CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

02. Bodemenergieplan Hamerkwartier 2 juli 2019.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 9 februari 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen Interferentiegebied, Bodemenergie- en Warmteplan Hamerkwartier ten behoeve van de concessieaanbesteding Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO) systeem. (ZD2022-000118)8.849 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Hamerkwartier Amsterdam Bodemenergieplan

Datum Referentie Betreft Behandeld door

2 juli 2019 68482/SV/20190702 Bodemenergieplan Hamerkwartier Amsterdam Dhr. H. de Jonge

Gecontroleerd door

Dhr. S. Verplak

Versienummer

1.0 (definitief)

OPDRACHTGEVER Gemeente Amsterdam Gebiedsontwikkeling Noord Klaprozenweg 91 1033 NN Amsterdam contactpersonen: dhr. B. Amajjoud mevr. R. Heppener

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 3/26

INHOUDSOPGAVE 1 Inleiding 1.1 Kader 1.2 Probleem- en doelstelling 2 Gebruiksregels 2.1 Gebruiksregels open systemen 2.2 Gebruiksregel gesloten systemen 3 Algemene toelichting 3.1 Principe bodemenergie 3.1.1 Open en gesloten systemen 3.1.2 Indeling open systemen 3.2 Bodembelangen 3.3 Bodemeigenschappen 3.3.1 Bodemgeschiktheid open systemen 3.3.2 Bodemgeschiktheid gesloten systemen 3.4 Wettelijke kaders 3.4.1 Open systemen 3.4.2 Gesloten systemen 3.4.3 Lozingen 4 Toelichting gebruiksregels 4.1 Bouwprogramma en Indeling plangebied 4.2 Energievraag 4.3 Potentieel bodemenergie en match vraag/aanbod 4.4 Toelichting gebruiksregels 4.4.1 Afweging toepassing type bodemenergiesysteem 4.4.2 Keuze opslagpakket en combinatie verschillende type systemen 4.4.3 Energiebalans 4.4.4 Zonering Bijlage 1

Bodemenergiekaart

4 4 4 6 6 6 8 8 8 8 9 13 14 15 15 15 17 18 20 20 21 22 23 23 23 24 24

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 4/26

1 Inleiding 1.1

KADER De komende jaren zal het Hamerkwartier verder transformeren van een traditioneel bedrijventerrein naar een gecombineerd woon-/werkgebied. Het Hamerkwartier is aangewezen als versnellingslocatie. Het gebied is gelegen aan de noordelijke IJ-oever en omvat circa 47 hectare waarvan zo’n 8 hectare uit water bestaat, zie Figuur 1.1 voor een impressie. Het gebied kent twee delen, ten noorden en ten zuiden van het Gedempt Hamerkanaal, met elk hun eigen eigenschappen en dynamiek. In de projectnota Hamerkwartier is opgenomen dat de transformatie van het gebied moet leiden tot een aardgasloze energievoorziening waarbij 90% van de gebouwen Zeer Energie Neutraal (EPC<0) en 10% Bijna Energie Neutraal (EPC<0,1) gerealiseerd moet worden. Een belangrijke mogelijkheid voor een duurzame energievoorziening ligt in de toepassing van bodemenergie voor verwarming en koeling van de gebouwen.

Figuur 1.1 | Impressie Hamerkwartier Amsterdam

De gemeente Amsterdam heeft weinig grondposities binnen het plangebied. Veelal is voor een langere periode de grond in erfpacht uitgegeven door de gemeente. Hierdoor zijn de gebouweigenaren zelf initiatiefnemer voor de herontwikkeling en dient rekening te worden gehouden met een lange, niet geheel te sturen, fasering. Tot slot ligt er momenteel nog geen stadswarmte binnen het gebied. Dit behoort in de toekomst wellicht wel tot de mogelijkheden.

1.2

PROBLEEM- EN DOELSTELLING Op basis van de geschetste kenmerken van het Hamerkwartier is de verwachting dat binnen het gebied veelvuldig gebruik zal worden gemaakt van bodemenergie. Gezien de verwachte lange fasering

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 5/26

van de transformatie ligt een grootschalig collectief bodemenergiesysteem hierbij niet direct voor de hand. Bij grootschalige toepassing van individuele bodemenergiesystemen neemt de drukte in de ondergrond sterk toe en zal er bij strijdige belangen goed over de inpassing van de bodemenergiesystemen nagedacht moeten worden. Daarnaast is het belangrijk om een suboptimale inpassing van bodemenergiesystemen te voorkomen. Zo kan er tussen bodemenergiesystemen onderling negatieve interferentie optreden. Negatieve interferentie betekent dat systemen de temperatuur in elkaars nabijheid zodanig veranderen dat het rendement van die systemen nadelig wordt beïnvloed. Dit met als gevolg dat systemen niet meer (goed) kunnen functioneren. Het totale potentieel van de ondergrond kan optimaal worden gebruikt als er geen negatieve interferentie tussen bodemenergiesystemen onderling of nadelige beïnvloeding van andere ondergrondse functies optreedt.

Figuur 1.2 | Voorbeeld van thermische effecten bodemenergie, wel (links ) of geen (rechts) ordening

Het vergt dus in een vroeg stadium regie om een optimaal en duurzaam gebruik van de ondergrond te borgen, zodat alle initiatiefnemers in het Hamerkwartier gebruik kunnen maken van bodemenergie. Zonder regie is de kans groot dat toekomstige partijen die zich gaan vestigen in het Hamerkwartier, als gevolg van wildgroei van bodemenergiesystemen, op een gegeven moment geen gebruik meer kunnen maken van bodemenergie en hierdoor de beoogde duurzaamheidsdoelstellingen in het geding komen. In voorliggend bodemenergieplan zijn de gebruiksregels opgenomen waaraan toekomstige initiatiefnemers zich dienen te houden bij de aanleg en exploitatie van een bodemenergiesysteem binnen het plangebied Hamerkwartier. Het plan vormt hiermee, naast de landelijk geldende wetgeving, het toetsingskader voor het bevoegd gezag en de vergunningverlenende instanties. Het document volgt de opzet van een bestemmingsplan: het stelt de gebruiksregels (hoofdstuk 2) en geeft een toelichting daarop (hoofdstuk 3 en 4).

