09. 200930 Vleermuisonderzoek IJdoornschoollocatie.pdf
Tekst van het document
Bezoekadres Weesperstraat 430 1018 DN Amsterdam Postbus 12693 1100 AR Amsterdam Telefoon 14 020 amsterdam.nl/ingenieursbureau
Notitie Aan
Peter Knaven
Van
Roel de Greeff
Kopie aan
Maurice Backerra
Datum
30 september 2020
Ons kenmerk
R001-1276728RGR-V02
Bijlage(n)
1: Resultaten (verder uitgezoomd)
Onderwerp
Nader onderzoek naar het gebruik van IJdoornschoollocatie door vleermuizen
Auteur, kwaliteitscontrole en vrijgave Opsteller
Roel de Greeff
Kwaliteitscontrole Tauw
Vincent Wisgerhof
Kwaliteitscontrole IB
Maurice Backerra
Projectleider
Peter Knaven
1. Inleiding In opdracht van gemeente Amsterdam heeft Ingenieursbureau Amsterdam (IB Amsterdam) onderzoek gedaan naar het gebruik van het plangebied door vleermuizen. Het onderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de sloop en herontwikkeling (woningen) van het terrein van de IJdoornschool te Amsterdam. Uit de eerder uitgevoerde quickscan natuur blijkt dat negatieve effecten op vleermuizen voor deze locatie niet op voorhand worden uitgesloten (De Greeff, 2020). In deze rapportage wordt verslag gedaan van het uitgevoerde nader onderzoek. Het vleermuizenonderzoek is erop gericht om de functie vast te stellen van het plangebied voor de in de regio voorkomende vleermuissoorten met uitzondering van de meervleermuis. Vanwege de bekendheid van een kolonie meervleermuizen is het onderzoek naar meervleermuis door de autoriteit in Nederland op het gebied van deze soort opgepakt. Voor het onderzoek naar de meervleermuis wordt dan ook verwezen naar Anne-Jifke Haarsma. IB Amsterdam heeft geen onderzoek gedaan naar de meervleermuis. Naar andere vleermuissoorten heeft het IB Amsterdam wel onderzoek gedaan. De kans bestaat dat als gevolg van de werkzaamheden (onderdelen van het leefgebied van) vleermuizen worden verstoord of verdwijnen. Wanneer dit het geval is, dan is er sprake van een overtreding van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb).
Middels het onderzoek wordt inzichtelijk gemaakt of, en op welke wijze, het plangebied door vleermuizen gebruikt wordt. Omdat door IB Amsterdam geen onderzoek is gedaan naar meervleermuis, wordt deze soort in deze rapportage verder niet behandeld. De focus van het vleermuisonderzoek ligt op de soorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, Het Ingenieursbureau is bereikbaar met metro 51, 53 en 54 of met tramlijn 7 en 10, halte Weesperplein. Een routebeschrijving vindt u op www.ingenieursbureau.amsterdam.nl
Gemeente Amsterdam
30 september 2020
Nader onderzoek naar het gebruik van IJdoornschoollocatie door vleermuizen
Pagina 2 van 14
tweekleurige vleermuis en watervleermuis. Per soort wordt vastgesteld hoe zij gebruik maken van het plangebied: zijn er verblijfplaatsen van deze soorten, wordt het gebruikt als foerageergebied of liggen er binnen het plangebied één of meer vliegroutes? Het rapport behandeld het plangebied en de beoogde ontwikkeling die daar plaats gaat vinden (hoofdstuk 2). Vervolgens wordt ingegaan op de ecologie van vleermuizen en de wijze waarop vleermuizen in Nederland beschermd zijn (hoofdstuk 3). Daarop volgen de onderzoeksmethode en de resultaten van het onderzoek (hoofdstuk 4). Hierna wordt ingegaan op de effecten die de ontwikkeling heeft op de aangetroffen soorten en de functies die het plangebied voor deze soorten vervult (hoofdstuk 5). Hierbij wordt ook de vraag beantwoord of de aanvraag van een ontheffing noodzakelijk is. Tot slot worden deze onderdelen en de vervolgacties of aanbevelingen in de conclusie samengevat (hoofdstuk 6).
