CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

04. Toelichting.pdf

RAAD 3 april 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7, Kop van Cruquius (VN2025-001602)38.930 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

De lichtuitsraling van de bebouwing is in beeld gebracht en afgestemd met Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat heeft aangegeven in principe akkoord te zijn met het plan op het lichthinderaspect. Er vindt nog nadere afstemming plaats over enkele verlichtingsdetails. In de huidige situatie bevindt zich een lichtbaken op het uiteinde van het Cruquiuseiland. Met de nieuwe ontwikkelingen en gerelateerde verlichting, is het aannemelijk dat het effect van het lichtbaken, dus de waarneembaarheid van het sein voor een schipper vermindert of komt te vervallen. Het wordt aanbevolen het lichtbaken te behouden en de lichtintensiteit te verhogen. 5.2.3

Conclusie

De ontwikkelingen op Cruquiusgebied leiden niet tot negatieve effecten op de nautische veiligheid. De verwachting is dat de bebouwing geen invloed heeft op de veilige doorvaart op het Amsterdam-Rijnkanaal en Buiten-IJ. Het aspect nautische veiligheid is daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.3

Aanvaarrisico

Plangebied De ontwikkeling van 'de Kop' van het Cruquiusgebied vindt plaats langs de mond van het Amsterdam-Rijnkanaal, welke als belangrijke vaarroute voor beroepsvaart wordt gebruikt. Op het bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 67

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7 raakvlak van het ontwikkelingsgebied en de vaarweg bestaat er een kans op aanvaren. Daarom is er onderzoek gedaan naar het risico op aanvaren en de gevolgen hiervan voor de nieuwbouw. Zie Bijlage 22 Aanvaarrisico. Dit onderzoek is tot stand gekomen in nauw overleg met Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat heeft in december 2024 en januari 2025 een model opgesteld om toekomstige aanvaringen te simuleren ter plaatse van de Kop van Cruquius, om de gemeente te adviseren rondom de voor deze gebiedsontwikkeling gewenste wijziging van het bestemmingsplan, en als vergunningverlener. Op 13 december 2024 heeft Rijkswaterstaat een memo gedeeld met de voorlopige resultaten ten behoeve van een nieuwe beschouwing van de constructieve veiligheid van de gebouwen Houtsma en Werkmeester (ID2309 Kop van Cruquius - suggestie uitgangspunten concrete te beschouwen aanvaringen). In de dialoog met Rijkswaterstaat zijn de resultaten van de simulaties vertaald naar vijf concrete aanvaarscenario's die als maatgevend beschouwd mogen worden voor de ontwikkelingen Houtsma en Werkmeester. In het onderzoek naar het aanvaarrisico wordt de impact van die vijf concrete, extreme aanvaarsituaties uit de analyse van Rijkswaterstaat beschouwd. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen de gebouwen Houtsma en Werkmeester.

Uitgangspunt is daarbij dat de gebouwen blijven voldoen aan de in de Eurocode geldende randvoorwaarden ook in het geval van een eventuele incidentele aanvaring. Ook wordt kort ingegaan op het restrisico dat er nog is op de kade (openbare ruimte) in het geval van eerdergenoemde aanvaarsituaties. Rijkswaterstaat heeft de aanbeveling gedaan vijf specifieke scenario's te onderzoeken (1, 2, 3a, 3b, 4). En daarna nog gevraagd om een extra scenario 2b, met een andere boegvorm en grotere aanvaarhoek. Scenario 1 en 2a en 2b betreffen Houtsma (aanvaring vanuit de vaart); scenario's 3a, 3b en 4 zijn voor Werkmeester (frontale aanvaringen). Scenario 1, 3a en 3b zijn variaties waarin een extreme loodrechte kracht op de kade wordt uitgeoefend, dicht bij de kelder dan wel fundering van de bouwblokken. Scenario 2a en b en 4 bekijken situaties waarin schepen met zeer geringe diepgang de kade op kunnen worden gedrukt. Houtsma Scenario 1 zorgt voor een verhoogde belasting (en vervormingen) op de kelder van Houtsma en de voorliggende (paal)fundering. Er zal in een volgende ontwerpfase middels Plaxis een nadere beschouwing worden gedaan aangaande de vervormingen en belastingen op de kelder en paalfundering. Bij het constructief ontwerp van het gebouwen en de kelder zullen deze belastingen worden meegenomen.

Deze kunnen worden opgenomen eventueel met extra wapening en wanddikte dan wel eventueel aanvullende maatregelen voor het voorkomen van vervormingen (breken) van de funderingspalen. In het geval van scenario 2a, met een op de kant lopend schip met steile boegvorm, zal het gebouw net niet worden geraakt. Ook door een lege duwbak (scenario 2b) wordt het gebouw met dezelfde oploopafstand en aanvaarhoek niet geraakt. Bij grotere aanvaarhoeken kan het gebouw wel geraakt worden, maar blijft het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. Hierbij is ervan uitgegaan dat het gehele gebouw instrort bij aanvaring. Het GR kent een richtwaarde, de al eerder genoemde oriëntatiewaarde en dus niet een grenswaarde. Deze oriëntatiewaarde, geeft weer wat de algehele politiek-maatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van de kans op een ongeval met een groep slachtoffers. Hoe groter de groep dodelijke slachtoffers, hoe kleiner de aanvaardbare kans op een ramp is. Door het groepsrisico te vergelijken met de oriëntatiewaarde kan het bevoegd gezag bepalen of de kans op ongeval voor haar acceptabel is. Op basis van bovenstaande gegevens is de groepsrisicocurve samengesteld voor het benoemde specifiek aanvaarrisico 2b ter plaatse van Houtsma, de gele doorgetrokken lijn weergegeven in figuur 2 van de notitie.

In de grafiek is het aantal slachtoffers uitgezet tegen de kans op dat aantal slachtoffers. Als de groepsrisicocurve de oriëntatiewaarde doorsnijdt, is er sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Uit figuur 2 van de notitie blijkt dat het groepsrisico kleiner is dan de oriëntatiewaarde (factor 0.73). Aanvullende constructieve maatregel binnen 11.6 m van de kade

68 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

In de berekening voor het groepsrisico is een aanvullende maatregel meegenomen om het aantal slachtoffers bij een calamiteit verder te beperken. Deze maatregel bestaat uit een aanvullende bepaling voor het constructieve ontwerp. Deze aanvullende maatregel is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan.Via een voorwaardelijke verplichting geregeld dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw binnen 11,6 meter van de kade van het Amsterdam Rijnkanaal aangetoond moet worden dat de constructieve veiligheid voldoende is. Hierbij geldt als uitgangspunten dat in het ontwerp rekening wordt gehouden met het instorten van de eerste twee bouwlagen (begane grond en 1e verdieping) over een lengte parallel aan de gevel van 6,0 meter. Het ontwerp van de draagconstructie moet dan voorzien in een tweede draagweg om instorting van het hele gebouw te voorkomen. Door het nemen van deze maatregel zal niet het gehele gebouw instorten, maar alleen de eerste twee bouwlagen. Het maximaal aantal slachtoffers is daarmee lager dan 10 personen (twee woningen, 2,4 personen gemiddeld per woning aanwezig in de nacht en allen overlijden bij ongeval, + 1 persoon aanwezig in de openbare ruimte ter plaatse van het aanvaren, maakt 5,8 afgerond een maximaal te verwachten aantal slachtoffers van 6) overlijdt door een ongeval.

