CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

- 06 Raadsaangelegenheden (7) Bijlage 18 - advies bezwaar Stichting Joods V

RAAD 10 februari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Beslissingen op de bezwaarschriften inzake de besluiten van de gemeenteraad op de aanvragen op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden. Nr. VN2021-0021105.114 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

X

Gemeente Amsterdam

Advies inzake bezwaar tegen het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 12 december 2019 inzake een aanvraag op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden Kenmerk: DJ.2o.0026go.00m Advies over het bezwaarschrift ingediend door Stichting Joods Virtueel Museum tegen het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 12 december 2019 (hierna: de raad). Met dit besluit heeft de raad de aanvraag van Stichting Joods Virtueel Museum (hierna: JVM) om een eenmalige subsidie op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden' geweigerd.

Inleiding JVM heeft op 7 januari 2020 bezwaar gemaakt tegen het besluit van de raad van 12 december 2019. Op 26 februari 2020 heeft zij de gronden van het bezwaar aangevuld. Op11augustus 2020 is daarop namens de raad met een verweerschrift gereageerd. Op 25 september 2o2o

heeft de bezwaarschriftencommissie van de raad (hierna: de bezwaarschriftenconnmissie) partijen op een hoorzitting gehoord. Het gaat in deze procedure om de verlening van subsidie op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden (verder: de subsidieverordening). Naar aanleiding van de conclusies in het NIOD-rapport 'Openstaande Rekeningen, de gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechtsherstel, 1940-1950' heeft de raad op 14 juli 2016 besloten om een collectieve tegemoetkoming van €io nniljoen2 ter beschikking stellen aan de Amsterdams Joodse gemeenschap. Op 27 september 2o1.7 heeft de raad besloten om voor de verdeling van deze tegemoetkoming een adviescommissie in te stellen, de Commissie Joodse erfpachttegoeden (verder: de commissie). Deze commissie had tot taak om de raad te adviseren over de besteding van de collectieve tegemoetkoming aan de Amsterdams Joodse gemeenschap. De raad heeft er daarbij bewust voor gekozen om de commissie samen te stellen uit leden die afkomstig zijn uit

1 Gemeenteblad 11 september 2018, nr. 193148. 2

Op 18 juli 2018 heeft de raad besloten om het budget te verhogen naar €1o,8 miljoen.

Verslag (vervolg)

Gemeente Amsterdam

Pagina 2 van 1.4

de Joodse gemeenschap zelf, zodat verdeling van de ter beschikking gestelde tegemoetkoming werd belegd bij vertegenwoordigers van die gemeenschap. Op 18 juli 2018 heeft de raad de zes personen tot lid van de commissie te benoemd die, zoals gezegd, allen uit de Joodse gemeenschap afkomstig zijn. Met het oog op een evenredige verdeling van de tegoeden over verschillende aanvragen, afkomstig uit de Joodse gemeenschap, zijn de aanvragen onderverdeeld in vijf sectoren. Het gaat om Educatie, Religie, Welzijn & Zorg, Jongeren en Erfgoed & Cultuur. Vervolgens heeft de commissie de aanvragen binnen de verschillende sectoren beoordeeld op basis van de criteria in de subsidieverordening. Een harde eis daarbij was dat de plaats en doelgroep van de activiteiten moeten zijn gericht op Amsterdam en ten behoeve zijn van met name de Amsterdamse Joodse gemeenschap. Als een aanvraag daaraan voldeed, lag het zwaartepunt van de beoordeling verder bij de mate waarin een aangevraagde activiteit een bijdrage levert aan de continuiteit van de Amsterdams Joodse gemeenschap. Ook werd onder andere beoordeeld of de doelstelling paste binnen de sector waartoe de aanvraag behoorde, of de aanvraag kans van slagen had, of het bereik van de activiteit in verhouding stond tot de kosten die daarmee waren gemoeid en de mate waarin sprake was van medefinanciering door de aanvrager zelf of derden.

