CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

03.Toelichting geconsolideerd.docx

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 31 mei 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststelling verordening tot wijzigen van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (VN2023-013039)7.005 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 Algemene toelichting Aanleiding De Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam is gebaseerd op de “Wet van 9 juli 2014, houdende regels inzake de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015)”. Deze wet is gepubliceerd in het Staatsblad onder nummer 2014, 280. Onder de Wmo 2015 hangen het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (Stb. 2014, 420) en de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 (Stc. 2014, 36807). Ook deze regelgeving heeft invloed op de Amsterdamse verordening, onder andere op het gebied van de eigen bijdrage en administratieve voorwaarden. De wetgever stimuleert burgers eigen verantwoordelijkheid te dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven, en verwacht van burgers dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan. De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) wil de rechten en plichten van de burger meer met elkaar in evenwicht te brengen. Burgers die zelf dan wel samen met personen in hun naaste omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, kunnen een beroep doen op door de overheid georganiseerde ondersteuning.

De wet bevat de regeling op basis waarvan de gemeente Amsterdam verantwoordelijk is voor de maatschappelijke ondersteuning van haar inwoners. De regering geeft met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 uitwerking aan het deel van de maatregelen die in het regeerakkoord ‘Bruggen slaan’ zijn opgenomen dat betrekking heeft op de decentralisatie van de verantwoordelijkheid voor langdurige ondersteuning naar gemeenten. De wet bouwt voort op de ervaringen die zijn opgedaan met de Wmo sinds 2007 en breidt de verantwoordelijkheid van gemeenten voor maatschappelijke ondersteuning daarnaast verder uit door decentralisatie van verantwoordelijkheden die tot 1 januari 2015 in de AWBZ waren opgenomen. Amsterdam is verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelf- en samenredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen: die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Voor mensen met psychische of psychosociale problemen of voor mensen die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, moet Amsterdam voorzien in de behoefte aan beschermd wonen en opvang.

Het streven naar participatie en zelfredzaamheid binnen de Wmo kan niet los worden gezien van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. In 2016 is door het Rijk het VN-verdrag voor mensen met een beperking geratificeerd. Het verdrag is op 14 juli 2016 in werking getreden. Daarmee maakt dit verdrag deel uit van de wettelijke context waarbinnen overheden (en daarmee gemeenten) dienen te opereren. Het verdrag regelt dat iedereen, met of zonder een beperking, volwaardig kan deelnemen aan de samenleving. Het doel van dit verdrag is een voor ieder toegankelijke samenleving. Hoe Amsterdam dit doel gaat uitvoeren wordt door de gemeenteraad onder meer opgenomen in het periodieke beleidsplan voor de Wmo. Overgangsrecht

Opdracht Wmo 2015 aan Gemeentes De Wmo 2015 draagt het gemeentebestuur op zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning van haar burgers, en voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Daartoe moet de gemeenteraad een beleidsplan opstellen (artikel 2.1.2 Wmo 2015) en een Verordening met “de regels die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van dit beleidsplan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen” (artikel 2.1.3 Wmo 2015).

1

Verordening De verordening bevat een uitwerking van alle bepalingen die volgens de wet verplicht zijn (zie de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de wet). Daarbij is ook gebruik gemaakt van de bepalingen in de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde modelverordening. Daarnaast zijn ook aanvullende bepalingen opgenomen waar deze een meer compleet beeld geven van de rechten en plichten van Amsterdamse burgers, mede gelet op de specifieke Amsterdamse praktijk. In de verordening is het grote belang van de toegangsprocedure bevestigd door deze fase in een apart hoofdstuk op te nemen. Juist in de melding en onderzoek-fase zal immers de rol van de mantelzorger, de vrijwilliger, het sociaal netwerk en de eigen regie op de zelfredzaamheid en participatie onderzocht en waar nodig versterkt moeten worden; deze fase zal de transformatie naar een andere verhouding tussen overheid en burger moeten ondersteunen. Daarnaast is ervoor gekozen om in hoofdstuk 3 een beeld te schetsen van de algemene voorzieningen, die zonder beschikking toegankelijk zijn en naast de dragende samenleving een ruggengraat zullen vormen van het Amsterdams Zorgstelsel.

Amsterdams Zorgstelsel Het Amsterdams Zorgstelsel is opgebouwd op basis van drie lijnen:  De sociale basis met voorzieningen die voor zoveel mogelijk Amsterdammers toegankelijk zijn en indien mogelijk worden uitgevoerd en georganiseerd door actieve Amsterdammers. Deze voorzieningen zijn maximaal ingebed in de wijk, laten de eigen regie van Amsterdammers op hun leven intact en dragen ertoe bij dit waar nodig te ondersteunen of te versterken, en sluiten aan op het sociale netwerk en de dragende samenleving. In de sturing op de sociale basis is een belangrijke rol voor de stadsdelen weggelegd.  Het wijkgerichte aanbod (algemene en maatwerkvoorzieningen) dat rechtstreeks toegankelijk is voor alle Amsterdammers of op basis van een toegangsbeoordeling. De dienstverlening staat open voor alle Amsterdammers. De zorgaanbieder, de buurtteamprofessionals of het Sociaal Wijkteam in postcodegebied Weesp bepalen of ondersteuning noodzakelijk is. Hier zal ook het gesprek plaatsvinden met de burger die zich meldt met een vraag om de ondersteuningsbehoefte en de eigen mogelijkheden te onderzoeken, en te bekijken hoe de gemeente daar een rol in speelt of kan spelen. Als er langdurige professionele ondersteuning nodig is wordt er een ondersteuningsplan opgesteld.  Het stedelijke aanbod van maatwerkvoorzieningen, waaronder rolstoelen en woon- en vervoersvoorzieningen.