Er is vanwege de maatregelen die genomen worden in de hoofddraagconstructie geen sprake van groepsrisico (GR). Uit artikel 5.15 Bkl blijkt dat er pas sprake is van groepsrisico als er sprake is van een kans op overlijden van meer dan 10 slachtoffers. Werkmeester Voor scenario 3a is de energie laag bij aankomst aan de kade, vanwege de grote diepgang van het schip. Voor scenario 3b kunnen de kleinere afstand en grotere kracht op de kade en grond, vergeleken met scenario 1, leiden tot aanzienlijke extra belastingen en verplaatsingen van de fundering, wat kan resulteren in het bezwijken van (delen van) het gebouw. Nadere analyses voor oplossingen zijn nodig. Dit vergt uitgebreide en gedetailleerde analyses. Aan de hand van de uitkomsten van scenario 4 blijkt dat het gebouw kan worden geraakt. Daarom zijn maatregelen gewenst/benodigd om de constructieve veiligheid van het gebouw Werkmeester te borgen. Als maatregel kan gedacht worden aan het lokaal verbreden van de kade dan wel het aanbrengen van een extra dam-/combiwand. Andere mogelijkheden zijn om een aanvaarbeveiliging in het water te realiseren en aanpassingen aan het gebouwontwerp te doen, eventueel in combinatie met eerdergenoemde maatregelen. De maatregelen zullen in de vervolgfase in overleg met Rijkswaterstaat en de gemeente nader worden uitgewerkt. Hier is in verschillende overleggen al over gesproken.

In dit de regels van dit bestemmingsplan is voor het deel van het plangebied waar er een aanvaarrisico is voor het gebouw op de kop van het plangebied een bouwverbod opgenomen. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van dit bouwverbod, als er aangetoond is dat er geen onaanvaardbare gevolgen optreden als gevolg van een aanvaring van het gebouw met een schip. Dit is het geval als uit onderzoek blijkt dat door het nemen van maatregelen in de vorm van aanvaarbeveiliging of maatregelen met vergelijkbaar effect er geen sprake zal zijn van directe aanvaring van het gebouw en deze maatregelen voor in gebruik name van het gebouw worden gerealiseerd en in stand worden gehouden. Of wanneer de kans op bezwijken van het gebouw als gevolg van buitengewone belastingen door aanvaring lager is dan 10-5 . Deze kans (dit risico) sluit aan bij de regels die volgen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Ook moet er advies worden ingewonnen bij de vaarwegbeheerder.

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 69

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Afbeelding 5.4 Maximale verplaatsing van schepen op de kade bij hoeken tot 25 graden ten opzichte van de vaarrichting (gearceerde deel). Door de boegvorm kan de impact-zone ca. 2.30 m groter zijn. Volgens het Bkl moet de gemeente in het omgevingsplan binnen benoemde aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico (art. 5.15). Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de aandachtsgebieden Brand, Explosie en Gifwolk. Aanvaring valt niet binnen deze aandachtsgebieden, maar omwille van zorgvuldigheid en volledigheid is het risico voor personen door aanvaren van de kade beschouwd. In het onderzoek naar het aanvaarrisico is gemotiveerd dat het aantal te verwachten slachtoffers in de openbare ruimte is gemotiveerd kleiner dan 10 voor zowel de ontwikkeling Houtsma als voor de ontwikkeling Werkmeester, na treffen van maatregelen om directe aanvaring van het gebouw te voorkomen. Volgens de definitie van het Bkl is er daarom ten aanzien van dit aanvaarscenario in de openbare ruimte geen sprake van een groepsrisico. Uit de berekening aanvaarrisico scenario 2b volgt dat niet uit is te sluiten dat in dit specifieke scenario de eerstelijns bebouwing ter plaatse van Houtsma geraakt kan worden. Derhalve is omwille van zorgvuldigheid en volledigheid een groepsrisicobenadering en berekening uitgewerkt.

Het maximaal te verwachten aantal slachtoffers ten aanzien van dit specifieke aanvaarscenario 2b blijft onder de 10. Daarmee is er geen sprake van een groepsrisico. Voor de ontwikkeling Werkmeester zal na toepassen (ontwerpen) van de maatregelen geverifieerd moeten worden dat het groepsrisico tot hetzelfde niveau of lager beperkt is. Conclusie Uit het onderzoek naar aanvaarrisico's blijkt dat bij Houtsma rekening moet worden gehouden met een extra belasting op de kade als gevolg van aanvaring. Het gebouw zelf kan alleen bij scenario 2b met een grote aanvaarhoek geraakt worden. Het groepsrisico voor personen blijft, uitgaande van instorting van het gehele gebouw, echter onder de oriëntatiewaarde. Door het nemen van constructieve maatregelen aan de bebouwing zullen alleen de onderste twee bouwlagen instorten. Daardoor neemt de kans op overlijden af tot maximaal 6 slachtoffers. Omdat dit onder de 10 is, is er dan geen sprake meer van een 70 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7 groepsrisico. Deze maatregel is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Bij Werkmeester moet eveneens rekening worden gehouden met extra belasting op de kader door aanvaring. Bovendien is er een kans dat het gebouw geraakt wordt. Daarom is in dit bestemmingsplan geregeld dat moet worden aangetoond dat er geen onaanvaardbare gevolgen optreden als gevolg van een aanvaring van het gebouw met een schip, voordat de omgevingsvergunning voor een deel van de locatie Werkmeester kan worden verleend.

5.4

Archeologie en cultuurhistorie

5.4.1

Archeologie

Kader De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden is vastgelegd in de Monumentenwet uit 1988. De Provincie Zuid-Holland en de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurhistorie en Monumenten (RACM) hebben voor wat betreft het aspect archeologie, formeel een adviserende en toetsende rol op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Volgens de Monumentenwet 1988 moeten (toevals) vondsten worden gemeld bij de burgemeester. Deze waarschuwt het Rijk. In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg per 1 september 2007. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Uitgangspunt is dat 'de veroorzaker betaalt'. Plangebied In november 2011 is door Bureau Monumenten & Archeologie een archeologisch bureauonderzoek verricht voor het plangebied van bestemmingsplan 'Cruquius', vastgesteld op 9 april 2013. Dit onderzoek is ook bruikbaar voor de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Het onderzoek is als Bijlage 23 Archeologie opgenomen bij dit bestemmingsplan. Het bureauonderzoek is te beschouwen als een overzicht van bekende of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied.

Het gebied ter plaatse van het Cruquiuswerkgebied betreft aangeslibd land buiten de zeedijk. De materiele resten kunnen bestaan uit losse vondsten en afval. Daarnaast kunnen sporen voorkomen die verband houden met de verkaveling en afvalstort uit de laatste kwart van de 19de eeuw. De kans op verstoringen van deze resten is groot aangezien het terrein aanzienlijk is opgehoogd en intensief is geëxploiteerd in de 20ste eeuw. Er worden daarom geen archeologische resten meer verwacht. De verwachtingen zijn gekoppeld aan de huidige toestand van het terrein en mogelijk opgetreden bodemverstoringen. Dit heeft geleid tot een achttal verwachtingszones. Deze verwachtingszones zijn vertaald in een archeologische beleidskaart. In afbeelding 5.1 is de archeologische beleidskaart voor het plangebied weergegeven.

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 71

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Afbeelding 5.5 Archeologische beleidskaart Cruquiusgebied In het plangebied is gelet op de archeologische beleidskaart beleidsvariant 11 van toepassing. In gebieden met beleidsvariant 11 geldt een lage of geen archeologische verwachting waarbij archeologisch onderzoek in geen enkel geval nodig is. Conclusie Voor het bestemmingsplan geldt dat er op het gebied van archeologie geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het plan. 5.4.2

Cultuurhistorie

Kader De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is op 21 juni 2010 als onderdeel van het uitvoeringsprogramma van de Structuurvisie Noord-Holland 2040 vastgesteld. In de Leidraad geeft de provincie haar visie op de gewenste ruimtelijke kwaliteit van Noord-Holland. Daarbij is aangegeven welke kernkwaliteiten van het landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang zijn, zodat deze kwaliteiten op een zorgvuldige wijze kunnen worden meegenomen bij nieuwe ontwikkelingen. Plangebied Gelet op de provinciale waardenkaart Landschap & Cultuurhistorie is het voorliggende plangebied aangegeven als landschapstype 'Stedelijk'. De Entrepothaven en een deel van het Amsterdam-Rijnkanaal is aangewezen als historische structuur: industrieel erfgoed 'Noordzeekanaal gebied'.