2. Beoogde ontwikkeling De beoogde ontwikkeling bestaat uit een transitie van het plangebied van de IJdoornschoollocatie naar woningen. Om de bouw van de woningen te realiseren dient eerst de huidige bebouwing gesloopt te worden. De begroeiing, zowel bomen als heesters, worden daarnaast eveneens verwijderd. Het is niet duidelijk of de bomen aan de randen van het plangebied kunnen blijven staan; volledigheidshalve wordt aangenomen dat deze gekapt worden. Het komt er dus op neer dat het gehele terrein bouwrijp gemaakt wordt. 3. Ecologie en wetgeving Ecologie van vleermuizen Inleiding Een plangebied kan op drie manieren gebruikt worden door vleermuizen, namelijk als verblijfplaats, foerageergebied en/of vliegroute (Kapteyn, 1995; Limpens et al., 2004; BIJ12, 2017). Vleermuizen maken gebruik van het landschap als netwerk, waarin de verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes verspreid door het landschap liggen. Als gevolg van de seizoenswisselingen, maar ook door factoren zoals veranderingen in het voedselaanbod is het gebruik van het netwerk dynamisch en veranderlijk in de loop van het seizoen en in de loop van de jaren (Kapteyn, 1995; Limpens et al., 2004). Verblijfplaatsen Vleermuizen gebruiken openingen, holten en spleten in bomen of gebouwen als verblijfplaats.
Door het jaar heen maken vleermuizen gebruik van verschillende soorten verblijfplaatsen: zomerverblijfplaatsen, kraamverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen. Het onderzoek naar winterverblijfplaatsen is indicatief, dit wordt onderzocht door tijdens de veldbezoeken te letten op specifiek gedrag rond paarverblijfplaatsen (het ‘zwermen’). Als dit gedrag wordt waargenomen in augustus of september is er waarschijnlijk sprake van (vestiging van) een winterverblijfplaats. De ligging van winterverblijfplaatsen voor de meeste zeldzamere soorten is overigens al goed bekend. De zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen kunnen zowel in bomen als in gebouwen worden aangetroffen, dit is afhankelijk van de vleermuissoort. Naar aanleiding van de eerder uitgevoerde
Gemeente Amsterdam
30 september 2020
Nader onderzoek naar het gebruik van IJdoornschoollocatie door vleermuizen
Pagina 3 van 14
quickscan (De Greeff, 2020) is de aanwezigheid van zomerverblijfplaatsen, kraamverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen, winterverblijfplaatsen en massawinterverblijfplaatsen te verwachten. Zowel gebouwbewonende als boombewonende soorten worden in het plangebied verwacht naar aanleiding van de quickscan. Foerageergebieden Vleermuizen foerageren vooral langs opgaand groen en bij overgangen in het biotoop. Het gebruikte foerageergebied verschilt per soort, zo kunnen vleermuizen ook foerageren boven water, in halfopen landschap, in stedelijk gebied en in of in de nabijheid van bos. Sommige soorten leggen ’s avonds enkele kilometers af om hun foerageergebieden te bereiken. Andere soorten zoeken hun voedsel binnen een straal van enkele honderden meters rondom de verblijfplaats. Foerageergebied van vleermuizen is alleen beschermd als sprake is van een essentiële functie van dit foerageergebied. Dit betreft bijvoorbeeld een groengebied met voldoende voedsel (insecten), zodat de volwassen vrouwtjes voldoende energie hebben om hun jongen te zogen en verzorgen. Vliegroutes De meeste soorten vleermuizen maken gebruik van lijnvormige elementen in het landschap als vliegroute, zoals heggen, lanen, bosranden en waterlopen. Dergelijke lijnvormige elementen dienen als oriëntatie en bieden beschutting tegen wind en tegen mogelijke vijanden.
