05. BP E-buurt Oost Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan E-Buurt Oost
Vastgesteld
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan E-buurt Oost
Colofon
Opdrachtgever Opdrachtnemer
Ruimte en Duurzaamheid
IMRO_idn
NL.IMRO.0363.T1802BPSTD-VG01
Datum print
9 Februari 2021
Planstatus
vastgesteld
blz. 3
Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting
5
Bijlage 1
Bezonning nieuwe situatie
7
Bijlage 2
Bezonning vergelijking
35
Bijlage 3
Windhinderonderzoek
63
Bijlage 4
Verkeersonderzoek
83
Bijlage 5
Advies Brandweer
133
Bijlage 6
Aanmeldingsnotitie Mer
137
Bijlage 7
Akoestisch onderzoek
147
Bijlage 8
Bodemonderzoek
287
Bijlage 9
Magneetveldberekening
297
Bijlage 10
Magnetisch veldzone
319
Bijlage 11
Advies GGD
321
Bijlage 12
Geohydrologisch onderzoek
325
Bijlage 13
Archeologisch onderzoek
369
Bijlage 14
Ecologisch onderzoek 1
399
Bijlage 15
Ecologisch onderzoek 2
443
Bijlage 16
Nader onderzoek 1
455
Bijlage 17
Nader onderzoek 2, boomholten en nesten
467
Bijlage 18
Stikstofdepositieonderzoek
475
Bijlage 19
Toelichting als PDF
541
Gemeente Amsterdam
blz. 4
bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 5
Bijlagen bij de toelichting
Gemeente Amsterdam
blz. 6
bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 7
Bijlage 1
Bezonning nieuwe situatie
Gemeente Amsterdam
Bezonningsstudie E-Buurt Oost (nieuwe situatie) 14 november 2018
In opdracht van de gemeente Amsterdam opgesteld door:
Inleiding In deze bezonningsstudie zijn de effecten in kaart gebracht van de bouw van nieuwe woningen in het deelgebied “E-buurt Oost”. Basis voor deze bezonningsstudie is de voorgenomen bouw van woningen conform het “Stedenbouwkundig Plan E-buurt Oost” (concept september 2018), hierna te noemen “SP”. Op onderstaande afbeelding is de ligging van de blokken weergegeven.
Op de afbeeldingen op de navolgende bladzijden zijn de bezonningsdiagrammen weergegeven voor de maatgevende datum 21 maart / 21 september, als ook voor de data 21 juni en 21 december.
Bezonningsstudie E-Buurt
Index 21 Maart/September 08:00 10:00 12:00 14:00 16:00 18:00 21 Juni 08:00 10:00 12:00 14:00 16:00 18:00 20:00
……….……….……….……………………………..………. pagina 13
21 December 10:00 12:00 14:00 16:00 Conclusie
……….……….……….……….………. pagina 5
……….……….……….……………………………. pagina 21
……….……….……….…………………….……………. pagina 27
Pagina 3
Bezonningsstudie E-Buurt
Pagina 4
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Maart/September
Pagina 5
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 Maart 08:00 uur
Pagina 6
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 Maart 10:00 uur
Pagina 7
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 Maart 12:00 uur
Pagina 8
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 Maart 14:00 uur
Pagina 9
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 Maart 16:00 uur
Pagina 10
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 Maart 18:00 uur
Pagina 11
Bezonningsstudie E-Buurt
Pagina 12
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Juni
Pagina 13
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 Juni 08:00 uur
Pagina 14
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 Juni 10:00 uur
Pagina 15
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 Juni 12:00 uur
Pagina 16
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 Juni 14:00 uur
Pagina 17
Bezonningsstudie E-Buurt
Bestaand - bovenaanzicht
vogelvlucht
21 Juni 16:00 uur
Pagina 18
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 Juni 18:00 uur
Pagina 19
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 Juni 20:00 uur
Pagina 20
Bezonningsstudie E-Buurt
21 December
Pagina 21
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 December 10:00 uur
Pagina 22
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 December 12:00 uur
Pagina 23
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 December 14:00 uur
Pagina 24
Bezonningsstudie E-Buurt
bovenaanzicht
vogelvlucht
21 December 16:00 uur - Nieuw -
Pagina 25
Bezonningsstudie E-Buurt
Pagina 26
Conclusie In deze bezonningsstudie is onderzocht wat het effect is van de bouw van nieuwe woningen in de Ebuurt Oost. In de huidige situatie is het terrein onbebouwd, op een enkel éénlaags gebouw na. Op basis van de bezonningsdiagrammen kan worden vastgesteld dat de hoogbouw van 60 meter in het noordelijke deel logischerwijs de grootste schaduw geeft. Deze zorgt op de maatgevende data (21 maart / 21 september) alleen in de ochtenduren voor een beperkte hoeveelheid schaduw op de bestaande bedrijfspanden ten noorden van de Daalwijkdreef. De hoogbouw (toren 1, 2 en 3) geeft geen schaduw op de bestaande woningen ten zuiden van de Daalwijkdreef (straat Eensgevonden). Op de overige tijdstippen van de dag geven de nieuwe woningen hooguit schaduw op andere nog te ontwikkelen woningen van de E-buurt Oost, en niet op al bestaande woningen. Bovendien zijn door de gekozen stedenbouwkundige opzet, met hoge bouwblokken aan de oostzijde, de effecten van de hogere gebouwen op de lage eengezinswoningen van de blokken E, F en G beperkt. Geconcludeerd kan worden dat door de gekozen stedenbouwkundige opzet de effecten op de bezonning van bestaande omliggende gebouwen en de nieuw te bouwen laagbouwwoningen van Ebuurt Oost beperkt zijn. De bebouwing is daarmee uit oogpunt van bezonning ruimtelijk inpasbaar.
blz. 35
Bijlage 2
Bezonning vergelijking
Gemeente Amsterdam
Bezonningsstudie E-Buurt Oost (vergelijk) 14 november 2018
In opdracht van de gemeente Amsterdam opgesteld door:
Inleiding In deze bezonningsstudie zijn de effecten in kaart gebracht van de bouw van nieuwe woningen in het deelgebied “E-buurt Oost”. Basis voor deze bezonningsstudie is de voorgenomen bouw van woningen conform het “Stedenbouwkundig Plan E-buurt Oost” (concept september 2018), hierna te noemen “SP”. Op grond van het geldende bestemmingsplan “De Nieuwe Bijlmer” is in de E-buurt Oost al bebouwing toegestaan (weliswaar na vaststelling van een Uitwerkingsplan) tot een hoogte van 18 meter. Daarom is voor de “bestaande situatie” uitgegaan van de stedenbouwkundige opzet conform het SP, maar dan met de maximale bouwhoogte uit het bestemmingsplan (18 meter). Als “nieuwe situatie” is bebouwingsopzet van Blok A, Blok B, Blok C en Blok D weergegeven conform SP, maar dan met de voorgenomen bouwhoogte zijnde a. Blok A: 26 meter b. Blok B: 26 meter c. Blok C: 26 meter d. Blok D: 32 meter Op deze wijze is inzichtelijk wat het effect is van het toestaan van de grotere bouwhoogte van de blokken A t/m D t.o.v. de toegestane bouwhoogte van het bestemmingsplan. Op onderstaande afbeelding is de ligging van de blokken weergegeven.
Op de afbeeldingen op de navolgende bladzijden zijn de bezonningsdiagrammen weergegeven voor de maatgevende datum 21 maart / 21 september, als ook voor de data 21 juni en 21 december.