72 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Afbeelding 5.6 Uitsnede provinciale waardenkaart Landschap & Cultuurhistorie Cultuurhistorische verkenning Voor het voorliggende plangebied heeft Bureau Monumenten & Archeologie (BMA) een Cultuurhistorische verkenning uitgevoerd. Dit onderzoek 'Cultuurhistorische verkenning Cruquiusweg e.o.' (C 12-046 Amsterdam 2012) is opgenomen als Bijlage 24 Cultuurhistorie bij het voorliggende bestemmingsplan. In de Cultuurhistorische verkenning is aangegeven dat het plangebied een boeiend stedenbouwkundig en architectonisch ensemble vormt, waarin de negentiende-eeuwse ontwikkeling van de haven en de stadsvernieuwing tot een verrassende synthese zijn gekomen. De resterende structuren en gebouwen van de veemarkt en het abattoir getuigen van een omwenteling in de voedselvoorziening van de destijds spectaculair groeiende Europese steden. De rommelige bedrijvigheid in het oostelijk deel van het Cruquiuswerkgebied en langs het Zeeburgerpad vormt een karakteristiek gegeven. Andere Oostelijke Haveneilanden zijn getransformeerd tot vrijwel monofunctionele woongebieden met in wezen eenvormige architectuur. Een aantal stedenbouwkundige elementen herinneren aan de gecompliceerde waterhuishouding van de historische stad en het probleem van de fecaliën.

Het gaat hierbij om de Nieuwe Entrepotsluis met beide bruggen, het Zeeburgerpad als voormalige waterscheiding tussen de Nieuwe Vaart en het Lozingskanaal, en het waterstaatkundige complex bij het gemaal Zeeburgerdijk 801. Betekenisvolle bebouwing plangebied Op het kavel is op de Spelregelkaart één behoudswaardig object aangeduid. Het betreft de Villa die wordt ingepast in het nieuwe plan. Conclusie Voor het bestemmingsplan geldt dat er op het gebied van cultuurhistorie geen knelpunten zijn. De Werkmeester wordt gerestaureerd en ingepast.

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 73

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

5.5

Mobiliteit

5.5.1

Verkeer

Om de ruimtelijke samenhang tussen de plannen in het Cruquiusgebied te borgen is door V&OR een verkeersonderzoek uitgevoerd (Bijlage 25 Verkeersonderzoek). V&OR heeft de verkeerseffecten van de transformatie van het Cruquiusgebied als gevolg van initiatieven die binnen het gebied bekend zijn, onderzocht. In dit rapport zijn de verschillende programmascenario's en de uitgangspunten beschreven en worden de resultaten gegeven van de analyse. Bij de werkwijze is aangesloten op het 'Juridisch Programma van Eisen Verkeersonderzoeken' zoals dat door de afdeling Ruimte & Duurzaamheid (R&D) van de gemeente Amsterdam is opgesteld. Voor de uitvoer van het verkeersonderzoek is gebruik gemaakt van het Amsterdamse verkeersmodel (VMA), het op VMA gebaseerde Ritproductiemodel van V&OR en een verkeersregelkundig programma (COCON). Daarnaast is gebruik gemaakt van verkeerstellingen die in februari 2016 zijn uitgevoerd in het kader van het Verkeersonderzoek Bestemmingsplan Zeeburgerpad en een verkeerstelling die in november 2016 is uitgevoerd op het kruispunt Zeeburgerdijk-Zuiderzeeweg. V&OR heeft de verkeersintensiteiten berekend voor de zichtjaren 2017 en 2027, met en zonder programmascenario's. Op basis van deze verkeersintensiteiten heeft R&D een analyse gemaakt van de doorstroming op de geregelde en ongeregelde kruispunten in het studiegebied.

In dit onderzoek worden er naast de huidige situatie en de referentievariant in 2027, twee planvarianten (hier scenario's genoemd) onderzocht: 2017 (huidige situatie) 2027 referentie 2027 scenario 1 2027 scenario 2 Scenario 1 gaat uit van de uitvoering van alle initiatieven die in september 2016 bij de gemeente bekend waren. Scenario 2 gaat uit van scenario 1, aangevuld met de aanname voor het programma op de nog te ontwikkelen kavels. Ook is rekening gehouden met ontwikkelingen in de omgeving op het Zeeburgereiland en het Zeeburgerpad. Op basis van de door V&OR berekende intensiteiten voor 2027 heeft R&D met behulp van het rekenprogramma “COCON” een verkeersregeltechnisch onderzoek verricht naar de regelbaarheid van de drie geregelde kruispunten in het studiegebied: 1. Zeeburgerdijk – Panamalaan 2. Zeeburgerdijk – Molukkenstraat 3. Zeeburgerdijk – Zuiderzeeweg Daarnaast is beoordeeld of de verkeerstoename in de varianten voor 2027 van het Cruquiusgebied als gevolg hebben dat nabij gelegen ongeregelde kruispunten het verkeer onvoldoende kunnen verwerken. Met de berekende intensiteiten voor 2027 heeft R&D de eventuele noodzaak van plaatsing van een verkeersregelinstallatie op de kruispunten getoetst. Dit is gedaan voor de volgende vier kruispunten: 1. 2. 3. 4.

Panamalaan – Zeeburgerpad Veelaan – Zeeburgerpad Th.K. van Lohuizenlaan – Zeeburgerpad Th.K. van Lohuizenlaan – Zeeburgerdijk

Uitkomsten geregelde kruispunten Uit de doorrekeningen van de twee geregelde kruispunten waarbij de Zeeburgerdijk kruist met de Panamalaan en met de Molukkenweg, volgt dat de huidige profielen de prognoses voor 2027 nog voldoende kunnen verwerken. De verkeersregelingen blijven voldoen aan de Amsterdamse randvoorwaarden. Voor het kruispunt Zeeburgerdijk met de Zuiderzeeweg geldt dat dit kruispunt alleen regelbaar blijft als er een profielwijziging plaatsvindt. Uitkomsten ongeregelde kruispunten 74 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Uit de toetsing van de vier ongeregelde kruispunten (aan het Zeeburgerpad en op de Th.K. van Lohuizenlaan) volgt dat verkeerslichten hier niet noodzakelijk zijn. Conclusie De verkeerstoename door de nieuwe ontwikkelingen in het Cruquiusgebied kan voldoende worden verwerkt door de kruispunten bij zowel scenario 1 als 2, mits er profielwijzigingen plaatsvinden bij het kruispunt Zeeburgerdijk met de Zuiderzeeweg. Deze profielwijzigingen worden momenteel gerealiseerd. Daarmee is het plangebied goed ontsloten. 5.5.2

Autoparkeren

Nota Parkeernormen Auto In 2017 is de Nota Parkeernormen Auto door de gemeenteraad vastgesteld. De gemeente wil de stad bereikbaar en leefbaar houden met voldoende en aantrekkelijke openbare ruimte en meer ruimte voor de fietser en voetganger. Met de verwachte groei van de stad (woningen, kantoren etc.) is het noodzakelijk dat Amsterdam het aantal geparkeerde auto's in de openbare ruimte waar mogelijk beperkt. De Nota Parkeernormen Auto geeft normen voor wonen en kantoor, voor overige functies vormen de actuele CROW kencijfers parkeren de basis. Het principe is dat op eigen terrein in de parkeerbehoefte voor alle functies wordt voorzien. Bewoners en bedrijven komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning voor parkeren in de openbare ruimte, ook niet als er geen parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar zijn. Bezoekersparkeren voor bewoners mag in de openbare ruimte worden opgelost. Op basis van de Nota Parkeernormen Auto gelden de volgende parkeernormen:

Tabel 5.1 Parkeernormen Nota Parkeernormen Auto Voor bezoekers van de woningen moet rekening gehouden worden met 0,1 pp per woning. Voor commerciële voorzieningen en horeca gelden de volgende normen: Commerciële voorzieningen: minimaal 0,6 - maximaal 1,1 pp per 100 m2 bvo Horeca: 4 pp per 100 m2 bvo Spelregels In de spelregels voor Cruquiuswerkgebied is het volgende ten aanzien van parkeren opgenomen: het parkeren voor het initiatief moet op eigen terrein; parkeren van bezoekers van bedrijven moet op eigen terrein; parkeren van bezoekers van woningen mag in openbare ruimte; parkeerplaatsen mogen niet zichtbaar zijn vanaf de weg op de openbare ruimte; voorzieningen voor parkeren mogen niet in de openbare ruimte; dubbel gebruik van parkeerplaatsen is wenselijk; parkeerbehoefte kan men onderling ruilen. Grotere parkeergarages kunnen zo rendabel worden; de parkeergarage moet wel binnen 250 meter vanaf het bouwveld liggen; een parkeergarage met een blinde gevel is niet mogelijk, vanwege sociale onveiligheid en een ongewenste uitstraling. Plangebied Het autoparkeren zal plaatsvinden in een ondergrondse parkeergarage onder de gebouwen HoutsmaNoord en -Zuid, in gebouw Candido en op het maaiveld.