Er konden tot en met 31 december 2018 aanvragen worden ingediend. De raad heeft 123 aanvragen ontvangen voor een subsidie op grond van de subsidieverordening, in totaal voor een bedrag van in totaal €35,8 miljoen. De commissie heeft deze aanvragen conform de criteria in de verordening beoordeeld en advies uitgebracht over de kwaliteit van de aanvragen en — op basis daarvan — de verdeling van de gelden over alle aanvragen. De commissie heeft daarbij geadviseerd om 13 aanvragen volledig in te willigen, 38 aanvragen gedeeltelijk in te willigen en de overige aanvragen af te wijzen. JVM heeft op 31 december 2018 een subsidie aangevraagd €110.000,00. De aanvraag heeft betrekking op het digitaal tentoonstellen van de verzameling van een particuliere verzamelaar, bestaande uit schilderijen van Joodse schilders (www.joodsvirtueelmuseum.n1). JVM heeft subsidie aangevraagd voor het oprichten en vormgeven van de website. De commissie heeft deze aanvraag binnen de sector 'Erfgoed en Cultuur' beoordeeld en heeft vastgesteld dat de plaats en doelgroep van de activiteiten niet zozeer gericht zijn op Amsterdam en ten behoeve zijn van met name de Amsterdamse Joodse gemeenschap. Ook schat de commissie het bereik van de activiteiten in verhouding tot de daaraan verbonden kosten beperkt in. Daarom heeft de commissie besloten de subsidie te weigeren.

2

Verslag (vervolg)

Gemeente Amsterdam

Pagina 3 van 14

De raad heeft dit advies van de commissie overgenomen en daarop het bestreden besluit gebaseerd. Daartegen heeft JVM bezwaar gemaakt. Hieronder treft u het advies over dat bezwaar aan. De bezwaarschriftencomnnissie adviseert de raad om het bezwaar ongegrond te verklaren. 2. Juridisch kader

Het juridisch kader in deze zaak wordt in algemene zin gevormd door de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en meer specifiek door de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden en de Verordening commissie Joodse erfpachttegoeden. Algemene wet bestuursrecht Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient de raad zich op grond van artikel 3:9 Awb ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 3:46 Awb dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering. Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden In artikel 2 lid Ivan de subsidieverordening is bepaald dat deze verordening van toepassing is op het budget dat de raad op 14 juli 2016 beschikbaar heeft gesteld als collectieve tegemoetkoming aan de Joodse gemeenschap. Het doel van deze verordening is subsidiering van activiteiten ten behoeve van met name de Amsterdams Joodse gemeenschap. Op grond van artikel 3 lid ivan de subsidieverordening is er een commissie die de raad adviseert over de subsidieaanvragen gedaan op basis van deze verordening. Op grond van artikel 4 van de subsidieverordening kan de raad subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten als bedoeld in artikel 2 in één of meer van de volgende sectoren: "a. Educatie b. Religie c. Welzijn & zorg d. Jongeren e.

Erfgoed 8/ cultuur." Op grond van artikel 6 van de subsidieverordening worden de aanvragen die aan de voorwaarden gesteld in de subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden voldoen gerangschikt op basis van hun kwaliteit.

3

Verslag (vervolg)

Gemeente Amsterdam

Pagina 4 van 14

Op grond van artikel 13 lid Ivan de subsidieverordening kan de raad een aanvraag in ieder geval weigeren indien:

c. de plaats en doelgroep van de activiteit niet zijn gericht op Amsterdam en ten behoeve zijn van met name de Amsterdamse Joodse gemeenschap op een of meer van de in artikel 3 genoemde sectoren." In de toelichting bij de subsidieverordening is over het begrip 'Amsterdams Joodse gemeenschap' en artikel 13 lid 1, aanhef en onder c, het volgende vermeld: "Amsterdams Joodse gemeenschap Een tegemoetkoming moet met name de Amsterdamse Joodse gemeenschap ten goede komen of dienen. Aanvragers moeten of in Amsterdam gevestigd zijn, of de activiteiten moeten met name gericht zijn op Amsterdam.

Artikel 13: De algemeen geldende weigeringsgronden zijn opgenomen in artikel 4:35 van de Awb. Dit artikel bevat nadere weigeringsgronden voor het verlenen van een subsidie. Hieronder volgt een nadere omschrijving van de weigeringsgronden.

De plaats en doelgroep van de activiteit. Sprake moet zijn van activiteiten die met name zijn gericht op Amsterdam en ten behoeve zijn van met name de Amsterdams Joodse gemeenschap op één of meer van de in artikel 3 genoemde sectoren." Verordening Commissie Joodse erfpachttegoeden In artikel i is bepaald dat er een Commissie Joodse erfpachttegoeden is, dat deze commissie bestaat uit zes leden en tot taak heeft de raad te adviseren over de besteding van de collectieve tegemoetkoming van tien miljoen euro aan de Joodse gemeenschap voor de erfpachttegoeden. Op grond van artikel 2 van deze verordening benoemt de raad de leden van de commissie.

