CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

- 07 Ruimtelijke Ordening (30) 1. Gemeenteraadsvoordracht 18 februari 2010

RAAD 10 maart 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Intrekken van de verordening financiële decentralisatie wettelijke milieutaken. Nr. VN2021-0004983.597 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente Amsterdam Gemeenteraad Gemeenteblad

R

Voordracht voor de raadsvergadering van 17 en 18 februari 2010 Jaar

2010

Afdeling

1

Nummer

121

Publicatiedatum

12 februari 2010

Agendapunt

31A

Datum besluit B&W

9 februari 2010

Tekst wordt gepubliceerd in

Onderwerp

Gemeenteblad

Intrekken van het raadsbesluit inzake Decentralisatie financiële middelen aan stadsdelen voor uitvoering wettelijke milieutaken en vaststellen van de Verordening financiële decentralisatie wettelijke milieutaken Met deze voordracht stellen wij u voor het volgende besluit te nemen:

Tekst wordt gepubliceerd in Gemeenteblad

De gemeenteraad van Amsterdam besluit

I.

in te trekken het raadsbesluit d.d. 1 februari 2006 (Gemeenteblad 2006, afd. 3a, Nr. 43/57) inzake Decentralisatie van de financiële middelen aan de stadsdelen voor de uitvoering van de wettelijke milieutaken;

II.

vast te stellen de hiernavolgende Verordening financiële decentralisatie wettelijke milieutaken:

Artikel 1. Definities 1. In deze verordening wordt verstaan onder: a. gemeenteraad: de gemeenteraad van Amsterdam; b. college: het College van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam; c. stadsdeel: een stadsdeel als bedoeld in de Verordening op de stadsdelen; d. DMB: Dienst Milieu- en Bouwtoezicht van Amsterdam; e. Raad van Advies: de Raad van Advies DMB, ingesteld door het college in hun vergadering van 10 juni 2003; f. wettelijke milieutaken: de uit te voeren taken op grond van de Wet milieubeheer voor zover deze behoren tot de bevoegdheid van de stadsdelen, de vergunningverlening daarvan uitgezonderd; g. inrichting: een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer voor zover de gemeente Amsterdam of een stadsdeel voor deze inrichting bevoegd gezag is; h. milieugroep: een van de groepen A tot en met F als beschreven in de “Handleiding Wet milieubeheer en de verruimde reikwijdte” van de VNG. Artikel 2. Verdeling 1. De gemeenteraad stelt jaarlijks in zijn begroting een bedrag beschikbaar ten behoeve van de uitvoering van de wettelijke milieutaken door de stadsdelen. 2. De verdeling van dit bedrag over de stadsdelen berust uitsluitend op de aantallen inrichtingen per stadsdeel verdeeld over de verschillende milieugroepen, zoals deze luiden op 1 mei van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de middelen betrekking hebben.

1

Jaar Afdeling Nummer Datum

2010 1 121 12 februari 2010

Gemeente Amsterdam Gemeenteraad

R

Voordracht voor de raadsvergadering van 17 en 18 februari 2010

3.

4. 5.

6.