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 75

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Er zijn in het plan ca. 463 woningen voorzien en ca. 1.300 m2 bvo aan commerciële voorzieningen. Hiervan is maximaal 500 m2 bvo bestemd voor horeca. Op basis van de (minimale) normen is er behoefte aan: 233,4 pp voor de bewoners 46,3 pp voor de bezoekers van de woningen 5,2 pp voor de commerciële voorzieningen 20 pp voor de horeca In totaal zijn er minimaal 305 pp nodig (259 parkeerplaatsen voor de woningen en voorzieningen en 46 voor de bezoekers van de woningen). In de norm voor de voorzieningen is al rekening gehouden met bezoekers van de voorzieningen. In totaal worden er 396 parkeerplaatsten gerealiseerd, waarvan 353 parkeerplaatsen onder de gebouwen en 43 op het maaiveld. Daarvan worden er 23 op het maaiveld in het plangebied gerealiseerd. Buiten het plangebied, aan de Cruquiusweg, zijn 20 parkeerplaatsen beschikbaar. Deze parkeerplaatsen op het maaiveld zijn voor de horeca, commerciële voorzieningen en een deel van de bezoekers van de woningen. De overige bezoekers van de woningen kunnen parkeren in de parkeergarage (via mechanische toelating). Er wordt daarmee voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen (Nota Parkeernormen Auto). De uitgewerkte parkeerbalans is opgenomen in Bijlage 5 Parkeerbalans. 5.5.3

Fietsparkeren

In maart 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter vastgesteld. Deze nota geeft normen voor een breed scala aan functies. Bij woningen (appartementen) spreekt de nota een sterke voorkeur uit voor gezamenlijke fietsenstallingen in plaats van de door het Bouwbesluit 2012 voorgeschreven individuele (fietsen)bergingen. Net als bij autoparkeren is het principe dat voor elke functie op eigen terrein voorzien wordt in voldoende fiets- en scooterparkeergelegenheid, met uitzondering van (kort) bezoekersparkeren. Dat kan in de openbare ruimte worden opgelost als daar voldoende plaats voor is. In de Nota parkeernormen Fiets en Scooter ligt het plangebied in zone 1. Uitgangspunt is hier hoog fietsgebruik. Het plan zal minimaal aan de beleidsregels uit de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter moeten voldoen. In het plangebied worden circa 1.300 m2 bvo aan niet-woonfuncties gerealiseerd. Maximaal 500 m2 bvo hiervan kan ingevuld worden door horeca I, III of IV. Fietsparkeren Op basis van de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter gelden onderstaande normen voor fietsparkeren:

Tabel 5.3 Fietsparkeernormen Nota Parkeernormen Fiets en Scooter Op basis van deze normen is er een fietsparkeerbalans (zie Bijlage 6 Fietsparkeerbalans) gemaakt. Hieruit blijkt dat er voor de woningen en commerciële ruimten 1.735 inpandige fietsparkeerplekken nodig 76 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7 zijn. Daarnaast zijn er in de openbare ruimte 326 fietsparkeerplekken nodig. Dit zijn de fietsparkeerplekken voor de horeca en de bezoekers van de woningen. In totaal worden er 1.783 fietsparkeerplekken in de bebouwing gerealiseerd, terwijl er 1.735 nodig zijn. In de openbare ruimte worden circa 270 parkeerplaatsten gerealiseerd, terwijl er 326 nodig zouden zijn. Dit is voldoende omdat bij deze plekken sprake zal zijn van dubbelgebruik tussen de horeca en commerciële voorzieningen. Overdag wordt de horeca ook bezocht door de werknemers en bezoekers van de commerciële voorzieningen en in de avond wordt de horeca met name bezocht door de bewoners in het Cruquiusgebied. Mocht dit in praktijk toch een knelpunt opleveren, dan is in de gebouwde parkeervoorzieningen nog ruimte om daar een deel van de bezoekers van de woningen te laten parkeren, waardoor er meer ruimte in de openbare ruimte is voor het fietsparkeren van de horecabezoekers. 5.5.4

Openbaar vervoer

In het Programma van Eisen van de Aangepaste Concessie Amsterdam 2012 (vastgesteld op 5 december 2013) staan normen vermeld over de ontsluiting van gebieden met het openbaar vervoer. Buurten die conform dit Programma van Eisen ontsloten dienen te worden zijn: Woongebieden: buurten met meer dan 1000 inwoners en een gemiddelde dichtheid van minimaal 20 inwoners per hectare. Werkgebieden: bedrijfs- en kantorengebieden met minimaal 2000 werknemers en een gemiddelde dichtheid van ten minste 40 werknemers per hectare. Ziekenhuizen. Verzorgingstehuizen die aan ten minste 100 ouderen huisvesting bieden. Een buurt of instelling wordt als ontsloten beschouwd wanneer aan de volgende eisen is voldaan: Woon- of werkgebied: ten minste 90% van alle adressen ligt binnen een straal van 800 meter van een halte/metrostation liggend aan de hoofdinfrastructuur OV of binnen een straal van 400 meter van een andere halte. Zieken- of verzorgingshuis: de belangrijkste publieksingang van de instelling ligt binnen een loopafstand van 250 meter van een halte/metrostation. Bovenstaande eisen gelden niet wanneer de Concessiehouder naar het oordeel van de Stadsregio kan aantonen dat de lijnvoering die nodig is om aan deze eisen te voldoen, ertoe leidt dat veel reizigers ver moeten omrijden en/of lijnen waarvan maar weinig reizigers gebruik zullen maken aan het openbaar vervoeraanbod moeten worden toegevoegd.

Plangebied Het Cruquiusgebied wordt momenteel niet bediend door het openbaar vervoer. De dichtstbijzijnde openbaar vervoerlijnen zijn de tramlijnen 3 en 14 langs de Flevoweg / Zuiderzeeweg aan de zuidzijde van het Cruquiusgebied. Een halteplaats ligt aan de Flevoweg, ten zuiden van het kruispunt met de Zeeburgerdijk. Deze halte ligt hemelsbreed op 800 meter van het plangebied. De tramhalte behoort tot de hoofdinfrastructuur OV en daarmee kan het Cruquiusgebied als ontsloten worden beschouwd. De ontwikkeling van het gebied zorgt voor een toename aan reizigers. De (huidige) inwoners, gemeente Amsterdam en de ontwikkelaars spannen zich in om in het gebied ook een bushalte te krijgen op de van Lohuizenstraat. 5.5.5

Overige voertuigen

Bij de inrichting van de strook langs de Cruquiusweg en de snedes en kades wordt rekening gehouden met nood- en hulpdiensten, verhuizingen en/of bevoorrading van de functies in de plint vanaf de Cruquiusweg. Met de brandweer zijn hierover afspraken gemaakt (zie ook paragraaf 4.6.3 Advies brandweer). 5.5.6

Conclusie

Het plangebied biedt voldoende ruimte voor het realiseren van de parkeerbehoefte. De toets aan het Programma van Eisen van het openbaar vervoer in het Concessiegebied Amsterdam laat zien dat het Cruquiusgebied is ontsloten op het openbaar vervoer.

