CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

02. ruimte-voor-ambitie-van-bedrijveninvesteringszones_esbl-rapport-mei-2023.pdf

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 21 juni 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over het rapport ‘Ruimte voor ambitie van bedrijveninvesteringszones’, waarin voorstellen staan voor de verbetering van de Wet op Bedrijveninvesteringszones. (VN2023-014048)19.460 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De maximale BIZ-periode

Een BI-zone heeft een maximale duur van 5 jaar. De beperking van de duur van een BI-zone geeft enerzijds rechtszekerheid aan bijdrageplichtigen. Anderzijds komt daarin tot uitdrukking de centrale rol die draagvlak voor activiteiten inneemt in de regeling van de BIZ. Na verloop van tijd kan het draagvlak zijn veranderd en de samenstelling van de bijdrageplichtigen.23 In de praktijk wordt soms ook voor kortere perioden gekozen. Bij ontevredenheid van minimaal 20% van de bijdrageplichtigen kan zelfs gedurende de looptijd van een BI-zone een draagvlakmeting worden aangevraagd tot intrekking van de BIZ-verordening. Ook hieruit blijkt het belang van het draagvlak voor de BI-zone en de bijbehorende belastingheffing. Uit de enquête blijkt dat iets meer dan de helft (53%) van de respondenten de maximale duur van de BI-zone van 5 jaar te kort vindt. Ruim 44% vindt de duur goed zoals die nu is. Zoals in onderdeel 3.4 beschreven, heeft de maximale duur van een BI-zone ook gevolgen voor de mogelijk te bekostigen activiteiten. Contracten met bepaalde partijen kunnen nooit langer duren dan de BIZ-periode. Ook wordt het sparen voor bepaalde grotere uitgaven door de maximale tijdsduur van een BIZ bemoeilijkt. ➢ Zie over mogelijke aanpassingen van de maximale BIZ-periode verder onderdeel 4.5.

23

Vgl. MvT, Kamerstukken II 2007/08, 31430, nr. 3, p. 21.

25

4.

Naar een Wet BIZ 2.0? Opties voor verbetering van de BIZregeling

Inleiding In onderdeel 3 zijn de resultaten van de enquête en het interview beschreven en is geanalyseerd of en in hoeverre de huidige wettelijke regeling aanpassing behoeft. In dit onderdeel 4 worden de resultaten van de enquête en het interview ten aanzien van een aantal verbetervoorstellen weergegeven en geanalyseerd. De verbetervoorstellen hebben vooral betrekking op BI-zones die reeds ervaring hebben opgedaan en een of meerdere keren een BIZ-periode succesvol hebben doorlopen. Deze worden hierna aangeduid met de term ‘doorstartende BIzones’. Hierna wordt beschreven: - Het onderscheid tussen nieuwe BI-zones en doorstartende BI-zones (onderdeel 4.1) - De BIZ-activiteiten bij doorstartende BI-zones (onderdeel 4.2) - De draagvlakmeting en draagvlakeisen bij doorstartende BI-zones (onderdeel 4.3) - De tussentijdse draagvlakmeting bij doorstartende BI-zones (onderdeel 4.4) - De maximale BIZ-periode bij doorstartende BI-zones (onderdeel 4.5) - Een grafische samenvatting van de voorstellen (onderdeel 4.6) 4.1

Onderscheid tussen nieuwe BI-zones en doorstartende BI-zones

Inleiding Voorgesteld wordt om in de Wet BIZ onderscheid te gaan maken tussen de oprichting van een nieuwe BI-zone enerzijds en de ‘doorstart’ van een reeds bestaande BI-zone anderzijds. Het oorspronkelijke uitgangspunt van de wetgever met de Wet BIZ was dat zowel initiatiefnemers als gemeente de instelling van een BI-zone ook echt moeten willen. Dat was ook de reden om de draagvlakeisen bewust hoog vast te stellen ten opzichte van buitenlandse voorbeelden. Om recht te doen aan dit uitgangspunt wordt voorgesteld de huidige wettelijke vereisten ongewijzigd te laten voor nieuw op te richten BI-zones.24 Een verruiming van enkele regels wordt wel voorgesteld voor BI-zones met een minimaal aantal jaar ervaring. Dit onderscheid tussen nieuw op te richten BI-zones en BI-zones die zich al hebben bewezen, kan ook op steun rekenen van een meerderheid van de geënquêteerde BIZ-organisaties, zoals in de onderdelen hierna zal worden beschreven.

Definitie van een doorstartende BI-zone Wanneer komt een BIZ in het voorstel van het ESBL in aanmerking voor verruimde wettelijke mogelijkheden? Het moet gaan om een BIZ-organisatie die heeft bewezen succesvol een BIZ te kunnen uitvoeren. In de visie van het ESBL zal ten minste een periode van 5 jaar ervaring moeten zijn opgedaan. Daarmee wordt ook aangesloten bij de huidige wettelijke maximale 24

Wel worden in onderdeel 5 van dit rapport enkele technische verbeteringen van de Wet BIZ voorgesteld die ook voor nieuw op te richten BI-zones een verbetering zouden betekenen.

26

termijn van een BIZ. Een BIZ die heeft gekozen voor de maximale termijn van 5 jaar en deze succesvol tot een einde weet te brengen, kwalificeert derhalve voor de ruimere wettelijke mogelijkheden. Is gekozen voor een kortere periode voor de BIZ dan 5 jaar, dan staan de ruimere wettelijke mogelijkheden pas open na meerdere kortere BIZ-perioden die samen optellen tot minimaal 5 jaar.25 Door het maken van dit onderscheid tussen nieuwe BI-zones en doorstartende BI-zones wordt enerzijds recht gedaan aan de keuzes en waarborgen die de wetgever heeft vastgelegd in de huidige Wet BIZ en anderzijds tegemoet gekomen aan de wens van die BIZ-organisaties waarvan het ambitieniveau in de loop van de tijd is gegroeid. Er kan zo ook tegemoet worden gekomen aan een aantal van de in de enquête geconstateerde kwetsbaarheden en beperkingen van de huidige BIZ-regeling. De aantrekkelijkheid van het instrument kan daarmee worden vergroot.

Verruimde wettelijke mogelijkheden pas mogelijk na draagvlakmeting Hierna in onderdelen 4.2 tot en met 4.5 worden diverse varianten uitgewerkt van verruimde wettelijke mogelijkheden in de Wet BIZ. Het initiatief om bij een ‘doorstart’ van een BI-zone van ruimere wettelijke mogelijkheden gebruik te maken, ligt wat het ESBL betreft in eerste instantie ter keuze aan het BIZ-bestuur. Gelet op de wijziging die dit ten opzichte van de eerdere BIZ-periode betekent, is in beginsel dan ook altijd een draagvlakmeting vereist. In de visie van het ESBL zou het slechts in één situatie denkbaar zijn dat wordt afgeweken van de wettelijke draagvlakmeting. Dat is het geval waarin sprake is van een doorstartende BIZ en waarbij men de bestaande BI-zone ongewijzigd wil voortzetten. Zie ook hierna onderdeel 4.3.

Ook gemeente moet instemmen bij aanvraag om gebruik te maken van verruimde wettelijke mogelijkheden bij doorstartende BIZ Het ESBL doet in de onderdelen hierna enkele voorstellen tot verruiming van een aantal wettelijke voorwaarden in de Wet BIZ en werken daarbij verschillende opties uit. Stel dat in de Wet BIZ in de toekomst inderdaad op een aantal punten ruimere wettelijke mogelijkheden worden geboden, dan betekent dit niet dat doorstartende BI-zones in alle gevallen van deze verruimde wettelijke mogelijkheden gebruik zullen willen maken. Wil een BIZ-bestuur wel gebruik maken van die mogelijkheden, dan zal dit ook tot wijziging of opnieuw vaststellen van een BIZ-verordening leiden. De gemeenteraad is het bevoegde orgaan dat hierover beslist.26 Op deze wijze heeft ook de gemeente de keuze om al dan niet het verzoek om verruimde wettelijke mogelijkheden in te willigen. Dit is in lijn met het hiervoor in onderdeel 3.4 beschreven uitgangspunt van de wetgever die het primaat om te beslissen over de vraag of bepaalde activiteiten passen binnen de wettelijke definitie eveneens bij de gemeenteraad heeft gelegd. Ook in de situatie dat de gemeente wil meewerken, is en blijft de inwerkingtreding van de

25

Niet elke BI-zone kiest voor de volledige maximale periode van 5 jaar. In dit voorstel zou een BI-zone die een kortere periode dan 5 jaar actief is geweest, gedurende de tweede BIZ-termijn in aanmerking komen voor de ruimere mogelijkheden van de Wet BIZ. Er zal dan echter wel opnieuw een draagvlakmeting nodig zijn om daarvan gebruik te kunnen maken. 26 Art. 216 Gemeentewet.

