en ambtenaren waardevolle input geven voor beleid: aan de voorkant en achteraf (Albareda, 2018; Ghorashi et al., 2023; interviews Kremer & Braun, september 2024). Die feedback achteraf is belangrijk: dat er aan de voorkant aandacht is voor de zorgen van de doelgroep, betekent niet automatisch dat het beleid in de praktijk goed voor hen werkt. Vaak is er in het ontwikkelproces toch te weinig rekening gehouden met hun leefwereld.

Dit komt mede doordat maatschappelijke expertise en ervaringsdeskundigheid minder op waarde geschat worden door beleidsmakers dan wetenschappelijke of beleidsmatige kennis (Braun, 2022; ’S Jongers, 2022; interview Kremer, september 2024). 64

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024

6.3 Deelconclusie zorgen over de politiek en overheid Bezorgde buitenstaanderstemmers zijn relatief negatief in hun oordeel over de overheid en de politiek. Ten opzichte van het gemiddelde hebben zij weinig vertrouwen in lokale instituties vinden ze relatief vaak dat hun belangen niet goed vertegenwoordigd worden in de gemeenteraad. Onder deze groep bevinden zich relatief veel Amsterdammers een laag of middeninkomen en/of een basisof mbo-opleiding. Van de bezorgde niet-stemmers geeft een relatief groot deel aan geen oordeel over vertrouwen in lokale instituties te hebben. Deze groepen voelen zich onvoldoende politiek vertegenwoordigd en hebben het idee dat de onderwerpen die voor hen belangrijk zijn onvoldoende terugkomen in beleid en politieke keuzes. Vooral Amsterdammers met een migratieachtergrond, een basis- of mbo-opleiding en/of een jonge leeftijd ervaren een gebrek aan inlevingsvermogen en begrip voor hun leefsituatie bij politici, bestuurders en ambtenaren. Amsterdammers met weinig instantiekapitaal ervaren barrières in taal, financiële en digitale vaardigheden in hun contact met instanties. Amsterdammers die negatief zijn over de gemeentelijke dienstverlening, hebben ook minder vertrouwen in Amsterdamse instituties en voelen zich minder vertegenwoordigd door de Amsterdamse gemeenteraad dan gemiddeld.

Politieke participatievormen lijken vooral ingericht op mensen met een hbo-/wo-opleidingsniveau en veel tijd en hulpbronnen. Mensen met weinig hulpbronnen zoals tijd, geld, opleiding, sociaal netwerk en politiek zelfvertrouwen herkennen zich weinig in volksvertegenwoordigers en ambtenaren, voelen weinig begrip voor hun zorgen en zien dat politieke keuzes en beleid vaak in hun nadeel uitpakken. Het verschil tussen Nederlanders met veel of juist weinig politiek vertrouwen is de afgelopen 15 jaar structureel toegenomen, vooral omdat het vertrouwen van sommigen afneemt. Ook lijkt politiek vertrouwen een steeds belangrijkere motivatie voor partijkeuze te worden. Daarmee ontstaat een steeds duidelijker onderscheid tussen partijen van vertrouwende en wantrouwende kiezers. Wanneer partijen structureel niet in regerende coalities worden opgenomen, kan dit bij hun kiezers leiden tot wantrouwen ten aanzien van de eerlijkheid van het democratisch proces, en de ervaring dat stemmen ‘toch geen zin heeft’. Politiek wantrouwen wordt ook veroorzaakt doordat de overheid de hoge verwachtingen van burgers niet (allemaal) kan waarmaken. Er is een mismatch tussen politieke beloften en de weerbarstige praktijk. Bestuurders maken onvoldoende duidelijk dat er grenzen zijn aan wat mogelijk is. Versnipperde verantwoordelijkheden voor beleid en uitvoering belemmeren daadkrachtig optreden.

