04. BP E-buurt Oost_Toelichting.pdf
Tekst van het document
De E-buurt Oost is een buurt met een relatief sterke marktpositie. Dit komt door de burenrelatie met Holland Park, de inbedding in een gewaardeerde middenklasse buurt en de groene omgeving. Wonen adviseert daarom meer woningen te ontwikkelen in het (middel)dure segment. Daarmee wordt een grote doelgroep in Zuidoost bediend die nu nog een sociale huurwoning bewoont, maar best naar een ruimere (duurdere) woning kan en wil doorstromen. Op niveau van Zuidoost wordt een verdeling van 40-40-20 aangehouden. Voor het Stedenbouwkundig Plan is op basis van de proefverkaveling besloten tot de verdeling 20-53-27. Deze verdeling was gebaseerd op het realiseren van 518 woningen. Het maximum aantal woningen is in het Stedenbouwkundig Plan gesteld op 550 woningen. Bij het realiseren van het maximum aantal woningen komen er meer woningen in de segmenten sociaal en middensegment.
bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 35
3.4.4
Agenda Duurzaamheid
De gemeente Amsterdam wil de verduurzaming van de hoofdstad versnellen. Dit staat in de Agenda Duurzaamheid, de agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad. De Agenda Duurzaamheid is vastgesteld door de Gemeenteraad van Amsterdam op 11 maart 2015. Amsterdam wil een inhaalslag maken op het gebied van duurzaamheid. Dit doen we in goede samenwerking met partners uit de stad (bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen), niet alleen voor het creëren van breed maatschappelijk draagvlak, maar ook om de energie en doorzettingskracht die al aanwezig zijn in de samenleving te versterken. De Agenda Duurzaamheid heeft betrekking op met name duurzame energie, schone lucht, circulaire economie en klimaatbestendige stad. Duurzame energie Om tot een duurzame E-buurt te komen wordt ingezet op een volledig duurzaam energiesysteem. In de eerste plaats betekent dit dat de energievraag tot een minimum dient te worden beperkt. De bebouwing zal daarom energieneutraal of energieleverend ontwikkeld worden en gebruik maken van lage temperatuur verwarming. Hierbij kan gedacht worden aan concepten als 'nul op de meter woningen'. Om zo min mogelijk energie te gebruiken zal lage temperatuur verwarming toegepast worden.
Ook wordt onderzocht of restwarmte een bijdrage kan leveren aan een duurzame energiehuishouding van het gebied. Toepassingen om het energiegebruik te beperken en lokaal energie op te wekken vragen om een efficiënt gebruik van de beschikbare ruimte. Zo kunnen bijvoorbeeld daken ingezet worden voor het opwekken van energie (zonnepanelen), maar ook om energiegebruik te reduceren (groene daken) of een combinatie daarvan. Een trend op het gebied van energie is de elektrificering van het energiegebruik (warmtepompen, elektrische mobiliteit). Dit zorgt voor een hogere belasting van het elektriciteitsnetwerk. Schone lucht In de E-buurt Oost wordt een autoluwe wijk gecreëerd, dat zeker een positief effect zal hebben op de luchtkwaliteit in de buurt.
OV en fiets In de E-buurt Oost hebben de voetganger en fietser het primaat, de auto is er 'te gast'. Er wordt geïnvesteerd in extra fietsverbindingen in een aantrekkelijke en sociaal veilige omgeving. Om de rest van de stad te bereiken zijn er goede metro- en busverbindingen. Elektrisch rijden Elektrische auto's en fietsen zijn schoon. Om elektrisch rijden te faciliteren zijn bij oplevering oplaadpunten nodig en is het verstandig om ook al de infrastructuur (zoals mantelbuizen) aan te leggen voor toekomstige uitbreiding van de laadpunten. Bij oplevering is 15 á 25% van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte (voor bezoekers en autodelen) voorzien van een oplaadpaal. Bij een woningaantal van 518 gaat het om 8 tot 13 laadpalen in de E-buurt Oost. Uitgangspunt is dat ook de rest van de parkeervakken in de openbare ruimte reeds is voorbereid op de groei van elektrisch rijden, bijvoorbeeld met gereedliggende elektraleidingen.
Gemeente Amsterdam
blz. 36
Voor gebouwd parkeren en parkeren op privaat terrein worden in kavelpaspoorten/ bouwenveloppen nadere eisen opgenomen met betrekking tot elektrisch rijden. Circulaire economie Het thema circulaire economie is veelomvattend. Voor gebiedsontwikkeling ligt de focus op circulair bouwen en op de wijze waarop wordt omgegaan met huishoudelijk afval. Circulair bouwen Bij circulair bouwen gaat het om het slim omgaan met materialen en het rekening houden met veranderingen door de tijd. Het gebouw moet zich aan de tijd kunnen aanpassen net als de functie van het gebouw. Gebouwen dienen flexibel te kunnen worden heringericht. Hergebruik van materialen verdient de voorkeur. Ook lokale materialen die zonder veel energie zijn te winnen, scoren relatief goed. Gebouwen zijn demontabel en materialen worden gedocumenteerd, zodat materialen elders kunnen worden hergebruikt. Hoogwaardige materialen die lang meegaan worden ingezet voor de schil van gebouwen met een lange levensduur. Bij het tenderen van kavels is circulair bouwen een criterium voor duurzaamheid. Daarvoor wordt op het moment van tenderen de laatste stand van zaken met betrekking tot deze maatlat gebruikt. Los daarvan moeten de woningen voldoen aan de wettelijke minimum-eis van de EPC norm (energieprestatiecoëfficiënt).
Huishoudelijk afval De gemeente heeft in de Agenda Duurzaam Amsterdam het doel opgenomen om het scheidingspercentage voor huishoudelijk afval van 27% in 2014 omhoog te brengen naar 65% in 2020. Voor de E-buurt wordt daarom een inzamelsysteem toegepast dat voorziet in een hoge dienstverlening op het gescheiden kunnen aanleveren van grondstoffen (zoals groente- fruit en keukenafval, tuinafval, papier en karton, plastic en drankenkartons, glas en textiel). Klimaatbestendige stad Als gevolg van de beginnende klimaat veranderingen wordt verwacht dat in Nederland perioden van droogte/hitte én van hevige regenval in extremere mate zullen voorkomen. Slimme groenvoorzieningen in de stad kunnen de gevolgen van beide extremen dempen en zijn bovendien goed voor flora en fauna. De nabijheid van de Bijlmerweide (ruigte en struinnatuur), de reeds bestaande bomen en het aanwezige oppervlaktewater zijn daarom belangrijk om te behouden en goed te beheren. Daarnaast worden nieuwe bomen in straten geplant, komen er brede groenstroken, tuinen met grondgebonden woningen en groen op daken. De groene daken hebben op zijn minst een vertragend effect op de regenwaterafvoer. Op de parkeerdekken van de appartementengebouwen worden bovendien 'intensief groene daken' aangelegd die ook qua flora en fauna meerwaarde bieden.
bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 37
3.4.5
Agenda Groen
De stedelijke Agenda Groen zet in op het vergroten van de biodiversiteit. Daarbij ligt de focus op het oplossen van knelpunten en natuurinclusief bouwen. In de E-buurt Oost liggen geen knelpunten voor de Amsterdamse Ecologische Structuur. Natuur-inclusief is een leidend ontwerpprincipe voor de E-buurt. Speciale nestkaststenen kunnen vrij eenvoudig ingepast worden in het toekomstige ontwerp van de nieuwbouw. Groene daken zorgen niet alleen voor verkoeling en waterberging, maar kunnen ook ecologische waarde hebben als leefgebied voor insecten en dus voedsel voor mussen en vleermuizen.