4

Verslag (vervolg)

Gemeente Amsterdam

Pagina 5 van 14

Op grond van artikel 5 lid i zijn de leden van de commissie gezamenlijk, voor de uitoefening van hun taak, verantwoording schuldig aan de raad. Op grond van het tweede lid geven zij de raad alle inlichtingen die de raad daarvoor nodig heeft. 3. Verloop van de procedure Op 31 december 2018 heeft JVM een aanvraag gedaan voor subsidie op grond van de subsidieverordening. Bij besluit van 12 december 2019 heeft de raad de aanvraag van JVM geweigerd. Op 7 januari 2020 heeft JVM tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn bij e-mail van 26 februari 2020 aangevuld. Namens de raad is op 11augustus 2020 op het bezwaar van JVM gereageerd. Op 25 september 2020 heeft de bezwaarschriftencommissie het bezwaar van JVM op een hoorzitting behandeld. Naar aanleiding van deze hoorzitting heeft de bezwaarschriftencommissie bij e-mail van 9 oktober 2020 gevraagd of Commissie Joodse erfpachttegoeden hij alsnog inhoudelijke kon reageren op het beroep dat JVM tijdens de hoorzitting op het gelijkheidsbeginsel had gedaan. Bij e-mail van 23 oktober 2020 heeft de commissie als volgt op de vraag van de bezwaarschriftencommissie van 9 oktober 2020 gereageerd: "Joods Virtueel Museum De commissie blijft van oordeel dat dit project niet ten goede komt aan de Amsterdamse Joodse gemeenschap.

Aanvrager vermeldt dat hij ernaar streeft de website ook in het Engels en Hebreeuws te gaan aanbieden. Dat de collectie veel taferelen uit Joods Amsterdam omvat, maakt dat niet anders. Het beroep op het wel honoreren van een aanvraag voor de digitalisering van een tijdschrift mist doel, alleen al omdat die aanvraag (van de Bibliotheca Rosenthaliana) een andere sector betreft." Bij e-mail van 30 oktober 2020 heeft de bezwaarschriftencommissie JVM gelegenheid gegeven om op deze nadere reactie te reageren. Bij e-mail van 13 november 2020 heeft JVM van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

5

Verslag (vervolg)

Gemeente Amsterdam

Pagina 6 van 14

4. Bezwaar JVM voert tegen het besluit van 12 december 201— zakelijk samengevat— de volgende bezwaren aan: •

Het project richt zich genoeg op Amsterdam. Het gaat om schetsen en schilderijen van de Amsterdamse schilder Gerard Jan Staller die in de periode tussen 1900 en 1940 het Joodse leven in de Joodse buurt daarin heeft vastgelegd;

•

Het project is van cultuurhistorische betekenis, omdat uit die periode geen kleurenfoto's bestaan;

•

De continuïteit en versterking van de Joodse gemeenschap van Amsterdam zou meer gebaat zijn wanneer kleine aanvragers met originele projecten in ieder geval een startsubsidie wordt geven;

•

Het project heeft voldoende kwaliteit, is vernieuwend en draagt bij aan de continuïteit en versterking van het Joods bewustzijn, doordat de Joodse kunst en de Joodse taferelen van Amsterdam ontsloten zijn.

•

Andere aanvragen zijn ten onrechte niet afgewezen, terwijl voor deze aanvragen eveneens geldt dat zij niet zijn gericht op of ten behoeve zijn van de Amsterdams Joodse gemeenschap. Dat is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

5. Verweren In het verweerschrift van 11 augustus 2020 is als volgt op deze bezwaren gereageerd: Algemeen: •

Op 27 septennber 2o17 heeft de raad besloten een adviescommissie in te stellen, die een verdelingsvoorstel voor de Joodse erfpachttegoeden zou doen. Daarbij is besloten de commissie samen te stellen uit leden uit de Joodse gemeenschap, zodat de gemeenschap zelf bij de verdeling betrokken zou zijn.

•

Degenen die ten behoeve van een activiteit voor subsidie in aanmerking wenste te komen, kon daartoe tot en met 31 december 2018 een aanvraag indienen. Uiteindelijk zijn er 123 aanvragen ingediend voor een bedrag van in totaal € 35,8 miljoen.

