- 06 Raadsaangelegenheden (7) Bijlage 16 - advies bezwaar Stichting Vriende
Tekst van het document
X
Gemeente Amsterdam
Advies inzake bezwaar tegen het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 12 december 2019 inzake een aanvraag op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden Kenmerk: D.1.2o.001165.00l
Advies over het bezwaarschrift ingediend door
Stichting Vrienden van het Beth Ha-mid rasj
tegen het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 12 december 2019 (hierna: de raad). Met dit besluit heeft de raad de aanvraag van Stichting Vrienden van het Beth Hamidrasj (hierna: Beth Ha-midrasj) om een eenmalige subsidie op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoedenl afgewezen.
1. Inleiding
Beth Ha-midrasj heeft op 7 januari 2020 bezwaar gemaakt tegen het besluit van de raad van 12 december 2019. Op 11 augustus 2020 is daarop namens de raad met een verweerschrift gereageerd. Op 25 september 2020 heeft de bezwaarschriftencommissie van de raad (hierna: de bezwaarschriftencommissie) partijen op een hoorzitting gehoord.
Het gaat in deze procedure om de verlening van subsidie op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden (verder: de subsidieverordening). Naar aanleiding van de conclusies in het NIOD-rapport Openstaande Rekeningen, de gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechtsherstel, 1940-1950' heeft de raad op 14 juli 2016 besloten om een collectieve tegemoetkoming van €10 miljoen2 ter beschikking stellen aan de Amsterdams Joodse gemeenschap.
Op 27 september 2017 heeft de raad besloten om voor de verdeling van deze tegemoetkoming een adviescommissie in te stellen, de Commissie Joodse erfpachttegoeden (verder: de commissie). Deze commissie had tot taak om de raad te adviseren over de besteding van de
1 Gemeenteblad 3.1 september 2018, nr. 193148. 2
Op i8juli 2018 heeft de raad besloten om het budget te verhogen naar €io,8 miljoen.
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 2 van 13
collectieve tegemoetkoming aan de Amsterdams Joodse gemeenschap. De raad heeft er daarbij bewust voor gekozen om de commissie samen te stellen uit leden die afkomstig zijn uit de Joodse gemeenschap zelf, zodat verdeling van de ter beschikking gestelde tegemoetkoming werd belegd bij vertegenwoordigers van die gemeenschap. Op 18 juli 2018 heeft de raad de zes personen tot lid van de commissie te benoemd die, zoals gezegd, allen uit de Joodse gemeenschap afkomstig zijn. Met het oog op een evenredige verdeling van de tegoeden over verschillende aanvragen, afkomstig uit de Joodse gemeenschap, zijn de aanvragen onderverdeeld in vijf sectoren. Het gaat om Educatie, Religie, Welzijn & Zorg, Jongeren en Erfgoed & Cultuur. Vervolgens heeft de Commissie Joodse erfpachttegoeden de aanvragen binnen de verschillende sectoren beoordeeld op basis van de criteria in de subsidieverordening. Het zwaartepunt van deze beoordeling lag bij de mate waarin een aangevraagde activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap. Verder werd onder andere beoordeeld of de doelstelling paste binnen de sector waartoe de aanvraag behoorde, of de aanvraag kans van slagen had, of het bereik van de activiteit in verhouding stond tot de kosten die daarmee waren gemoeid en de mate waarin sprake was van medefinanciering door de aanvrager zelf of derden.
