CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Rapportage Witteveen+Bos -Toetsing normkosten gemeente Amsterdam nov 2021.pdf

Raadscommissie Wonen en Bouwen 19 januari 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de resultaten bestuursopdracht Normkosten (ZD2021-016346)25.176 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Productopdracht toetsing normkosten, voorbereiding scenario’s en risico- en kansensessies Amsterdam Toetsing normkosten gemeente Amsterdam

Gemeente Amsterdam 3 november 2021

Project

Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Productopdracht toetsing normkosten, voorbereiding scenario’s en risico- en kansensessies Amsterdam Gemeente Amsterdam

Toetsing normkosten gemeente Amsterdam Definitief 02 3 november 2021 127689/21-016.396

127689 ing. J.A. Sap ir. A.C. de Wit

ing. I. de Jong, R. Platerink MSc, ing. J.A. Sap ir. A.C. de Wit, dr.ir. L.S.W. Koops ing. J.A. Sap

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toest emming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

SAMENVATTING SAMENVATTING

5

1

ALGEMEEN

11

1.1

Inleiding

11

1.2

Context

12

1.3

Betekenis van normkosten

13

1.4

Leeswijzer

13

2

ASSETGROEP CIVIELE CONSTRUCTIES

14

2.1

Algemeen

14

2.2

Referentiekader

14

2.3

Opbouw en traceerbaarheid

14

2.4

Kostendrijvers

15

2.5

Compleetheid normkosten

15

2.6

Toets op de frequenties

16

2.7

Toets op de eenheidsprijzen

17

2.8

Impact van de bevindingen op de normkosten

19

2.9

Conclusie & aanbeveling

20

3

ASSETGROEP GROEN

21

3.1

Algemeen

21

3.2

Referentiekader

21

3.3

Opbouw en traceerbaarheid

21

3.4

Kostendrijvers

21

3.5

Compleetheid van de normkosten

22

3.6

Toets op de frequenties

22

3.7

Toets op de eenheidsprijzen

23

3.8

Impact van de bevindingen op de normkosten

25

3.9

Conclusie & aanbeveling

25

4

ASSETGROEP WEGEN

26

4.1

Algemeen

26

4.2

Referentiekader

26

4.3

Opbouw en traceerbaarheid

26

4.4

Kostendrijvers

27

4.5

Compleetheid van de normkosten

27

4.6

Toets op de frequenties

27

4.7

Toets op de eenheidsprijzen

28

4.8

Impact bevindingen op de normkosten

29

4.9

Conclusie & aanbeveling

29

5

DOMEIN SCHOON

30

5.1

Algemeen

30

5.2

Referentiekader

30

5.3

Opbouw en traceerbaarheid

30

5.4

Kostendrijvers

31

5.5

Compleetheid van de normkosten

31

5.6

Toets op de frequenties

31

5.7

Toets op de eenheidsprijzen

32

5.8

Impact bevindingen op de normkosten

32

5.9

Conclusie & aanbeveling

32

Laatste pagina

33

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Vergelijking frequentie Amsterdam versus CROW assetgroep groen

4

II

Vergelijking frequentie Amsterdam versus CROW assetgroep wegen

8

SAMENVATTING Als onderdeel van de herziening van de begroting van de beheersbudgetten in 2022 heeft de gemeente Amsterdam Witteveen+Bos gevraagd de gehanteerde normkosten te toetsen. De normkosten zijn opgebouwd langs vier componenten: (A) areaalomvang, (B) de kosten van de beheer en onderhoudsmaatregelen, (C) frequentie van uitvoeren van de maatregelen en (D) gebruiksintensiteit en complexiteit. Specifiek is aan ons gevraagd om de componenten (B) en (C) uit de normkosten te toetsen voor de assetgroepen ‘civiele constructies’, ‘groen’ en ‘wegen’ en het domein ‘schoon’. Deze toets geeft inzicht in de vraag of de gehanteerde normkosten reëel zijn gezien de veronderstelde onderhoudsactiviteiten. En met name specifiek: zijn de kosten van beheer en onderhoudsmaatregelen realistisch in deze tijd (B) en is de frequentie (C) van uitvoeren goed ingeschat in relatie tot vastgestelde ambitie. De volgende definitie van normkosten is gehanteerd (bron: Normkosten rapportages 4.0 Amsterdam): De normkosten betreffen de jaarlijks gemiddelde, minimale, eeuwigdurende, theoretische beheerkosten om de openbare ruimte op een bepaald ambitieniveau te kunnen onderhouden. De normkosten zijn bestemd voor de lange termijn, ervan uitgaande dat er geen achterstallig onderhoud in het beheerareaal aanwezig is.

De normkosten mogen dan ook niet worden vergeleken met de onderhoudsbehoefte voor de korte en middellange termijn vanuit de praktijksituatie, op basis van de resultaten van de uitgevoerde inspecties. Indien er wel sprake is van achterstallig onderhoud, zal dit eerst moeten worden weggewerkt alvorens uit te kunnen gaan van de berekende beheerkosten ervan uit gaand dat het ambitieniveau niet wijzigt. Uit deze definitie volgt dat de normkosten gemiddelde kosten zijn. Dat betekent dat het benodigde onderhoudsbudget per jaar kan fluctueren, door een verschil in leeftijd of onderhoudsstaat van assets. Immers, assets die het einde van hun levensduur naderen, behoeven normaliter meer en intensiever onderhoud voor behoud van kwaliteitsniveau. In navolgende paragrafen wordt per assetgroep de conclusie gegeven per assetgroep op toets van de normkosten (componenten B en C). Deze conclusies zijn gebaseerd op een toets waarmee de normkosten zijn beoordeeld op vier aspecten, te weten traceerbaarheid, compleetheid, onderhoudsfrequentie en eenheidsprijs. De overall conclusie is dat de cijfermatige toets geen grote verrassingen en uitschieters oplevert. De gehanteerde kosten en frequenties zijn plausibel.

5 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

Tabel 1 geeft een samenvatting van de bevindingen en daarmee een indicatie van de noodzaak tot verdere uitwerking en onderbouwing van de normkosten informatie voor de vier assetgroepen/domeinen.

Tabel 1 Conclusie beoordeling normkosten ten aanzien van component B en C *Assetgroep civiele constructies

Assetgroep groen

Assetgroep wegen

Domein schoon

Traceerbaarheid

matig

goed

goed

goed

Compleetheid

matig

goed

matig

voldoende

Frequenties

matig

goed

goed

goed

Eenheidsprijs

matig

goed

voldoende

matig

* Nuancering in de beoordeling: De waardering van de assetgroep civiele constructies wordt met name bepaald door de bundeling van de onderhoudsmaatregelen voor E&W-installaties. In de normkostenrapportage van 2021 die op dit moment wordt geschreven (lees najaar 2021) worden de frequentie van de onderhoudsmaatregelen van de E/W-installaties gedetailleerder uitgewerkt.

Uit gesprekken is ons gebleken dat bij Stadswerken het idee bestaat dat het totale werkpakket voor dagelijks onderhoud nog niet compleet is meegenomen in de normkosten. In de normkostenrapportages staat aangegeven per assetgroep welke kosten binnen en buiten de scope van de normkosten vallen. In de rekensheets worden voor verschillende kostencategorieën opslagpercentages gehanteerd. Of hiermee alle ‘indirecte’ kosten behorend tot de normkosten van het totale werkpakket van dagelijks onderhoud worden gedekt, is niet eenduidig vast te stellen. Er zou aan duidelijkheid en transparantie gewonnen kunnen worden door de opslagpercentages die worden gehanteerd voor de diverse posten beter uit te werken en toe te lichten en te toetsen aan de daadwerkelijke kostencategorieën voor dagelijks onderhoud. Assetgroep Civiele constructies (B) normkosten De gehanteerde normkosten voor vervanging van de beweegbare bruggen zijn opgesteld op basis van een voorbeeld brug met plausibele installatietechnische onderdelen. De kosten voor specifieke maatregelen voor het dagelijks en groot onderhoud van deze installatietechnische onderdelen zijn echter niet geraamd.