Als de noodzaak van de verstrekking van deze voorzieningen is vastgesteld, zorgt de gemeente ervoor dat ze aanwezig zijn door middel van doelmatige inkoop.

2

Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In de Wmo en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit is een groot aantal definities opgenomen, reden waarom het aantal in deze verordening beperkt is. Niet iedere bepaling behoeft toelichting. a. algemeen gebruikelijke voorziening Dit betreft voorzieningen die in principe voor iedereen beschikbaar zijn, of iemand nu wel of geen beperking heeft. Hoewel het kan voorkomen dat ze specifiek voor een beperking worden aangeschaft, worden ze vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed. Voorbeelden van een algemeen gebruikelijke voorziening zijn een fiets, een rollator, een verhoogd toilet, thermostatische kranen en zonwering. c. bijdrage Voorheen werd dit de eigen bijdrage genoemd; de Wmo 2015 noemt het de bijdrage in de kosten. De bijdrage wordt nader uitgewerkt in hoofdstuk 5 van deze verordening. f. gebruikelijke hulp Van gebruikelijke hulp is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht hulp te bieden of bepaalde taken over te nemen. Huishoudelijk werk, administratie, financiën, maar ook begeleiding bij bijvoorbeeld (ziekenhuis)bezoek vallen onder gebruikelijke hulp. Bij de bepaling van gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met de leeftijd en eventuele beperking(en) van de huisgeno(o)t(en).

Onder een huisgenoot wordt verstaan een persoon die een huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Er wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Artikel 1.2 Doelgroep van de verordening De verordening kent twee doelgroepen. Ten eerste Amsterdammers met behoefte aan ondersteuning vanwege een of meer beperkingen en/of chronische psychische of psychosociale problemen. De gebondenheid aan een gemeente is essentieel voor de begrenzing van de reikwijdte van de Wmo. Uitgangspunt daarbij is de inschrijving in de gemeentelijke basisregistratie personen (BRP). Voor wie niet staat ingeschreven en een aanspraak op ondersteuning op grond van deze verordening wil maken is het mogelijk om de gebondenheid aan Amsterdam op een andere manier vast te stellen.Ten tweede kunnen mantelzorgers voor vormen van ondersteuning in aanmerking komen, indien degene voor wie zij mantelzorger zijn ingezetene is van Amsterdam. Op grond van artikel 1.2.1, onderdeel b en c, van de Wmo 2015 kan iedere ingezetene van Nederland zich in Amsterdam melden voor een maatwerkvoorziening bestaande uit beschermd wonen of opvang. De maatwerkvoorziening beschermd verblijf moet worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening bestaande uit beschermd wonen.

De maatwerkvoorziening opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld moet worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang. De maatwerkvoorziening begeleid thuis kan slechts worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang, indien deze maatwerkvoorziening gepaard gaat met onderdak. Het kan voor het succes van een traject wenselijk zijn dat iemand elders in Nederland opvang krijgt, bijvoorbeeld omdat hij daar personen heeft die hem ondersteuning kunnen bieden of omwille van de veiligheid. In dat geval kan het college in overleg treden met het college van die andere gemeente om hem daar opvang te bieden. De uitvoering van de taken op grond van de Wmo en van de aanpalende Jeugdwet en Participatiewet wordt op elkaar afgestemd. Daarbij gaat de aandacht onder meer uit naar de continuïteit van de ondersteuning bij de overgang naar volwassenheid, naar een op elkaar afgestemd pakket van voorzieningen en naar samenwerking tussen zorg en welzijn, formele en informele ondersteuners en intramurale en extramurale voorzieningen.

Hoofdstuk 2 Toegang

3

Artikel 2.1 Melding en onderzoek In dit artikel is de toegangsprocedure voor mensen met behoefte aan ondersteuning opgenomen. De Wmo 2015 introduceert het begrip melding, waarmee de bespreking van een ondersteuningsbehoefte start. De melding kan, door of namens de cliënt, op verschillende manieren worden gedaan, onder andere via de Wmo Helpdesk, het Sociaal Loket, Buurtteam Amsterdam of het Sociaal Wijkteam in postcodegebied Weesp. De medewerker die de melding in behandeling heeft, bespreekt samen met de melder waaruit de behoefte aan ondersteuning bestaat; dit wordt ook wel het vraagverhelderingsgesprek genoemd. Hieronder wordt nadrukkelijk ook de behoefte van de mantelzorger(s) begrepen, indien aanwezig. De melding kan leiden tot een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet. Ook als de melding leidt tot een aanvraag voor een maatwerkvoorziening, zal dit nader onderzoek plaatsvinden. Een melder kan zich laten bijstaan door een familielid of anderen uit zijn netwerk. Tevens kan de melder kosteloos gebruik maken van een cliëntondersteuner. De medewerker die de melding in behandeling heeft, geeft uitleg over dit onderzoek en over de benodigde informatie, en verzamelt deze informatie voor zover mogelijk. Daarbij is de medewerking van de melder onontbeerlijk.

Als iemand al voldoende bekend is en er zijn geen nieuwe omstandigheden die op de melding van invloed zijn, kan in overleg met de melder worden afgezien van het onderzoek. De aanvrager wordt in de onderzoeksfase reeds voorbereid op de eventuele keuze tussen een ondersteuning in natura, een financiële tegemoetkoming en een persoonsgebonden budget, ingeval er een maatwerkvoorziening wordt aangevraagd. De termijn voor het vaststellen van de ondersteuningsbehoefte bedraagt uiterlijk zes weken. Indien de melder en de medewerker het niet eens worden over de inhoud van het ondersteuningsplan, dan kan er door de melder om een zogenoemde second opinion worden verzocht. De melding wordt dan herbeoordeeld met een andere medewerker. Doel is het voorkomen van onnodige juridisering van zorginhoudelijke discussies. Artikel 2.2 Inhoud onderzoek Dit betreft het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet. Bij aanvang van het onderzoek kan iemand ook zelf al een (deel van een) persoonlijk plan hebben gemaakt bijvoorbeeld over welke ondersteuning hij wenst en op welke manier. Ook hierbij kan de mantelzorg betrokken worden. In artikel 2.3.2 van de wet en in dit verordeningsartikel staat opgesomd wat in het kader van het onderzoek beoordeeld wordt. Indien de aard van de aanvraag daartoe aanleiding geeft, kan het onderzoek worden beperkt tot de aspecten die voor de aanvraag van belang zijn.

