1.2 Bekendmaking Beleidsregels jeugdhulp Amsterdam 2022
Tekst van het document
Opmerkingen voor publicatie: Te publiceren in: Uiterlijk bekendmaken op: Niet eerder bekendmaken dan op: Consolideren op overheid.nl Gevolgen voor de werking van een andere regeling: Externe informatieve bijlage voor de leesbaarheid: Andere bijzonderheden:
Gemeenteblad 1 april 2022 n.v.t. Ja n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende beleidsregels over jeugdhulp (Beleidsregels jeugdhulp Amsterdam 2022) Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht en de Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021, besluit: vast te stellen de navolgende Beleidsregels jeugdhulp Amsterdam 2022
1. Inleiding Deze beleidsregels beschrijven hoe in Amsterdam invulling wordt gegeven aan de jeugdhulp. Op deze manier is het voor jeugdigen en ouders, (medische) verwijzers, het lokale team en jeugdhulpaanbieders duidelijk welke uitgangspunten van toepassing zijn. De basis voor hetgeen beschreven in deze beleidsregels wordt gevormd door de Jeugdwet, verordening en nadere regels. Dit zijn de zogeheten algemeen verbindende voorschriften. De beleidsregels zijn aanvullend hierop en vormen het afwegingskader op basis waarvan de daartoe (gemandateerde) professional in samenspraak met jeugdigen en ouders tot zijn besluit komt. Met beleidsregels kan binnen de ruimte die de wet daarvoor biedt nader invulling worden gegeven aan bestaande bestuursbevoegdheden door regels te stellen waarin de interpretatieruimte van wettelijke bepalingen of de beslissingsruimte van een bestuursorgaan wordt ingekaderd. In artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn beleidsregels gedefinieerd. In deze beleidsregels wordt aangesloten bij de Amsterdamse situatie. Dit wil zeggen dat relevante vraagstukken en situaties die in de stad voorkomen zijn opgenomen. De beleidsregels zijn daarmee geen uitputtend document. Met andere woorden, niet elke situatie of elk detail is opgenomen. Dit is ook niet logisch gelet op de maatwerk gedachte zoals opgenomen in de Jeugdwet.
Er zijn 6 leidende principes in het Amsterdamse jeugdhulp stelsel als het gaat om het bieden van jeugdhulp. De leidende principes zijn verwoord in de visie op het jeugdhulpstelsel. Ze vormen de leidraad voor het bieden van jeugdhulp:
Hulp voor de meest kwetsbare gezinnen Normaliseren Matched care Gebiedsgerichte organisatie Zo thuis mogelijk Lerend systeem in gezamenlijke verantwoordelijkheid
De beleidsregels zijn een instrument om eenvoudiger een maatwerkbeslissing te maken. Kaders stellen betekent ook dat er sprake is van grenzen. In deze beleidsregels zijn ook een aantal grenzen opgenomen. Nogmaals, de beleidsregels zijn afwegingskaders: de professional kan in een specifieke casus besluiten om af te wijken van de beleidsregels. Dat kan aan de orde zijn wanneer de beleidsregel voor een of meer belanghebbenden gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Leeswijzer De beleidsregels bestaan uit 5 hoofdstukken. In eerste instantie wordt in hoofdstuk 2 toegelicht hoe de toegang is ingericht. In hoofdstuk 3 worden de afwegingskaders beschreven die van toepassing zijn op het jeugdhulpdomein. Centraal hierin staat het vaststellen van de hulpvraag. Als er een hulpvraag is die met een voorliggende of andere voorziening opgelost kan worden, wordt deze voorziening ingezet. Dit wordt toegelicht in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 komen vervolgens de individuele voorzieningen aan bod. Een individuele voorziening kan ook in de vorm van een Persoonsgebonden budget (Pgb) worden ingezet. Dit is uitgewerkt in hoofdstuk 6. In deze beleidsregels worden de begrippen gehanteerd zoals opgenomen in de Jeugdwet, verordening of nadere regels.
Waar de term ‘ouder’ staat wordt altijd ouders en/of verzorgers bedoeld. Als in deze beleidsregels over het lokale team wordt gesproken betreft dit het Ouder- en Kindteam (OKT), Wijkteam Weesp en de Gecertificeerde instelling (GI), behalve als dit anders is vermeld.
2. Het Amsterdamse jeugdhulpstelsel Om deze beleidsregels goed te kunnen lezen is het belangrijk kennis te hebben van het Amsterdamse jeugdhulpstelsel. Daarom is het stelsel hier beknopt toegelicht. 2.1 Algemene uitgangspunten De ondersteuning wordt zo dicht mogelijk bij het gezin georganiseerd, met behulp van het netwerk. Zelfregie van het gezin is altijd het uitgangspunt. Het OKT of de GI kunnen gezinnen daarbij ondersteunen, aansluitend bij hun leefwereld en aanvullend op wat jeugdigen en ouders zelf doen en wat in hun vermogen ligt. Onderdeel van het afwegingskader is wanneer welke voorziening wordt ingezet. Hiervoor geldt dat een zo licht als mogelijke voorziening wordt ingezet. Er wordt daarom in de volgende volgorde gekeken naar de oplossingen:
Ouders worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid als opvoeder en vanuit die verantwoordelijkheid wordt een beroep gedaan op hun eigen mogelijkheden. Ofwel, het startpunt is de eigen kracht en het netwerk. Waar nodig wordt de ondersteuning aangevuld met een algemene voorziening. De algemene voorzieningen zijn grotendeels ondergebracht in de sociale basis, hierover is meer informatie te vinden in het beleidskader Samen Vooruit, op weg naar een stevige sociale basis in Amsterdam. Daarnaast zet de gemeente Amsterdam met het flexibel preventief aanbod jeugd (FPAJ) in op het versterken van de weerbaarheid, talentontwikkeling en het bieden van kansen aan jeugdigen en ouders, zie verder onder 4.2. Als het nodig is wordt er (in combinatie met de eigen kracht of algemene voorziening) een individuele voorziening ingezet.
2
2.2 Rollen en taken binnen het jeugdstelsel Amsterdam Ouder- en Kindteams Het OKT heeft gedegen kennis van de wijk; kent de sociale kaart, de sociale opgaven en de sociale basisvoorzieningen. Ouder- en kind adviseurs werken vanuit de leefwereld van jeugdigen en hun ouders, zijn toegankelijk en benaderen actief de kwetsbaarste inwoners. Zij kijken breed, schakelen in wie nodig is, doen wat nodig is, zodat jeugdige, gezin en de directe omgeving weer (zelfstandig) verder kunnen met opgroeien, opvoeden, talenten ontwikkelen en meedoen in de samenleving. Wanneer er sprake is van ouderproblematiek, zoals bestaanszekerheidsproblematiek (o.a. wonen, werk, inkomen, schulden, armoede, psychiatrische problemen, verslaving of verstandelijke beperking), schakelt het OKT passende zorg in en haalt er partijen bij die zich richten op deze (volwassen)problematiek. Wanneer er gespecialiseerde jeugdhulp nodig is haalt het OKT de jeugdhulpspecialist erbij. Bij het contact met gezinnen is het van groot belang dat de wordt nagegaan of een van de ouders psychische en/of verslavingsproblemen heeft, zoals onder 4.5.1 verder is toegelicht. Als dit het geval is, schat de professional de aard en ernst van de situatie in en betrekt waar nodig en met instemming van de ouder andere partijen, zoals het buurtteam.