Bezonningsstudie E-Buurt
Index 21 Maart/September 08:00 10:00 12:00 14:00 16:00 18:00 21 Juni 08:00 10:00 12:00 14:00 16:00 18:00 20:00
……….……….……….……………………………..………. pagina 13
21 December 10:00 12:00 14:00 16:00 Conclusie
……….……….……….……….………. pagina 5
……….……….……….……………………………. pagina 21
……….……….……….…………………….……………. pagina 27
Pagina 3
Bezonningsstudie E-Buurt
Pagina 4
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Maart/September
Pagina 5
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Maart 08:00 uur - Bestaand
21 Maart 08:00 uur - Nieuw
Pagina 6
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Maart 10:00 uur - Bestaand
21 Maart 10:00 uur - Nieuw
Pagina 7
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Maart 12:00 uur - Bestaand
21 Maart 12:00 uur - Nieuw
Pagina 8
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Maart 14:00 uur - Bestaand
21 Maart 14:00 uur - Nieuw
Pagina 9
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Maart 16:00 uur - Bestaand
21 Maart 16:00 uur - Nieuw
Pagina 10
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Maart 18:00 uur - Bestaand
21 Maart 18:00 uur - Nieuw
Pagina 11
Bezonningsstudie E-Buurt
Pagina 12
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Juni
Pagina 13
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Juni 08:00 uur - Bestaand
21 Juni 08:00 uur - Nieuw
Pagina 14
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Juni 10:00 uur - Bestaand
21 Juni 10:00 uur - Nieuw
Pagina 15
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Juni 12:00 uur - Bestaand
21 Juni 12:00 uur - Nieuw
Pagina 16
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Juni 14:00 uur - Bestaand
21 Juni 14:00 uur - Nieuw
Pagina 17
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Juni 16:00 uur - Bestaand
21 Juni 16:00 uur - Nieuw
Pagina 18
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Juni 18:00 uur - Bestaand
21 Juni 18:00 uur - Nieuw
Pagina 19
Bezonningsstudie E-Buurt
21 Juni 20:00 uur - Bestaand
21 Juni 20:00 uur - Nieuw
Pagina 20
Bezonningsstudie E-Buurt
21 December
Pagina 21
Bezonningsstudie E-Buurt
21 December 10:00 uur - Bestaand
21 December 10:00 uur - Nieuw
Pagina 22
Bezonningsstudie E-Buurt
21 December 12:00 uur - Bestaand
21 December 12:00 uur - Nieuw
Pagina 23
Bezonningsstudie E-Buurt
21 December 14:00 uur - Bestaand
21 December 14:00 uur - Nieuw
Pagina 24
Bezonningsstudie E-Buurt
21 December 16:00 uur - Bestaand
21 December 16:00 uur - Nieuw
Pagina 25
Bezonningsstudie E-Buurt
Pagina 26
Conclusie In deze bezonningsstudie is onderzocht wat het effect is van het vergroten van de bouwhoogte van de blokken A t/m D (26-32 meter) ten opzichte van wat op basis van het geldende bestemmingsplan is toegestaan. Op basis van de bezonningsdiagrammen kan worden vastgesteld dat de grotere hoogte op de maatgevende data (21 maart / 21 september) alleen in de vroege ochtend tot iets meer schaduw op de meest oostelijk gelegen woningen van blok F leidt. Voor het overige heeft de grotere bouwhoogte geen effect op de bezonning van bestaande omliggende gebouwen. De grotere bouwhoogte is daarmee voor wat betreft het aspect bezonning inpasbaar.
blz. 63
Bijlage 3
Windhinderonderzoek
Gemeente Amsterdam
Gatwickstraat 11 1043 GL AMSTERDAM T +31 (0)88-5152505 E info@cauberghuygen.nl www.cauberghuygen.nl K.v.K 58792562 IBAN NL71 RABO 0112 075584
Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
Datum Referentie
25 januari 2019 04745-45264-02
Referentie Rapporttitel
04745-45264-02 Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
Datum
25 januari 2019
Opdrachtgever
Gemeente Amsterdam Anton de Komplein 150 1102 CW AMSTERDAM Mevrouw M. Romans
Contactpersoon
Behandeld door
Mevrouw ir. L. Apon Mevrouw ir. A. Doudart de la Grée Cauberg Huygen B.V. Gatwickstraat 11 1043 GL AMSTERDAM Telefoon 088-5152505
Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
047545-45264 25 januari 2019 Pagina 1
Inhoudsopgave 1
Inleiding
3
2
Situatie en plan omschrijving
4
2.1 2.2
Wijdere omgeving Bouwplan
4 5
3
Toetsingskader en NEN 8100
7
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
Beleid, wet- en regelgeving Beslismodel NEN 8100 Toelichting op theoretisch onderzoek Beoordeling windklimaat conform NEN 8100 Windstatistiek op de locatie Theorie: windeffecten rondom hogere gebouwen
7 7 8 9 10 11
4
Beoordeling windklimaat op maaiveld
12
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
Activiteiten en ambities Indicatieve prognose van het te verwachten windklimaat Algemeen Het plein en de voetgangersroute langs het plein Groenstroken aan weerszijde van de torens Dak van de plint Talud langs de Daalwijkdreef en Elsrijkdreef Invloed van geluidscherm op het windklimaat
12 13 13 14 14 15 15 16
5
Samenvatting
17
Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
04745-45264-02 25 januari 2019 Pagina 2
1
Inleiding
In opdracht van Gemeente Amsterdam is door Cauberg Huygen een theoretische beschouwing van het windklimaat voor de twee woontorens uit het plan ‘E-buurt Oost’ te Amsterdam opgesteld.
Figuur 1.1a: Gebouwmodel torens
Figuur 1.1b: Gebied E-buurt
Figuur 1.1 laat zien dat de twee woontorens, op een gezamenlijke plint, aan de noordzijde van het nieuw te ontwikkelen gebied E-buurt in Amsterdam Zuidoost staan. Om een eerste inzicht te krijgen in het windklimaat ter plaatse is een theoretisch onderzoek uitgevoerd. Bij een theoretisch onderzoek wordt een indicatieve prognose gegeven van het te verwachten windklimaat, op grond van de opgebouwde expertise bij het bureau, waarbij ook gebruik wordt gemaakt van kengetallen uit het literatuuronderzoek. Het windklimaat in het plangebied wordt echter bepaald door zeer veel (moeilijk voorspelbare) factoren. Een theoretisch onderzoek kan daarom, per definitie, niet een even nauwkeurig beeld geven als een CFD- of windtunnelonderzoek conform de NEN 8100. In dit rapport worden aandachtspunten gegeven voor de verdere uitwerking en nader windonderzoek van het plangebied. Bij dit onderzoek is gebruik gemaakt van: - Tekeningen/bestanden “Stedenbouwkundig plan E-buurt Oost 09 28.pdf”, “E-oost DGN t.b.v. onderzoek extern 3 dgn”, ontvangen van de gemeente Amsterdam op 1 en 3 oktober 2018. - Bestand met informatie over akoestische schermen “aanvullende berekeningen schermvariant.doc”, ontvangen van de gemeente Amsterdam op 18 september 2018. - Satelliet- en luchtfoto’s van GoogleMaps (www.maps.google.nl) voor gegevens betreffende de stedenbouwkundige situatie. - NEN 8100:2006 en NPR 6097:2006.
Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
047545-45264 25 januari 2019 Pagina 3
2
Situatie en plan omschrijving
2.1
Wijdere omgeving
Het plan is gelegen in Amsterdam-Zuidoost, nabij het metrostation Verrijn Stuartweg. Onderstaande figuur 2.1 geeft de ligging van de torens weer.
Figuur 2.1:
Wijdere omgeving van het plan
Ten noorden en ten oosten van de torens liggen brede wegen: de Daalwijkdreef en de Elsrijkdreef. Ten noorden en aan de overzijde van de Daalwijkdreef wordt momenteel Holland Park gerealiseerd met blokken van circa 20 m hoog en torens met bouwhoogtes tot circa 45 m. Ten oosten, aan de overzijde van de Elsrijkdreef ligt een meer open gebied met lage bedrijfs- en industriegebouwen, woonwijken en het Strandvlietpark. Ver daar achter ligt een open gebied (weilanden, polder en park) richting Diemen. Wind uit deze richting kan vrij op de torens aan stromen.
Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
047545-45264 25 januari 2019 Pagina 4
Ten zuiden van de torens ligt de rest van de nieuw te ontwikkelen E-buurt. Aan de westzijde, langs de Elsrijkdreef zijn een aantal wat hogere bouwblokken (6 tot 10 bouwlagen, circa 20 tot 30 meter hoog) gepland. De rest van het gebied wordt gevuld met lagere woningbouw van circa 15 tot 20 m hoogte (voornamelijk eengezinswoningen, maisonnettes en dergelijke). Ten zuiden van deze lage bebouwing staan de flats Gravestein en Geldershoofd, twee klassieke Bijlmerflats in honingraatstructuur en circa 35 m hoogte. De E-buurt ligt aan de zuid en westzijde verder omsloten door woonwijken met overwegend laagbouw.
Figuur 2.2:
2.2
Stedenbouwkundig plan E-buurt
Bouwplan
Basisplan Deze theoretische windstudie richt zich op de twee torens aan de noordzijde van de nieuw te ontwikkelen E-buurt. De westelijke toren (toren 1) is circa 60 m hoog, de oostelijke toren is 40 m hoog. De torens staan op een gezamenlijke plint van 5 m hoog. Aan het plein is, voor beide torens, de afstand tussen de gevel van de plint en de gevel van de toren circa 7 meter.