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 6/26

2 Gebruiksregels Onderstaande gebruiksregels stellen de voorwaarden voor toepassing van de verschillende vormen van bodemenergie binnen het gebied Het Hamerkwartier. De gebruiksregels zijn aanvullend op de wettelijke regels die worden gesteld aan de toepassing van bodemenergie. Ontwikkelende partijen die in het gebied een bodemenergiesysteem willen realiseren, dienen zich te allen tijde te houden aan de wettelijke kaders voor bodemenergie. In de algemene toelichting in paragraaf 3.4 is een samenvatting van de algemene wettelijke kaders voor bodemenergie opgenomen. Daarnaast dienen bodemenergiesystemen binnen de hieronder beschreven gebruiksregels te worden ontworpen, gerealiseerd en geëxploiteerd. Bij de gebruiksregels wordt onderscheid gemaakt tussen open en gesloten bodemenergiesystemen.

2.1

GEBRUIKSREGELS OPEN SYSTEMEN 1 Het open bodemenergiesysteem dient uitgevoerd te worden als een monobronsysteem. Er dient gebruik te worden gemaakt van het opslagprincipe (geen recirculatie). 2 Bij toepassing van een monobronsysteem dient het bovenste bronfilter op een diepte vanaf 100 m-mv gerealiseerd te worden. 3 Het onderste bronfilter van een monobronsysteem dient zo diep mogelijk, vanaf minimaal 145 m-mv gerealiseerd te worden. 4 Het koude bronfilter dient boven het warme bronfilters gerealiseerd te worden. 5 De horizontale onderlinge afstand tussen monobronnen bedraagt minimaal 50 m. 6 De bronnen van een open bodemenergiesysteem dienen in beginsel binnen de grenzen van het eigen perceel te worden gerealiseerd. 7 Het open bodemenergiesysteem bereikt uiterlijk vijf jaar na de datum van ingebruikname een moment waarop de hoeveelheid koude die door het systeem aan de bodem is toegevoegd, ten minste 100% en ten hoogste 115% bedraagt van de hoeveelheid warmte die vanaf die datum door het systeem aan de bodem is toegevoegd en herhaalt dit telkens uiterlijk vijf jaar na het laatste moment waarop die situatie werd bereikt. 8 Uit de vergunningaanvraag voor het bodemenergiesysteem dient te blijken dat het te vergunnen systeem voldoet aan bovenstaande gebruiksregels.

9 Bij afwijking van enige gebruiksregel zoals opgenomen in dit plan, dient door de initiatiefnemer aangetoond te worden dat het systeem geen zodanige interferentie kan veroorzaken met een ander bestaand of beoogd bodemenergiesysteem dat het doelmatig functioneren van het andere systeem kan worden geschaad. Daarnaast dient aangetoond te worden dat geen sprake is van ondoelmatig gebruik van bodemenergie. Deze onderbouwing dient bij de vergunningsaanvraag ter beoordeling aangeboden te worden aan het bevoegd gezag.

2.2

GEBRUIKSREGEL GESLOTEN SYSTEMEN 1 De bodemlussen voor een gesloten bodemenergiesysteem mogen tot een diepte van maximaal 90 m-mv aangebracht worden. 2 Een gesloten bodemenergiesysteem dient binnen de grenzen van het eigen perceel te worden gerealiseerd. 3 Uit de vergunningaanvraag voor het bodemenergiesysteem dient te blijken dat het te vergunnen systeem voldoet aan bovenstaande gebruiksregels.

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 7/26

4

Bij afwijking van enige gebruiksregel zoals opgenomen in dit plan, dient door de initiatiefnemer aangetoond te worden dat het systeem geen zodanige interferentie kan veroorzaken met een ander bestaand of beoogd bodemenergiesysteem dat het doelmatig functioneren van het andere systeem kan worden geschaad. Daarnaast dient aangetoond te worden dat geen sprake is van ondoelmatig gebruik van bodemenergie. Deze onderbouwing dient bij de vergunningsaanvraag ter beoordeling aangeboden te worden aan het bevoegd gezag.

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 8/26

3 Algemene toelichting 3.1

PRINCIPE BODEMENERGIE Bodemenergiesystemen maken gebruik van de bodem om warmte en/of koude op te slaan in het aanwezig grondwater. Deze warmte en/of koude wordt gebruikt voor de klimatisering van gebouwen of processen. Hiermee worden aanzienlijke energiebesparingen ten opzichte van conventionele verwarmings- en koelinstallaties gerealiseerd. Onderstaand figuur presenteert de verschillende typen bodemenergiesystemen. opslag doublet recirculatie open systeem bodemenergie

opslag monobron gesloten systeem

recirculatie .