De gemeente Amsterdam hanteert een systematiek waarbij de kosten voor het onderhouden en op termijn vervangen van elektrotechnische en werktuigbouwkundige gebundeld worden gepresenteerd en gerelateerd zijn aan het oppervlakte van het brugdek, in plaats van aan het aantal installaties. De kosten voor het onderhouden en vervangen van deze installaties worden daardoor uitgedrukt in een prijs per vierkante meter brugdek. Dit suggereert dat de kosten van de installatie zich gelijk ontwikkelen met de oppervlakte van de brug (groter oppervlak, duurdere installatie). Deze aanname is onzes inziens te grof, waardoor zowel onderschatting als overschatting mogelijk is. Daarnaast is de traceerbaarheid van de getallen slecht, omdat er geen specifieke onderhoudsmaatregelen gedefinieerd zijn. Omdat deze onderdelen een zeer groot aandeel (86 %) vormen van de jaarlijkse onderhoudskosten voor de beweegbare bruggen adviseren wij om de benadering opnieuw te beschouwen en de kosten per onderhoudsmaatregel voor de verschillende installatieonderdelen te beschouwen. Momenteel is het niet mogelijk om de juistheid van de normkosten voor deze onderdelen te beoordelen. De gehanteerde normkosten voor het dagelijks onderhoud van de vaste bruggen worden voor bijna de helft (48 %) bepaald door de kosten van het onderhoud aan het metselwerk.

In de huidige methodiek wordt een m2 metselwerk in de vleugelmuren en frontwanden omgeslagen naar een m2 brugdek. Er is een reële kans dat de metselwerkposten onevenredig zijn meegenomen in de onderhoudskosten per m2 brugdek. Het is verstandig het metselwerk van de bruggen onder te brengen bij de kades zodat deze met de juiste eenheden worden opgenomen. Opvallend is dat 5 % van het kengetal voor het dagelijks onderhoud van beweegbare bruggen inhoudelijk niet beoordeeld kan worden. Deze 5 % is toe te schrijven aan de activiteit ‘doorspuiten van het

6 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

afwateringssysteem’. Voor deze post ontbreekt een onderbouwing van de toegepaste prijs (EUR 2,73) en de daarbij aangenomen hoeveelheid. Daarnaast valt op dat deze kosten om voor ons onduidelijke redenen bij de bepaling van de normkosten voor vaste bruggen ontbreekt, terwijl deze ook hier noodzakelijk zijn om uitspoeling te voorkomen. De normkosten van het dagelijks onderhoud (DO) van de kademuren zijn opgebouwd vanuit de post ‘herstraten elementenverharding van het wegtype 3’. De gehanteerde eenheidsprijs is plausibel, maar de omschrijving is verwarrend omdat er onzes inziens hiermee een overlap kan ontstaan tussen het onderhoud van kademuren en het herstraten van elementenverharding Bij navraag is aangegeven dat deze herstelwerkzaamheden aan de verhardingen het gevolg zijn van geconstateerde schade aan de kademuren. De mate van overlap zou uit de bepaling van de oppervlakken van het wegenonderhoud moeten blijken. Het aandeel op de totale kosten is gering. De gehanteerde toeslagen voor de indirecte kosten zijn herkenbaar en passend bij werkzaamheden. Een opdeling van werkzaamheden door de ‘eigen dienst’ en werkzaamheden door een aannemer bij de opslagen zou een ander beeld van de totaalkosten kunnen geven. In de verschillende kostentabellen wordt dit onderscheidt in deze asset groep niet gemaakt. Het effect van verschillende opslagen kan hierdoor niet benaderd worden.

(C) frequentie De onderhoudsfrequenties voor de maatregelen op het onderhoudsniveau verzorgd, liggen binnen de gehanteerde bandbreedtes in de gehanteerde bronnen. De onderhoudsmaatregelen voor de elektrotechnische en werktuigbouwkundige onderdelen samengevoegd en uitgemiddeld. Hierdoor is het niet mogelijk om de onderhoudsfrequenties van de beweegbare bruggen te beoordelen. Het verschil in de normkosten voor de onderhoudsniveaus ‘verzorgd’ en ‘sober’ wordt bepaald door de frequentie waarmee de onderhoudsactiviteiten worden uitgevoerd. Voor het ambitieniveau ‘sober’ wordt uitgegaan van een 30 % lagere frequentie dan voor ‘verzorgd’. Uitgangspunt is dat er per jaar minder maatregelen uitgevoerd, waardoor de kosten lager zullen zijn. In deze wijze van budgettering wordt geen rekening gehouden met het feit dat bij een lagere onderhoudsfrequentie de toestand van het object sneller verslechterd en er daarmee eerder noodzaak is voor het plegen van groot onderhoud of dat de omvang van het grote onderhoud toeneemt. Met andere woorden, het besparen op de korte termijn resulteert in eerdere of intensievere (duurdere) onderhoudsmaatregelen of achterstalligonderhoud. Het effect van deze keuze op de investeringsbehoefte op langere termijn wordt momenteel niet meegenomen, waardoor er een begrotingstekort op de lange termijn kan ontstaan.

Conclusie De belangrijkste conclusies bij de assetgroep ‘civiele constructies’ zijn: - de traceerbaarheid en compleetheid voor het onderdeel beweegbare bruggen is matig, doordat de maatregelen van de discipline elektrotechniek en werktuigbouwkunde zijn opgebost. Voor de overige onderdelen zijn de traceerbaarheid en compleetheid te omschrijven als matig, doordat kengetallen worden herschreven in andere eenheden (installaties per m2, verticaal metselwerk in m2 brugoppervlak) gaat de herleidbaarheid verloren; - in de huidige methodiek wordt een m2 metselwerk in de vleugelmuren en frontwanden omgeslagen naar een m2 brugdek. Er is een reële kans dat de metselwerkposten onevenredig zijn meegenomen in de onderhoudskosten per m2 brugdek; - de onderhoudsfrequenties van de discipline elektrotechniek en werktuigbouwkunde van de beweegbare bruggen zijn niet te beoordelen, doordat deze zijn samengevoegd. Daarnaast zijn deze kosten vertaald naar een vierkante meter brug, terwijl de kosten slechts beperkt gerelateerd zijn aan de vierkante meters brug.

Aangezien momenteel 86 % van de kosten voor de beweegbare bruggen worden bepaald door de disciplines elektrotechniek en werktuigbouwkunde, wordt er geadviseerd om de normkosten (onderhoudsmaatregelen, kosten en frequenties) voor de beweegbare bruggen opnieuw te bepalen in een nieuw onderzoek; - de meeste prijzen van het dagelijks onderhoud en groot onderhoud zijn echter plausibel en passend bij de omschrijving. De eenheidsprijzen van enkele maatregelen zijn te hoog ingeschat. De geschatte

7 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

-

eenheidsprijs op basis van onze ervaring leidt tot een daling van circa 1 % van de totale kosten van de assetgroep; in de huidige werkwijze wordt het verschil in onderhoudsniveau sober en verzorgd geïnterpreteerd als 30 % minder onderhoud uitvoeren op zowel dagelijks als groot onderhoud, zonder onderbouwing op de factor. Bij deze werkwijze wordt er geen rekening mee gehouden dat uitstel van dagelijks onderhoud betekent dat groot onderhoud eerder (in plaats van later) of intensiever en daarmee duurder wordt. Er ontstaat hierdoor een groot risico op onvoldoende budget of achterstallig onderhoud.

Assetgroep Groen (B) normkosten In de gehanteerde normkosten in de assetgroep Groen zijn nauwelijks opvallende zaken naar voren gekomen. Een uitzondering hierop zijn de kosten voor het onderhoud van historische bomen. De gehanteerde tarieven lijken sinds 2014 geïndexeerd te zijn. De huidige bedragen zijn niet uitzonderlijk. Het is wel aan te bevelen de prijzen in het blad ‘rubrieken’ te actualiseren aan hand van actuele tariefbepalingen voor arbeid en materieel en prijslijsten of contracten met leveranciers. Tevens adviseren wij een bronvermelding bij de gehanteerde prijzen op te nemen. De gehanteerde toeslagen voor de indirecte kosten zijn herkenbaar en passend bij uitbestede diensten en werkzaamheden. Er wordt bij de opslagen geen onderscheid gemaakt tussen werkzaamheden door de eigen dienst en werkzaamheden door een aannemer. Bij werkzaamheden door een aannemer zijn ook deze kostenposten te vergelijken met inschrijvingen van uitgevoerde werken. Voor de eigen dienst zijn hiervoor dezelfde uitgangspunten gehanteerd. De werkelijke kosten zouden moeten blijken uit analyses van de afdeling financiën. De invloed hiervan op de totale kosten moet nader worden onderzocht. In de kostenraming ‘groen inclusief ECO objecten’ zijn in het blad werkpakketten de afzonderlijke maatregelen geraamd met eenheidsprijzen en inclusief indirecte kosten.