27

verordening uiteraard afhankelijk van voldoende steun zoals blijkt uit een uitgevoerde draagvlakmeting.27 Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op wijzigingsvoorstellen ten aanzien van: - De BIZ-activiteiten (onderdeel 4.2); - De draagvlakmeting en draagvlakeisen (onderdeel 4.3); - De mogelijkheid van de tussentijdse draagvlakmeting (onderdeel 4.4); - De maximale BIZ-periode (onderdeel 4.5). 4.2

De BIZ-activiteiten bij doorstartende BI-zones

Zie ook onderdelen

3.4, 4.4, 4.5

In onderdeel 3.4 werd geconcludeerd dat de wettelijke omschrijving van de met de BIZ-bijdrage te bekostigen activiteiten op zichzelf voldoet en dat ook een meerderheid van de BIZorganisaties daar tevreden over is. Deze tevredenheid kan verder toenemen als de BIZ-organisaties beter geïnformeerd zijn over de mogelijkheden die de huidige Wet BIZ biedt. De begrippen “het bevorderen van de leefbaarheid (…) of de ruimtelijke kwaliteit van de BI-zone” bieden wat het ESBL betreft voldoende ruimte om diverse activiteiten gericht op verduurzaming van een BI-zone mee te kunnen bekostigen. Zoals in onderdeel 3.4 eveneens reeds is geconstateerd, worden op verschillende werklocaties waar een BI-zone actief is ook andere entiteiten opgericht ten behoeve van de gewenste verduurzamingsmaatregelen. Zo is vanuit de BIZ Schiebroek succesvol een energiecoöperatie opgezet voor aanleg en beheer van een zonnepark. Dit zonnepark moet een opbrengst van € 25.000,- per jaar gaan opleveren dat voor verdere verbetering van het bedrijventerrein kan worden ingezet.28 Ook kunnen de inkomsten uit de energiecoöperatie op termijn tot daling van de BIZ-tarieven leiden. Op deze wijze kan een werklocatie worden verduurzaamd met behoud van de bestaande wettelijke definitie van met de BIZ te bekostigen activiteiten.

Ook de in de enquête genoemde gewenste financiële vergoeding van het BIZ-bestuur kan, gelet op de in de wetsgeschiedenis genoemde voorbeelden van uitgaven aan een winkelstraat- of parkmanager, worden gerechtvaardigd en hoeft in de visie van het ESBL niet tot aanpassing van de wet te leiden. Ook bij een doorstart van de BIZ is aanpassing van de wettelijke omschrijving van BIZ-activiteiten niet noodzakelijk. Zoals in onderdeel 3.4 beschreven, werken in de visie van het ESBL vooral andere wettelijke vereisten beperkend ten aanzien van de mogelijk te bekostigen activiteiten. Dit betreft met name de mogelijkheid van het aanvragen van een tussentijdse draagvlakmeting en de maximale BIZ-periode. Ten aanzien van deze vereisten stelt het ESBL wel wijzigingen voor. Zie daarvoor hierna onderdelen 4.4 en 4.5.

27

Behoudens de enige uitzonderingssituatie waarbij een draagvlakmeting in de visie van het ESBL achterwege kan blijven, namelijk in de situatie dat een BI-zone ongewijzigd wordt voortgezet zoals hiervoor in 4.1.2 beschreven. 28 Zie: https://duurzaam010.nl/verhalen/een-bedrijventerrein-als-energieopwekker/.

28

4.3

De draagvlakmeting en draagvlakeisen bij doorstartende BI-zones

Zie ook de onderdelen

3.2, 3.3, 3.5, 4.1, 4.6

Verlaging draagvlakeisen? Zoals eerder aangegeven, staat het draagvlak voor activiteiten in de systematiek van de Wet BIZ centraal. De draagvlakeisen in de Wet BIZ zijn door de wetgever bewust hoog vastgesteld, vergeleken met buitenlandse voorbeelden.29 Daarbij speelde ook mee dat uit buitenlandse voorbeelden zou blijken dat het draagvlak in de loop van de tijd toeneemt.30 Dat is niet altijd de praktijkervaring in Nederland. Ondanks het succesvol afronden van een BIZ-periode, worden de draagvlakeisen als even hoog ervaren als wanneer geprobeerd wordt voor het eerst een BI-zone tot stand te brengen. Zoals in onderdeel 3.5 beschreven, is een meerderheid van de respondenten van de enquête (bijna 60%) tevreden over de huidige draagvlakeisen. Echter, bijna 85% van de BIZ-organisaties is van mening dat bij een doorstart van een bestaande BIzone, de wettelijke draagvlakeisen lager zouden mogen zijn dan voor het eerst instellen van een BI-zone. Het is aan de wetgever om de draagvlakeisen desgewenst te verlagen bij doorstartende BI-zones. Het ESBL is daar enkel voorstander van in het geval geen andere (hierna in onderdelen 4.4 en 4.5 uitgewerkte) verruimingen worden doorgevoerd. Echter, wanneer doorstartende BI-zones wordt toegestaan om bijvoorbeeld te kiezen voor een langere maximale duur dan 5 jaar, is voldoende steun in de visie van het ESBL noodzakelijk.

Verlaging van de huidige draagvlakeisen is in dat geval niet aan de orde wat het ESBL betreft.

Bij ongewijzigde voortzetting na afloop BIZ kan worden afgezien van een draagvlakmeting Hiervoor in onderdeel 4.1 is reeds aan de orde gekomen dat het ESBL het verdedigbaar vindt dat een draagvlakmeting in zijn geheel achterwege kan worden gelaten enkel in de situatie dat een BI-zone haar activiteiten ongewijzigd wil voortzetten. Niet alleen de tarieven moeten dan ongewijzigd blijven31, maar ook de categorie belastingplichtigen (eigenaren en/of gebruikers van onroerende niet-woningen) het activiteitenplan en de afbakening van de BI-zone. Deze mogelijkheid zou tegemoet komen aan de weerstand die uit de enquête blijkt tegen de totstandkomingsprocedure. Zoals beschreven in onderdeel 3.2 ervaart ongeveer 70% van de respondenten de tijdsinvestering die nodig is om een BIZ tot stand te brengen als onevenredig. Ruim 75% van de respondenten is het zelfs eens met de stelling: “Bij een doorstart van een BI-zone is geen draagvlakmeting nodig. Wanneer de BIZ niet functioneert, kan altijd een tussentijdse draagvlakmeting worden aangevraagd”. Zoals gezegd, verbindt het ESBL hier wel de aanvullende voorwaarde aan dat de BIZ ongewijzigd wordt voortgezet. Het BIZ-bestuur zal het voornemen om een BI-zone aan het einde van de looptijd zonder draagvlakprocedure ongewijzigd voort te zetten kenbaar moeten maken bij de gemeente.

Het ESBL acht het voorstelbaar dat een gemeente aan dat verzoek bepaalde eisen stelt 29

Vgl. NaV, Kamerstukken II 2013/14, 33 917, 6, p. 8-9. Kamerstukken II 2007/08, 31 430, 16. Dit zou blijken uit: Menger Advies en STOGO onderzoek, 2005, Business Improvement District – Ondernemersinitiatief beloond. 31 Het is voorstelbaar dat hier wel enige correctie voor opgetreden prijsstijgingen en inflatie wordt toegestaan. 30

29

(bijvoorbeeld een stemmingsuitslag van een algemene ledenvergadering wanneer sprake is van een BIZ-vereniging). Stemt de gemeente in met het verzoek, dan zal de verordening moeten worden gewijzigd op het punt van de duur van de BI-zone en partijen zullen ook subsidieovereenkomst moeten aanpassen. Mocht het zonder draagvlakmeting verlengen van een BI-zone op weerstand stuiten bij meer dan 20% van de bijdrageplichtigen, dan kunnen zij altijd gebruik maken van de in de huidige Wet BIZ gegeven mogelijkheid om een tussentijdse draagvlakmeting (artikel 6-procedure) aan te vragen tot intrekking van de verordening (zie onderdeel 3.6 en hierna 4.4).32 Gelet op het belang dat de wetgever bij introductie van de Wet BIZ hechtte aan het draagvlak voor een BI-zone, zal de wetgever vermoedelijk een maximum willen stellen aan het aantal jaar dat een BI-zone zonder draagvlakmeting kan worden verlengd. Hoeveel jaar dit zal zijn, is uiteraard aan de wetgever. Zie over de (verlenging van de) wettelijke maximale BIZ-periode ook onderdeel 4.5.