Het OKT verzorgt de toetsing, mede op basis van deze beleidsregels, om te bepalen of jeugdhulp nodig is. Gecertificeerde instellingen De GI wordt ingezet wanneer het anderen niet lukt om tot een veilige thuissituatie te komen. De GI voert een brede analyse uit naar de gezinssituatie en achterliggende oorzaken en stelt een integraal plan (zie 2.3.1) op om te komen tot oplossingen. Wanneer er sprake is van ouderproblematiek, zoals bestaanszekerheidsproblematiek, dan haalt de GI er partijen bij die zich richten op deze volwassenproblematiek en betrekt het OKT of het Wijkteam Weesp voor hulp op het terrein van bestaanszekerheden. De GI kan daarbij ook de jeugdhulpspecialist vragen om mee te denken over passende inzet van jeugdhulp. Op het moment dat meer inzet van een jeugdhulpspecialist nodig is wordt dat vastgelegd in het integraal plan. De GI stelt samen met het gezin en waar nodig anderen dit plan op waarin de te bereiken resultaten zijn opgenomen. De GI verzorgt de toetsing, mede op basis van deze beleidsregels, om te bepalen of jeugdhulp nodig is. Kernpartners Specialistische Jeugdhulp Kernpartners zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het centraal oppakken van de verwijzingen in een gebied waar OKT, huisartsen en GI terecht kunnen met hun aanvragen voor (hoog) specialistische jeugdhulp. Zij doen dit in opdracht van de gemeente.
Kernpartners maken samen de afweging over een effectieve inzet van de beschikbare jeugdhulpmiddelen. Zijn er problemen op het gebied van bestaanszekerheden, dan wordt het OKT of het Wijkteam Weesp ingeschakeld. Waar nodig gaat de jeugdhulpspecialist mee naar gesprekken met een gezin, biedt ambulante hulp of doet aanvullend onderzoek om een goede inschatting van de noodzakelijke hulp te kunnen maken. De kernpartners geven uitvoering aan de jeugdhulp. Ze werken hierin samen met de andere jeugdhulpaanbieders in de stad. Hierbij geldt ook dat zij, waar nodig in overleg met het OKT of GI, binnen de wettelijke kaders grenzen stellen en bepalen welke inzet er wel of niet wordt gedaan om de resultaten te bereiken. In het geval van inzet van jeugdhulp die de GI nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of die noodzakelijk is in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging tot uithuisplaatsing of die de GI nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering geldt dit laatste niet, omdat dan de voorgeschreven hulp ingezet moet worden. Als in dit document wordt gesproken over jeugdhulpaanbieders worden hier zowel de kernpartners als andere jeugdhulpaanbieders in de stad mee bedoelt. Als er over kernpartners wordt gesproken betreft dit alleen de kernpartners. 3
2.3 Samenwerking, verantwoordelijkheden en taken in het stelsel In deze paragraaf wordt toegelicht hoe er om wordt gegaan met de verschillende taken en rollen binnen het jeugdstelsel. Waar nodig wordt helder gemaakt waar verantwoordelijkheden liggen, wie initiatief neemt en/of welke criteria er zijn. Vanzelfsprekend is het JIJ-kader, zoals gehanteerd door de Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd, van toepassing. 2.3.1 Integraal plan De hulpvraag, resultaten en afspraken over evaluatie worden vastgelegd in een integraal plan. Het integraal plan wordt samen met de jeugdige en ouders opgesteld door het OKT, de GI of de kernpartner.
Het integraal plan (door het OKT genaamd perspectiefplan en de GI genaamd gezinsplan) bevat de informatie die jeugdhulpaanbieders nodig hebben voor een aanmelding en het opstarten van de hulp. Bij een medische verwijzing onderzoeken jeugdhulpaanbieders of er mogelijk sprake is van onderliggende factoren en schakelen het OKT of Buurtteam in als er problemen zijn (of het vermoeden van) op het gebied van bestaanszekerheden of andere problematiek bij ouders. Als blijkt dat jeugdige en ouders een Pgb willen wordt er een Pgb-plan opgesteld, dat onderdeel wordt van het perspectiefplan. Het Pgb is dus verbonden aan de doelen/resultaten uit het perspectiefplan.
2.3.3 Resultaten De jeugdige en ouders en het OKT of GI bespreken samen de resultaten die de inzet van de specialistische jeugdhulp moet opleveren en zetten dit in het integraal plan. De verwijzer kan de kernpartner betrekken voor consultatie en advies bij het opstellen van de resultaten. De jeugdhulpaanbieder werkt aan de resultaten uit het integraal plan. In het geval van een (huis)artsverwijzing stelt de jeugdhulpaanbieder samen met de ouders de resultaten op, voor zover deze niet uit de verwijzing blijken. Wanneer de resultaten in het integraal plan significant wijzigen wordt de verwijzer betrokken. Resultaten beschrijven de te bereiken doelen van de specialistische jeugdhulp. Deze kunnen gericht zijn op ontwikkeling (herstel) of stabilisatie. Ook kunnen de resultaten bestaan uit het beschrijven van de hulpvraag, op het moment dat de te bereiken resultaten nog onvoldoende duidelijk zijn. Er kan door verschillende organisaties en personen worden gewerkt aan het behalen van de resultaten. 2.3.3 Coördinatie van zorg Onder coördinatie wordt verstaan: het afstemmen en coördineren van hulp en ondersteuning die door verschillende partijen aan het gezin wordt geboden, en het evalueren van deze hulp en ondersteuning met het gezin en de betrokken organisaties. De coördinatie van zorg wordt in samenspraak met jeugdige en ouders vormgegeven.
Onderdeel hiervan is om aan het begin van het bieden van jeugdhulp te bepalen wie de coördinatie van zorg uitvoert en hoe dit plaatsvindt. Uitgangspunten hierbij zijn: De coördinatie ligt zo veel mogelijk bij de jeugdige en ouders. Als er meerdere partijen betrokken zijn zorgen deze partijen ervoor dat aanspreekpunten duidelijk belegd zijn of waar mogelijk er één aanspreekpunt is. Bij een hulpvraag die betrekking heeft op meerdere levensgebieden wordt het OKT of de GI betrokken. Wanneer sprake is van gezinnen die vragen om meer regie op het gebied van veiligheid en waarin een ondertoezichtstelling, een voogdijmaatregel en/of een
4
jeugdreclasseringsmaatregel is opgelegd, is de gecertificeerde instelling verantwoordelijk voor de coördinatie van zorg en het contact met jeugdige en ouders. 2.3.4 Gezamenlijke verantwoordelijkheid Verwijzer en jeugdhulpaanbieders hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om er voor te zorgen dat jeugdhulp wordt geboden. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: Als op basis van triage blijkt dat het niet mogelijk is om binnen een redelijke termijn te starten met de jeugdhulp wordt in samenspraak met jeugdige en ouders overbruggingszorg ingezet. De kernpartner bepaalt welke zorg passend is bij de gestelde resultaten/hulpvragen in het integraal plan en welke kernpartner de hulp uitvoert. Bij jeugdigen met een maatregel JB/JR moet binnen 6 weken door de GI een gedragen koers zijn bepaald en binnen drie maanden passende, hulp zijn ingezet, of zoveel eerder als de jeugdbeschermer en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveiligheid/ ontwikkelingsbedreiging/ recidive risico van de jeugdige. Dat betekent dat de aanbieders van specialistische jeugdhulp binnen 6 weken na ontvangst van de aanvraag uiterlijk moeten starten met de hulp. De jeugdhulpaanbieder of GI kan het OKT inschakelen in verband met een nieuwe hulpvraag, wanneer de hulp aan een gezin is afgerond. Dit gebeurt in afstemming met het gezin en er is sprake van een warme overdracht.