Er zijn diverse categorieën indirecte kosten benoemd die herkenbaar zijn vanuit de SSK-systematiek. In de raming zijn per maatregel dezelfde opslagen opgenomen die worden uitgevoerd door ‘eigen dienst’ of aannemer. Met name voor de opslagen 'Algemene kosten', 'Winst en risico' en 'engineering' kan de vraag worden gesteld of dit van toepassing is op de werkzaamheden 'eigen dienst'. Het gaat hierbij om een totaal opslag van circa 20 %. Het effect op de totale kosten kan met de beschikbare informatie op dit moment niet inzichtelijk worden gemaakt. (C) frequentie De gehanteerde frequenties in de normkosten komen allen nagenoeg overeen met de geadviseerde frequenties door het landelijke expertisecentrum CROW in publicatie 145 ‘Beheerkosten Openbare Ruimte’ . De geconstateerde verschillen zijn klein, waardoor er geen sprake is van grote afwijkingen ten opzichte van de Amsterdamse normkosten. Opvallendheden In de categorie ‘gras’ zijn enkele maatregelen geconstateerd die niet geadviseerd worden bij het desbetreffende onderhoudsniveau in de eerder genoemde publicatie van het CROW. Bij navraag blijkt dat dit bewuste keuzes zijn. Maar motivatie/onderbouwing ontbreekt in de normrapportage. Daarnaast is geconstateerd dat de maatregel zwerfvuil verwijderen mogelijk dubbel begroot wordt, omdat deze activiteit bij zowel ‘domein schoon’ als de assetgroep ‘groen’ is opgenomen.

Conclusie Voor de assetgroep groen kan geconcludeerd worden dat: - de normkosten helder zijn opgebouwd, traceerbaar zijn en dat de frequenties en kosten binnen de bandbreedtes liggen; - een verbeterpunt is het vermelden van bronnen bij de onderhoudskosten voor een betere herleidbaarheid en het actualiseren van de prijzen; - het verwijderen van zwerfvuil is zowel opgenomen bij het ‘domein schoon’ als bij ‘groen’. Hierdoor worden de kosten mogelijk dubbel berekend;

8 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

-

-

bij de opslagen voor indirecte kosten wordt geen onderscheid gemaakt tussen werkzaamheden door eigen dienst en werkzaamheden door aannemer. De werkelijke kosten zouden moeten blijken uit analyses van de afdeling financiën; bij de opslagen van ECO objecten wordt hetzelfde opslagpercentage van 20 % gehanteerd voor ‘eigen dienst’ en aannemer. Dit is met name vreemd voor de post winst & risico en engineering. Het effect op de totale kosten kan met de beschikbaar gestelde informatie niet inzichtelijk worden gemaakt.

Assetgroep Wegen (B) normkosten De normkosten voor wegen zijn zeer compleet, waardoor de onderhoudsraming een goed beeld geeft van de benodigde financiële middelen voor onderhoud, per materiaaltype in combinatie met de ondergrond. Echter, doordat de hoeveelheden niet op hetzelfde aggregatie niveau zijn aangeleverd, is onduidelijk welke maatregelen de grootste kostendrijvers zijn. Over het algemeen zijn de kengetallen in deze assetgroep plausibel en marktconform. Een enkele eenheidsprijs of tarief roept vragen op. Voorbeelden hiervan zijn de eenheidsprijzen ‘grondwerkers’ van EUR 40,00/uur, terwijl in de assetgroep Civiele werken EUR 45,00/uur wordt gehanteerd. Een ‘koppel stratenmakers’ is opgenomen voor EUR 86,00/uur, wat wij als laag beschouwen in de huidige markt. Een prijs tussen de EUR 90,00/uur en EUR 105,00/uur wordt passend geacht. De gehanteerde leverantieprijs voor een ton grindasfaltbeton (AC 16 Base voor EUR 27,00) of steenslagasfaltbeton (AC 22 voor EUR 24,00) worden als circa 20 % te laag ingeschat in de huidige markt. Aangezien dit veel gebruikte asfaltsoorten zijn, bevelen wij aan om de prijzen in deze groep te actualiseren en direct te zorgen voor heldere herleidbaarheid van de gehanteerde kengetallen, dat wil zeggen door een heldere bronvermelding van leveranciers, contractafspraken of recente marktinformatie op te nemen.

In de normkostenrapportage van assetgroep ‘wegen’ wordt vermeld dat de indirecte kosten zijn opgenomen in de overzichten. In het document waar de eenheidsprijzen bepaald worden zijn de indirecte kosten niet opgenomen of benoemd. De hoogte van de opslag is ons daardoor niet bekend. Daarnaast wordt ook niet aangegeven welke werkzaamheden door de eigen dienst worden uitgevoerd. Een oordeel of effect op de totale onderhoudskosten kan nu niet worden gegeven, omdat de nodige informatie daarvoor ontbreekt. (C) frequentie De gehanteerde onderhoudsfrequenties in deze groep liggen binnen de bandbreedtes voor het onderhoud van de wegen. Dit geldt zowel voor het onderhoudsniveau ‘sober’ als ‘verzorgd’. Bij het asfalt hanteert de gemeente momenteel voornamelijk de onderhoudsmaatregelen vervangen deklaag, terwijl het CROW een combinatie van maatregelen hanteert. Op basis van een steekproef lijkt de configuratie die de gemeente hanteert te resulteren in een lagere raming voor onderhoud. Daarbij is ook de hinder bij het maatregelen van de gemeente Amsterdam lager dan de maatregelen waar het CROW van uit gaat. Conclusie De belangrijkste conclusies bij de assetgroep ‘wegen’ zijn: - de normkosten zijn compleet en uitgebreid zijn. Echter, doordat de hoeveelheden niet zijn opgenomen in de Excel sheets is het niet direct duidelijk welke maatregelen nu de grootste kostendrijvers zijn.

- de onderhoudsfrequenties en kengetallen zijn plausibel; - als aandachtspunt zijn de leveringskosten voor grindasfaltbeton en steenslagasfaltbeton, deze worden door Witteveen+Bos als laag beschouwd. Dit resulteert in een tekort van 1 à 2 % voor het asfaltonderhoud; - de verwachting is dat de werkelijke onderhoudskosten voor elementverharding circa 10 % duurder uitvallen. Dit wordt veroorzaakt door het laag geraamde uurtarief van een ‘koppel stratenmakers’; - de hoogte van opslagen van indirecte kosten is niet traceerbaar. Eveneens welke werkzaamheden door ‘eigen’ dienst worden uitgevoerd en welke door de aannemer. Effect van deze constatering op de totaalkosten kan niet worden gegeven door het ontbreken van de benodigde informatie.

9 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

Domein schoon (B) normkosten In de gehanteerde normkosten in het domein ‘schoon’ worden ‘indirecte kosten’, ‘nader te detailleren’ en ‘overheadkosten’ beperkt opgenomen. Indien de genoemde ‘indirecte kosten’ over alle kostencategorieën worden opgenomen zou dat een stijging van tussen de 20 % en 25 % op de totaalkosten hebben. Bij zowel het domein ‘schoon’ als de assetgroep ‘groen’ is er sprake van een eigen dienst voor (een gedeelte van) het uitvoeren van de onderhoudsmaatregelen. Voor het maken van een goede inschatting van de totale kosten voor het beheer en onderhoud is het daarom noodzakelijk dat de kostenopbouw over de verschillende assetgroepen en domeinen identiek aan elkaar is. Een bronvermelding van de eenheidsprijzen of een prijspeil ontbreekt, waardoor onduidelijk is of de prijzen actueel zijn. Over het algemeen zijn de eenheidsprijzen binnen de verwachtte bandbreedte. Wel valt op dat er twee verschillende eenheidsprijzen gehanteerd worden voor een reinigingsmedewerker. Een prijs voor de eigen dienst en voor externe medewerkers, waarbij de eigen medewerker 56 % duurder is. Het verschil tussen deze prijzen wordt niet onderbouwd.