Gebruik maken van verruimde wettelijke mogelijkheden: dan altijd draagvlakmeting Zoals in onderdeel 4.1 reeds door beargumenteerd, is het ESBL van mening dat wanneer een doorstartende BIZ gebruik wil maken van verruimde wettelijke mogelijkheden (zoals hierna in onderdelen 4.4 en 4.5 beschreven), dan in ieder geval een draagvlakprocedure moet worden gevolgd. Draagvlak voor introductie van een BI-zone of voor verlenging ervan, is en blijft wat het ESBL betreft de hoofdregel. Omdat het ESBL er vanuit gaat dat de wens om van verruimde mogelijkheden gebruik te maken, voortkomt uit een gewijzigd ambitieniveau wat betreft te bekostigen activiteiten, is een nieuwe draagvlakmeting in die gevallen in de visie van het ESBL altijd een vereiste voor de doorstart van een BI-zone.

32

Zie art. 6 Wet BIZ.

30

BIZ 2.0 en draagvlakmeting: grafische samenvatting De voorstellen aangaande de draagvlakprocedure bij een wijziging van de Wet BIZ (Wet BIZ 2.0) ten aanzien van doorstartende BI-zones zijn hieronder in Figuur 1 grafisch samengevat. Figuur 1. Voorgestelde draagvlakprocedure bij doorstartende BI-zones

31

4.4

De tussentijdse draagvlakmeting bij doorstartende BI-zones

Zie ook onderdelen

3.4, 3.6, 4.2, 4.3, 4.6

BIZ-enquête over tussentijdse draagvlakmeting Zoals hiervoor bij onderdeel 3.6 beschreven, wil bijna 70% (68%) van de respondenten van de enquête de mogelijkheid van het tussentijds aanvragen van een draagvlakmeting tot intrekking van de BIZ-verordening behouden. Degenen die van de tussentijdse draagvlakmeting af willen, gaven aan dat deze optie de continuïteit aantast en dat een draagvlakmeting enkel aan het einde van de termijn zou moeten worden gehouden (19 respondenten). Ook gaven sommigen aan dat een alternatief gevolg van het halen van voldoende draagvlak in deze situatie zou kunnen zijn dat het BIZ-bestuur moet worden vervangen in plaats van dat de BIZ-verordening moet worden ingetrokken. Het ESBL is geen voorstander van deze suggestie. Uit de toelichtingen bij deze vragen van de enquête blijkt namelijk dat de wens om tussentijds te stoppen met een BIZ niet in alle gevallen te maken heeft met het disfunctioneren van een BIZorganisatie. Corona heeft geleerd dat ook economische veranderingen aanleiding kunnen vormen voor het stoppen of aanpassen van een BIZ. Overigens wordt door sommige respondenten aangegeven dat de meeste bijdrageplichtigen zich vermoedelijk niet bewust zijn van de mogelijkheid tot het aanvragen van een tussentijdse draagvlakmeting. Ook op dit punt is verbetering in de voorlichting mogelijk.

Deze informatie kan mogelijk ook de uitslag van de draagvlakmeting positief beïnvloeden. Ook geven sommigen aan dat wanneer van de draagvlakmeting bij doorstart kan worden afgezien, deze optie van een tussentijdse wegstemmogelijkheid dan wel moet blijven. Zoals hiervoor in onderdeel 4.1 en 4.3 aangegeven, is dit ook het uitgangspunt van het ESBL bij de voorgestelde wijzigingen.

Bij doorstart kan worden afgezien van tussentijdse draagvlakmeting Van degenen die in de enquête hebben geantwoord dat het aanvragen van een tussentijdse meting moet blijven, is ruim een derde van mening dat deze wèl zou kunnen worden afgeschaft in de situatie dat een BIZ zich al een of meer BIZ-perioden heeft bewezen. Wanneer een BIZ-organisatie na afloop van een BIZ-periode het ambitieniveau omhoog wil brengen van de met de BIZ-bijdrage te bekostigen activiteiten, kan de wettelijke mogelijkheid om op aanvraag van 20% van de bijdrageplichtigen een draagvlakmeting tot opheffing te houden, een belemmering vormen voor grotere investeringen. In onderdeel 3.4 is reeds beschreven dat de artikel 6-procedure het tot stand brengen van fysieke voorzieningen in de BI-zone belemmert. Daarvoor zal immers vaak een vorm van sparen nodig zijn gedurende de BIZ-periode. De mogelijkheid van het aanvragen van een tussentijdse draagvlakmeting tot intrekking van de verordening vormt in die situatie een risico dat deze investeringen uiteindelijk niet tot stand komen, wanneer een tussentijdse draagvlakmeting tot opheffing voldoende draagvlak haalt. De aantrekkelijkheid van het BIZ-instrument kan daarom worden vergroot wanneer kan worden afgezien van de mogelijkheid om een tussentijdse draagvlakmeting aan te vragen.

Het voorstel van het ESBL tot wijziging van de Wet BIZ op dit punt komt erop neer dat de art. 6procedure verplicht is voor nieuwe BI-zones en dat deze optioneel is bij een doorstartende BI32

zone. Uiteraard zal het afzien van de tussentijdse wegstemmogelijkheid wel onderdeel moeten zijn van de draagvlakmeting. Overigens, in een situatie waarin een brede ontevredenheid is onder bijdrageplichtigen over het BIZ-bestuur en de uitvoering van het activiteitenplan, kan ook de gemeente een verordening intrekken en de aanvraag tot uitkering van de subsidie weigeren. In die zin zal ook bij het afzien van de tussentijdse wegstemmogelijkheid een BI-zone ook nog tussentijds kunnen worden beëindigd bij disfunctioneren.

Alternatief: verhogen drempel tussentijdse draagvlakmeting bij doorstart Als alternatief van het volledig afzien van de mogelijkheid om een artikel 6-procedure te starten bij doorstart van een BIZ, kan worden gedacht aan het verhogen van de drempel die nodig is voor het kunnen aanvragen van een tussentijdse draagvlakmeting. Op dit moment moet de aanvraag worden gedaan door slechts 20% van de bijdrageplichtigen. Hoeveel hoger de drempel zou moeten zijn, is aan de wetgever. Wellicht dat deze op hetzelfde niveau moet worden gesteld als nodig is om een BI-zone in te stellen: een derde van de bijdrageplichtigen.33 In het wetsvoorstel voor de permanente BIZ-wet werd voorgesteld om het percentage te verhogen van 20 naar 30%. Het percentage is echter bij amendement weer verlaagd naar 20% (gelijk aan het percentage in de Experimentenwet). De indiener vond het van belang dat bijdrageplichtigen de mogelijkheid hebben om een slecht functionerende bedrijveninvesteringszone voortijdig te kunnen beëindigen.34 Het verhogen van de drempel om tussentijds een draagvlakmeting tot afschaffing aan te vragen is wat betreft het ESBL second best. Omdat de wegstemmogelijkheid een belemmering vormt voor sparen voor uitgaven over meerdere jaren, zouden wij liever zien dat een BIZ ervoor kan kiezen helemaal af te zien van deze mogelijkheid.

Mocht een BIZ-organisatie in de loop van de tijd alsnog slecht gaan functioneren, dan is er altijd nog de mogelijkheid dat de gemeente eenzijdig de subsidie en verordening intrekt en daarmee de facto de BIZ beëindigt.

Doorstart ongewijzigde BIZ: behoud tussentijdse draagvlakmeting Hiervoor in onderdeel 4.3 is reeds beschreven dat in de situatie waarin een BIZ bij doorstart ongewijzigd wordt voortgezet, het in de visie van het ESBL denkbaar is dat een draagvlakmeting achterwege blijft. Op die plaats is ook aangegeven dat in dat geval wat het ESBL betreft de mogelijkheid van het aanvragen van een tussentijdse draagvlakmeting tot intrekking van de BIZ-verordening (artikel 6-procedure) gehandhaafd blijft.

33

Zie art. 5 lid 1 onder a en b: ten minste de helft van de bijdrageplichtigen moet zich hebben uitgesproken en daarvan moet ten minste tweederde deel zich vóór inwerkingtreding hebben uitgesproken. 34 Kamerstukken II, 2013-2014, 33 917, nr. 7.