2.4 Onafhankelijke cliëntondersteuning Amsterdammers hebben volgens de Wmo en Jeugdwet recht op onafhankelijke cliëntondersteuning. De onafhankelijke cliëntondersteuner geeft informatie over jeugdhulp, zorg en ondersteuning, participatie, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Een cliëntondersteuner is onafhankelijk, gratis beschikbaar en niet in dienst bij de gemeente of een jeugdhulpaanbieder. De onafhankelijke cliëntondersteuner ondersteunt jeugdige en ouders: Bij het zoeken naar informatie en advies. Bij het formuleren van hun hulpvraag. Bij het voeren van gesprekken met verwijzers en jeugdhulpaanbieders. Wanneer jeugdige en ouders vastlopen in het proces. Medewerkers van het OKT en de GI informeren jeugdige en ouders over het aanbod onafhankelijke cliëntondersteuning. Ook kunnen jeugdigen en ouders zelf contact opnemen met een cliëntondersteuner. Wanneer hulpverleners situaties herkennen bij jeugdige en ouders waarin onafhankelijke cliëntondersteuning kan helpen, dan wijzen zij hen hierop. Onafhankelijke cliëntondersteuners werken vanuit een inhoudelijke professionaliteit binnen de gestelde kaders van de Jeugdwet. Dit betekent onder andere dat zij moeten voldoen aan het kwaliteitskader jeugdhulp. Ook het OKT biedt clientondersteuning maar geeft daarnaast ook zelf jeugdhulp, daarom is deze clientondersteuning niet volledig onafhankelijk.
5
3. Afwegingskader jeugdhulp Wanneer jeugdigen en ouders vragen hebben of ondersteuning nodig hebben als het gaat om opgroeien en opvoeden, kunnen zij terecht bij de gemeente. In de Jeugdwet is dit in artikel 2.3 als volgt verwoord: 1. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. De Jeugdwet kent een jeugdhulpplicht voor gemeenten. Hierin staat maatwerk centraal; op individueel niveau wordt vastgesteld of en zo ja welke ondersteuning nodig is. In dit hoofdstuk wordt beschreven welk afwegingskader wordt gehanteerd voor jeugdhulp.
3.1 Algemeen afwegingskader Leidend in het bepalen of er sprake is van een jeugdhulpvraag zijn de vier stappen zoals bepaald door de Centrale Raad van Beroep1: Wat is de ondersteuningsvraag? Is er sprake van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of stoornissen en zo ja, wat zijn deze? Welke ondersteuning is nodig? In hoeverre zijn de eigen mogelijkheden van de ouders en/of het sociale netwerk toereikend om zelf hulp te bieden? Voor het beoordelen van de eigen mogelijkheden van ouders moeten een aantal factoren worden onderzocht. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te treffen. De factoren kunnen worden samengevat in de volgende vervolgvragen: Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp (deels) te bieden? Wat is de samenstelling van het gezin en woonsituatie? Wat is de draagkracht en belastbaarheid van ouders? 3.1.1. Normaliseren In het onderzoek staat centraal wat de oorzaak achter de vraag is. Het uitgangspunt is om zo veel als mogelijk te normaliseren. Dit wil zeggen dat gekeken wordt welke hulpvragen en problemen ‘normaal’ zijn. Voor normaliseren geldt: Kwetsbaarheid, problemen en ‘gedoe’ horen bij het leven.
Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in gedrags- of opvoedproblematiek, psychische problemen of stoornissen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Kinderen opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost (zie ook paragraaf 3.3, bovengebruikelijke zorg). Het is normaal dat kinderen soms lastig en afwijkend gedrag vertonen. Het uitgangspunt is door het versterken van opvoedvaardigheden en de kennis over opvoeden de acceptatie van de jeugdhulpvraag of beperking door ouders te vergroten.
1
ECLI:NL:CRVB:2017:1477
6
Er wordt rekening gehouden met de context. Dit betekent dat het gezinssysteem onderdeel is van de beoordeling van de hulpvraag en er naar de omgeving van de ouders en jeugdige wordt gekeken.
Als het gaat om de inzet van een individuele voorziening gelden de volgende uitgangspunten rondom normaliseren: Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de inzet van voorzieningen die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van kinderen. Dit geldt ook voor kinderen met een jeugdhulpvraag. De Jeugdwet is bedoeld om de ontwikkeling van kinderen te bevorderen waar deze in gevaar komt en niet voor de bevordering van de algemene ontwikkeling die elke jeugdige doormaakt. Begeleiding wordt ondersteunend aan of volgend op een behandeling ingezet. De behandelcomponent kan onderdeel zijn van de begeleiding. Uitzondering hierop zijn hulpvragen waarvoor geen behandeling mogelijk is. De ontwikkelingsleeftijd van kinderen is verbonden aan bepaalde opgaven in de opvoeding. Er wordt een onderscheid gemaakt in ‘normale’ problemen die behoren bij de levensfase en ernstige problemen. De ontwikkelingsleeftijd van een jeugdige kan variëren door een aandoening of stoornis. Om een beeld te schetsen bij wat normaal is, is in onderstaande tabel voor veel voorkomende problemen het onderscheid aangegeven tussen wat ‘normale’ en ernstige problematiek is2. Dit schema laat zien dat er een groot aantal ‘normale’ problemen is waarvoor in beginsel geen jeugdhulp nodig is. Bij ernstige problematiek kan waar nodig en waar de hulpvraag tot de Jeugdwet behoort, jeugdhulp worden ingezet.
Leeftijd 0-2
‘Normale’ problemen Voedingsproblemen Slaapproblemen Scheidingsangst Angst voor vreemden, donkerte en geluiden
Ernstige problemen Eet- of slaapstoornis Reactieve hechtingsstoornis Huilbaby
2-4
Koppigheid Driftbuien
Scheidingsangst Fobische/sociale angststoornis
Agressie
Stoornis in taal, spraak, motoriek
Ongehoorzaamheid
Oppositionele gedragsstoornis jonge kind
Druk gedrag/overactiviteit
ADHD
Angst in samenhang met sekserol en identiteit Niet zindelijk Angst voor vreemden, donkerte en geluiden Ruzies
Gedragsstoornis
Enuresis
2
5-12
Hoe herken je 'normale' en 'ernstige' opvoedproblemen? | Nederlands Jeugdinstituut (nji.nl)
7
Concentratieproblemen
Laag prestatieniveau Schoolweigering Stelen of vandalisme als incident Ritualistisch gedrag
12-19
Gebruik alcohol, drugs
Twijfels over identiteit en/of toekomst Problemen met uiterlijk
Problemen met autoriteit Incidenteel spijbelen
Stoornis in schoolvaardigheden Sociale terugtrekking Persistente schoolweigering Stoornissen in geslachtsidentiteit Gedragsstoornissen of vroege delinquentie Neurosen en somatoforme stoornis Problemen door alcohol of drugs Stoornis in identiteit Anorexia en boulimia (nervosa) Suïcide Problemen bij seksuele oriëntatie Oppositionele gedragsstoornis puber Gedragsstoornis in groepsverband Delinquentie Schooluitval
3.2 Sociaal netwerk & eigen kracht Als er een hulpvraag is, wordt waar mogelijk een beroep gedaan op de eigen kracht en het netwerk van de jeugdige en ouders. Ouders hebben een verantwoordelijkheid bij het opgroeien en opvoeden. Bij eigen kracht geldt dat er een balans moet zijn tussen opvoeden, werk en het sociale leven: Eigen kracht moet breed worden opgevat. Het gaat om bijvoorbeeld de opvoedkundige vaardigheden, maar ook om de mogelijkheden om kinderen op te vangen, te begeleiden of verzorgen. Daarbij geldt ook dat het toekomstperspectief (zoals carrière plannen) van ouders het inzetten van eigen kracht in beginsel niet in de weg kunnen staan 3. Het doen van een beroep op de eigen kracht kent ook grenzen: ouders moeten deel kunnen nemen aan de samenleving en werk vervult hierin een belangrijke rol. Ouders wordt gevraagd om er zorg voor te dragen dat hun eigen kracht niet afneemt door keuzes over de toekomst. Het gaat er hierbij om dat ouders zelf kiezen om hun eigen kracht af te laten nemen. Als er sprake is van externe factoren ligt dit buiten de macht van ouders. Veel ouders en jeugdigen zetten hun eigen kracht in bij het oplossen van de hulpvraag. Als jeugdige en ouders ervoor kiezen om de hulpvraag niet op te lossen door de inzet van eigen kracht, is dit een verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige.
