04. Toelichting.pdf
Tekst van het document
Gemeente Amsterdam
blz. 30
bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 31
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Inleiding
Aan de transformatie van het gebied Cruquius van "traditioneel" werkgebied naar een gemengd woon-werkgebied wordt al langere tijd gewerkt. De herontwikkeling van Cruquius is gestart met de vaststelling van de "Stedenbouwkundige Programma van Eisen Van Lohuizen” in 2005. Gedurende de gefaseerde transformatie van Cruquius vindt op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau actualisatie van beleid plaats en wordt nieuw beleid gemaakt voor actuele ruimtelijke gerelateerde vraagstukken. Het ruimtelijk gerelateerd beleidskader waarbinnen voorliggend bestemmingsplan wordt/is opgesteld, is in de navolgende paragrafen uiteengezet. Hierbij is tevens aangegeven in hoeverre en hoe dit beleid doorwerkt in voorliggende plan.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld en komt voort uit de voorbereiding op de Omgevingswet, die op moment van opstellen van voorliggend bestemmingsplan, naar verwachting in 2022 in werking treedt. In deze nieuwe aanpak wordt als uitgangspunt gesteld dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Het Rijk wijst in zijn Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vier prioriteiten aan: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's, en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De kracht van Nederland ligt in een polycentrische netwerkstructuur. Stedelijke en landelijke regio's werken door het transport- en mobiliteitsnetwerk complementair als één systeem. De vier metropoolregio's (Amsterdam, Rotterdam Den Haag, Utrecht en Eindhoven) hebben daarbinnen de grootste aantrekkingskracht op internationale kennis, arbeid en kapitaal. De Amsterdamse metropoolregio is volgens de visie herkenbaar als internationaal zakencentrum en toeristische trekpleister, met Schiphol als schakel naar alle continenten. Deze regio kent een complexe verstedelijkingsopgave die samenvalt met meerdere nationale belangen. Een van de nationale belangen in de visie is de zorg voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.
Het Rijk geeft daarmee het belang aan van de realisatie van voldoende betaalbare woningen met een goede kwaliteit. Bij kwaliteit gaat het niet alleen om de woning, maar ook om de woon- en leefomgeving. De herontwikkeling van het Cruquiusgebied sluit aan bij de doelstelling van het Rijk om sterke en gezonde steden en regio’s te ontwikkelen. Met voorliggend plan wordt woningbouw mogelijk gemaakt in de sociale huursector en mddeldure huur. Het plan biedt ook ruimte aan voorzieningen die bijdragen leveren aan oplossingen voor maatschappelijke en sociale vraagstukken. 3.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De rijksregels waarmee in de planvorming en in het bestemmingsplan rekening moet worden gehouden zijn op moment van opstellen van voorliggend bestemmingsplan vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Voorliggend plan betreft de transformatie van een "traditioneel" werkgebied in het stedelijk gebied van Amsterdam naar een gemengd woon-werkgebied. Het plan raakt niet aan nationale belangen waarvoor in het Barro (beschermende) regels zijn opgenomen.
Gemeente Amsterdam
blz. 32
3.2.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor Duurzame Verstedelijking (LvDV) is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en is als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd, is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en een goede ruimtelijke ordening bewerkstelligen, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. De behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom worden afgewogen en gemotiveerd. Voorliggend bestemmingsplan geeft concrete invulling aan het ruimtelijk gemeentelijk beleid voor een gefaseerde transformatie van het (voormalige) monotone bedrijventerrein Cruquius naar gemengd woon-werkgebied met voorzieningen. Voorliggend bestemmingsplan betreft een deelgebied van die transformatie-opgave. Het bestemmingsplan ziet toe op de realisatie van een deel van de woningbouwopgave voor Cruquius en maatschappelijke voorziening met behoud van ruimte voor bedrijvigheid. Zoals onder meer uit de paragrafen 3.5.1, 3.5.2, 3.5.3, 3.5.4 en 8.1 van voorliggende toelichting is op te maken voorziet het plan daarmee in de behoefte aan woningbouw in Amsterdam met de daarmee gepaard gaande nieuwe vraag aan bijbehorende voorzieningen.
3.3
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie NH 2050 Op 19 november 2018 hebben de Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. Omdat het leefbaar houden van de provincie ook vraagt om grote investeringen in bijvoorbeeld het landschap, natuurontwikkeling en de transitie naar een duurzame energiehuishouding. De provinciale visie ten aanzien van Amsterdam en de metropool rond Amsterdam is opgenomen in de Omgevingsvisie. De metropool rond Amsterdam is een stedelijk systeem van grotere en kleinere kernen, met Amsterdam als hoog stedelijke kernstad, een landschap met hoge gebruiks- en belevingswaarde, een multimodale bereikbaarheid, een havengebied met energietransitie en circulaire economie als dragers en Schiphol als internationale hub. De ontwikkeling komt tot uiting door een snel groeiend aantal inwoners, arbeidsplaatsen en bezoekers, leidend tot een tendens van concentraties van economische functies.
Grote aantallen arbeidsplaatsen concentreren zich op een aantal locaties in een zone van de Amsterdamse binnenstad tot net ten zuiden van Schiphol. Daarbij is het wenselijk om, vanuit het beperken van woon-werkafstanden en daarbij horen de mobiliteitsinvesteringen, nieuwe woningen zo dicht mogelijk bij de grote werkconcentraties te realiseren, waar mogelijk in gemengde woonwerkmilieus. De provincie ziet zichzelf wat de metropool Amsterdam betreft meer als aanjager en als expert. Voor het overige geldt, net als in de huidige situatie, dat de gemeente Amsterdam op basis van de eigen structuurvisie vrijheid heeft ten aanzien van het te volgen ruimtelijk beleid. Omgevingsverordening De provincie wil met de omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. Gezocht wordt naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De belangrijkste belangrijke ambities voor Noord-Holland, zoals omschreven in de Omgevingsvisie, zijn vertaald naar regels die verankerd zijn in de Omgevingsverordening Noord-Holland. Op donderdag 22
bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 33
oktober 2020 hebben de Provinciale Staten de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De Omgevingsverordening NH2020 geldt vanaf 17 november 2020 en vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. De Omgevingsverordening NH2020 is gebaseerd op de huidige wet- en regelgeving. Met deze omgevingsverordening loopt de provincie bewust vooruit op de Omgevingswet. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Het ontwerp van voorliggende bestemmingsplan heeft voor het inwerking treden van de Omgevingswet ter inzage gelegen. Dit betekent dat voorliggende bestemmingsplan en de onderzoeken die daaraan ten grondslag liggen zijn gemaakt en uitgevoerd onder de werking van de wet- en regelgeving zoals die geldt vóór het inwerking treden van de Omgevingswet. Voor wat betreft provinciale regelgeviung geldt dat tt en met 31 december 2023 de Omgevingsverordening NH2020 gold en dat sinds 1 januari 2024 de Omgevingsverordening NH2022 geldt. De regels en wetten die terug zijn gekomen in de Omgevingsverordening NH2022 komen grotendeels overeen met de Omgevingsverordening NH2020, maar zijn omgezet conform de nieuwe eisen die de Omgevingswet stelt.
In de Omgevingsverordening NH2020 is onder meer bepaald dat: een ruimtelijk plan uitsluitend kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. de toelichting van een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. Voor deze punten geldt dat regionale afstemming plaats heeft gevonden, onder andere in het kader van het Regionaal Actieprogramma Wonen. Voor de beschrijving van het onderwerp klimaat adaptatie wordt verwezen naar paragraaf 3.5.9 en paragraaf 3.5.10.