Daarnaast hebben de vermarkting van verschillende maatschappelijke instituties en de decentralisatie van publieke taken zoals jeugdzorg, maatschappelijke ondersteuning en asielopvang de afstand tussen overheid en burger vergroot. Gemeenten moesten hun nieuwe taken namelijk met minder geld uitvoeren, wat leidde tot automatisering, minder persoonsgerichte dienstverlening en verschraling van voorzieningen in bepaalde wijken. Mensen met minder hulpbronnen en mensen die overheidsondersteuning nodig hebben, worden hier het hardst door geraakt. De drempels die deze burgers ervaren in hun interactie met instanties kunnen leiden tot wantrouwen en soms zelfs tot angst voor de overheid. Maatschappelijke organisaties, verenigingen en burgerinitiatieven weten goed wat er speelt onder ondervertegenwoordigde groepen en hoe beleid neerslaat in de praktijk. Deze kennis wordt alleen nog onvoldoende op waarde geschat en benut in democratische besluitvorming.

65

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024

Beverly, Indische Buurt

“Ik woon nu al 15 jaar in deze buurt en ik ben blij om hier te wonen. Echter heb ik de buurt in de periode dat ik er woon enorm zien veranderen. Er komen steeds meer expats in deze buurt wonen en alles is zo ontzettend duur geworden. Zelf ben ik hier ook 25 jaar geleden naartoe geëmigreerd vanuit Ierland. Ik ben dus eigenlijk ook een expat, alleen heb ik nooit de voordelen gekend die expats tegenwoordig krijgen. Ik heb echt de moeite genomen om de Nederlandse taal te leren. Ik vond het altijd heel belangrijk om met mijn buren te kunnen communiceren in het Nederlands. Het lijkt erop dat veel van de expats die zich hier nu vestigen enkel voor een paar jaar komen en dus vaak niet hun buren kennen. Ik ben afgekeurd en chronisch ziek. Een paar jaar geleden ging het niet zo goed met mij. Op dat moment had ik schuldhulpverlening en maatschappelijk werk nodig. Ik kreeg toen hulp aangeboden vanuit de gemeente, maar ik was niet in staat om aan al hun eisen te voldoen. Ik had een begeleider nodig die kon functioneren tussen mij en de gemeente. Omdat ik alles zelf moest doen, heb ik uiteindelijk niet veel aan de hulp gehad. Ze verwachtten dat ik op hetzelfde niveau functioneerde als toen ik operations manager was bij een globaal bedrijf, maar dat kon ik niet; dat was juist waarom ik in de problemen was gekomen.

Het gaat inmiddels een stuk beter met mij, maar ik heb eigenlijk nog steeds een begeleider nodig. Maar door mijn slechte ervaring neem ik die stap niet meer richting de gemeente. Over 15 jaar ben ik er waarschijnlijk niet meer. Ik zie dat als een privilege. Daardoor maak ik mij niet zo veel zorgen om mijn toekomst. Maar ik ben blij dat ik geen kinderen heb, want als ik nu kinderen zou hebben, zou ik me enorm veel zorgen maken over hun toekomst. Alles wordt tegenwoordig gecontroleerd en geregistreerd. Je laat een scheet en de overheid weet het. Wat echt verbeterd zou kunnen worden, is de woning situatie. Je kunt überhaupt in deze tijd geen woning meer vinden. Ik vind dat er een betere mix moet zijn van sociale huur, koopappartementen en vrije sector huurwoningen.” Foto en verhaal: Debra Barraud.

66

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024

Hoofdstuk 7. Conclusie Politieke ondervertegenwoordiging tekent zich in Amsterdam langs dezelfde scheidslijnen af als landelijk Kernpunten •

De ongelijkheid in politieke participatie tekent zich langs vergelijkbare demografische, sociaaleconomische en geografische scheidslijnen af als landelijk: Amsterdammers met een basis- of mbo-opleiding, een laag inkomen, een migratieachtergrond, een jonge leeftijd en/of een slechte gezondheid stemmen minder dan gemiddeld. Als ze stemmen, doen ze dat relatief vaak op buitenstaanderpartijen. Zij wonen vaker dan gemiddeld in wijken buiten de stadsring.

•

Politiek ondervertegenwoordigde Amsterdammers maken zich zorgen over de veranderende stad en leefomgeving, (hun eigen positie in) de samenleving en over de politiek en overheid. Deze zorgen komen mede voort uit de (inter)nationale ontwikkelingen en politieke keuzes die de stad in de afgelopen jaren ruimtelijk, economisch, sociaal-cultureel en bestuurlijk hebben gevormd.