Alleen bij hulpvragen waarbij de veiligheid van de jeugdige in het geding is zal het lokale team hierop anticiperen. In alle andere gevallen wordt er in beginsel geen individuele voorziening ingezet voor het deel waarvoor ouders en jeugdige hun eigen kracht en netwerk niet inzetten, terwijl dit wel verwacht mag worden.
3
Zie: ECLI:NL:RBDHA:2020:6249
8
3.3 Criteria bovengebruikelijke zorg Bovengebruikelijke zorg is voor de jeugdige noodzakelijke zorg en begeleiding die boven de normale dagelijkse zorg en begeleiding uitstijgt, die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. Van ouders wordt verwacht dat zij hun kind de zorg bieden die het nodig heeft voor zover dat, gelet op de omstandigheden, in hun vermogen ligt. In bijlage 1 is het beoordelingskader gebruikelijke zorg opgenomen. Dit kader is gelijk aan de door het Ministerie van VWS uitgegeven richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfases. Voor gebruikelijke zorg geldt: Gebruikelijke zorg is een invulling van de uitgangspunten eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen in de zin van artikel 2.3 van de Jeugdwet. Van ouders wordt verwacht dat zij vanuit eigen kracht doen wat binnen hun mogelijkheden ligt, waarbij gebruikelijke zorg wordt gezien als een ondergrens. Er wordt niet vanzelfsprekend een individuele voorziening ingezet als ouders meer doen dan het gebruikelijke. Voor gebruikelijke zorg geldt dat ouders in staat moeten zijn om dit aan hun kind te geven.
Als ouders bijvoorbeeld zelf een lichamelijke beperking hebben kan het zijn dat ze niet in staat zijn de gebruikelijke zorg te bieden die voor ouders zonder beperking wel van toepassing is. Voor bovengebruikelijke zorg geldt dat er alleen een voorziening wordt getroffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) ontoereikend zijn 4. Welke factoren daarin meewegen staat onder 3.1. Ouders kunnen een informeel Pgb ontvangen voor bovengebruikelijke zorg in situaties waarin ouders al meer doen dan redelijkerwijs van hen verwacht kan worden. 3.4 Onderzoeksfactoren bovengebruikelijke zorg Bij het beoordelen of er sprake is van gebruikelijke of bovengebruikelijke zorg wordt met inachtneming van het beoordelingskader gekeken naar vier criteria. Hierbij is de samenhang tussen de criteria en de omstandigheden van de jeugdige en de ouders belangrijk. Op basis van het kader uit bijlage 1 en de vier criteria wordt gemotiveerd bepaald in hoeverre hulp gebruikelijk is. De criteria zijn: Leeftijd van de jeugdige. In principe hebben jonge kinderen met en zonder een beperking meer zorg nodig van hun ouders dan oudere kinderen. De aard van de zorg. Alle kinderen hebben zorg nodig van hun ouders, alleen kan de aard van deze zorg verschillen.
Bepaalde zorghandelingen die niet standaard bij alle kinderen voorkomen, kunnen daarom ook vallen onder de gebruikelijke zorg. Frequentie en duur van de zorg. Naast de leeftijd van de jeugdige en de aard van de zorg wordt ook gekeken naar de frequentie van de zorg en of deze aansluit op het normale patroon van de dagelijkse zorg. Ook geldt hierbij dat de duur van de zorg wordt meegewogen. Kortdurende hulp (korter dan 3 maanden) is in principe gebruikelijk en er wordt van ouders verwacht dat ze gedurende deze periode een extra inspanning leveren. De 3 maanden is in lijn met de oorspronkelijke AWBZ richtlijn. Het gaat hier om hulp die ouders kunnen bieden, zoals vervoer of dagelijkse verzorging. Voor bijvoorbeeld behandeling gelden de 3 maanden niet. Duur van de zorghandeling. Ten slotte wordt gekeken naar de tijd die iemand bezig is met de zorghandeling. Er is sprake van bovengebruikelijke zorg als iemand veel meer tijd kwijt is aan een handeling dan gemiddeld.
4
Memorie van Toelichting blz. 135-136
9
3.5 Respijtzorg Ouders met een kind met een (omvangrijke) jeugdhulpvraag bieden vaak intensieve en langdurige zorg en hebben hier soms ondersteuning bij nodig. Dit geldt ook voor jeugdigen in het gezin. Het kan voorkomen dat deze zorg resulteert in overbelasting. In deze gevallen, en liever voordat de overbelasting plaatsvindt, kan respijtzorg worden ingezet. De inzet van respijtzorg is dan ook niet zozeer gelegen in problemen bij het opvoeden of opgroeien, maar in de (dreigende) overbelasting van ouders of het gezin. Hierbij geldt dat: Respijtzorg wordt ingezet om (dreigende) overbelasting als gevolg van het bieden van mantelzorg in het kader van een jeugdhulpvraag te voorkomen. De overbelasting moet door een professional zijn herkend. Respijtzorg wordt zoveel als mogelijk gerealiseerd met ‘gewone’ oplossingen, zoals logeren bij grootouders. Er hoeft niet altijd een individuele voorziening ingezet te worden. Respijtzorg kan een tijdelijk karakter hebben en worden ingezet door de mantelzorgtaken over te nemen of door de jeugdige tijdelijk een voorziening, zoals een logeerplek, aan te bieden. Respijtzorg kan ook structureel zijn als er sprake is van een langdurige hulpvraag. Respijtzorg kan worden geboden in de vorm van jeugdhulpvoorziening, zoals logeren, of een andere voorziening dan een jeugdhulpvoorziening met als doel de ouders te ontlasten.
Denk bij de laatste vorm aan bijvoorbeeld ondersteuning of zorg voor ouders, andere kinderen of het huishouden. Naast de inzet van respijtzorg wordt er ingezet op het wegnemen van de oorzaak van de overbelasting. De eigen kracht wordt vergroot waardoor toekomstige overbelasting voorkomen kan worden. Als de oorzaak van de overbelasting buiten het bieden van jeugdhulp ligt, moet de oplossing ook daar gezocht worden. Bij overbelasting door een te groot dienstverband of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk. Het lokale team betrekt het Buurtteam en haakt hulp uit andere domeinen aan als dit het geval is, bijvoorbeeld ondersteuning vanuit de Wmo of schuldhulpverlening. Gebruikelijke zorg kan op gespannen voet staan met de inzet en belasting van ouders. Het kan voorkomen dat ouders tijdelijk minder kunnen doen dan gebruikelijk. Soms is het dan nodig dat ouders ontlast worden voor zorg die normaliter behoort tot het gebruikelijke. 3.6 Diversiteit individuele voorzieningen Op het moment dat er een individuele voorziening nodig is, moet worden bepaald welke voorziening ingezet wordt. In de memorie van toelichting op de Jeugdwet staat hierover het volgende: De gemeente heeft hierbij de nodige beleidsvrijheid.
Als eerste geldt zoals gezegd het uitgangspunt van de eigen kracht van jeugdige en zijn ouders: het college is alleen gehouden een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. Daarnaast is het de gemeente die beslist of en welke voorziening een jeugdige nodig heeft. Dit komt tot uitdrukking in de zinsnede ‘naar het oordeel van’ in artikel 2.3, eerste lid. De gemeente is ingevolge hetzelfde artikel gehouden om te zorgen voor een deskundige advisering over en beoordeling van de vraag of er een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is en welke voorziening dit dan is. Dat neemt niet weg dat de gemeente een zelfstandige afweging kan maken over welke voorziening precies moet worden getroffen. Verder zal het beroep op deze voorzieningen naar verwachting geringer zijn naarmate de gemeente erin slaagt om de jeugdige en diens ouders in de preventieve sfeer te helpen. Aansluitend op bovenstaande tekst uit de memorie van toelichting wordt de afweging gemaakt welke voorzieningen getroffen worden. Hierbij geldt dat: De voorziening aansluit op de hulpvraag van de jeugdige en ouders; de inhoud staat voorop.