Figuur 3.1 | Overzicht bodemenergiesystemen

Hieronder worden de verschillende typen bodemenergiesystemen nader toegelicht. 3.1.1

Open en gesloten systemen Open systemen, ook wel warmte-/koudeopslag (WKO) genoemd, bestaan uit bronnen die grondwater onttrekken en infiltreren. Energie in de vorm van warmte en koude wordt opgeslagen in een ondergrondse watervoerende laag. Deze energie wordt vervolgens onttrokken om te verwarmen (in combinatie met warmtepompen) of te koelen. In de zomer wordt gekoeld met winterkoude en in de winter wordt verwarmd met zomerwarmte. Open systemen worden meestal toegepast op dieptes tussen de 20 tot 250 meter beneden maaiveld. Een open systeem is met name rendabel bij de grotere ontwikkelingen vanaf circa 50 woningen, kantoren en andere utiliteitgebouwen. Gesloten systemen, ook wel bodemwarmtewisselaars genoemd, bestaan uit flexibele kunststof lussen in de bodem waarmee warmte en koude aan de bodem wordt onttrokken door middel van geleiding. Er wordt geen grondwater onttrokken. Gesloten systemen worden over het algemeen gerealiseerd tot een diepte van circa 200 meter beneden maaiveld. Een systeem kan al interessant zijn voor één woning. Daarnaast worden gesloten systemen ook toegepast bij kleine utiliteitsbouw (scholen, kleine kantoren), maar in toenemende mate ook bij grotere ontwikkelingen, zoals kantoorgebouwen en appartementencomplexen.

3.1.2

Indeling open systemen De categorie van open systemen kan nader onderscheiden worden naar concepten met één of meer bronnen en met wél of géén opslag van de warmte of koude.

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 9/26

- Doublet en monobron Open systemen zijn onderverdeeld in doubletten en monobronnen. Bij een doubletsysteem worden twee bronnen horizontaal ten opzichte van elkaar geplaatst, zodat de warme en koude bellen zich naast elkaar vormen. Een monobron bestaat uit slechts één bron, waarbij twee filters op ongelijke diepte in de bodem gepositioneerd worden. Hierbij vormen de warme en koude bel zich onder elkaar. - Opslagsystemen en recirculatiesystemen Bij een opslagsysteem wordt de warmte en koude opgeslagen bij de bronnen. Eén bron is de zogenoemde warme bron, de andere bron de koude bron. Deze bronnen onttrekken en infiltreren afwisselend, afhankelijk van het seizoen. Een recirculatiesysteem is een alternatief systeem dat bestaat uit een onttrekkings- en een infiltratiebron. Er is geen sprake van opslag. Er wordt namelijk continu grondwater onttrokken uit de ene bron en geïnfiltreerd in de andere bron. Met het onttrokken grondwater, met een temperatuur gelijk aan de natuurlijke grondwatertemperatuur, wordt in de zomer gekoeld en in de winter verwarmd. In Figuur 3.2 zijn de hierboven beschreven concepten schematisch weergegeven. Open: doublet (opslag)

Open: monobron (opslag)

Open: doublet (recirculatie)

Gesloten: bodemwarmtewisselaars

Figuur 3.2 | Schematische weergave verschillende varianten van bodemenergie

3.2

BODEMBELANGEN In Tabel 3.1 zijn de relevante belangen opgenomen die van invloed kunnen zijn op de werking van een open en/of gesloten bodemenergiesysteem in het gebied Hamerkwartier. Het gaat om zowel technische als juridische aspecten.

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 10/26

Tabel 3.1 | Technische en juridische aspecten bodemenergiesysteem onderwerp

toelichting

grondwatergebruikers

open en gesloten bodemenergiesysteem in plangebied

zettingen

noemenswaardige zetting wordt niet verwacht

grondwaterbescherming

niet gelegen in een boringsvrije zone of nabij een waterwingebied

natuurbelangen

geen beschermde natuur in of nabij plangebied aanwezig

archeologie

geen archeologisch waardevol gebied binnen plangebied

aardkundige waarden

geen aardkundig waardevol gebied binnen plangebied

verontreinigingen

geen ernstige bodemverontreinigingen bekend, mogelijk wel ondiepe verontreinigingen aanwezig

waterkering

oude waterkeringen binnen plangebied

spoor

geen spoor binnen of nabij het plangebied

begraafplaats

geen begraafplaats gelegen in of nabij plangebied

Niet geëxplodeerde explosieven

verdachte locaties aanwezig binnen plangebied

geschikt, geen belemmering of aandachtspunt

aandachtspunt of risico

hoog risico of belemmering

Grondwatergebruikers Bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied is een overzicht opgevraagd van open en gesloten bodemenergiesystemen binnen het plangebied. Binnen het plangebied zijn één open en één gesloten bodemenergiesysteem vergund/gemeld dan wel gerealiseerd (zie Figuur 3.3).

Figuur 3.3 | Bodemenergiesystemen binnen het Hamerkwartier

Het betreft het open bodemenergiesysteem van Holiday Inn Express hotel welke een vergunning heeft voor het onttrekken en infiltreren van 420.000 m³ per jaar met een capaciteit van 80 m³ per uur. Het betreft een (scheefgesteld) doublet waarbij de bronfilters zijn beoogd in het traject van

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 11/26

105 tot 175 m-mv. Het koude bronfilter is hierbij bovenin dit traject geplaatst en het warme bronfilter onderin dit traject. Het gesloten bodemenergiesysteem van Meeuwenlaan 104a betreft een systeem met twee bodemlussen tot een diepte van 130 m-mv. Verontreinigingen In de projectnota Hamerkwartier (2 oktober 2018) is het volgende opgenomen ten aanzien van bodemverontreinigingen (zie ook Figuur 3.4): Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken in Hamerkwartier komt naar voren dat de bovenste 1 à 2 meter van de bodem grotendeels sterk verontreinigd is met ‘immobiele stoffen’ (zware metalen, PAK). Daarnaast zijn plekken bekend met ‘mobiele verontreinigingen’. Deze verontreinigingen bestaan vooral uit minerale olie. De uit te voeren bodemsanering wordt bepaald door de functie van het perceel in het bestemmingsplan en de aard van de aanwezige verontreinigingen. Er zijn geen grootschalige gevallen van ernstige bodemverontreiniging bekend die noodzaken tot het spoedig nemen van sanerende maatregelen.