Artikel 2.3 Verslag onderzoek In het kader van de beantwoording van de ondersteuningsvraag is het van belang dat de cliënt en de medewerker die het onderzoek uitvoert zoveel mogelijk van dezelfde informatie kunnen uitgaan. Het verslag waarmee het onderzoek wordt afgesloten wordt aan de cliënt verstrekt, tenzij er een ondersteuningsplan wordt opgesteld. In dat geval maakt het resultaat van het onderzoek deel uit van het ondersteuningsplan en hoeft er niet een apart verslag te worden opgesteld. Het verslag als zodanig is geen beschikking waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Mocht de uitkomst van het onderzoek, ook na een eventuele second opinion, niet tot overeenstemming leiden omdat de cliënt niet de voorziening ontvangt die hij denkt nodig te hebben, dan kan daar een aanvraag voor worden ingediend waarna aan de hand van een voor bezwaar vatbare beschikking het besluit van de gemeente juridisch getoetst kan worden. Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening Een maatwerkvoorziening wordt in beginsel schriftelijk aangevraagd. Het college kan ook de mogelijkheid van een mondelinge of digitale aanvraag instellen. Als dat voor het onderzoek nodig is, kan een externe adviseur worden gevraagd op bepaalde aspecten van het onderzoek te adviseren.

Het gaat dan bijvoorbeeld om de beoordeling van iemands medische situatie in relatie tot de beperkingen waarvoor ondersteuning wordt gevraagd.

4

Op grond van artikel 2.3.2 van de wet wordt het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte binnen zes weken uitgevoerd. Een maatwerkvoorziening wordt aangevraagd na afronding van het onderzoek, of na verloop van de zes weken.

5

Artikel 2.5 Aanvraag persoonsgebonden budget Voor maatwerkvoorzieningen bestaat in beginsel de mogelijkheid om te kiezen tussen de voorziening in natura, een financiële tegemoetkoming en een persoonsgebonden budget. Indien iemand kiest voor verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget, moet hij hiervoor een motivering kunnen geven, zoals gesteld in het tweede lid onder b van artikel 2.3.6 van de wet. Ook moet vooraf inzicht gegeven worden in hoe de besteding van het persoonsgebonden budget voorziet in de vastgestelde ondersteuningsbehoefte. Mede door aan deze eisen te voldoen maakt de cliënt zich verantwoordelijk voor een passende besteding van het budget. Artikel 2.6 Inhoud beschikking De inhoud van dit artikel spreekt voor zich.

Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen Artikel 3.1 Algemeen Een algemene voorziening is in de wet gedefinieerd als een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelf- en samenredzaamheid en participatie of op opvang. De voorwaarden aan het gebruik van de algemene voorziening zullen voornamelijk betrekking hebben op de doelgroep van de voorziening en op het nakomen van de gebruiksvoorwaarden van de voorziening. Artikel 3.2 Voorzieningen sociale basis Voorzieningen sociale basis zijn algemene voorzieningen die primair gericht zijn op het versterken van de eigen kracht van mensen en hun omgeving en op het ondersteunen van initiatieven ter behoud en versterking van de eigen kracht. De sociale basis van Amsterdam is opgebouwd uit activiteiten uit drie bouwstenen: a. Verbondenheid en betrokkenheid: activiteiten die het gevoel van verbondenheid met de medemens of de gemeenschap waartoe men behoort bevorderen. b. Samenredzaamheid: activiteiten die ervoor zorgen dat iedereen kan meedoen door elkaar te steunen en verantwoordelijkheid te nemen. Hieronder vallen ook informele spreekuren in de wijk. c.

Zelfredzaamheid en ontplooiing: activiteiten die het vermogen om zelfstandig je leven te leiden, je te kunnen ontwikkelen en je problemen op te lossen, vergroten. Hieronder valt ook collectieve ondersteuning op de levensdomeinen inkomen, huisvesting, gezinsrelaties, sociaal netwerk en maatschappelijke participatie. De sociale basis bestaat omdat Amsterdammers en (vrijwilligers)organisaties in een gebied activiteiten organiseren en het Dagelijks Bestuur van de stadsdelen een deel daarvan stimuleert, faciliteert, ondersteunt en subsidieert. Artikel 3.3 Dienstverlening door het buurtteam en het Sociaal Wijkteam In elk stadsdeel is een buurtteamorganisatie met meerdere locaties actief waar Amsterdammers naar toe kunnen komen voor dienstverlening. Buurtteams bieden binnen de Wmo individuele en collectieve vormen van ondersteuning, begeleiding en cliëntondersteuning, en daarnaast sociaal raadsliedenwerk en schuldhulpverlening. Ook kan men er terecht voor informatie en advies op sociale levensdomeinen en voor toegang tot andere Wmovoorzieningen. De dienstverlening is gericht op het bevorderen of stabiliseren van de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie of het begeleiden van achteruitgang. In het postcodegebied Weesp zet het Sociaal Wijkteam deze Wmo-ondersteuning in via een aanbieder.