•

De zorgen van ondervertegenwoordigde groepen onderstrepen het belang van de ambities van het Amsterdamse College om ongelijkheden tegen te gaan en een betrouwbare overheid te zijn. Deze beleidsaandacht leidt er echter niet automatisch toe dat ondervertegenwoordigde groepen zich geholpen en erkend voelen.

•

De structurele ongelijkheid in politieke participatie kan worden gezien als een signaal dat de representatieve democratie niet voor alle Amsterdammers even goed werkt. Dit kan leiden tot een vicieuze cirkel van verdere verwijdering, met als risico dat het politici en ambtenaren minder lukt om een goede belangenafweging en effectief beleid te maken.

•

Er ligt een doorlopende opgave om de verbinding te verbeteren met Amsterdammers wiens stem niet vanzelfsprekend tot de politiek en overheid doordringen en om ervoor te zorgen dat beleidskeuzes tot stand komen op een manier die voldoende rekenschap geeft van de realiteit van ondervertegenwoordigde groepen. 67

67

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024

7 Conclusie: structurele ongelijkheid in politieke participatie tekent zich in Amsterdam af langs dezelfde scheidslijnen als landelijk

In De Atlas van Afgehaakt Nederland (2021) stellen De Voogd en Cuperus dat maatschappelijke achterstelling ertoe kan leiden dat mensen ‘afhaken’ van de ‘gevestigde politiek en overheid’. De auteurs schetsen hoe verschillen in opleidingsniveau, inkomen, (mentale) gezondheid en eenzaamheid samenhangen met verschillen in politieke participatie. Ook tonen ze dat nietstemmers en buitenstaanderstemmers vaker dan gemiddeld wonen in minder welvarende regio’s of stadswijken. Door dit kaartbeeld is in het publieke debat over De Atlas van Afgehaakt Nederland vaak gesproken over de tegenstelling tussen stad en platteland, of tussen Randstad en de rest van Nederland. Dit onderzoek laat zien dat grote verschillen in (ervaren) politieke vertegenwoordiging en maatschappelijke positie tussen groepen en gebieden ook in Amsterdam bestaan. Er is structurele ongelijkheid in politieke participatie op basis van opleiding, inkomen, gezondheid, eenzaamheid, leeftijd en migratieachtergrond Verschillen in politieke participatie tekenen zich af langs vergelijkbare demografische, sociaaleconomische en geografische scheidslijnen als landelijk. Amsterdammers met een basis- of mbo-opleiding, een laag inkomen, een migratieachtergrond, een jonge leeftijd en/of een slechte gezondheid zijn minder geneigd te stemmen. Als ze stemmen, doen ze dat relatief vaak op buitenstaanderpartijen.

Deze groepen Amsterdammers zijn daarmee politiek ondervertegenwoordigd in de lokale representatieve democratie. Daartegenover stemmen Amsterdammers met een hbo- of wo-opleiding, een hoog inkomen en zonder migratieachtergrond juist vaker dan gemiddeld, en ook vaker op de partijen die de afgelopen jaren onderdeel uitmaakten van de Amsterdamse coalitie (GroenLinks, D66, PvdA, VVD; zie hoofdstuk 2). Andere participatievormen dan stemmen compenseren de ongelijkheid in politieke participatie niet, integendeel: vooral Amsterdammers die hun weg naar de stembus al wisten te vinden, nemen hieraan deel. Politiek ondervertegenwoordigde Amsterdammers wonen veelal aan de randen van de stad; geografische verschillen in politieke participatie nemen toe Politiek ondervertegenwoordigde Amsterdammers wonen vaker dan gemiddeld in wijken buiten de stadsring en boven ‘t IJ. De laatste 10 jaar zijn de geografische verschillen in politieke participatie toegenomen: terwijl de opkomst elders steeg, daalde die in Nieuw-West en Zuidoost. Ook het aandeel buitenstaanderstemmers is gestegen met +19%-punt bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2022 ten opzichte van 2010. In Nieuw-West en Zuidoost is die stijging sterker dan in ander stadsdelen (zie hoofdstuk 3).