10
Er wordt gekozen voor de meest passende voorziening. Als er meerdere vergelijkbaar passende voorzieningen zijn wordt gekozen voor de goedkoopste van deze. Bij de inzet van jeugdhulp door een kernpartner is deze verantwoordelijk om te bepalen welk jeugdhulpaanbod het best passend is. Indien gewenst wordt hierover overlegd met het lokale team.
3.7 18- /18+ Als het gelet op de hulpvraag van de jeugdige nodig is wordt vanaf 16,5 jaar gewerkt aan het toekomstperspectief van de jongvolwassene in de overgang naar 18 jaar. Dit gebeurt op basis van een toekomstplan, waarbij de ‘big five’ de uitgangspunten vormen en ook het eigen netwerk onderdeel is. Er zijn drie situaties waarin jeugdhulp na de 18e verjaardag mogelijk is: 1. Jeugdigen in een pleeggezin of gezinsvervangende tehuizen tot maximaal 21 jaar, als de jeugdige hiermee instemt (ja, tenzij principe). 2. Bij jeugdhulp in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering, tot het einde van de maatregel. 3. Als voortzetting van de hulp die een jeugdige voor de 18e verjaardag ontving noodzakelijk is en er geen vergelijkbare hulp op basis van een andere wet kan worden verkregen. De Jeugdwet biedt de mogelijkheid de jeugdhulp te verlengen tot maximaal 23 jaar. De eerste 2 mogelijkheden spreken voor zich. De derde mogelijkheid vraagt om een afwegingskader wat betreft de noodzakelijkheid. Voor noodzakelijke verlengde jeugdhulp geldt dat: De hulp ingezet moet zijn voor de 18e verjaardag of het moet voor de 18e verjaardag zijn bepaald dat de hulp ingezet moet worden. Daarbij geldt ook dat er sprake kan zijn van verlengde jeugdhulp indien er binnen een half jaar wordt geconstateerd dat hulp die voor de 18e verjaardag is beëindigd, toch nodig blijkt te zijn.
Verlengde jeugdhulp kan alleen van toepassing zijn als deze niet valt onder een andere wet (Wlz, Zvw, Wmo 2015 etc.). (Individuele) begeleiding na het 18e levensjaar behoort tot de Wmo 2015, behalve: Als het gaat om hulp die voor 2015 onder de Wet op de jeugdzorg viel, bijvoorbeeld pedagogische gezinsbegeleiding, opvoedondersteuning of vaardigheidstrainingen Bij (individuele) begeleiding die samenvalt met verblijf vanuit de Jeugdwet.
11
4. Voorliggende/andere voorzieningen Een voorliggende voorziening is een bij wettelijk voorschrift geregelde voorziening waar jeugdige en ouders een beroep op kunnen doen, waardoor geen of in mindere mate een beroep op ondersteuning vanuit de Jeugdwet wordt gedaan. Bij voorliggende voorzieningen voor de Jeugdwet valt te denken aan algemene voorzieningen, de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet en de Wet Passend Onderwijs. Onderstaand is toegelicht wanneer welke voorziening van toepassing is. Voor minimabeleid geldt, net als voor jeugdhulp, dat algemeen gebruikelijke voorzieningen voorliggend zijn. Bij een inkomen dat minder of gelijk is aan 120% van het wettelijk minimumloon kan een beroep worden gedaan op de minimaregelingen van de gemeente Amsterdam. Het minimabeleid is uitgewerkt in de Beleidsregels Minimakinderen en Beleidsregels Stadspas. 4.1. Algemene voorzieningen Een algemene voorziening is een voorziening die toegankelijk is voor iedereen, zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling. Algemene voorzieningen zijn voorliggend op de toekenning van een individuele voorziening vanuit de Jeugdwet. In alle gebieden in Amsterdam is er een sociale basis. De sociale basis is het fundament dat de zorg en ondersteuning in de stad stabiliteit geeft.
Deze basis bestaat uit activiteiten die door Amsterdammers en professionals georganiseerd worden, waaronder ook activiteiten voor jeugdigen. Voordat een individuele voorziening wordt ingezet, wordt gekeken naar de inzet van een algemene voorziening. Waar nodig kan aanvullend een individuele voorziening worden ingezet. 4.2 Preventie Een belangrijk doel van de Jeugdwet is het voorkomen van problemen en door vroegtijdige inzet van hulp zwaardere vormen van jeugdhulp te voorkomen. Preventie richt zich op jeugdigen en ouders met een verhoogd risico op ontwikkelingsachterstand of uitval.
Het FPAJ is gericht op het voorkomen van, het vroeg signaleren van en vroeg interveniëren bij een risico op opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Hierdoor worden problemen eerder gesignaleerd en opgepakt, zodat verdere escalatie wordt voorkomen. Voor het FPAJ is geen verwijzing of besluit nodig. Deelname vindt vooral plaats naar aanleiding van een bezoek aan de huisarts of contact met het OKT of school. Naast het FPAJ heeft ook het OKT een preventief aanbod. Binnen het curriculum van het onderwijs zijn ook preventieve aandachtsgebieden opgenomen gericht op onder andere het welbevinden en de sociaal emotionele ontwikkeling van jeugdigen.
4.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen Een algemeen gebruikelijke voorziening is voorliggend aan een individuele voorziening en voldoet aan de volgende criteria. De voorziening: is niet speciaal bedoeld voor personen met een beperking; is verkrijgbaar in de reguliere handel; kan voor een persoon zonder beperkingen in een financieel vergelijkbare positie worden gerekend tot het normale aanschaffingspatroon. Onder algemeen gebruikelijke voorzieningen hoort ook algemeen gebruikelijk onderhoud. Dit zijn situaties waarbij de kosten voor onderhoud en reparatie als algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd, oftewel hetgeen naar in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen als gangbaar onderhoud of als een gangbare uitgave voor onderhoud wordt aangemerkt. 12
4.4 Wet langdurige zorg De Wlz is voorliggend op de Jeugdwet. Dit betekent dat wanneer iemand toegang heeft tot deze wet, de benodigde zorg en ondersteuning ook vanuit deze wet betaald wordt. Er wordt geen voorziening vanuit de Jeugdwet ingezet: wanneer een jeugdige een Wlz-indicatie voor verblijf in een instelling heeft of er redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige deze indicatie zou kunnen krijgen; als jeugdige en ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een indicatiebesluit voor de Wlz. Het kan zo zijn dat tegelijkertijd vanuit de Wlz en Jeugdwet zorg wordt ingezet. Dit is het geval bij zorg die onder de Jeugdwet valt, zoals psychische zorg of pleegzorg. Waar nodig wordt in afwachting van het besluit vanuit de Wlz, jeugdhulp geboden tot het moment dat er een besluit is genomen. De Jeugdwet en de Wlz verschillen op de volgende punten: De Jeugdwet biedt zorg en ondersteuning aan de jeugdige zelf, maar ook aan het systeem van de jeugdige. De Wlz gaat niet uit van een herstelgedachte ten opzichte van de Jeugdwet. De Wlz is bedoeld om jeugdigen met een blijvende beperking zorg te bieden. Om toegang te krijgen tot een Wlz-voorziening worden twee toetsingscriteria gehanteerd: ontwikkelperspectief en 24-uurs zorg. De Jeugdwet kent deze voorwaarden niet. Omdat de Jeugdwet een leeftijdsrestrictie bevat, is er per definitie sprake van tijdelijke zorg.
Anders dan de Jeugdwet biedt de Wlz levenslange en levensbrede zorg. De toegangscriteria voor Wlz zijn opgenomen in de Wlz en beleidsregels indicatiestelling Wlz. Kort gezegd komen de toegangscriteria voor Wlz op het onderstaande neer. Blijvende zorgbehoefte
Er wordt nagegaan of er nog mogelijkheden zijn voor verbetering van de situatie, zodat de zorgbehoefte (nog) niet blijvend is. Of de zorgbehoefte blijvend is wordt door het CIZ vastgesteld aan de hand van het ontwikkelingsperspectief van de jeugdige.