Artikel 3.6 Woningaanpassing Een woningaanpassing is een kleine aanpassing aan de woning waarvoor geen bouwtechnische ingrepen nodig zijn, zoals het verwijderen van een eenvoudige drempel of het aanbrengen van een douchezitje. Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn uitgesloten. Indien de kleine woningaanpassing deel uit maakt van een grootschaliger aanpassing aan de woning, valt deze kleine aanpassing onder artikel 4.7. Artikel 3.7

Kortdurende opvang, passantenpension en noodopvang dakloze gezinnen

6

In de Wmo was de maatschappelijke opvang als zogenoemde collectieve voorziening gepositioneerd. In de Wmo 2015 gelden de opvang en beschermd wonen als maatwerkvoorziening, met uitzondering van kortdurende opvang en het passantenpension. Kortdurende opvang is het bieden van voltijd verblijf gedurende een periode van in beginsel maximaal 3 maanden. Toegang tot de kortdurende opvang wordt verleend aan mensen die dakloos zijn, een zorgvraag hebben en voldoen aan een aantal algemene criteria. Er is geen sprake van een maatwerktraject bij de kortdurende opvang. Ook crisisopvang is naar zijn aard geen voorziening die je aanvraagt, waarna er een beoordeling en beschikking plaatsvindt; het gaat hierbij om kortdurend voltijd verblijf naar aanleiding van een crisissituatie, op voor specifiek dat doel bestemde plekken, voor maatschappelijke opvang gedurende drie dagen. Er wordt snel ingegrepen, en nadat de eerste crisis is bezworen wordt nader gekeken voor meer structurele hulp, waaronder de mogelijkheid van een maatwerkvoorziening opvang. Een passantenpension, tenslotte, is ook geen maatwerkvoorziening. Een passantenpension is een plek waar tijdelijk verblijf wordt geboden aan mensen die op eigen kracht of met behulp van kortdurende ondersteuning vanuit maatschappelijk werk hun problemen kunnen oplossen.

Dakloze Amsterdamse gezinnen kunnen worden opgevangen in de noodopvang voor dakloze gezinnen. Het opvangen van deze gezinnen is in beginsel geen Wmo-taak, maar om humanitaire redenen en omdat de gemeente het ongewenst vindt dat kinderen dakloos zijn kiest Amsterdam ervoor hen wel op te vangen. Artikel 3.8 Waardering mantelzorgers Het college moet zorgdragen voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van haar cliënten. De wijze waarop is vrij. Het college werkt in een nadere regeling uit hoe de jaarlijkse waardering en erkenning van mantelzorgers wordt vormgegeven. Een voorbeeld hiervan is een Dag van de mantelzorg.

Hoofdstuk 4

A. Maatwerkvoorzieningen

De Wmo 2015 geeft de opdracht om in de verordening op te nemen op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. In dit hoofdstuk is daar vorm aan gegeven. Artikel 4.1 geldt in alle gevallen, en per specifieke voorziening worden daar passende criteria aan toegevoegd waar dat nodig is. Artikel 4.1 Criteria maatwerkvoorziening algemeen In dit artikel is verwoord dat, alvorens wordt overgegaan tot de verstrekking van een maatwerkvoorziening, mede wordt gekeken naar andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn beperkingen. Dat kan bijvoorbeeld een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, zoals de Wet langdurige zorg of Zorgverzekeringswet, het helpen bij het inzetten van het eigen netwerk, ondersteuning door het buurtteam, ondersteuning via het Sociaal Wijkteam in postcodegebied Weesp en een verwijzing naar een algemene voorziening. De maatwerkvoorziening vormt het sluitstuk. Als het college vaststelt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, zal het college kiezen voor de goedkoopst adequate voorziening. Voorop staat dat de voorziening adequaat (doelmatig) is om bij te dragen aan de ondersteuningsbehoefte. Als er echter meerdere varianten mogelijk zijn, kiest het college voor de goedkoopste variant.

Als er al eerder een maatwerkvoorziening is verstrekt en deze voorziening biedt nog voldoende ondersteuning en is nog niet technisch afgeschreven, dan komt de cliënt niet opnieuw in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig. Wanneer een voorziening wordt aangevraagd nadat deze gerealiseerd is, wordt deze geweigerd als de gemeente geen mogelijkheid meer heeft de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening te beoordelen, noch invloed heeft op de te verstrekken soort voorziening. Maatwerkvoorzieningen kunnen in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. Als een maatwerkvoorziening in bruikleen wordt verstrekt, kan het college met de cliënt een bruikleenovereenkomst afsluiten. Uiteraard bestaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening deze keuzemogelijkheid niet.

7

Artikel 4.2 Aanvullende criteria persoonsgebonden budget Het persoonsgebonden budget is een volwaardig en nevengeschikt alternatief voor zorg in natura. Als een persoonsgebonden budget is toegekend, kan het na facturering van de uitgevoerde zorg aan de betrokken ondersteuner/zorgverlener worden uitbetaald door de Sociale Verzekeringsbank, die daarvan ook de administratie voor de gemeente uitvoert. De gemeente weigert een cliënt een persoonsgebonden budget als de gemeente in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag een beslissing om een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget te verstrekken heeft herzien of ingetrokken omdat de cliënt toen onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt (artikel 2.3.10, onderdeel a), niet voldeed aan de gestelde voorwaarden (artikel 2.3.10, onderdeel d) of de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikte (artikel 2.3.10, onderdeel e). Het persoonsgebonden budget moet besteed worden aan het inkopen van zorg of ondersteuning. De cliënt mag het persoonsgebonden budget niet gebruiken voor bijvoorbeeld reiskosten, bemiddelingskosten en telefoonkosten. Met de in dit artikel opgenomen uitsluitingen volgt Amsterdam de beperkingen voor het persoonsgebonden budget in de Wmo 2015.