3.4
Regionaal beleid
Metropoolregio Amsterdam De Metropoolregio Amsterdam is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De democratische legitimatie van besluiten vindt plaats in de Staten en Raden van de aangesloten gemeenten en provincies. Het versterken van de concurrentiepositie, nationaal en internationaal, vormt de rode draad binnen de metropoolsamenwerking. Om in de Europese top mee te kunnen blijven spelen, is de gezamenlijke ambitie gericht op het creëren van een hoogwaardig, veilig en duurzaam leef- en woonmilieu voor bedrijven, bewoners en bezoekers, nu en straks. Door in te zetten op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden die omringd worden door recreatief groen moet het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijven. Rond de beleidsvelden verkeer en vervoer, economie, verstedelijking, landschap en duurzaamheid zijn drie regionale bestuurlijke overlegorganen geformeerd. De samenwerking in metropoolverband levert de regio bovendien structureel meer kracht en zeggenschap op richting het Rijk. Op basis van de MRA Agenda stemmen gemeenten fasering en programmering van de woningbouwplannen met elkaar af.
Die afstemming bestaat uit het uitwisselen van informatie en inzicht in de feitelijke ontwikkelingen op de regionale woningmarkt. Dit gebeurt onder meer door het monitoren van zowel de beschikbare harde en zachte plancapaciteit en van de daadwerkelijke jaarlijkse woningproductie. Ook wordt voor het eerst het regionale woonwensenonderzoek Wonen in de Metropoolregio Amsterdam (WiMRA) in de gehele MRA gehouden. Op basis van het gezamenlijk inzicht worden opgaven geformuleerd waaraan gezamenlijk gewerkt wordt.
Gemeente Amsterdam
blz. 34
Plabeka Het Platform Bedrijven en Kantoren (Plabeka) is in 2005 opgericht. In dit regionale samenwerkingsverband stemmen de provincies Noord-Holland en Flevoland samen met de Stadsregio Amsterdam en de gemeenten vraag en aanbod van bedrijfslocaties zo goed mogelijk op elkaar af. In Plabeka vindt de regionale afstemming plaats over de kwantiteit en kwaliteit van werklocaties. Het doel van Plabeka luidt als volgt: Het creëren van voldoende ruimte en kwaliteit van werklocaties (kantoren, bedrijventerreinen, zeehaventerreinen) voor een evenwichtige economische ontwikkeling om daarmee een bijdrage te leveren aan de versterking van de (internationale) concurrentiepositie van de Metropoolregio en het verbeteren van het regionale vestigingsklimaat voor het bedrijfsleven. Uitvoeringsstrategie Plabek a 3.0, Ruimte voor werken in de MRA van morgen: 2017-2030 Het regionale werklocatiebeleid is vastgelegd in de Uitvoeringsstrategie Plabeka 3.0 (20 juli 2017). De behoefte aan bedrijventerreinen is lager in vergelijking tot de periode voor de crisis en op de kantorenmarkt is er een flinke leegstand, al neemt die in sommige deelregio's snel af en met name in Amsterdam. Voorliggend bestemmingsplan ziet toe op transformatie van een gebied dat als bedrijventerrein is bestemd, in woon-werkgebied.
Plabeka 3.0 is hierover onder meer aangegeven dat de ruimtedruk in de kern van de metropoolregio toe neemt en dat dit vraagt om verdichting binnen het stedelijk gebied. Tegelijkertijd vraagt de transitie naar de nieuwe economie (duurzaam, circulair, digitaal) om werklocaties die aansluiten op de veranderde ruimtebehoefte. Transformatie van bedrijventerreinen en kantoren is hiervoor een belangrijk middel; de ambitie die de regio op transformatiegebied heeft is dan ook fors. Overigens gaat het hierbij veelal om transformatie van monofunctionele werklocaties naar gemengde gebieden voor wonen én werken; er wordt dus met transformatie vaak óók nieuwe bedrijfsruimte gerealiseerd. De transformatie naar gemengde woon-werkmilieus - of naar andere functies - zorgt ervoor dat de regio kan voorzien in de kwalitatieve ruimtevraag naar gemengde, multimodaal bereikbare werkgebieden in de stad. De MRA heeft daarbij de opgave om verouderde en/of incourante kantoorlocaties en bedrijventerreinen te herstructureren en/of te transformeren. Een bestemming waar nog wel vraag naar is, en die transformatie in veel gevallen ook rendabel kan maken, is wonen. Daarbij draagt transformatie van werklocaties ook bij aan meer ruimte voor wonen in de MRA.
Weliswaar richt Plabeka zich op ruimte voor werken - en niet op ruimte voor wonen - maar voldoende woningen op de juiste plekken zijn óók nodig om talent in de MRA te kunnen accommoderen, wat ook relevant is voor het vestigingsklimaat. Stadsregio Amsterdam - PvE Aangepaste concessie Amsterdam 2012 De Stadsregio signaleert in 2012-2013 dat voor de komende decennia daarna een sterke rol van het Amsterdamse OV nodig zal zijn om de Metropoolregio Amsterdam bereikbaar en leefbaar te houden. Goed openbaar vervoer is één van de noodzakelijke voorwaarden om de Metropoolregio verder te laten groeien. Goed openbaar vervoer maakt Amsterdam aantrekkelijk als stad om te wonen, te werken, te leren, te ondernemen en te bezoeken. De Stadsregio heeft op 5 december 2013 het PvE Aangepaste concessie Amsterdam 2012 vastgesteld. De Stadsregio ziet de Concessiehouder als de aangewezen partij om met slimme en creatieve vervoersoplossingen een openbaar vervoernetwerk te ontwikkelen dat optimaal aansluit op de vervoersvraag van (potentiële) reizigers. De Concessiehouder heeft met zijn kennis en ervaring namelijk het beste zicht op de voorkeuren van (potentiële) reizigers en de mogelijkheden om op efficiënte wijze in deze voorkeuren te voorzien.
Inzet van de Stadsregio is dan ook om de Concessiehouder de ruimte te bieden om zijn kennis en ervaring blijvend in te zetten voor de ontwikkeling van een betrouwbaar, samenhangend, snel en herkenbaar openbaar vervoernetwerk, dat een visitekaartje vormt voor de Metropoolregio Amsterdam en dat de vergelijking kan doorstaan met het openbaar vervoer in andere Europese metropolen.
bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 35
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1
Beleidsontwikkeling Cruquius
Zoals in paragraaf 2.1 is aangegeven, is het gebruik en de inrichting van Cruquius niet statisch. In en rondom dit gebied is al lange tijd een proces van transformatie gaande. In beleidsmatig opzicht is hier in de loop der tijd in verschillende beleidsdocumenten in meerdere of mindere mate sturing aan gegeven. Zo zijn in het “Stedenbouwkundige Programma van Eisen Van Lohuizen” (SPvE) in 2005-2006 de uitgangspunten voor de ontwikkeling van de directe omgeving van de Van Lohuizenlaan beschreven (vastgesteld op 18 oktober 2005 door de stadsdeelraad en op 31 januari 2006 door het college). In 2008 is de Toekomstvisie Cruquiuswerkgebied en Zeeburgerpad vastgesteld. Deze visie richtte zich op het behoud van gebied voor gevarieerde bedrijvigheid en het toevoegen van andere functies als wonen, cultuur, recreatie en leisureactiviteiten. In 2009 is de strategienota vastgesteld die ten grondslag heeft gelegen aan het strategiebesluit Cruquiuswerkgebied en Zeeburgerpad (2010). Dat besluit gaf op basis van de ruimtelijke visie de investeringsrichting aan. Besloten werd onder meer om het gebied verdergaand te intensiveren en meer woningen toe te staan dan in de toekomstvisie. De ontwikkelstrategie is daarbij gericht op de situatie dat de markt investeert en de ontwikkeling ter hand neemt.