Er wordt door vleermuizen vaak ook gefoerageerd op de vliegroute. Vliegroutes van vleermuizen zijn alleen beschermd als sprake is van een essentiële functie van deze vliegroute(s). Dit betreft bijvoorbeeld vliegroutes tussen grote of meerdere verblijfplaatsen en belangrijk foerageergebied. Wetgeving In deze rapportage vindt toetsing plaats aan de Wnb. De Wnb gaat uit van het voorzorgsbeginsel en stelt dat een overtreding van verbodsbepalingen met zekerheid is uitgesloten. Uitsluitsel is alleen mogelijk op basis van voldoende en actuele gegevens en bij afwezigheid van beschermde soorten. Bij het aanvragen van een eventuele ontheffing dient de aanwezigheid van de betreffende soort echter aangetoond te worden. Hierbij geldt een ‘omgekeerde bewijslast’ waarbij de initiatiefnemer verantwoordelijkheid draagt. Het beschermingsregime van de Wnb gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat het verboden is vleermuizen te doden of vangen, te storen of verstoren en onder zicht te hebben of te vervoeren. Daarnaast geldt dat het verboden is voortplantingsplaatsen en rustplaatsen te beschadigen of te vernielen. Als uit het nader onderzoek blijkt dat negatieve effecten niet te voorkomen zijn, en dat het nemen van mitigerende maatregelen noodzakelijk is, zal een ontheffing aangevraagd moeten worden.
De eventueel benodigde mitigerende en/of compenserende maatregelen dienen te worden opgenomen in een (nader uit te werken) activiteitenplan. Deze maatregelen vormen de basis van een ontheffingsaanvraag. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Noord-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. De Omgevingsdienst Noord-Holland Noord is in dezen de uitvoerende dienst van de provincie Noord-Holland.
Gemeente Amsterdam
30 september 2020
Nader onderzoek naar het gebruik van IJdoornschoollocatie door vleermuizen
Pagina 4 van 14
De maatregelen dienen te worden getroffen om de functionaliteit van het gebied voor vleermuizen en de staat van instandhouding van de soort te garanderen. Indien de maatregelen voldoende worden geacht, wordt de ontheffing verleend. Aanvullend kan bevoegd gezag specifieke voorschriften aan het voornemen stellen.
4. Beschrijving plangebied Het plangebied voor de beoogde ontwikkeling is gelegen aan de Werengouw nummers 83 – 87 te Amsterdam en betreft de IJdoornschool en bijbehorende gebouwen (figuur 1). Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit bebouwing, verhard oppervlak en enkele bomenrijen en solitaire bomen of bomengroepjes. Voor een uitgebreide beschrijving van de bebouwing en begroeiing in het plangebied wordt verwezen naar de eerder uitgevoerde quickscan (De Greeff, 2020). Het plangebied wordt begrensd door de trottoirbanden aan de zuid- en oostkant (Werengouw en Volendammerweg), aan de westkant door het Koedijkpad, en aan de noordwestzijde door de woningen en tuinen aan de Katrijpstraat. De wijken rond het plangebied betreffen wijken met een relatief groen karakter. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door woningen en met name door het stadspark met de plas ‘Schellingwouderbreek’ ten zuiden van het plangebied. De wijk ten zuidwesten van het plangebied betreffen daarnaast oude wijken waarin de woningen gebouwd zijn in de jaren ’20 en ’30 van de 20ste eeuw. Het plangebied zelf en de oostelijk en noordelijk gelegen wijken zijn vanaf de jaren ’60 gebouwd.
Figuur 1: Overzichtskaart van het plangebied.
Het onderzochte gebied is in werkelijkheid groter dan het plangebied. Dit is nodig geweest om een volledig beeld te krijgen van de activiteit van vleermuizen in de omgeving. Het onderzochte gebied
Gemeente Amsterdam
30 september 2020
Nader onderzoek naar het gebruik van IJdoornschoollocatie door vleermuizen
Pagina 5 van 14
bestaat uit het plangebied en de woningen die daar direct omheen staan. Ook het noordelijke deel van het zuidelijk gelegen stadspark is tijdens het onderzoek geregeld bezocht om daar te onderzoeken welke soorten vleermuizen daar voorkomen. Aan de westzijde van het plangebied ligt een vaart die uitmondt in het stadspark. Ook langs deze vaart is het onderzoek uitgevoerd. 5. Onderzoeksmethode Verwachte soorten Op basis van algemene verspreiding, biotoopvoorkeur en de uitgevoerde quickscan is, behoudens de meervleermuis, de aanwezigheid van de volgende vleermuissoorten in het plangebied niet uitgesloten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis (o.a. Broekhuizen et al., 2016 & De Greeff, 2020). De reden dat deze vleermuissoorten worden verwacht, heeft te maken met de aanwezigheid van geschikte openingen en ruimtes in de gebouwen en mogelijke aanwezigheid van holtes en/of kieren in bomen. Verwachte functies van het plangebied Op basis van de eerder uitgevoerde quickscan kan het plangebied als verblijfplaats, foerageergebied en vliegroute functioneren. Op de aanwezigheid van deze functies en de bovengenoemde soorten is met behulp van het Vleermuisprotocol 2017 (Netwerk Groene Bureaus, 2017) bepaald welke onderzoeksinspanning noodzakelijk was.