Figuur 2.3:
Doorsnedes over Toren 1 (links) en Toren 2 (rechts)
In de plint zal aan de noord- en oostzijde geparkeerd worden. Langs het plein zullen commerciële ruimtes, voorzieningen en de entrees van de woontorens gesitueerd worden. Uit de figuren blijkt dat de beide torens mogelijk voorzien worden van een beperkt aantal sprongen (verjongingen) in het volume.
Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
047545-45264 25 januari 2019 Pagina 5
Plan met geluidscherm Het plan ondervindt een hoge geluidbelasting door geluid afkomstig van de metro. In dit kader is door bureau Tauw voorgesteld een geluidscherm tussen beide torens toe te passen. Dit scherm heeft dezelfde de hoogte van de bebouwing nodig om op de bovenste verdiepingen voldoende invloed te hebben (circa 60 meter, toren 1). Het scherm heeft voldoende breedte nodig om voldoende afscherming te realiseren voor het verder naar achter gelegen gevel. In figuur 2.4 is de positie van het scherm weergegeven.
Figuur 2.4:
Geluidscherm in akoestisch model (links) en in stedebouwkundig model (schem in blauw)
Directe omgeving bouwplan
Figuur 2.5:
Openbare ruimte rondom de torens
Rondom de toren zijn verschillende gebieden te onderscheiden, zie ook figuur 2.5: - Het plein in de ‘oksel’ aan de zuidwest-zijde van het gebouw is gekoppeld aan de voorzieningen en functies die zich in de plint van het bouwblok gaan vestigen. Op het plein worden groenvakken met lage beplanting gerealiseerd. Het plein is bestemd voor verblijven en ontmoeten en ook de hoofdentrees van de torens liggen aan dit plein. Daarom is een goed windklimaat gewenst. - Rondom de torens worden stroken met een groen karakter gerealiseerd. Deze groenstroken zijn een voortzetting van de wijk ‘groene banen’ die het stedenbouwkundige plan opgenomen zijn en zullen uitgevoerd worden als natuurweides, met plekken voor recreatie. Op deze plekken is eveneens een goed windklimaat gewenst. - Het dak van de plint zal uitgevoerd worden als daktuin. Deze daktuin is niet primair bestemd voor verblijven (geen dakterras) en hier worden derhalve geen (hoge) eisen aan het windklimaat gesteld. - Aan de noord- en oostzijde van het bouwplan (langs de Daalwijk- en Elswijkdreef) liggen taluds met een groen karakter. Langs deze dreven zijn echter geen langzaam verkeersroutes voorzien. Er worden geen (hoge) eisen aan het windklimaat gesteld. Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
047545-45264 25 januari 2019 Pagina 6
3
Toetsingskader en NEN 8100
3.1
Beleid, wet- en regelgeving
In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. De grondslag voor de beoordeling van het aspect windhinder vindt zijn grondslag in art. 3.1 Wro (Wet ruimtelijke ordening), die zorgt voor een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar en deze te betrekken in de beoordeling noodzakelijk. In 2006 is de NEN 8100 ‘Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving’ uitgebracht. Deze norm geeft richtlijnen (methodes) voor het uitvoeren van windtunnel- en CFD onderzoek. Daarnaast wordt een beoordelingsmethodiek van windhinder en windgevaar beschreven. Hierbij wordt gewerkt met uurgemiddeldewindsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) een beoordeling van het windklimaat gegeven (slecht, matig, goed). Daarnaast is een toetsingskader ten aanzien van windgevaar uitgewerkt. De NEN 8100 is een privaatrechtelijke norm en niet aangewezen in het Bouwbesluit of andere wetgeving.
In Nederland is de NEN 8100 sinds het verschijnen in 2006 de meest gebruikte norm voor het onderzoeken en beoordelen van het windklimaat. Derhalve is deze norm ook bij deze theoretische beoordeling als leidraad gehanteerd. 3.2
Beslismodel NEN 8100
In de norm NEN 8100 is een beslismodel opgezet (zie tabel 3.1) om de noodzaak en vervolgens de wijze van toetsing van een plangebied in te schatten. Uit dit beslismodel volgt dat de noodzaak van toetsing bepaald wordt door de ligging van het plangebied (beschut of onbeschut) en de hoogte van het plangebied. Tabel 3.1: Ligging*
Beslismodel NEN 8100 Bouwhoogtes
Noodzaak van toetsing
[m] Beschut
≤ 15
Beschut
15 tot 30
Onbeschut
≤ 30
Voor beschut liggende gebouwen tot een hoogte van 15 m is geen nader onderzoek noodzakelijk De hulp van een windhinderdeskundige noodzakelijk om te beoordelen of er wel of niet CFD- of windtunnelonderzoek noodzakelijk is:
Beschut of onbeschut
> 30
-
voor beschut liggende gebouwen met een hoogte van 15 tot 30 meter;
-
voor onbeschut liggende gebouwen tot een hoogte van 30 m.
Voor gebouwen met een hoogte vanaf 30 meter is nader onderzoek met CFD of windtunnel noodzakelijk.
* Beschutte ligging: Een bouwwerk en de directe omgeving liggen, conform NEN 8100, beschut wanneer op loop of verblijfsniveau bij alle windsectoren aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan: -
Het oppervlak dat obstakels als boomkruinen en gebouwen beslaan, bedraagt 20% of meer van het totale oppervlak binnen een straal van 300 m.
-
Het bouwwerk steekt niet meer dan 50% uit boven de gemiddelde hoogte h van de obstakels binnen een straal van 300 m.
Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
047545-45264 25 januari 2019 Pagina 7
In hoofdstuk 2 is een toelichting gegeven op de ligging en de bouwhoogtes van het bouwplan. Het bouwplan bestaat uit twee torens van 40 m en 60 m. Beide torens zijn hoger is dan 30 m. De bouwplannen worden ontwikkeld binnen het stedelijke gebied. Het overgrote deel van de omliggende bebouwing, met name aan de (maatgevende) zuid- en westzijde, is overwegend circa 15 m hoog. Alleen ten noorden van het bouwplan, in Holland park is bebouwing met grotere hoogte aanwezig. Op basis van het beslismodel uit de NEN 8100 volgt het advies een CFD- of windtunnelonderzoek voor de torens uit te voeren. Met een CFD- of windtunnelonderzoek kan het windklimaat nauwkeurig beoordeeld worden en tevens kan het effect van voorzieningen ter verbetering van het windklimaat (luifels, schermen, groenvoorzieningen) onderzocht worden. 3.3
Toelichting op theoretisch onderzoek
Op dit moment in het proces is het wenselijk een eerste, oriënterend inzicht te krijgen in het windklimaat ter plaatse en kennis te nemen van mogelijke knelpunten of risico’s. Een CFD- of windtunnelonderzoek is weliswaar nauwkeurig en betrouwbaar, maar kent ook een lange doorlooptijd en hogere kosten. Om dit eerste inzicht te verkrijgen is daarom vooruitlopend op CFD- of windtunnelonderzoek het voorliggende theoretische onderzoek (“quickscan”) uitgevoerd. Een theoretische beschouwing is een eerste beoordeling van het plan door een windhinderdeskundige, waarbij op basis van bureauexpertise en kentallen uit de literatuur een globale, eerste voorspelling van het windklimaat in een plangebied gegeven wordt. Mogelijke aandachtspunten worden vroegtijdig gesignaleerd, zodat bij de verdere uitwerking hier rekening mee gehouden kan worden. Het windklimaat in het plangebied wordt echter bepaald door zeer veel (moeilijk voorspelbare) factoren. Een theoretisch onderzoek kan daarom, per definitie, niet een even nauwkeurig beeld geven als een CFD- of windtunnelonderzoek conform de NEN 8100. De in een theoretisch onderzoek voorspelde windhinderklasse kunnen tot circa één klasse afwijken van metingen in de windtunnel of simulaties met CFD.
Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
047545-45264 25 januari 2019 Pagina 8
3.4
Beoordeling windklimaat conform NEN 8100
De NEN 8100 geeft beoordelingssystematiek voor het windklimaat. Hierbij wordt gebruik gemaakt van windhinderklassen, die aangeven hoe goed of slecht het windklimaat is. Er wordt onderscheid gemaakt tussen hinder (= ‘comfort’) en gevaar ten gevolge van wind. Windhinder In de NEN 8100 is ‘windhinder’ gedefinieerd als ‘het ondervinden van hinder ten gevolge van wind’. Hierbij valt te denken aan wapperende kleding, verwaaide haren, gehinderd worden bij het lezen van een krant of gehinderd worden bij het lopen. Het ervaren van windhinder is afhankelijk van de activiteit die men op dat moment onderneemt, waarbij de kans dat bij een willekeurige snelheid windhinder ervaren wordt groter is bij stil zitten dan bij stevig doorlopen. Het criterium voor de beoordeling van windhinder is daarom als volgt opgebouwd: 1.