24/7 zorg
Deze kan bestaan uit: - permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de jeugdige, of - 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat iemand zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen.
Gebruikelijke zorg
Toegang tot de Wlz wordt verschaft wanneer er substantieel meer zorg nodig is dan gebruikelijk. Deze afweging staat verder toegelicht in de beleidsregels indicatiestelling Wlz van het CIZ. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten voor gebruikelijke zorg: 0-3 jarigen: 24 uur per dag zorg in nabijheid, volledige overname zelfzorg, voortdurende begeleiding en toezicht. 3-5 jarigen: overdag voortdurend begeleiding, toezicht en overname van zelfzorg nodig, ’s nachts soms nodig. 5-8 jarigen: overdag voortdurend begeleiding, toezicht op afstand, steeds zelfstandiger optreden. Vanaf 8 jaar is geen 24 uur per dag zorg in nabijheid nodig.
13
Ook jeugdigen onder de 8 jaar kunnen toegang krijgen tot de Wlz. Het CIZ toetst op het criterium ‘gebruikelijke zorg’, hierbij speelt de leeftijd van de jeugdige een rol. Wanneer een jeugdige een Wlz-indicatie heeft, blijft de behandeling van een psychische stoornis onder de Jeugdwet vallen, tenzij de jeugdige verblijf en behandeling van dezelfde instelling ontvangt en de behandeling van de psychische stoornis niet los is te zien van de Wlz behandeling. Alleen in dat geval valt de behandeling van de psychische stoornis onder de Wlz. Bij verblijf zonder behandeling, volledig pakket thuis, modulair pakket thuis en persoonsgebonden budget valt de behandeling van de psychische stoornis onder de Jeugdwet5. 24 uurszorg Wlz Een hulpvraag behoort tot de Wlz wanneer duidelijk is dat de jeugdige blijvend is aangewezen op permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid. Over het algemeen is deze duidelijkheid er pas na het vijfde levensjaar, maar dit is geen harde grens. De zorgbehoefte en het ontwikkelpotentieel van het kind staan altijd centraal.
Jeugdwet Wanneer er intensieve zorg nodig is, met blijvend permanent toezicht en 24 uurszorg in de nabijheid vanwege een psychische stoornis of een psychiatrische aandoening, behoort deze tot de Jeugdwet.
Zorg voor een psychische stoornis of een psychiatrische aandoening valt onder de Jeugdwet, tenzij de jeugdige verblijf en behandeling van dezelfde Wlz-instelling krijgt en de behandeling van de psychische stoornis niet los te zien is van de Wlz-behandeling. De behandeling van de psychische stoornis of de psychiatrische aandoening valt in deze gevallen onder de Wlz. Respijtzorg Wlz Respijtzorg, in de vorm van logeeropvang, voor thuiswonende jeugdigen met een Wlz-indicatie valt onder de Wlz.
Jeugdwet Respijtzorg voor jeugdigen zonder Wlzindicatie valt onder de Jeugdwet.
Behandeling Wlz Behandeling valt onder de Wlz wanneer een jeugdige vanwege een verstandelijke of lichamelijke handicap of een somatische aandoening of beperking blijvend is aangewezen op permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid.
Jeugdwet Behandeling valt onder de Jeugdwet als er sprake is van verblijf zonder behandeling, of als de behandeling voor een psychische stoornis geleverd wordt in de vorm van een volledig pakket thuis, modulair pakket thuis of Pgb.
De behandeling van een psychische stoornis of een psychiatrische aandoening valt onder de 5
Handreiking De wettelijke domeinen voor zorg en ondersteuning aan mensen met een psychische stoornis (4 december 2020)
14
Jeugdwet, tenzij de jeugdige verblijf en behandeling van dezelfde Wlz-instelling krijgt en de behandeling van de psychische stoornis niet los te zien is van de Wlz-behandeling. De behandeling van de psychische stoornis of de psychiatrische aandoening valt in deze gevallen onder de Wlz. Kinderdienstencentra (KDC) Wlz Een KDC behoort tot de Wlz wanneer een jeugdige vanwege een verstandelijke of lichamelijke handicap of een somatische aandoening of beperking blijvend is aangewezen op permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid.
Jeugdwet Als er geen Wlz indicatie is dan is er inzet vanuit de Jeugdwet mogelijk. Vanaf 4 jarige leeftijd hebben jeugdigen recht op onderwijs. De jeugdige neemt dan deel aan onderwijs en niet aan een KDC. Behoudens het geval dat er geen school is die de leerling kan toelaten.
Rollen en verantwoordelijkheden In de contracten met jeugdhulpaanbieders is een inspanningsverplichting opgenomen. Jeugdhulpaanbieders ondersteunen bij het indienen van een Wlz-aanvraag als ze zorg bieden aan de jeugdige en ouders. Dit doen alleen de aanbieders met een Wtza-kwalificatie. Als de GI betrokken is ondersteunen zij jeugdige en ouders bij het indienen van een Wlzaanvraag. In de overige gevallen ondersteunt het OKT of de onafhankelijke cliëntondersteuner bij het indienen van een Wlz-aanvraag. 4.5 Zorgverzekeringswet Zoals hierboven genoemd is de Zorgverzekeringswet voorliggend op de Jeugdwet. De Zorgverzekeringswet wordt uitgevoerd door zorgverzekeraars en regelt medische zorg die gericht is op genezing en behandeling, thuisverpleging/wijkverpleging en kortdurende GGZ. In de indicatiestelling van de jeugdige is de inbreng en hulpbehoefte van de ouders meegenomen. Deze indicatiestelling vormt het uitgangspunt voor de levering van de zorg en is hetzelfde voor zorg in natura als voor zorg via een Pgb. Voor de Zvw geldt dat: Alle verzorging die samenhangt met geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt onder de Zvw. Dus, ook de verzorging van kinderen die noodzakelijk is door een gezondheidsprobleem of verpleegkundige verzorging in de eigen omgeving.6 Een aanvullende zorgverzekering is voorliggend op de Jeugdwet.
Voor verzorging geldt: Begeleidende verzorging is Jeugdwet. Geneeskundige verzorging en verpleging is Zorgverzekeringswet. Het accent bij deze zorgverlening ligt op de medische zorg. Palliatief terminale zorg is Zorgverzekeringswet. Voor gespecialiseerde behandeling geldt: Bij een verstandelijke beperking valt behandeling onder de Jeugdwet. Bij een lichamelijke ziekte of lichamelijke beperking valt behandeling meestal onder de Zorgverzekeringswet. Bij een zintuiglijke handicap valt de behandeling onder de Zorgverzekeringswet. Bij psychiatrische problemen valt behandeling onder de Jeugdwet. 6
Notitie Verduidelijking Zorginstituut van begrippen bij Verpleegkundige indicatiestelling kindzorg Zvw (29 oktober 2020).
15
Het is mogelijk dat jeugdigen tegelijkertijd hulp ontvangen vanuit de Jeugdwet en de Zvw. Indien de jeugdige problemen ervaart als gevolg van ouderproblematiek, wordt naast hulp aan de jeugdige vanuit de Jeugdwet, ook hulp ingezet voor de ouders vanuit de Zvw (zie voorbeelden onder 4.5.1 ). Het kan voorkomen dat er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan bepaalde problematiek, zonder dat precies duidelijk is welke oorzaak de hoofdoorzaak is. De vraagverkenning en het daarbij horende traject is onderdeel van de hulp geboden vanuit de Jeugdwet.
Eetstoornis Zorgverzekeringswet Geneeskundige zorg, inclusief verpleging van de lichamelijke beperking of chronische aandoening, valt onder de Zvw.
Jeugdwet De diagnose en behandeling van een psychische stoornis vallen onder de Jeugdwet.