In tabel 1 wordt per soort weergegeven welke functies tijdens de uitgevoerde quickscan niet uitgesloten konden worden. Grootoorvleermuis uitgesloten? Tabel 1: Te verwachten soorten en functies in het plangebied. Functie van plangebied Kraamkolonie in gebouw
Foerageergebied
Gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, gewone grootoorvleermuis Gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, gewone grootoorvleermuis Gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, gewone grootoorvleermuis Gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis Gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis Gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis Gewone grootoorvleermuis, Kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis Kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis Alle hierboven genoemde soorten
Vliegroute
Alle hierboven genoemde soorten
Zomerverblijfplaats in gebouw Paarverblijfplaats in gebouw Winterverblijfplaats in gebouw Zomerverblijfplaats in boom Kraamverblijfplaats in boom Paarverblijfplaats in boom Winterverblijfplaats in boom
Veldwerk Het veldwerk is uitgevoerd volgens de meest recente versie van het vleermuisprotocol als opgesteld door het Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus et. al. (2017). Het veldwerk is per bezoek uitgevoerd door 2 ervaren ecologen vanwege veiligheid en kwaliteit, zie tabel 2. Door het veldonderzoek met meerdere ecologen tegelijk uit te voeren, is het plangebied voldoende
Gemeente Amsterdam
30 september 2020
Nader onderzoek naar het gebruik van IJdoornschoollocatie door vleermuizen
Pagina 6 van 14
overzichtelijk geweest. Gemiddeld kon het gehele plangebied ieder kwartier door beide ecologen helemaal overzien worden. Ook is een klein deel van het plangebied waarvan bekend is dat de meervleermuis hier verblijft, buiten beschouwing gebleven. Hierdoor kan aannemelijk gemaakt worden dat het plangebied met voldoende inspanning is onderzocht. De ecologen hebben het plangebied zes maal (drie keer in het najaar en drie keer in het voorjaar) onderzocht. Zij hebben lopend het gebruik van het plangebied door vleermuizen in beeld gebracht met behulp van een batdetector (type: Petterson D240X) en zaklamp (om uitvliegende vleermuizen mee waar te nemen). Tevens is een deel van de omgeving (plusminus 50 meter) rondom het plangebied doorzocht (zie figuur 2).
Figuur 2: Onderzocht gebied (oranje omlijnd) ten opzichte van plangebied (rood omlijnd).
Een batdetector is een apparaat dat ultrasone geluiden, die een vleermuis maakt, omzet in voor de mens hoorbare tikkende geluiden. Aan de hand van het ritme van het geluid en de frequentie waarop de vleermuis het beste wordt gehoord, de zogenaamde piekfrequentie, kan in veel gevallen worden bepaald om welke vleermuissoort het gaat. Soms kan in het veld het onderscheid tussen verschillende soorten niet gemaakt worden. In deze gevallen zijn geluiden in het veld opgenomen met behulp van een opnameapparaat. Voor het determineren van soorten is vervolgens gebruik gemaakt van het programma Batsounds. Hierin worden de geluidsopnamen geanalyseerd om te bepalen om welke soort het gaat. Omdat vleermuizen vooral bij (redelijk) gunstige weersomstandigheden (geen of weinig neerslag en weinig wind) actief zijn, is alleen in dergelijke omstandigheden veldwerk uitgevoerd. In tabel 2 zijn de data en weersomstandigheden van elk veldbezoek weergegeven.