Een drempelsnelheid en overschrijding van de drempelsnelheid De drempelsnelheid voor het beoordelen van windhinder is 5 m/s. Het blijkt dat bij windsnelheden boven circa 5 m/s mechanische effecten een rol gaan spelen: het haar verwaait, kleding en paraplu’s worden door de wind bewogen. Hoe vaker de drempelsnelheid van 5 m/s overschreden wordt, hoe slechter het windklimaat ervaren zal worden.
2.
Kwaliteitsklasse Aan de overschrijdingskans dat de drempelsnelheid van 5 m/s overschreden wordt, zijn de kwaliteitsklassen A tot en met E gekoppeld. Klasse A staat voor de hoogste comfortklasse en klasse E voor het laagste kwaliteitsniveau.
3.
Activiteiten en de windhindergevoeligheid van de activiteit Ook wordt er bij de beoordeling ten aanzien van windhinder rekening mee gehouden dat de gevoeligheid van personen voor windhinder afhankelijk is van de activiteit die men op een zeker moment onderneemt. Er worden bij de beoordeling van windhinder drie ‘activiteiten’ onderscheiden: - Doorlopen
Niet / nauwelijks windhinder gevoelig, bijvoorbeeld: parkeerterrein, trottoir.
- Slenteren
Wel windhinder gevoelig, bijvoorbeeld: entrées, park, winkelstraat.
- Langdurig zitten
Meest windhinder gevoelig, bijvoorbeeld: terras, bankje in park, balkon.
Afhankelijk van de activiteit wordt aangegeven of het lokale windklimaat, bij een bepaalde overschrijding van de drempelsnelheid (= kwaliteitsklasse) als goed, matig of slecht voor de activiteit beoordeeld moet worden, zoals aangegeven in tabel 3.2.
In onderstaande tabel is de beoordeling van windhinder / windcomfort samengevat: Tabel 3.2:
Criteria voor windhinder
Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
047545-45264 25 januari 2019 Pagina 9
Windgevaar In de NEN 8100 is ‘windgevaar’ gedefinieerd als ‘het optreden van een zodanige windsnelheid dat bij personen in ernstige mate problemen (evenwichtsverlies) optreden bij het lopen’. Naar analogie voor de beoordeling van windhinder wordt het criterium ter beoordeling van windgevaar opgebouwd. Hierbij wordt een drempelsnelheid van 15 m/s (uurgemiddelde windsnelheid) aangehouden. Met ‘windgevaar’ worden zodanig hoge windsnelheden bedoeld dat mensen ernstige problemen ondervinden tijdens het lopen, tijdens een windvlaag zouden mensen kunnen vallen. Bij windvlagen neemt de snelheid in korte tijd toe tot ruim 1,5 maal de uurgemiddelde windsnelheid. Ten aanzien van het beoordelen van windgevaar wordt de indeling zoals aangegeven in tabel 3.2 aangehouden. Tabel 3.3:
Criteria voor windgevaar
Een ‘beperkt risico’ is slechts acceptabel bij niet windhinder gevoelig gebruik, te weten de activiteit ‘doorlopen’. Voor de activiteiten slenteren en langdurig zitten is een beperkt risico op gevaar niet acceptabel. Alle situaties met een overschrijdingskans van groter dan 0,30% van de tijd zijn gevaarlijk en behoren te worden vermeden, het publiek mag hier niet aan worden blootgesteld. 3.5
Windstatistiek op de locatie
De aanstromende wind waaraan een gebouw blootgesteld wordt, is mede bepalend voor het windklimaat op loopniveau. Hierbij is de wijdere omgeving waarin een gebouw ligt bepalend voor het karakter van de aanstromende wind. In een stedelijke omgeving is de aanstromende wind anders dan op het platteland: wanneer een plan in een omgeving met veel hoogbouw gerealiseerd wordt, zal het windklimaat anders zijn dan wanneer hetzelfde plan gerealiseerd wordt in een lege polder of een woonwijk met laagbouw. Zoals voorgeschreven in de NEN 8100 is de lokale windstatistiek en de terreinruwheid voor de locatie bepaald volgens de NPR 6097. De Amersfoortse coördinaten (= coördinaten volgens het Rijks-driehoekstelsel) voor het plangebied zijn: X = 126.401 en Y = 482.195. Onderstaand is de windroos over de periode 1963 tot 2002 voor de locatie gegeven. Uit de windstatistiek blijkt dat de windrichting zuidwest (210° en 240°) overheersend is op de locatie. Niet alleen komt de wind het grootste deel van de tijd uit deze sectoren, ook komen de hoogste windsnelheden bij deze windrichtingen voor. Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
Figuur 3.1:
Uurgemiddelde windsnelheid op locatie per sector op 60 m hoogte 047545-45264 25 januari 2019 Pagina 10
3.6
Theorie: windeffecten rondom hogere gebouwen
Aan deze criteria voor de beoordeling van windhinder en windgevaar ligt de optredende windsnelheid ten grondslag. De wind- (of lucht) snelheid op loopniveau wordt in belangrijke mate beïnvloed door de aanwezige gebouwen. Om een eerste begrip en beeld te geven van deze beïnvloeding worden in deze paragraaf toegelicht welke windeffecten optreden rondom een geheel vrijstaand, rechthoekig gebouw. Windklimaat rondom geheel vrijstaand, rechthoekig gebouw Aan de hand van figuur 3.2 wordt voor een eenvoudige situatie (geheel vrijstaand, rechthoekig gebouw) uitgelegd hoe de windsnelheden door het gebouw worden beïnvloed.
Figuur 3.2:
Windgedrag rond een vrijstaand gebouw
1. Op enige hoogte boven de bebouwde omgeving is de ‘ongestoorde’ windsnelheid groter dan op loophoogte, waar de wind ten gevolge van beschutting door gebouwen wordt afgeremd. 2. De aanstromende lucht wordt door het gebouw geblokkeerd. Langs en over het gebouw ontstaan hogere luchtsnelheden, aangezien de totale hoeveelheid aanstromende lucht moet worden afgevoerd. Voor het gebouw ontstaat een stuwpunt. 3. Een deel van de met hogere snelheid aanstromende lucht zal langs de gevel naar beneden stromen en zal juist boven de grond worden afgebogen. Aan de voet van het gebouw zullen wervels met een horizontale as ontstaan. 4. Deze wervels zullen naar de gebouwhoeken bewegen, waar wervels met een verticale as (staande wervels) ontstaan, die regelmatig van het gebouw loslaten, en zich dan van het gebouw af bewegen. In de gebieden met deze ’cornerstreams’ zullen verhoogde windsnelheden met een sterk variërende windrichting optreden. Dit verschijnsel wordt als ‘windhinder’ ervaren. 5. Achter het gebouw ontstaat een gebied waar onderdruk heerst. Ook in dit gebied komen wervels voor, maar de windsnelheden zijn over het algemeen laag. Het is een relatief luw gebied.
In de praktijk zal het windklimaat nooit bepaald worden door één enkel gebouw. In werkelijkheid is de stedenbouwkundige situatie veel complexer en daarmee is de stroming rondom de gebouwen eveneens veel complexer. De hoogtes en volumes van de gebouwen, de positionering van de gebouwen ten opzichte van elkaar en de oriëntatie ten opzichte van de overheersende windrichting bepalen gezamenlijk het windklimaat op loopniveau. Hoe complexer de bouwvolumes en de omgeving waarin een plan ligt, hoe complexer het is om het windklimaat op voorhand te voorspellen. Daarom kan slechts tijdens een CFD of windtunnelonderzoek conform de NEN 8100 een nauwkeurig beeld van het windklimaat gegeven worden.
Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
047545-45264 25 januari 2019 Pagina 11
4
Beoordeling windklimaat op maaiveld
4.1
Activiteiten en ambities
Zoals toegelicht in hoofdstuk 3 hangt de beoordeling of waardering van het windklimaat af van de ‘activiteit’ waarvoor een gebied voor bedoeld is. Voor het voorliggende plan is een eerste aanname gedaan van de activiteiten die op de verschillende plekken in het plangebied zullen plaatsvinden. Tevens is een inschatting gemaakt van het verwachte windklimaat in het plan en is beoordeeld of het windklimaat geschikt is voor de beoogde activiteit. Omdat het plan zich nog in een vroege fase bevindt, kan wanneer een locatie in het plangebied een minder gunstig windklimaat heeft het bouwplan aangepast worden om het windklimaat te verbeteren. Anderzijds kan er ook voor gekozen worden om de inrichting en het gebruik van het plangebied te wijzigen en windgevoelige activiteiten te plaatsen in gebieden waar een goed windklimaat verwacht wordt. Onderstaande tabel 4.1 geeft inzicht in de windklasse die vereist is om bij de verschillende activiteiten het windklimaat als goed te ervaren. Een goed windklimaat zal het ambitieniveau zijn voor het plangebied, waarbij een matig windklimaat geaccepteerd zou kunnen worden. Tabel 4.1:
Gebieden Windhinder
Gebied
Classificatie
Plein*
Gebied voor langdurig zitten
Voetgangersroute langs het plein
Slentergebied
Windgevaar
Minimaal / acceptabel
Overschrijding van
niveau (ondergrens)
het gevaarcriterium
Goed voor langdurig
Matig windklimaat voor
Niet toegestaan
zitten
langdurig zitten
= Klasse A
= Klasse B
Goed voor slenteren
Matig windklimaat voor
= Klasse A of B
slenteren
Ambitieniveau
Groenstroken langs plein
Niet toegestaan
= Klasse C
Entrees van de torens Overige
openbare
ruimte Doorloopgebied
(voor voetgangers)
Goed windklimaat
Matig windklimaat voor
voor doorlopen
doorlopen
schrijding
= Klasse A, B of C
= Klasse D
toegestaan
Beperkte over-
* Mogelijk worden op het plein horeca-terrassen gerealiseerd. Voor een horeca-terras is een windklimaat beter dan klasse A gewenst. Met klasse A is de basis voor een goed horeca-terras aanwezig. Met aanvullende voorzieningen (schermen, parasols en andere straatinrichting of bomen) kan dan vervolgens een voldoende goed windklimaat voor terrassen gerealiseerd worden.
Het verschil tussen klasse A (0 tot 2,5% overschrijding van de drempelsnelheid van 5 m/s) en klasse B (2,5 tot 5% overschrijding van de drempelsnelheid van 5 m/s) is te klein om in een theoretisch onderzoek te kunnen aangeven. Derhalve is enkel klasse B weergegeven als een luw windklimaat verwacht wordt. Voor een nauwkeurige beoordeling van het windklimaat, alsmede om te bepalen of het windklimaat in klasse A of B valt, is nauwkeuriger onderzoek middels CFD of de windtunnel vereist. In de volgende paragrafen wordt een indicatieve prognose gegeven van het te verwachten windklimaat op de verschillende plekken rondom het bouwplan.
Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
047545-45264 25 januari 2019 Pagina 12
4.2
Indicatieve prognose van het te verwachten windklimaat
Onderstaande figuur geeft een indicatieve prognose van het te verwachten windklimaat uitgedrukt in windhinderklassen conform hoofdstuk 3.
Figuur 4.1:
4.3
Verwachtte windklimaat rondom de torens
Algemeen
De twee torens zijn zodanig gepositioneerd dat ze een ‘windvang’ vormen. Bij wind uit de overheersende windrichting zuidzuidwest wordt de wind door de zuidgevel van Toren 1 en de westgevel van Toren 2 geblokkeerd, de wind zal langs de gevels naar beneden stromen. Doordat de plint diep is (circa 7 m tussen gevel toren en dakrand plint) zullend de wervels op de plint opgevangen worden. Er ontstaat aan de zuidwestzijde van de torens een gebied met overdruk. Aan de andere zijde heerst onderdruk en daarom mag verwacht worden dat veel wind zich met grote snelheid over het dak van de plint, tussen de beide torens door zal bewegen. Tussen de torens zal het windklimaat slecht zijn, waarbij bij de hoeken cornerstreams voor een turbulent windklimaat zullen zorgen.
Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
047545-45264 25 januari 2019 Pagina 13
Doordat de torens op een zeer brede plint (7 m diep aan de pleinzijde) staan, zullen al deze effecten op ‘dakniveau’ optreden. Het dak van de plint ‘vangt‘ de van de gevels afstromende wind, de wervels en het slechte windklimaat op. Verwacht mag worden dat het windklimaat op maaiveld goed is. Als vuistregel geldt dat een plint minimaal 5 tot 6 m diep moet zijn om deze effecten op te kunnen vangen. De afstand van 7 m is dus goed gekozen. Wij adviseren deze maat zeker niet smaller te maken, gezien dan de kans bestaat dat de wervels ‘van de plint af rollen’ en op maaiveld terecht komen. Aan de zijkanten van de torens (zuidwest van Toren 1 en zuidoost van Toren 2) is maat tussen de gevel van de hoogbouw en de dakrand van de plint kleiner, circa 3 tot 4 m. Hier zal van de torens afstromende wind wel naar maaiveld af stromen en daar voor een minder gunstig windklimaat zorgen. 4.4
Het plein en de voetgangersroute langs het plein
Naar verwachting zal het windklimaat op het plein overwegend een windklimaat klasse B hebben. Dit is een goed windklimaat voor slenteren en matig windklimaat voor langdurig zitten. Mogelijk is lokaal, in een zone voor de gevels aan het plein het windklimaat plaatselijk iets minder gunstig, naar verwachting tot klasse C, doordat mogelijk een (klein) deel van de afstromende wind zijn weg naar maaiveld nog vindt. Strak langs de gevels zal, mede afhankelijk van de architectonische uitwerking van plint, dak en torens het windklimaat wel in klasse B vallen. Het looppad ligt op grote afstand van de torens, hier wordt, zeker wanneer het gebied ingericht wordt met groen en straatmeubilair een goed windklimaat verwacht. Advies: Verblijfsgebieden met bankjes en speeltuintjes zorgvuldig positioneren. Middels een CFD-onderzoek kan precies en nauwkeurig inzichtelijk gemaakt worden op welke plekken op het plein het windklimaat goed en minder goed is. Hetzelfde geldt voor de entrees van de woontorens, hier is een klasse B gewenst. Verwacht wordt dat vlak langs de gevels klasse B aanwezig zal zijn en plekken gevonden kunnen worden met een voldoende goed windklimaat. Door het toevoegen van straatmeubilair en dicht groen (bomen en plantenbakken) zal het windklimaat op en rond het plein verder verbeteren. Voor een horecaterras is een windklimaat beter dan klasse A gewenst (noodzakelijk).
Om dit windklimaat te realiseren zullen extra maatregelen, zoals parasols of luifels en mogelijk ook wat schermen (of dichte beplantingsstructuren) noodzakelijk zijn. 4.5
Groenstroken aan weerszijde van de torens
Groenstrook aan de zuidwest kant van de Toren 1 (60 m): Als hier boven omschreven is de afstand tussen dakrand van de plint en de opgaande gevel van de hoogbouw relatief kort, te kort om een positief effect te hebben voor het windklimaat op maaiveld. Langs de gevels afstromende wind wordt onvoldoende opgevangen door de plint, zal verder naar maaiveld afstromen en hier voor een ongunstig windklimaat zorgen, met cornerstreams en turbulentie bij de gebouwhoeken. Naar verwachting zal het windklimaat in dit gebied overwegend in windklasse C en D vallen.
Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
047545-45264 25 januari 2019 Pagina 14
Advies: Wij adviseren geen verblijfsgebieden in de groenstrook aan de zuidwest kant van te Toren 1 realiseren. Door de inrichting kan het gebied bij de westhoek van toren 1 ontoegankelijk gemaakt worden (bijvoorbeeld door dichte, niet-uitnodigde beplanting of straatinrichting). Hierdoor wordt geborgd dat het publiek niet blootgesteld wordt aan het slechte windklimaat. Wanneer het gewenst is het windklimaat op deze plek sterk te verbeteren, dan adviseren wij ook aan deze zijde de afstand tussen de dakrand van de plint en de opgaande gevel van de toren te vergroten, tot minimaal 5 á 6 meter. Groenstrook aan de zuidoost kant van de Toren 2 (40 m): In de groenstrook ten zuidoosten van Toren 2, met daarin de inrit van de parkeergarage, wordt overwegend een windklimaat B en C verwacht, wat matig tot goed is voor slenteren. Verwacht mag worden dat het windklimaat nabij de toren wat meer richting klasse C zal schuiven, op grotere afstand mag klasse B verwacht worden. Advies: Verblijfsgebieden met bankjes en speeltuintjes zo ver mogelijk van de gevels van de torens houden. Door met straatmeubilair, beplanting en dicht groen kan het windklimaat lokaal verbeteren. 4.6
Dak van de plint
Zoals aan het begin van dit hoofdstuk toegelicht, moet verwacht worden dat het windklimaat op het dak van de plint en dan met name in het gebied tussen de twee torens is slecht is, klasse D en klasse E: matig tot slecht voor doorlopen. Mogelijk wordt hier het gevaarcriterium ook (beperkt) overschreden. Zo lang het dak geen verblijfsfunctie heeft (buitenruimte, dakterras) kan dit geaccepteerd worden. 4.7
Talud langs de Daalwijkdreef en Elsrijkdreef
Op de taluds langs de Daalwijkdreef en Elsrijkdreef wordt een overwegend windklasse C verwacht, dit is goed voor doorlopen. Enkel bij de gebouwhoeken moet rekening gehouden worden met een (beperkte) verslechtering, mogelijk tot klasse D, matig voor doorlopen.
Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
047545-45264 25 januari 2019 Pagina 15
4.8
Invloed van geluidscherm op het windklimaat
Als toegelicht in paragraaf 2.2 wordt overwogen een geluidscherm tussen beide torens toe te passen. Dit scherm is even hoog als Toren 1 en is in principe niet luchtdoorlaten (niet semipermeabel uitgevoerd met bijvoorbeeld een rooster of lamellen). Onderstaande figuur geeft een prognose van het te verwachten windklimaat met toepassing van geluidsscherm.
Figuur 4.2:
Verwachtte windklimaat rondom de torens met geluidsscherm
Naar verwachting zal het windklimaat met name op het dak van de plint, langs de zuidoostgevel van Toren 1 en de zuidwest gevel van Toren 2, verslechteren. Ook bij de gebouwhoeken (zuidhoeken) zal het windklimaat slechter worden, wat mogelijk zijn weerslag heeft op het windklimaat in de groenstroken aan de zuidwest respectievelijk zuidoosttorens. Op het plein zelf wordt moet eveneens rekening gehouden worden met een verslechtering van het windklimaat. Doordat de wind niet meer tussen de gebouwen weg kan stromen, bestaat de kans dat er meer wind naar het maaiveld, het plein op, gestuwd wordt. Achter het scherm (ten noorden van het scherm) wordt een luw windklimaat verwacht. Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
047545-45264 25 januari 2019 Pagina 16
5
Samenvatting
Teneinde in een vroeg stadium een eerste inzicht te verkrijgen in het windklimaat ter plaatse, is in opdracht van Gemeente Amsterdam, een theoretische beschouwing van het windklimaat rondom de twee torens (60 m en 40 m hoog) die ontworpen worden aan de noordzijde van plangebied ‘E-buurt Oost’ opgesteld. Bij deze theoretische beschouwing is schematisch aangegeven welke windklassen rondom het bouwplan verwacht worden en tevens zijn oplossingsrichtingen voor de gesignaleerde aandachtspunten gegeven. Kort samengevat zijn de bevindingen als volgt: Over het algemeen zal het windklimaat op maaiveld rondom het bouwplan goed voor doorlopen zijn. Op de meeste plekken mag eveneens een goed windklimaat voor slenteren verwacht worden. Het meest kritische windklimaat wordt verwacht op het dak van de plint. Hier moet rekening gehouden worden met klasse D en E (matig tot slecht voor doorlopen) en een (beperkte) overschrijding van het gevaarcriterium. Op het plein valt het windklimaat overwegend in klasse B, goed voor slenteren. Dichterbij de torens bestaat de kans een zone met een beperkte verslechtering van het windklimaat tot klasse C (goed voor doorlopen, matig voor slenteren). In de groene zones ten zuidwesten van Toren 1 en ten zuidoosten van Toren 2 wordt een windklimaat tussen klasse C en D verwacht.
Dit is matig tot goed klimaat voor doorlopen, waarbij het meest ongunstige windklimaat nabij de gebouwhoeken en langs de gevels aanwezig zal zijn. Omdat het windklimaat rondom bouwplan door zeer veel (moeilijk voorspelbare) factoren, kan een theoretisch onderzoek zoals nu uitgevoerd is, per definitie, niet een even nauwkeurig beeld geven als een CFD- of windtunnelonderzoek conform de NEN 8100. Conform het beslismodel uit de NEN 8100 dient voor onbeschut liggende gebouwen hoger dan 30 meter een uitgebreid onderzoek met CFD of in de windtunnel conform de NEN 8100 uitgevoerd te worden. Met een dergelijk onderzoek kan het windklimaat ter plaatse nauwkeurig bepaald worden. Op basis van deze informatie kan de meest geschikte posities voor entrees en verblijfsgebieden bepaald worden. Tevens kunnen ook mogelijke maatregelen ter verbetering van het windklimaat gedetailleerd onderzocht worden. Cauberg Huygen B.V.
Mevrouw ir. L. Apon. Senior Adviseur
Plan 'E-buurt Oost' te Amsterdam: toren 1 en 2; theoretische beschouwing windklimaat
047545-45264 25 januari 2019 Pagina 17
blz. 82
bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 83
Bijlage 4
Verkeersonderzoek
Gemeente Amsterdam
Versie 1.0 10-01-2019
Verkeersonderzoek E-buurt: effecten woningbouw in de E-buurt Oost Uitgangspunten en resultaten berekeningen met VMA 2.0
Team Onderzoek & Kennis Verkeersonderzoek@amsterdam.nl Rapportnummer O-180324
Gemeente Amsterdam
Versie 1.0 10-01-2019
Verkeersonderzoek E-buurt
Inhoud Verkeersonderzoek E-buurt: effecten woningbouw in de E-buurt Oost
1
Inhoud
2
1. Inleiding 1.1. Aanleiding 1.2. Doel 1.3. Resultaat 1.4 Leeswijzer
3 3 3 3 3
2. Uitgangspunten en werkwijze 2.1 Algemeen 2.2 Sociaal economische gegevens 2.3 Netwerken 2.4 Werkwijze kruispuntberekeningen
4 4 6 8 10
3. Resultaten 3.1 Huidige situatie 3.2 Autonome situatie 2030 3.3 Plansituatie 2030
13 13 19 21
4. Conclusies
25
Bijlage 1 Wat is VMA? 1.1 Inleiding 1.2 Achtergrond 1.3 Invoer, berekeningen en output
26 26 26 27
Bijlage 2 Samenvatting ‘Basisgegevens Verkeersprognoses’ 2.1 Inleiding 2.2 Infrastructuur 2.3 Sociaal-economische kenmerken en kostenontwikkeling 2.4 Beleid
28 28 28 29 31
Bijlage 3 Resultaten methode Slop
32
Bijlage 4 Resultaten methode Harders
39
Bijlage 5 Verkeersgegevens t.b.v. milieuberekeningen
45
2
Gemeente Amsterdam
Versie 1.0 10-01-2019
Verkeersonderzoek E-buurt
1. Inleiding 1.1. Aanleiding Sinds 2006 wordt de vroegere hoogbouw in de E-buurt vervangen door laagbouwwoningen. De sloop en realisatie van deze woningen is grotendeels voltooid. Het projectgebied E-Buurt Oost en de rand van het projectgebied Eeftink zijn de laatste nog onbebouwde locaties in de E-Buurt. De gemeente werkt een stedenbouwkundig plan uit voor de E-buurt Oost. Dit plan is een actualisatie van het stedenbouwkundig programma van eisen E-buurt Oost uit 2007. In 2017 is verkeersonderzoek uitgevoerd naar de verkeerseffecten van nieuwe woningen in de E-buurt. Vanuit de buurt zijn er zorgen geuit over de verkeersafwikkeling in de buurt. Inmiddels is het bouwprogramma gewijzigd en is er nieuwe informatie beschikbaar vanuit de verkeerstelling die in juli 2018 is uitgevoerd.
1.2. Doel Het doel van het onderzoek is het inzichtelijk maken of het toekomstige verkeer in voldoende mate kan worden afgewikkeld naar de Daalwijkdreef en Elsrijkdreef, rekening houdend met de bouw van extra woningen in de E-buurt Oost. Daarnaast kunnen de berekende verkeersgegevens dienen als input dienen voor lucht- en geluidsonderzoek.
1.3. Resultaat Het resultaat bestaat uit een verkeerskundig advies op basis van het gemeentelijk verkeersmodel (VMA) en de telling die is uitgevoerd in juli 2018 over de verkeersafwikkeling in het plangebied. Daarnaast kunnen de berekende verkeersgegevens als input dienen voor lucht- en geluidsonderzoek. Het betreft verkeersintensiteiten op relevante wegen voor de huidige situatie en de toekomstige situaties, de verdeling over de verschillende dagdelen, de verdeling tussen de verschillende voertuigcategorieën, de wettelijke snelheden en het type verhardingen.
1.4 Leeswijzer Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 worden de uitgangspunten beschreven en wordt aangegeven op welke wijze deze zijn vertaald naar modelinvoer. In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van de belangrijkste effecten en in hoofdstuk 4 volgen de conclusies.