33

4.5

De maximale BIZ-periode bij doorstartende BI-zones

Zie ook onderdelen

3.4, 3.7, 4.2, 4.3, 4.6

BIZ-enquête over maximale duur BI-zone Zoals in onderdeel 3.7 beschreven, blijkt uit de enquête dat iets meer dan de helft (53%) van de respondenten de maximale duur van de BI-zone van 5 jaar te kort vindt. De vraag of de maximale duur van 5 jaar zou moeten worden verlengd in geval van een doorstart van een bestaande BIZ wordt door ruim 75% positief beantwoord en door een kleine 25% negatief. Van degenen die voorstander zijn van een verlengde maximale duur van een BIZ vindt ruim 43% van de respondenten dat de duur bij doorstart van een BI-zone voor onbepaalde tijd zou moeten zijn. Ruim 32% spreekt een voorkeur uit voor een maximale duur van 9-10 jaar. Een kleine 15% is voorstander van een maximale duur bij doorstart van 7-8 jaar en ruim 10% wil een verruiming van de maximale duur naar 6-7 jaar. Onderstaande grafiek vat de voorkeuren samen.

De respondenten is ook gevraagd om een toelichting bij hun keuze. Degenen die een toelichting hebben gegeven en verlenging van de maximale duur van de BI-zone wensen, noemen onder meer als redenen: - de totstandkomingsprocedure is te omslachtig om maar voor 5 jaar te gelden (5 respondenten); - onder meer uitdagingen van energietransitie, klimaatadaptatie, circulariteit en mobiliteit die vragen om een lange termijnaanpak en sparen voor activiteiten (5 respondenten); - de behoefte om voor langere termijn contracten af te sluiten en investeringen te doen met een langere scope dan 5 jaar (4 respondenten). Een opvallend aantal respondenten is voorstander van een variant waarbij men in principe met een BIZ doorgaat, tenzij er een bepaald aantal ondernemers ontevreden is. Deze respondenten lijkt dus voorstander te zijn van stilzwijgend doorgaan na 5 jaar, zij het onder handhaving van de mogelijkheid van een tussentijdse draagvlakmeting en (13 respondenten).

34

BIZ 2.0

Bij doorstart kan worden gekozen voor langere BIZ-periode dan 5 jaar

Zoals hiervoor in onderdeel 4.1 is betoogd, kan de aantrekkelijkheid van het BIZinstrument worden vergroot door de mogelijkheid van sparen voor grotere investeringen beter te faciliteren. Dat is niet onbelangrijk gelet op de uitdagingen van de komende decennia op het gebied van klimaat, milieu en circulariteit. Op deze wijze kan ook ruimte worden gegeven aan een ruimere ambitie die kan zijn ontstaan na een of meer BIZ-perioden. Naast het afzien van de mogelijkheid van een tussentijdse draagvlakmeting (zoals hiervoor beschreven in onderdeel 4.4) kan ook een verruiming van de maximale BIZ-duur daar aan bijdragen. Op deze wijze kan een grotere bijdrage worden bijeengebracht om te investeren gedurende een BIZ-periode. Ook wordt dan het afsluiten van contracten voor de langere termijn mogelijk. Zoals meermaals beschreven, gelden wat het ESBL betreft een tweetal voorwaarden om te kunnen kiezen voor een langere maximale BIZ-periode dan de huidige 5 jaar: 1. Er is sprake van een doorstartende BI-zone die een volledige maximale BIZ-periode van 5 jaar heeft doorlopen (of wanneer is gekozen voor een kortere BIZ-periode tenminste 5 jaar ervaring heeft). 2. Er is voldoende steun voor deze langere duur zoals blijkt uit een gehouden draagvlakmeting volgens de regels van de Wet BIZ.

Het verhogen van het ambitieniveau van de ene op de andere BIZ-periode zal vaak ook gepaard gaan met verhoging van de verschuldigde BIZ-bijdrage. Dat betekent dat het behalen van de draagvlakmeting, ook bij een reeds succesvolle afronding van een eerdere BIZ-periode, geen vanzelfsprekendheid is. De mogelijkheid om de BIZ-periode reeds bij aanvang te verlengen, maakt het mogelijk om de kosten van bepaalde investeringen langer over de tijd te spreiden. Hierdoor kan de tariefverhoging worden gedempt. Ook dit is een argument om een langere maximale duur dan 5 jaar toe te staan voor doorstartende BI-zones.

Voorkeur voor langere maximale duur BIZ-periode maar niet voor verlenging voor onbepaalde tijd Gelet op de centrale rol die de draagvlakmeting speelt in de huidige wettelijke regeling, ligt het in de lijn der verwachting dat de wetgever niet open zal staan voor een verlenging van een BIZ voor onbepaalde tijd maar opnieuw een maximum zal willen stellen aan de maximale duur van een BIZ. De behoefte aan deze vorm van belastingheffing op verzoek die de BIZ-bijdrage is, zal in de visie van het ESBL periodiek opnieuw moeten worden gemeten. Zelfs wanneer een BI-zone voor onbepaalde tijd zou worden ingesteld, zou er in ieder geval een procedure moeten worden geïntroduceerd (of gehandhaafd) waarbij een bepaald gedeelte van bijdrageplichtigen een verzoek kan doen om de BI-zone beëindigen. Dat betekent in de visie van het ESBL dat bij een verlenging van een BI-zone voor onbepaalde tijd er ook altijd een vorm van een art. 6-procedure zal moeten zijn (tussentijdse draagvlakmeting) om bijdrageplichtigen de mogelijkheid te bieden om bij verminderd draagvlak of ontevredenheid over de uitvoering van de BIZ er vanaf te kunnen. De noodzakelijkheid van een tussentijdse wegstemmogelijkheid in geval van een verlenging voor onbepaalde duur leidt ertoe dat het ESBL wel voor een verruiming van de maximale duur van een BI-zone is, maar niet voor een mogelijkheid van 35

verlenging voor onbepaalde duur. Juist de combinatie van het afzien van de mogelijkheid om tussentijds weg te stemmen in combinatie met een verlengde maximale duur geeft mogelijkheden voor grotere investeringen. Hoe lang de maximale duur van een doorstartende BI-zone zou moeten zijn, is aan de wetgever. Zoals hiervoor beschreven, blijkt uit de enquête dat bijna 32% van de voorstanders van verlenging van de maximale BIZ-periode een voorkeur heeft voor een maximale duur van 9-10 jaar. Onderzoek naar gewenste investeringen door BIZ-organisaties voor bijvoorbeeld verduurzaming van de bedrijfslocaties de komende jaren zou wellicht richting kunnen geven aan de gewenste maximale duur van een BI-zone.

Verlenging van ongewijzigde BIZ zonder draagvlakmeting Zoals in onderdelen 4.1 en 4.3 uitgewerkt, stelt het ESBL voor dat doorstartende BI-zones die geen wijzigingen wensen ervoor kunnen kiezen af te zien van een draagvlakmeting. Ook dan wordt feitelijk de huidige maximale BIZ-periode van 5 jaar verlengd. Zoals beschreven, is in de visie van het ESBL afzien van een draagvlakmeting in die situatie gerechtvaardigd onder de voorwaarde dat bijdrageplichtigen de mogelijkheid behouden een tussentijdse draagvlakmeting (artikel 6-procedure) aan te vragen tot intrekking van de verordening. Ook werd beschreven dat naast deze wettelijke mogelijkheid het ESBL het voorstelbaar vindt dat de wetgever een maximum wil stellen aan het aantal jaar dat een doorstartende BI-zone zonder draagvlakmeting kan worden verlengd. Mocht een doorstartende BI-zone kiezen (na draagvlakmeting) voor een langere maximale BIZ-termijn kiezen om bijvoorbeeld te kunnen sparen voor bepaalde gewenste investeringen, dan zou in de visie van het ESBL zo’n BIZ aan het einde van die periode niet alsnog gebruik moeten kunnen maken van het voortzetten ervan zonder draagvlakmeting (zoals in onderdelen 4.1 en 4.3 uitgewerkt). Er zal, gelet op de centrale plaats die draagvlak binnen de BIZ-wet inneemt, periodiek een draagvlakmeting moeten plaatsvinden, ook onder eventueel in de toekomst verruimde wettelijke mogelijkheden.

Hoe lang de maximale termijn zou kunnen zijn zonder draagvlakmeting, zal de wetgever moeten bepalen. 4.6

Grafische samenvatting van de voorstellen in een Wet BIZ 2.0

Onderstaande figuur vormt een grafische samenvatting van de voorstellen tot wijziging van de Wet BIZ ten aanzien van doorstartende BI-zones. Het betreft een aangevulde figuur ten opzichte van Figuur 1 uit onderdeel 4.3.

36

Figuur 2. Grafische weergave voorgestelde wijzigingen Wet BIZ

37

5.