Ten behoeve van de verdeling wordt voor elk stadsdeel een gewicht bepaald. Dit gewicht is de som van de volgende getallen: a. 0,004 maal het aantal inrichtingen in milieugroep A; b. 0,101 maal het aantal inrichtingen in milieugroep B; c. 0,087 maal het aantal inrichtingen in milieugroep C; d. 0,122 maal het aantal inrichtingen in milieugroep D; e. 0,106 maal het aantal inrichtingen in milieugroep E; f. 0,580 maal het aantal inrichtingen in milieugroep F; voor zover deze inrichtingen behoren tot de bevoegdheid van dat stadsdeel. Het bedrag in het eerste lid wordt in zijn geheel uitgekeerd aan de stadsdelen naar rato van het gewicht dat aan ieder stadsdeel is toegekend. Wanneer het college besluit een aantal inrichtingen toe te voegen of te onttrekken aan het gezag van de stadsdelen, kan hij tevens besluiten of deze wijziging geheel of gedeeltelijk effect heeft op de aantallen inrichtingen in het derde lid, ongeacht of dit besluit voor, op of na de peildatum genoemd in het tweede lid genomen wordt. Ten aanzien van de bekendmaking en de betaling van de specifieke uitkering zijn de artikelen 13 en 14, lid 1 en 2 van de Verordening op het Stadsdeelfonds van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3. Aanwending 1. Een stadsdeel kan de middelen die het uit hoofde van artikel 2 ontvangen heeft, uitsluitend aanwenden voor de uitvoering van de wettelijke milieutaken waartoe het bevoegd is. 2. Het college kan bepalen dat voor bepaalde categorieën van inrichtingen de uitvoering van de wettelijke milieutaken of een deel daarvan door de DMB geschiedt. Hij stelt twee maanden voor aanvang van het jaar, na advies van de Raad van Advies DMB, de tarieven voor deze werkzaamheden vast. 3. Een stadsdeel is de DMB de kosten verschuldigd gemoeid met de werkzaamheden in het vorige lid voor zover het inrichtingen betreft die onder zijn bevoegdheid vallen. De betalingsverplichting voor de verrichte werkzaamheden ontstaat na afloop van ieder kwartaal. Artikel 4. Samenwerking 1. De DMB en de stadsdelen dragen er zorg voor dat de informatie die voor een goede uitvoering van de wettelijke milieutaken van belang is, wederzijds eenvoudig toegankelijk is. 2. De DMB en de stadsdelen houden gezamenlijk een registratie van inrichtingen bij. De DMB ziet toe op de juistheid van de registratie en de indeling in milieugroepen in het bijzonder. 3. Deze registratie bevat te allen tijde actuele en historische informatie over een inrichting voor zover die noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de wettelijke milieutaken. Artikel 5. Verantwoording 1.

Een stadsdeel rapporteert in elk geval jaarlijks voor 1 mei aan het college over de uitvoering van de wettelijke milieutaken in het voorgaande jaar voor zover die tot zijn bevoegdheid behoren.

2

Jaar Afdeling Nummer Datum

2010 1 121 12 februari 2010

Gemeente Amsterdam Gemeenteraad

R

Voordracht voor de raadsvergadering van 17 en 18 februari 2010

2.

3.

4.

5.

Het college beoordeelt of er in het voorgaande jaar voldoende uitvoering is gegeven aan de wettelijke milieutaken. Hij baseert zich daarbij uitsluitend op het door hem vastgesteld beleid ten aanzien van a. de controles in het kader van het milieutoezicht; b. het opleggen van sancties; c. het behandelen van milieuklachten. De DMB en de stadsdelen, ieder voor de inrichtingen waarvoor zij de wettelijke milieutaken feitelijk uitvoeren, dragen er zorg voor dat de gegevens die nodig zijn om uitvoering te geven aan het vorige lid, uiterlijk op 1 februari volgend op het jaar waarop de rapportage betrekking heeft, zijn af te leiden uit de registratie als bedoeld in artikel 4. Wanneer het college van oordeel is dat een stadsdeel in enig jaar onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de wettelijke milieutaken, kan hij besluiten de op grond van artikel 2 verstrekte uitkering terug te vorderen voor een gedeelte dat in redelijke verhouding staat tot de niet nagekomen prestatie. Het college kan bij toepassing van het vorige lid een stadsdeel in de gelegenheid stellen binnen een termijn van maximaal een jaar alsnog voldoende uitvoering te geven aan de wettelijke milieutaken.

Artikel 6. Overgang- en slotbepalingen 1. Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2010. 2. De verantwoordingsplicht van de stadsdelen op grond van artikel 5 vangt op dezelfde datum aan. 3. In afwijking van artikel 2.1 is voor de maanden mei tot en met december van het jaar 2010 een bedrag beschikbaar van € 2.801.041. 4. De werking van deze verordening wordt geëvalueerd vier jaar nadat deze in werking is getreden of zo veel eerder als wenselijk is. Artikel 7. Citeertitel 1. Deze verordening kan worden aangehaald als de “Verordening financiële decentralisatie wettelijke milieutaken”. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1. Definities Het te decentraliseren bedrag heeft betrekking op alle uitvoeringstaken op grond van de Wet milieubeheer, uitgezonderd de vergunningverlening. Hiervoor is veelal specialistische kennis nodig en daarom blijft deze taak bij de DMB. De taken genoemd in de Wet bodembeheer en de Wet geluidshinder vallen niet onder de definitie van de wettelijke milieutaken zoals gebruikt in deze verordening. Artikel 2. Verdeling De gemeenteraad zal jaarlijks in de begroting een bedrag beschikbaar moeten stellen dat verdeeld wordt over de stadsdelen ten behoeve van de uitvoering van de wettelijke milieutaken.