Deze kaders sloten aan bij de visie van de centrale stad zoals in die periode ook werd vastgelegd in de Structuurvisie voor Amsterdam (vastgesteld 2011). Na vaststelling van de Strategienota zijn de vervolgstappen voor de aanpak van het Cruquiuswerkgebied door de verscherping van de economische crisis (globaal periode 2008-2014) en de fusie van de stadsdelen Zeeburg en Oost-Watergraafsmeer aangehouden. Binnen de gemeente Amsterdam leidde die economische crisis op dat moment tot een andere aanpak en prioriteitsstelling bij de ontwikkeling van projecten. In dat kader is het uitgangspunt voor de ontwikkeling van dit gebied geworden dat het stadsdeel alleen regie voert op hoofdlijnen en kaders stelt met betrekking tot de voor het stadsdeel/de overheid essentiële onderwerpen en aspecten waarover zij bevoegd is. Deze bedoelde essentiële onderwerpen voor het stadsdeel zijn geborgd door een ‘spelregelkaart’ met bijbehorende spelregels voor het gebied. Daarvoor wordt verwezen naar paragraaf 2.2.2. Het ruimtelijk beleid en de wijze van ontwikkelen voor de transformatie van Cruquius is destijds ook geland in de Structuurvisie Amsterdam 2040 die in 2011 is vastgesteld. Op moment van opstellen van voorliggend bestemmingsplan werd gewerkt aan de Omgevingsvisie 2050. De omgevingsvisie heeft na vaststelling door de gemeenteraad op 8 juli 2021 de Structuurvisie Amsterdam 2040 vervangen.
De structuurvisie Amsterdam 2040 (destijds vastgesteld door de gemeenteraad op 17 februari 2011) lag mede ten grondslag aan de transformatie van Cruquius zoals die in de afgelopen jaren concreet in uitvoering is gekomen. Mede om die reden wordt hier volledigheidshalve ook nog kort ingegaan op de Structuurvisie Amsterdam 2040 die dus vervangen is door de Omgevingsvisie Amsterdam 2050, Koers 2025 en Ruimte voor de Economie van Morgen. De gemeente Amsterdam heeft zichzelf destijds met de vaststelling van de Structuurvisie Amsterdam 2040 in 2011 onder meer voor de opgave gesteld te verdichten en tegelijk het omliggende landschap open te houden. De centrale ambitie van de Structuurvisie was dat Amsterdam zich verder ontwikkelde als kernstad van een internationaal concurrerende, duurzame, Europese metropool. De ambities waren om woningen en bijbehorende voorzieningen toe te voegen tot 2040, de haven en huidige bedrijventerreinen intensiever te gebruiken en ruimte te creëren voor waterberging. De Structuurvisie Amsterdam 2040 uit 2011 schetste in grote lijnen hoe de vraag naar bouwlocaties opgevangen kan worden. Hierin stond de ambitie woningen toe te willen voegen door “verdichting” en “transformatie” van een aantal binnenstedelijke bedrijventerreinen.
Dit laatste geldt voor Cruquius dat in de visie van 2011 werd aangemerkt als te onderzoeken gebied voor mogelijkheden voor transformatie naar werk-woongebied. In werk-woongebieden wordt minimaal 50% van het terreinoppervlak van het bestaande bedrijventerrein (anno 2009) bestemd voor bedrijven. Dit heeft zijn beslag mede gekregen in
Gemeente Amsterdam
blz. 36
de spelregels zoals die in 2012 zijn vastgesteld voor Cruquius (zie paragraaf 2.2.2). Na vaststelling van de Structuurvisie Amsterdam 2040 in 2011 heeft het college van B&W in juni 2016 Koers 2025 vastgesteld. Dat beleid operationaliseerde de Structuurvisie Amsterdam 2040 en het Actieplan Woningbouw in een ontwikkelstrategie voor de stad tot 2025. Met het plan “Koers 2025” heeft de gemeente Amsterdam in 2016 de ambitie bepaald om tot het jaar 2025 circa 50.000 extra woningen te bouwen. Koers 2025 zette op een gemengde / complete stad met ruimte voor iedereen en met een maximaal aantal woningen per gebied. Het gebied waar voorliggend plangebied onderdeel van is, is destijds op de kaart bij Koers 2025 aangemerkt als "lopend project". Dit zijn projecten die zijn opgestart voor 2015. Specifiek voor de economische uitwerking van Koers 2025 heeft het college van B&W destijds op 18 juli 2017 het beleidsdocument "Ruimte voor de Economie van Morgen" vastgesteld. Voor toekomstige gebiedsontwikkelingen agendeerde het college hiermee ruimte voor werkgelegenheidsgroei in Amsterdam. De opgave voor de in Koers 2025 aangewezen ontwikkelgebieden was om bij de nieuwe groei van Amsterdam aan te sluiten bij de vestigingsbehoefte van de groeiende kennis- en innovatie economie. Deze vraagt om specifieke gemengde stedelijke werkmilieus.
Belangrijk hierbij is om rekening te houden met economische dynamiek en verandering. In Ruimte voor de economie is voor woon-werkgebieden (en werk-woongebieden) onderscheid gemaakt in verschillende vestigingsmilieus, namelijk in zogenaamde "woonwijken", "creatieve wijken", "productiewijken" en "stadstraten". Het voorliggende plangebied is onderdeel van gebied dat in Ruimte voor de Economie van morgen werd aangemerkt als "productieve wijk". Productieve wijken zijn hierin gedefinieerd als woon-werkwijken die vestigingsruimte bieden aan bedrijven die verenigbaar zijn met stedelijk woonmilieu. Integratie van bedrijven in woonmilieu biedt niet voor alle bedrijven ruimte maar wel voor een deel van de ambachten, lokale kleinschalige productie en moderne ‘hybride’ productiebedrijven die behoefte hebben aan een mix van kantoor- en bedrijfsruimte. 3.5.2
Omgevingsvisie Amsterdam 2050 (vastgesteld 2021)
Op 8 juli 2021 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 vastgesteld. De Omgevingsvisie Amsterdam 2050 vervangt de Structuurvisie Amsterdam 2040 uit 2011. De groeiambities van de structuurvisie uit 2011 zijn meer dan waargemaakt, de voorziene toename van het aantal inwoners en banen voor 2040 is in een tijdsbeslag van een decennium al bijna bereikt. Vooral dankzij de komst van internationale bedrijven en bijbehorende kennismigranten. De dienstensector groeide snel en door verdubbeling van het aantal toeristen gold dat ook voor horeca. Omdat investeringen in openbaar vervoer, publieke ruimte en groen achterbleven, is de druk op de stad stevig toegenomen. Meest in het oog springend zijn de geëxplodeerde huizen- en huurprijzen, die het voor bewoners met een lager en middeninkomen en kleine ondernemers lastig maken om een plek te vinden in de stad. Steeds duidelijker wordt dat de status van Amsterdam als internationale metropool negatieve kanten heeft. Bijvoorbeeld vanwege de ontwrichting van de woningmarkt door vastgoedbeleggingen en een het gevoel van ontheemding bij sommige Amsterdammers door de snelle veranderingen. Hoe internationaal ook, het succes van de stad hangt nog altijd grotendeels samen met in hoeverre inwoners zich thuis voelen. De afgelopen jaren ook duidelijk geworden dat ontwikkeling van de stad niet zonder goed beheer kan.