Wenselijke technische (fiscaal-juridische) aanpassingen van de Wet BIZ

Inleiding In dit onderdeel wordt een aantal technische wijzigingen van de Wet BIZ voorgesteld. In de praktijk van de uitvoering van BI-zones is gebleken dat de wettelijke regeling voor sommige situaties onvoldoende handvatten biedt. Dat leidt tot verschillen in uitvoering tussen gemeenten en in sommige gevallen ook tot vertraging van het proces van invoering. Het betreft de volgende verbeteringen die in het hierna volgende verder worden uitgewerkt: a. introductie van een regeling voor beëindiging van een BI-zone; b. introductie van de mogelijkheid van indexering van tarieven gedurende de BIZ-periode; c. verduidelijking van de draagvlakeisen in de situatie van meerdere eigenaren van één onroerende zaak; d. het mogelijk maken van een digitale draagvlakprocedure; e. introductie van een wettelijke regeling voor levering van WOZ- en OZB-gegevens aan BIZ-voorbereiders en aan BIZ-organisatie gedurende de uitvoering van een BIZ.

Ad a) Introductie van een regeling voor beëindiging van een BI-zone In de Wet BIZ is niet geregeld hoe de beëindiging van een BI-zone moet worden afgewikkeld. Een BI-zone kan worden beëindigd wanneer een tussentijdse draagvlakmeting tot opheffing wordt gehaald (art. 6 Wet BIZ) of na afloop van de in de verordening vastgelegde BIZ-periode die wettelijk is gemaximeerd op 5 jaar. In de praktijk komt het voor dat dan nog niet alle voorgenomen activiteiten zijn uitgevoerd of dat nog gelden in kas zijn die nog niet zijn uitgegeven aan activiteiten. De vraag is wat er in die situatie moet met de onbestede gelden. In de praktijk worden daar uiteenlopende afspraken over gemaakt tussen BIZ-organisaties en gemeenten. Een regeling in de wet is wenselijk om een einde te maken aan discussies hierover in de praktijk. Dat zou ook de uniformiteit van uitvoering door gemeenten ten goede komen. Overigens, wanneer de wettelijke maximale duur van een BI-zone wordt verlengd, is er extra reden voor een wettelijke regeling voor de financiële afwikkeling van een beëindigde BI -zone. Wanneer meerjarig wordt gespaard voor uitgaven en een BI-zone tussentijds wordt opgeheven vanwege onvoldoende draagvlak, zal de hoogte van het bedrag van niet uitgegeven gelden immers kunnen toenemen ten opzichte van de huidige situatie.

Ad b) Introductie van mogelijkheid van indexering van tarieven De afgelopen jaren is sprake van inflatie, mede als gevolg van de stijging van kosten van grondstoffen en energie. Dat betekent dat het voor kan komen dat een activiteitenplan niet volledig kan worden uitgevoerd omdat in de aanvankelijk ingeschatte kostenbegroting onvoldoende rekening is gehouden met kostenstijgingen. Een wettelijke bepaling die erin voorziet dat in de BIZ-verordening desgewenst kan worden geregeld dat de daarin opgenomen tarieven jaarlijks kunnen worden aangepast aan inflatie, zou dit kunnen voorkomen.35 Er zou 35

De bepaling kan op een vergelijkbare wijze luiden als art 7 lid 1 Wet BIZ. Inflatiecorrectie gedurende de BIZperiode is dan mogelijk, mits dit ook in de BIZ-verordening is aangegeven.

38

kunnen worden verwezen naar de consumentenprijsindex (CPI). Door deze mogelijkheid ook in de BIZ-verordening bij aanvang op te nemen, maakt deze mogelijkheid ook onderdeel uit van de draagvlakmeting. Toekomstig bijdrageplichtigen weten dan waar ze aan toe zijn. Mocht het in de toekomst wettelijk mogelijk worden dat een BI-zone langer kan worden ingesteld dan voor de duur van 5 jaar, zal de behoefte aan een mogelijkheid van tussentijdse aanpassing van tarieven vanwege kostenstijgingen vermoedelijk toenemen.

Ad c) Verduidelijking draagvlakeisen bij meerdere eigenaren van één onroerende zaak De Wet BIZ stelt dat het college van burgemeester en wethouders na vaststelling van de verordening een draagvlakmeting moet houden onder iedere bij de gemeente bekende bijdrageplichtige (art. 4 lid 2 Wet BIZ). In de praktijk is de vraag gerezen hoe om te gaan met de situatie dat sprake is van mede-eigendom of meerdere gebruikers. Is iedere mede-eigenaar of medegebruiker van een onroerende zaak stemgerechtigd en tellen de stemmen zoveel keer mee als dat er eigenaren of gebruikers zijn? In theorie kan het ook nog voor komen dat de ene eigenaar of gebruiker voor en de andere tegen inwerkingtreding van de BIZ-verordening is. Deze vraag is van belang voor de invulling van de draagvlakeisen van art. 5 Wet BIZ. Niet alleen voor de draagvlakeisen met betrekking tot het aantal bijdrageplichtigen dat heeft gestemd en heeft voor gestemd (art. 5 lid 1 onderdelen a en b Wet BIZ), maar ook om te bepalen of de voorstemmers meer WOZ-waarde vertegenwoordigen dan de tegenstemmers (art. 5 lid 1, onderdeel c Wet BIZ). Een aanvulling op art. 5 Wet BIZ zou aan deze onzekerheid een einde kunnen maken. In de visie van het ESBL zou per onroerende zaak slechts één geldige stem moeten kunnen worden uitgebracht.

Uitgebrachte stemmen zouden niet mee mogen tellen in de situatie waarin die stemmen uiteenlopen tussen afzonderlijke eigenaren of gebruikers van één en dezelfde onroerende zaak.

Ad d) Het mogelijk maken van een digitale draagvlakprocedure De Wet BIZ schrijft voor dat een draagvlakmeting schriftelijk moet plaatsvinden (art. 4 Wet BIZ). Een efficiënte uitvoering van de draagvlakmeting zou gediend zijn met een wettelijke mogelijkheid waarin de schriftelijke draagvlakmeting wordt aangevuld met een digitale mogelijkheid om te stemmen.36 Dit zal niet alleen een efficiënte uitvoering betekenen, maar ook een uitkomst bieden voor BI-zones van eigenaren van onroerende zaken waarbij het regelmatig voor komt dat de eigenaren zich in het buitenland bevinden.

Ad e) Wettelijke regeling voor gegevenslevering aan BIZ-voorbereiders en aan BIZ-organisatie gedurende de uitvoering van een BIZ In de praktijk is veel onzekerheid en vinden veel discussies plaats over gegevenslevering van de gemeente aan de initiatiefnemers bij het opzetten van een BI-zone en aan de BIZ-organisatie tijdens het uitvoeren van de BIZ. Het gaat dan vooral om data uit de belastingadministratie van de gemeente. Om een BIZ te kunnen voorbereiden zijn lijsten nodig van eigenaren en gebruikers van WOZ-objecten in de beoogde BI-zone. Wordt gekozen voor de WOZ-waarde 36

Tijdens dit onderzoek is gebleken dat in de praktijk reeds gebruik wordt gemaakt van de digitale stemmogelijkheid, maar dan als aanvulling op de schriftelijke draagvlakmeting. Zie daarvoor het Reglement Draagvlakmeting Bedrijveninvesteringszone Eigenaren Cronjé 2023-2027 (gemeente Haarlem).

39

als heffingsmaatstaf, dan is voor de tariefberekening nodig dat WOZ-waarden worden geleverd (desnoods geanonimiseerd). Maar ook wanneer een BIZ tot stand is gekomen zijn lijsten nodig van eigenaren en/of gebruikers van onroerende niet-woningen in het gebied om bijdrageplichtigen uit te nodigen om lid te worden van de BIZ-vereniging, of om uitvoering te kunnen geven aan de verplichtingen ten aanzien van het afleggen rekening en verantwoording als genoemd in art. 8 Wet BIZ. De afdelingen belastingen binnen gemeenten zijn terughoudend in het verstrekken van genoemde gegevens en het verschilt momenteel per gemeente of gegevens worden gedeeld, welke gegevens worden gedeeld en op welke momenten. Ook verschillen de voorwaarden die worden gesteld bij de gegevenslevering. De terughoudendheid van de afdeling belastingen van gemeenten en van belastinguitvoeringsorganisaties is begrijpelijk gelet op de fiscale geheimhoudingsplicht van art. 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en gelet op het gesloten systeem van gegevenslevering in de Wet WOZ. Daarom is het noodzakelijk dat de wetgever in de Wet BIZ regelt welke gegevens aan wie geleverd kunnen worden onder welke voorwaarden. Dat zou de snelheid van de totstandkoming van BI-zones ten goede komen en ook heel veel discussies binnen gemeenten en tussen gemeenten en BIZ-initiatiefnemers kunnen voorkomen.