•

Op basis van die aanvragen heeft de commissie vervolgens advies uitgebracht. Omdat het budget ruim is overvraagd, zijn de aanvragen daarbij gerangschikt op basis van de kwaliteit die zij naar het oordeel van de commissie hadden en de mate waarin zijn voldeden aan de in artikel 12 van de Subsidieverordening opgenomen criteria.

•

Bij de rangschikking was voor de commissie in de eerste plaats van belang dat er binnen de Joodse infrastructuur een aantal sectoren bestaat waarzonder een Joodse gemeenschap niet levensvatbaar is. Versterking van deze infrastructuur vormde het belangrijkste doel bij de adviezen van de commissie.

6

Verslag (vervolg)

Gemeente Amsterdam

Pagina 7van 14

•

Verder hechtte de commissie groot belang aan de mate waarin werd bijgedragen aan de continuiteit van de Joodse samenleving in brede zin. Als de commissie meende dat slechts een beperkter deel van de gemeenschap baat had bij een activiteit, droeg deze naar mening van de commissie in mindere mate bij aan de continuiteit van de Joodse samenleving. De verhouding tussen kosten en het bereik vormden voor de commissie dan ook een aanleiding om te adviseren minder subsidie toe te kennen.

•

In dat kader heeft de adviescommissie naar eer en geweten en naar haar beste kunnen advies uitgebracht. Dit advies is op 3.0 oktober 2019 ook door de raad overgenomen. De gelden zijn dus uiteindelijk op basis het advies verdeeld.

•

Dat neemt niet weg dat het oordeel van een adviescommissie tot op zekere hoogte altijd een subjectief element bevat. Dat betekent echter niet dat deze werkwijze niet kan worden toegepast (zie 00k: ABRvS 22 juli 2009, ECLI:NL:RVS:zoo9:BJ343.6 ; CBB 12 maart 2019, ECLI:NL:CBB:203.9:3_oo).

•

Meer specifiek wordt nog opgemerkt dat voor de werkwijze van de commissie geldt dat eerst is beoordeeld of aanvragen op formele gronden afgewezen dienden te worden. Vervolgens zijn de aanvragen op basis van de statuten van de aanvrager volgens de in de Verordening genoemde sectoren ingedeeld en zijn binnen de commissie teams gevormd die de aanvragen per sector hebben beoordeeld een voorlopig advies hebben gegeven.

•

Deze voorlopige adviezen zijn tot slot door de commissie als geheel bezien. Daarbij is bovendien gekeken of de commissie noodzaak zag budget over te hevelen naar andere sectoren, op grond van artikel .5 van de Verordening. Dit is mogelijk indien in een of meerdere sectoren na honorering van de subsidiabele aanvragen budget onbenut blijft.

Specifiek naar aanleiding van dit bezwaar • Ingevolge artikel 3.3 van de subsidieverordening dient de aanvraag te zien op activiteiten waarbij de plaats en doelgroep zijn gericht op Amsterdam en ten behoeve van met name de Amsterdamse Joodse gemeenschap. Daarom komen alleen de aanvragen die naar het oordeel van de commissie aan dit criterium voldoen, voor de subsidie in aanmerking. • Over dit project is de commissie van oordeel dat het niet met name gericht is op de Amsterdamse gemeenschap, maar op een veel breder publiek. Het tentoonstellen van Joodse schilderijen en biografieën op internet betreft een veel breder project. Dat het gaat om schilderijen en schetsen van een Amsterdamse schilder, maakt dat naar het oordeel van de commissie niet anders. • Aangezien de aanvraag niet met name ziet op de Joodse gemeenschap van Amsterdam, en het bereik van de activiteit gericht op Amsterdam, gerelateerd aan de daaraan verbonden kosten beperkt wordt geschat, komt de commissie tot afwijzing van de aanvraag. • Bezwaarde maakt een vergelijking met de aanvraag van het Mennaseh ben Israël Instituut. De commissie heeft geadviseerd aan deze aanvrager een opstartsubsidie te verstrekken