Figuur 3.4 | Verdachte locaties met verontreinigingen

Gezien de beoogde diepte van de open bodemenergiesystemen vormt de verontreinigingssituatie geen belemmering voor het in gebruik hebben van een open bodemenergiesysteem. Bij de realisatie van open en gesloten bodemenergiesystemen dient wel aandacht besteedt te worden aan de verontreinigingssituatie. Er moet nader onderzocht worden wat de situatie ter plaatse is en, indien nodig, maatregelen genomen te worden om verspreiding van eventueel aanwezige verontreinigingen te voorkomen. Waterkering De in het Hamerkwartier gevestigde bedrijven maakten voornamelijk gebruik van de daarvoor uitgegraven watergangen om hun producten en grondstoffen aan en af te voeren. Deze watergangen zijn geheel of gedeeltelijk gedempt, waarbij de constructies zijn verwijderd, maar de palen zijn

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 12/26

zeer waarschijnlijk niet getrokken. Deze zullen zijn afgezaagd en zitten nog in de ondergrond. Indien er in oude kanalen nog objecten op de bodem lagen, zijn deze mogelijk niet opgeruimd. In Figuur 3.5 zijn de ondergrondse objecten weergegeven. Via de website https://ib-amsterdam.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=53dbfdc6eef6462b9271c17a310a9615 is meer informatie te verkrijgen over het type en de diepte van de objecten. In het ontwerp en de realisatie van een bodemenergiesysteem dient rekening gehouden te worden met eventueel aanwezige ondergrondse objecten.

Figuur 3.5 | Oevers binnen Hamerkwartier

Niet geëxplodeerde explosieven In een strook van zowel de land- als de waterbodem langs de zuidzijde van het Hamerkwartier kan zich afwerpmunitie bevinden. In de inmiddels gedempte Beitelhaven zouden klein kaliber munitie en granaten kunnen voorkomen. Op verzoek van het GVB heeft het gemeentelijk Ingenieursbureau in 2016 in de Ponthaven naoorlogse civieltechnische werkzaamheden geïnventariseerd en geanalyseerd. De uitkomst van de projectgebonden risicoanalyse was dat de waterbodem ter plaatse van de betreffende steiger niet (meer) verdacht is. Indien in van explosieven verdachte gebieden civieltechnische werkzaamheden plaats gaan vinden in de vorm van baggeren, graven en/of heien, wordt een risicoanalyse (RA CE) aanbevolen. Als de risicoanalyse tot de conclusie leidt dat (een deel van) het gebied verdacht blijft, is de vervolgstap detectieonderzoek, te onderscheiden in oppervlakte- en dieptedetectie. Zie Figuur 3.6 voor een indicatie van de verdachte locaties.

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 13/26

Figuur 3.6 | Verdachte locaties van niet geëxplodeerde explosieven

3.3

BODEMEIGENSCHAPPEN Het technisch functioneren van een bodemenergiesysteem is afhankelijk van een aantal bodemeigenschappen. De belangrijkste voorwaarde voor open systemen is dat in de bodem een geschikte watervoerende zandlaag aanwezig is die voldoende capaciteit biedt voor de opslag van koude en warmte. Een gesloten systeem kan, in tegenstelling tot een open systeem, in een slecht doorlatende laag worden aangelegd. De doorlatendheid is van ondergeschikt belang, aangezien er ook warmte-uitwisseling in slecht doorlatende lagen, zoals klei- of veenlagen kan plaatsvinden. Een ander aspect dat een rol speelt is grondwaterstroming. Voor zowel open als gesloten systemen zijn de snelheid en de richting van de grondwaterstroming van belang bij het positioneren van de bronnen of bodemwarmtewisselaars. Bij een hoge grondwaterstroming kan thermische interactie tussen de warme en koude bellen optreden. Dit dient in verband met rendementsverlies te worden voorkomen. Bij gesloten systemen heeft de grondwaterstroming ook een invloed op het thermisch functioneren. Dit kan zowel positief als negatief zijn. Ook de diepte van de grondwaterstand op de locatie is van belang. Een diepe grondwaterstand is ongunstig voor de toepassing van gesloten systemen, omdat onverzadigd zand de warmte minder goed geleid. Voor het energetisch rendement van open systemen is de grondwaterstand minder van invloed.

Tenslotte is voor open systemen de grondwaterkwaliteit van belang. De chemische samenstelling en de temperatuur van het grondwater zijn van belang voor het goed functioneren van een open systeem. Daarnaast mag een open systeem geen verzilting veroorzaken, dus moet ook gekeken worden naar de invloed op het zoet/brakgrensvlak. Aangezien bij een gesloten systeem geen grondwater wordt onttrokken, is de werking van dit systeem niet afhankelijk van de waterkwaliteit van het grondwater.