3
Gemeente Amsterdam
Versie 1.0 10-01-2019
Verkeersonderzoek E-buurt
2. Uitgangspunten en werkwijze In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten voor de verkeersstudie E-buurt toegelicht. Het betreffen uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de verkeersmodelberekeningen.
2.1 Algemeen 2.1.1 Studiegebied De studie richt zich op de E-buurt tussen de Elsrijkdreef, Daalwijkdreef en de Gooiseweg.
Figuur 2.1: ligging van de E-buurt in Amsterdam Zuidoost
In het verkeersmodel is geheel Nederland opgedeeld in deelgebieden. Elk deelgebied bevat kenmerken over de bewoners en werkgelegenheid die van belang zijn voor de berekening van de mobiliteit. De E-buurt is opgedeeld in vijf deelgebieden (in modeltermen “zones”). De E-buurt Oost, waar de nieuwe woningen zijn beoogd, is opgedeeld in twee zones. Zone 969 is ontsloten via de Egeldonk en zone 1137 via de Elsrijkdreef.
4
Gemeente Amsterdam
Versie 1.0 10-01-2019
Verkeersonderzoek E-buurt
Figuur 2.2: zone-indeling E-buurt.
2.1.2 Modelversie, prognosejaren en varianten Er is gebruik gemaakt van het gemeentelijke verkeersmodel VMA, versie 2.0. De achterliggende uitgangspunten zijn vastgelegd in het document “Uitgangspunten Verkeersmodel Amsterdam 2.0” d.d. 4 november 2016 dat op 30 november 2016 door B&W is vastgesteld. In de studie zijn de berekeningen uitgevoerd voor de huidige situatie en 2030 Amsterdam Realistisch. Het ruimtelijkeconomisch scenario “Amsterdam Realistisch” bevat de zo realistisch mogelijk inschattingen van de ruimtelijke ontwikkelingen (bijv. inwoners en werkgelegenheid) en economische ontwikkeling (bijv. stijging welvaart). Om een beeld te krijgen van de verkeerssituatie in en rond de E-buurt zijn drie situaties berekend: 1. Huidige situatie 2018. Deze variant is berekend om de resultaten uit het verkeersmodel te toetsen op basis van de tellingen en om een beeld te schetsen van de huidige verkeersafwikkeling. 2. Autonome situatie 2030. In deze situatie zijn er geen nieuwe woningen in de E-buurt gerealiseerd. In de directe omgeving van de E-buurt zijn de geplande ontwikkelingen zoals Holland Park wel meegenomen. 3. Plansituatie 2030. In deze situatie wordt er wel uitgegaan van nieuwe woningen in de Ebuurt. Door de plansituatie te vergelijken met de autonome situatie 2030 kan inzichtelijk worden gemaakt wat het effect is van de nieuwe woningen op de verkeerssituatie.
5
Gemeente Amsterdam
Versie 1.0 10-01-2019
Verkeersonderzoek E-buurt
2.2 Sociaal economische gegevens De sociaal economische gegevens, afgekort seg, beschrijven de sociaal economische kenmerken van een gebied. Het gaat dan bijvoorbeeld om het aantal inwoners, huishoudens en werkgelegenheid en de aanwezigheid van onderwijsinstellingen. Ook de demografische kenmerken die van invloed zijn op mobiliteit worden meegenomen, zoals de leeftijdsopbouw en het gemiddelde besteedbare inkomen per huishouden.
2.2.1 Huidige situatie De sociaal economische gegevens in de huidige situatie zijn gebaseerd op de bronnen van Onderzoek, Informatie en Statistiek (OIS) van de gemeente Amsterdam. De E-buurt heeft 900 huishoudens in de huidige situatie. De gemiddelde huishoudensgrootte is 2,3 leden per huishouden. In de E-buurt West is de gemiddelde huishoudensgrootte lager vanwege de studentenflat Echtenstein waar meerdere studenten per appartement wonen. In de rest van de Ebuurt is de gemiddelde huishoudensgrootte circa 2,9 leden per huishouden. De E-buurt is in de huidige situatie een relatief jonge wijk. Circa 24% van de bewoners in de E-buurt is jonger dan 15 jaar. In Zuidoost is dat gemiddeld 17% en in geheel Amsterdam 15%. In de E-buurt West zijn drie basisscholen gelegen: de Polsstok, Al Soeffah en de Bijlmerhorst. In totaal hebben deze scholen 848 leerlingen1. Op dezelfde locatie is ook een kinderdagverblijf gevestigd met in totaal 92 kindplaatsen2.
Figuur 2.3: aantal huishoudens en inwoners per deelgebied in de E-buurt. 1 2
Bron: Schoolwijzer Amsterdam Bron: Landelijk register kindopvang
6
Gemeente Amsterdam
Versie 1.0 10-01-2019
Verkeersonderzoek E-buurt
Zone
Huishoudens
Inwoners
964
410
653
965
230
682
968
235
697
969
25
74
1137
0
0
Totaal
900
2105
Tabel 2.1: aantal huishoudens en inwoners per zone in de huidige situatie
2.2.2 Autonome situatie 2030 In de autonome situatie 2030 is als uitgangspunt gehanteerd dat er 80 sociale huurwoningen zijn gerealiseerd in de E-buurt West (zone 964). In de rest van de E-buurt is het aantal huishoudens en inwoners gelijk verondersteld aan de huidige situatie. Naar waarschijnlijkheid zal de demografische samenstelling van de buurt wijzigingen. In de eerste plaats natuurlijk omdat mensen ouder worden, maar ook door verhuisbewegingen en wijzigingen in huishoudenssamenstelling. Er is van uit gegaan dat de demografische samenstelling van de buurt gelijk is aan het gemiddelde van Zuidoost. Het aantal leerlingen op de drie basisscholen en aantal kinderen dat naar het kinderdagverblijf gaat is gelijk verondersteld aan de huidige situatie. De buurt Holland Park aan de overkant van de Daalwijkdreef is in 2030 volledig ontwikkeld.
Figuur 2.4: aantal huishoudens en inwoners per deelgebied in de E-buurt, 2030 autonome situatie
7
Gemeente Amsterdam
Versie 1.0 10-01-2019
Verkeersonderzoek E-buurt
Zone
Huishoudens
Inwoners
964
490
813
965
230
682
968
235
697
969
25
74
1137
0
0
Totaal
980
226
Tabel 2.2: aantal huishoudens en inwoners per zone in de autonome situatie 2030
2.2.3 Plansituatie 2030 In de plansituatie is er uitgegaan van 550 woningen in de E-buurt Oost. Dit is meer dan waar nu in het stedenbouwkundig plan van wordt uitgegaan. In het stedenbouwkundig plan wordt uitgegaan van 523 woningen. 415 woningen zijn ontsloten via de Egeldonk en 135 woningen via de Elsrijkdreef. Er is uitgegaan van gemiddeld 2,3 bewoners per woning.
Figuur 2.5: aantal huishoudens en inwoners per deelgebied in de E-buurt in de plansituatie 2030.
2.3 Netwerken In de huidige situatie is de E-buurt ontsloten via de Entabeni en de Egeldonk. De Bergwijkdreef ligt nog verhoogd. Het bedrijventerrein ten noorden van de Daalwijkdreef wordt ontsloten via de Bergwijkdreef en de Eekholt.
8
Gemeente Amsterdam
Versie 1.0 10-01-2019
Verkeersonderzoek E-buurt
Figuur 2.6: autonetwerk E-buurt en omgeving huidige situatie.
In de toekomstsituatie is de Bergwijkdreef verlaagd. De nieuwe buurt Holland Park wordt ontsloten via de verlegde Bergwijkdreef en de verlegde Eekholt. In de situatie waarbij de 550 woningen in de E-buurt Oost zijn gerealiseerd worden er 135 woningen ontsloten via de Elsrijkdreef. De kruisingen van de Entabeni, Egeldonk en Eekholt met de Daalwijkdreef zijn ongeregelde voorrangskruisingen.