Daaraan is toegevoegd de bepaling in het tweede lid onder c; dit ziet op de situatie van het collectief vervoer, de opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld en beschermd verblijf. De financiering van het Aanvullend Openbaar Vervoer, zo is in rechtspraak ook geaccepteerd, zou zodanig duur worden als voor deze voorziening ook een persoonsgebonden budget mogelijk was, dat het openstellen van die mogelijkheid een onaanvaardbaar financieel risico voor de gemeente oplevert. Dit geldt ook voor de opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld. Beschermd verblijf is uitgesloten van Pgb vanwege de noodzaak van 24uurs toezicht en bescherming. Verstrekking in een Pgb vorm is hierbij niet passend. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat een gemeente kan bepalen dat het persoonsgebonden budget niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het persoonsgebonden budget. Amsterdam kan dan ook verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners.

Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen professionele ondersteuning waarbij wordt gewerkt volgens de toepasselijke kwaliteitsstandaarden en nietprofessionele ondersteuning. In een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 mei 2017 heeft de rechter in een zaak van de gemeente Emmen bepaald dat essentialia van het voorzieningenpakket in de verordening dienen te worden vastgelegd. Hieronder valt ook de tariefdifferentiatie van het Pgb. De gemeente heeft in april 2017 een opdracht gegeven aan onderzoeksbureau KPMG en gevraagd om objectief en onafhankelijk advies uit te brengen over passende en goed onderbouwde Pgb-tarieven voor hulp bij het huishouden, aanvullende individuele ondersteuning, dagbesteding en logeeropvang. Dit onderzoek getiteld ‘Doorontwikkeling Pgb-tarieven Wmo-voorzieningen’ is op 8 juni 2017 gepubliceerd. De Pgb-tarieven voor deze voorzieningen zijn gebaseerd op dit onderzoek. Voor aanvullende individuele ondersteuning, begeleid thuis, dagbesteding en logeeropvang zijn de tarieven afgeleid van de vastgestelde tarieven die gelden voor de maatwerkvoorziening in natura, minus een afslagpercentage voor kostencomponenten die slechts gedeeltelijk van toepassing zijn op de Pgb-tarieven. Het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden wordt berekend via een puntensysteem.

Het aantal vastgestelde punten maal het per punt geldende tarief bepaalt het budget. Aan de hand van de maatstaf voor hulp bij het huishouden worden aan de activiteiten en de frequentie ervan punten toegekend. Op basis van het aantal punten per jaar wordt de hoogte van het budget per week bepaald. Bij het bepalen van het tarief per punt is uitgegaan van het Pgb-tarief per uur. Het Pgb-uurtarief en het tarief per punt zijn hierdoor automatisch aan elkaar gekoppeld. Het niet-professionele tarief voor aanvullende individuele ondersteuning en begeleid thuis is vastgesteld op basis van de Wet Minimum Loon en minimumvakantiebijslag en een benchmark met diverse andere grote gemeenten. Artikel 4.2 lid 4 betreft regels voor periodieke betalingen aan de zorgverlener, ook wel maandloon genoemd. Indien een cliënt met een professionele zorgverlener een zorgovereenkomst afsluit, is de mogelijkheid voor periodieke betalingen, of automatische maandloonbetalingen uitgesloten. Betalingen aan professionele zorgverleners kunnen

8

worden gedaan op declaratiebasis van de gewerkte uren. Hiermee beoogt het college doelmatigheid en oneigenlijk gebruik van de Pgb middelen te voorkomen. Artikel 4.3 Aanvullende criteria voor aanvullende individuele ondersteuning Aanvullende individuele ondersteuning wordt geboden aan zelfstandig thuis wonende Amsterdammers die beperkingen ervaren bij het zelfstandig functioneren en het kunnen deelnemen aan de samenleving, of zonder de ondersteuning risico lopen om hun zelfredzaamheid te verliezen. Deze ondersteuning is aanvullend op de ondersteuning die door het buurtteam wordt geboden of via het Sociaal Wijkteam in postcodegebied Weesp wordt ingezet. Aanvullende individuele ondersteuning kan ingezet worden ter ontlasting van de mantelzorger indien sprake is van (dreigende) overbelasting. De geboden ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan nodig is. Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor dagbesteding Dagbesteding biedt de Amsterdammer zingeving, activiteiten en sociaal verkeer en ondersteunt de cliënt bij het bevorderen, behouden en begeleiden van achteruitgang hiervan. Dagbesteding kenmerkt zich door de op de cliënt aangepaste aard en inhoud van activiteiten. De begeleiding is deskundig in het bieden van passende ondersteuning, structuur, toezicht en/of zorg.

Dagbesteding wordt aangeboden in een groep of is gericht op het hebben van contact met meerdere personen. Er is bij de cliënt sprake van een langdurige beperking of er is sprake van een specifieke omstandigheid die aan de ondersteuningsbehoefte van de cliënt ten grondslag ligt. Behalve bij het bieden van passende ondersteuning kan de cliënt tijdens de dagbesteding ook begeleiding nodig hebben bij persoonlijke verzorging en/of communicatie. Tevens is het ontlasten van de mantelzorger en het voorkomen van diens overbelasting een beoogd resultaat. Als de cliënt de dagbesteding niet zelf of met behulp van zijn netwerk kan bereiken dan neemt de aanbieder passende maatregelen om dat mogelijk te maken. In geval van een persoonsgebonden budget en de cliënt geen eigen mogelijkheden heeft voor vervoer, het niet via het netwerk kan organiseren en de aanbieder niet in staat is het vervoer te regelen is hiervoor een financiële tegemoetkoming mogelijk. Artikel 4.5