Gemeente Amsterdam
30 september 2020
Nader onderzoek naar het gebruik van IJdoornschoollocatie door vleermuizen
Pagina 7 van 14
Tabel 2: Data en weersomstandigheden van de uitgevoerde veldbezoeken. Datum Tijdstip Focus Weersomstandigheden 13-08-2019 03-09-2019 26-09-2019 22-05-2020 12-06-2020 10-07-2020
00:00 – 02:00 00:00 – 02:00 20:15 – 22:30 21:35 – 00:15 02:35 – 05:15 22:00 – 00:40
Paar- en (massa) winterverblijfplaatsen Paar- en (massa) winterverblijfplaatsen Paar- en (massa) winterverblijfplaatsen Zomer- en kraamverblijfplaatsen Zomer- en kraamverblijfplaatsen Zomer- en kraamverblijfplaatsen
16 °C, half bewolkt, motregen, wind 2 Bft. 12 °C, onbewolkt, droog, wind 2 Bft. 11 °C, half bewolkt, droog, wind 1 Bft. 18 °C, half bewolkt, droog, wind 3 Bft. 16 °C, licht bewolkt, droog, wind 1 Bft. 13 °C, licht bewolkt, droog, wind 1 Bft
Veldwerkers K. Wonders & J. Stofberg B. Rijksen & K. Wonders B. Rijksen & K. Wonders K. Wonders & A. van der Goot. K. Wonders & A. van der Goot K. Wonders & A. van der Goot
In het vleermuisprotocol worden eisen gesteld met betrekking tot de periode die er tussen verschillende veldbezoeken moet zitten. Deze periode varieert van 30 tot 20 dagen afhankelijk van de focus van het veldbezoek en de tijd van het jaar. Bij het uitgevoerde onderzoek is afgeweken van deze periodes. De afwijking van deze periode bedraagt 9 dagen tussen het vierde en vijfde bezoek en 2 dagen tussen het vijfde en zesde bezoek. In het protocol is een tussenperiode van 30 dagen voor sommige vleermuissoorten vereist, maar voor anderen volstaat een tussenperiode van 20 dagen. Van deze tussenperiode is om de volgende redenen afgeweken ten opzichte van het protocol: • Er worden drie veldbezoeken (2 avondbezoeken en 1 ochtendbezoek) uitgevoerd in de kraamperiode in plaats van slechts twee zoals voorgesteld in het Vleermuisprotocol 2017. Hierdoor is er een grotere trefkans en betere spreiding van de veldbezoeken; • Kraamkolonies gebruiken gewoonlijk slechts één verblijfplaats of wisselen geregeld (om de 1 – 15 dagen) van verblijfplaats (Dietz et al., 20111).
1 Op basis van Dietz et al., 2011:
• • • • • •
Gewone grootoorvleermuis: kraamverblijfplaatsen in gebouwen worden een heel kraamseizoen gebruikt, kraamverblijfplaatsen in bomen of vleermuiskasten worden om de 1 – 5 dagen gewisseld; Gewone dwergvleermuis: kraamkolonies wisselen gemiddeld om de 12 dagen van verblijfplaats Laatvlieger: kraamkolonies gebruiken meerdere verblijfplaatsen; Baardvleermuis: kraamverblijfplaatsen worden om de 10 – 14 dagen gewisseld; Franjestaart: kraamverblijfplaatsen worden om de 2 – 5 dagen gewisseld; Meervleermuis: kraamverblijfplaatsen worden geregeld gewisseld.
Gemeente Amsterdam
30 september 2020
Nader onderzoek naar het gebruik van IJdoornschoollocatie door vleermuizen
Pagina 8 van 14
6. Resultaten en effectbeschrijving Resultaten veldwerk In figuur 3 en bijlage 1 (verder uitgezoomd) worden de resultaten van het veldwerk weergegeven. Deze zullen in de volgende paragrafen worden toegelicht.
Figuur 3: Resultaten van het uitgevoerde vleermuisonderzoek in het plangebied De locatie van de verblijfplaats van meervleermuis ontbreekt op deze kaart!