3.4.6
Beleidskader Verkeersnetten
Op 24 januari 2018 heeft de gemeenteraad het Beleidskader Verkeersnetten vastgesteld. In het beleidskader staan eisen en toetswaarden waaraan de verschillende onderdelen van de Amsterdamse verkeersinfrastructuur moeten voldoen. Het is de basis voor investeringen, herinrichtingsplannen en andere maatregelen om de doorstroming van verkeer te verbeteren, en het is een toetsingskader voor ruimtelijke plannen. Het Beleidskader Verkeersnetten is gebaseerd op het Beleidskader Hoofdnetten uit 2005, de MobiliteitsAanpak Amsterdam (2013) en de Uitvoeringsagenda Mobiliteit (2015). Het beleidskader is een beleidsstuk waarin staat aangegeven waar de belangrijkste routes voor voetganger, fiets, openbaar vervoer en auto liggen, welk doel ze hebben en aan welke kwaliteitseisen ze moeten voldoen. De functie van de netten is onder andere de stad bereikbaar houden, zorgen voor een goede bereikbaarheid tussen stadsdelen en goede en veilige doorstroming van het verkeer. Het voorliggend bestemmingsplan maakt geen wijziging in het verkeersnetwerk in het gebied. Wel wordt een fietsroute (plusnet fiets) verlegd van de rand van het plangebied naar het midden van het nieuwe woongebied. De kaart hieronder geeft een weergave van de verkeersroutes volgens het Beleidskader Verkeersnetten.
3.4.7
Parkeerbeleid
Auto De gemeente Amsterdam voert al jaren parkeerbeleid. Parkeerbeleid heeft invloed op de bereikbaarheid en leefbaarheid in de stad. Dit onder meer vanuit het idee dat minder auto's op straat leidt tot meer Gemeente Amsterdam
blz. 38
ruimte voor voetgangers en fietsen en een aantrekkelijkere openbare ruimte voor bewoners, bezoekers en ondernemers. Daarnaast willen ondernemers en bewoners ook een bereikbare stad, een stad waar ze hun auto kwijt kunnen en klanten een parkeerplek kunnen vinden. Minder auto's op straat en tegelijkertijd een goede (auto)bereikbaarheid van de stad, het lijken tegenstrijdige doelstellingen. Een oplossing om deze doelstellingen te verenigen, is het verplaatsen van een groot deel van de parkeerplaatsen op straat naar parkeergarages. Parkeernormering helpt om de toekomstige parkeervraag in (ondergrondse) garages op te lossen, door ontwikkelaars te verplichten om bij nieuwbouw parkeergelegenheid op eigen terrein te realiseren. Hiervoor heeft de gemeenteraad op 8 juni 2017 de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld. Deze Nota is op 29 november 2017 gewijzigd vastgesteld. In de Nota staan beleidsregels en parkeernormen voor nieuwbouw- en transformatieplannen. Ook is aangegeven wanneer de regels en beleid worden toegepast. Het nieuwe beleid treedt in werking voor alle ontwikkelingen waarvoor de eerste grondprijsovereenkomst wordt gesloten, na moment van vaststelling van de nieuwe Nota Parkeernormen Auto. Het belangrijkste uitgangspunt van deze nota is dat bij nieuwbouw, bewoners en werknemers geen parkeervergunning krijgen.
In de 'Nota Parkeernormen Auto' wordt voor parkeernormen onderscheid gemaakt in drie soorten typen locaties: A-, B-, en C-locaties genoemd. Onderhavig plangebied is aangemerkt als B-locatie. De B-locaties hebben goed openbaar vervoer, maar liggen verder van de intercitystations af. Het grootste deel van Amsterdam wordt als B-locatie geclassificeerd. Hier kiest de gemeente ervoor om naast een maximum parkeernorm ook een minimum parkeernorm te hanteren. Ontwikkelaars worden verplicht om bij nieuwbouw een minimum aantal parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Er geldt een maximum parkeernorm van één parkeerplek per woning voor alle woningtypen, vrije sectorwoningen (koop en huur), middeldure- en sociale huurwoningen. Voor vrije sectorwoningen (koop en huur) is er tevens een minimum norm: Woningen boven de 60 m² bvo, een minimumnorm van 0,6 parkeerplek per woning. Voor alle soorten sociale en middeldure huurwoningen, geen minimum parkeernorm. Voor bewoners dienen de ontwikkelaars in deze buurt dus minimaal 136 plaatsen op eigen terrein te realiseren. Mochten ontwikkelaars actief een deelauto concept introduceren, dan kunnen zij een verzoek indienen om de minimum parkeernorm met maximaal 20% te verlagen. Omgerekend geeft de nota voor dit gebied een norm van 52 parkeerplaatsen voor bezoekers, oftewel 0,1 parkeerplaats per woning. Deze worden aangelegd in de openbare ruimte.
Naar alle waarschijnlijkheid is tegen die tijd betaald parkeren ook in de E-buurt ingevoerd. In de tabellen hieronder staan de normen voor het parkeren voor bezoekers en bewoners.
bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 39
Het parkeerbeleid kan in de toekomst wijzigen. Voor de toepassing van het parkeerbeleid dient op grond van de bepalingen van dit bestemmingsplan uitgegaan te worden van de meest recente versie van het vastgestelde en inwerking getreden beleid. Het parkeerbeleid is voor een ieder raadpleegbaar op internet. Parkeren fiets en scooter Op 14 maart 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen fiets en scooter 2018 vastgesteld. De nota 'Parkeernormen Fiets en Scooter' is het beleidskader op basis waarvan we bij ruimtelijke (her-)ontwikkelingen eisen stellen aan de parkeervoorzieningen bij niet-woonfuncties. Deze eisen zijn vertaald in bindende beleidsregels voor fietsen. Voor scooters zijn de normen voor parkeervoorzieningen niet bindende richtlijnen. Uitgangspunt voor zowel fiets- als scooterparkeren is dat dit op eigen terrein wordt geregeld, al dan niet inpandig. Op basis van de kencijfers van het landelijke kennisinstituut CROW zijn fietsparkeernormen ontwikkeld voor niet-woonfuncties. Het vaststellen van het minimaal vereiste aantal parkeerplekken is volgens de nota een fietsparkeereis, waarbij maatwerk wordt toegepast. Het Bouwbesluit 2012 verplicht ontwikkelaars om bij nieuwe woningen een individuele (fietsen)berging te realiseren, maar biedt ook ruimte voor gelijkwaardige alternatieven.