Indien het tarief van EUR 27,00 voor externe mensen gelijk zou worden getrokken met het tarief voor eigen mensen (zoals bij andere asset groepen) zou dit een stijging van ruim 1 % (circa EUR 500.000,00) van de ‘Totaal uitvoeringskosten’ inhouden. (C) frequentie Voor het beoordelen van de frequenties is er gebruik gemaakt van een benchmark van de NVRD. De gehanteerde frequenties van de gemeente Amsterdam voor het onderhoudsniveau verzorgd zijn in lijn met de frequenties uit de benchmark. Omdat niet alle maatregelen zijn opgenomen in de benchmark en omdat er geen gegevens zijn van het onderhoudsniveau sober, wordt er geadviseerd om een uitgebreide benchmark uit te voeren om de beoordeling hiermee aan te vullen. Opvallendheden Het verwijderen van zwerfvuil is zowel opgenomen bij de assetgroep ‘groen’ als bij het ‘domein schoon’. Bij het ‘domein schoon’ is een kostenpost opgenomen voor het verwijderen van zwerfvuil op gras en in het plantenbakken (identiek aan groen) van M€ 1,5. Er dient daarom onderzocht te worden of de kosten niet dubbel worden opgenomen. Ook zou het mogelijk kunnen zijn dat diensten de timing van de uitvoering van de werkzaamheden op elkaar afstemmen.

Conclusie Voor het domein ‘schoon’ wordt het volgende geconcludeerd: - de opbouw van de normkostensheet is helder, waardoor de normkosten goed traceerbaar zijn; - Voor stadsdeel centrum wordt een factor op de frequentie gehanteerd van 131 %, zonder toelichting; - de posten voor verwijderen zwerfvuil zijn eveneens in de assetgroep ‘groen’ opgenomen. Mogelijk ontstaan hierdoor overlap in de geraamde onderhoudskosten; - op basis van de benchmark wordt geconcludeerd dat de maatregelen compleet zijn en de onderhoudsfrequenties voor verzorgd in lijn liggen met de benchmark. Met als kanttekening dat het verwijderen van zwerfvuil mogelijk dubbel begroot wordt; - bij de eenheidsprijzen de ‘indirecte kosten’, ‘nader te detailleren kosten’ en de ‘overheadkosten’ beperkt zijn opgenomen. Indien de genoemde ‘indirecte kosten’ over alle kostencategorieën worden opgenomen zou dat een stijging van tussen de 20 % en 25 % (ofwel circa M€ 11 tot M€ 13) op de totaalkosten hebben. Dit is wel afhankelijk aan wie of hoe dit wordt uitbesteed. Het beleid van Amsterdam is hierbij van belang. Sociale werkvoorziening en dergelijke zou de opslag kunnen verlagen. In vergelijking met de andere assets zit het niet in de gehanteerde tarieven; - het gehanteerde prijsverschil tussen voor reinigingsmedewerkers in eigen dienst en externe medewerkers bedraagt circa 56 %.

Indien het tarief voor externe mensen gelijk wordt getrokken met het tarief voor eigen mensen (zoals bij andere asset groepen) zou dit een stijging van ruim 1 % van de ‘Totaal uitvoeringskosten’ inhouden.

10 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

1 ALGEMEEN 1.1

Inleiding

‘De structurele financiële problematiek in het beheer van de openbare ruimte vraagt om een eenduidige definitie van de instandhouding, zowel van het dagelijks onderhoud als van het groot onderhoud, waarbij geen (extra) achterstanden worden opgebouwd en geen onveilige situaties ontstaan. In het assetmanagement zijn de normkosten (zie ook afbeelding 1.1) in de cyclus Stadsbehoud als ijkpunt opgenomen. In vervolg op het eerdere onderzoek naar de normkosten in 2020 is de behoefte ontstaan om de inhoudelijke opbouw van de normkosten extern te toetsen, zodat een gevalideerd beeld ontstaat van de benodigde middelen voor dagelijks onderhoud, groot onderhoud en vervanging. Hierbij moet zowel een check worden gedaan van de gehanteerde Bouwkosten (B) en Frequenties (C) voor de normkosten voor het sobere instandhoudingsniveau als van de delta tussen ‘verzorgd’ en ‘sober’. Dit betreft zowel ‘heel’ als ‘schoon’. Zo luidt de bestuursopdracht van de portefeuillehouders beheer van de gemeente Amsterdam.

Voor de uitwerking van deze opdracht hebben wij samen met onze partners TwynstraGudde en Oxand de volgende stappen doorlopen: 1 beeld van de context en definities (reeds uitgewerkt en vastgelegd in notitie Uitwerking interviews bestuursopdracht normkosten met kenmerk 127107-21-013.248-notc01; 2 toets normkosten, component B en C voor dagelijks- en groot onderhoud, vervanging is buiten scope opdracht; 3 inschatting risico’s en kansen door externe ontwikkelingen (zoals klimaat), met als resultaat: · inzicht in risico’s, kansen en ontwikkelingen die invloed hebben op de normkosten; 4 scenario-analyse, met als resultaat: · een inschatting maken voor welke assets het niet uitvoeren van onderhoud conform het gangbare onderhoudsregime het meest risicovol is; · bepalen welke informatie nog ontbreekt om tot een voldragen scenario-analyse te komen. Voorliggend document is geschreven in de context van de hele opdracht en beschrijft het resultaat van de 2e stap. Dit beeld is opgehaald in toetsing van de normkosten van de assetgroepen ‘civiele constructies’, ‘groen’, ‘wegen’ en ‘domein schoon’.

11 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

Afbeelding 1.1 Opbouw van de normkosten (bron: normkostenrapportage Amsterdam)

1.2

Context

Sinds 2017 wordt in Amsterdam structureel gewerkt aan de raming en actualisatie van normkosten. Ieder jaar worden deze geëvalueerd en geactualiseerd. Specialisten van de gemeente Amsterdam stellen de normkosten op, waar nodig in samenwerking met gespecialiseerde bedrijven. De normkosten worden berekend conform de CROW systematiek en zijn gebaseerd op landelijke databases van kostenkengetallen, ervaringscijfers en eenheidsprijzen die worden aangeleverd door het Ingenieursbureau (IB). In G4 verband worden de normkosten tweejaarlijks aan een benchmark en -learning onderworpen. In 2020 heeft TwynstraGudde de Amsterdamse werkwijze doorgelicht. Al met al is in de doorlopende iteratie en het kritisch meekijken door externen gewerkt aan een robuuste werkpraktijk voor de normkosten. Er is een systematiek ontwikkeld om normkosten te formuleren voor dagelijks- en groot onderhoud en vervangingen van de assets in het areaal. Dit heeft het mogelijk gemaakt om systematisch te informeren, beslissen en beschikken over de benodigde middelen voor beheer en onderhoud van de stad. Doordat de benodigde informatie en budgetten in het Programma Stadsbehoud worden samengebracht kunnen college en raad, veel meer dan de afgelopen decennia het geval is geweest, sturen op het geheel.

Nu door de coronacrisis de budgetten van de stad onder druk komen te staan, roept de verbeterde informatie- en sturingspositie van college en raad een nieuwe vraag op. Want alles bij elkaar opgeteld in een integraal overzicht betekent het Programma Stadsbehoud een structurele investering in het beheer en onderhoud van de assets, en daarmee een forse claim op de totale middelen die het bestuur jaar-in-jaar-uit tot zijn beschikking heeft voor een goed functionerende stad. En die middelen lopen anno 2021 plotseling fors terug. Logisch dus, dat de betrokken portefeuillehouders en raadsleden nu de vraag stellen: waar is de claim voor Stadsbehoud precies op gebaseerd? En wat zouden eventueel de consequenties zijn als het bestuur bij het maken van de moeilijke keuzes toch ook tot de conclusie komt dat er moet worden bezuinigd op het beheer en onderhoud van de stad? Aan Verkeer & Openbare Ruimte en Stadswerken, de twee organisatie onderdelen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de stad, de taak om de antwoorden op deze vragen te geven. Hiervoor zijn betrouwbare stuurmiddelen noodzakelijk. Een van deze stuurmiddelen zijn de normkosten. Door TwynstraGudde is in 2020, onder meer na raadpleging van deskundigen van de gemeente Rotterdam, op verzoek van de afdeling Stedelijk Beheer geconcludeerd dat gewerkt wordt met een systematiek die hout snijdt.

Dit is goed om te weten, maar geeft nog niet dat comfort en die onderbouwing voor de gehanteerde normkosten an sich.

12 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

1.3

Betekenis van normkosten

Binnen dit project wordt onderstaande toelichting gehanteerd over de betekenis van normkosten. Deze toelichting is afkomstig uit de normkostenrapportages 4.0 van Amsterdam. De normkosten betreffen de jaarlijks gemiddelde, minimale, eeuwigdurende, theoretische beheerkosten om de openbare ruimte op een bepaald ambitieniveau te kunnen onderhouden. De normkosten zijn bestemd voor de lange termijn, ervan uitgaande dat er geen achterstallig onderhoud in het beheerareaal aanwezig is. De normkosten mogen dan ook niet worden vergeleken met de onderhoudsbehoefte voor de korte en middellange termijn vanuit de praktijksituatie, op basis van de resultaten van de uitgevoerde inspecties. Indien er wel sprake is van achterstallig onderhoud, zal dit eerst moeten worden weggewerkt alvorens uit te kunnen gaan van de berekende beheerkosten ervan uit gaand dat het ambitieniveau niet wijzigt. In de interviews met de verschillende assetgroepen uit stap 1 van deze bestuursopdracht is de betekenis van de normkosten meerdere malen aan bod gekomen. Zoals hierboven beschreven zijn de normkosten geen begroting, vanwege eeuwigdurende karakter en geen sprake van achterstallig onderhoud. De gegeven toelichting van de normkosten is niet helemaal juist. Normkosten kunnen wel vergeleken met werkelijke kosten voor inzicht. Normkosten zelf zeggen niks over de onderhoudsbehoefte.

De werkelijke onderhoudsbehoefte en kosten worden bepaald o.b.v. inspecties. De normkosten kunnen wél vergeleken worden met de werkelijke onderhoudsbehoefte, om inzicht te krijgen of de achterstand oploopt of juist wordt ingehaald, of dat er een vervangingsgolf aankomende is.

Afbeelding 1.2 Grafische weergave geprogrammeerde-, gerealiseerde en normkosten (fictief, ter illustratie)

1.4

Leeswijzer

In de hoofstukken 2 tot en met 4 is de uitwerking van de toets op de normkosten gegeven voor de assetgroepen ‘civiele constructies’, ‘groen’, ‘wegen’ en ‘domein schoon’. De normkosten zijn beoordeeld op de aspecten traceerbaarheid, compleetheid, gehanteerde frequenties en gehanteerde eenheidsprijzen. Per assetgroep en domein zijn de belangrijkste bevindingen en aanbevelingen gegeven.

13 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

2 ASSETGROEP CIVIELE CONSTRUCTIES 2.1

Algemeen

In dit hoofdstuk zijn de resultaten van de toets op de normkosten gegeven voor de assetgroep civiele constructies. De toets van de normkosten is gebaseerd op de volgende documenten: - Pdf-bestand: rapportage NK 4.0 Civiele Constructies 01 mei 2020; - Excel-bestand: matrix kostenkengetallen concept 2021; - Excel-bestand: SSK- vervanging kunstwerken ten behoeve van normkosten 27 oktober 2020; - Excel-bestand: 20191127 Normkosten Amsterdam.

2.2

Referentiekader

De onderhoudsfrequenties van de assetgroep ‘civiele constructies’ zijn getoetst aan de gehanteerde frequenties uit diverse documenten. Hiervoor zijn onder andere de onderhoudsplannen die Witteveen+Bos in het verleden heeft opgesteld voor diverse opdrachtgevers (gemeenten, provincies, waterschappen en Rijkswaterstaat) gehanteerd en de Referentiedocumenten versie 3.1 van Rijkswaterstaat. Voor het toetsen van de eenheidsprijzen zijn diverse bronnen gehanteerd. Er is een eigen kostendatabase van Witteveen+Bos gehanteerd waarin naast informatie van leveranciers ook kostendata uit uitgevoerde werken zijn opgenomen. Ook maakt Witteveen+Bos gebruik van op de markt beschikbare databases zoals Bouwkosten.nl.

2.3

Opbouw en traceerbaarheid

Het bestand met de kostenkengetallen van de assetgroep civiel bevat geen tabblad met uitleg over de verschillende tabbladen. Hierdoor vergt het inspanning om erachter te komen hoe het bestand in elkaar zit. Als dit eenmaal helder is, is het verder een compleet bestand met logische verwijzingen tussen de tabbladen. In sommige tabbladen wordt verwezen naar andere bestanden die niet geleverd zijn. Bij het tabblad ‘Areaal Kades (A)’ staan platte getallen, die komen uit bestanden waarvan de naam als screenshot geplakt is in de sheet. In het tabblad ‘Bouwkosten (B) - Frequentie (C)’ wordt voor het overgrote deel van de Kale bouwkosten (kolom H) verwezen naar een ander document. Dit is alleen niet zo voor de objecten zonder voorbeeldobject; de ‘beweegbare bruggen groot, middel en klein’ en de ‘sluizen’. Voor deze objecten staan er losse getallen bij de Kale bouwkosten, zonder verwijzing. Dit betekent dat traceerbaarheid bij deze objecten beperkt is, aangezien de bron niet bekend is. Beweegbare brug Bij de maatregelen van de ‘beweegbare brug groot’ is het laagste decompositieniveau het onderhoud aan de werktuigbouwkundige en elektrotechnische installaties. In het SSK bestand staat het voorbeeld object op basis waarvan de onderhoudsraming is opgesteld. In combinatie met het voorbeeldobject is te achterhalen welke onderdelen zijn opgenomen in de onderhoudsraming.

Een demarcatie van onderdelen die zijn opgenomen in de raming (in verband met eigendom V&OR en Waternet) ontbreekt. Daarnaast zijn de onderhoudsmaatregelen voor het elektrotechnische en werktuigbouwkundige deel samengevoegd tot een

14 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

post voor dagelijks onderhoud. Dit geldt eveneens voor de posten storingen en groot onderhoud. Hierdoor is het niet meer traceerbaar welke maatregelen zijn opgenomen binnen deze post en wat de afzonderlijke frequenties zijn. Door het ontbreken van deze nuance is het niet meer goed mogelijk om een controle op de kosten en frequenties uit te voeren. Door Amsterdam is aangegeven dat er onder andere op dit punt aan een verbeterslag wordt gewerkt. Vaste brug staal/beton groot Bij de ‘vaste brug staal/beton groot’ zijn de normkosten gebaseerd op een voorbeeldobject. Er is een decompositie opgesteld van de brug inclusief hoeveelheden op basis waarvan de kosten bepaald zijn. Hierdoor is het in een oogopslag duidelijk welke onderhoudsmaatregelen zijn meegenomen bij de bepaling van de normkosten. De traceerbaarheid is hierdoor goed. Kademuren Bij de kademuren zijn grotendeels dezelfde onderhoudsmaatregelen met dezelfde frequenties en normkosten gehanteerd als bij de vaste bruggen. De opvallende constateringen zijn voor de kademuren dus gelijk aan de vaste brug.

2.4

Kostendrijvers

Om de kostendrijvers te identificeren wordt er gekeken naar welke objecttypen een grote bijdrage leveren aan het totale onderhoud voor de assetgroep kunstwerken. Hiervoor is tabel 5.1.3 in het tabblad ‘Tabellen voor rapportage’ als uitgangspunt genomen. Het objecttype kademuren springt er hierbij uit met een bijdrage van 44,8 % aan de totale kosten. De verschillende bruggen zorgen gezamenlijk voor een bijdrage van 50,4 % aan het onderhoudsbudget. Om een goede vergelijking te kunnen maken binnen deze objecttypen is er gekozen om een vaste brug en een beweegbare brug te beoordelen. Hierdoor is het mogelijk om de onderhoudsmaatregelen over onderdelen die bij beide objecttypen voorkomen (het civiele deel) te beoordelen. Hierdoor ontstaat er ook een crosscheck binnen de database op consistent gebruik van de maatregelen. Er is hierbij gekozen voor de ‘beweegbare brug groot’ en de ‘vaste brug staal/beton groot’. Deze keuze is gemaakt omdat deze objecten gezamenlijk ongeveer 1/3 van het onderhoudsbudget voor bruggen op zich nemen en qua materialenopbouw en gemiddeld oppervlakte vergelijkbaar zijn met elkaar. De volgende drie objecttypen worden beoordeeld binnen deze opdracht: - beweegbare brug groot; - vaste brug staal/beton groot; - kades kademuren.