7

Verslag (vervolg) Pagina 8 van 14

Gemeente Amsterdam

voor het Amsterdamse tijdschrift. Hierbij heeft de commissie overwogen dat zij waarde hecht aan de kennisdeling die hier vanuit gaat. Een deel van de continuïteit van de Joodse gemeenschap is op academisch niveau. Deze aanvraag valt echter onder de sector 'Educatie', waar de aanvraag van bezwaarde onder de sector 'Erfgoed 8.t Cultuur' is ingedeeld. Binnen iedere sector vallen andere aanvragen, en is dus een andere vergelijking en afweging gemaakt. Bovendien omvat de sector 'Educatie' minder aanvragen dan de sector 'Erfgoed 8z Cultuur', en betreffen beide aanvragen heel verschillende projecten. Ook daarom kunnen zij niet één op één met elkaar worden vergeleken. • Wanneer we de aanvragen binnen de sector Erfgoed 8z Cultuur bezien, geldt dat er zo'n twintig aanvragen zijn waarbij de commissie van oordeel is dat het project niet (voldoende) op de Amsterdamse Joodse gemeenschap ziet. Het gaat bijvoorbeeld om projecten als een musicalproject, het levendig houden van de Joodse literatuurprijs, een internationale tentoonstelling en seminars, informatievoorziening middels internet en multimedia, korte films en online videocursussen, tentoonstellingen op websites, boekpublicaties, online databases, online bibliotheek catalogus, een documentaireserie bij de NPO.

De aanvragen die hierop zien zijn allemaal afgewezen, waaraan ten grondslag ligt dat de projecten zich volgens de commissie niet (voldoende) richten op de Amsterdamse Joodse gemeenschap. Ook hierbij geldt dat het feit dat het onderwerp van het project Amsterdams is, of de locatie, niet direct betekent dat het project werkelijk voldoende bijdraagt aan de continuïteit van de Amsterdamse Joodse gemeenschap. • De aanvraag van de EO is een voorbeeld van een aanvraag die niet volledig is afgewezen, terwijl ook wordt overwogen dat het project niet (geheel) ziet op de Amsterdamse gemeenschap. Voor de advisering heeft de commissie het project onderscheiden in een onderdeel dat wél voldoende op Amsterdam ziet, en onderdelen die hier naar haar oordeel te ver vanaf staan. Zo wordt er geen bedrag toegekend voor de vierdelige documentaireserie bij de NPO, maar wordt er wel een bedrag toegekend ten behoeve van educatieve kennisclips voor kinderen en jongeren die worden ingezet tijdens georganiseerde rondleidingen door Joods Amsterdam. • Een (te) beperkt bereik richting de Joodse Amsterdammers heeft vervolgens ook zijn weerslag op de verhouding van kosten en het beoogde bereik (t.a.v. de Amsterdamse Joodse gemeenschap). • Over de aanvraag van bezwaarde is de commissie van oordeel dat deze als geheel niet volledig gericht is op Amsterdam.

De raad kan de aanvraag weigeren indien deze niet specifiek ziet op de Amsterdamse Joodse gemeenschap, aldus de verordening. De adviescommissie is van oordeel dat de tentoonstelling waarop de aanvraag ziet niet iets zegt over de Joodse Amsterdamse gemeenschap, en dat de tentoonstelling bovendien geen, althans onvoldoende, bijdrage levert ten behoeve van deze gemeenschap. Het gaat

8

Verslag (vervolg)

Gemeente Amsterdam

Pagina g van 14

bovendien om het tentoonstellen van schilderijen en biografieën op het internet, waarmee het een veel breder— landelijk — project betreft. Aan de hand hiervan wordt verzocht het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit in stand te laten. 6. Onderliggende stukken raadscommissie en gemeenteraad De bezwaarschriftencommissie heeft in verband met de advisering over de ingediende bezwaren niet alleen de dossiers maar ook de onderliggende raadsstukken bestudeerd en kennis genomen van de bespreking van deze stukken in raadscommissie en raad. Daaruit blijkt dat de raad in juli 2016, naar aanleiding van de conclusies in het NIOD-rapport, heeft besloten een tegemoetkoming te doen aan de Amsterdams Joodse gemeenschap. Onderdeel van dat besluit was dat er een stichting zou worden opgericht bestaande uit personen uit de Joodse gemeenschap die de raad zou adviseren over de besteding van die tegemoetkoming. Uiteindelijk is er geen stichting opgericht, maar is er door de raad een commissie in het leven geroepen. Daarbij is overeind gebleven dat de leden onderdeel uitmaken van de Joodse gemeenschap. De leden zijn vanuit die hoedanigheid door de burgemeester gevraagd en door de raad als lid van de commissie benoemd. Verder heeft de raad aan de commissie de kaders meegegeven waarbinnen zij haar advies moest geven.