In de Nota Parkeernormen fiets en scooter 2018 wordt de voorkeur uitgesproken voor een gelijkwaardig alternatief; een gezamenlijke fietsenstalling. Bewoners zullen die beter benutten voor het parkeren van hun fiets dan een individuele berging. Zo voorkomen we dat geparkeerde fietsen van bewoners de openbare ruimte onnodig belasten. Voor bezoekers dient de ontwikkelaar op eigen terrein minimaal 0,5 fietsparkeerplaats en 0,13 scooterparkeerplaats per woning te realiseren. Het aantal parkeerplekken voor tweewielers bij de voorzieningen kan pas worden bepaald als bekend is welke voorzieningen er gaan komen. Ook hier dienen die parkeerplekken op eigen terrein te worden opgelost. De nota Parkeernormen Fiets en Scooter wordt dan ook onderdeel van het bestemmingsplan.
Gemeente Amsterdam
blz. 40
3.5
Stadsdeelbeleid
3.5.1
Structuurvisie Zuidoost
De structuurvisie 'Zuidoost Open Huis' is op 27 september 2005 vastgesteld door de stadsdeelraad Zuidoost. In de structuurvisie heeft het stadsdeel de gewenste ruimtelijke ontwikkeling voor het gehele stadsdeel tot 2020 weergegeven. De structuurvisie vormt daarmee het beleidskader voor het stadsdeel. De structuurvisie gaat in op de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid op lange termijn waarmee een samenhangend perspectief wordt neergezet. Binnen de structuurvisie heeft het plangebied de milieutypering 'hoogbouw'. De kenmerken daarvan zijn flats in het groen, bereikbaarheid vooral per auto en ov, geen functiemenging, een gemiddelde intensiteit (bebouwingsdichtheid) en de financieringscategorie laag. 3.5.2
Woonvisie Zuidoost
De stadsdeelraad heeft op 30 juni 2009 de Woonvisie Zuidoost 2020 vastgesteld. De Visie geeft over het wonen beleidskaders voor de nabije toekomst. De ambitie van de Woonvisie is, om in de komende decennia circa 10.000 nieuwe woningen in Zuidoost te bouwen, waarvan 3.000 in het kader van de Vernieuwing Bijlmermeer. Het bestemmingsplangebied is in de Woonvisie onderdeel van Bijlmer Oost. De Woonvisie beschrijft de Bijlmer Oost als het gedeelte van Zuidoost met de meest gevarieerde woningvoorraad. Het plangebied heeft in de woonvisie het woonmilieu 'stedelijk gestapeld'. De omschrijving daarvan is gestapeld wonen (appartementen) nabij stedelijke knooppunten, beperkte functiemenging. De gewenste ontwikkeling is behouden, voltooien en veranderen/versterken en waar mogelijk verder ontwikkelen. Het deel van het plangebied Nieuw Grunder heeft het woonmilieu 'stedelijk in de luwte'. De omschrijving hiervan is suburbaan wonen nabij stedelijke knooppunten. 3.5.3
Horecanota Zuidoost 2007-2012
Op 18 december 2007 is de Horecanota Zuidoost 2007-2012 door de stadsdeelraad Zuidoost vastgesteld. De horecanota speelt in op de ontwikkelingen in het stadsdeel Zuidoost, zoals de vernieuwing van de Bijlmer. De nota vormt verder het beleidskader voor de ontwikkelingsmogelijkheden en kwaliteitsverbetering voor de horeca in Zuidoost. De Horecanota is een beleidsstuk dat dient als toetsingskader voor ontwikkelingen en planvorming rond de horeca, vergunningverlening en handhaving. In de nota wordt aangegeven waar en hoeveel ruimte in het stadsdeel aanwezig is voor extra horecavestigingen. Ook worden de risico's voor de openbare orde in de nota meegenomen. Ten aanzien van horeca in woonbuurten stelt de nota dat horecavoorzieningen in woonbuurten mogelijk zijn als deze een buurtvoorzienende functie hebben. Deze horecavoorzieningen kunnen bijdrage aan levendigheid in de woonwijk en een sociale functie hebben en de cohesie binnen de wijk bevorderen.
bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 41
Hoofdstuk 4 4.1
Milieueffect
4.1.1
Kader
Milieuaspecten
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. In de Wet milieubeheer (art 7.2) en het Besluit milieueffectrapportage (art 2 lid 5) is verankerd dat er een beoordeling moet worden gemaakt of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden als een plan of besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) wordt opgesteld voor één of meerdere activiteiten met mogelijk belangrijke negatieve effecten op het milieu. Activiteiten waarvoor dat het geval is, worden genoemd in de bijlage onderdeel C en D van het Besluit mer: Onderdeel C: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en dus het opstellen van een MER verplicht is; Onderdeel D: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is.
Als de activiteiten die met het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt in kolom 1 van onderdeel D staan, dan bestaat de m.e.r.-beoordelingsplicht er uit dat het bevoegd gezag moet beoordelen of de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Blijkt uit deze beoordeling dat de betreffende activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben, dan moet de m.e.r.-procedure (m.e.r.) worden doorlopen en moet een milieueffectrapportage (MER) worden opgesteld. 4.1.2
Plangebied
Voor het gebied is een aanmeldingsnotitie mer opgesteld, zie bijlage 6 Aanmeldingsnotitie Mer. Deze notitie geeft inzicht in de milieueffecten. Deze zijn niet zodanig dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
4.2
Luchtkwaliteit
4.2.1
Kader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Luchtkwaliteitsaspecten zijn verankerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) en betreffen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De wet voorziet in onder meer het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering. De kern van de wet
Gemeente Amsterdam
blz. 42
wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate". Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en Besluit NIBM Het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' bepalen wanneer sprake is van een niet in betekenende mate-project (nibm-project). Als de bijdrage aan de jaargemiddelde concentratie van zowel fijn stof als stikstofdioxide niet groter is dan 3%, draagt een project niet in betekenende mate bij aan de concentratie in de lucht van fijn stof en stikstofdioxide. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt o.a. voor woningbouwlocaties die niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Voor nibm-projecten vindt ten aanzien van de overschrijding van luchtkwaliteitsnormen geen verdere toetsing meer plaats. Besluit gevoelige bestemmingen Gevoelige bestemmingen zoals scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het "Besluit gevoelige bestemmingen" extra bescherming.
Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden. Beleidskader - Amsterdam Actieplan luchtkwaliteit In het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam zijn diverse maatregelen opgenomen om de kwaliteit van de lucht in zijn geheel te verbeteren. Omdat dit met alleen specifieke maatregelen niet lukt, bevat het plan daarnaast ook generieke maatregelen. Daardoor wordt een algemene verbetering van de luchtkwaliteit in de gehele stad bewerkstelligd. Op grond van het Actieplan Luchtkwaliteit moet in het ruimtelijke ordeningsbeleid meer rekening gehouden worden dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst of dat er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is. Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit In januari 2010 is de 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit' van kracht geworden. Daarin wordt gesteld dat in Amsterdam, onafhankelijk van het wel of niet overschrijden van de normen, geen gevoelige bestemmingen worden gebouwd binnen 300 meter van de rand van een snelweg of in de eerstelijns bebouwing binnen 50 meter van een provinciale weg/drukke stadsweg.