68

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024 Politiek ondervertegenwoordigde Amsterdammers ervaren maatschappelijke en politieke achterstelling; maatschappelijke, economische en bestuurlijke ontwikkelingen hebben daaraan bijgedragen Amsterdam is welvarender, opener en meer divers geworden door onder meer de bloei van een internationaal georiënteerde kenniseconomie, de aandacht voor emancipatie en de vestiging van nieuwe Amsterdammers van over de hele wereld. Veel Amsterdammers hebben geprofiteerd van deze ontwikkelingen. Maar niet voor iedereen is er sprake van een succesverhaal: waar voor sommigen nieuwe kansen ontstonden, werden anderen verder uitgesloten. De stad vormt zich steeds meer rond een groeiende groep kapitaalkrachtige hbo- en wo-opgeleiden. Minder welvarende Amsterdammers kunnen door de stijgende kosten voor wonen, levensonderhoud en vrijetijdsbesteding moeilijker rond- en meekomen. En waar de toenemende diversiteit voor de één tot culturele verrijking leidt, heeft een ander juist te maken met discriminatie of het gevoel ‘minder thuis te zijn’. De grote ongelijkheid die wordt ervaren tussen de ‘haves’ en ‘have nots’ doet afbreuk aan het solidariteitsgevoel in de stad en kan bij sommigen het gevoel oproepen dat de politiek en de overheid er niet voor hen is.

Net als we landelijk zien, lopen ervaren achterstelling, ongelijke behandeling en gebrek aan erkenning als rode draden door de zorgen die politiek ondervertegenwoordigde Amsterdammers uitten. Een deel van de Amsterdammers die al lang in de stad wonen, een basis- of mbo-opleiding en/of een laag of middeninkomen hebben, ervaren dat er in Amsterdam steeds minder plek voor hen is. De stijgende leef- en woonkosten, het veranderde vrijetijds- en winkelaanbod en de komst van nieuwe, kapitaalkrachtige Amsterdammers dragen hieraan bij. Bewoners van wijken aan de randen van de stad ervaren relatief veel ongenoegen over afval en vuil, de (on)veiligheid en het voorzieningenniveau in hun wijk. Ze ervaren achterstelling in vergelijking met andere wijken waar het gevoelsmatig beter geregeld is. Amsterdammers met een praktisch beroep en/of een migratieachtergrond ervaren vaker dan andere groepen maatschappelijke onderwaardering. Structurele en institutionele discriminatie versterken het gevoel als ‘tweederangsburger’ gezien te worden (zie hoofdstuk 4 en 5). Politiek ondervertegenwoordigde Amsterdammers hebben relatief weinig vertrouwen dat de politiek en overheid deze problemen voor hen gaan oplossen.

Hun ervaring is veelal dat politici en ambtenaren hun beloftes niet nakomen, moeilijke taal gebruiken, onvoldoende begrip hebben voor hun realiteit of – zoals in het Toeslagenschandaal – discrimineren en onrechtvaardig handelen. Landelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen hebben invloed op hoe deze Amsterdammers naar ´de overheid´ kijken, ook op lokaal niveau. Daarbij zien we landelijk dat de verschillen tussen inwoners met veel en weinig politiek vertrouwen groter worden (zie hoofdstuk 6). ‘Ondervertegenwoordigd Amsterdam’ bevestigt het belang van langdurige inzet op Amsterdamse ambities voor gelijke kansen en het zijn van een betrouwbare gemeente De zorgen van politiek ondervertegenwoordigde Amsterdammers kunnen niet los worden gezien van de (inter)nationale ontwikkelingen die de stad in de afgelopen jaren ruimtelijk, economisch, sociaal-cultureel en bestuurlijk hebben gevormd. Denk aan de economische groei waarvan niet iedereen heeft kunnen profiteren, nationale privatiseringen en bezuinigingen die hebben geleid tot verschraling van publieke diensten en maatschappelijk normdenken dat bijdraagt aan achterstelling van bepaalde groepen. Deze ontwikkelingen illustreren de beperkte handelingsruimte van lokale overheden om historische gegroeide ongelijkheden aan te pakken.