Daarnaast zal de gemeenteraad in de begroting een bedrag beschikbaar moeten stellen aan de DMB voor de uitvoering van de vergunningverlening, bodemtaken en het geluidszonebeheer. Deze taken vallen immers buiten de decentralisatie. Tot en met 2010 staat dit nog als één bedrag in de begroting.

3

Jaar Afdeling Nummer Datum

2010 1 121 12 februari 2010

Gemeente Amsterdam Gemeenteraad

R

Voordracht voor de raadsvergadering van 17 en 18 februari 2010

De verdeling onder de stadsdelen geschiedt volgens een vaste verdeelsleutel. Deze sleutel is een gewogen gemiddelde van de aantallen inrichtingen in de verschillende milieugroepen. De peildatum van deze aantallen is 1 mei voorafgaand aan het begrotingsjaar. De jaarlijkse mutaties in de aantallen inrichtingen zijn zo gering dat het niet nodig is met een nacalculatie de verdeling te baseren op de werkelijke aantallen in het begrotingsjaar. Wel is er in artikel 2 lid 5 een afwijkingsbevoegdheid toegekend aan het college voor het geval dat hij besluit een aantal inrichtingen toe te voegen of te onttrekken aan het gezag van het stadsdeel. Denk bijvoorbeeld aan het brengen van een grootstedelijke locatie onder de bevoegdheid van een stadsdeel. In die gevallen kan het college besluiten deze wijziging voor wat betreft de bepaling van de aantallen inrichtingen alvast mee te nemen, nog niet mee te nemen of gedeeltelijk mee te nemen. Daarmee kan voorkomen worden dat stadsdelen in een overgangsjaar zwaar bevoor- of benadeeld worden. In artikel 2 lid 6 wordt verwezen naar twee artikelen uit de Verordening op het Stadsdeelfonds. In deze artikelen wordt geregeld dat het college voor uiterlijk 30 september de uitkering per stadsdeel bekend maakt en dat er in zo veel mogelijk gelijke, maandelijkse delen wordt betaald. Artikel 3.

Aanwending Het college kan besluiten dat bepaalde taken voor bepaalde bedrijven verplicht bij de DMB moeten worden ondergebracht. Thans is dat nog voor alle wettelijke milieutaken een verplichting. Met de invoering van de Regionale Uitvoeringsdienst zal er bij wet een basistakenpakket worden vastgesteld dat het college op grond van deze verordening nog altijd kan uitbreiden. Daar waar sprake is van een afnameverplichting, kunnen de tarieven niet eenzijdig door de DMB worden vastgesteld. In de verordening wordt bepaald dat allereerst de Raad van Advies van de DMB daarover aan het college adviseert. In die raad zit een vertegenwoordiging van de stadsdelen. Uiteindelijk neemt het college de beslissing. Over de tarieven voor eventuele aanvullende diensten wordt in deze verordening niets geregeld, omdat stadsdelen daar geen afnameverplichting hebben. Er wordt door de DMB na afloop van elk kwartaal gefactureerd over de tot dan toe uitgevoerde werkzaamheden. Opnieuw regelt deze verordening dat alleen voor zover er een afnameverplichting voor de stadsdelen geldt. Voor andere werkzaamheden kan de DMB andere voorwaarden stellen. Artikel 4. Samenwerking Dit artikel regelt de onderlinge informatie-uitwisseling. Het eerste lid regelt dat in algemene zin.

De overige leden bepalen dat er een registratie zal zijn van alle inrichtingen waaruit op ieder moment die informatie te halen is die voor een goede uitvoering van de wettelijke milieutaken nodig is. De stadsdelen zijn dus verantwoordelijk voor het passend registreren van hun werkzaamheden en bevindingen. Omdat de verdeling van de middelen uiteindelijk geschiedt op basis van de aantallen in dit bestand, zal de DMB toezien op de integriteit van de data.