Verblijfplaatsen Tijdens het plangebied zijn drie zomerverblijfplaatsen aangetroffen van gewone dwergvleermuis binnen het plangebied, en twee paarverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis buiten het plangebied (zie figuur 3). Ook het verblijf van de reeds in het plangebied bekende meervleermuis (66 uitvliegende dieren) is tijdens het onderzoek aangetroffen. Hierover wordt echter niet gerapporteerd in deze rapportage (zie hoofdstuk 1). De aangetroffen verblijfplaatsen betroffen paarverblijfplaatsen (ruige dwergvleermuis) en zomerverblijfplaatsen (gewone dwergvleermuis). De verblijfplaatsen zijn vastgesteld in twee van de zeven gebouwen op het terrein en in woningen in de omgeving van het plangebied. Twee van de verblijfplaatsen (solitaire gewone dwergvleermuis) bevinden zich in het hoofdgebouw van de school. Eén verblijfplaats (solitaire gewone dwergvleermuis) bevindt zich in het noodlokaal aan de westzijde van het plangebied. De twee paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis zijn buiten het plangebied aangetroffen. De twee paarverblijfplaatsen buiten het plangebied van de ruige dwergvleermuis zijn aangetroffen tijdens het 1e (13 augustus 2019) en 2e (3 september 2019) veldbezoek. De drie zomerverblijfplaatsen
Gemeente Amsterdam
30 september 2020
Nader onderzoek naar het gebruik van IJdoornschoollocatie door vleermuizen
Pagina 9 van 14
van gewone dwergvleermuis in het plangebied zijn aangetroffen tijdens het 5e (12 juni 2020) en het 6e (10 juli 2020) veldbezoek. Daarvan zijn er twee tijdens het ochtendbezoek op 12 juni vastgesteld en één tijdens het avondbezoek op 10 juli.
Foerageergebied(en) Binnen het plangebied zijn foeragerende vleermuizen waargenomen. Het betrof exemplaren van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger. Hoewel (met name dwergvleermuizen) zo nu en dan foeragerend in het plangebied zijn waargenomen, is in het plangebied geen essentieel foerageergebied vastgesteld. Ten zuiden van het plangebied ligt een stadspark, namelijk het Schellingwouderpark. Dit stadspark is wél (onderdeel van een) essentieel foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten waaronder de meervleermuis en genoemde dwergvleermuizen. Het stadspark ligt echter niet binnen de begrenzing van het plangebied. Vliegroute(s) Hoewel tijdens het onderzoek bleek dat de watergang aan de westzijde wel door vleermuizen wordt gebruikt, is geen sprake van een (essentiële) vliegroute. Vanwege de lage aantallen en het duidelijke foerageergedrag van vleermuizen (zonder doorvliegen) kon geen vliegroute vastgesteld worden. Dwergvleermuizen vliegen ook meer dan andere soorten diffuus door het stedelijk landschap, los van grote landschapsstructuren. Boven de watergang zijn gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuizen en meervleermuis waargenomen. Binnen het plangebied zijn eveneens geen vliegroutes van vleermuizen vastgesteld. Het kan hierom uitgesloten worden dat het plangebied essentiële vliegroutes bevat voor vleermuizen.
Effectbeschrijving Verblijfplaatsen Tijdens het onderzoek zijn zomerverblijfplaatsen aangetroffen van de gewone dwergvleermuis binnen de grenzen van het plangebied. De verblijfplaatsen zijn aangetroffen in het schoolgebouw en het noodlokaal aan de oostzijde van het plangebied (zie paragraaf 5.1 en figuur 3). Gelet op de totale herontwikkeling van het terrein middels sloop-nieuwbouw, hebben de werkzaamheden negatieve effecten op deze verblijfplaatsen. De sloop van de bebouwing betreft namelijk een vernietiging van de drie zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, die elk gebruikt worden door één exemplaar van deze soort. Dit betreft een overtreding van lid 4 van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Om de verblijfplaatsen te vernietigen is het eerst noodzakelijk om ervoor te zorgen dat vleermuizen weg zijn. Dit brengt een verstoring met zich mee van de aldaar aanwezige vleermuizen. Hierdoor wordt ook lid 2 van artikel 3.5 van de Wnb overtreden. Verstoring van vleermuizen zou echter ook aan de orde zijn zonder dat gezorgd wordt dat vleermuizen het pand verlaten alvorens te slopen. Lid 2 is dus sowieso aan de orde voor de beoogde werkzaamheden aan de IJdoornschool en de bijgebouwen van de school. Negatieve effecten op de verblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis buiten het plangebied als gevolg van fysieke aantasting zijn wel uit te sluiten.