Deze kaders zijn tot stand gekomen na advies van de commissie en vastgelegd in de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden. In het kort blijkt uit de verordening dat de tegemoetkoming zou worden verdeeld via een zogenoemde subsidietender. Er konden gedurende een aantal maanden aanvragen worden gedaan, waarna de commissie op basis van de in de verordening opgesomde kwaliteitseisen advies zou geven aan de raad. De raad zou vervolgens op basis van die adviezen een besluit nemen over de toekenning of afwijzing van de aanvragen. Uit de stukken, met name artikel 12 van de verordening, komt naar voren dat de kern van het advieswerk van de commissie wordt gevormd door de vraag of een activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap. In dat kader heeft de commissie in de eerste plaats benadrukt het van groot belang te achten dat de tegemoetkoming terecht zou komen bij de verschillende onderdelen van de Joodse gemeenschap in de ruimste zin en bij de verschillende geloofsrichtingen binnen de Joodse gemeenschap.

9

Verslag (vervolg)

Gemeente Amsterdam

Pagina io van 14

Aan de verschillende onderdelen is recht gedaan door in de verordening vijf sectoren te onderscheiden. Die zijn volgens de commissie essentieel voor het voortbestaan van de gemeenschap. Voor de verschillende geloofsrichtingen geldt dat de commissie kenbaar heeft gemaakt dat voor de continuïteit ook van belang was dat elke stroming een (enigszins) evenredig deel zou krijgen. Uit de stukken blijkt dat de commissie hier dus ook specifiek aandacht aan heeft besteed. Met inachtneming daarvan speelde de kwaliteit van de aanvragen de voornaamste rol. Door de commissie is kenbaar gemaakt dat zij zich bij de beoordeling van de aanvragen heeft laten leiden door de in artikel 12 van de verordening vermelde toewijzingscriteria. Zo droeg naar het oordeel van de commissie een aanvraag die niet tot een succesvol afgerond project zou leiden, niet bij aan de continuiteit. Om die reden is bijvoorbeeld meegewogen of de aanvrager een eigen bijdrage levert. Dat vergroot de kans dat een project uitgevoerd kan worden. Voor het beoordelen van de aanvragen geldt dat uit de stukken blijkt dat de (ontvankelijke) aanvragen eerst zijn ingedeeld per sector. Vervolgens zijn per sector twee personen uit de commissie aan de slag gegaan om een voorselectie te maken. Die voorselectie is besproken in de gehele commissie, waarna een lijst met voorlopige toe- en afwijzingen volgde.

Deze lijst is gelegd langs de te behalen doelen en is beoordeeld op de hiervoor bedoelde evenredige spreiding, waarna besloten is sommige aanvragen meer en andere minder subsidie toe te kennen. Op die manier is per aanvraag het definitieve advies tot stand gekomen. Commissieleden die betrokken waren bij een aanvrager, hebben zich daarbij volgens de commissie onthouden van stemming bij alle aanvragen in de betreffende sector waaronder die aanvraag viel. Tot slot is nog van belang dat de commissie in het kader van de adviezen heeft geadviseerd budget over te hevelen van de ene naar de andere sector op grond van artikel 5, derde lid van de Verordening. In de stukken is aangegeven dat de commissie dit gedaan heeft omdat een deel van het budget binnen een sector na honorering van de meest geschikte aanvragen onbenut bleef. Ook bij het overhevelen heeft de continuïteit van de Joodse gemeenschap voorop gestaan.

10

Verslag (vervolg)

Gemeente Amsterdam

Pagina 11 van 14

7. Overwegingen Bij de beoordeling van de bezwaren van JVM stelt de bezwaarschriftencommissie het volgende voorop. Het gaat in deze procedure om de toekenning van subsidie. Bij de beslissing aan welke aanvrager subsidie wordt verleend, baseert de raad zich op advies van de Commissie Joodse erfpachttegoeden. Uit artikel 3:9 Awb volgt dat de raad zich er daarbij van dient te vergewissen dat het advies van de commissie op zorgvuldige wijze tot stand gekomen is (vergewisplicht). De motivering van het advies over de aanvraag en de motivering van de totstandkoming van de rangschikking tussen de aanvragen speelt daarbij een rol (artikel 3:46 Awb). In deze procedure is daarentegen sprake van een bijzondere vorm van subsidie, die maakt dat hier een meer terughoudende invulling van de vergewisplicht van artikel 3:9 Awb op zijn plaats is. De Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden heeft tot doel om de Amsterdams Joodse gemeenschap collectieve tegemoetkoming te bieden voor de erfpachtgelden die de gemeente tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft geïnd en de boetes die in verband daarmee zijn opgelegd. Vanuit dat doel heeft de raad er op 28 juli 2018 bewust voor gekozen om de verdeling van de tegoeden over te laten aan de Amsterdams Joodse gemeenschap zelf.