4

Jaar Afdeling Nummer Datum

2010 1 121 12 februari 2010

Gemeente Amsterdam Gemeenteraad

R

Voordracht voor de raadsvergadering van 17 en 18 februari 2010

Het artikel dwingt niet af dat er ook daadwerkelijk één systeem gebruikt wordt. Het is mogelijk dat een stadsdeel een eigen systeem gebruikt dat formeel onderdeel uitmaakt van de registratie als bedoeld in dit artikel. Het stadsdeel zal dan wel moeten voorzien in een adequate informatie-uitwisseling op grond van het eerste lid en bovendien moet de DMB in staat worden gesteld om de integriteit van de data te kunnen beoordelen. Artikel 5. Verantwoording Er vindt een marginale beoordeling plaats of de verstrekte uitkering door het stadsdeel daadwerkelijk is besteed aan het doel. Omdat stadsdelen de uitvoering wellicht onder gaan brengen in een toezichtsfunctie die breder is dan alleen het milieudeel, is het niet mogelijk deze beoordeling te laten berusten op de daadwerkelijke uitgaven. In plaats daarvan wordt bezien of het periodieke toezicht, de sanctieoplegging en de behandeling van klachten is uitgevoerd conform het vastgestelde beleid. Er zijn geen andere criteria. Een stadsdeel dat om hen moverende redenen wil afwijken van het vastgestelde beleid, zal zich er dus van moeten vergewissen dat het college hiermee instemt. Op dit moment wordt het beleid ten aanzien van het periodieke toezicht en de afhandeling van klachten vormgegeven door de notitie “Adequaat niveau wettelijke milieutaken in de stadsdelen” (DMB, november 2003).

De te volgen toezicht- en sanctiestrategie is vastgesteld in de beleidsnota “Handhaving milieuregelgeving Amsterdam 2007” (B&W 23 oktober 2007). Het opleggen van sancties gebeurt op grond van (overtreding) van de wetgeving: Wet milieubeheer, Algemene wet bestuursrecht en de Wet op de Economische delicten. In artikel 2 van het Besluit kwaliteitseisen handhaving Wet milieubeheer staat de verplichting tot het opstellen van handhavingsbeleid en het voeren van een toezicht- en sanctiestrategie. De marginale toetsing door het college laat overigens onverlet dat het stadsdeelbestuur een verantwoordingsplicht heeft over de uitvoering van de wettelijke milieutaken aan hun eigen stadsdeelraad en aan de VROM-inspectie. Die verantwoordingsplicht is ruimer, maar wordt niet in deze verordening geregeld, omdat deze al uit andere hoofde bestaat. Artikel 6. Overgang- en slotbepalingen Omdat de verordening op 1 mei 2010 ingaat (gelijk met de nieuwe stadsdelen) moeten de middelen in 2010 vanaf 1 mei verdeeld worden en gaat ook pas dan de verantwoordingsplicht van de stadsdelen in. Tot die datum wordt er volgens de huidige systematiek gewerkt. In beginsel wordt deze verordening na vier jaar geëvalueerd, maar bijvoorbeeld de invoering van de Regionale Uitvoeringsdienst per 1 januari 2012 kan het wenselijk maken dat die evaluatie eerder plaatsvindt.

In die evaluatie zal in elk geval bekeken moeten worden of het passend is de specifieke uitkering op te nemen in het stadsdeelfonds.

5

Jaar Afdeling Nummer Datum

2010 1 121 12 februari 2010

Gemeente Amsterdam Gemeenteraad

R

Voordracht voor de raadsvergadering van 17 en 18 februari 2010

Wettelijke grondslag

Gemeentewet, artikel 147 Verordening op de Stadsdelen, artikel 12 Bestuurlijke achtergrond

In januari 2006 heeft de gemeenteraad besloten over te gaan tot een financiële decentralisatie van de middelen voor de wettelijke milieutaken naar de stadsdelen. Het gaat daarbij om de uitvoering van taken, zoals de milieucontrole op bedrijven, het sanctioneren van geconstateerde overtredingen en het behandelen van milieuklachten. Kort na dat besluit heeft het College van Burgemeester en Wethouders samen met de stadsdelen een bestuursovereenkomst gesloten. Van de concept bestuursovereenkomst heeft u ten tijde van het raadsbesluit kennis genomen. Na vaststelling van de bestuursovereenkomst is er advies gevraagd aan de Raad voor de Stadsdeelfinanciën. De Raad voor de Stadsdeelfinanciën constateerde dat de bepalingen in de bestuursovereenkomst niet verenigbaar waren met opname van de middelen in het Stadsdeelfonds. In hun advies stelden zij daarom om voor de korte termijn de middelen te verdelen door gebruik te maken van een specifieke uitkering. Voor de langere termijn adviseerden zij te overwegen de middelen alsnog op te nemen in het stadsdeelfonds. Op grond van dit advies is een extern bureau gevraagd een verdeelsleutel te ontwikkelen die zo nauw mogelijk aansluit bij de huidige, werkelijke verdeling van de middelen blijkend uit de financiële administratie van de DMB. Het is mogelijk een dergelijke verdeelsleutel te maken die uitsluitend gebaseerd is op aantallen inrichtingen.