De werkzaamheden hebben namelijk geen betrekking op de woningen aldaar. Wél is het mogelijk dat de werkzaamheden en mogelijk ook de ingebruikname van het plangebied als woningen kan leiden tot verstoring van deze verblijfplaatsen. Als verlichting tijdens de werkzaamheden of bij het in gebruik nemen van het plangebied te veel
Gemeente Amsterdam
30 september 2020
Nader onderzoek naar het gebruik van IJdoornschoollocatie door vleermuizen
Pagina 10 van 14
richting deze paarverblijfplaatsen uitstraalt, zijn negatieve effecten niet uit te sluiten. In dat geval dient ook voor deze verblijfplaatsen een ontheffing aangevraagd te worden. Om tot uitvoering te komen is een ontheffing nodig van de verbodsbepalingen uit lid 2 en 4 van artikel 3.5 van de Wnb. In hoofdstuk 6 wordt verder ingegaan op de vervolgstappen die nodig zijn om tot uitvoering van het project te komen.
Foerageergebied(en) en vliegroute(s) In het plangebied zijn, buiten genoemde verblijfplaatsen, geen essentiële functies van het leefgebied van vleermuizen vastgesteld. Buiten het plangebied is echter wél essentieel foerageergebied aanwezig in de vorm van het Schellingwouderpark en de vaart ten westen van het plangebied. Vliegroutes zijn ook daar niet aangetroffen. Hoewel de voorgenomen werkzaamheden geen fysieke effecten hebben op het stadspark of de vaart, kunnen de werkzaamheden en/of de nieuwe inrichting indirect wel tot een verstoring leiden. De verstoring beperkt zich echter tot de vaart aangezien het stadspark op ruime afstand van het plangebied ligt. Tijdens de werkzaamheden, maar ook bij in gebruik nemen van het plangebied, kan kunstmatige verlichting voor verstoring van het foerageergebied zorgen. Door de verlichting zo te plaatsen dat uitstraling richting de foerageergebieden voorkomen wordt, kunnen negatieve effecten op deze foerageergebieden voorkomen worden. In het geval van de IJdoornschool is het niet te verwachten dat verlichting in het plangebied leidt tot verstoring van het foerageergebied boven de vaart. Tussen de vaart en het plangebied is immers relatief dichte begroeiing aanwezig (zie figuur 4). Als dichte begroeiing behouden blijft, dan is een eventueel effect van geplaatste verlichting minimaal.
Gemeente Amsterdam
30 september 2020
Nader onderzoek naar het gebruik van IJdoornschoollocatie door vleermuizen
Pagina 11 van 14
Figuur 4: Begroeiing oostzijde vaart (donkergroen) ten opzichte van het foerageergebied (lichtgroen) en plangebied (rood omlijnd).
In het geval van blijvende begroeiing op de oostoever van de vaart en indien rekening gehouden wordt met vleermuizen bij het plaatsen van verlichting, is geen ontheffing nodig. De huidige struiklaag (3-5 hoog) zorgt er op dit moment voor dat de vaart niet wordt beschenen. Het is redelijkerwijs te verwachten dat het mogelijk is om het plaatsen en richten van verlichting en het inrichten van het groen zodanig te doen dat de vaart niet verlicht wordt. Bij een herinrichting van de begroeiing en de verlichting aan de Oostoever dient een ecoloog betrokken te worden zodat belichting van de vaart en het aanvragen van een ontheffing kan worden voorkomen. Het gaat er daarbij overigens om dat er niet meer verlichting naartoe schijnt dan in de huidige situatie het geval is. Indien met deze verlichting rekening gehouden kan worden met vleermuizen zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.