Het is mogelijk dat de somatische en psychische behandeltrajecten naast elkaar lopen, waarbij de behandeling van de somatische problematiek ten laste komt van de zorgverzekeraar.
Auditieve en visuele beperkingen Zorgverzekeringswet De zorg en behandeling van auditieve en visuele beperkingen valt altijd onder de Zvw. Dit geldt ook voor de psychische klachten die hieruit kunnen volgen.
Jeugdwet Zorg die betrekking heeft op het ondersteunen bij het maatschappelijk functioneren als gevolg van de auditieve en visuele beperking valt onder de Jeugdwet. Het gaat hier om het niet medisch deel.
Een hulphond valt ook onder de Zvw, wanneer deze dient als hulpmiddel7 en gericht is op de algemene dagelijkse levensverrichtingen.
Lichamelijke problemen Zorgverzekeringswet De diagnose en behandeling van medische problematiek behoort tot de Zvw, waaronder de behandeling van Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK). Onder de Zvw vallen ook palliatieve terminale zorg en de hospice. Een medisch kinderdagverblijf (verzorging) valt onder de Jeugdwet, behalve als er sprake is van een Wlzindicatie. Aanvullende zorgverzekeringen zijn voorliggend op de Jeugdwet. Dat betekent dat alle behandelingen en therapieën die onder de dekking van een aanvullende verzekering
7
Jeugdwet De diagnose en behandeling van klachten die duiden op een psychische stoornis vallen onder de Jeugdwet. Begeleiding en persoonlijke verzorging bij algemene dagelijkse levensverrichtingen vallen ook onder de Jeugdwet. Onder de Jeugdwet valt ook het medische kinderdagverblijf (verzorging). NB. als er sprake is van een Wlz-indicatie valt het medische kinderdagverblijf (verzorging) onder de Wlz.
ECLI:NL:RBGEL:2019:217 16
vallen, ook vanuit deze verzekering vergoed moeten worden. Verpleging Geneeskundige zorg, inclusief verpleging van de lichamelijke beperking of chronische aandoening, valt onder de Zvw. Daarnaast valt alle verzorging die samenhangt met de geneeskundige zorg of een hoog risico daarop ook onder de Zvw. Voor jeugdigen die vanwege de noodzaak voor geneeskundige, verpleegkundige zorg en toezicht behoefte hebben aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht, voornamelijk door complexe somatische problematiek of een lichamelijke handicap geldt dat Zvw voorliggend is op de Wlz. Therapie Zorgverzekeringswet Aanvullende zorgverzekeringen zijn voorliggende op de Jeugdwet. Dat betekent dat alle behandelingen en (vak)therapieën die onder de dekking van een aanvullende verzekering vallen, vanuit deze verzekering vergoed moeten worden en niet vanuit de Jeugdwet. Psychische en psychosociale problematiek Zorgverzekeringswet Wanneer een jeugdige met psychische klachten naar de huisarts gaat en de (praktijkondersteuner van de) huisarts deze klachten voldoende kan behandelen, dan is dit huisartsenzorg die valt onder de Zvw. Psychiatrische diagnostiek door een kinderarts valt onder de Zvw, ook als de jeugdige wordt doorverwezen naar een kinderarts met somatische klachten (bijv. hoofdpijn of buikpijn), waar uiteindelijk een psychische oorzaak (bijv.
depressie) aan ten grondslag ligt. Deze diagnostiek wordt beschouwd als onderdeel van de behandeling van de somatische problemen en valt onder de Zvw.
Jeugdwet Wanneer jeugdige en ouders niet aanvullend verzekerd zijn, valt therapie onder de Jeugdwet.
Jeugdwet Als de jeugdige is aangewezen op meer specialistische zorg en begeleiding dan die de (praktijkondersteuner van de) huisarts kan bieden, dan valt de geestelijke gezondheidszorg aan jeugdigen tot 18 jaar onder de Jeugdwet. Zowel de begeleiding als de psychiatrische behandeling van de jeugdige zijn hiermee de verantwoordelijkheid van de gemeente. Ook medicatiecontrole valt onder de Jeugdwet. Op het moment dat er alleen nog sprake is van medicatiecontrole, is het mogelijk dat deze taak overgedragen wordt aan de huisarts. Dit gebeurt conform de richtlijnen van de landelijke huisartsen vereniging (LHV).
De psychofarmaca die een kinder- of jeugdpsychiater voorschrijft, worden verstrekt vanuit de Zvw.
17
4.5.1 Systeemproblematiek Een jeugdhulpvraag kan samenhangen met problematiek binnen het systeem, bijvoorbeeld de problematiek van ouders. De bekendste situaties zijn psychische- en verslavingsproblematiek en complexe scheidingen. Bij ouder-/ systeemproblematiek geldt: Voor de problematiek van de ouders wordt hulp vanuit de Zvw ingezet (GGZ), vanuit rechtsbijstand (bijv. bij mediation) of vanuit een algemene voorziening en niet vanuit de Jeugdwet. Voor de problematiek die de jeugdige als gevolg van het ouder-/ systeemproblematiek ondervindt, wordt jeugdhulp ingezet. Om de hulp die wordt aangeboden vanuit de Jeugdwet effectief te laten zijn wordt de problematiek van de ouders en het systeem in samenhang behandeld. Als de jeugdhulpvraag samenhangt met ouderproblematiek is het een voorwaarde om het jeugdhulptraject in te zetten dat ook de ouder- / systeemproblematiek wordt behandeld. Uitzondering hierop is als de veiligheid van de jeugdige in het geding komt. De jeugdhulpaanbieder heeft de verantwoordelijkheid om bij ouder-/ systeemproblematiek het lokale team of de huisarts te betrekken (met toestemming van de jeugdige en ouders), zodat de juiste hulp kan worden ingezet.
18
5. Toelichting op vormen van individuele voorzieningen Van veel voorzieningen is in de (landelijke) regelgeving of richtlijnen duidelijk welke criteria gelden. Een aantal vormen van individuele voorzieningen vraagt om een nadere toelichting als het gaat om het afwegingskader. In dit hoofdstuk zijn deze afwegingskaders beschreven. 5.1. Specialistische jeugdhulp in het speciaal onderwijs Specialistische jeugdhulp en het speciaal onderwijs werken intensief samen om kinderen en jongeren op deze scholen een ononderbroken schoolloopbaan te bieden. Dit wordt specialistische jeugdhulp in het speciaal onderwijs (SJSO) genoemd. Vanwege de kwetsbare doelgroep wordt hulp laagdrempelig georganiseerd en zijn er vaste gezichten aanwezig op scholen. De hulp die vanuit de jeugdhulpprofessional wordt geboden, creëert ruimte voor de leerkracht om kwetsbare leerlingen vakinhoudelijk (weer) te bereiken. 5.1.1 Algemeen SJSO wordt aangeboden op het speciaal (voortgezet) onderwijs ((v)so), speciaal basisonderwijs (sbo), praktijkonderwijs (po) en tussenvoorziening (tv). Scholen (zorgteam) zijn ervoor verantwoordelijk om 'breed te kijken en breed te doen' voordat zij SJSO inzetten. Zij kunnen het OKT benaderen voor advies om 'breed te kijken en breed te doen'. SJSO is direct beschikbaar voor leerlingen uit Amsterdam die onderwijs volgen op deze scholen.