Daarbij gaat het om wegen waar meer dan 10.000 voertuigen per etmaal rijden. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van een bestaande gevoelige bestemming met 10% of meer van de capaciteit. De GGD adviseert in deze gevallen over de locatie en mogelijke maatregelen. Onder gevoelige bestemmingen wordt verstaan gebouwen die geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis.
bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 43
4.2.2
Plangebied
Het plan voor de E Buurt Oost bestaat uit 500 - 550 woningen en worden ontsloten langs meer dan één weg. Daarmee valt het plan wat betreft de luchtkwaliteit onder 'niet in betekenende mate'. In het plan worden geen gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt zoals genoemd in de Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit.
4.3
Geluidhinder
4.3.1
Kader
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder (Wgh). Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), doordat een goede ruimtelijke ordening vereist dat een goed woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd ter plaatse van bijv. gevoelige functies. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn sinds het eind van de jaren '70 de wetten en regels voor het bestrijden en voorkomen van geluidhinder ten gevolge van wegverkeer, railverkeer en industrie vastgelegd. Hierin staat bijvoorbeeld wanneer de geluidbelasting moet worden getoetst. Daarnaast is vastgelegd hoeveel decibel geluid in deze situaties zijn toegestaan. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd bij de toetsing, moeten er maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen. De akoestische berekeningen moeten voldoen aan de regels die zijn vastgelegd in Reken- en Meetvoorschriften. Indien een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies of nieuwe infrastructuur mogelijk maakt dient akoestisch onderzoek verricht te worden. Bestaande wegen, die niet zijn aangewezen als woonerf of 30 km-zone, hebben een wettelijke onderzoekszone.
Indien binnen deze zone nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient met een akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat er voldaan wordt aan de hoogst toelaatbare waarde van de Wgh. Indien uit onderzoek blijkt dat de hoogst toelaatbare waarde van 48 dB op de gevel wordt overschreden, zal er een hogere waarde vastgesteld moeten worden. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde dient gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd te worden. Daarnaast dient onderzocht te worden of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 4.3.2
Akoestisch onderzoek
In het kader van een nieuw bouwplan waarin geluidgevoelige bestemmingen (woningen) kunnen worden gerealiseerd, dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Voor nu voorliggend bestemmingsplan E Buurt Oost zijn metrolawaai en wegverkeerslawaai beschouwd. Doel van het onderzoek is te bepalen of de nieuw te bouwen geluidgevoelige woningen volgens de wettelijke bepalingen kunnen worden gerealiseerd. Indien dit niet het geval is, wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden getroffen en/of dat er sprake is van hogere waarden. Het volledige onderzoek (Akoestisch onderzoek plan E-buurt Oost, van 7 augustus 2020, R001-1273267LVT-V03-rlk-NL, Tauw) is opgenomen in de bijlage 7 Akoestisch onderzoek. Hieronder zijn de resultaten en de conclusie opgenomen.
Gemeente Amsterdam
blz. 44
4.3.2.1 Geluidbelasting wegverkeer Conform hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder (zones langs wegen) hebben alle wegen een zone, uitgezonderd een aantal situaties waaronder wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De zone is een gebied waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is. De breedte van de zone, aan weerszijden van de weg of spoor, is afhankelijk van het aantal rijstroken of sporen en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk). De locatie ligt binnen de geluidzones van: Daalwijkdreef, Elsrijkdreef, Provinciale weg Dit zijn alle stedelijke wegen, waar de maximum snelheid 50 km/uur is. De voorkeursgrenswaarde voor het wegverkeer is 48 dB en de maximale ontheffingswaarde 63 dB. Uit het akoestisch onderzoek volgt de volgende maximale geluidsbelastingen vanwege de Daalwijkdreef: 58 dB, Elsrijkdreef: 58 dB, Provinciale weg: 54 dB. Voor de gevels met een hogere geluidsbelasting dan 48 dB zal een hogere waarde aangevraagd worden. De geluidsbelasting blijft wel binnen de maximale ontheffingswaarde. 4.3.2.2 Geluidbelasting metroverkeer De metro valt wettelijk onder hoofdstuk VI Zones van wegen. De metro is conform het Reken- en Meetvoorschrift geluid 2012 aangemerkt als spoorvoertuig categorie 7. Voor de snelheid is 40 km/uur tot 50 meter voor en na het station en op het overige deel de reële snelheid van 65 km/uur gehanteerd.
De voorkeursgrenswaarde voor het metroverkeer is 55 dB en de maximale ontheffingswaarde 68 dB. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de maximale geluidsbelasting vanwege het metroverkeer 61 dB bedraagt. Voor de gevels met een hogere geluidsbelasting dan 55 dB zal een hogere waarde aangevraagd worden. De geluidsbelasting blijft wel binnen de maximale ontheffingswaarde. 4.3.3
Amsterdams geluidbeleid
Amsterdam kent een eigen geluidbeleid gericht op het bevorderen van een aanvaardbaar woon – en leefklimaat. Het gaat om geluidbeleid voor het bouwen op geluidbelaste locaties én om Amsterdams geluidsbeleid dat uitvoering geeft aan de verplichtingen van de Europese richtlijn omgevingslawaai. In dat verband stelt Amsterdam elke vijf jaar een geluidskaart en een actieplan geluid vast. Dit actieplan geluid is vooral gericht op de beperking van overlast van het (weg)verkeer. In het Actieplan Geluid Amsterdam is aangegeven wat Amsterdam doet om geluidoverlast in de stad zoveel mogelijk te beperken. Het actieplan richt zich vooral op het geluid van het wegverkeer. Wegverkeer veroorzaakt ook de meeste geluidhinder van de in de richtlijn genoemde bronnen, zoals blijkt uit de resultaten van de Geluidskaart. Het Actieplan Geluid is op 29 maart 2016 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het Amsterdams geluidbeleid richt zich op het realiseren van geluidgevoelige functies binnen de zones bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 45
zoals genoemd in de Wet geluidhinder. Ondanks dat de stedelijke omgeving van Amsterdam met zich meebrengt dat op veel plaatsen een hoge geluidbelasting aanwezig is, moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven. Een hogere waarde kan niet altijd vermeden worden en zelfs een stille zijde is niet altijd mogelijk, maar wel blijft de bescherming van het woon- en leefklimaat van belang. Bij het ontwerpen van een bouwplan dient dat al te worden meegenomen. Als dat redelijkerwijs niet haalbaar is, is een goede motivering van groot belang, des te meer naarmate de geluidbelasting hoger is. Tevens heeft het college van B&W de nota “Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder, Amsterdams beleid” vastgesteld en laatstelijk gewijzigd op 5 maart 2019. Het geluidbeleid zoals verwoord in de nota Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder, Amsterdams beleid verschilt principieel niet van het bestaande Amsterdamse beleid. De essentie dat woningen waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld in principe een stille zijde moeten hebben is gehandhaafd. Wanneer van dat uitgangspunt wordt afgeweken, wordt in het hogere grenswaarden besluit een motivatie opgenomen. Hoe groter de overschrijding, hoe uitgebreider de motivatie.