Met dit voorstel wordt uw raad een verordening voorgelegd, waarin de specifieke uitkering aan de stadsdelen formeel wordt vastgesteld. Reden besluit

De bevoegdheid en verantwoordelijkheid tot het uitvoeren van de wettelijke milieutaken ligt voor de meeste inrichtingen bij de stadsdelen. Alleen voor de grootstedelijke gebieden en de grotere bedrijven ligt de bevoegdheid bij B&W en soms zelfs bij de provincie of het Rijk. De centrale Dienst Milieu- en Bouwtoezicht geeft op dit moment feitelijke uitvoering aan de wettelijke milieutaken. Dat doen zij zowel voor de stadsdelen als voor de centrale stad. De middelen daarvoor ontvangen zij direct vanuit de stadsbegroting. Dat is niet volgens het beginsel dat het orgaan dat de bevoegdheid heeft ook over de middelen zou moeten beschikken. Daarnaast is de DMB momenteel betrokken in het nationale traject van vorming van Regionale Uitvoeringsdiensten (RUD), ook wel bekend onder de naam omgevingsdienst. Dit zijn bovengemeentelijke samenwerkingsverbanden die per 1 januari 2012 verantwoordelijk zijn voor het hele omgevingsbeleid. Dat brengt een hoger specialisatieniveau met zich mee. Daarom aarzelt de DMB over het blijven uitvoeren van de wettelijke milieutaken voor de lichtere categorie bedrijven en het ligt voor de hand deze dan bij de stadsdelen neer te leggen.

6

Jaar Afdeling Nummer Datum

2010 1 121 12 februari 2010

Gemeente Amsterdam Gemeenteraad

R

Voordracht voor de raadsvergadering van 17 en 18 februari 2010

Ten slotte loopt binnen de gemeente het traject van de integrale organisatie van het bestuurlijk toezicht. Binnen dat kader is een heldere verdeling gemaakt tussen toezichtstaken die centraal dan wel decentraal zouden moeten liggen. Het blijkt dat een deel van de taken die DMB nu voor de stadsdelen uitvoert, beter passen bij het decentrale niveau. Er wordt verwacht dat ze daar efficiënter uitgevoerd kunnen worden door ze te integreren met andere vormen van toezicht. Los van de principiële overweging dat geld de bevoegdheid zou moeten volgen, kan de gewenste overdracht van taken van de DMB naar de stadsdelen alleen plaatsvinden, als de stadsdelen ook daadwerkelijk over de middelen kunnen beschikken. Financiële decentralisatie Met de voorliggende verordening worden de middelen door middel van een specifieke uitkering verdeeld onder de stadsdelen. Dat geschiedt op basis van een verdeelsleutel die gebaseerd is op de aantallen inrichtingen in ieder stadsdeel, waarbij een uitsplitsing is gemaakt naar verschillende milieugroepen. Deze sleutel is in overleg met de stadsdelen opgesteld en sluit zo dicht mogelijk aan bij de huidige realisatie door de DMB. Er is voor gekozen de vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer in uitvoering bij de DMB te laten. Deze taak is van een hoog specialistisch niveau, waardoor decentralisatie niet wenselijk is.

De middelen die met deze taak gemoeid zijn, maken daarom geen deel uit van de decentralisatie, maar worden direct uitgekeerd aan de DMB. In de nieuwe situatie zal het milieutoezicht op een deel van de bedrijven nog altijd namens de stadsdelen door de DMB gedaan worden. Dat geldt dan vooral voor de zwaardere categorieën bedrijven of bedrijven waarvoor een bijzonder specialisme nodig is (zoals vuurwerkverkoop). Het college kan op grond van de verordening bepalen voor welke categorieën van bedrijven dit geldt. Dit sluit overigens aan bij het voornemen van de Minister om straks aan de RUD’s een minimumbasispakket toe te wijzen. In de gevallen dat de DMB de uitvoering doet, ontstaat er door de financiële decentralisatie wel een betere opdrachtgevers- en -nemersrelatie met de stadsdelen. Verantwoording Een specifieke uitkering (op grond van artikel 12 uit de Verordening op het stadsdeelfonds) mag door een stadsdeel uitsluitend worden aangewend voor het doel waarvoor deze verstrekt is. In dit geval is dat het uitvoeren van de wettelijke milieutaken. Verwacht mag worden dat stadsdelen het toezicht integreren in de toezichtsfunctie op andere terreinen, zoals bijvoorbeeld het bouwtoezicht. Dat betekent dat het op grond van de daadwerkelijk gedane uitgaven nauwelijks te bepalen is of de specifieke uitkering wel geheel besteed is aan het doel.