Amsterdam is hiervoor sterk afhankelijk van keuzes van de Rijksoverheid en samenwerking binnen de regio en met organisaties en inwoners in de stad. 69

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024 Tegelijkertijd onderstrepen de uitkomsten van dit onderzoek de Amsterdamse ambities op gelijke kansen en bestaanszekerheid voor alle Amsterdammers, verantwoordelijke groei ten behoeve van de hele stad en het zijn van een betrouwbare gemeente. Ook de inzet voor een schone, veilige en leefbare stad en het bestrijden van discriminatie en racisme (ook binnen de eigen organisatie) raakt aan de zorgen van politiek ondervertegenwoordigde Amsterdammers. De impact van sommige van deze interventies zal op de langere termijn zichtbaar worden; dat vraagt langdurige inzet om de gemeentelijke ambities waar te kunnen maken. Beleidsaandacht leidt er niet automatisch toe dat ondervertegenwoordigde groepen zich geholpen en erkend voelen Dit onderzoek toont tegelijkertijd dat de eerder genoemde beleidsaandacht van de gemeente er niet automatisch toe leidt dat ondervertegenwoordigde Amsterdammers zich geholpen en erkend voelen. Dit roept de vraag op of de manier waarop beleid tot stand komt voldoende rekenschap geeft van de leefwereld van ondervertegenwoordigde groepen in de stad. Initiatieven om een meer diverse groep Amsterdammers bij beleid en uitvoering te betrekken, zoals participatietrajecten, blijken vooralsnog net zo selectief als verkiezingen: vooral de groepen Amsterdammers die al gaan stemmen, doen hier aan mee.

Ook tonen verschillende onderzoeken aan dat de oververtegenwoordiging van hbo- en wo-opgeleiden onder politici en ambtenaren leidt tot beleid dat vaak (onbewust) ingericht is op de voorkeuren van hbo- en wo-opgeleide burgers en/of te weinig rekening houdt met de belangen van basis- en mbo-opgeleiden (zie paragraaf 6.2). Een doorlopende opgave voor het Amsterdams College, de gemeenteraad en de ambtenarij De structurele ongelijkheid in politieke participatie kan worden gezien als een signaal dat de representatieve democratie niet voor alle Amsterdammers even goed werkt. Dit kan leiden tot een vicieuze cirkel van verdere verwijdering tussen ondervertegenwoordigde Amsterdammers en de overheid. Wanneer de behoeften van steeds dezelfde groepen minder goed doorklinken, is het risico groter dat beleid minder goed met hen rekening houdt. Dat draagt bij aan minder politiek vertrouwen en minder participatie. Wanneer bepaalde perspectieven structureel onderbelicht blijven, vormt dit daarnaast een risico voor de werking van de democratie. Daarin beslist weliswaar de meerderheid, maar beschermt en representeert deze ook de rechten en behoeften van minderheden. Dit vraagt om het continu ophalen en afwegen van verschillende perspectieven voor het collectief belang.

Dit verkennende onderzoek illustreert een doorlopende opgave voor het Amsterdamse college, de gemeenteraad en de ambtelijke organisatie om de verbinding te versterken met ondervertegenwoordigde Amsterdammers. Het beoogt verdere gedachte-uitwisseling te stimuleren over hoe we als lokale overheid de behoeften en wensen goed meewegen van de groepen die we minder goed horen en zorgen dat beleidskeuzes tot stand komen op een manier die voldoende rekenschap geeft van hun realiteit. Uiteindelijk dragen goed afgewogen en onderbouwde beleidskeuzes, werkende oplossingen en zichtbare resultaten bij aan vertrouwen in de politiek en overheid.