Woningen met een dove gevel dienen volgens het beleid altijd een stille zijde te krijgen, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen zoals tijdelijke situaties. Indien vliesgevels worden toegepast, worden eisen gesteld aan de handhaving van de buitenluchtkwaliteit. 4.3.4
Cumulatie geluidsbelasting
Bij de vaststelling van een hogere waarde wordt rekening gehouden met de samenloop (cumulatie) van de geluidbelasting van verschillende bronnen. Het beleid geeft aan dat er sprake is van een onaanvaardbare geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3 dB hoger is dan hoogste van de maximaal toelaatbare ontheffingswaarden. Indien een plan binnen de zone van meer dan één geluidbron ligt, dient tevens onderzoek gedaan te worden naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen. Er dient te worden aangegeven op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij het bepalen van de te treffen maatregelen (art. 110a en 110f van de Wgh). Conform het gemeentelijk geluidbeleid is er sprake van een onaanvaardbare geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3 dB hoger is dan hoogste van de maximaal toelaatbare ontheffingswaarden. De maximale toelaatbare cumulatieve geluidbelasting conform Amsterdams beleid is: maximale toelaatbare ontheffingswaarde 68 dB + 3 dB = 71 dB. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 66 dB ten gevolge van luchtvaartlawaai, weg- en rail(metro)verkeer. De gecumuleerde geluidsbelasting is hiermee in lijn met het geluidbeleid van de gemeente Amsterdam.
Gemeente Amsterdam
blz. 46
4.3.5
Hogere waarde
De geluidsbelasting op de gevels vanwege de wegen en de metro zijn hoger dan de voorkeursgrenswaarde. Nagegaan is of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen. Geluidsreducerend asfalt zou de geluidsbelasting enigszins kunnen verlagen. Dan blijft echter nog het geluid van de metro. Het totale effect van geluidsreducerend asfalt is daardoor beperkt. De kosten van het aanbrengen van geluidsreducerend asfalt, ervan uitgaande dat dit technisch en verkeerskundig mogelijk is, staan dan niet in verhouding tot het maximaal te bereiken geluidsvermindering. Het verlagen van de maximale rijsnelheid van 50 km/uur naar 30 km/uur over een bepaalde weglengte zal een geluid reducerend effect van circa 3 tot 4 dB hebben. De maatregel is daarmee niet voldoende effectief om alle overschrijdingen van de voorkeurswaarde van 48 dB op te lossen. Bovendien hebben de wegen een doorstroomfunctie. Het plaatselijk verlagen van de maximale rijsnelheid stuit om die reden op bezwaren van verkeerskundige aard. Het project ligt binnen de bebouwde kom waardoor geluidsschermen langs de verschillende wegen uit stedenbouwkundig oogpunt gezien onwenselijk zijn. Onderzocht is of een geluidscherm langs de metro een mogelijke maatregel zou kunnen zijn. Een scherm van 1,5 meter is niet afdoende omdat de woontoren een hoogte heeft van 57 meter.
Voor de hogere gelegen woonlagen heeft een geluidsscherm geen effect. Om te voldoen aan de voorkeurswaarden op de gevels is een scherm van circa 2,5 meter nodig langs de metrolijn. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is ook een scherm langs een metrolijn niet wenselijk. Er zal daarom een hogere waarden besluit nodig zijn. Tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan is tevens het ontwerpbesluit hogere waarden ter inzage gelegd. Het geluidonderzoek is op 26 juli 2018 besproken in het TAVGA. Het advies van TAVGA luidt als volgt: Het TAVGA adviseert in het nieuwe bestemmingsplan voor elke woning waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld, de verplichte stille zijde in de regels te borgen. Bij voorkeur zou de stille zijde aan een slaapkamerzijde gesitueerd moeten worden. Het TAVGA wijst op de woontoren in het plangebied die meerzijdig geluidbelast is. Maatregelen zijn ook hier realiseerbaar. Het advies is om in het bestemmingsplan de verplichte stille zijde bij hogere waarde op te nemen en te borgen. Als laatste adviseert het TAVGA om sociale woningbouw niet te projecteren in de hoge woontoren maar aan de minder geluidbelaste zuidkant van het plangebied situeren. Het advies van het TAVGA is overgenomen. De voorwaarde van een stille zijde is in de regels opgenomen.
Om de ontwikkelaar van de toren meer ruimte te geven om de gebouwen zo vorm te geven dat het geluid op de gevels afneemt, is bij de torens opgenomen dat tussen de torens bebouwing ten behoeve van de ontsluiting van de gebouwen mogelijk is. Het is aan de initiatiefnemers hoe zij de voorwaarde van een stille zijde in het ontwerp vorm zullen geven. De technische haalbaarheid van een stille zijde zal met een onderzoek worden aangegeven. Met de TAVGA is afgesproken dat het ontwerp bestemmingsplan schriftelijk aan hen wordt voorgelegd. In de bijlagen bij de toelichting is het Besluit hogere grenswaarden Wet geluidhinder opgenomen, alsmede het daaraan ten grondslag liggende akoestisch onderzoek. Deze voldoen aan het Amsterdamse geluidbeleid.
bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 47
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Kader
Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. In de nabijheid van de E-buurt Oost is echter geen sprake van dergelijke inrichtingen. Het plangebied bevindt zich evenmin in de buurt van een transportroute voor gevaarlijke stoffen.
4.5
Bodemkwaliteit
4.5.1
Kader
Het doel van de Wet Bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. Ook als er sprake is van een functieverandering, dient in een aantal gevallen aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Voor het bestemmingsplan heeft dit voornamelijk betekenis voor zover nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden. 4.5.2
Plangebied
Naast een historisch onderzoek zijn meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd op deze locatie. In het onderzoek Bodemadvies E-buurt, G-buurt en Noordzone te Zuidoost van 8 juni 2018 ( zie bijlage Bodemonderzoek) wordt geconcludeerd dat tot een diepte van 0,5 m onder maaiveld geen tot maximaal lichte verontreinigingen is aangetroffen. Waar voormalige flatgebouwen hebben gestaan is er wel een lichte verdachtheid van asbest. Voor de diepere ondergrond is nader onderzoek nodig. Bij uitvoering van het plan zal dit gedaan worden.
4.6
Magnetische veld
4.6.1
Beleid
Door het gebied loopt een ondergrondse hoogspanningsleiding van 150 kv.
Gemeente Amsterdam
blz. 48
Hoogspanningsleidingen hebben een magnetische straling. Met het oog hierop is vanuit het Rijk beleid ontwikkeld en is een advies aan gemeenten en provincies gezonden (3 oktober 2005 SAS/2005183118, verduidelijkt in de brief van 4 november 2008, kenmerk DGM/2008105664, Ministerie van VROM) over hoogspanningsverbindingen in de nabijheid van gevoelige bestemmingen in verband met gezondheidsrisico's (hierna: het magneetveldvoorzorgsbeleid). Het advies houdt in om bij de vaststelling van bestemmingsplannen met tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied onder bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). Er wordt geadviseerd zo weinig mogelijk gevoelige bestemmingen, zoals woningen, crèches en kinderopvangplaatsen, te situeren in de specifieke zone. Zoals ook in het advies vanuit het Rijk is opgenomen is er mogelijk een statistisch verband aanwezig tussen het optreden van leukemie bij kinderen en de magnetische velden van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Het gaat dan om een langdurig verblijf in 'gevoelige bestemmingen' binnen die zone. Onder het begrip "gevoelige bestemming" wordt verstaan een woning, school, crèche en kinderopvangplaats.