Van de openbare ruimte, maar ook van kades en bruggen. Het is een mega-operatie op zichzelf, die de komende jaren veel van de stad zal vragen. Dit alles vormt het startpunt voor de Omgevingsvisie 2050. De verwachting is dat de groei van de stad zal doorzetten. Die groei moet opgevangen worden en vooral gelijker verdeeld. Ook over de regio. Het besef dat Amsterdam onderdeel is van een grootstedelijke regio, is meer dan ooit doorgedrongen. De grootste uitdaging is de overstap naar meer duurzaamheid, met andere energiebronnen en een minder verspillende manier van leven. De inrichting van stad en regio gaat wezenlijk veranderen. Deze plannen staan deels al op de rol, een ander deel is nieuw. bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 37
Gezien de diverse beleidsmatige ambities en de schaarste van ruimte en financiën maakt het bestuur in de omgevingsvisie vijf strategische keuzes die worden aangehaald als: 'Meerkernige ontwikkeling': Amsterdam is uit balans met één centrum waar alles op gericht is; een van de hoofddoelen van deze visie is een stad en regio te worden met meer stedelijke kernen. 'Groeien binnen grenzen': De stad mikt op minimaal 150.000 woningen erbij voor 250.000 nieuwe inwoners in 2050, dat is een voortzetting van het groeitempo van de afgelopen 10 jaar. Plus 200.000 nieuwe arbeidsplaatsen. Deze groei wordt aan voorwaarden gebonden. Want groei en verdichten van de bestaande stad is geen doel op zich. Amsterdam wil dat de groei enerzijds het sociale fundament van de stad versterkt en anderzijds het draagvermogen van de planeet niet overschrijdt. Daarom mag de groei alleen plaatsvinden binnen de huidige stadsgrenzen, wordt onder meer ingezet op ruimte voor schone energie en duurzame initiatieven. De grootste verdichtingskansen liggen in gebiedstransformaties, waar eenzijdig werken in lage dichtheid plaats maakt voor gemengd wonen en werken in hoge dichtheden. Stadsverzorgende en productieve bedrijvigheid blijft hier waar mogelijk behouden. 'Duurzaam en gezond bewegen': In een verdichtende stad moet zuinig worden omgegaan met de schaarse ruimte.
Gezocht wordt naar plekken om te bouwen, voor groen, voor verblijven, spelen en voor de fietser en de voetganger. Om die reden moet de auto als ruimtegebruiker een stap terug doen. Nabijheid van voorzieningen is daarvoor essentieel. Mede dankzij de verdichting krijgen Amsterdammers hun voorzieningen, inclusief park, in de eigen buurt op loop- of fietsafstand. 'Rigoureus vergroening': Verdichting wordt gecombineerd met vergroening van de stad. Daarbij is meer en vooral beter groen het doel, door minder verharding en meer groen aan en op gebouwen. De stad zal rigoureus vergroenen met meer en betere natuur door de hele stad. Straten en pleinen worden groen ingericht, straatstenen zullen wijken voor bomen en beplanting. Het autoluw maken van de stad biedt daarvoor mede ruimte. Bouwen wordt natuurlijker door gevels en daken te vergroenen. Dit lukt alleen als Amsterdammers meedenken en meedoen. Vergroening is ecologisch noodzakelijk, maar moet ook aansluiten bij de wensen van de Amsterdammers. 'Samen stadmaken': Het stadsbestuur stuurt met de Omgevingsvisie op hoofdlijnen. De principiële keuze daarbij is dat de regels zo worden dat naast de klassieke partijen als ontwikkelaars en woningcorporaties, Amsterdammers ook zelf aan de slag kunnen.
Het stadsbestuur wil daarvoor meer ruimte bieden voor bewoners om individueel of in collectieven zoals coöperaties betaalbare huurwoningen te bouwen, voorzieningen te beheren, energie op te wekken, mee te doen met inrichting van de buurt of lokaal ondernemerschap. Afweging / consequenties voor voorliggend bestemmingsplan Op de 'Visiekaart Amsterdam 2050' van de omgevingsvisie is het deel van Cruquius waar voorliggend plangebied onderdeel van uit maakt, aangemerkt als 'stedelijke ontwikkeling - gemengde stadsbuurt'. In dergelijk gebied is de inzet gericht op ontwikkeling van woonbuurten met een stedelijke dichtheid en een flink aandeel niet-wonen (vooral in plinten en af en toe in een groter gebouw). Groen krijgt een plek in de straten, buurtparkjes en langs watergangen. Maatschappelijke voorzieningen, ruimte voor nutsvoorzieningen, groen en sport zijn naast ruimte voor wonen en werken onderdeel van de opgave voor de ontwikkeling. In aansluiting hierop en in aansluiting op de eerdere transformatie kaders uit 2012 (zie paragraaf 2.2.2) heeft voorliggend bestemmingsplan tot doelstelling een bestaande bedrijfskavel te transformeren naar een menging van wonen, voorzieningen en werken. Wat dat laatste betreft maakt het bestemmingsplan bedrijvigheid mogelijk die mede gericht is op ambacht, maar ook op zakelijke dienstverlening.
In de Omgevingsvisie is Cruquius wat economische structuur betreft specifiek aangeduid als "productieve wijk". In dergelijke nieuwe gemengde stadsbuurten is naast woningbouw ruimte voor behoud van bestaande en voor nieuwe productieve bedrijvigheid. Het gaat hierbij met name om ruimte op de begane grond ruimte voor ambachtelijke bedrijvigheid, en kleinschalig industriële en logistieke bedrijven die passen in de stad. Niet alleen dragen deze wijken in de toekomst bij aan de sociaaleconomische samenhang in Amsterdam, deze kleinschalige productieruimtes dragen ook bij een
Gemeente Amsterdam
blz. 38
de circulaire transitie waar meer producten lokaal gemaakt, hersteld, gerecycled of hergebruikt moeten worden. Over het onderwerp "kantoren" wordt in de Omgevingsvisie een verwijzing gemaakt naar het Kantorenplan 2019-2026. Dat plan is opgesteld voor de coronaperiode en daarover is in de Omgevingsvisie aangegeven dat, hoewel de coronacrisis de onzekerheid van kantoorontwikkelingen vergroot, de leegstand in Amsterdam eind 2020 historisch laag is. Met de voorspelde groei van de stad is het reëel uit te gaan van aanhoudende vraag naar kantoorruimte. 3.5.3
Woonagenda 2025 en overige woningbeleidskaders (2017 en 2020)
De gemeenteraad heeft op 19 juli 2017 de Woonagenda 2025 en op 20 december 2017 het stedelijk kader voor sociale en middensegment huurwoningen in particuliere plannen vastgesteld (‘Stedelijk kader voor sociale en middensegment huurwoningen in particuliere plannen’ Gemeenteblad afd. 1, nr. 1603, vastgesteld op 20 december 2017 en het ‘Actieplan meer middeldure huur’, Gemeenteblad afd. 1, nr. 152/433, vastgesteld op 8 juni 2017). In de Woonagenda 2025 (vastgesteld 19 juli 2017) zijn doelstellingen voor woningbouwprogrammering voor Amsterdam opgenomen. Uitgangspunt voor woningbouw is onder meer een verdeling van 40% sociale huur, 40% middelduur en 20% dure huur en koop (hierna: '40-40-20') en dat borging ervan primair privaatrechtelijk plaatsvindt. Voor middeldure huurwoningen wordt specifiek beleid gevoerd, onder meer met het Actieplan meer middeldure huur (8 juni 2017). Middeldure huurwoningen zijn woningen met een huur tussen de € 710,68 en € 971 (prijspeil 2017). In Amsterdam zijn relatief weinig middeldure huurwoningen, in 2015 was 5,6% van de woningvoorraad een middeldure huurwoning (bron: Wonen in Amsterdam 2015). In het 'Actieplan meer middeldure huur’ is de ambitie opgenomen om in de periode 2017 tot 2025 ten minste 1.500 middeldure huurwoningen per jaar te realiseren door middel van nieuwbouw en transformatie.