Begeleid thuis, beschermd verblijf, respijtvoorziening en opvang en ondersteuning voor slachtoffers bij huiselijk geweld Begeleid thuis is bedoeld voor Amsterdammers die niet zelfredzaam zijn op meerdere leefgebieden. De ondersteuningsvragen die een persoon heeft komen hieruit voort zoals bijvoorbeeld het geval is bij psychosociale problematiek, psychiatrische problematiek, verslavingsproblematiek of een licht verstandelijke beperking. Psychosociale problematiek heeft betrekking op onder andere klachten die veroorzaakt worden door sociale problemen zoals bijvoorbeeld sociaal isolement, ingrijpende gebeurtenissen zoals het verliezen van werk, oplopende schulden, etc. Amsterdammers die in aanmerking komen voor begeleid thuis hebben complexe meervoudige problematiek, maar zijn in staat om met intensieve specialistische ondersteuning zelfstandig te wonen. Zonder deze ondersteuning kunnen cliënten zich niet handhaven op een woonplek. Begeleid thuis kan worden geboden aan Amsterdammers die een eigen woonplek hebben, maar zonder begeleid thuis het niet redden. Daarnaast kan begeleid thuis geboden worden aan Amsterdammers die dak- of thuisloos zijn, maar waarbij ook de bovengenoemde meervoudige problematiek aanwezig is. Hierbij wordt er samen met de Amsterdammer gezocht naar een woonoplossing.

Amsterdammers die alleen een huisvestingsvraag hebben en waarbij geen sprake is van meervoudig complexe problematiek komen niet in aanmerking voor ondersteuning vanuit begeleid thuis. Zij zijn niet beperkt zelfredzaam. Beschermd verblijf is bedoeld voor mensen die psychosociale problematiek, psychiatrische problematiek, verslavingsproblematiek, of een licht verstandelijke beperking hebben, al dan niet een combinatie van deze problematiek. Daarbij hebben deze mensen een beschermde omgeving nodig waar 24 uur per dag toezicht en ondersteuning aanwezig is. Men kan niet zelfstandig wonen, omdat zij mogelijk een gevaar voor zichzelf of voor anderen zijn en geen hulpvragen kunnen stellen of uitstellen. Ten aanzien van opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld gelden afwijkende criteria. Het uitgangspunt is dat, als opvang noodzakelijk is omdat de thuissituatie niet veilig is, aanvragers in principe worden opgevangen in de

9

gemeente waar zij wonen. Opvang in de eigen gemeente is kansrijker omdat dan het bestaande sociale netwerk kan blijven worden aangesproken. Er kunnen echter zwaarwegende omstandigheden zijn voor opvang buiten de eigen gemeente. Het kan dan gaan om redenen van veiligheid, of om situaties waar acuut opvang geboden is maar de gemeente van herkomst op dat moment geen plek beschikbaar heeft. Als sprake is van huiselijk geweld tegen een persoon of tegen leden van het gezin van de persoon en er is geen opvang noodzakelijk, is ambulante hulpverlening mogelijk. Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor logeeropvang In Amsterdam wordt kortdurend verblijf op grond van de Wmo sinds 1 juni 2017 aangeduid als logeeropvang. Logeeropvang is mogelijk bij die cliënten waarbij de mantelzorger gedurende langere tijd meer dan gebruikelijke hulp biedt. Logeeropvang is ook mogelijk in geval van onverwachte situaties, zoals uitval van een mantelzorger. Als de cliënt een blijvende behoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid, dan is kortdurend verblijf via de Wet langdurige zorg voorliggend. Daarnaast moet duidelijk zijn dat ontlasting van de mantelzorger noodzakelijk is. Daarbij is het verhaal van de mantelzorger leidend. Logeeropvang kan een aaneengesloten periode zijn of een terugkerende periode met een maximum van drie etmalen per week.

Artikel 4.7 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen Woonvoorzieningen worden verstrekt om beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren. Het normale gebruik van de woonruimte omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om eten bereiden, slapen en lichaamsreiniging, en essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals kleding wassen, en het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een geheel van zijn verzorger(s) afhankelijk kind. Het primaat verhuizen houdt in dat verhuizen naar een geschikte woonruimte voorrang heeft boven woonruimteaanpassingen, wanneer de kosten van de aanpassingen naar verwachting hoger zijn dan het in nadere regels vast te leggen bedrag. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met het netwerk in de buurt. Artikel 4.8 Aanvullende criteria voor hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden is het geheel of gedeeltelijk overnemen van huishoudelijke activiteiten in verband met beperkingen die leiden of die dreigen te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van de persoon met beperkingen dan wel van de leefeenheid waartoe hij behoort. Hulp bij het huishouden wordt toegekend voor het hoofdverblijf in Amsterdam.

Als de persoon met beperkingen huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, dan worden zij verondersteld dit door een herverdeling van taken te doen. De persoon met beperkingen krijgt in deze situatie geen hulp bij het huishouden van de gemeente, ook al is er sprake van beperkingen. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat huisgenoten in gezamenlijkheid verantwoordelijk zijn voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere huisgenoten verondersteld worden dit over te nemen. Er wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Artikel 4.9 Aanvullende criteria voor vervoersvoorziening Deze voorziening is primair gericht op het sociaal vervoer, ook wel vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving genoemd. Het primaat ligt bij het collectief vervoer, in Amsterdam Aanvullend Openbaar Vervoer (AOV) genoemd. Dit is een uitsluitend voor pashouders toegankelijk vervoerssysteem waarbinnen mensen op afroep zittend worden vervoerd. In het AOV worden aan personen met beperkingen die niet met het openbaar vervoer kunnen reizen alternatieven geboden om zich te kunnen verplaatsen.

Bij individuele vervoersvoorzieningen moet worden gedacht aan bijvoorbeeld een scootmobiel, die al dan niet in combinatie met het AOV voor compensatie van de ervaren beperking van de zelfredzaamheid of participatie moet zorgen.