Langdurig wil hier zeggen minimaal 14 tot 18 uur per dag gedurende minimaal één jaar. Er is daarom geen reden om het voorzorgbeleid uit te breiden naar bijvoorbeeld sportvelden, kinderspeelplaatsen en recreatiegebieden. Het magneetveldvoorzorgbeleid gaat over bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Wel heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak (1 februari 2017, 201603535/1/R6) gesteld dat 'de uitgangspunten die aan het magneetveldvoorzorgsbeleid ten grondslag liggen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel ook moeten worden toegepast bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen.'
Aanpassing magneetveldvoorzorgsbeleid Vanuit de Rijksoverheid is aan de Gezondheidsraad gevraagd het eerder uitgebrachte advies te actualiseren. De Gezondheidsraad heeft op 18 april 2018 een advies uitgebracht. De minister van Economische Zaken en Klimaat heeft vervolgens aan een deskundige gevraagd welke voorzorgsbeleid nodig is. Naar aanleiding van deze adviezen heeft de minister op 1 oktober 2019 in een brief aan de
bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 49
Tweede Kamer laten weten dat er een aanpassing komt van het magneetveldvoorzorgsbeleid, ook voor ondergrondse hoogspanningsverbindingen. In deze brief wijst de minister op het advies dat voorzorgbeleid ten aanzien van de mogelijke gezondheidsrisico's van magneetvelden niet noodzakelijk is, omdat er nooit een oorzakelijk verband tussen magneetvelden en gezondheidsklachten is aangetoond. Het voorzorgbeleid is wel nuttig, met name om maatschappelijke onrust en disproportionele maatregelen te voorkomen.
Amsterdams beleid Op 25 mei 2018 zijn er raadsvragen gesteld over elektromagnetische straling. In de beantwoording staat onder meer dat de kern van het beleid is dat er in nieuwe situaties naar wordt gestreefd dat kinderen niet langdurig verblijven op plaatsen waar de jaargemiddelde magnetische fluxdichtheid hoger is dan 0,4 microtesla. Dat betekent dat er in principe geen nieuwe gevoelige functies waar kinderen langdurig kunnen verblijven (zoals woningen, kinderdagverblijven en scholen) op die plaatsen worden gerealiseerd. (Nummer 585, Publicatiedatum 3 juli 2018) Als het nieuwe Rijksbeleid bekend is, zal ook het Amsterdamse beleid aangepast worden. De verwachting is dat voor ondergrondse hoogspanningsverbindingen er ruimte is om een andere norm te hanteren dan de norm voor bovengrondse leidingen. 4.6.2
Resultaten onderzoek
Er is onderzoek gedaan naar de ligging van de magneetveldzone (Movares, C24-TMI-KA-1900040, 14 augustus 2020, bijlage 9 Magneetveldberekening). Bij bovengrondse hoogspanningsleidingen wordt de breedte van de magneetveldzone afgerond op eenheden van 5 meters. Dit wordt gedaan omdat magneetveldzones van bovengrondse leidingen vaak breed zijn. Voor ondergrondse leidingen ligt dit anders. Daarom is in het onderzoek ook een berekening gemaakt zonder afronding en wordt de omvang van de magneetveldzone zonder afronding gehanteerd. Uit dit onderzoek volgt dat de magneetveldzone waar de magnetische straling hoger is dan 0,4 microtesla gerekend vanaf de hart van de leiding 19,2 m breed is op een hoogte van 1 meter. De straling neemt af op grotere hoogte, waarmee de magneetveldzone de vorm van een ellips heeft. Op onderstaande afbeelding is de ligging van de magneetveldzone aangegeven met als ondergrond de situering van de te bouwen woningen in de zuidoosthoek van het plangebied.
Gemeente Amsterdam
blz. 50
In bijlage 10 Magnetisch veldzone is de kaart met het gehele plangebied opgenomen. Bij het bouwblok van W-2 is het bouwvlak ruim genoeg om de bebouwing wat zuidelijker te leggen of om hier andere ruimte te situeren, zoals buitenruimten, bergingen, toegang van het complex. Ook kunnen hier woningen voor doelgroepen waar jongeren onder de 15 jaar niet hun woonverblijf hebben, zoals ouderen of studenten woningen. Op onderstaande afbeelding is de doorsnede van de magnetisch veldzone voor W-2 gegeven.
De magnetisch veldzone ligt in de woonbestemming W-3. Het onderste blok ligt aan de westzijde 7 bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 51
meter over 3 bouwlagen en aan de zuidzijde 6 meter over 3 á 4 bouwlagen in de zone. De gevel kan hier teruggelegd worden of gedeeltelijk teruggelegd in de vorm van een overkraging over de magnetisch veldzone. Er kan ook gekozen worden voor een buitenruimte, voor een ruimte die niet specifiek aan de woning is verbonden of voor specifieke doelgroepen. Op de afbeelding hieronder staan de doorsneden met de overlap van de magnetisch veldzone aan de westzijde en aan de zuidzijde.
Het middelste blok van W-3 ligt aan de westzijde een aantal meters terug, waardoor de overlap met de magnetisch veldzone beperkt is tot 3 meter, over 1 á 2 bouwlagen. Op onderstaande afbeelding is dit weergegeven.
Het noordelijk blok van W-3 ligt voor 8 meter binnen de magnetisch veldzone over 3 á 4 bouwlagen. Ook hier zal een oplossing gevonden moeten worden in de vorm van een buitenruimte, terug leggen van de gevel geheel of gedeeltelijk of woningen voor specifieke doelgroepen. Op de onderstaande afbeelding is de doorsnede aan de westzijde weergegeven.
Gemeente Amsterdam
blz. 52
De magnetisch veldzone ligt voor een deel over het bestemmingsvlak W-4, echter niet binnen het valk waar woningen mogelijk zijn.
De magnetisch veldzone ligt voor een klein deel ook binnen W-5. De zone ligt hier voornamelijk in de plint waar geen woningen mogelijk zijn.
bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 53
4.6.3
Advies GGD
De GGD adviseert positief over de regels in het bestemmingsplan E-buurt Oost die zijn opgenomen om langdurige blootstelling van kinderen tot 15 jaar aan een magnetisch veld boven 0,4 microtesla te voorkomen (brief 2 december 2020, zie bijlage 11 Advies GGD). De regels voorkomen dat woningen waar ook kinderen wonen en andere gevoelige bestemmingen waar kinderen langdurig verblijven gebouwd kunnen worden in de zone waar het magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. De regels sluiten aan bij het recente advies van de Gezondheidsraad om het huidige beleid dat geldt voor hoogspanningslijnen uit te breiden naar onder andere ondergrondse kabels. De GGD stemt in met de afwijkingsbevoegdheid waarmee geanticipeerd wordt op nieuw landelijk en Amsterdams beleid.