Er konden tot en met 31 december 2018 aanvragen worden ingediend. De raad heeft 123 aanvragen ontvangen voor een subsidie op grond van de subsidieverordening, in totaal voor een bedrag van in totaal €35,8 miljoen. De commissie heeft deze aanvragen conform de criteria in de verordening beoordeeld en advies uitgebracht over de kwaliteit van de aanvragen en—op basis daarvan — de verdeling van de gelden over alle aanvragen. De commissie heeft daarbij geadviseerd om 13 aanvragen volledig in te willigen, 38 aanvragen gedeeltelijk in te willigen en de overige aanvragen afte wijzen. Beth Ha-midrasj heeft op 31 december 2018 een subsidie aangevraagd €250.000,00. De aanvraag heeft betrekking op het onderhoud aan een monumentaal pand op het perceel Rapenburgstraat log te Amsterdam. De Commissie Joodse erfpachttegoeden heeft deze aanvraag binnen de sector 'Erfgoed en Cultuur' beoordeeld. Zij is van mening dat de aanvraag niet met name is gericht op de continuïteit van de Joodse gemeenschap van Amsterdam. Dat het pand in Amsterdam is gelegen, is daarvoor onvoldoende. Verder twijfelt de Commissie over de behoefte aan het plan en de haalbaarheid daarvan. Daarom acht de Commissie de kosten van het project te hoog in verhouding tot het bereik daarvan en de bijdrage aan de Joodse gemeenschap van Amsterdam. De Commissie adviseert daarom de aanvraag af te wijzen.
2
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 3 van 13
De raad heeft dit advies van de commissie overgenomen en daarop het bestreden besluit gebaseerd. Daartegen heeft Beth Ha-mid rasj bezwaar gemaakt. Hieronder treft u het advies over dat bezwaar aan. De bezwaarschriftencommissie adviseert de raad om het bezwaar ongegrond te verklaren. 2. Juridisch kader
Het juridisch kader in deze zaak wordt in algemene zin gevormd door de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en meer specifiek door de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden en de Verordening commissie Joodse erfpachttegoeden. Algemene wet bestuursrecht Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient de raad zich op grond van artikel 3:9 Awb ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 3:46 Awb dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering. Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden In artikel 2 lid Ivan de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden is bepaald dat deze verordening van toepassing is op het budget dat de raad op 14 juli 2016 beschikbaar heeft gesteld als collectieve tegemoetkoming aan de Joodse gemeenschap. Het doel van deze verordening is subsidiering van activiteiten ten behoeve van met name de Amsterdams Joodse gemeenschap. Op grond van artikel 3 lid Ivan de subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden is er een commissie die de raad adviseert over de subsidieaanvragen gedaan op basis van deze verordening. Op grond van artikel 4 kan de raad subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten als bedoeld in artikel 2 in één of meer van de volgende sectoren: "a. Educatie b. Religie c. Welzijn & zorg d. Jongeren e. Erfgoed & cultuur."
3
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 4 van 13
Op grond van artikel 6 worden de aanvragen die aan de voorwaarden gesteld in de subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden voldoen gerangschikt op basis van hun kwaliteit. Op grond van artikel 12 van de subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden wordt de kwaliteit van de subsidieaanvraag vastgesteld aan de hand van de volgende, beoordelingscriteria, die zijn opgesomd in volgorde van hun relatieve belang: a. de mate waarin een activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap; b. de doelstelling van de activiteit die moet passen in een van de in de artikel 4 genoemde sectoren; c. de beoordeling van de slagingskans van de activiteit door de commissie; d. het bereik van de activiteit gerelateerd aan de daaraan verbonden kosten; e.de mate waarin een aanvraag financiële soliditeit vertoont; f. de mate waarin sprake is van medefinanciering door de aanvrager zelf of derden; g. de waarborg van de continuïteit van de aanvrager. Deze criteria zijn in de toelichting bij de subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden nader toegelicht: "Dit artikel bevat de criteria aan de hand waarvan de kwaliteit van een subsidieaanvraag wordt vastgesteld. De beoordelingscriteria staan in volgorde van hun relatieve belang. Dat wil zeggen dat aan het criterium onder a. het meeste gewicht en het criterium onder h.