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 77

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

5.6

Hoogbouweffectrapportage en windhinder

5.6.1

Kader

In de Amsterdamse Hoogbouwvisie (5 juli 2011) is aangegeven dat verdichting een belangrijke opgave is, voor de hele stad en voor bepaalde gebieden in het bijzonder. Hoogbouw is daarin niet het enige, maar wel een geschikt middel. Het is bovendien een krachtig stedenbouwkundig instrument. Afhankelijk van de positionering van hoogbouw kan deze bijdragen aan de kwaliteit van de stad als metropool. Onder hoogbouw wordt verstaan: gebouwen vanaf 30 meter hoogte of tweemaal de hoogte in hun directe omgeving. Onder middel hoogbouw wordt verstaan: gebouwen van 22,50 tot 30 meter hoogte of 25% hoger dan hun directe omgeving. Hoogbouw en het UNESCO-gebied (kerngebied en bufferzone) Een belangrijk aspect van het hoogbouwbeleid is de bescherming van de bijzondere kwaliteiten van het UNESCO-gebied, zie hoogbouwkaart. Schaalbreuk of aantasting van weefsel of typologie zijn hier niet acceptabel. In dit gebied is maximaal middelhoogbouw toegestaan, alsmede hogere bebouwing voor zover passend binnen per heden vigerende bestemmingsplannen, e.e.a. met inachtneming van de HER procedure. Hoogbouwplannen binnen, maar ook buiten de Singelgracht, die zichtbaar worden vanuit het 'werelderfgoed', moeten worden beoordeeld op effecten op het erfgoed.

Uitgangspunt is dat daar waar het historisch gelaagde stadsbeeld tot een geheel, een eenheid 'vergroeid' is geraakt - dit niet door nieuwe bebouwing, afwijkend in maat en schaal, mag worden aangetast. Rondom het UNESCO-gebied (kerngebied en bufferzone) is op de kaart een zone van 2 km opgenomen. Hoogbouw is hier alleen toegestaan als ondermeer is voldaan aan het zichtbaarheidscriterium zoals voor die zone wordt omschreven bij de HER-procedure. In bepaalde gevallen is het opstellen van een HER, met tenminste een onderzoek naar de impact op het stedelijk landschap, verplicht. Dat doet zich voor in situaties waarin terughoudendheid met hoogbouw wordt beoogd. In deze situaties wil het college van B en W mee kunnen beoordelen wat de effecten zijn op gebieden die om verschillende redenen van grote waarde voor de stad worden geacht. Een rapportage over landschappelijke effecten is verplicht gesteld bij: Middelhoogbouwinitiatieven vanaf 22,5 meter of 25% hoger dan hun directe omgeving in het UNESCO-gebied. Hoogbouwinitiatieven hoger dan 30 meter of tweemaal de hoogte in hun directe omgeving binnen de op de hoogbouwkaart aangegeven 2 km zone rondom het UNESCO-gebied. In deze zone geldt de zichtbaarheid van hoogbouw vanuit het UNESCO-gebied van de Rembrandttoren op 2 kilometer afstand van dat gebied als bovensgrens voor de toelaatbare hoogte.

Hoogbouwinitiatieven vanaf 30 meter buiten die zone, maar binnen één van de hierboven genoemde 'gebieden van bijzondere waarden'. Hoogbouwinitiatieven vanaf 30 meter in de randen van de groene scheggen. Hoogbouwinitiatieven vanaf 40 meter in het Buiten-IJ Hoogbouwinitiatieven vanaf 60 meter elders, met uitzondering van de stimuleringsgebieden (op de hoogbouwkaart paars aangeduid). De HER dient een toelichting op het hoogbouwplan en in ieder geval een rapportage met betrekking tot de landschappelijke inpassing te bevatten. Daarbij wordt aandacht besteed aan de zichtbaarheid op afstand en de inpassing in de bestaande structuur. De impact op afstand en in belangrijke zichtlijnen en assen worden zichtbaar gemaakt aan de hand van ingetekend relevant fotomateriaal. Met de rapportage moet worden aangetoond dat het hoogbouwplan acceptabel en verantwoord is.

78 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Afbeelding 5.7 Hoogbouw Toetskaart met kernzone en buffergebied UNESCO-gebied Spelregelkaart Cruquiusweg e.o. Op de spelregelkaart is bij de deelgebied 7 een hoogteaccent voorzien van 60 meter (zie donkerrode ster op onderstaande afbeelding).

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 79

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Afbeelding 5.8 Hoogteaccent op spelregelkaart Toetsingskader windhinder Voor de toetsting van windhinder in bestemmingsplan is er geen wettelijk kader. Deze beoordeling vindt plaats in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De beoordeling van het windklimaat met betrekking tot windhinder en windgevaar, is in Nederland vastgelegd in de norm NEN 8100. Om te bepalen of windhinder en/of windgevaar te verwachten is, kan in eerste instantie gebruik worden gemaakt van het beslismodel in de NEN 8100. Hierin wordt onder meer beschreven in welke situaties windklimaatonderzoek nodig is. Voor gebouwen met een hoogte vanaf 30 meter wordt nader onderzoek met CFD of windtunnelsimulatie noodzakelijk geacht. Gezien de geplande bouwhoogte van 63 meter, wordt het uitvoeren van een windklimaatonderzoek als noodzakelijk beschouwd. Windhinder

80 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Tabel 5.7 Criteria windhinderklimaat Afhankelijk van de activiteitenklasse wordt de waardering van het lokale windklimaatgekwalificeerd met 'goed', 'matig' of 'slecht' (zie tabel 5.7). Bij een goed windklimaat ondervindt men geen overmatige windhinder. In een situatie zonder overmatige windhinder heeft het merendeel van het publiek onder normale omstandigheden geen last van windhinder. Bij een matig windklimaat ervaart men af en toe overmatige windhinder. In een slecht windklimaat ervaart men regelmatig overmatige windhinder. In een dergelijke situatie heeft het merendeel van het publiek last van windhinder. Er wordt naar gestreefd, om binnen de verschillende activiteitenklassen, een goed, eventueel nog matig windklimaat te realiseren. Activiteitenklasse 'langdurig zitten' is dusdanig kritisch dat deze met terughoudendheid wordt toegepast. Windgevaar Voor windgevaar wordt 15 m/s uurgemiddelde windsnelheid als drempelwaarde VDR;G gehanteerd. Op basis van tabel 5.6, afkomstig uit de NEN 8100, wordt bepaald of sprake is van windgevaar.

Tabel 5.8 Criteria windgevaar De norm stelt: "Situaties waarvoor een overschrijdingskans geldt van 0,05 < p < 0,30 mogen alleen worden geaccepteerd als deze vallen binnen activiteiten klasse I (doorlopen). Voor activiteiten klasse II en III geldt de eis p < 0,05. Situaties met een overschrijdingskans van p > 0,30 zijn evident gevaarlijk en behoren te allen tijde te worden vermeden; het publiek mag hier niet aan worden blootgesteld." 5.6.2

Onderzoek

Ter plaatste van de Kop van het Cruquiusgebied wordt een hoogteaccent gerealiseerd van 63 meter. Het plangebied is nog net gelegen binnen de bufferzone rond het UNESCO-gebied, daarom is een HER opgesteld en is windhinderonderzoek gedaan. HER landschappelijk e inpassing en bezonning De HER (Bijlage 26 Hoogbouweffectrapportage) bevat fotomontages vanuit zichtlijnen in de omgeving. Deze zichtpunten zijn samen met de commissie HER vastgesteld. Vanuit het kerngebied van het UNESCO Werelderfgoed is het project niet zichtbaar doordat het wegvalt achter de bebouwing. Daarmee wordt voldaan aan het zichtbaarheidscriterium. Om inzicht te krijgen in de gevolgen van het plan voor de bezonning en de schaduwwerking op de context is met behulp van een 3D model een bezonningsstudie gemaakt. Op drie dagen in het jaar, representatief voor de verschillende seizoenen (21 februari, 21 april en 21 juni), gedurende de dag tussen 08:00 en 18:00 uur, is een projectie van de schaduw gesimuleerd. bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 81