10

Artikel 4.10 Aanvullende criteria voor rolstoelvoorziening Primair doel van de rolstoel is zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met andere voorzieningen als looprek, rollator, wandelstok en krukken langdurig niet of onvoldoende mogelijk is. De rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn en worden gebruikt voor verplaatsingen binnen en buiten de woning. Artikel 4.11 Financiële tegemoetkoming In twee uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 12 februari 2018 heeft de rechter in zaken tegen de gemeenten Veldhoven en Uden bepaald dat de Wmo 2015 de mogelijkheid biedt om ondersteuning in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken. Dat is in dit artikel geregeld. De financiële tegemoetkoming voor kosten van een verhuizing is een Amsterdamse regeling, en is ook bestemd voor de inrichtingskosten. Het bedrag dat per jaar wordt verstrekt voor vervoer naar dagbesteding wordt berekend aan de hand van het bedrag per etmaal vermenigvuldigd met het aantal dagen dat de dagbestedingslocatie wordt bezocht maal 52 weken.

Hoofdstuk 4

B. Financiële tegemoetkoming meerkosten

Artikel 4.12 Financiële tegemoetkoming meerkosten De Wmo 2015 kent de mogelijkheid van een financiële tegemoetkoming in de meerkosten en dat wordt met dit artikel geregeld. De financiële tegemoetkoming voor meerkosten voor een voorziening voor sportbeoefening kan ook een aanpassing aan een voorziening voor sportbeoefening betreffen. Het college kan naast de genoemde tegemoetkomingen meer tegemoetkomingen in nadere regels opnemen, en zal daarin tevens aangeven op welke wijze de afstemming met WPI plaatsvindt.

Hoofdstuk 5 Bijdragen De wet schrijft voor dat, voor zover Amsterdam een bijdrage in de kosten wil vragen, dit gereguleerd wordt via de verordening. Bij de omslag naar eigen kracht hoort ook het vergroten van het kostenbewustzijn van de burger en financiële verantwoordelijkheid voor diegenen die dat kunnen betalen. Per 1 januari 2020 geldt in de wet een abonnementstarief. Dit is een vaste bijdrage per maand voor huishoudens zolang zij gebruikmaken van Wmovoorzieningen of een persoonsgebonden budget ontvangen. Zowel de maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budgetten als enkele algemene voorzieningen worden met deze wetswijziging onder het abonnementstarief gebracht. Via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) krijgt de gemeente de mogelijkheid bepaalde vormen van vervoer uit te zonderen van het abonnementstarief. Amsterdam zondert het collectief vervoer uit en vraagt hiervoor een ritbijdrage. Het abonnementstarief geldt niet voor de intramurale voorzieningen opvang en beschermd wonen. Hier worden huisvesting en de meeste dagelijkse behoeften door een instelling geleverd. In de gemeente Amsterdam geldt het abonnementstarief voor hulp bij het huishouden, logeeropvang, woonruimteaanpassingen, roerende woonvoorzieningen, uitraasruimte, bruikleenauto, vervoersvoorzieningen en vervoerskostenvergoedingen. Voor enkele algemene voorzieningen wordt een aparte bijdrage gevraagd.

Benoemd wordt welke voorzieningen dit zijn. Voor de bijdrage kortdurende opvang zijn de overwegingen: het is een redelijk bedrag voor het gebodene; het is betaalbaar voor mensen met een uitkering; het is een bedrag dat niet belemmerend werkt voor doorstroom. Het is niet de bedoeling dat kortdurende opvang een eindstation is. Het is een tijdelijke oplossing, gericht op doorstroom van cliënten naar opvang of huisvesting die gericht is op vergroten van de zelfredzaamheid. De hoogte van de bijdrage in de kortdurende opvang is ook een instrument ter bevordering van de doorstroom naar andere vormen van opvang of een eigen woning, waarvoor immers ook een eigen bijdrage respectievelijk huur voor moet worden betaald. Voor de bijdrage in de kosten voor noodopvang gezinnen zijn de overwegingen: het is een redelijk bedrag voor het gebodene;

11

-

het is betaalbaar voor mensen met een uitkering; door de bijdrage in de kosten voor noodopvang wordt aan dakloze gezinnen een signaal afgegeven dat Amsterdam gezinnen opvangt in geval van nood, maar dat hier wel een inspanningsverplichting van de gezinnen tegenover staat om snel weer zonder hulp verder te kunnen. Voor voorzieningen sociale basis kan op wijkniveau een compensatie worden gevraagd voor gebruikskosten. De aanbieders van deze voorzieningen zijn vrij om te bepalen óf er een compensatie wordt gevraagd, met inachtneming van de genoemde voorwaarden. Voorts wordt een bijdrage in de kosten gevraagd voor maatwerkvoorzieningen. Een bijdrage in de kosten kan de vraag remmen doordat burgers zelf een voorziening aanschaffen in plaats van deze bij de gemeente aan te vragen, kiezen voor een goedkopere oplossing of afzien van een voorziening voor incidenteel gebruik. Een uitzondering op de bijdrageplicht voor maatwerkvoorzieningen wordt gemaakt voor de financiële tegemoetkoming, aanvullende individuele ondersteuning, ambulante ondersteuning en dagbesteding. Voor het collectief vervoer geldt dat het OV-tarief in Amsterdam wordt vastgesteld door de Stadsregio en te vinden is op www.stadsregioamsterdam.nl. Er geldt een korting van 10% op de ritbijdrage voor cliënten die buiten de drukke tijden reizen, dat wil zeggen tussen 18.00 uur en 01.00 uur (daltarief).