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 14/26

Bovengenoemde aspecten worden verder in dit hoofdstuk behandeld. Daarbij wordt aangegeven in hoeverre ze de haalbaarheid van open en gesloten bodemenergiesystemen in het gebied van Het Hamerkwartier beïnvloeden. Dit geeft een globaal beeld van de haalbaarheid, gebaseerd op een geologisch vooronderzoek. Elke initiatiefnemer van bodemenergie dient zelf de benodigde onderzoeken uit te voeren om de haalbaarheid van het beoogde bodemenergiesysteem te toetsen. Onderstaande informatie is daarom ter indicatie weergegeven. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend. 3.3.1

Bodemgeschiktheid open systemen De bodemopbouw in de directe omgeving van het Hamerkwartier is beschreven op basis van de volgende gegevens: - Grondwaterkaart van Nederland - Regionaal Geohydrologisch Informatie Systeem (REGIS) - Boorbeschrijvingen uit het archief van TNO Bouw en Ondergrond via DINOLoket - Boorbeschrijvingen van bodemenergiesystemen in de omgeving Op basis van deze gegevens is de bodemopbouw geschematiseerd in aantal watervoerende pakketten en scheidende lagen. Tabel 3.2 geeft de globale bodemopbouw in het plangebied weer. Lokaal kan de bodemopbouw variëren. De lokale bodemopbouw dient bij de vergunningaanvraag voor een individueel systeem nader te worden beschouwd. Tabel 3.2 | Schematisatie van de bodem diepte [m-mv]*

lithologie

geohydrologische benaming

0 – 15

klei en fijn zand

deklaag

15 – 35

matig fijn tot zeer grof zand, mogelijk met kleilaagjes

1e watervoerend pakket

35 – 65

klei, zand en veensporen

2e scheidende laag

65 – 100

matig fijn tot matig grof zand met kleilagen

2e/3e watervoerende pakket

100 - 190

matig grof tot zeer grof zand met enkele kleilagen

2e/3e watervoerende pakket

190 - 230

fijn tot matig fijn zand

2e/3e watervoerende pakket

> 230

klei en fijn zand

hydrologische basis

* het maaiveld bevindt zich op circa 1 m+NAP

Het eerste watervoerende pakket is vanwege zijn ondiepe ligging en beperkte dikte niet geschikt voor grootschalige toepassing van open bodemenergiesystemen. Daarnaast liggen het zoet-/braken het brak-/zoutgrensvlak binnen dit pakket. Vanuit provinciaal beleid is verzilting van zoet grondwater niet toegestaan. Hierdoor is het eerste watervoerende pakket juridisch niet geschikt voor het toepassen van open bodemenergiesystemen. Het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket is zowel bodemtechnisch als juridisch geschikt voor open bodemenergiesystemen. Het bovenste en onderste gedeelte van dit pakket is minder geschikt voor het plaatsen van bronfilters. Binnen het pakket is een broncapaciteit van circa 250 m³/uur haalbaar met een doublet en 60 à 80 m3/h met een monobron. De daadwerkelijk te realiseren capaciteit bij een monobron is mede afhankelijk van het aantal draaiuren op jaarbasis. Overige geohydrologische eigenschappen open systemen De overige geohydrologische eigenschappen die belangrijk zijn voor de toepassing van een open bodemenergiesysteem zijn weergegeven in Tabel 3.3.

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 15/26

Tabel 3.3 | Geohydrologische eigenschappen voor open bodemenergiesysteem parameter

toelichting

grondwaterstand

0,9 m-mv

stijghoogten

gecombineerd 1e/2e watervoerende pakket: 2,8 m-mv 2e/3e watervoerende pakket: 3,3 m-mv

stromingssnelheid- en richting

2e/3e watervoerende pakket: 5-10 m/jaar in zuidwestelijke richting

temperatuur

12 – 14°C (65 – 230 m-mv)

redox

redoxovergang binnen het 2e/3e watervoerende pakket

zoet/brak/zoutgrensvlak

zoet/brak: 15 m-mv, brak/zout: 25 m-mv

geschikt, geen belemmering of aandachtspunt

aandachtspunt of risico

hoog risico of belemmering

In Amsterdam zijn meerdere projecten bekend waarbij sprake is van putverstoppingen. Het onderzoek dat bij een aantal van deze projecten is uitgevoerd, wijst op menging van grondwater met verschillende redoxtoestanden als meest waarschijnlijke oorzaak. Op basis van grondwaterkwaliteitsgegevens uit de omgeving van het plangebied wordt een overgang in de grondwaterkwaliteit verwacht op een diepte van ongeveer 80 à 100 m-mv. Op een diepte van circa 100 m-mv worden kleilagen verwacht. Om het risico op putverstoppingen te minimaliseren, wordt aanbevolen om gebruik te maken van de grofzandige lagen onder deze kleilagen tussen 100 en 190 m-mv. 3.3.2

Bodemgeschiktheid gesloten systemen Voor gesloten systemen geldt dat zij gebruik kunnen maken van alle watervoerende pakketten en aanwezige scheidende lagen. De beperking qua gebruik zoals van toepassing bij open systemen, is hier niet van toepassing. De overige geohydrologische eigenschappen die belangrijk zijn voor de toepassing van een gesloten bodemenergiesysteem zijn weergegeven in Tabel 3.4. Tabel 3.4 | Geohydrologische eigenschappen voor gesloten bodemenergiesysteem parameter

toelichting

grondwaterstand

0,9 m-mv

stijghoogten

gecombineerd 1e/2e watervoerende pakket: 2,8 m-mv 2e/3e watervoerende pakket: 3,3 m-mv

stromingssnelheid- en richting

1e watervoerende pakket: 5 m/jaar in noordwestelijke richting 2e/3e watervoerende pakket: 5-10 m/jaar in zuidwestelijke richting

temperatuur

12°C (0 – 100 m-mv)

geschikt, geen belemmering of aandachtspunt

aandachtspunt of risico

hoog risico of belemmering

3.4

WETTELIJKE KADERS De aanleg en bedrijfsvoering van bodemenergiesystemen raakt aan diverse belangen, zoals milieu, drinkwater, bodemkwaliteit, etc. Voor de aanleg ervan is daarom meestal een vergunning vereist. Ook gelden specifieke procedures. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van de te volgen procedures en vergunningsplichten bij de aanleg van open en gesloten systemen. Daarna volgt ook een kort overzicht van de regels die gelden voor lozingsactiviteiten. Steeds is hierbij ook aangegeven welk orgaan het bevoegd gezag is in het Hamerkwartier.