SJSO is een individuele voorziening, die via de betaaltitel ‘huisartsenroute’ wordt verstrekt. Er is geen verwijzing nodig. Leerlingen uit (buiten)regiogemeenten die onderwijs volgen op deze scholen hebben ook toegang tot de hulp vanuit het SJSO. Dit loopt echter via het aanvragen van een beschikking. Uitzondering is het preventieve aanbod Consultatie en Advies SJSO, dat zonder beschikking op cluster 3 en 4 scholen voor alle leerlingen toegankelijk is. SJSO kan in een doorlopend continuüm worden ingezet, zowel op school als thuis. Dit is afhankelijk van de hulpvraag. Jeugdhulpverleners van SJSO sluiten aan bij het zorgteam van de school. De school, het OKT en SJSO werken integraal samen en gezinsgericht. Dat betekent dat de medewerker van het OKT actief onderdeel uitmaakt van de zorgstructuur op school, preventieve lichte jeugdhulp inzet wanneer dat voldoende is, en eventueel verwijst naar aanbod in de wijk of ander preventief aanbod dat inzetbaar is zonder beschikking. Om SJSO in te zetten moet uit het OPP (Ontwikkelings Perspectiefplan) blijken dat er extra ondersteuning vanuit onderwijs en/of jeugdhulp nodig is. Een OPP is in alle gevallen verplicht wanneer de ondersteuning vanuit het School Ondersteunings Profiel (SOP) niet toereikend is. De jeugdhulp die vervolgens middels SJSO wordt ingezet, is ondersteunend aan de leerdoelen die op school zijn vastgesteld.
De situatie na 18e jaar wordt tijdig bekeken, zie hiervoor ook paragraaf 3.7: 18-/18+. 5.1.2 Wat valt onder SJSO? SJSO wordt alleen ingezet als het gaat om een hulpvraag die onder de Jeugdwet valt. Voor SJSO gelden dezelfde (kwaliteits-)eisen als die aan de specialistische jeugdzorg wordt gesteld. De gesignaleerde problematiek bij de leerling moet daarnaast ook buiten het onderwijs spelen, anders is sprake van Passend Onderwijs. Voor SJSO gelden de volgende criteria: De hulpvraag vindt plaats op het onderwijs en in de thuissituatie. De hulpvraag behoort tot de Jeugdwet (en dus niet tot Passend Onderwijs, Zvw of Wlz). De eigen kracht of algemene voorzieningen bieden geen oplossing voor de hulpvraag. Als de school handelingsverlegen is dan kan SJSO ingezet worden voor hulpvragen die in eerste instantie behoren tot het domein van het passend onderwijs. Handelingsverlegen wil zeggen dat de school niet kan voldoen aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige op het gebied van passend onderwijs. Voorwaarden hiervoor zijn: De ondersteuningsbehoefte moet met (leerling en) ouders zijn vastgesteld en opgenomen worden in het OPP. 19
De ondersteuningsbehoefte moet groter/meer zijn dan de school vanuit het School Ondersteunings Profiel (SOP) kan bieden. Het gaat hier om een tijdelijke inzet omdat de school samen met het samenwerkingsverband verantwoordelijk is om een passende onderwijs plek voor de jeugdige te vinden. Onder SJSO valt geen jeugdhulp met een hoge expertise, zoals verblijf, pleegzorg, crisis, dagbehandeling of kliniekopname. Buitenschoolse activiteiten of naschoolse opvang zonder therapeutisch doel behoren niet tot het SJSO.
5.1.3 Basisaanbod Consultatie en Advies SJSO Op cluster 3 en 4 scholen is een preventief basisaanbod Consultatie en Advies SJSO beschikbaar. Dit preventieve aanbod is inzetbaar voor alle leerlingen, ongeacht woonplaats. Het aanbod heeft preventie en vroegsignalering als doel. 5.2 Woningaanpassingen en hulpmiddelen Woningaanpassingen en hulpmiddelen voor jeugdigen worden toegekend op basis van de Wmo 2015, of vanuit de Zvw als het onderdeel is van de zorgverzekering of de Wlz als de jeugdige in een instelling verblijft. Ook een doventolk behoort tot de Wmo. De criteria voor woningaanpassingen en hulpmiddelen zijn opgenomen in de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam. Hulpmiddelen voor jeugdigen worden indien mogelijk toegekend door Wmo Accent. Voor woningaanpassingen geldt dat deze door het Indicatie adviesbureau Amsterdam worden afgehandeld. Wmo Accent en het Indicatiebureau werken waar nodig samen met elkaar. De aanmelding bij Wmo Accent of het Indicatie adviesbureau kan worden gedaan door de jeugdige en ouders, de behandelaar (bijvoorbeeld een ergo therapeut), school of het OKT. 5.3 Verblijf Voor verblijf gelden de volgende uitgangspunten: Er wordt primair ingezet op ambulante begeleiding en/of andere voorzieningen voordat overgegaan wordt tot verblijf buiten de eigen gezinssituatie.
Bij uithuisplaatsingen wordt gewerkt conform de ‘Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ van het NJI8. De situatie na het 18e jaar wordt tijdig bekeken, zie hiervoor ook paragraaf 3.7: 18-/18+. Er wordt intensief en herhaaldelijk afgewogen of terugplaatsing naar de eigen gezinssituatie mogelijk is. 5.4 Vervoer 5.4.1 Criteria vervoer In artikel 2.3, tweede lid van de Jeugdwet is beschreven wanneer vervoer onder jeugdhulp valt: “Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.” Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen ouders in beginsel voor het vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheden om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Van ouders wordt verwacht dat zij hun kind zelf vervoeren. In geval van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige kan er een
8
http://richtlijnenjeugdhulp.nl/wp-content/uploads/2015/06/Richtlijn_Uithuisplaatsing.pdf
20
vervoersvoorziening worden toegekend. Er wordt gekozen voor het goedkoopst adequate vervoer. Van medische noodzaak is sprake wanneer een jeugdige door zijn psychische, lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking niet in staat is om (eventueel onder begeleiding van een volwassene) gebruik te maken van het openbaar vervoer. Van beperkingen in de zelfredzaamheid is sprake wanneer: De leeftijd van de jeugdige het niet toelaat zelfstandig te reizen met het OV (jonger dan 9 jaar) en nadat is aangetoond dat ouders of andere personen in de naaste omgeving niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor de begeleiding en het vervoer. Er sprake is van ernstige gedragsproblemen welke reizen in het OV of eigen vervoer onmogelijk maken; of er andere redenen van niet-medische aard zijn die het zelfstandig of onder begeleiding reizen in het OV of eigen vervoer onmogelijk maken. Er wel de mogelijkheid is zelfstandig van het vervoer gebruik te maken, maar er geen financiële draagkracht is, ook niet na beroep op andere voorliggende wetgeving. 5.4.2 Afwegingskader Om voor vervoer van en naar de jeugdhulplocatie in aanmerking te komen: Heeft een jeugdige een indicatie voor een individuele voorziening jeugdhulp. Is sprake van een medische noodzaak dan wel een beperking in de zelfredzaamheid. Is het niet mogelijk om op eigen kracht het vervoer te organiseren.
Voor de eigen kracht geldt dat ouders hierin een rol hebben en dat hierbij het OV voorliggend is. De participatiewet is voorliggend als er financiële problematiek is. Is er geen andere regeling/voorziening waarvan de jeugdige gebruik kan maken voor het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening. Bedraagt de afstand van de verblijfsplaats van de jeugdige tot de jeugdhulpvoorziening meer dan 6 kilometer. Een reisafstand binnen 6 kilometer wordt gezien als gebruikelijke zorg en/of hulp; van ouders wordt verwacht dat zij dit zelf regelen. Het gaat hier één van de wegingsfactoren. Dit wil dus zeggen dat als de afstand korter is dan 6 kilometer er om andere redenen zoals in dit hoofdstuk beschreven wel vervoer kan worden toegekend. Ook geldt dat een afstand van meer dan 6 km niet vanzelfsprekend leidt tot een vervoersvoorziening als ouders wel met eigen mogelijkheden het vervoer kunnen organiseren. Vervoer dat onder de Zvw of Wlz valt wordt niet verzorgd vanuit de Jeugdwet. Ander vervoer van jeugdigen dan naar de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld sociaal recreatief vervoer) valt onder gebruikelijke zorg en eigen kracht. Als dit niet toereikend is dan kan dat vervoer onder de Wmo 2015 vallen, als deze sociale contacten noodzakelijk zijn en het eigen netwerk geen mogelijkheden biedt.