In de praktijk kan een BI-zone niet tot stand komen en worden uitgevoerd zonder de initiatiefnemers en de BIZ-organisaties. Aan hen zijn ook diverse wettelijke taken en verantwoordelijkheden toebedeeld. Daarbij is gegevenslevering noodzakelijk. Dat dit momenteel niet is geregeld wordt gevoeld als een gemis, zoals ook blijkt uit de enquête (zie onderdeel 3.3.).

40

Bijlage 1 Enquêtevragen A. Algemeen 1. In welke gemeente is uw BIZ gelegen? 2. Wat is de naam van uw BIZ(vereniging of stichting)? 3. Betreft uw BIZ een winkelgebied, een bedrijventerrein of anders? a. Winkelgebied b. Bedrijventerrein c. Anders, namelijk…. 4. Betreft het in uw geval een ondernemers (gebruikers/huurders) BIZ of een BIZ van eigenaren of beide? a. BIZ van gebruikers b. BIZ van eigenaren c. Gecombineerde BIZ van eigenaren en gebruikers 5. Reageer op de volgende stelling: “Het is goed dat de BIZ-regeling bestaat” a. Eens b. Oneens Toelichting 6. Wat zijn de sterke punten van een BIZ volgens u? 7. Wat ervaart u als de belangrijkste nadelen van een BIZ? 8. In hoeverre ervaart u dat de ondernemersbelangen in de BIZ-regeling goed zijn geborgd? (schaal) + ruimte voor toelichting 9. Reageer op de volgende stelling: “Een BIZ-organisatie draagt bij aan een betere communicatie met gemeenten” a. Eens b. Oneens Toelichting 10. Reageer op de volgende stelling: “Een BIZ-organisatie draagt bij aan een betere kennisuitwisseling onderling tussen ondernemers en ondernemerscollectieven (BIZzen willen van elkaar leren)” a. Eens b. Oneens 41

Toelichting B. De voorbereiding en tot stand brengen van een BIZ 11. De gehele procedure om een BI-zone tot stand te brengen ervaar ik als: • Zorgvuldigheid (schaal van 1-10) (niet zorgvuldig tot zeer zorgvuldig) • Complexiteit (eenvoudig tot zeer complex) • Tijdsinvestering (goed te doen tot onevenredig veel tijd) • Balans tussen inspanningen door gemeente en door ondernemers (gemeente links, ondernemers rechts) 12. Heeft u suggesties voor verbetering van de voorbereidingsprocedure van de BIZ? (open vraag) 13. Over de begeleiding en facilitering door de gemeente van het tot stand brengen van een BI-zone ben ik: (schaal van zeer ontevreden naar zeer tevreden) 14. Op welke punten zou de facilitering en begeleiding door de gemeente van de totstandbrengingsprocedure van een BIZ kunnen worden verbeterd? (open vraag) C. De activiteiten 15. De activiteiten die met een BIZ bekostigd kunnen worden ervaar ik als a. Afdoende b. Te beperkend c. Geen mening 16. Welke activiteiten of voorzieningen zou u graag door de BIZ bekostigd willen zien, die onder de huidige regeling niet mogelijk zijn? (open vraag) D. De draagvlakmeting 17. De draagvlakeisen ervaar ik als a. Te streng (moeilijk om voldoende draagvlak te krijgen) b. Precies goed c. Te licht (de lat mag nog hoger worden gelegd) (Toelichting) 18.

Bij een doorstart van een BI-zone zouden de wettelijke draagvlakeisen lager mogen zijn dan bij het voor het eerst instellen van een BIZ a. Eens 42

b. Oneens (Toelichting) PM Toevoegen: geen E. De duur van de BI-zone 19. De maximale wettelijke duur van een BI-zone van 5 jaar is a. Te kort b. Te lang c. Precies goed 20. Zou u voorstander zijn van verlenging van de maximale wettelijke duur bij een doorstart van een BIZ (tweede termijn van een BIZ)? a. Ja (ga naar vraag 20) b. Nee (ga naar vraag 21) 21. Bij een doorstart van een BI-zone zou de maximale duur van een BI-zone moeten kunnen worden verlengd van 5 jaar naar: a. 6-7 jaar b. 7-8 jaar c. 9 -10 jaar d. Onbepaalde tijd (Kunt u uw antwoord toelichten) F. De mogelijkheid van een tussentijdse draagvlakmeting voor het opheffen van de BIzone 22. De wettelijke mogelijkheid om als ondernemers een tussentijdse stemming tot opheffing aan te vragen: a. Moet blijven b. Moet worden afgeschaft (Toelichting) 23. Wanneer u bij de vorige vraag heeft geantwoord dat de mogelijkheid van het tussentijds stemmen voor afschaffing moet blijven, verandert dit antwoord in de situatie dat een BIZ zich al een of meerdere BIZ-perioden heeft bewezen?37 a. Ook na eerdere succesvolle BIZ-termijn moet de mogelijkheid van tussentijds wegstemmen blijven b. Na een eerdere succesvolle BIZ, kan de mogelijkheid van tussentijds wegstemmen worden afgeschaft.

37

Toelichting: De mogelijkheid van het tussentijds wegstemmen belemmert de mogelijk met de BIZ-te bekostigen activiteiten en maakt het sparen voor bepaalde uitgaven lastig.

43

G. De alternatieven 24. Zijn er in uw gemeente voor de aanvang van de BIZ of nadien ook alternatieve oplossingen overwogen, zoals bijvoorbeeld een ondernemersfonds met reclamebelasting of een gemeentebreed fonds met onroerendezaak-belasting (OZB)? a. Nee b. Ja, met reclamebelasting c. Ja, met OZB d. Ja, beide alternatieven zijn overwogen e. Weet niet 25. Wanneer u de vorige vraag met ‘ja’ heeft beantwoord, wat was de reden om ook naar een alternatieve regeling te kijken? 26. Wanneer de gemeente daaraan zou willen meewerken, overweegt u in de toekomst dan om over te stappen op een alternatieve regeling voor de BIZ zoals een ondernemersfonds met reclamebelasting? a. Ja b. Nee Toelichting 27. Wanneer u de vorige vraag met ja hebt beantwoord, wat is voor u dan de belangrijkste reden om over te stappen op een alternatieve regeling voor de BIZ? Wij willen u hartelijk danken voor het invullen van deze enquête! Wilt u de notitie toegestuurd krijgen waarin de resultaten van deze enquête zijn verwerkt, vult u dan vrijblijvend uw e-mail adres in.

44

Bijlage 2 Uitslag Enquête Algemeen • •

•

De enquête is ingevuld door 118 BIZ-organisaties verspreid over 21 gemeenten.38 In 84 gevallen betrof de BI-zone een winkelgebied, in 17 gevallen een gemengd gebied (winkels, kantoren en/of wonen), in 15 gevallen een bedrijventerrein en in 2 gevallen een horecagebied. Vrijwel unaniem39 reageren de BIZ-organisaties positief op de stelling: “Het is goed dat de BIZ-regeling bestaat”.

Sterke en zwakke punten van de BIZ-regeling •

Als sterke punten van de BIZ-regeling worden genoemd (in volgorde van aantal respondenten): o Gezamenlijk belang behartigen/collectiviteit (92 respondenten) o Geen free riders (65 respondenten) o Versterking positionering ten opzichte van gemeentelijke overheid (36 respondenten) o Eén aanspreekpunt dat optreedt namens het gebied (17 respondenten) o Financiële zekerheid/structurele middelen (15 correspondenten) o Versterkt de onderlinge verbondenheid van ondernemers in het gebied (15 correspondenten) o Overig.40

•

Als nadelen/kwetsbaarheiden van de BIZ-regeling worden genoemd (in volgorde van aantal respondenten):

38

De spreiding over de gemeenten is als volgt: Amsterdam: 59; Rotterdam: 19; Den Haag: 13, Haarlemmermeer en Veenendaal: 3, Overige 16 gemeenten: 2 of 1. 39 Slechts 1 respondent antwoorde negatief op de stelling: “Het is goed dat de BIZ-regeling bestaat”. 40 Als overige sterke punten werden genoemd (door 4 respondenten of minder): Bevordering van de lokale economie; continuïteit van 5 jaar; zonder BIZ komen gezamenlijke initiatieven niet van de grond.