3.4.1

Open systemen Het onttrekken en infiltreren van grondwater met een open bodemenergiesysteem met een capaciteit groter dan 10 m³/uur is in de provincie Noord-Holland vergunningplichtig in het kader van de Waterwet. Binnen een interferentiegebied zijn alle open bodemenergiesystemen vergunningplichtig

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 16/26

conform de Waterverordening provincie Noord-Holland. Als bijlage bij de vergunningaanvraag dienen de effecten van het systeem in een effectenstudie te worden gekwantificeerd. De belangrijkste aspecten bij een vergunningaanvraag in het kader van de Waterwet zijn samengevat in Tabel 3.5 en daaronder nader toegelicht. Tabel 3.5 | Belangrijkste aspecten vergunning open systemen aspect

toelichting

bevoegd gezag

provincie Noord-Holland

vergunningplicht

alle open systemen binnen interferentiegebieden en systemen > 10 m³/uur buiten interferentiegebieden

doorlooptijd

Acht weken tot publicatie definitieve beschikking. De provincie kan onder voorwaarden deze termijn verlengen tot zes maanden

leges/publicatiekosten

De provincie rekent leges voor open bodemenergiesystemen. De voorwaarden en tarieven zijn vastgelegd in de provinciale Legesverordening en Legestarieventabel.

juridische voorwaarden

-

uitvoeren m.e.r. beoordeling een open bodemenergiesysteem moet in één watervoerende pakket gerealiseerd worden;

-

de gemiddelde infiltratietemperatuur in de bronnen mag niet hoger zijn dan 25 °C en niet lager zijn dan 5 °C;

-

bodemenergiesystemen mogen geen negatieve invloed hebben op reeds aanwezige bodemenergiesystemen of andere belanghebbenden in de omgeving;

-

verzilting van het zoete grondwater dient te worden voorkomen;

-

een koudeoverschot is toegestaan en een warmteoverschot in principe verboden, de provincie heeft de mogelijkheid om het koudeoverschot te beperken indien dat in het belang is van doelmatig gebruik van bodemenergie.

De genoemde juridische voorwaarden zijn afgeleid uit de Wet milieubeheer, het Waterbesluit, de Verkenning Ondergrondvisie Noord-Holland, de Structuurvisie Noord-Holland 2040 en het Milieubeleidsplan 2015-2018. Een deel van deze (en andere) voorwaarden gesteld aan het installeren en het in werking hebben van een open systeem staan in meer detail in de artikelen 6.11a tot en met 6.11i van het Waterbesluit. Procedure Voor een vergunningaanvraag Waterwet geldt de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht. Deze procedure duurt circa 8 weken. De provincie heeft de mogelijkheid om op de aanvraag te beslissen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht). Deze procedure duurt circa 6 maanden. Binnen deze procedure wordt, afwijkend van de reguliere procedure, eerst een ontwerpbesluit ter inzage gelegd, voordat het definitieve besluit uitkomt. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat voor elke aanvraag in het kader van de Waterwet een formele m.e.r.-beoordeling uitgevoerd dient te worden. De formele m.e.r.-beoordeling richt zich op de vraag of op grond van kenmerken van activiteit, plaats, samenhang met andere activiteiten en milieueffecten een uitgebreide m.e.r.-procedure noodzakelijk is of dat met een “reguliere” vergunningsprocedure Waterwet kan worden volstaan.

Voor het uitvoeren van deze m.e.r.-beoordeling dient een aanmeldingsnotitie opgesteld te worden waarin de belangen en effecten zijn omschreven. De proceduretijd voor het beoordelen van deze notitie en het opstellen van het m.e.r.-beoordelingsbesluit bedraagt 6 weken. Indien besloten

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 17/26

wordt dat geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden, kan de vergunningaanvraag Waterwet, voorzien van een effectenstudie en een kopie van het m.e.r.-beoordelingsbesluit, ingediend worden. Ervaring leert dat In de meeste gevallen uit de m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden. Nadat de gemeente een interferentiegebied heeft aangewezen, kan zij een verzoek indienen bij de provincie om het bodemenergieplan te gebruiken bij de vergunningverlening in het kader van de Waterwet. De provincie zal dan, na goedkeuring van het bodemenergieplan, nieuwe vergunningaanvragen Waterwet voor open bodemenergiesystemen toetsen aan de gebruikersregels uit het bodemenergieplan. 3.4.2

Gesloten systemen Gesloten systemen zijn meldings- en soms vergunningplichtig. Alle gesloten systemen moeten tenminste gemeld worden. Voor gesloten systemen met een bodemzijdig vermogen groter dan of gelijk aan 70 kW, alsmede alle systemen die in een interferentiegebied worden gerealiseerd, moet ook een Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) worden aangevraagd. De belangrijkste aspecten voor de melding en vergunningverlening voor gesloten systemen zijn samengevat in Tabel 3.6 en daaronder nader toegelicht. Tabel 3.6 | Belangrijkste aspecten melding en vergunning gesloten systemen aspect

toelichting

bevoegd gezag

gemeente Amsterdam

melding

alle systemen

vergunningplicht

≥ 70 kW of ligging in interferentiegebied

doorlooptijd

melding: 4 weken voor start werkzaamheden vergunning: 8 weken tot publicatie definitieve beschikking (OBM)

belangrijkste algemene regels

-

de temperatuur van de circulatievloeistof mag niet hoger zijn dan 30 °C en niet lager zijn dan -3 °C, de gemeente heeft de mogelijkheid om een hogere temperatuur toe te staan;

-

bij vermoedelijke lekkage: onmiddellijk buiten werking stellen en circulatievloeistof verwijderen (tenzij de circulatievloeistof uit alleen water bestaat);

-

gesloten bodemenergiesystemen mogen geen negatieve invloed hebben op reeds aanwezige bodemenergiesystemen of andere belanghebbenden in de omgeving;

-

een koudeoverschot is in principe toegestaan en een warmteoverschot verboden, de gemeente heeft de mogelijkheid om het koudeoverschot te beperken indien dat in het belang is van doelmatig gebruik van bodemenergie.