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

De studie laat zien dat met de komst van de nieuwbouw de omliggende bebouwing in de omgeving niet veel last krijgt van de schaduwval. Gedurende de dag valt de schaduw voornamelijk op het water en niet op de omliggende bebouwing. Doordat het hoogste volume op het meest noordelijke uiteinde van Cruquius-eiland is gesitueerd werpt deze geen grote slagschaduw op de omliggende bebouwing en pleinruimte aan de westzijde van het Cruquiuseiland. Windhinderonderzoek Voor de opzet van het onderzoek en de beoordeling van het windklimaat (Bijlage 27 Windhinderonderzoek) is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. In het windonderzoek is eerst het oorspronkelijke ontwerp beschouwd, met onderdoorgang in het gebouw Metaalpark. Vervolgens zijn 2 varianten berekend: 1. met beplanting 2. met beplanting en zonder onderdoorgang. Uit het onderzoek is gebleken dat het dichtzetten van de onderdoorgang en het planten van bomen (op sommige plaatsten) veel effect heeft op het windklimaat. Daarom is in het definitieve ontwerp geen onderdoorgang meer opgenomen en worden bomen aangeplant. De bomen die het meeste effect hebben op het windklimaat zijn in dit bestemmingsplan ook verplicht gesteld. Hierbij wordt uitgegaan van grotere bomen die goed tegen wind kunnen. Jonge bomen hebben minder effect.

Uit de resultaten van het onderzoek (zonder onderdoorgang en met beplanting) kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Rondom de noordelijke toren op de kop van Cruquius is het windklimaat in een aantal gebieden als matig en op een paar lokale plekken als slecht te kwalificeren. Op een beperkt aantal plekken en leidt dit zeer lokaal tot overschrijding van het gevaarcriterium conform de NEN 8100. Op straten rond de overige gebouwen is op veel plaatsen een goed, lokaal een matig windklimaat te verwachten.

Afbeelding 5.9 Windhinder

82 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Afbeelding 5.10 Windgevaar Door het plaatsen van bomen wordt de windhinder en het windgevaar beperkt. De lokale situaties met windgevaar kunnen opgelost worden met het plaatsen van plantenbakken of windschermen. Dit betreft maatwerk wat bij de definitieve plannen beoordeeld zal worden. Ook worden er langs het Amsterdam Rijnkanaal lage hekken geplaatst om te voorkomen dat mensen in het water vallen. Dit is vanuit windgevaar overigens niet nodig, maar acht de gemeente wel wenselijk gezien de drukke vaarroute op het Amsterdam Rijnkanaal. In het definitieve inrichtingsplan zijn de bomen enigszins verschoven. Daarom is het windhinderonderzoek geactualiseerd (zie Bijlage 28 Geactualiseerd windhinderonderzoek). Hieruit blijkt dat de verschuiving van de bomen geen significant effect heeft op de rekenresultaten uit het eerdere onderzoek. 5.6.3

Conclusie

De ontwikkeling past in de Hoogbouwvisie. Met de HER wordt voldaan aan de eisen die hierin zijn gesteld binnen de bufferzone van het UNESCO-gebied. Uit de HER en het windhinderonderzoek blijkt dat er vanuit windhinder enkele knelpunten zijn. Deze worden opgelost door het planten van bomen. Het planten van bomen heeft een positief effect op de windhinder en is daarom in het bestemmingsplan via een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

5.7

Natuurbescherming

5.7.1

Kader

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 83

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Natura 2000 is het Europese netwerk van waardevolle natuurgebieden, dat er op gericht is de aanwezige natuurwaarden te behouden en te versterken. Gebieden die door de minister zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied en Habitatrichtlijngebied vormen samen de Natura 2000-gebieden. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor soorten en habitattypen. Ruimtelijke ontwikkelingen of gebruik die een negatief effect hebben op deze doelstellingen zijn niet zondermeer toegestaan. De bescherming van deze gebieden is in Nederland geregeld via de Wet natuurbescherming (per 1 januari 2017). Om schade aan de natuurwaarden waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te voorkomen, bepaalt de wet dat projecten en plannen die de kwaliteit kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Om vast te stellen of, en zo ja, onder welke voorwaarden een project of plan in en rondom een Natura 2000-gebied kan worden toegelaten, dient deze getoetst te worden. Indien effecten niet kunnen worden uitgesloten dient, afhankelijk van het te verwachten effect een verslechterings- en verstoringtoets dan wel een passende beoordeling te worden uitgevoerd. Soortenbescherming De bescherming van planten- en diersoorten is per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming.

Deze wet is erop gericht om de Nederlandse biodiversiteit te beschermen en de dieren en planten binnen de Nederlandse wetgeving de plek te geven die hun volgens de Europese (Vogel- en Habitatrichtlijnen) afspraken toekomt. Het uitgangspunt is een wettelijk verbod op het doden van een aantal in het bijzonder genoemde dieren en planten. Voor terugkerende werkzaamheden, zoals het onderhoud aan vaarwegen of het maaien van graslanden die al langer op dezelfde manier worden uitgeoefend en kennelijk niet hebben verhinderd dat een beschermde soort zich in het gebied heeft gevestigd, kan een vrijstellingsregeling in werking treden als wordt voldaan aan bepaalde criteria. De criteria die worden gehanteerd bij het opstellen van de vrijstellingsregeling zijn de zeldzaamheid van soorten en de ingrijpendheid van activiteiten. Hoe zeldzamer de soort en hoe ingrijpender de activiteit, hoe strikter het beschermingsregime. Ook voor ruimtelijke ontwikkeling en inrichting kan een vrijstelling gelden, al is deze minder omvattend dan de vrijstelling voor terugkerende werkzaamheden. Om gebruik te kunnen maken van de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen, beheer en gebruik, is een gedragscode nodig. Een gedragscode is niet verplicht, maar dan moet voor ieder project of beheeractiviteit in een terrein waar beschermde soorten voorkomen de ontheffingsprocedure worden doorlopen.

Gedragscode Flora- en faunawet Amsterdam (2009) De gedragscode is van toepassing binnen de grenzen van de gemeente Amsterdam en het beheer gebied van het Amsterdamse Bos op alle medewerkers van de gemeente Amsterdam die zelf of samen met andere werkzaamheden uitvoeren of die daartoe opdracht geven aan derden. Deze derden verklaren bij hun werkzaamheden de = 'Gedragscode flora en fauna van de gemeente Amsterdam' te onderschrijven en te volgen. Op verzoek kunnen zij een exemplaar van de gedragscode overhandigen aan controlerende instanties of verenigingen. Met de gedragscode beschrijft de gemeente Amsterdam de voorzorgsmaatregelen die erop gericht zijn de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten die binnen haar gemeente grenzen voorkomen bij het uitvoeren van werkzaamheden te handhaven dan wel te versterken. Daarmee voldoet de gemeente Amsterdam aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 16c van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantsoorten Flora- en faunawet. De gedragscode heeft betrekking op plannen en projecten die in opdracht van of door de gemeente Amsterdam worden voorbereid en uitgevoerd. De gedragscode betreft: de voorbereiding en uitvoeren van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling; het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud.