Gemeente Amsterdam
30 september 2020
Nader onderzoek naar het gebruik van IJdoornschoollocatie door vleermuizen
Pagina 12 van 14
7. Conclusie en aanbevelingen Dit rapport doet verslag van een vleermuizenonderzoek dat het IB Amsterdam bij de IJdoornschool in Amsterdam heeft uitgevoerd Het onderzoek is gericht op het gebruik van plangebied door vleermuizen. In het plangebied zijn drie zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Buiten het plangebied zijn tevens twee paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis en essentieel foerageergebied van beide soorten en van meervleermuis en laatvlieger aangetroffen. Aantasting van het leefgebied of de essentiële onderdelen van het leefgebied van vleermuizen is krachtens de Wnb verboden. Het voornemen leidt tot negatieve effecten op essentiële gebruiksfuncties van het leefgebied van de vleermuizen. Omdat verblijfplaatsen van vleermuizen vernietigd worden (lid 4 van artikel 3.5 van de Wnb) en daarvoor vleermuizen verstoord worden (lid 2 van artikel 3.5) is een ontheffing van deze verbodsbepalingen nodig voor de werkzaamheden. Bij formele ontheffingsaanvragen dient rekening gehouden te worden met een proceduretijd. Deze proceduretijd bedraagt maximaal 20 weken met een maximale verlenging van 7 weken. Aanvullend op deze ontheffingsaanvraag zijn mitigerende en compenserende maatregelen nodig om verstoring van foerageergebied en verblijfplaatsen in omliggende woningen te voorkomen (zie paragraaf 6.1).
Vervolg Om tot uitvoering te komen zijn een aantal stappen noodzakelijk, te weten: • Stap 1: Ten eerste dient bepaald te worden of met de verlichting rekening gehouden kan worden met de verblijfplaatsen en foerageergebied buiten het plangebied; • Stap 2: Aan de hand van stap 1 dient bepaald te worden of voor deze functies eveneens een ontheffing nodig is; • Stap 3: Er dient een ontheffing aangevraagd te worden voor de effecten op verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis binnen het plangebied. Dit dient eventueel aangevuld te worden met de uitkomsten van stap 1 en 2; • Stap 4: Om een ontheffing aan te vragen dient een begeleidend activiteitenplan opgesteld te worden waarin opgenomen: o Mitigerende en compenserende maatregelen ten behoeve van de verblijfplaatsen, zoals alternatieve verblijfplaatsen en vleermuiswerende maatregelen; o Een alternatievenoverweging om aan te tonen dat een alternatieve locatie, planning of werkzaamheden niet mogelijk zijn; o Een motivatie van een wettelijk belang. Bovenstaande stappen zijn nodig om tot uitvoering te komen. Maatregelen uit het activiteitenplan en eventueel aanvullende maatregelen van het bevoegd gezag uit de ontheffing dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol.
Dit dient geïntegreerd te worden met eventuele maatregelen voortvloeiend uit de onderzoeksresultaten en ontheffing voor de meervleermuis en maatregelen voor algemene soorten (zorgplicht). Dit ecologisch werkprotocol dient integraal te worden opgenomen in de contractering met de uitvoerende partijen. Daarnaast is ook ecologische begeleiding tijdens de werkzaamheden noodzakelijk.
Gemeente Amsterdam
30 september 2020
Nader onderzoek naar het gebruik van IJdoornschoollocatie door vleermuizen
Pagina 13 van 14
8. Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument gewone dwergvleermuis: versie 1.0. Juli 2017, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument gewone grootoorvleermuis: versie 1.0 Juli, 2017, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument rosse vleermuis: versie 1.0 Juli 2017, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument ruige dwergvleermuis: versie 1.0 Juli 2017, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument watervleermuis: versie 1.0 Juli 2017, Utrecht Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016, Atlas van de Nederlandse zoogdieren, Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden Dietz, C. & A. Kiefer, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa, KNNV Uitgeverij, Zeist. Greeff, R. de, 2020. Quickscan Natuur t.b.v. transformatie Werengouw 83-87 te Amsterdam. Versie 6 Mei 2020. Gemeente Amsterdam. Kapteyn, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Schuyt en Co, Haarlem & Provincie Noord-Holland, Haarlem. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Limpens, H.J.G.A., P. Twisk & G. Veenbaas, 2004. Met vleermuizen overweg. Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft & Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming, Arnhem. Tauw, 2018.
Quickscan flora en fauna Basisweg 10 te Amsterdam. Tauw-rapport met kenmerk R001-1260271RGR-V01-kmi Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.gegevensautoriteitnatuur.nl en www.netwerkgroenebureaus.nl
Gemeente Amsterdam
30 september 2020
Nader onderzoek naar het gebruik van IJdoornschoollocatie door vleermuizen
Pagina 14 van 14
Bijlage 1: Resultaten (verder uitgezoomd)