Deze (en andere) voorschriften gesteld aan het installeren en het in werking hebben van gesloten bodemenergiesystemen zijn opgenomen in hoofdstuk 3a van het Besluit lozen buiten inrichting en paragraaf 3.2.8 uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op het moment dat het Hamerkwartier is aangewezen als interferentiegebied via een gemeentelijke verordening, gaat voor alle gesloten en open bodemenergiesystemen een vergunningsplicht gelden. Door het vaststellen en verankeren van een gemeentelijke beleidsregel kan de gemeente vastleggen op basis van welke regels een vergunningaanvraag voor een gesloten bodemenergiesysteem wordt getoetst. Deze regels zijn gebaseerd op het voorkomen van interferentie tussen systemen en het bevorderen van doelmatig gebruik van de ondergrond voor zowel op als gesloten bodemenergiesystemen. Dit kan betekenen dat de gemeentelijke beleidsregel beperkingen oplegt aan de aanleg van gesloten systemen.

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 18/26

Procedure Voor gesloten bodemenergiesystemen geldt het bestaand wettelijk kader (zie Tabel 3.6). Dit betekent dat voor ieder gesloten systeem een melding (Besluit lozen buiten inrichting of Activiteitenbesluit milieubeheer) gedaan moet worden en voor systemen ≥ 70 kW de Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets moet worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (gemeente Amsterdam). 3.4.3

Lozingen Er zijn verschillende momenten waarop lozingen, en daarmee de wettelijke kaders voor lozingsactiviteiten, aan de orde zijn. Boren van de bronnen/lussen (boorspoelwater) Voor de aanleg van de bronnen van open systemen en de lussen van gesloten systemen moet worden geboord. Tijdens het boren komt spoelwater vrij (boorspoelwater). De hoeveelheid water die hierbij vrijkomt is beperkt, maar bevat vaak boorspoeling (bentoniet en polymeren) en vrijgekomen grond (zand, klei). Ontwikkelen van open bronnen (ontwikkelwater) Direct na het boren worden de bronnen van een open systeem eenmalig schoon gepompt (ontwikkelen). Het doel hiervan is om resten van het geboorde materiaal uit de bronnen te verwijderen (zand en slibdeeltjes), zodat deze niet voor verstoppingen kunnen zorgen. Tijdens het ontwikkelen komt grondwater vrij met een debiet tot maximaal 130% van het ontwerpdebiet. Dit grondwater moet geloosd worden. Om de lozingshoeveelheid en het lozingsdebiet te verlagen kan gebruik worden gemaakt van filtertechnieken om vaste bestanddelen te verwijderen, waarbij het water grotendeels weer geïnfiltreerd wordt in de bodem. Het blijft echter noodzakelijk dat een gedeelte van het vrijkomende grondwater geloosd kan worden, om onder andere de filterunits terug te spoelen. Door deze manier van ontwikkelen kan het lozingsdebiet beperkt worden.

Onderhoud van open bronnen (spuiwater) In verband met preventief onderhoud van de bronnen worden deze een aantal keer per jaar gespoeld. Bij deze actie wordt uit de bronnen enige tijd grondwater onttrokken met het maximale debiet. Dit grondwater moet geloosd worden. Middels een onderhoudsfilter in de technische ruimte kan ervoor gezorgd worden dat er geen grondwater geloosd hoeft te worden. Bij een onderhoudsfilter wordt het vuil afgevangen met een zogenaamd kaarsenfilter met zeer kleine poriën. Het grondwater wordt uit de bronfilters opgepompt en wordt via het onderhoudsfilter in de bypass van het leidingcircuit in een andere bron geïnjecteerd. Regulering van lozingen en voorkeursroutes Met de inwerkingtreding van de AMvB Bodemenergie zijn een voorkeursvolgordes voor lozingen gedefinieerd. Hierbij worden twee type lozingen onderscheiden: - lozen van boorspoelwater (open en gesloten systemen); - lozen van ontwikkel- en beheerwater (alleen open systemen). Door de specifieke kenmerken van deze stromen geldt er een voorkeursvolgorde voor de lozingsroute. Lokale omstandigheden kunnen aanleiding zijn om af te wijken van deze volgorde. Onderstaande tabel geeft de voorkeursvolgorde weer.