In het Stedelijk kader voor sociale en middensegment huurwoningen in particuliere plannen (Gemeenteraad 20 december 2017) is onder meer bepaald dat in woningbouwplannen sprake is / moet zijn van een gedifferentieerd programma waarmee verschillende inkomensgroepen worden bediend. Dit ten behoeve van het doel van de gemeente om een gemengde stad te willen zijn. De gemeente geeft hier zelf vorm aan door bij de uitgifte van gemeentelijke grond te sturen op die differentiatie. Ook in de plannen van particulieren, waarbij geen sprake is van nieuwe gronduitgifte maar van eigen grond van particulieren of een reeds bestaand erfpachtcontract, wil de stad een gedifferentieerd aanbod bewerkstelligen. De stad werkt door middel van bestemmingsplanwijzigingen en erfpachtherzieningen alleen mee aan particuliere woningbouwplannen als er sprake is van een gedifferentieerd woningaanbod. Een gedifferentieerd aanbod houdt in dat ook voor particuliere transformaties in beginsel geldt dat 40% van de woningen als sociale woning wordt gerealiseerd, 40% van de woningen als middeldure woning en 20% als dure huur- of koopwoning (40-40-20). Van het stedelijke uitgangspunt '40-40-20' bij particuliere transformaties kan gemotiveerd worden afgeweken indien: 1. met de beoogde afwijking een ander stedelijk doel of programma wordt nagestreefd in het betreffende project.
Bijvoorbeeld de huisvesting van kwetsbare groepen, ouderenhuisvesting, zorgwoningen, studenten of jongerenwoningen of collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO). 2. of indien de bestaande woningdifferentiatie in het omliggende gebied van het gebouw dusdanig specifiek is, dat een andere menging in het te transformeren gebouw beter past om de gewenste gemengde wijk te bereiken 3. of het gebouw een dusdanige geringe omvang heeft dat de beoogde menging vanuit beheersoogpunt niet wenselijk is. In 2020 is het Actieplan Middeldure huur herijkt. Onder meer voortvloeiend uit een intentieovereenkomst van februari 2020 met de leden van IVBN (Vereniging van Institutionele Beleggers Vastgoed, Nederland), Vastgoed Belang (Vereniging van particuliere beleggers in vastgoed) en de NEPROM (Nederlandse Vereniging van Projectontwikkeling Maatschappijen) om de productie van nieuwe en het behoud van bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 39
bestaande betaalbare woningen te verbeteren. Onderdeel van de herijking is ook de geconstateerde maatschappelijke ontwikkeling waarin koopwoningen steeds vaker worden gekocht om te verhuren. Hierdoor zijn er voor gewone huizenkopers minder woningen beschikbaar. Het college (2020) vindt dit een slechte ontwikkeling en wil daarom een zelfbewoningsplicht instellen voor alle nieuwbouw koopwoningen in Amsterdam. Daartoe zijn met collegebesluiten d.d. 2 juni 2020 gemeentelijke beleidsregels vastgesteld, bestaande uit: Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent beleidsaanpassingen volgend uit de intentieverklaring tussen de gemeente, beleggers en ontwikkelaars over betaalbare woningen (bekend gemaakt Gemeenteblad Nr. 144760, d.d. 9 juni 2020). Deze beleidsregel ziet onder meer toe op verlenging van de zogenaamde "uitpondtermijn" voor nieuw gerealiseerde private sociale huurwoningen en private sociale huurwoningen die als gevolg van transformatie worden gerealiseerd (uitpondtermijn van 25 jaar in plaats van 15 jaar). Ook ziet de beleidsregel toe op de Spelregels voor woningbouwprogrammering en het Stedelijk kader voor particuliere transformaties. Volgens deze beleidsregel gelden er onder meer aanvullingen op de eerdere '40-40-20'-regels, namelijk: 1.
indien de reguliere sociale huurwoningen in een transformatieproject door corporaties worden afgenomen dan gelden, in plaats van de reguliere programmatische verdeling van 40-40-20, de volgende programmatische voorwaarden: a. minimaal 30% sociale huurwoningen, b. minimaal 40% middensegment en c. partijen hebben de vrijheid om zelf een corporatie te kiezen waaraan de sociale woningen verkocht worden 2. Indien aantoonbaar geen corporatie gevonden wordt die de sociale huurwoningen gaat afnemen,dan kan er gekozen worden voor een alternatieve programmatische verdeling (naar 0-80-20 of 0-100-0) onder voorwaarde dat er door de gemeente aan te wijzen maatschappelijke beroepsgroepen gehuisvest worden. 3. Bij projecten kleiner dan 30 woningen kan afgeweken worden van het stedelijke uitgangspunt 40-40-20 bij particuliere transformaties indien het gebouw een dusdanige geringe omvang heeft dat de beoogde menging vanuit beheers oogpunt niet wenselijk is. Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent herijkte voorwaarden voor middeldure huur (25 jaar) en beleidsuitgangspunten voor eeuwig durende middeldure huur (bekend gemaakt Gemeenteblad Nr. 144761, d.d. 9 juni 2020).
Deze beleidsregels bevat onder meer de uitgangspunten voor eeuwigdurende middeldure huurwoningen, als aanvulling op de middeldure huurwoningen met een verhuurperiode van 25 jaar. Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam voor nieuwbouw koopwoningen voor eigenaar-bewoners (Beleidsregels nieuwbouw koopwoningen voor eigenaar-bewoners Amsterdam) (bekend gemaakt Gemeenteblad Nr.171535, d.d. 7 juli 2020). Deze beleidsregel ziet onder meer toe op een zelfbewoningsplicht voor alle nieuwbouw koopwoningen in Amsterdam. Aanvullend op de regels waarmee gemotiveerd kan worden afgeweken van het beleidsmatige uitgangspunt van de '40-40-20'-verdeling heeft het college op 15 juni 2021 de volgende extra beleidsregel vastgesteld: Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam tot wijziging van Het Stedelijk kader voor particuliere transformatie in verband met de vaststelling van het zesde criterium om af te wijken van de programmatische verdeling van 40-40-20 (Tweede aanvulling Stedelijk kader voor particuliere transformatie) (bekend gemaakt Gemeenteblad Nr. 275018 d.d. 13 augustus 2021). Op grond van deze beleidsregel is ook een verdeling van '0-100-0' toegestaan in de situatie dat de transformatie een los gebouw betreft én de ambtelijk opdrachtgever het stadsdeel is en niet Grond en Ontwikkeling.
Gemeente Amsterdam
blz. 40
Huisvestigingsverordening 2020 Met ingang van 1 januari 2020 geldt de Huisvestingsverordening 2020. Hierin zijn regels opgenomen over de samenstelling van de bestaande woonruimte voorraad. Voorliggend bestemmingsplan is ontwikkelgericht en maakt nieuwe woningen mogelijk en bestemd geen bestaande woningen. Op enig moment zal dat tijdens de werking van voorliggend bestemmingsplan veranderen. Op enig moment zijn de woningen gebouwd en bewoond en dat speelt de huisvestingsverordening wel een rol. Dit wordt in paragraaf 6.3 onder "Woonruimte in de bestemming Gemengd" nader toegelicht. Afweging / Consequenties voor voorliggend bestemmingsplan Voor voorliggend bestemmingsplan geldt dat afgeweken wordt van het initieel beleidsmatige uitgangspunt voor wat betreft de verdeling '40-40-20'. Voor de motivering wordt verwezen naar paragraaf 2.2.3 onder 'Toelichting op / motivering voor de beoogde woningbouwcategorieën'. 3.5.4
Bedrijvenstrategie (2020)
Op 15 april 2020 heeft het college de "Bedrijvenstrategie 2020-2030: Amsterdam duurzaam productief" vastgesteld. Amsterdam staat bekend om haar ondernemerschap en bedrijvigheid. De logistiek en (maak) industrie zijn de machinekamer van de economie in de regio. De ruimte voor deze bedrijven is echter aan verandering onderhevig, mede omdat in de stad veel woningen nodig zijn. Nieuwe stedelijke wijken zijn gepland op bedrijventerreinen zoals Cruquius. Deze terreinen worden ook wel transformatiegebieden genoemd. Met deze transformaties neemt het aanbod aan traditionele vestigingslocatie voor bedrijven af, terwijl de vraag naar bedrijfsruimte juist toeneemt door o.a. nieuwe economie en toepassingen voor de circulaire economie en de energietransitie. Dit vormt de aanleiding voor de bedrijvenstrategie. Met de transformatie van bedrijventerreinen zullen zonder aanvullende maatregelen diverse vormen van ambacht, maakindustrie en reparatie uit de stad verdwijnen. Doel van de strategie is om binnen de bredere ontwikkeling van stad voldoende ruimte te creëren en te behouden voor bedrijven, zodat Amsterdam een diverse economie houdt met een inclusieve arbeidsmarkt, en duurzaam aantrekkelijk is voor ondernemers.
Uit de analyse van de bedrijvenstrategie 'Amsterdam duurzaam productief' blijkt dat Amsterdam met de vraagverwachting en ‘business as usual’ beleid rond 2026 geen bedrijvenkavels meer uit te geven heeft. Richting 2040 loopt het ruimtetekort op tot minimaal 150 hectare. In lijn met de structuurvisie en ‘compacte stad’ principe, worden geen nieuwe plannen gemaakt voor uitleglocaties. Wel zijn er aanknopingspunten voor ruimtewinst, waaronder het mengen van bedrijvigheid en wonen. Zowel vanuit de vraag (hoog aandeel mengbare bedrijven) als het aanbod biedt het integreren van bedrijvigheid in gemengde woon-werkwijken mogelijkheden om ruimte te bieden aan stedelijke bedrijvigheid. Tot 2030 is ruim 600.000 m² bvo bedrijfsruimte voorzien in de bedrijventerreinen die naar productieve en creatieve wijken zullen transformeren. Afweging / consequenties voor voorliggend bestemmingsplan In de bedrijvenstrategie gaat het bij bedrijven om inrichtingen die als hoofdactiviteit de bedrijfsmatige uitoefening van industrie, ambacht, groothandel, opslag en/of transport hebben. In gedeeltelijke aansluiting hierop en het beleid zoals uiteengezet in Ruimte voor de Economie van morgen (zie paragraaf 3.5.1) en in aansluiting op de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 (zie paragraaf 3.5.2) is voor voorliggend bestemmingsplan gekozen voor het mogelijk maken van meer dan alleen een bedrijfsfunctie.
Met medeweging van onder meer het participatieproces (zie paragraaf 8.1) is gekozen voor het mogelijk maken van circa 1.600 m² bvo voor meerdere niet-woonfuncties zoals sociaal maatschappelijke voorzieningen (kunst, cultuur, buurthuis, jongerencentrum, kringloopwinkel) en bedrijfsactiviteiten gericht op productie/ambachten (lichte milieucategorie passend in een gemengd gebied).
bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 41
3.5.5
Kantorenplan 2019-2026 (2019)
Zoals in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is aangegeven, is kantoorontwikkeling in Amsterdam gebonden aan het beleid zoals verwoord in het ‘Kantorenplan 2019-2026’. Dat in 2019 vastgestelde beleid gaat na jaren van leegstand uit van meer krapte op de kantorenmarkt in de periode 2019-2026. De kantorenleegstand was in de periode voor 2019 in korte tijd hard gedaald, van 18% in 2015 naar 9% in januari 2019, dit als gevolg van transformatie, weinig nieuwbouw en een constant groeiende economie. De focus is in 2019 gelegd op een gezonde kantorenmarkt met gemengde woon-werkmilieus. Voor de periode tot en met 2022 is in 2019 voorzien dat er voldoende kantoorruimte bij komt, al voldoet dit niet aan de directe vraag naar kwalitatieve kantoren op goed bereikbare locaties voldoen. Om in de periode 2023-2026 voldoende kantoorruimte op te leveren, werd het in 2019 nodig geacht om vanaf dan te sturen op de start van kantoorontwikkelingen. De opkomst en groei van de kenniseconomie gedijt op locaties in de nabijheid van stedelijke voorzieningen met goede OV- en fietsbereikbaarheid op OV-knooppunten voor werknemers uit de metropool en daarbuiten. Voor ondernemingen was het tot 2019 lastig om passende kantoorruimte te vinden, door de beperkte beschikbaarheid en de veranderende behoefte naar type kantoor.
Ondernemingen zoeken kantoorruimte in gemengde woonwerkmilieus en op goed bereikbare OV knooppunten. Deze nieuwe vestigingsbehoefte verklaart de huidige paradox op de Amsterdamse kantoormarkt: enerzijds staan er nog steeds kantoren leeg, maar anderzijds is er schaarste aan kantoorruimte op goede locaties. In de regio is de kantorenleegstand hoger, maar ook hier voldoet het aanbod vaak niet aan de kwalitatieve vraag. Het doorzetten van de groei van de werkgelegenheid in Amsterdam met 2% per jaar de afgelopen 20 jaar, leidt tot een netto uitbreidingsvraag van 125.000 m2 BVO kantoorruimte. 3.5.6
Detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022 (vastgesteld in 2017)
In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 wordt verwezen naar het detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022. Op 20 december 2017 heeft gemeenteraad het detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022 vastgesteld: Sterke winkelgebieden in een groeiende stad. De strekking van het detailhandelsbeleid is dat Amsterdam inzet op een sterke en diverse winkelstad waar de bewoners hun dagelijkse boodschappen op redelijke afstand van de woning kunnen doen en er meerdere interessante winkelgebieden zijn om te winkelen, ook buiten de binnenstad. De inzet is niet gericht op losstaande winkels, maar op clustering van het winkelaanbod in winkelgebieden. Voorliggend plangebied ligt niet in of nabij een winkelgebied. Dit maakt dat detailhandel vanuit het bestaande beleid, niet in dit plangebied wordt beoogd. Afweging / consequenties voor voorliggend bestemmingsplan Voorliggend bestemmingsplan maakt dan ook geen detailhandel mogelijk, maar enkel ondergeschikte verkoop als onderdeel van een maatschappelijke functie of bedrijfsfunctie. 3.5.7
Horecanota stadsdeel Oost 2012
Het horeca- en terrassenbeleid is uitgewerkt in de Horecanota stadsdeel Oost 2012. Het stadsdeel zet in dat beleid in op een gerichte toename van horeca, waarbij kwaliteit van groter belang is dan kwantiteit. Horeca moet passen bij een buurt en de bewoners. In het horecabeleid is daarom ook aandacht voor maatschappelijk verantwoord horecabeleid en handhaving. Onder meer is bepaald dat het geen doel is om het horeca aanbod sterk uit te breiden. Het stadsdeel wil nieuwe horecagelegenheden zoveel mogelijk clusteren in de gebieden in Oost waar al verschillende horeca en detailhandel is gevestigd om zo de aantrekkelijkheid van deze gebieden en de sector te versterken. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen zelfstandige horeca mogelijk, maar laat wel aan culturele en Gemeente Amsterdam
blz. 42
maatschappelijke voorzieningen en broedplaats gerelateerde en daaraan ondergeschikte horeca toe zonder terrasmogelijkheid (zie paragraaf 2.2.3 onder "Nadere concretisering Programma / functies Drenthhal (deelgebied 8.2) - Participatie"). Het toestaan van deze aditionele horeca zonder terrasmogelijkheid sluit aan bij de Horecanota stadsdeel Oost 2012 waarin onder meer het volgende is bepaald: Voor culturele instellingen is een goede horeca-exploitatie vaak noodzakelijk om de exploitatie financieel mogelijk te maken. De meeste culturele instellingen exploiteren horeca als additionele horeca. Deze regeling stelt een aantal ruimtelijke voorwaarden aan de horeca-exploitatie en staat hiermee in sommige gevallen een goede culturele exploitatie in de weg, bijvoorbeeld omdat de horeca-activiteit een onderdeel is van een gevarieerd programma en plaatsvindt in de hoofdruimte (zoals bij een poppodium) of omdat door een monumentale status het pand niet kan worden aangepast. Als de culturele instelling uit het pand vertrekt en niet door een zelfde functie wordt vervangen, mag de horecafunctie niet langer worden uitgevoerd. Panden die in aanmerking komen voor de aanduiding culturele horeca zijn musea of vestigingen van culturele instellingen met een programmering die bestaat uit een mix van verschillende activiteiten. Horeca maakt deel uit van deze activiteiten.