84 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

5.7.2

Quickscan Ecologie

Begin 2013 is een Ecoscan Bestemmingsplan Cruquiusgebied uitgevoerd. De aanwezigheid van de meeste beschermde soorten is gezien het regionale verspreidingsbeeld en de habitatkenmerken van het gebied uit te sluiten in het Cruquiusgebied. De conclusies uit de Ecoscan Bestemmingsplan Cruquiusgebied (RHDHV, 2013) blijven - gezien de weinig veranderde situatie van het Cruquiusgebied – daarmee staan. Wel zijn sinds de Wet natuurbescherming van kracht is (1 januari 2017), enkele soorten beschermd in de provincie Noord-Holland die voorheen niet beschermd waren. Dit zijn kleine marterachtigen, enkele dagvlinders en libellen. Het Cruquiusgebied, biedt geen leefgebied voor deze soorten. Daarvoor ontbreken de juiste biotopen en voldoende voedsel, bovendien is het terrein voor met name kleine marterachtigen teveel verstoord. De aanwezigheid van beschermde gebouwbewonende soorten als huismus en gierzwaluw en de soortgroepen vleermuizen en vaatplanten is in het Cruquiusgebied niet op voorhand uit te sluiten. Vanwege de grote onderzoeksintensiteit en het gering aantal vleermuizen dat tijdens eerdere onderzoeken is aangetroffen, is eerst een inventariserende gebouwenscan uitgevoerd (RHDHV, 2017).

Hierin is op basis van kenmerken van verblijfplaatsen en de aanwezigheid hiervan per gebouw in het Cruquiusgebied een indeling gemaakt in vier geschiktheidsklassen voor het herbergen van vleermuisverblijfplaatsen: geschikt, matig geschikt en ongeschikt. Op deze manier is duidelijk geworden op welke gebouwen de focus moet komen te liggen bij het nader onderzoek. Tijdens de gebouwenscan zijn ook (potentiele) nestlocaties van huismussen en gierzwaluwen in beeld gebracht, zodat ook naar deze soorten gerichte inventarisaties kunnen worden uitgevoerd. Ook zijn aanwezige kademuren beoordeeld op geschiktheid als standplaats voor beschermde muurplanten. Naast de indeling voor vleermuizen is in de gebouwenscan geconcludeerd dat in de nieuw te ontwikkelen delen van het Cruquiusgebied geen geschikt leefgebied aanwezig is voor de huismus en beschermde vaatplanten. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Markermeer & IJmeer op een afstand van circa 1,5 kilometer. Overige Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten liggen op meer dan drie kilometer van het plangebied.

Vanwege de afstand tot het Natura 2000-gebied, de ligging van het plangebied binnen een intensief 'lawaai' industriegebied, drukke woonwijken en intensief bevaren vaargeul en het feit dat tussen de planlocatie en het Natura 2000-gebied nog de snelweg A10 ligt, worden geen negatieve effecten verwacht op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer. Uit Bijlage 30 Stikstofonderzoek blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot een stikstoftoename op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Cruquiusgebied ligt ten westen van Zeeburgereiland. Langs de westoever van Zeeburgereiland zal een ecologische verbindingszone, EVZ Gooi-Waterland, worden gerealiseerd. Deze loopt door de mond van het Amsterdam Rijnkanaal en de westzijde van het Zeeburgereiland. Deze verbindingszone ligt op circa 500 meter van het Cruquiusgebied en hiervan gescheiden door de vaargeul van het Amsterdam Rijnkanaal. Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EVZ zijn uitgesloten. Soortenbescherming Op 10 april 2017 is een verkennend onderzoek naar de potentiele geschiktheid van de verschillende gebouwen voor huismus, gierzwaluw, vleermuizen en de kademuren voor beschermde muurplanten (zie Bijlage 31 Onderzoek beschermde soorten Wnb).

Tijdens het verkennend onderzoek zijn de verschillende gebouwen gecontroleerd op de aanwezigheid van voor vleermuizen geschikte elementen (zoals spouwmuren, houten betimmering, dakoverstekken, dakpannen etc.) om verblijfplaatsen te kunnen herbergen. Op basis van het verkennend onderzoek kan worden geconcludeerd dat als gevolg van de voorgenomen ingreep twee zomerverblijfplaatsen en twee paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis verdwijnen. bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 85

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Het verdwijnen van drie zomerverblijfplaatsen en drie paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis is niet te voorkomen. Effecten kunnen worden gemitigeerd door: Buiten de periode te werken dat deze verblijfplaatsen worden gebruikt. Dat betekent dat buiten de periode april t/m oktober gewerkt moet worden; Als niet buiten de periode april t/m oktober gewerkt kan worden, dan moeten de verblijfplaatsen voorafgaand aan deze periode ongeschikt gemaakt worden door ze open te maken (onder begeleiding van een ter zake kundige ecoloog); Alternatieve verblijfplaatsen aan te bieden zowel als overbrugging tijdens de bouw als in de permanente situatie. Voor elke verblijfplaats die zijn functie niet meer kan vervullen, worden meerdere nieuwe alternatieve verblijfplaatsen gecreëerd. Deze verblijfplaatsen moeten tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden zijn gerealiseerd, waarbij rekening wordt gehouden met de gewenningsperiode voor verschillende typen verblijfplaatsen. Inmiddels zijn de gebouwen met de verblijfplaatsen van de vleermuizen reeds gesloopt. In juni 2017 is in het plangebied een foerageergebied geconstateerd. De foerageergebieden die verloren gaan zijn van geringe kwaliteit.

Omdat nieuwe gebouwen op en in de directe omgeving van het plangebied worden voorzien van groene daken en ook de omgeving parkachtig wordt ingericht, zorgt errvoor dat er voldoende nieuw foerageergebied aanwezig zal zijn, dat het oude foerageergebied kan opvangen. Met het verlies van deze foerageergebieden worden geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. Naast de geschiktheidsbepaling voor vleermuizen is uit het verkennend onderzoek gebleken dat standplaatsen van beschermde flora afwezig niet zijn. Ook biedt het plangebied geen nestgelegenheid voor huismussen, vanwege het ontbreken van voldoende voeds elaanbod en/of dekking biedende beplanting in de directe nabijheid. Tijdens de onderzoeken in juni en juli is ook gezocht naar gierzwaluwen. Er is op beide avonden geen gierzwaluw aangetroffen in het plangebied. Uitgangspunt voor de ontwikkeling is dat er natuur inclusief gebouwd wordt. Dit zal gedaan worden door zwaluwnesten in de metselwerk gevels op te nemen en kasten voor vleermuizen. Daken zullen waar mogelijk als groen dak worden uitgevoerd. Tevens zullen in de inrichting van de openbare ruimte groen elementen worden opgenomen die in samenhang met het gebouw een duurzaam leefgebied creëren. 5.7.3

Conclusie

De voorgenomen werkzaamheden (sloop en nieuwbouw) hebben geen effect op beschermde gebieden. Er zal natuurinclusief gebouwd worden, waardoor nieuwe verblijfsplaatsen voor vleermuizen gerealiseerd worden en de bruikbaarheid van het gebied voor gierzwaluwen vergroot wordt.

5.8

Niet gesprongen explosieven (NGE)

5.8.1

Kader

Voordat een locatie bouwrijp gemaakt kan worden, is het noodzakelijk om voldoende inzicht te hebben in de bodemkwaliteit en ondergrondse obstakels. De bodemopbouw van Amsterdam is bepaald door een combinatie van natuurlijke processen en menselijke ingrepen. Ophogingen, dempingen, calamiteiten, industriële activiteiten, lozingen en slordige bedrijfsvoeringen hebben her en der verontreinigingen veroorzaakt. Funderingsrestanten en verlaten leidingen vormen onzichtbare ondergrondse obstakels. Militaire activiteiten hebben vaak een explosieve erfenis nagelaten. Op basis van historisch archief wordt beoordeeld wat zich in de bodem bevindt. 5.8.2

Plangebied

Ingenieursbureau Amsterdam heeft een historisch vooronderzoek naar Conventionele Explosieven (CE) laten uitvoerenten. Hieruit is gebleken dat de locatie als niet-verdacht kan worden beschouwd.

86 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

5.8.3

Conclusie

Het aspect niet gesprongen explosieven vormt dan geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.