9
Gemeente Amsterdam
Versie 1.0 10-01-2019
Verkeersonderzoek E-buurt
Figuur 2.7: autonetwerk E-buurt en omgeving toekomstige situatie
2.4 Werkwijze kruispuntberekeningen In het algemeen wordt de verkeersafwikkeling op een kruising bepaald door de volgende factoren: - Hoeveelheid verkeer op de voorrangsrichtingen (1 en 2 in figuur 2.8). Hoe drukker het is op de voorrangsrichting, hoe moeilijker het wordt om vanaf de zijweg de weg op te draaien. Rechtsaf is dan nog gemakkelijker dan linksaf omdat rechts afslaand verkeer maar voorrang hoeft te verlenen aan één richting, terwijl links afslaand verkeer voorrang moet verlenen aan beide richtingen. - Hoeveelheid verkeer op de zijweg. Hoe drukker het is op de zijweg, hoe groter de kans op langere wachttijden en wachtrijen. - Opstelruimte voor afslaand verkeer. Opstelruimte in de middenberm zorgt er voor dat links afslaand verkeer vanuit de zijstraat niet hoeft te wachten totdat er vanuit beide richtingen op de hoofdweg voldoende ruimte vrij is om linksaf te kunnen slaan. Het links afslaande verkeer kan dan de oversteek in twee delen maken. Daarnaast zorgt opstelruimte in de middenberm voor links afslaand verkeer vanaf de hoofdweg naar de zijstraat er voor dat het links afslaande verkeer het doorgaande verkeer op de hoofdweg niet ophoudt.
10
Gemeente Amsterdam
Versie 1.0 10-01-2019
Verkeersonderzoek E-buurt
Figuur 2.8: factoren die verkeersafwikkeling op ongeregelde kruisingen bepalen
De ongeregelde voorrangskruisingen Daalwijkdreef – Entabeni en Daalwijkdreef – Egeldonk zijn getoetst op noodzakelijkheid van plaatsing van verkeerslichten. Daarnaast is een indicatie berekend van de toename van wachttijden. De methode SLOP is een verkeerskundige methode die op basis van verkeersintensiteiten een kwalificatie geeft van de wenselijkheid van verkeerslichten op een kruispunt. De gegevens over de kruispuntstromen en de inrichtingen van de kruising dienen als een invoer voor de berekening. Het resultaat "a" geeft een indicatie van de wenselijkheid van verkeerslichten. Voor een T-splitsing zijn de criteria beschreven in tabel 2.3. Verkeerslichten worden alleen geplaatst als ze noodzakelijk zijn. Uitkomst a
Omschrijving
Kleiner dan 1,33
Verkeerslichten ongewenst
Tussen 1,33 en 1,67
Verkeerslichten niet ongewenst, maar ook niet noodzakelijk Verkeerslichten noodzakelijk
Groter dan 1,67
Tabel 2.3: criteria SLOP voor T-splitsingen.
De methode Harders is een verkeerskundige methode die op basis van verkeersintensiteiten een indruk geeft van de verliestijden op een ongeregeld kruispunt. De verliestijd is afhankelijk van de kans dat verkeer dat voorrang moet verlenen een hiaat vindt in de doorgaande verkeersstroom. Een verliestijd van meer dan 20 seconden tijdens een spits wordt beschouwd als problematisch. De berekende verkeersintensiteiten tijdens een spits worden omgerekend naar een spitsuur en naar pae (personenauto equivalent). PAE is een maat waarbij alle voertuigen worden omgerekend naar ruimte die voertuigen innemen op de weg. Een vrachtauto is bijvoorbeeld langer en telt daarom zwaarder mee dan een personenauto. De kruispuntberekeningen zijn uitgevoerd voor de kruisingen Daalwijkdreef – Entabeni en Daalwijkdreef – Egeldonk. Voor de kruising Daalwijkdreef – Egeldonk is een telling uit juli 2018 beschikbaar. Deze telling is gebruikt als invoer voor de kruispuntberekening van de huidige
11
Gemeente Amsterdam
Versie 1.0 10-01-2019
Verkeersonderzoek E-buurt
situatie. Voor de toekomstsituatie is de telling opgehoogd met de berekende toenames van verkeersintensiteiten tussen de huidige situatie en de toekomstige situatie. Er is geen telling beschikbaar voor de kruising Daalwijkdreef – Entabeni. Voor deze kruising is zowel voor de huidige als toekomstige situaties gebruik gemaakt van het modelresultaat. Kruising
Huidige situatie
Daalwijkdreef - Entabeni
Modelresultaat
Daalwijkdreef - Egeldonk
Telresultaat
2030 autonoom (zonder 550 extra woningen) Modelresultaat
2030 plan (met 550 extra woningen) Modelresultaat
Telresultaat + berekende toename verkeer
Telresultaat + berekende toename verkeer
Tabel 2.4: berekeningswijze kruispuntstromen
12
Gemeente Amsterdam
Versie 1.0 10-01-2019
Verkeersonderzoek E-buurt
3. Resultaten 3.1 Huidige situatie 3.1.1 Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie (aantal gemotoriseerde verplaatsingen van en naar de E-buurt) is een bepalende factor voor de bereikbaarheid van de buurt met de auto. De verkeersgeneratie wordt allereerst bepaald door het aantal woningen en inwoners. Ten tweede zijn de huishoudenskenmerken bepalend. Factoren zoals huishoudens met kinderen en besteedbaar inkomen zijn bijvoorbeeld van invloed op het autogebruik. Tot slot zijn de bereikbaarheidskenmerken bepalend. Een gunstige ligging ten opzichte van het openbaar vervoer of een vorm van betaald parkeren is van invloed op de vervoerwijzekeuze. De verkeersgeneratie van de E-buurt, het totaal aantal gemotoriseerde verplaatsingen op een gemiddelde werkdag, is berekend met behulp van het verkeersmodel. In de berekening wordt rekening gehouden met bovengenoemde factoren. Het berekende aantal gemotoriseerde verplaatsingen op een gemiddelde werkdag die zijn gerelateerd aan de woningen is 2710 verplaatsingen (exclusief brommer en scooters). Dat is gemiddeld 1,3 verplaatsing per inwoner en 3,0 per woning. Het resultaat uit de berekening is vergeleken met andere beschikbare bronnen en kengetallen. De berekende verkeersgeneratie ligt in lijn met de kengetallen zoals gepubliceerd in de CROWpublicatie “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”.
Het kengetal voor een woonmilieu in een grote stad buiten het centrum met een dichtheid groter dan 35 woningen (zoals de E-buurt) is 1,3 verplaatsingen per inwoner en 3,1 per woning. Uit verplaatsingsonderzoek3 is er ook een beeld beschikbaar voor de verkeersgeneratie in Zuidoost. De gemiddelde verkeersgeneratie in Zuidoost is 1,1 per inwoner en 2,6 per woning. De verkeersgeneratie zoals berekend met het verkeersmodel ligt ook in lijn met de verkeersgeneratie uit het verplaatsingenonderzoek. Het verkeer van en naar de basisscholen is berekend met behulp van de kengetallen die zijn beschreven in de publicatie “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”. Het gaat hier om autobewegingen die worden gemaakt door ouders die hun kinderen halen en brengen en het onderwijspersoneel. Er is uitgegaan van het kengetal voor een school die buiten de schil rondom het centrum ligt. Per 10 leerlingen worden 9 autobewegingen op een werkdag gemaakt. Omgerekend naar alle leerlingen is dat 760 autobewegingen op een werkdag. De belangrijkste uitgangspunten waarop het kengetal is gebaseerd zijn: - 30% van de leerlingen blijft over. - 75% van de leerlingen in de onderbouw wordt begeleid naar school. In de bovenbouw is dat 30%. - 53% van de kinderen wordt met de auto naar school gebracht. - 80% van het personeel komt met de auto. 3
Onderzoek Verplaatsingen in Nederland 2016
13
Gemeente Amsterdam
Versie 1.0 10-01-2019
Verkeersonderzoek E-buurt
Ook het verkeer van en naar het kinderdagverblijf is berekend met behulp van de kengetallen die zijn beschreven in de publicatie “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”. Er is uitgegaan van het kengetal voor een kinderdagverblijf die buiten de schil rondom het centrum ligt. Op basis van de gehanteerde uitgangspunten is gerekend met 267 autobewegingen op een werkdag. De berekening van de hoeveelheid verkeer van en naar de basisscholen en kinderdagverblijf gaat er van uit dat het verkeer hoofdzakelijk afkomstig is buiten de buurt. Er is geen rekening gehouden met ouders vanuit de buurt die hun kind afzetten bij school of het kinderdagverblijf of dat ouders zowel een kind op het kinderdagverblijf als de lagere school hebben zitten. Op dit facet van de berekening zal er dus waarschijnlijk een overschatting zijn van het aantal verplaatsingen die gerelateerd zijn aan de lagere school of kinderdagverblijf. In totaal zijn er voor de E-buurt afgerond 3.700 verplaatsingen van en naar de E-buurt berekend in de huidige situatie. Verplaatsingen van bewoners van de E-buurt die hun kinderen halen en brengen van school of ouders met een kind op het kinderdagverblijf en op de basisschool zijn hierin dubbel geteld. Een kwart van de verplaatsingen is gerelateerd aan de basisscholen en kinderdagverblijf in de E-buurt West.