Terras bij additionele horeca: Additionele horeca betreft horeca waarbij de horecafunctie niet de hoofdfunctie heeft van het gebouw en waar geen horecabestemming op het gebouw zit. Wel is een horeca exploitatievergunning vereist. Voorwaarde voor additionele horeca is dat terrassen niet zijn toegestaan, met uitzondering van de sportvelden (Voorland, Drieburg en Middenmeer, IJburg, Sciencepark en Zeeburgereiland) en volkstuincomplexen Amstelglorie en De Nieuwe Levenskracht. 3.5.8
Parkeerbeleid (2017 en 2018)
De gemeente Amsterdam voert al jaren parkeerbeleid. Parkeerbeleid heeft invloed op de bereikbaarheid en leefbaarheid in de stad. Dit onder meer vanuit het idee dat minder auto's op straat leidt tot meer ruimte voor voetgangers en fietsen en een aantrekkelijkere openbare ruimte voor bewoners, bezoekers en ondernemers. Daarnaast willen ondernemers en bewoners ook een bereikbare stad, een stad waar ze hun auto kwijt kunnen en klanten een parkeerplek kunnen vinden. Minder auto's op straat en tegelijkertijd een goede (auto)bereikbaarheid van de stad, het lijken tegenstrijdige doelstellingen. Een oplossing om deze doelstellingen te verenigen, is het verplaatsen van een groot deel van de parkeerplaatsen op straat naar parkeergarages. Parkeernormering helpt om de toekomstige parkeervraag in (ondergrondse) garages op te lossen, door ontwikkelaars te verplichten om bij nieuwbouw parkeergelegenheid op eigen terrein te realiseren. Hiervoor heeft de gemeenteraad op 7 juni 2017 de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld. Op 29 november 2017 heeft de raad wijzigingen in deze nota aangebracht. In de Nota Parkeernormen staan beleidsregels en parkeernormen voor auto's bij nieuwbouw- en transformatieplannen. Ook is aangegeven wanneer de regels en beleid wordt toegepast. De gemeenteraad heeft daarnaast op 14 maart 2018 de nota ‘Parkeernormen Fiets en Scooter’ vastgesteld.
De nota beschrijft het beleidskader waarin normen en richtlijnen zijn opgenomen voor fietsen en scooters. Doel daarvan is om te voorkomen dat de gestalde fietsen en scooters steeds meer beslag leggen op de openbare ruimte. Beleidsuitgangspunten voor dit plan Voor de ontwikkeling van het plangebied wordt op moment van opstellen van voorliggend bestemmingsplan uitgegaan van het parkeerbeleid van de Nota Parkeernormen Auto (29 november 2017) en de nota Parkeernormen Fiets en Scooter (14 maart 2018). In de betreffende Nota Parkeernormen Auto is onder meer aangegeven dat alle nieuwbouw uitgesloten wordt van parkeervergunningverlening. Voor nieuwbouw wordt in de nota verder onderscheid gemaakt in parkeernormen voor verschillende functies, met daarin nog nader onderscheid in "bezoekersparkeren" en "parkeren voor bewoners/personeel/eigenaren". Uit de nota is op te maken dat voor voorliggend plangebied de parkeernormen van toepassing zijn behorende bij "B-locaties". Voor de woonfunctie bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 43
betekent dit onder meer een minimale parkeernorm voor bewonersparkeren van 0 parkeerplaatsen per sociale huurwoning en middeldure huurwoning en een maximale parkeernorm van 1 parkeerplaats per sociale huurwoning en middeldure huurwoning. Voor bezoekersparkeren is de parkeernorm 0,1 parkeerplaats per woning. Voor de niet-woonfuncties die met voorliggend bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt is in de nota onder "voorzieningen" aangegeven dat de actuele kencijfers van de CROW het uitgangspunt zijn, gecombineerd met actuele Amsterdamse gegevens over de verkeersgeneratie van specifieke functies. Afweging / consequenties voor voorliggend bestemmingsplan Voor de juridische borging van het beleid over parkeernormering is in de regels een zogenaamde "dynamische" verwijzing opgenomen. Dit houdt in dat ten tijde van de indiening van aanvragen om omgevingsvergunning voor de bouwplannen in het gebied getoetst wordt aan het op dat moment van toepassing van zijnde parkeerbeleid en de daarbij behorende normen. Op moment van opstellen van voorliggend bestemmingsplan is dat voor autoparkeren de Nota Parkeernormen Auto van 29 november 2017.
3.5.9 Agenda Duurzaamheid (2015), Agenda Groen (2015), Routekaart Klimaatneutraal 2050 (vastgesteld 2020), Strategie klimaatadaptatie Amsterdam en Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie, Strategie Amsterdam Circulair 2020-2025 (vastgesteld 2020) De gemeente Amsterdam wil de verduurzaming van de hoofdstad versnellen. Dit staat in de Agenda Duurzaamheid, de agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad. De Agenda Duurzaamheid is vastgesteld door de Gemeenteraad van Amsterdam op 11 maart 2015. 'In het coalitieakkoord ‘Amsterdam is van iedereen’ (mei 2018) is afgesproken dat de gemeente Amsterdam door het sterk vergroenen van de openbare ruimte de stad aantrekkelijker maakt om in te wonen, werken en verblijven. De groene ruimte speelt een belangrijke rol bij het klimaatbestendig maken van de stad. Buien worden steeds extremer en temperaturen hoger. Een effectieve manier om regenwater op te vangen en de temperatuur te beperken, is door het oppervlakte aan groen te vergroten. Daarnaast kan groen bijdragen aan meer biodiversiteit in de stad. Dit is onder andere meer concreet opgenomen de Agenda Groen (2015-2018). Het duurzaamheidsbeleid zoals dat in meerdere beleidsdocumenten en programma's in de loop der tijd is uiteengezet wordt en is verder uitgewerkt, onder andere in de Routekaart Klimaatneutraal 2050.
In de beleidsdocumenten Strategie klimaatadaptatie Amsterdam en Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie is aangegeven dat de gemeente en waterschappen zich inzetten om Amsterdam zo goed mogelijk voor te bereiden op het veranderende klimaat. In de Strategie Klimaatadaptatie Amsterdam zijn het thema, de opgave en de mogelijke oplossingen, beschreven. De vier thema’s uit het landelijk Deltaprogramma vormen hierbij het uitgangpunt: hitte, droogte, wateroverlast en overstromingen. Vervolgens zijn in de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie, vastgesteld mei 2021, concrete activiteiten benoemd. In de Uitvoeringsagenda is onderscheid gemaakt tussen acties op verschillende niveaus, namelijk huis en pand, straat, gebied en wijk, stad en regio en nationaal en internationaal. In de Strategie Amsterdam Circulair 2020 - 2025 (vastgesteld door gemeenteraad 2020) staat dat de stad in 2050 circulair is. Dit wil zeggen dat kringlopen volledig gesloten zijn: waardevolle materialen en grondstoffen worden hergebruikt en er wordt geen afval geproduceerd. De ambitie is om 50 procent minder primaire grondstoffen te gebruiken in 2030. In 2050 is de stad 100 procent circulair. Circulair bouwen is noodzakelijk om die ambities te bereiken. Ook zet Amsterdam zich in om tegen 2050 een afvalvrije stad te zijn, met schone straten en pleinen. Hiervoor is een nieuw uitvoeringsprogramma afval en grondstoffen opgesteld.