Het is immers die gemeenschap waarvoor de tegoeden zijn bedoeld, en die zelf ook het beste kan beoordelen waarvoor de tegoeden gebruikt dienen te worden. Bij de beoordeling van de adviezen over de verdeling van de subsidies past daarom een terughoudende opstelling van de raad, die zich vertaalt in een terughoudende toets van het advies van de commissie. Tegen deze achtergrond beperkt de bezwaarschriftencommissie zich in deze procedure tot de vraag of de raad zijn besluit over de subsidieaanvraag, met inbegrip van de daarbij gepaste terughoudendheid, op het advies van de commissie heeft kunnen baseren. De bezwaarschriftencommissie zal daarbij beoordelen of het advies van de commissie op hoofdlijnen zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd is, mede in het licht van de bezwaren die JVM daarover naar voren brengt. Weigering van de aanvraag In het bezwaarschrift van 26 februari 2020 voert JVM aan dat de raad ten onrechte besloten heeft om haar aanvraag te weigeren op grond van artikel 13 lid 1, aanhef en onder c, van de subsidieverordening. De aanvraag van JVM zou wel in voldoende mate zijn gericht op Amsterdam, omdat in het digitale museum schilderijen worden getoond van Amsterdamse schilders.

Verder zou het project van voldoende kwaliteit zijn, vernieuwend zijn en bijdragen aan de continuïteit en versterking van het Joods bewustzijn, doordat de Joodse kunst en de Joodse taferelen van Amsterdam ontsloten zijn.

111

Verslag (vervolg)

Gemeente Amsterdam

Pagina 12 van 14

In hoofdstuk ivan dit advies is de aanvraag van JVM beschreven. Er is subsidie aangevraagd voor het digitaal tentoonstellen van de verzameling van een particuliere verzamelaar, bestaande uit schilderijen van Joodse schilders (www.joodsvirtueelmuseum.n1). Uit hoofdstuk 2 van dit advies volgt dat de commissie op grond van artikel 13 lid 1, aanhef en onder c, van de subsidieverordening heeft moeten beoordelen of toekenning van een subsidie voor deze aanvraag ten goede zou komen aan met name de Amsterdamse Joodse gemeenschap. Daarbij is van belang of aanvragers in Amsterdam gevestigd zijn en of de activiteiten met name gericht zijn op Amsterdam. In het advies over de aanvraag is daarover het volgende vermeld: "Over dit project is de commissie van oordeel dat het niet met name gericht is op Amsterdam, maar op een veel breder publiek. Het tentoonstellen van Joodse schilderijen en biografieën op intern, ziet niet op de Amsterdamse gemeenschap. Het betreft een veel breder project. Aangezien de aanvraag niet met name ziet op de Joodse gemeenschap in Amsterdam, en het bereik van de activiteit gerelateerd aan de daaraan verbonden kosten beperkt geschat wordt, komt de commissie tot afwijzing van de aanvraag." In het verweerschrift en tijdens de hoorzitting is toegelicht dat het project van JVM volgens de commissie als geheel niet volledig gericht is op Amsterdam.

De adviescommissie is van oordeel dat de tentoonstelling waarop de aanvraag ziet niet iets zegt over de Joodse Amsterdamse gemeenschap, en dat de tentoonstelling bovendien geen, althans onvoldoende, bijdrage levert ten behoeve van deze gemeenschap. Het gaat tot slot om het tentoonstellen van schilderijen en biografieën op het internet, waarmee het een veel breder— landelijk— project betreft. Deze motivering komt de bezwaarschriftencommissie begrijpelijk en navolgbaar voor. Waar het in deze procedure om gaat is dat de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd, als zodanig niet (voldoende) zijn gericht op de Amsterdamse Joodse gemeenschap. Anders dan JVM naar voren brengt, volgt de bezwaarschriftencommissie de analyse dat het tentoonstellen van (onder andere) Amsterdamse schilders en Amsterdamse schilderingen moet worden onderscheiden van de vraag of de activiteit wel op de Amsterdams Joodse gemeenschap is gericht. Naar de mening van de bezwaarschriftencommissie kon de raad hier daarom tot de conclusie komen dat de aanvraag van JVM daarop onvoldoende is gericht. De bezwaarschriftencommissie betrekt daarbij dat de commissie gemotiveerd heeft toegelicht dat ook een substantieel aantal andere aanvragen binnen de sector 'Erfgoed en Cultuur' om