70

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024

Nusret, Geuzenveld

“Ik woon al 32 jaar hier in Geuzenveld. Vroeger vond ik de buurt fijner. Toen was het 's avonds na tien uur nog rustig, maar nu is er 's avonds veel lawaai. Er zijn hier veel criminelen. Ze rijden hard en maken veel lawaai. Er is ook vaak ruzie op straat. Ik heb long- en hartziekten waardoor ik met mijn ramen open moet slapen. Soms kan ik door de geluidsoverlast niet in slaap komen. Ik ben nooit met mijn klachten naar de gemeente gegaan, omdat mijn Nederlands niet goed is. Ik kan me slecht uitdrukken en ben bang dat ze me niet goed zullen begrijpen. Daarom laat ik het maar zo. Vroeger woonden hier meer Nederlanders en sprak ik het beter. Tegenwoordig wonen er in deze buurt voornamelijk Marokkanen en Turken. Daarom spreek ik vooral Turks en weinig Nederlands, waardoor ik de taal ben verleerd. Ik vind dat heel vervelend. Ik vind dat er meer Nederlanders zouden moeten wonen hier. Dat zou beter zijn voor de buurt en dan komt de rust tenminste terug.” Foto en verhaal: Debra Barraud.

71

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024

Bijlagen A. Amsterdamse trends in politieke participatie B. Correlatiematrix stemgedrag analyse (bij Deel A) C. Kenmerken van bezorgde nieten buitenstaanderstemmers (bij Deel B) D. Toelichting methoden inclusief wijkselectie (bij Deel B) E. Bronnenlijst

72 72

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024

Bijlage A. Amsterdamse trends in politieke participatie

Dit onderzoek creëert inzicht in de stemmen die minder luid doorklinken in de Amsterdamse representatieve democratie. Het brengt zowel sociaaleconomische als geografische ongelijkheden op het gebied van politieke participatie in beeld. We zijn al ingaan op verschillen tussen groepen (hoofdstuk 2) en gebieden (hoofdstuk 3) in Amsterdam. Deze bijlage toont de belangrijkste trends in politieke participatie in Amsterdam. Stemgedrag staat daarbij centraal.

A.1 Opkomst bij verkiezingen stijgt sinds 2000, behalve bij de gemeenteraadverkiezingen Opkomst verschilt sterk per type verkiezingen. De afgelopen vijftig jaar is de hoogste opkomst te zien bij de Tweede Kamerverkiezingen en de laagste opkomst bij de Europese verkiezingen, met uitzondering van de laatste Europese verkiezingen (zie figuur A.1). Daarbij geldt dat de opkomst fluctueert per jaar. Sinds 2000 zien we voor alle verkiezingen een lichte stijging in opkomst. Alleen voor de gemeenteraadsverkiezingen is de opkomst in deze periode vrijwel stabiel, al was de opkomst bij de meest recente gemeenteraadsverkiezingen in 2022 lager dan in voorgaande jaren. Figuur A.1 Opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen, Tweede Kamerverkiezingen, Provinciale Statenverkiezingen en Europese verkiezingen in Amsterdam, 1971-2024 (procenten) 100

%

90 80 70 60 50 40 30 20 10 0

Gemeenteraad

Tweede Kamer

Provinciale Staten

Europese verkiezingen

Bron: afd. Basisinformatie/O&S

De verkiezingsopkomst in Amsterdam is structureel lager dan gemiddeld in Nederland, maar volgt wel dezelfde trend (zie figuur A.2 voor de opkomst bij de Tweede Kamerverkiezingen en de Gemeenteraadsverkiezingen in Amsterdam en Nederland over de jaren heen). Dat betekent dat wanneer de opkomst in Nederland relatief laag is, dit ook het geval is in Amsterdam. Hetzelfde geldt voor pieken in de opkomst. Het verschil in opkomst tussen Amsterdam en Nederland wordt daarnaast kleiner in de afgelopen jaren (zie figuur A.3 voor de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen in Amsterdam als percentage van de landelijke opkomst). Van de 73

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024 andere G4-gemeenten is alleen in Utrecht de opkomst structureel hoger dan in Amsterdam. In Den Haag en Rotterdam is de opkomst veelal lager dan in de hoofdstad. Figuur A.2 Opkomst bij Tweede Kamerverkiezingen en Gemeenteraadsverkiezingen in Amsterdam en Nederland, 1971-2023 (procenten) 100% 90% 80%

opkomst TK Nederland

70%

opkomst TK Amsterdam

60%

opkomst GR Nederland

50%

opkomst GR Amsterdam

40% 30% 20% 10% 0%

1971

1982

1992

2002

2012

2023

Bron: Kiesraad/ bewerking O&S Figuur A.3 Opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen Amsterdam als percentage van landelijke opkomst, 19492022