Sinds 2015 is Amsterdam één van de gemeenten die ten gunste van de cliënt afwijkt van het landelijke tarief voor de eigen bijdragen voor Wmo voorzieningen zoals vastgelegd in de Wmo, artikel 2.1.4 en 2.1.4a. Dit is in artikel 5.3.1 van de verordening vastgelegd. Voor de bijdrage in de kosten geldt de wettelijke verplichting dat het Centraal Administratie Kantoor (CAK) de hoogte van de bijdrage berekent en het bedrag int. Daarnaast gelden de landelijk in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vastgestelde kaders waarbinnen de gemeenteraad de nadere invulling aan de te heffen bijdragen kan geven. Als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, 18 mei 2016, heeft de rechter bepaald dat de hoogte van de bijdragen voor algemene voorzieningen in de verordening dient te worden vastgelegd en dat delegatie aan het college niet is toegestaan. Dit artikel bevat de hoogte van de bijdragen van de algemene voorzieningen waarvoor een bijdrage geldt.

Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving In het belang van de gemeente én in het belang van de cliënten zal de gemeente Amsterdam in de uitvoering de nodige aandacht moeten besteden aan het voorkomen van onterechte verstrekkingen door middel van goed onderzoek, en het waar mogelijk terugnemen of –vorderen als blijkt dat onverhoopt toch onterecht een voorziening is toegekend. Dit is ook een wettelijke verplichting. Daarnaast komt het voor dat cliënten zich ernstig misdragen tegen medewerkers van zorgaanbieders of oneigenlijk gebruik maken van verstrekte voorzieningen zoals vervoersvoorzieningen. Voor die gevallen is voorzien in de mogelijkheid van het nemen van al dan niet tijdelijke maatregelen. Uiteraard dient daarbij de ondersteuningsbehoefte betrokken te worden.

Hoofdstuk 7 Kwaliteit en klachten Artikel 7.3 Meldingsregeling calamiteit en geweld De aanbieder heeft op grond van de wet een meldingsplicht bij de gemeentelijke toezichthouder. Daarnaast zullen de meldingen over incidenten, calamiteiten en geweld ook in het kader van het contractmanagement onderwerp van gesprek zijn. Artikel 7.4

Klachtregeling en medezeggenschap

12

Aanbieders van voorzieningen moeten beschikken over een interne klachtenregeling. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanbieder om de cliënt te informeren over het bestaan van de klachten- en dispuutregeling. In de contracten met de aanbieder worden de eisen vastgelegd die van belang zijn om de klachtenregeling goed te kunnen laten functioneren. Aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening, begeleid thuis, beschermd verblijf en opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld die rechtspersoon zijn, moeten beschikken over een regeling ten behoeve van de behartiging van de belangen van de cliënten van de aanbieder. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanbieder om de cliënt te informeren over het bestaan van de medezeggenschapsregeling. In de contracten met de aanbieder worden de eisen vastgelegd die van belang zijn om de medezeggenschap goed te kunnen laten functioneren. Deze medezeggenschap dient zoveel mogelijk aan te sluiten bij de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen. Het college kan besluiten dat een cliëntenraad bij een aanbieder niet hoeft te worden ingesteld. Dit zou het college bijvoorbeeld kunnen beslissen als er sprake is van een zeer kleine organisatie of een natuurlijke persoon en een samenwerking met een andere aanbieder op dit punt niet mogelijk is.

Hoofdstuk 8 Beleidsparticipatie Artikel 8.1 Beleidsparticipatie Dit artikel regelt dat het college de burgers van Amsterdam betrekt bij de totstandkoming van het Wmo-beleid. Dat past bij de aard van de wet en bij hoe het college en burgers samen invulling geven aan de doelen van de wet. Dit artikel biedt burgers de waarborgen voor een tijdige inspraak op de voornemens van de gemeente inzake het Wmobeleid en verplicht het college om burgers in staat te stellen de inspraak effectief te kunnen vormgeven. Ook op grond van de Inspraakverordening 2003 geldt overigens de in dit artikel opgenomen verplichting, en die geldt als aanvulling op wat in deze verordening niet geregeld wordt.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 9.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening. Afwijken kan enkel ten gunste, niet ten nadele van de aanvrager. Benadrukt wordt dat slechts in bijzondere gevallen gebruik gemaakt kan worden van de hardheidsclausule. Het college geeft bij toepassing van deze clausule duidelijk aan waarom van de verordening moet worden afgeweken. Artikel 9.2 Indexering Deze bepaling maakt het mogelijk om de bedragen die gebaseerd zijn op deze verordening te indexeren. Of daarvoor bijvoorbeeld de consumentenprijsindex (cpi) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wordt genomen, of een andere index, kan per voorziening door het college worden bepaald. Artikel 9.3 Inwerkingtreding Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 9.4 Overgangsbepalingen De overgangsbepalingen hebben betrekking op de situatie waarin voor inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag voor ondersteuning is ingediend. De voorziening beschermd vervoer is per 1 januari 2022 afgeschaft en kan derhalve na deze datum niet meer aangevraagd worden. Voor cliënten die voor 1 januari 2022 de voorziening beschermd vervoer toegekend hebben gekregen, op grond van de toen geldende Verordening, geldt dat zij het recht op deze voorziening behouden.

Bij behoud van recht op deze voorziening, blijft tevens de verplichting bestaan om hiervoor een eigen bijdrage te

13

betalen zoals eveneens was bepaald in de Verordening geldend tot 1 januari 2022. De eigen bijdrage is een ritbijdrage die gelijk is aan het tarief voor het openbaar vervoer voor volwassenen (voltarief) dat door het dagelijks bestuur van de Stadsregio Amsterdam wordt vastgesteld. Dit is te vinden op www.stadsregio.nl. Een cliënt die tussen 18.00 uur en 01.00 uur reist krijgt 10% korting op de ritbijdrage. Artikel 9.5 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 en wordt afgekort als Wmo-verordening 2015.

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12770734/1