2.5

Compleetheid normkosten

Bij de beweegbare bruggen ontbreken de specifieke maatregelen die uitgevoerd worden. De gehele elektrotechnische en werktuigbouwkundige installatie worden beschouwd als een objectdeel die eenmaal per frequentie dagelijks en groot onderhoud behoeven. Hierdoor is het niet duidelijke welke onderhoudsmaatregelen daadwerkelijk worden voorzien en met welke frequentie. Door deze grove opbossing is het niet mogelijk om rechtstreeks de kosten en frequenties te toetsen. Daarnaast ontbreken er onderhoudsmaatregelen die wel genoemd worden bij de vaste bruggen. Bij de ‘vaste bruggen’ en de ‘kades kademuren’ zijn alle gangbare onderhoudsmaatregelen opgenomen die men zou verwachten op basis van het voorbeeldobject.

15 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

2.6

Toets op de frequenties

In de toets is er gefocust op de kostendrijvers van de civiele kunstwerken. Dit zijn de ‘Beweegbare bruggen, groot’, ‘Vaste bruggen staal/beton groot’ en ‘Kades kademuren’. In onderstaande paragrafen zijn per categorie de meest opvallende punten benoemd. Bij deze beoordeling is de frequentie van onderhoudsniveau verzorgd beoordeeld. Kunstwerken categorie beweegbare bruggen, groot Bij de beweegbare bruggen zijn de maatregelen samengevoegd tot 16 maatregelen voor het dagelijks en groot onderhoud. Door deze bundeling van maatregelen zijn specifieke maatregelen niet meer traceerbaar. Zo zijn bijvoorbeeld alle maatregelen aan het elektrotechnisch (E) deel en het werktuigbouwkundige (WTB) samengevoegd tot drie posten voor E en WTB: storing herstel, dagelijks onderhoud (DO) en variabel onderhoud (GO). Deze maatregelen hebben de frequentie 1 gekregen. Oftewel, alle onderhoudsmaatregelen die binnen de post vallen, zijn gebundeld en uitgemiddeld. Het gevolg is dat de posten niet meer te doorgronden zijn en niet te beoordelen zijn op compleetheid, kosten en frequentie. Voor het staal zijn drie maatregelen opgenomen; bijwerken conservering leuning (ieder jaar), herstel conservering leuning (1/10 jaar) en herstel conservering staal (1/10 jaar). Vanuit de referentiedocumenten wordt klein onderhoud (bijwerken) voorgesteld met een interval van iedere 5 tot 7 jaar.

Het grote onderhoud (vervangen of overlagen conservering) wordt geadviseerd met een frequentie van 13 tot 23 jaar. Bij de vaste bruggen hanteert de gemeente zelf respectievelijk 10 jaar en 30 jaar voor deze maatregelen. Gezien de verbeterde coatingstechnieken zijn de gehanteerde frequenties van Amsterdam realistisch. Vanuit de normkosten wordt geadviseerd om iedere 10 jaar betononderhoud uit te voeren. Vanuit de referentiedocumenten wordt een frequentie van 25 tot 35 jaar geadviseerd. Voor kleine betonschades die niet resulteren in een constructieve achteruitgang van de constructie, grootschalige herstelschade of een veiligheidsgevaar voor de omgeving geldt dat deze niet binnen een korte tijd hersteld hoeven te worden. Echter past deze hogere frequentie wel bij de Amsterdamse situatie, mede als gevolg van intensieve gebruik openbare ruimte (meer kleine aanrijd en/of aanvaarschades) en beeldkwaliteit. Door de bundeling van alle maatregelen binnen de discipline elektrotechniek en werktuigbouwkundig zijn de betreffende onderhoudsfrequenties niet te controleren. Daarnaast zijn de frequenties voor het onderhoud aan het staal en beton aan de hoge kant, zie bovengenoemde frequenties.

Kunstwerken categorie vaste bruggen staal/beton, groot Doordat er bij vaste bruggen (staal/beton) voornamelijk beton, staal, metselwerk en asfalt wordt toegepast, zijn er veel maatregelen die meerdere malen terugkomen op een object. Hierdoor is het aantal unieke maatregelen beperkt. Stalen onderdelen: in de normkosten wordt klein onderhoud ingepland na 10 jaar en groot onderhoud na 30 jaar. De referentiedocumenten adviseren om iedere 5-7 jaar klein onderhoud aan conservering op staal uit te voeren en na 20 jaar de conservering te vervangen. De normkosten hanteren dus een lagere frequentie dan de referentiedocumenten. Door nieuwe coatingstechnieken en materialen is de langere onderhoudsfrequentie realistisch. Beton: in de normkosten wordt klein onderhoud iedere 10 jaar ingepland en groot onderhoud iedere 30 jaar. Vanuit de referentiedocumenten wordt alleen groot onderhoud geadviseerd na 30 jaar (zie ook beweegbare bruggen). Indien er conserveringen (anti-graffiti, hydrofoberen) zijn toegepast, dan is het wel wenselijk om dit iedere 10 jaar te herhalen. Metselwerk: in de normkosten wordt er onderscheid gemaakt in klein onderhoud iedere 15 jaar en groot onderhoud iedere 45 jaar. De referentiedocumenten adviseren om iedere 10 tot 20 jaar het voegwerk te herstellen, iedere 20-30 jaar te injecteren en iedere 40-50 in te boeten.

Indien het klein onderhoud van de gemeente bestaat uit het herstellen van het voegwerk en het injecteren van de scheuren. Dan zijn het gangbare onderhoudsfrequenties.

16 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

Elementverharding: in de normkosten wordt er geadviseerd om iedere 5 jaar te herstraten. Vanuit de CROW publicatie 145 wordt er voor wegtype 3 geadviseerd om dit iedere 16 jaar te doen, uitgaande van elementverharding op brugdek. De hogere gehanteerde frequentie is verdedigbaar door het intensieve gebruik van de openbare ruimte, en/of ook oneigenlijk gebruik. Kades kademuren De ‘Kades kademuren’ bestaan grotendeels uit materialen die ook van toepassing zijn op het objecttype vaste brug. Trappen en dilatatievoegen zijn bijvoorbeeld niet opgenomen bij de vaste bruggen. De maatregelen bij deze onderdelen hebben een beperkte bijdrage aan de totale kosten. De opmerkingen die bij vasten bruggen zijn gemaakt, zijn ook van toepassing op de ‘Kades kademuren’. Verzorgd versus sober In de normkosten wordt het verschil tussen verzorgd versus sober uitgedrukt door de frequentie van maatregelen met 30 % te verlengen, zonder onderbouwing of toelichting. Hierdoor worden er per jaar minder maatregelen uitgevoerd en zijn de kosten lager. Deze manier van het uitdrukken tussen verzorgd en sober geeft een onrealistisch beeld van de werkelijkheid. Door het uitstellen van maatregelen kan het juist noodzakelijk zijn dat er eerder groot onderhoud uitgevoerd moet worden wat juist leidt tot hogere investeringen.

Een logische benadering zou zijn dat er gekeken wordt per materiaal/discipline welke dagelijkse en grote onderhoudsmaatregelen er van toepassing zijn en hoe dit elkaar beïnvloedt. Voor de conservering van stalen delen kan er bijvoorbeeld gekozen worden om het grote onderhoud (vervangen conservering) later uit te voeren, alleen betekent dat dat het kleine onderhoud (overlagen/bijwerken) met een kortere frequentie uitgevoerd moet worden, zodat het materiaal ook de periode tot het grote onderhoud overleeft. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor elementverharding. De frequentie voor het herstraten kan verder omhoog, als er tussentijds lokaal herstraat wordt daar waar verzakkingen geconstateerd zijn.

2.7

Toets op de eenheidsprijzen

In het bestand ‘Matrix kostenkengetallen concept 2021.xlsx’ worden in het blad ‘Normkostenmatrix’ de prijzen van de verschillende posten naar boven toe gelinkt naar het eerste deel ‘Uitvoeringsorganisatie 1 V&OR’ van waar het verwijst naar het blad ‘Bouwkosten (B) - Frequentie (C)’ het risico bestaat bij deze werkwijze dat bij een wijziging een verwijzing naar boven verloren gaat of verwijst naar een verkeerde post. Alle regels verwijzen naar het blad ‘Bouwkosten (B) - Frequentie (C)’ heeft de voorkeur. In het blad ‘Bouwkosten (B) - Frequentie (C)’ worden de eenheidsprijzen gehanteerd uit het bestand ‘20191127 Normkosten Amsterdam.xlsm’. Kades kademuren De reden dat kades het grootste aandeel in de totaalkosten heeft zijn de vervangingskosten per eenheid samen met de zeer grote hoeveelheid (lengte) van de kademuren in Amsterdam. De vervangingskosten worden in deze studie niet beschouwd. Binnen het groot onderhoud wordt ook het vervangen van de ‘wrijfgording’ benoemd. Dit geeft ondanks de beperkte te vervangen hoeveelheid per jaar toch een grote bijdrage. Een onderbouwing van gehanteerde eenheidsprijs is niet aanwezig maar de eenheidsprijs is plausibel. Het DO (dagelijks onderhoud) van de kademuren bestaat uit het ‘herstraten elementenverharding’ van het wegtype 3.