12

Verslag (vervolg)

Gemeente Amsterdam

Pagina 13 van 14

dezelfde redenen zijn geweigerd. Verder heeft de commissie gemotiveerd dat bij een enkele aanvraag een deel van de aanvraag is afgewezen, omdat dat niet was gericht op de Amsterdams Joodse gemeenschap, terwijl een ander deel van de aanvraag daarop wel was gericht en in ieder geval niet om die reden is geweigerd. Naar de mening van de bezwaarschriftencommissie laten deze omstandigheden zien dat de commissie hier artikel 13 lid 1, aanhef en onder c, van de subsidieverordening consequent heeft toegepast. Dat bevestigd dat dat de raad hier terecht besloten heeft om de aanvraag van JVM te weigeren op grond van deze bepaling. Tot zover is het bezwaar van JVM dus ongegrond. Gelijkheidsbeginsel JVM voert verder aan dat andere aanvragen niet afgewezen, terwijl voor deze aanvragen eveneens geldt dat zij niet zijn gericht op of ten behoeve zijn van de Amsterdams Joodse gemeenschap. Haar aanvraag zou daarom vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel alsnog moeten worden toegewezen. De bezwaarschriftencommissie heeft hiervoor al vastgesteld dat de raad artikel 13 lid 1, aanhef en onder c, van de subsidieverordening consequent heeft toegepast bij een groot aantal aanvragen die, net als de aanvraag van JVM, zijn beoordeeld binnen de sector 'Erfgoed en Cultuur'.

In het gegeven dat ook een groot aantal andere aanvragen om dezelfde reden is afgewezen, meent de bezwaarschriftencommissie dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De bezwaarschriftencommissie volgt de commissie verder in de reactie van 23 oktober 2020 dat de vergelijking met de aanvraag van Bibliotheca Rosenthaliana niet opgaat, omdat deze aanvraag verschilt van de aanvraag van JVM en bovendien is beoordeeld binnen een andere sector. Ook overigens is namens de raad in het verweerschrift van 3_3_ augustus 2020 kort toegelicht waarom aan deze aanvraag wel subsidie is verleend. Samengenomen ziet de bezwaarschriftencommissie daarom niet in hoe uit het gelijkheidsbeginsel kan voortvloeien dat aan JVM wel subsidie had moeten worden verleend. Daarbij is van belang dat de motivering van het advies over de aanvraag van JVM op zichzelf deugdelijk gemotiveerd is (zie blz. 12, tweede en derde alinea). In de nadere reactie van 13 november 2020 heeft JVM nog gewezen op de besluiten over de twee andere aanvragen, van de Hollandse Schouwburg en het Kindermuseum. Volgens JVM kan ook bij die aanvragen niet met zekerheid worden gesteld dat deze aanvragen (voldoende) zijn gericht op de Amsterdamse Joodse gemeenschap, omdat bezoekers veelal van elders zullen komen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, ziet de bezwaarschriftencommissie op

13

Verslag (vervolg)

Gemeente Amsterdam

Pagina 14 van 14

voorhand niet in hoe daaruit voortvloeit dat de aanvraag van JVM ten onrechte is geweigerd op grond van artikel 13 lid 1, aanhef en onder c, van de subsidieverordening. Daarbij is opnieuw van belang dat de motivering van het advies over de aanvraag van JVM op zichzelf deugdelijk gemotiveerd is en ook bij veel andere aanvragen binnen de sector Erfgoed en Cultuur' consequent is toegepast (zie blz. 12, tweede en derde alinea). Het voorgaande betekent dat ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Dat betekent dat de raad het advies van de commissie heeft kunnen overnemen en het besluit van 12 december 2019 heeft kunnen nemen. Het bezwaar is daarom ongegrond.

8. Conclusie en advies De bezwaarschriftencommissie adviseert de raad om het bezwaar van JVM ongegrond te verklaren en het besluit van 12 december 2019 in stand te laten. Dit maakt dat er ook geen grond is voor een vergoeding voor de kosten van het bezwaar ex artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Amsterdam, 19 januari 2021 De bezwaarschriftenconnmissie,

Jennifer Bloemberg-Issa

Hidde Nota,

Voorzitter

Secretaris

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9707196/1