45

o Kwetsbaarheid door afhankelijkheid van vrijwillige, onbetaalde bestuursleden, die moeilijk te vinden zijn (onder meer door tijdsintensiteit functie) (18 respondenten) o Procedure van verlenging na 5 jaar is te omslachtig/kost te veel tijd (18 respondenten) o Periode van maximaal 5 jaar werkt te beperkend (17 respondenten) o Administratieve lasten en eisen die gemeente stelt (onder meer in subsidieprocedure) zijn te hoog (15 respondenten) o Er is weinig betrokkenheid van de leden/ondernemers (13 respondenten) o Geen nadelen (11 respondenten) o Levert te weinig resultaten op ten opzichte van het verschuldigde bedrag (7 respondenten) o Weinig zeggenschap of inspraak bij de gemeente (7 respondenten) o Overig41 •

Ten aanzien van de mate waarin de organisaties ervaren dat door de BIZ-regeling de ondernemersbelangen zijn geborgd, geldt dat een overgrote meerderheid hier tevreden over is. De respondenten konden dit aangeven in de vorm van een rapportcijfer 1-10. Wel wordt door een 13-tal correspondenten opmerkingen gemaakt over de relatie met de gemeente die soms moeizaam wordt ervaren en waarbij ze soms ervaren niet serieus genoeg te worden genomen.

•

Ruim 90% van de respondenten is het eens met de stelling dat de BIZ-organisatie bijdraagt aan een betere communicatie tussen de gemeente en de ondernemers in het BIZ-gebied.

•

Bijna 70% van de correspondenten is het eens met de stelling dat een BIZ-organisatie bijdraagt aan een betere kennisuitwisseling onderling tussen ondernemers en tussen ondernemerscollectieven. Hierbij geeft een 7-tal correspondenten aan dat er verbetering

41

Andere nadelen die door 2 of 3 respondenten worden genoemd: Bestuursleden fungeren als ‘kop van jut’ en als doorgeefluik aan de gemeente van problemen in het gebied; laat degenen die ontevreden zijn de draagvlakmeting organiseren in plaats van het bestuur; het dwingende karakter van de regeling; vastgoedeigenaren weinig betrokken of geïnteresseerd in de belangen van de ondernemers bij een BIZ; BIZ-organisatie wordt gezien als onderdeel van de gemeente.

46

mogelijk is op dit punt. Een 5-tal correspondenten geeft aan dat kennisuitwisseling tussen BIZ-organisaties nauwelijks voor komt in de praktijk. Daar staat tegenover dat een 17-tal respondenten aangeeft dat er samenwerkingsverbanden zijn tussen BIZ-organisaties.

De totstandkomingsprocedure •

De zorgvuldigheid van de totstandkomingsprocedure kreeg van meer dan 90% van de respondenten een voldoende. Bijna 73% van de respondenten gaf hiervoor zelfs het rapportcijfer 8 of hoger.

•

Tegelijkertijd ervaart de meerderheid (bijna 65%) van de respondenten de totstandkomingsprocedure ook als te complex. In de toelichtingen springen de volgende reacties eruit: o Het vergt een enorme tijdsinvestering (zie ook hierna), o De informatieverstrekking richting ondernemers is zeer belangrijk o Hoe groter de BIZ, hoe ingewikkelder het verwerven van draagvlak is o Het controleren van de WOZ-lijst vergt veel tijd en inspanning o De complexiteit is vooral de eerste keer hoog, daarna treedt er een zekere gewenning op o Ondersteuning door gemeente en marktpartijen wordt gewaardeerd

•

30% van de respondenten vindt de tijdsinvestering die nodig is om een BI-zone tot stand te brengen redelijk. Ongeveer 70% vindt de tijdsinvestering onevenredig. De onderdelen van de procedure die veel genoemd worden die met name tijdsintensief zijn, zijn: o achterhalen van de eigenaren en de partijen achter de ondernemers; o het middels persoonlijk contact enthousiasmeren van de ondernemers in het gebied (draagvlak creëren); o zorgen dat de ondernemers ook daadwerkelijk stemmen ten tijde van de draagvlakmeting

47

Uit de reacties blijkt ook dat ondersteuning door ingehuurde externe bedrijven, straatmanagers en kwartiermakers veel werk uit handen nemen en tot tevredenheid stemt en dat het zonder die bedrijven als een te grote tijdsinvestering wordt ervaren. Ook komt hier naar voren dat men het niet opportuun vindt dat elke vijf jaar opnieuw deze investering in tijd en geld moet worden gedaan. Diverse respondenten suggereren dat er een eenvoudiger procedure voor reeds bestaande BIZ-gebieden die door willen zou moeten komen. Ook wordt gesuggereerd de proefpeiling (informele draagvlakmeting) te laten vallen.

•

De ondernemers ervaren een onbalans als het gaat om de inspanningen die worden verricht voor de totstandkoming van de BI-zone door de ondernemers enerzijds en de gemeente anderzijds. 70% van de ondernemers ervaart een onbalans in de zin dat zij het zwaartepunt van de inspanningen te veel aan de zijde van de ondernemers vinden liggen. In de toelichting bij deze vraag klinken echter ook genuanceerdere geluiden waarbij de waardering wordt uitgesproken over de inspanningen van de gemeente. Sommigen geven aan dat het logisch is dat de gemeente waakt over de rechtsgeldigheid van het proces enerzijds en dat het initiatief bij de ondernemers moet liggen. Voor hen wordt de BIZ immers opgezet. Anderen ervaren geen of nauwelijks hulp van de gemeente. Verder wordt ook gewezen op de onbalans in de zin dat het voor de ondernemers vrijwilligerswerk is en het bij de gemeente gaat om betaalde banen.

•

Over de begeleiding en facilitering door de gemeente bij het tot stand brengen van een BIZ bestaat een breed gedragen tevredenheid onder de respondenten. Bijna 85% geeft de gemeente een 6 of hoger als rapportcijfer. 52% geeft zelfs het cijfer 8 of hoger. Wel zijn er aandachtspunten: o soms onduidelijk wie binnen de gemeente voor welk onderdeel verantwoordelijk is; o erg afhankelijk van de motivatie en kwaliteit van de betreffende ambtenaar; o begeleiding wordt soms als erg ambtelijk ervaren; o ter beschikking gestelde (gelden voor) ondersteuning door bedrijf/kwartiermaker/coach/straatmanager wordt als zeer positief ervaren; o Belastingen wordt als vertragende factor binnen het proces ervaren. Gegeven rapportcijfer geldt vooral voor ondersteuning vanuit Economische Zaken; o AVG restricties zorgen voor veel frustratie. 48

•

Als suggesties voor verbetering van de totstandkomingsprocedure worden het vaakst genoemd: o meer ondersteuning van de gemeente (8 respondenten); o verlenging van de geldigheidsduur van de BIZ (5 respondenten); o standaardisering van het proces en de benodigde formulieren en documenten (5 respondenten); o meer digitale inrichting van het proces (4 respondenten); o verder worden nog genoemd: ▪ betere WOZ-gegevens van de belastingdienst; ▪ één aanspreekpunt voor hulp en ondersteuning aan gemeentezijde; ▪ verkorting van het hele proces; ▪ verbetering van de informatieverstrekking aan ondernemers, wellicht ook video; ▪ bij een nieuwe BIZ: organiseer een bijeenkomst met het bestuur van een BIZ met ervaring; ▪ informele draagvlakmeting schrappen; ▪ bij draagvlakmeting niet alleen kiezen tussen ‘ja’ of ‘nee’, maar ook tussen verschillende hoogte van tarieven.

•

Als suggesties voor verbetering van de facilitering en begeleiding door de gemeente worden genoemd: o organiseer een cursus/training over de BIZ en de procedure; o verbetering van de verstrekte gegevens en inzage hierin (AVG) o verkort de procedure o duidelijker communiceren o één aanspreekpunt o verbeter de dienstverlening door de belastingdienst

49

De activiteiten •

57% van de respondenten is tevreden over het type activiteiten dat met een BIZ kan worden bekostigd.

•

Op de vraag welke activiteiten men graag door de BIZ bekostigd zou willen zien, welke onder de huidige regeling niet mogelijk zijn, worden de volgende suggesties genoemd: o Vergroening en verduurzaming (energiebesparing, opwekking energie, klimaatadaptatie) (12 respondenten) o Vergoeding voor/betaling van het BIZ-bestuur (8 respondenten) o Digitalisering o Door draagvlakmeting is er soms onvoldoende geld voor zaken o Inhuren evenementmanager o Kleine BIZ heeft te weinig middelen om professionals in te huren. Suggestie wordt gedaan om meer subsidie van de gemeente te krijgen hiervoor zodat meer tijd en energie gestopt kan worden in activiteiten Opvallend is dat een aantal respondenten activiteiten noemt die nu al wel degelijk kunnen worden bekostigd met een BIZ. Onduidelijk is of dit ligt aan onvoldoende kennis van de respondent of aan het niet hebben begrepen van de vraag. Genoemd worden bijvoorbeeld: o Communicatie met en informatie voor winkelend publiek o Planten in de straat o Bekostiging van de straatmanager o Marketing en gebied branding Verder wordt aangegeven dat (al dan niet door corona en toenemende energiekosten) er druk ontstaat op het draagvlak voor de huidige hoogte van de gevraagde bijdrage.