het minste gewicht wordt toegekend bij het beoordelen van de kwaliteit van een aanvraag Hieronder volgt een nadere omschrijving van de criteria. De mate waarin een activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap. Het moet gaan om activiteiten die een bestendig karakter hebben en die bijdragen aan de Joodse infrastructuur. Dit zal meestal gaan om een nieuwe activiteit, maar ook bestaande activiteiten kunnen voortoekenning in aanmerking komen. Ook
4
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 5 van 13
langlopende activiteiten kunnen voor toekenning in aanmerking komen middels een meerjarenplan, met een maximum van vierjaar. De doelstelling van de activiteit De doelstelling van de activiteit dient te passen binnen een van de in artikel 4 genoemde sectoren. De slagingskans van de activiteit De commissie zal zich een oordeel trachten te vormen over de mogelijkheden van de aanvrager de activiteit tot een goed einde te brengen. Het bereik van de activiteit gerelateerd aan de daaraan verbonden kosten. Hoeveel personen hebben profijt bij de activiteit in relatie tot de kosten ervan. Het gaat hier om het realiteitsgehalte van een activiteit. De mate waarin een aanvraag financiële soliditeit vertoont. Dit criterium houdt verband met de slagingskans van de activiteit. Medefinanciering De mate waarin sprake is van medefinanciering van de activiteit door andere organisaties dan de aanvrager. Gezien de beperktheid van het totaal toe te kennen bedrag kan het in het bijzonder bij omvangrijke activiteiten eenvoudiger worden een uitkering toe te kennen indien anderen dat ook doen. De mate waarin sprake is van medefinanciering van de activiteit door de aanvrager dan wel doordeelnemers/gebruikers. Hierbij dient ook gedacht te worden aan wat door afnemers voor de door de activiteit gegenereerde diensten wordt betaald.
Uiteraard zal hierbij de totale financiële situatie van de aanvrager worden betrokken, in het bijzonder ook de omvang van het eigen vermogen. De waarborg van de continuiteit van de aanvrager. De continuïteit van een aanvrager kan door het uitvoeren van een omvangrijke activiteit of investering in gevaar komen. Vragen die hierbij gesteld moeten worden zijn bijvoorbeeld of het mogelijk zal zijnde jaarlijkse kosten die uit de investering voortkomen op te brengen en of de deelname aan de activiteit of investering en de daarmee gepaard gaande inkomsten aan de verwachtingen voldoen."
5
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 6 van 13
Op grond van artikel 11 lid ivan de subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden kan de raad naar aanleiding van het advies van de commissie subsidie tot een lager bedrag toekennen dan is aangevraagd. Verordening Commissie Joodse erfpachttegoeden In artikel i is bepaald dat er een Commissie Joodse erfpachttegoeden is, dat deze commissie bestaat uit zes leden en tot taak heeft de raad te adviseren over de besteding van de collectieve tegemoetkoming van tien miljoen euro aan de Joodse gemeenschap voor de erfpachttegoeden. Op grond van artikel 2 van deze verordening benoemt de raad de leden van de commissie. Op grond van artikel 5 lid i zijn de leden van de commissie gezamenlijk, voor de uitoefening van hun taak, verantwoording schuldig aan de raad. Op grond van het tweede lid geven zij de raad alle inlichtingen die de raad daarvoor nodig heeft.
3.Verloop van de procedure Op 31 december 2018 heeft Beth Ha-nnidrasj een aanvraag gedaan voor subsidie op grond van de subsidieverordening. Bij besluit van 12 december 2019 heeft de raad de aanvraag van Beth Ha-nnidrasj afgewezen. Op 7 januari 2020 heeft Beth Ha-midrasj tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Namens de raad is op 11 augustus 2020 op het bezwaar van Beth Ha-midrasj gereageerd. Op 25 september 2020 heeft de bezwaarschriftencommissie het bezwaar van Beth Ha-midrasj op een hoorzitting behandeld.