Daarom wordt de verantwoordingsplicht van de stadsdelen in de verordening gekoppeld aan feitelijk te halen prestaties. Er wordt dus afgerekend op het halen van het doel en niet op de besteding van de middelen. Daarbij gaat het om de volgende drie criteria: - het volgens het vigerende beleid controleren van de inrichtingen; - het opleggen van sancties volgens het handhavingsbeleid; - het naar behoren behandelen van milieuklachten.

7

Jaar Afdeling Nummer Datum

2010 1 121 12 februari 2010

R

Gemeente Amsterdam Gemeenteraad Voordracht voor de raadsvergadering van 17 en 18 februari 2010

Het college voert een marginale toetsing uit om te beoordelen of een stadsdeel voldoende uitvoering heeft gegeven aan de wettelijke milieutaken. Er is voor gekozen deze toetsing van zo min mogelijk bureaucratie te voorzien. Zij is immers slechts bedoeld om zicht te krijgen of het doel (uitvoering van de wettelijke milieutaken) gerealiseerd is. Dat laat onverlet dat een stadsdeelbestuur de plicht heeft verantwoording af te leggen over het gevoerde beleid tegenover de stadsdeelraad en de VROM-inspectie. Dat wordt echter niet in deze verordening geregeld, omdat die plicht al uit andere hoofde bestaat. Uiteraard kan die milieurapportage wel gebruikt worden als verantwoordingsinstrument in het kader van deze verordening, zodat dubbel werk voorkomen wordt. Wanneer een stadsdeel onvoldoende uitvoering geeft aan de wettelijke milieutaken, bestaat er voor het college de mogelijkheid om een gedeelte van de uitkering terug te vorderen. Het college kan daarbij bepalen dat een stadsdeel nog de gelegenheid krijgt om binnen een periode van maximaal een jaar de uitvoering van de wettelijke milieutaken alsnog op voldoende niveau te krijgen. Financiële paragraaf Grondexploitatie: Ja/Nee

Nee

Totale omvang krediet:

€

Financiële dekking: Investering: Ja/Nee

Nee

Totale omvang krediet:

€

Afschrijvingstermijn: Gebruikt rentepercentage:

%

Looptijd krediet: Is de regeling kredieten van

Nee

Omvang aangevraagd

toepassing: Ja/Nee

€

krediet (excl BTW)

Regeling Risicovolle Projecten Nee van toepassing: Ja/Nee Zijn er risico’s en zo ja, hoe

Nee

worden deze beheerst? Financiële gevolgen Jaar T

T+1

T+2

T+3

T+4

Volgnummer

Kapitaallasten Overige exploitatielasten

€0

7230116

Baten Saldo ten laste van de

€0

algemene middelen Waarvan nog niet gedekt

€0

Toelichting

Het besluit betreft een budgettair neutrale overheveling. Voor de wettelijke milieutaken is voor de stadsdelen € 5.471.860 in de begroting opgenomen. Hiervan betreft het besluit het bedrag van € 4.201.561 voor milieutoezicht (2010, op jaarbasis, vanaf 1 mei 2010 dus € 2.801.041). De overige € 1.270.299 de budgetten voor milieubeschikkingen, geluidzonebeheer en bodemtaken. De financiering van deze taken onder stadsdeelbevoegdheid blijft vooralsnog centraal. De taakoverdracht wordt in de actualisatie van de begroting 2010 verwerkt.

8

Jaar Afdeling Nummer Datum

2010 1 121 12 februari 2010

R

Gemeente Amsterdam Gemeenteraad Voordracht voor de raadsvergadering van 17 en 18 februari 2010

Geheimhouding

n.v.t. Stukken Meegestuurd Ter inzage gelegd

n.v.t. n.v.t. Behandelend ambtenaar (naam, telefoonnummer en e-mailadres)

Chris Rümke, DMB, 020-5206364, c.rumke@dmb.amsterdam.nl Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam

H. de Jong, secretaris

M.J. Cohen, burgemeester

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9829107/2