Bij navraag is aangegeven dat deze hertselwerkzaamheden aan de verhardingen het gevolg zijn van geconstateerde schade aan de kademuren. De gehanteerde eenheidsprijs in plausibel, maar de vraag is of dit geen overlap heeft met het onderhoud wegen. Dit zou uit de bepaling van de oppervlakken van het wegenonderhoud moeten blijken. Het aandeel op de totale kosten is gering. Bruggen Voor de kosten van de bruggen zijn referentiebruggen met hun afmetingen gegeven ‘SSK- vervanging kunstwerken ten behoeve van normkosten 27 oktober 2020.xlsm’. Hiervan is de opbouw helder en zijn de prijzen plausibel. Voor BRUG 1473 lijkt echter de invoer van de breedte 0,89 m niet overeen te komen met de bijgevoegde foto. In de raming van de bruggen zijn ook de installatietechnische onderdelen benoemd en plausibel. Bij het onderhouden en vervangen van de elektrotechnische- en werktuigbouwkundige installaties

17 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

zijn de kosten vanuit een referentie teruggerekend naar een m 2 brugdek. Deze kosten zijn naar onze ervaring/expertise niet direct te relateren aan het oppervlak van de bruggen. Vaak zijn deze kosten voor een hele range aan afmetingen van bruggen gelijk. Bij het hanteren van een prijs per m 2 kunnen deze kosten uit de pas gaan lopen. Omdat deze onderdelen een groot aandeel vormen van de jaarlijkse onderhoudskosten, is het aan te bevelen de benadering opnieuw te beschouwen. Een optie is om het niet aan het oppervlak van de bruggen te koppelen maar aan het aantal installaties.

Tabel 2.1 E/W aandeel in het bepalen van de ‘m2’ kengetallen van beweegbare bruggen Maatregel

% aandeel

Omschrijving

DO: beweegbare brug klein

85 %

doorlopend onderhoud E/W installaties

GO: beweegbare brug klein

87 %

variabel onderhoud E/W installaties

DO: beweegbare brug groot middel

87 %

doorlopend onderhoud E/W installaties

GO: beweegbare brug groot middel

81 %

variabel onderhoud E/W installaties

DO: beweegbare brug groot

88 %

doorlopend onderhoud E/W installaties

GO: beweegbare brug groot

81 %

variabel onderhoud E/W installaties

De gehanteerde normkosten voor het dagelijks onderhoud van de vaste bruggen worden voor bijna de helft (48 %) bepaald door de kosten van het onderhoud aan het metselwerk. In de huidige methodiek wordt het oppervlakte van verticale brugdelen (vleugelmuren en frontwanden) verrekend in het kengetal voor een vierkante meter brugdek. Ook in dit geval is er in onze ogen te weinig verband tussen het oppervlakte van het brugdek en het oppervlakte van de muren om deze werkwijze te legitimeren. Het oppervlakte van de brug zegt immers niets over de hoogte van de brug, terwijl juist de hoogte bepalend is voor het oppervlakte van de wanden. Wij adviseren daarom om de wanden van de bruggen op gelijke wijze te benaderen als kademuren, waardoor een realistischer raming ontstaat. Opvallend bij beweegbare bruggen is dat het ‘doorspuiten van het afwateringssysteem’ een aandeel van 5 % heeft in het gehanteerde kengetal per m2 brug. Omdat een onderbouwing van de toegepaste prijs EUR 2,73 en de daarbij aangenomen hoeveelheid ontbreekt is een inhoudelijk oordeel niet mogelijk. Bij de vaste bruggen is deze post niet opgenomen. Voor de vaste bruggen is het vervangen en onderhouden van de verhardingen een erg groot aandeel (bijdrage van circa 28 %) in de totale jaarlijkse onderhoudskosten. De gehanteerde eenheidsprijzen worden als hoog ervaren.

‘Vervangen asfalt (deklaag)’ EUR 75,00 en ‘Vervangen asfalt (geheel)’ EUR 145,00 (zie ook tabel 2.2). Over het algemeen heeft de verhardingsopbouw op een kunstwerk een beperkte dikte. Een onderbouwing van deze prijzen is niet aanwezig. In de ‘kostenkengetallen groot onderhoud’ van de wegen komt een soortgelijke prijs (met onderbouwing) alleen voor bij een rehabilitatie van een wegtype met een constructiehoogte van circa 800 mm (EUR 74,72 en EUR 79,12). Bij het DO voor het herstellen van de elementenverharding op een brugdek is EUR 24,00/m2 gehanteerd wat als plausibel wordt ervaren. Echter lijkt het ‘Vervangen elementenverharding’ bij het DO met EUR 122,00 erg hoog. Het bedrag is niet herleidbaar. In de ‘kostenkengetallen groot onderhoud’ van de wegen is de ‘rehabilitatie van klinkers’ opgenomen met EUR 79,62. Bij ‘vaste bruggen groot’ is het aandeel ‘Groot onderhoud beton’ met EUR 123,00/m2 groot. De eenheidsprijs is niet onderbouwd. Bij een correct uitgevoerd dagelijks onderhoud zou mogen worden verwacht dat het groot onderhoud beperkt is bij dit soort constructies. Gehanteerde eenheidsprijzen De gehanteerde eenheidsprijzen in het blad ‘Maatregelpakket Amsterdam ‘ in het bestand ‘20191127 Normkosten Amsterdam.xlsm’ zijn de directe kosten niet onderbouwd of nader toegelicht.

De meeste prijzen van het dagelijks onderhoud en groot onderhoud zijn echter plausibel en passend bij de omschrijving. Er zijn

18 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

enkele posten die een toelichting vragen en is een oordeel over de prijs niet mogelijk. Waar dat mogelijk is, is een bandbreedte van de geschatte prijzen aangegeven.

Tabel 2.2 Vergelijking gehanteerde eenheidsprijzen ten opzichte van verwachtte eenheidsprijzen Maatregel

Type onderhoud

EUR/eenheid

Verwachte bandbreedte in EUR/eenheid

plaatselijk vervangen wandbekleding (tegels)

DO

200,00/ m2 wand

150,00 tot 200,00

vervangen elementenverharding

DO

122,00/ m2 brugdek

50,00 tot 100,00

vervangen verlichtingsarmaturen

DO

1.000,00/ stuk

650,00 tot 1.000,00

DO

33,00/m1 kademuur

toelichting noodzakelijk

GO

EUR 107,00/ m1 kademuur

toelichting noodzakelijk

groot onderhoud metselwerk

GO

EUR 673,00/ m1 kademuur

toelichting noodzakelijk

renovatie opstal (metselwerk)

GO

EUR 673,00/m2 vleugelmuur

toelichting noodzakelijk

conservering overlagen kolom of paal (staal)

GO

EUR 750,00/stuk

toelichting noodzakelijk

groot onderhoud beton

GO

EUR 123,00/m2

toelichting noodzakelijk

GO

EUR 297,00/m1

toelichting noodzakelijk

vervangen asfalt (deklaag)

GO

EUR 75,00/m2

35,00 tot 70,00

vervangen asfalt (geheel)

GO

EUR 145,00/m2

85,00 tot 120,00

vervangen dilataties in kerende constructies onderhoud damwanden

groot onderhoud leuning (gietijzer)

Indirecte kosten/toeslagen De gehanteerde toeslagen voor de indirecte kosten zijn herkenbaar en passend bij werkzaamheden. Wellicht zou een opdeling van werkzaamheden door de eigen dienst en werkzaamheden door een aannemer bij de opslagen een ander beeld van de totaalkosten kunnen geven. In de verschillende kostentabellen wordt dit onderscheidt in deze asset groep niet gemaakt. Het effect van verschillende opslagen kan hierdoor niet benaderd worden.