50

De draagvlakprocedure • •

•

Bijna 60% van de respondenten ervaart de draagvlakeisen als ‘precies goed’. Bijna 40% ervaart de eisen als ‘te streng’ en ruim 4% geeft aan de eisen ‘te licht’ te vinden. Bijna 85% (100 van de 118 respondenten) is het desgevraagd eens met de stelling dat bij een ‘doorstart’ van een reeds bestaande BI-zone, de wettelijke draagvlakeisen lager zouden mogen zijn dan voor het eerst instellen van een BI-zone. Een aantal interessante toelichtingen van respondenten: o Gemeente heeft ook een goede indruk hoe een BIZ functioneert. Waarom dan toch een nieuwe draagvlakprocedure bij goed functioneren? o Het uitgangspunt zou moeten zijn: doorstart, tenzij… o Draai het om: degenen die willen stoppen, moeten een draagvlakmeting organiseren. o Er is te veel geïnvesteerd om na 5 jaar al terug te laten draaien door een stemming o Wanneer er weinig wijzigt in de activiteiten of grootte van het gebied of de hoogte van de bijdrage: dan geen meting nodig. Anders wel. o Anderen geven aan: als een BIZ goed functioneert, dan is een nieuwe draagvlakprocedure geen probleem Ruim 75% van de respondenten is het zelfs eens met de stelling: “Bij een doorstart van een BI-zone is geen draagvlakmeting nodig. Wanneer de BIZ niet functioneert, kan altijd een tussentijdse draagvlakmeting worden aangevraagd”.

51

De maximale duur van de BI-zone • •

•

53% van de respondenten vindt de maximale duur van 5 jaar van een BI-zone te kort. 44% vindt de duur goed zoals die nu is. 2,5% vindt de duur van 5 jaar te lang. De vraag of de maximale duur van 5 jaar zou moeten worden verlengd in geval van een doorstart van een bestaande BIZ wordt door ruim 75% positief beantwoord en door een kleine 25% negatief. Ruim 43% van de respondenten vindt vervolgens dat de duur bij doorstart van een BI-zone voor onbepaalde tijd zou moeten zijn. Ruim 32% zou dan een maximale duur willen hebben van 9-10 jaar. Een kleine 15% is voorstander van een maximale duur bij doorstart van 7-8 jaar en ruim 10% wil een verruiming van de maximale duur naar 6-7 jaar. Een aantal toelichtingen van respondenten licht ik eruit: o de totstandkomingsprocedure is te omslachtig om maar voor 5 jaar te gelden (5 respondenten); o onder meer uitdagingen van energietransitie, klimaatadaptatie, circulariteit en mobiliteit die vragen om een lange termijnaanpak en sparen voor activiteiten (5 respondenten); o de behoefte om voor langere termijn contracten af te sluiten en investeringen te doen met een langere scope dan 5 jaar (4 respondenten). o een opvallend aantal respondenten is voorstander van een variant waarbij men in principe met een BIZ doorgaat, tenzij er een bepaald aantal ondernemers ontevreden is.

Men lijkt dus voorstander te zijn van handhaving van de mogelijkheid van een tussentijdse draagvlakmeting en stilzwijgend doorgaan na 5 jaar (13 respondenten). o andere geluiden zijn er ook: de wereld kan snel veranderen; het is goed om elke 5 jaar opnieuw te herijken (1 respondent). o kan een evaluatie niet de plaats van de draagvlakmeting innemen? (1 respondent)

52

Uitvoering van de BIZ: procedures en verantwoording •

•

Wat betreft het jaarlijks opstellen van een jaarplan en de aanvraag van subsidie begrijpt ruim 64% dat dit moet. Ruim 27% ervaart dit als een te grote administratieve belasting. 8,5% is van mening dat dit anders kan. Er wordt onder meer het volgende aangegeven: o Meerdere respondenten hebben moeite met het feit dat verantwoording moet worden afgelegd aan de gemeente in plaats van aan de ondernemers. Men heeft daarom ook moeite met de term subsidie en de subsidieprocedure. Dat suggereert dat het geld niet van de ondernemers is, maar van de gemeente o Waarom jaarlijks als de plannen voor 5 jaar zijn opgesteld? o Een door de leden goedgekeurde jaarrekening en begroting voor volgend jaar zou voldoende moeten zijn voor de jaarlijkse subsidie Ruim 76% van de respondenten heeft begrip voor het afleggen van verantwoording over de uitgevoerde activiteiten en de besteding van de gelden. Een kleine 13% ervaart hierin een te grote administratieve belasting.

Tussentijdse mogelijkheid tot opheffen BIZ •

•

Bijna 68% is van mening dat de mogelijkheid om een tussentijdse stemming tot opheffing aan te vragen moet blijven. 32% vindt dat dit kan worden afgeschaft. Daarbij gaven 19 respondenten aan dat deze optie de continuïteit aantast en dat een draagvlakmeting enkel aan het einde van de termijn zou moeten worden gehouden. 13 respondenten geven aan dat dit enkel bij wanprestatie of niet goed functioneren zou moeten kunnen. Ook gaven sommigen aan dat een andere optie zou kunnen zijn dat het bestuur moet worden vervangen bij ontevredenheid in plaats van het intrekken van de BI-zone. Uit de toelichtingen blijkt ook een nuancering. De wens om tussentijds te stoppen met een BIZ heeft niet in alle gevallen te maken disfunctioneren van een BIZ-organisatie. Corona heeft geleerd dat ook economische veranderingen aanleiding kunnen vormen voor het stoppen of aanpassen van een BIZ. Verder wordt ook aangeven dat de meeste ondernemers zich waarschijnlijk niet bewust zijn van de mogelijkheid van het wegstemmen van een BI-zone. Verder wordt aangegeven dat wanneer de draagvlakmeting wordt afgeschaft, deze mogelijkheid van een tussentijdse meting voor afschaffing dan wel moet blijven.

Degenen die hebben geantwoord dat het aanvragen van een tussentijdse meting tot afschaffing moet blijven, is ruim 1/3de van mening dat deze wèl zou kunnen worden afgeschaft in de situatie dat een BIZ zich al een of meerdere BIZ-perioden heeft bewezen.

53

Alternatieven voor een BIZ •

•

Een groot deel van de respondenten (bijna 36%) weet niet of er door de gemeente ook alternatieven voor een BIZ zijn overwogen zoals een ondernemersfonds met reclamebelasting of een gemeentebreed OZB-fonds. Volgens 52% van de respondenten zijn deze alternatieven niet overwogen. Slechts 5 respondenten (4,2%) gaf aan dat beide genoemde alternatieven zijn overwogen. Volgens 4 respondenten (3,4%) is een OZB fonds overwogen en volgens 6 respondenten (5,1%) een ondernemersfonds met reclamebelasting. Bijna 86% wil een BIZ houden, ook als de gemeente in de toekomst zou willen meewerken aan het tot stand brengen van een alternatief zoals een ondernemersfonds met reclamebelasting. Als belangrijkste redenen om bij de BIZ-regeling te blijven worden genoemd: o In alternatieve regeling is het ondernemersbelang minder geborgd o Verbetering van de BIZ-regeling op een aantal punten is wenselijk, een alternatieve regeling niet o Betrokkenheid van ondernemers bij het gebied is groter als dit gebied wat kleiner is o BIZ biedt maatwerk in een afgebakend gebied o Binnen BIZ ben je als collectief een betere gesprekspartner met gemeente

54

Bijlage 3 Verkorte weergave interview Datum: 29 juni 2022 Aanwezig: Karien Klinkenberg (Haags Retailpunt); Sheila Prommenschenckel (straatmanager); Farzad Ghaus (Stad & Co); Natascha Heuver (DZP); Herman Timmermans (Stichting CLOK); Moheb Alecozy (straatmanager Amsterdam); Hélène Bunck en Mariëlle Kruijs (Economische Zaken en Cultuur, gemeente Amsterdam). De vragen van de enquête (zie Bijlage 1) zijn tijdens het interview aan de deelnemers gesteld. Hieronder een korte weergave van het gesprek dat naar aanleiding van de vragen ontstond. Sterke punten van de BIZ Genoemd worden: - geen free riders; - verbetering van de organisatiegraad - geld om te investeren (meerjarige zekerheid over budget) - meer betrokkenheid van de ondernemers bij elkaar en bij het gebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12849994/1