Bron: Kiesraad/ bewerking O&S

Amsterdam is onderdeel van de metropoolregio Amsterdam (MRA), een samenwerkingsverband van dertig gemeenten, de provincies Noord-Holland en Flevoland en de Vervoerregio Amsterdam. Het is interessant om de opkomst en kiesgedrag breder te bezien dan alleen de gemeente Amsterdam. De Amsterdamse en regionale woning- en arbeidsmarkt zijn immers sterk verweven (Booi, 2024, de Grip, 2024). Landelijk was de opkomst bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen 77,7% (Kiesraad, 2023). In de MRA was de totale opkomst met 74,7%, lager dan landelijk. Dit komt vooral door de lage opkomst in Amsterdam (71,0%). Wanneer we Amsterdam niet meerekenen ligt de totale opkomst in de MRA op 76,6%, net onder het landelijk gemiddelde. De verschillen in opkomst zijn deels te verklaren door de samenstelling van het electoraat van de betreffende gemeenten.

74

ONDERVERTEGENWOORDIGD AMSTERDAM – november 2024

A.2 Opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen lager dan bij Tweede Kamerverkiezingen Vanwege een combinatie van factoren is de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen structureel lager dan bij Tweede Kamerverkiezingen (Vollaard, et al., 2022). Zo heeft ruim een derde van de Nederlandse kiezers die in 2021 op landelijk niveau hebben gestemd, dat in 2022 bij gemeenteraadsverkiezingen niet gedaan. De oorzaak ligt in de kenmerken van verkiezingen, zoals wie er mogen stemmen, maar ook de “spanning in de verkiezingsstrijd”. Bij de gemeenteraadsverkiezingen ervaart men deze spanning minder dan bij Tweede Kamerverkiezingen. Amsterdammers beschouwen, net als de rest van Nederland, gemeenteraadsverkiezingen als minder belangrijk en minder interessant dan Tweede Kamerverkiezingen (Vermeulen et al., 2023). Ook zijn er mensen die veel vertrouwen hebben in het lokaal bestuur en bij de Tweede Kamerverkiezingen wel stemmen, maar juist thuisblijven bij de gemeenteraadsverkiezingen. Deze kiezers ervaren kennelijk geen behoefte om lokaal te stemmen, wellicht juist vanwege hun vertrouwen in het lokaal bestuur (Vollaard, et al., 2022) in dit onderzoek is gecontroleerd voor verschillen in interesse in de lokale politiek). Iets soortgelijks zien we in Amsterdam: mensen die wel stemmen bij nationale verkiezingen doen dat niet allemaal ook bij lokale verkiezingen.

Van de respondenten die in de Burgermonitor 2021 hebben aangegeven te hebben gestemd bij de Tweede Kamerverkiezingen 2021, zegt 84 procent dat ook bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 te hebben gedaan. Daarnaast hebben Amsterdammers in 2021 gemiddeld minder vertrouwen in de Tweede Kamer dan in de gemeenteraad, terwijl de opkomst voor Tweede Kamerverkiezingen hoger is dan voor de gemeenteraadsverkiezingen (O&S, 2022). Er is dus geen eenduidig verband tussen vertrouwen in een politiek orgaan en wel of niet gaan stemmen over de samenstelling ervan. Daarbij zien we wel dat Amsterdammers vaker geen antwoord weten te geven op de vraag hoeveel vertrouwen zij hebben in de gemeenteraad dan bij dezelfde vraag over de Tweede Kamer. Mogelijk hebben Amsterdammers minder kennis over de lokale politiek of houdt de gemeenteraad en het vertrouwen daarin mensen minder bezig dan de landelijke politiek. Dit zou in lijn zijn met de bevinding dat men bij lokale verkiezingen als minder belangrijk ervaart. Figuur A.4 Aandeel dat weinig vertrouwen heeft in de regering, de Tweede Kamer en de gemeenteraad 20172021 (procenten) %

50 40

2017

30

2019

20

2021

10 0

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15189501/1