2.8

Impact van de bevindingen op de normkosten

Het verschil in de normkosten voor de onderhoudsniveaus ‘verzorgd’ en ‘sober’ wordt bepaald door de frequentie waarmee de onderhoudsactiviteiten worden uitgevoerd. Voor het ambitieniveau ‘sober’ wordt uitgegaan van een 30 % lagere frequentie dan voor ‘verzorgd’. Uitgangspunt is dat er per jaar minder maatregelen uitgevoerd, waardoor de kosten lager zullen zijn. In deze wijze van budgettering wordt geen rekening gehouden met het feit dat bij een lagere onderhoudsfrequentie de toestand van het object sneller verslechterd en er daarmee eerder noodzaak is voor het plegen van groot onderhoud of dat de omvang van het grote onderhoud toeneemt. Met andere woorden, het besparen op de korte termijn resulteert in eerdere of intensievere (duurdere) onderhoudsmaatregelen. Het effect van deze keuze op de investeringsbehoefte op langere termijn wordt momenteel niet meegenomen, waardoor er een begrotingstekort op de lange termijn kan ontstaan of achterstallig onderhoud. De impact van bevindingen op de normkosten voor beweegbare bruggen met betrekking tot eenheidsprijzen en onderhoudsfrequenties is niet eenduidig vast te stellen. Doordat de maatregelen zijn samengebundeld en uitgemiddeld. Bij het hanteren van een prijs per m2 kunnen deze kosten uit de pas gaan lopen. Waardoor werkelijke onderhoudskosten zowel hoger als lager kunnen uitvallen.

Het effect van het doorvoeren van de in de tabel 2.12 aangegeven minimale prijs leidt tot een daling van circa 1 % van de totale kosten van de ‘Matrix kostenkengetallen’.

19 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

2.9

Conclusie & aanbeveling

Een opsomming van uitgangspunten en onderbouwing van de gehanteerde prijzen in het blad ‘maatregelenpakket Amsterdam’ van het bestand ‘20191127 Normkosten Amsterdam’ is aan te bevelen. Met name voor de kostenbepalen onderdelen. Het onderhouden van het metselwerk van de bruggen is een groot aandeel in de onderhoudskosten van de bruggen. In de huidige methodiek wordt een m2 metselwerk in de vleugelmuren en frontwanden omgeslagen naar een m2 brugdek. Er is een reële kans dat de metselwerkposten onevenredig zijn meegenomen in de onderhoudskosten per m2 brugdek. Het is wellicht verstandig het metselwerk van de bruggen onder te brengen bij de kades zodat deze met de juiste eenheden worden opgenomen. Een andere benadering in de kostenkengetallen voor het onderhoud van de elektrotechnische- en mechanische installaties, bijvoorbeeld door deze op te nemen per installatie en niet per m 2 brug, wordt geadviseerd. De huidige opdeling van het objecttype beweegbare bruggen is te grof om een beoordeling te kunnen maken van de frequenties. Dit wordt veroorzaakt door de opbossing van de technische installaties, die voor 90 % de totale onderhoudskosten bepalen. Dit punt was al reeds opgenomen als verbeterpunt in de huidige normkosten rapportage. De gemeente heeft aangegeven dat op dit moment gewerkt wordt aan een verdiepingsslag, als input voor nieuwe normkostenrapportage.

Bij zowel de vaste bruggen als de kademuren zijn geen grote bijzonderheden geconstateerd. De frequenties voor het herstraten zijn aan de hoge kant maar de frequenties, maar is verklaarbaar door het intensieve gebruik van de openbare ruimte. Voor het onderhoud aan de conservering geldt dat deze iets aan de lage kant. Concluderend kan er gezegd worden dat de frequenties voor de vaste bruggen en kademuren realistisch zijn voor de onderhoudsraming. De werkwijze waarbij er onderscheid wordt gemaakt tussen sober en verzorgd is niet realistisch. Door de huidige werkwijze ontstaat er een reële kans op achterstallig onderhoud, waardoor de investeringskosten juist toenemen in plaats van afnemen.

20 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

3 ASSETGROEP GROEN 3.1

Algemeen

In dit hoofdstuk zijn de resultaten van de toets op de normkosten gegeven voor de assetgroep groen. De toets van de normkosten is gebaseerd op de volgende documenten: - Pdf-bestand: rapportage Normkosten Groen 4.0 28 mei 2020; - Excel-bestand: 400_019 VenOR CONCEPT Kostenraming groen 2020_01_30; - Excel-bestand CONCEPT Kostenraming groen incl ECO objecten 2020-10-29.

3.2

Referentiekader

De onderhoudsfrequenties van de assetgroep Groen zijn getoetst aan de gehanteerde frequenties uit de CROW-publicatie 145 ‘Beheerkosten Openbare Ruimte’. Deze publicatie is een landelijke standaard voor uitgaven aan beheer van infrastructuur. Ook is het normenboek Gemeentelijk Groen 2018 geraadpleegd. Deze geeft echter alleen tijd- en kostennormen. Voor de frequentie van de maatregelen kan deze niet worden gehanteerd. Voor het toetsen van de eenheidsprijzen is voornamelijk de eigen kostendatabase van Witteveen+Bos gehanteerd waarin naast informatie van leveranciers ook kostendata uit uitgevoerde werken zijn opgenomen.

3.3

Opbouw en traceerbaarheid

Het bestand met de normkosten voor groen heeft een tabblad met een omschrijving van de andere tabbladen, wat de traceerbaarheid vergroot. Het gegeven totaaloverzicht en het Dashboard Totaal lezen prettig en geven een helder overzicht. Er wordt in het Dashboard Totaal wel verwezen naar een tabblad dat onzichtbaar is voor ons, het tabblad ‘Werkpakketten’. Hier komen alle originele bewerkingspercentages vandaan. Verder is het niet mogelijk om de dependents and precedents van cellen gebaseerd op formules in het werkboek weer te geven. De draaitabellen zijn een goede manier om de gewenste informatie zichtbaar te maken voor de lezer. Het gebruik hiervan staat niet toegelicht, dit zou het gebruiksgemak verhogen.

3.4

Kostendrijvers

Binnen de assetgroep ‘groen’ leveren de onderdelen ‘bomen’, ‘gras’ en ‘beplanting houtig’ de grootste bijdrage aan de totale onderhoudskosten van respectievelijk 48 %, 18 % en 27 % in de categorie ‘Sober’. Gebaseerd op een verdere verdeling binnen decompositiegroep is er gekozen om te focussen op de onderdelen met de grootste bijdrage aan de totale onderhoudskosten binnen dagelijks onderhoud.

21 | 33

Witteveen+Bos | 127689/21-016.396 | Definitief 02

Dat resulteert in de volgende groepen om te beoordelen: - bomen (48 %): · bomen in beplanting; · bomen in gras; · bomen monumentaal en bomen in verharding hist+19 e -eeuwse ring; - gras (18 %): · bloemrijk gras; · gazon; · ruw gras; - houtachtige beplanting (27 %): · bosplantsoen; · hagen; · heesters. Het grote aandeel van de groep ‘bomen’ wordt vooral veroorzaakt door de ‘vervanging’. Binnen de categorieën DO en GO is de groep ‘houtachtige planting’ de voornaamste kostendrijver.

3.5

Compleetheid van de normkosten

De normkosten geven een compleet beeld weer van de kosten per onderhoudsgroep. Alle onderhoudsmaatregelen die verwacht worden zijn opgenomen in de berekeningen. Volgende aandachtspunt is opgevallen: - het verwijderen van zwerfvuil is opgenomen bij de diverse groenobjecten. Dit is echter een onderdeel van het ‘domein schoon’, waardoor er mogelijk een dubbeling in de kosten ontstaat.

3.6

Toets op de frequenties

In de aangeleverde Excel vanuit Amsterdam wordt onderscheid gemaakt in de categorieën ‘bomen’, ‘gras’ en ‘beplanting houtig’, ‘beplanting, kruidachtig’ en ‘ruigten & oevers’. Per type groen zijn de belangrijkste punten benoemd die van invloed kunnen zijn op de normkosten. Hierbij is zowel het onderhoudsniveau ‘sober’ als ‘verzorgd’ beoordeeld. In bijlage I van deze rapportage zijn de frequenties en maatregelen uit de normkosten van zowel ‘sober’ als ‘verzorgd’ onderhoud tegenover die van de CROW 145 gezet. In onderstaande paragrafen zijn per categorie de meest opvallende punten benoemd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10972796/1