4. Bezwaar Beth Ha-midrasj voert tegen het besluit van 12 december 2019 — zakelijk samengevat —de volgende bezwaren aan: •
Beth Ha-midrasj is het oneens met het oordeel van de commissie dat de aanvraag voor onderhoud van het monument aan de Rapenburgerstraat niet met name gericht is op de continuiteit van de Joodse gemeenschap van Amsterdam, en twijfels heeft aan de
6
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 7 van 13
behoefte en haalbaarheid van het plan. Er zijn wel degelijk buiten Amsterdamse belangen toegekend. Beth Ha Midrasj is het enige Joodse gebouw in de Rapenburgerstraat dat nog in takt is gebleven en waar nog de Joodse letters van 1883 zijn uitgehouwen, ontworpen en gebouwd door de gebroeders Salm. Het is een belangrijk, beeldbepalend gebouw voor Amsterdam. Het gebouw is ook opgenomen in alle rondleidingen. Het gebouw heeft dringend renovaties nodig. Van de 350.000 euro is er loo.000 euro uit andere middelen beschikbaar. Door de totale afwijzing kan er nu helemaal geen begin worden gemaakt met de renovatie. •
Als toelichting zijn door Beth Ha-midrasj stukken van de raming van een renovatieteann toegestuurd, die betrekking hebben op het gebouw aan de Rapenburgerstraat
5. Verweren In het verweerschrift van 11 augustus 2020 is als volgt op deze bezwaren gereageerd:
Algemeen: •
Op 27 september 2017 heeft de raad besloten een adviescommissie in te stellen, die een verdelingsvoorstel voor de Joodse erfpachttegoeden zou doen. Daarbij is besloten de commissie samen te stellen uit leden uit de Joodse gemeenschap, zodat de gemeenschap zelf bij de verdeling betrokken zou zijn.
•
Degenen die ten behoeve van een activiteit voor subsidie in aanmerking wenste te komen, kon daartoe tot en met 31 december 2o1.8 een aanvraag indienen. Uiteindelijk zijn er 123 aanvragen ingediend voor een bedrag van in totaal €35,8 miljoen.
•
Op basis van die aanvragen heeft de commissie vervolgens advies uitgebracht. Omdat het budget ruim is overvraagd, zijn de aanvragen daarbij gerangschikt op basis van de kwaliteit die zij naar het oordeel van de commissie hadden en de mate waarin zijn voldeden aan de in artikel 12 van de subsidieverordening opgenomen criteria.
•
Bij de rangschikking was voor de commissie in de eerste plaats van belang dat er binnen de Joodse infrastructuur een aantal sectoren bestaat waarzonder een Joodse gemeenschap niet levensvatbaar is. Versterking van deze infrastructuur vormde het belangrijkste doel bij de adviezen van de commissie.
•
Verder hechtte de commissie groot belang aan de mate waarin werd bijgedragen aan de continuïteit van de Joodse samenleving in brede zin. Als de commissie meende dat slechts een beperkter deel van de gemeenschap baat had bij een activiteit, droeg deze naar mening van de commissie in mindere mate bij aan de continuïteit van de Joodse samenleving. De verhouding tussen kosten en het bereik vormden voor de commissie dan ook een aanleiding om te adviseren minder subsidie toe te kennen.
7
Verslag (vervolg) Pagina 8 van 13
•
Gemeente Amsterdam
In dat kader heeft de adviescommissie naar eer en geweten en naar haar beste kunnen advies uitgebracht. Dit advies is op ao oktober 2019 ook door de raad overgenomen. De gelden zijn dus uiteindelijk op basis het advies verdeeld.
•
Dat neemt niet weg dat het oordeel van een adviescommissie tot op zekere hoogte altijd een subjectief element bevat. Dat betekent echter niet dat deze werkwijze niet kan worden toegepast (zie ook: ABRvS 22 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ3416 ; CBB 12 maart 2019, ECLI:NLCBB:2o19:ioo).
•
Meer specifiek wordt nog opgemerkt dat voor de werkwijze van de commissie geldt dat eerst is beoordeeld of aanvragen op formele gronden afgewezen dienden te worden. Vervolgens zijn de aanvragen op basis van de statuten van de aanvrager volgens de in de Verordening genoemde sectoren ingedeeld en zijn binnen de commissie teams gevormd die de aanvragen per sector hebben beoordeeld een voorlopig advies hebben gegeven.
•
Deze voorlopige adviezen zijn tot slot door de commissie als geheel bezien. Daarbij is bovendien gekeken of de commissie noodzaak zag budget over te hevelen naar andere sectoren, op grond van artikel 5 van de Verordening. Dit is mogelijk indien in een of meerdere sectoren na honorering van de subsidiabele aanvragen budget onbenut blijft.
Specifiek naar aanleiding van dit bezwaar •
Ingevolge artikel 13 van de subsidieverordening dient de aanvraag te zien op activiteiten waarbij de plaats en doelgroep zijn gericht op Amsterdam en ten behoeve van met name de Amsterdamse Joodse gemeenschap. Daarom komen alleen de aanvragen die naar het oordeel van de commissie aan dit criterium voldoen, voor de subsidie in aanmerking.