5.9

Duurzaamheid

5.9.1

Kader

Agenda Duurzaamheid De gemeente Amsterdam wil de verduurzaming van de hoofdstad versnellen. Dit staat in de Agenda Duurzaamheid, de agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad. De Agenda Duurzaamheid is vastgesteld door de Gemeenteraad van Amsterdam op 11 maart 2015. Amsterdam wil een inhaalslag maken op het gebied van duurzaamheid. Dit doen we in goede samenwerking met partners uit de stad (bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen), niet alleen voor het creëren van breed maatschappelijk draagvlak, maar ook om de energie en doorzettingskracht die al aanwezig zijn in de samenleving te versterken. De Agenda Duurzaamheid is uitgewerkt met kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen, langs vijf transitiepaden, met als rode draad de filosofie van de circulaire economie: innovatie, meer doen met minder, slimmer en hernieuwbaar.

In de agenda zijn de volgende kwantitatieve doelen opgenomen: Duurzame energie: in 2020 wordt per inwoner 20% meer duurzame energie opgewekt dan in 2013; Schone lucht: in 2025 is de hoogst gemeten concentratie stikstof-dioxide 35% lager dan in 2015; Schone lucht: in 2025 is de hoogst gemeten concentratie roet 30% lager dan in 2015; Scheiden van afval: in 2020 wordt 65% van het huishoudelijk afval gescheiden; In 2025 is de CO2-uitstoot van de gemeente 45 procent minder dan in 2012. Duurzame energie In december 2016 heeft de gemeenteraad Amsterdam de Strategie 'Naar een stad zonder aardgas' vastgesteld. Hierin wordt de strategie beschreven hoe de stad aardgasloos kan worden. Dit betekent o.a. dat nieuwbouw niet meer worden aangesloten op het gasnet, transformatie wordt gebruikt als aanleiding om duurzaam te gaan verwarmen en dat er naar alternatieven moet worden gezocht voor de verwarming van woningen, de bereiding van warm tapwater en koken op aardgas. Dit geldt voor alle nieuwbouw- en transformatiegebieden in Amsterdam. In het plangebied wordt aardgasloos privaatrechtelijk geborgd. Energieneutrale nieuwbouw stimuleren Het Raadsbesluit uit 2008 om in 2015 alleen nog maar Klimaat Neutraal (EPC = 0,15) te bouwen heeft tot nog toe beperkt resultaat opgeleverd, namelijk 1% van de nieuwbouw.

In de uitvoering is meer nadruk op het uitdagen van de markt via het selectieproces van ontwikkelende partijen en het aanwijzen van gebieden met een hogere ambitie nodig. Het bouwbesluit stelt dat vanaf 2020 nieuwbouw energieneutraal (de nieuwe term in de sector) de norm is. De stad hanteert de volgende doelstelling:in Amsterdam ontwikkelen we de nieuwbouw– woningen en utiliteit – in 2020 energieneutraal.Het is de ambitie dat 75 procent van het programma in de overeenkomsten die vanaf 1 januari 2015 afgesloten worden, energieneutraal wordt ontwikkeld. Waar het bouwbesluit conform de Europeserichtlijn de ondergrens vormt, wordt de markt tegelijkertijd uitgedaagd om beter te presteren. Ontwikkelende partijen – ontwikkelaars, woningcorporaties, maar ook (collectieve) particuliere opdrachtgevers (CPO) en zelfbouwers – worden gestimuleerd. 5.9.2

Plangebied

Natuur inclusief bouwen Het uitgangspunt is, zoals beschreven in de agenda groen, om de biodiversiteit te versterken in het nieuwe plan. Dit zal gedaan worden door zwaluwnesten in de metselwerk gevels op te nemen en kasten voor vleermuizen. Daken zullen waar mogelijk als groen dak worden uitgevoerd. Tevens zullen in de inrichting van de openbare ruimte groen elementen worden opgenomen die in samenhang met het bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 87

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7 gebouw een duurzaam leefgebied creëren. Duurzame energie en circulair bouwen Duurzaamheid is op het hoogste niveau aanwezig door een WKO-installatie die tevens gebruik maakt van oppervlaktewater. De woningen kennen een zeer goede isolatie. Ze worden voorzien van groene daken en zonnepanelen. Door verdiept parkeren is sprake van dubbel grondgebruik. De Villa wordt behouden en hergebruikt. Ook worden de spanten van een loods aangeboden voor hergebruik. Samen met de gemeente Amsterdam en de eigenaren van andere locaties is een Raamwerk voor de openbare ruimte opgesteld dat bijdraagt aan biodiversiteit. Schone lucht en mobiliteit De Amsterdamse ambitie voor het thema schone lucht gaat verder dan de wettelijke eisen voor luchtkwaliteit en is gericht op een gezonde luchtkwaliteit. Het gaat daarbij met name om mobiliteit gerelateerde maatregelen en een (stedenbouwkundig) ontwerp, met bijvoorbeeld autoluwe gebieden, dat bijdraagt aan een gezonde leefomgeving. Ook voor deze locatie geldt dat de negatieve effecten op de luchtkwaliteit met name van het verkeer afkomstig zijn. Goede OV- en fietsverbindingen De inzet is om het autogebruik zoveel mogelijk te beperken door een lage parkeernorm te hanteren. De bebouwingsdichtheid van het gebied is hoog, in de omgeving is een mix van functies aanwezig en er komt een hoogwaardige openbare ruimte.

De voorwaarden zijn daarmee aanwezig voor een levendig stedelijk milieu, waar de voetganger zich thuis voelt. Om de rest van de stad te bereiken, bestaat een goede ontsluiting van het gebied met de fiets. En de bereikbaarheid met het openbaar vervoer zal naar verwachting in de toekomst verbeterd worden. Goederenvervoer De bevoorradingsroutes voor o.a. bedrijven, kantoren en winkels verdienen vanuit luchtkwaliteit aandacht. Er komen voldoende laad- en losvoorzieningen in de nabijheid zodat het overige verkeer goed kan doorstromen (en daarmee minder luchtvervuiling veroorzaakt). Elektrisch Vervoer Elektrisch vervoer heeft de toekomst: het is duurzaam en draagt bij aan een gezonde leefomgeving. Om elektrisch vervoer in het gebied mogelijk te maken, is het van belang dat hiervoor afdoende infrastructuur aanwezig is. Er is daarbij een onderscheid te maken in de oplaadinfra die bij oplevering aanwezig moet zijn en de oplaadinfra voor de toekomst die in eerste instantie alleen moet zijn voorbereid. Het gaat zowel om voldoende oplaadfaciliteiten in de openbare ruimte als in de privégarages op eigen terrein. Er zullen in de openbare ruimte en gebouwen voorbereidingen getroffen om te anticiperen op een toekomst met meer elektrisch vervoer. Huishoudelijk afval De gemeenteraad Amsterdam heeft in juli 2016 het Uitvoeringsplan Afval vastgesteld.

Amsterdam heeft een hoge ambitie op het gebied van afval en grondstoffen. De gemeente wil dat het afvalscheidingspercentage omhoog gaat (van 27% voor huishoudelijk afval in 2014 naar 65% in 2020) om zo meer grondstoffen terug te winnen voor hergebruik, recycling en andere nuttige toepassingen. Hoe dit gerealiseerd gaat worden staat omschreven in het Uitvoeringsplan Afval. Het plan sorteert voor op de nieuwe gemeentelijke afvalrichtlijnen voor nieuwbouwgebieden. De essentie hiervan is sturing op scheiden van afval dichtbij huis (bronscheiden). Dat betekent dat ondergrondse containers voor fijn huishoudelijk afval (restafval, glas, oud papier & karton, plastic en drankkartons, en textiel ) dichtbij de woning en zoveel mogelijk in herkenbare eilanden (clusters) worden geplaatst. Klimaatbestendig Uit klimaatscenario's van het KNMI blijkt dat er tegenwoordig meer hevige regenbuien vallen dan vroeger en dat we in de toekomst extremer weer krijgen. De zomers worden warmer en mogelijk droger en de winters zachter en natter. In het extremer wordende klimaat en de verdere verdichtende stad is een extra inspanning nodig o.a. om de stad hemelwaterbestendig te maken en schade te voorkomen. Er 88 eld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15362929/1