4.6.4
Conclusie
In het bestemmingsplan is rekening gehouden met de magnetische straling van de ondergrondse hoogspanningsverbinding. De magnetisch veldzone is weergegeven op de verbeelding met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen uitgesloten -1' (-sw-1). In de regels is bij deze aanduiding opgenomen dat de woningen het gebruik als woonruimte voor het hoofdverblijf voor personen jonger dan 15 jaar en het gebruik als andere gevoelige bestemmingen is verboden. Dit verbod geldt niet voor woningen waarvan uitsluitend de buitenruimten binnen de magnetisch veldzone zijn gelegen en voor de bouwlagen die buiten de magnetisch veldzone zijn gelegen, zoals aangegeven in de bijlage bij de regels, bijlage 2 Magnetisch veldzone doorsneden. Er komt nieuw rijksbeleid voor het magneetveldvoorzorgsbeleid. Als dat beleid er is en het beleid biedt meer mogelijkheden binnen de magnetisch veldzone, dan kunnen burgemeester en wethouders afwijking van het verbod toe staan. Een andere afwijking ziet op de situatie dat de ligging en/of de werking van de hoogspanningsleiding wijzigt waardoor de magnestische straling vermindert.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 55
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsaspecten
Mobiliteit
Het plangebied leent zich, door de nabijheid van metro, bus, een winkelcentrum en voet- en fietspaden, goed voor de inrichting als autoluwe wijk. In het plangebied komt alleen maar bestemmingsverkeer. Het parkeren op eigen terrein wordt geconcentreerd aan het woonerf, bezoekers kunnen in de openbare ruimte parkeren. De parkeergarages onder de hoogbouw krijgen entrees aan de Egoli. Het meest zuidelijke blok wordt ontsloten via de route langs de flats van het Geldershoofd. De routes voor de auto en het vrijliggende fietspad kunnen worden gebruikt voor nood- en hulpdiensten.
Door het plangebied ligt een Plusnet fietsroute naar Diemen, Amsterdam en de rest van Zuidoost. De andere straten lenen zich goed voor het fietsverkeer.
Het plangebied is goed bereikbaar met het openbaar vervoer. De E-buurt Oost ligt op loop-en fietsafstand van de metrostations Verrijn Stuartweg en Ganzenhoef. Daar rijdt lijn 53 richting Gaasperplas en Amsterdam Centraal. Aan de Daalwijkdreef ligt bushalte Eekholt met bussen richting Haarlem en Almere. Aan de Elsrijkdreef ligt de bushalte Geldershoofd, met bussen richting IJburg en station Amsterdam Bijlmer Arena. In paragraaf 3.4.7 is op het parkeren ingegaan.
Gemeente Amsterdam
blz. 56
5.2
Water
5.2.1
Kader
Europees beleid Omdat water zich weinig aantrekt van landsgrenzen, zijn internationale afspraken nodig. Sinds eind 2000 is daarom de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op rijksniveau heeft de Commissie Waterbeheer in de 21ste eeuw, geadviseerd de wateroverlast in een watersysteem aan te pakken door het volgen van de drietrapsstrategie vasthouden-bergen-afvoeren. In het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben alle partijen deze aanpak onderschreven. Op grond van 'Amsterdam Waterbestendig' gaat Amsterdam de komende decennia werken aan de volgende opgaven: bescherming tegen overstroming; omgaan met wateroverlast; omgaan met watertekort; omgaan met temperatuurstijging/hittestress.
Regionaal en stedelijk Watergebiedsplan Bijlmerring (2011) Het Watergebiedsplan Bijlmerring is nieuw en speciaal voor het waterschap en Waternet, omdat het gebruik maakt van de input uit de waterplannen, die het waterschap gezamenlijk met de gemeenten of stadsdelen opstelt. Het Watergebiedsplan Bijlmerring volgt de werkwijze van de landelijke watergebiedsplannen, zoals die door het waterschap voor het landelijk gebied worden opgesteld, maar door het grote percentage stedelijk gebied (80%) is gekozen voor samenwerking met de gemeenten op het gebied van de samenhang tussen watersystemen en ruimtelijke ontwikkelingen in de interactie tussen het watersysteem en de riolering. Het plangebied van de Bijlmerring, gelegen langs de zuidoostrand van Amsterdam, is 5000 ha groot en ligt in meerdere gemeenten en stadsdelen. De begrenzingen van het watersysteem vallen niet samen met de gemeentegrenzen. Het doel van het Watergebiedsplan Bijlmerring is op themaniveau de samenhang van de verschillende in het plangebied liggende "stedelijke" watersystemen te sturen. Het Watergebiedsplan Bijlmerring geeft daarbij een leidraad voor de op te stellen waterplannen en kan de inrichting op het niveau van het watersysteem sturen in plaats van op gemeentegrenzen. Daarnaast vergroot het Watergebiedsplan de kennis van het watersysteem en signaleert het knelpunten en kansen.
Ook wordt bij de toekomstige inrichting van het watersysteem rekening gehouden met de ruimtelijke ordening en vice versa. Hierdoor krijgt het water een onmiskenbare plek in de ruimtelijke ordening. Het Watergebiedsplan Bijlmerring was de leidraad voor het opgestelde Waterplan Zuidoost.
Waterplan Amsterdam Zuidoost (2011) In 2011 heeft de stadsdeelraad het Waterplan Zuidoost vastgesteld. Het waterplan geeft aan op welke
bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 57
wijze de gemeente en het waterschap willen omgaan met het water binnen de gemeentegrenzen (integrale visie op het water) en wat de ambities zijn met het water in de toekomst. Tevens geeft het waterplan inzicht in de verantwoordelijkheden (waterschap, gemeente, of derden). Amsterdam Zuidoost bestaat grotendeels uit verstedelijkt gebied over een aantal polders. Deze polders hebben verschillen in maaiveldhoogtes en mede hierdoor grote verschillen in grondwaterstanden. In de dieper gelegen polder, de Bijlmermeerpolder, waar het plangebied onderdeel van is, komen hoge grondwaterstanden voor. Ook kent Amsterdam Zuidoost nog een forse woningbouwopgave. Voor deze verdere verstedelijking dient meer open water gerealiseerd te worden. Om deze wateropgave te coördineren en het water aan te leggen daar waar het meest bijdraagt aan het duurzaam maken van het watersysteem, dient er per polder een waterbank te worden opgesteld. De Bijlmermeerpolder staat bekend als kwelgebied. De gemeente Amsterdam en Waternet hebben samen het beleidskader Regenbestendige Gebiedsontwikkeling, Thematische Studie voor Ruimte voor de Stad opgesteld, (december 2017). Deze studie richt zich specifiek op extreme neerslag en de regenbestendigheid van nieuw te ontwikkelen gebieden.