•
Over dit project is de commissie van oordeel dat het niet met name gericht is op de Amsterdamse gemeenschap, maar op een veel breder publiek. In het activiteitenplan wordt genoemd dat het monumentale pand is opgenomen in toeristische wandelingen door de Joodse buurt en herstel verdient. Dat het monument in Amsterdam staat, acht de commissie hiervoor niet voldoende om aan te nemen dat de aanvraag (in vergelijking tot de overige aanvragen binnen de sector) voldoende bijdraagt aan de continuïteit van de Amsterdamse Joodse gemeenschap. Bovendien heeft de commissie twijfels aan de behoefte aan en haalbaarheid van het plan. Het betreft volgens de adviescommissie een van de vele gebouwen die ooit een functie heeft gehad in Joods Amsterdam. Het betreft een voormalig Joods leerlokaal, dat niet meer in gebruik is. Het pand waarop de aanvraag ziet onderscheidt zich naar het oordeel van de
8
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina g van 13
commissie niet in voldoende mate van de andere in Amsterdam aanwezige gebouwen die gerelateerd zijn aan Joods Amsterdam. •
Er zijn meer aanvragen geweest voor onderhoud ter waarborging van historische elementen. Ook binnen de sector Erfgoed en Cultuur. Gekeken is welk deel van de aanvraag ziet op de continuïteit van de Amsterdams Joodse gemeenschap en welk onderdeel niet. Sommige aanvragen waren wat meer te splitsen maar deze aanvraag is onsplitsbaar.
•
Dit in aanmerking genomen acht de commissie het met het project gemoeide bedrag te hoog in verhouding tot het bereik en de bijdrage aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap, om het aangevraagde bedrag toe te kennen.
Aan de hand hiervan wordt verzocht het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit in stand te laten. 6. Onderliggende stukken raadscommissie en gemeenteraad De bezwaarschriftencommissie heeft in verband met de advisering over de ingediende bezwaren niet alleen de dossiers maar ook de onderliggende raadsstukken bestudeerd en kennis genomen van de bespreking van deze stukken in raadscommissie en raad. Daaruit blijkt dat de raad in juli 2016, naar aanleiding van de conclusies in het NIOD-rapport, heeft besloten een tegemoetkoming te doen aan de Amsterdams Joodse gemeenschap. Onderdeel van dat besluit was dat er een stichting zou worden opgericht bestaande uit personen uit de Joodse gemeenschap die de raad zou adviseren over de besteding van die tegemoetkoming. Uiteindelijk is er geen stichting opgericht, maar is er door de raad een commissie in het leven geroepen. Daarbij is overeind gebleven dat de leden onderdeel uitmaken van de Joodse gemeenschap. De leden zijn vanuit die hoedanigheid door de burgemeester gevraagd en door de raad als lid van de commissie benoemd. Verder heeft de raad aan de commissie de kaders meegegeven waarbinnen zij haar advies moest geven. Deze kaders zijn tot stand gekomen na advies van de commissie en vastgelegd in de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden.
In het kort blijkt uit de verordening dat de tegemoetkoming zou worden verdeeld via een zogenoemde subsidietender. Er konden gedurende een aantal maanden aanvragen worden gedaan, waarna de commissie op basis van de in de verordening opgesomde kwaliteitseisen advies zou geven aan de raad. De raad zou vervolgens op basis van die adviezen een besluit nemen over de toekenning of afwijzing van de aanvragen.
9
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina io van 13
Uit de stukken, met name artikel 12 van de verordening, komt naar voren dat de kern van het advieswerk van de commissie wordt gevormd door de vraag of een activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap. In dat kader heeft de commissie in de eerste plaats benadrukt het van groot belang te achten dat de tegemoetkoming terecht zou komen bij de verschillende onderdelen van de Joodse gemeenschap in de ruimste zin en bij de verschillende geloofsrichtingen binnen de Joodse gemeenschap. Aan de verschillende onderdelen is recht gedaan door in de verordening vijf sectoren te onderscheiden. Die zijn volgens de commissie essentieel voor het voortbestaan van de gemeenschap. Voor de verschillende geloofsrichtingen geldt dat de commissie kenbaar heeft gemaakt dat voor de continuïteit ook van belang was dat elke stroming een (enigszins) evenredig deel zou krijgen. Uit de stukken blijkt dat de commissie hier dus ook specifiek aandacht aan heeft besteed. Met inachtneming daarvan speelde de kwaliteit van de aanvragen de voornaamste rol. Door de commissie is kenbaar gemaakt dat zij zich bij de beoordeling van de aanvragen heeft laten leiden door de in artikel 12 van de verordening vermelde toewijzingscriteria. Zo droeg naar het oordeel van de commissie een aanvraag die niet tot een succesvol afgerond project zou leiden, niet bij aan de continuïteit.
Om die reden is bijvoorbeeld meegewogen of de aanvrager een eigen bijdrage levert. Dat vergroot de kans dat een project uitgevoerd kan worden. Voor het beoordelen van de aanvragen geldt dat uit de stukken blijkt dat de (ontvankelijke) aanvragen eerst zijn ingedeeld per sector. Vervolgens zijn per sector twee personen uit de commissie aan de slag gegaan om een voorselectie te maken. Die voorselectie is besproken in de gehele commissie, waarna een lijst met voorlopige toe- en afwijzingen volgde. Deze lijst is gelegd langs de te behalen doelen en is beoordeeld op de hiervoor bedoelde evenredige spreiding, waarna besloten is sommige aanvragen meer en andere minder subsidie toe te kennen. Op die manier is per aanvraag het definitieve advies tot stand gekomen. Commissieleden die betrokken waren bij een aanvrager, hebben zich daarbij volgens de commissie onthouden van stemming bij alle aanvragen in de betreffende sector waaronder die aanvraag viel.
10
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 11 van 13
Tot slot is nog van belang dat de commissie in het kader van de adviezen heeft geadviseerd budget over te hevelen van de ene naar de andere sector op grond van artikel s, derde lid van de Verordening. In de stukken is aangegeven dat de commissie dit gedaan heeft omdat een deel van het budget binnen een sector na honorering van de meest geschikte aanvragen onbenut bleef. Ook bij het overhevelen heeft de continuiteit van de Joodse gemeenschap voorop gestaan. 7. Overwegingen Bij de beoordeling van de bezwaren van Beth Ha-nnidrasj stelt de bezwaarschriftencommissie het volgende voorop. Het gaat in deze procedure om de toekenning van subsidie. Bij de beslissing aan welke aanvrager subsidie wordt verleend, baseert de raad zich op advies van de Commissie Joodse erfpachttegoeden. Uit artikel 3:9 Awb volgt dat de raad zich er daarbij van dient te vergewissen dat het advies van de commissie op zorgvuldige wijze tot stand gekomen is. De motivering van het advies over de aanvraag en de motivering van de totstandkoming van de rangschikking tussen de aanvragen speelt daarbij een rol (artikel 3:46 Awb). In deze procedure is daarentegen sprake van een bijzondere vorm van subsidie, die maakt dat hier een meer terughoudende invulling van de vergewisplicht van artikel 3:9 Awb op zijn plaats is.
De Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden heeft tot doel om de Amsterdams Joodse gemeenschap collectieve tegemoetkoming te bieden voor de erfpachtgelden die de gemeente tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft geïnd en de boetes die in verband daarmee zijn opgelegd. Vanuit dat doel heeft de raad er op 18 juli 2018 bewust voor gekozen om de verdeling van de tegoeden over te laten aan de Amsterdams Joodse gemeenschap zelf. Het is immers die gemeenschap waarvoor de tegoeden zijn bedoeld, en die zelf ook het beste kan beoordelen waarvoor de tegoeden gebruikt dienen te worden. Bij de beoordeling van de adviezen over de verdeling van de subsidies past daarom een terughoudende opstelling van de raad, die zich vertaalt in een terughoudende toets van het advies van de commissie. Tegen deze achtergrond beperkt de bezwaarschriftencommissie zich in deze procedure tot de vraag of de raad zijn besluit over de subsidieaanvraag, met inbegrip van de daarbij gepaste terughoudendheid, op het advies van de commissie heeft kunnen baseren. De bezwaarschriftencommissie zal daarbij beoordelen of het advies van de commissie op
11
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 12 van 13
hoofdlijnen zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd is, mede in het licht van de bezwaren die Beth Ha-nnidrasj daarover naar voren brengt. De motivering van het bestreden besluit Beth Ha-midrasj heeft een subsidie aangevraagd van €25o.000,00 voor het onderhoud aan een monumentaal pand op het perceel Rapenburgstraat log te Amsterdam. Uit hoofdstuk 2 van dit advies volgt dat de Commissie Joodse erfpachttegoeden deze aanvraag heeft moeten beoordelen op basis van een aantal criteria. Het gaat dan onder andere om de mate waarin een activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap (artikel 12, aanhef en onder a), het bereik van de activiteit gerelateerd aan de daaraan verbonden kosten (artikel 12, aanhef en onder d) en de mate waarin sprake is van medefinanciering door de aanvrager
zelf of derden (artikel 12, aanhef en onder f). Op basis van deze criteria heeft de commissie de aanvraag van Beth Ha-midrasj als volgt beoordeeld: "Over uw aanvraag, voor onderhoud van het monument aan de Rapenburgstraat, is de commissie van mening dat deze niet met name is gericht op de continuïteit van de Joodse gemeenschap van Amsterdam. Dat de locatie van het monument Amsterdam betreft, acht de commissie hiervoor niet voldoende. Bovendien heeft de commissie twijfels aan de behoefte aan en haalbaarheid van het plan. Dit in aanmerking genomen acht de commissie het met het project gemoeide bedrag te hoog in verhouding tot het bereik en de bijdrage aan de continuiteit van de Joodse gemeenschap, om het aangevraagde bedrag toe te kennen." In het verweerschrift en tijdens de hoorzitting is namens de raad verder toegelicht dat het project van Beth Ha-midrasj volgens de commissie niet met name is gericht op de Amsterdamse gemeenschap, maar op een veel breder publiek en dat het zich onvoldoende onderscheid van de vele andere gebouwen in Amsterdam die ooit een functie hebben gehad in Joods Amsterdam. Daarom levert renovatie van het pand slechts een beperkte bijdrage aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap, terwijl de kosten van het project hoog zijn.
Daarom is aan andere projecten subsidie verleend, die met verlening van subsidie een meer substantiële bijdrage leveren aan de continuiteit van de Joodse gemeenschap in Amsterdam. Deze motivering komt de bezwaarschriftencommissie begrijpelijk en navolgbaar voor. Beth Ha-midrasj breng hier in deze procedure tegenin dat haar aanvraag naar haar mening wel een
12
Verslag (vervolg)
Gemeente Amsterdam
Pagina 13 van 13
belangrijke bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse Amsterdamse gemeenschap en ook verder een kwalitatief goede aanvraag is. Die overtuiging is begrijpelijk, maar dat is onvoldoende om tot de conclusie gekomen dat de beoordeling van de subsidieaanvraag niet zorgvuldig tot stand gekomen is of niet deugdelijk gemotiveerd. Het is inherent aan het karakter van een tenderprocedure dat slechts enkele aanvragen in aanmerking komen voor subsidie en andere, ook goede aanvragen, niet. Naar de mening van de bezwaarschriftencommissie is hier deugdelijk gemotiveerd waarom aan Beth Ha-midrasj geen subsidie is verleend. Dit betekent dat de raad het advies van de commissie heeft kunnen overnemen en het besluit van 12 december 2019 heeft kunnen nemen. Het bezwaar is daarom ongegrond.
8. Conclusie en advies De bezwaarschriftencommissie adviseert de raad om het bezwaar van Beth Ha-midrasj ongegrond te verklaren en het besluit van 12 december 2019 in stand te laten. Dit maakt dat er ook geen grond is voor een vergoeding voor de kosten van het bezwaar ex artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht.
Amsterdam, 19 januari 2021 De bezwaarschriftencommissie,
Jennifer B oemberg-Issa
Hidde Nota,
Voorzitter
Secretaris
13