Circulair bouwen betekent het ontwikkelen, gebruiken en hergebruiken van gebouwen, gebieden en infrastructuur, zonder natuurlijke hulpbronnen onnodig uit te putten, de leefomgeving te vervuilen en ecosystemen aan
Gemeente Amsterdam
blz. 44
te tasten. Bouwen op een wijze die economisch verantwoord is en bijdraagt aan het welzijn van mens en dier. Afweging / consequenties voor voorliggend bestemmingsplan De gemeentelijke agenda Duurzaam Amsterdam (2015) is in de voorbereiding een van de pijlers geweest onder het nadere ruimtelijk kader voor dit plangebied en daarmee ook onder het bestemmingsplan en de overige instrumenten die de gemeente heeft, zoals sturing via uitgifte. Dit geldt ook voor het verwezenlijken van de ambities van de Agenda Groen (2015), programma Amsterdam Rainproof (Waternet) en de Routekaart Klimaatneutraal 2050 (vastgesteld door het college in 2020). Zo is daarin onder meer aangegeven dat de markt wordt uitgedaagd om energieneutraal te bouwen en waar mogelijk energieleverend. Het uitdagen van de markt vindt plaats via het instrument van tendering. In aansluiting op de routekaart geldt dit laatste ook voor voorliggend plan. De grond is in eigendom van de gemeente. De ontwikkeling vindt plaats via tendering waarin bij de gunning het bouwen naar de duurzaamheidsambities van de agenda Duurzaam Amsterdam, Agenda Groen, de routekaart en Strategie Amsterdam Circulair 2020 - 2025 onderdeel van het gunningsproces zijn. Dit betreft duurzaamheidsgerelateerde onderwerpen als het rainproof maken van de openbare ruimte, groene daken en gevels, het natuur inclusief bouwen en circulair bouwen.
Volledigheidshalve wordt hierbij opgemerkt dat in 2021 de hemelwaterverordening is vastgesteld (zie paragraaf 3.5.10). De verordening is opgesteld in verband met de verwezenlijking van de ambities van het gemeentelijk rioleringsplan, maar dit alles is tevens ondersteunend aan het bereiken van de ambities van de rainproofdoelstellingen van de gemeente (Agenda Groen). 3.5.10 Hemelwaterverordening (2021) Amsterdam heeft in het Gemeentelijke Rioleringsplan 2016-2021 de ambitie opgenomen om in 2020 een bui van 60 mm in een uur aan te kunnen zonder dat schade aan huizen en vitale infrastructuur ontstaat. Om dit te bereiken zal zowel in de bestaande stad als in nieuw te ontwikkelen gebieden rekening moeten worden gehouden met extreme neerslag. Daarbij is onder meer van belang dat zowel op particulier terrein als op openbaar terrein voldoende waterberging wordt gerealiseerd. Een van de juridische instrumenten die een bijdrage kan leveren aan een klimaatbestendig en waterrobuust Amsterdam is een zogenaamde hemelwaterverordening. Op 26 april 2021 heeft de gemeenteraad de Hemelwaterverordening Amsterdam vastgesteld. In de Hemelwaterverordening staan de regels voor wateropvang op privaat terrein voor nieuwe gebouwen, gebouwen die ingrijpend gerenoveerd worden en gebouwen waar een verdieping aan wordt toegevoegd (op of onder het gebouw).
Het is nodig om water op te kunnen vangen omdat het riool extreme hoosbuien, die steeds vaker voorkomen, niet in één keer kan afvoeren. Door op bebouwd oppervlak een laag van zes centimeter regenwater (60 liter per m2) op te vangen en die vertraagd af te voeren, wordt de stad ontlast. Regenwater kan zo beter worden benut, straten zullen minder onderlopen en er zullen minder woningen waterschade oplopen. Afweging / consequenties voor voorliggend bestemmingsplan Voorliggend bestemmingsplan maakt onder meer nieuwbouw mogelijk, maar het laat ook andere activiteiten direct toe, zoals ingrijpende renovatie. De gemeentelijke hemelwaterverordening bevat algemene regels die bij bouwen en ingrijpend renoveren in acht moeten worden genomen. Concreet betekent dit dat in de ontwerp- en uitvoeringsfase van de bouwplannen rekening moet worden gehouden met de regels van de hemelwaterverordening. Dit is een aandachtspunt voor die fasen. Volledigheidshalve wordt hierbij ook verwezen naar paragraaf 3.5.12 "Omgevingsprogramma Riolering 2022 - 2027 (2022)" waarin is aangegeven dat de norm van voor waterberging van de hemelwaterverordening zoals hier in deze paragraaf beschreven nog afgestemd gaat worden op de norm van het Omgevingsprogramma 2022-2027 (70 liter per m2).
bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 45
3.5.11 Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam (2021) De aanleg van kelders levert extra ruimte op voor bijvoorbeeld wonen, opslag of parkeren. Naast het voordeel van extra ruimte, kan kelderbouw ook nadelen met zich meebrengen. Met name bij een cumulatie aan kelders in een gebied kan schade optreden aan de openbare ruimte. Belangrijkste oorzaak daarvoor is de invloed van een kelder op de stroommogelijkheden van het grondwater. Hierdoor kan de grondwaterstand beïnvloed worden (barrièrewerking). Dit leidt tot een (te) hoog peil van het grondwater, de zogenaamde grondwateroverlast, of een (te) laag peil van het grondwater, de zogenaamde grondwateronderlast. Grondwateroverlast heeft met name negatieve gevolgen voor woningen en groen, maar ook voor de verharding. Grondwateronderlast heeft vooral negatieve gevolgen voor funderingen, zetting van grond/verharding/leidingen en wederom groen. Door de klimaatverandering, en de wens de stad daar bestendig tegen te maken, zijn de gevolgen van onderkeldering op grondwaterstand en –stroom actueler geworden. Het vermogen grotere hoeveelheden hemelwater op te nemen en af te voeren wordt beïnvloed door de grondwaterstand en -stroom. Op 20 januari 2021 is het 'Afwegingskader grondwaterneutrale kelders Amsterdam' vastgesteld door de raad.
En op 7 september 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders de Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam vastgesteld. Dit als vervolg op het eerder op 20 januari 2021 door de gemeenteraad vastgestelde Afwegingskader. De gemeente beoogt hiermee de aanleg van kelders in de stad mogelijk te blijven maken waar dat kan, maar deze wel aan zodanige eisen te onderwerpen dat de kans op deze schade als gevolg van grondwaterstanden, zowel voor naastgelegen percelen als voor de openbare ruimte, minimaal is. Als gevolg van inwerkingtreding van deze Beleidsregel moeten alle aanvragen voor kelders waarvoor een binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan of kruimelafwijking vereist is getoetst worden aan de Beleidsregel, die vervolgens weer verwijst naar het Afwegingskader grondwaterneutrale kelders Amsterdam. Dit betekent dat dergelijke aanvragen moeten voldoen aan de eis van grondwaterneutraliteit zoals geformuleerd in het Afwegingskader. Daarin wordt onder grondwaterneutraal bouwen van kelders het volgende verstaan: De stand en stroming van het grondwater veranderen niet of nauwelijks door de aanleg van een kelder, waar mogelijk zal deze verbeteren, en er treden geen negatieve grondwatereffecten op.