Om de vastgelegde norm voor nieuwe gebiedsontwikkeling voor het bergen van water van (60 mm per uur) in 2020 te kunnen bereiken zal rekening moeten worden gehouden met extreme neerslag. Er zal daarom op particulier terrein en in de openbare ruimte voldoende waterberging moeten worden gerealiseerd. Keur De Keur is de waterschapsverordening van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). De regels in de Keur beschermen de waterkeringen en watergangen. Voor werkzaamheden rond water of een dijk is een vergunning van het waterschap nodig. Bijvoorbeeld bij de aanleg van leidingen, lozingen op het oppervlaktewater, het plaatsen van bouwwerken of het onttrekken van grondwater. 5.2.2
Plangebied
Algemeen Het Rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen hebben in februari 2001 de “Startovereenkomst Waterbeheer 21ste eeuw” ondertekend. Hierin is vastgelegd dat de betrokken partijen de “watertoets” toepassen op alle relevante ruimtelijke plannen met water huishoudkundige consequenties. In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen en bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning die in strijd is met het bestemmingsplan. De watertoets is een instrument om ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen en een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen in strijd met het bestemmingsplan”, te toetsen op de mate waarin rekening wordt gehouden met water huishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als waterkwaliteit en waterkwantiteit (ruimte voor water) en veiligheid (bescherming tegen overstroming). Het plangebied van het bestemmingsplan valt binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet voert de zorg voor het oppervlaktewatersysteem uit in opdracht van AGV. De gemeentelijke watertaken omvatten zorgplicht voor grondwater, afvalwater, hemelwater en drinkwater.
In opdracht van Amsterdam voert Waternet met name de grondwaterzorgtaak, de zorg voor afvoer en behandeling van afvalwater en de drinkwatervoorziening uit. Waterkeringen In het plangebied bevindt zich een secundaire waterkering. Op grond van de Keur van het AGV heeft de waterkering een kernzone en buitenbeschermingszone, zie kaartje. In de verbeelding is de zonering van
Gemeente Amsterdam
blz. 58
deze waterkering en kernzone opgenomen met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Voor werkzaamheden binnen de zonering van deze waterkering moet in een aantal gevallen vergunning worden aangevraagd bij Waternet. Ook op de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' kent een vergunningsvereiste voor een aantal werkzaamheden. Omdat het Waternet heeft ingestemd met het plan zijn onder meer zijn de werkzaamheden ter uitvoering van dit bestemmingsplan uitgezonderd van de vergunningsvereiste. Dit laat onverlet dat een vergunning op grond van de Keur een vergunning nodig is, bijvoorbeeld voor bodemenergiesystemen.
Waterberging Bij een toename van het oppervlakte verharding van 1.000 m² of meer dient de toename aan verharding gelet op de Keur te worden gecompenseerd in de vorm van 10-20% oppervlaktewater of alternatieve vormen van waterberging. Demping van oppervlaktewater moet voor 100% worden gecompenseerd. Als binnen het plangebied geen mogelijkheid is voor het creëren van compensatie dient elders in hetzelfde peilvak gecompenseerd te worden. Begin 2017 heeft Stadsdeel Zuidoost en Waternet het protocol Waterbalans Amsterdam Zuidoost ondertekent. Het Stadsdeel is namens gemeente Amsterdam verantwoordelijke voor de ruimtelijke ontwikkeling in het waterbalansgebied. Waternet is de uitvoeringsorganisatie van de waterbeheerder Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Met de Waterbalans Amsterdam Zuidoost en het Protocol beogen de partijen: het hebben van een up-to-date waterbalans voor met name de vergunningverlening; het hebben van een vooruitzicht van de ontwikkeling van deze waterbalans gedurende de looptijd van de waterbalans, om de waterhuishouding in het plangebied goed te kunnen inpassen in de ruimtelijke ontwikkelingen. Met deze afspraken borgen beide partijen zorgvuldig waterbeheer in een complexe ontwikkelingsomgeving. Het onderkent de onzekerheden in het ontwikkelingsproces, en biedt de mogelijk de waterbergingsopgave dynamisch in ruimte en tijd te realiseren.
In de uitwerking en detaillering werken Stadsdeel en Waternet proactief en oplossingsgericht samen. bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)
blz. 59
Voor de polder Bijlmer is bij het opstellen van de waterbalans geconcludeerd dat het saldo van de watercompensatie positief was. Dit positieve saldo van bijna 3 hectare is opgenomen op de balans. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen op gemeentegrond gebruik kunnen maken van dit positieve saldo. Op het moment dat het saldo negatief dreigt te worden dient de reeds geplande plas in de D-buurt te worden gerealiseerd. In vergelijking met de situatie dat de flats nog stonden in het gebied, wordt met het plan voor de E-buurt oost 14.965 m2 meer verharding gerealiseerd. 10% van de extra verharding moet worden gecompenseerd in water. De watercompensatie voor E-buurt oost is dan 1496 m2. Dit past binnen het positieve saldo van 3 ha. Onderstaande tabel laat de bebouwing en verharding zien in de oude en de nieuwe situatie. Oude situatie
Nieuwe situatie
Verschil
Bebouwing
2.930,15
13.835
10.904,85
Verharding
9.188,49
13.248,05
4.059,56
Groen
38.807,39
23.842,98
Totaal
14964,11
Hemelwater In het Gemeentelijk Riolerings Plan (GRP) 2016-2021 staat het beleid van de gemeente op het gebied van hemelwater beschreven. Amsterdam wil haar goede prestaties op het gebied van hemelwater verder verbeteren. De gemeente houdt bij de inrichting van de buitenruimte (privaat en publiek) rekening met het tijdelijk opvangen van extreme buien. Hierop wordt met het programma Rainproof op ingespeeld. De gemeente heeft de ambitie dat de stad in 2020 een bui van 60 mm per uur kan verwerken zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur. In de Henelwaterverordening zijn regels gesteld over de minimale waterverwerkingscapaciteit van hemelwater. Grondwater In het onderzoek 'Egeldonk en Echtenstein, Rapportage geohydrologisch onderzoek Ontwerpniveau maaiveld in relatie tot grondwater', van 18 oktober 2018 en de aanvullende notitie van 20 december 2018, is onderzoek gedaan naar de grondwaterstand, zie bijlage 12. In de rapportage wordt geconcludeerd dat uit de simulaties met een grondwatermodel volgt dat het grondwater zal stijgen. Ophoging is daarom noodzakelijk. Daarnaast is het nodig om drainage aan te leggen vanwege de beperkte ophoogmogelijkheden ter plaatse van het kabels en leidingentracé. Geadviseerd wordt om zorgvuldig om te gaan met de bestaande drainage in het gebied en met de kabelbeheerders in overleg te treden over de ophoging.
Bij de ophoging dient rekening te worden gehouden met de bestaande bomen. Geadviseerd wordt om in overleg te treden met het Waterschap AGV/Waternet over het aanleggen van drainage in het talud van de (buiten)beschermingszone van de waterkering.
Gemeente Amsterdam
blz. 60
Locatie drainage In verband met de aan te leggen drainage in het talud van de waterkering is overleg geweest met het Waterschap AGV/Waternet. Het Waterschap AGV/Waternet is akkoord met de aanleg van de drainage in het talud.
5.3
Archeologie en cultuurhistorie
5.3.1
Kader
Wet op de archeologische monumentenzorg In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg per 1 september 2007. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Uitgangspunt is dat 'de veroorzaker betaalt'. De wet schrijft voor dat in elk bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Erfgoedwet De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden en erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet, d.d. 9 december 2015, in werking getreden op 1 juli 2016. Met de Erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. De wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988 en de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt.