096.24 Motie Van Schijndel het criterium ‘zicht- en hoorafstand’ bij protesten tegen de komst van president Herzog
Tekst van het document
Motie Datum raadsvergadering Ingekomen onder nummer Status Onderwerp
27 maart 2024 096 Verworpen Motie van het lid Van Schijndel inzake het criterium ‘zicht- en hoorafstand’ bij protesten tegen de komst van president Herzog
Onderwerp Toepassing van het criterium ‘zicht- en hoorafstand’ bij de protesten rondom de opening van het Nationaal Holocaustmuseum, alsmede aanpassing / verheldering van de nota ‘Bijkans heilig’
Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De Raad, Gehoord de discussie in de vergadering van de commissie voor Algemene Zaken over de door de burgemeester verdedigde toepasselijkheid van het criterium ‘zicht- en hoorafstand’ bij de protesten tegen de komst van president Herzog; Constaterende dat: -
-
-
-
anders dan de burgemeester volhoudt, de plechtigheden rondom de opening van het Holocaustmuseum onomstotelijk met wanordelijkheden gepaard gingen, waardoor geen sprake is geweest van de gepaste rust en orde, zowel bij de Portugese synagoge als bij de entree van het museum zo werden in de Portugese synagoge, door steeds sterker aanzwellend tromgeroffel vanuit de demonstratie op het Waterlooplein plus met megafoons versterkte spreekkoren en leuzen, de toespraken van hoogwaardigheidsbekleders, waaronder de Koning, verstoord daarna werd bij de pro-Palestijnse ‘spontane’ betoging vlak bij de entree van het Holocaustmuseum woedende leuzen geroepen en aanwezige overlevenden en nabestaanden met antisemitische kreten uitgejouwd (‘kankerjoden’ – op beeld en geluid; ook werd er geroepen ‘Intifada now’ en ‘Hamas is my brother’) de burgemeester in de commissie voor Algemene Zaken heeft aangegeven dat het aanwijzen van de locatie Waterlooplein was ingegeven door vereisten die zouden voortvloeien uit jurisprudentie op basis van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM);
Gemeente Amsterdam
Status Verworpen Pagina 2 van 2
Overwegende dat: - bij het doen van uitspraken over EVRM-jurisprudentie de burgemeester zich terdege moet informeren - in het debat in de commissie voor Algemene Zaken de burgemeester heeft nagelaten te motiveren op basis van welke uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) het ‘zicht- en hoor’-criterium moest worden toegepast; - het relevante arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over ‘zicht- en hoorafstand’ betrof de zaak Lashmankin e.a / Rusland; het Hof oordeelde dat de praktijk om anti-Poetin betogingen te verbannen naar afgelegen locaties, waaronder vaak industrieterreinen, in strijd is met artikel 11 van het EVRM, aangezien betogers daardoor het publiek (audience) niet konden bereiken en de betogingen hun uitstralende werking (impact) werd ontnomen (paragraaf 426 van het arrest1) - Niets Meer en Niets Minder: er is krachtens het EVRM geenszins een verplichting dat betogingen binnen ‘zicht- en hoorafstand’ van degene (in casu president Herzog) of de instantie waartegen de betoging zich richt moeten plaatsvinden, wanneer organisatoren aangeven daar prijs op te stellen - Uit de wetsgeschiedenis volgt dat doel of onderwerp van een betoging (en eventuele tegenbetoging) bij de beoordeling van de vrees voor wanordelijkheden mag worden meegewogen2 - dat dit juridisch gegeven ook van bijzonder belang is in de toekomst, bijvoorbeeld bij
betogingen van Extinction Rebellion op de openbare weg en/of bij overheidsgebouwen. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders Het handhavingskader ‘Bijkans heilig’ zodanig aan te passen dat daaruit blijkt dat betogingen niet per se moeten worden toegelaten binnen ‘zicht- en hoorafstand’ van degene of de instantie waartegen een betoging zich richt; voldoende is dat een betoging door het algemene publiek kan worden opgemerkt.
Indiener, A.H.J.W. van Schijndel
1 In enkel een paar gevallen werd recent door lagere Nederlandse rechters aangenomen dat ‘zicht- en hoorafstand’ betrekking heeft op
degene tegen wie de betoging gericht is. Dit miskent de evident beperkte strekking van het Lashmankin-arrest van het Europese Hof. Bovendien verwijst annotator Roorda in zijn noot bij Lashmankin naar de Nederlandse uitspraak van Rechtbank Arnhem uit 2005 waarin het verbannen van een anti-Europese Grondwetbetoging naar een buitenwijk mét tijdstip in de vroege ochtend, ontoelaatbaar werd geoordeeld. Vgl. Tekst & Commentaar Openbare orde en Veiligheid (Roorda), 8e druk, p. 101 (bovenaan) 2 Tekst & Commentaar OOV, p. 91