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 19/26

Tabel 3.7 | Voorkeursvolgorde lozen vanuit AMvB Bodemenergie type afvalwater

voorkeursvolgorde lozing (bevoegd gezag)

Boorspoelwater

1. vuilwaterriool (gemeente)

(open en gesloten systemen)

2. op de bodem (gemeente) 3. overige lozingsmethoden In de bodem en op het schoonwaterriool is niet toegestaan

Ontwikkel- en beheerwater

1. in de bodem (provincie)

(open systemen)

2. oppervlaktewater (Waterschap of Rijkswaterstaat) 3. schoonwaterriool (gemeente) 4. vuilwaterriool (gemeente) 5. externe verwerker

Het Besluit lozen buiten inrichtingen bevat regels voor een groot aantal categorieën van lozingen die het gevolg zijn van activiteiten die plaatsvinden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer. Lozingen vanuit inrichtingen vallen onder het Activiteitenbesluit. Het besluit geldt voor alle lozingsroutes: zowel lozingen op oppervlaktewater, de bodem als de riolering. De lozingen van het water voor het ontwikkelen van open bronnen geeft de grootste lozingsvolumes. Conform de voorkeursvolgorde voor lozingen heeft het terugbrengen van het grondwater de voorkeur. Dit is echter een kostbare methode en door het beperken van het ontwikkeldebiet kunnen de bronnen niet optimaal ontwikkeld worden. Daarnaast is het nog steeds nodig om een kleine waterhoeveelheid te lozen. Het lozen van het ontwikkelwater op het oppervlaktewater (het IJ) heeft daarom de voorkeur. Mocht dit niet mogelijk zijn dan geldt conform het beleid van Waternet en Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied dat zoveel mogelijk grondwater wordt teruggebracht in de bodem en dat een beperkt debiet (maximaal 5 m³/uur) geloosd mag worden op een vuilwaterriool of gemengd rioolstelsel. De verplichtingen die hieraan verbonden zijn, zijn te lezen in de Memo lozingsbeleid open bodemenergiesysteem 11 maart 2019, welke op te vragen is bij de omgevingsdienst.

Aanbevolen wordt om in een vroeg stadium in overleg te treden met het bevoegd gezag om de mogelijkheden voor lozen te bespreken. Het beleid ten aanzien van het lozen op oppervlaktewater wordt vastgesteld door de beheerder van het betreffende water. In het geval van het IJ wordt dit beleid geformuleerd en uitgevoerd door Rijkswaterstaat.

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 20/26

4 Toelichting gebruiksregels 4.1

BOUWPROGRAMMA EN INDELING PLANGEBIED Het bouwprogramma en de beoogde (toekomstige) indeling van het plangebied zijn respectievelijk weergegeven in Tabel 4.1 en Figuur 4.1. In de huidige situatie is een bouwvolume van 280.000 m2 bvo aanwezig, daar waar in de eindsituatie een oppervlak van 780.000 m2 bvo is beoogd. Er is derhalve sprake van een behoorlijke verdichting van het gebied. Tabel 4.1 | Bouwprogramma transformatie

Bestemming / functie

m2 bvo Bestaand te conserveren

Toe te voegen

Werken

69.246

134.191

203.437

Voorzieningen

26.635

40.000

66.635

Wonen

5.910

502.633

508.543

TOTAAL

101.791

676.824

778.615

Wonen

Bestaand te conserveren 146

Totaal

Stuks

Figuur 4.1 | Indeling plangebied

Toe te voegen 6.502

Totaal 6.648

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 21/26

4.2

ENERGIEVRAAG Van belang is om te bepalen of het beschikbare bodempotentieel binnen een kavel toereikend is om in de warmte-/koudebehoefte van de bebouwing op het betreffende kavel te kunnen voorzien. Op basis hiervan kan indicatief een uitspraak worden gedaan in hoeverre de bodem voldoende potentieel biedt voor warmte-/koudelevering aan de in de toekomst te vestigen bedrijven, woningen en voorzieningen. Voor het bepalen van de energiebehoefte van de beoogde gebouwen is uitgegaan van gebouwen met een gemiddelde behoefte aan warmte en koude. De jaarlijkse behoefte aan warmte en koude is ingeschat op basis van kengetallen voor verschillende gebouwfuncties. Hoewel in werkelijkheid een groot scala aan gebouwfuncties mogelijk is, is dit voor het inschatten de warmte- en koudevraag gereduceerd tot twee verschillende gebouwfuncties: wonen en werken/voorzieningen. De toegepaste kengetallen zijn in overleg met de gemeente Amsterdam voor de nieuwbouw gebaseerd op de BENG 2015. Voor de bestaande te conserveren bebouwing is voor de ruimteverwarming een marge van 100% gehanteerd op deze norm. Dit vanwege de beperkte kwaliteit van de gebouwschil van deze gebouwen. In onderstaande tabel zijn de gehanteerde kengetallen weergegeven. Tabel 4.2 | Kengetallen warmte- en koudevraag per functie Werken/voorzieWerken/voorzie-

ningen

Wonen (nieuw-

ningen

Wonen (be-

(bestaande

bouw)

(nieuwbouw)

staande bouw)

bouw)

17

25

34

50

Warmtevraag verwarming

[kWh/m2]

Koudevraag koeling

[kWh/m2]

8

15

8

15

Warmtevraag tapwater

[kWh/m2]

15

1,5

15

1,5

Op basis van de hierboven weergegeven kengetallen en het beschikbare bouwprogramma zoals weergegeven in Tabel 4.2 kan vervolgens de warmte-/koudevraag voor het gehele gebied worden bepaald. De resultaten hiervan zijn weergegeven in Tabel 4.3. Tabel 4.3 | Totale warmte-/koudevraag Bestaand

Nieuw

Wonen

Totaal

Wonen

Wonen

Warmte

290

MWh

Warmte

16.084

MWh

Warmte

16.374

MWh

Koeling

47

MWh

Koeling

4.021

MWh

Koeling

4.068

MWh

Warmte

4.938

MWh

Warmte

4.616

MWh

Warmte

9.554

MWh

Koeling

1.438

MWh

Koeling

2.613

MWh

Koeling

4.051

MWh

Werken

Werken

Totaal

Werken

Totaal

Totaal

Warmte

5.227

MWh

Warmte

20.700

MWh

Warmte

25.928

MWh

Koeling

1.485

MWh

Koeling

6.634

MWh

Koeling

8.119

MWh

Op basis van de info zoals opgenomen in de Projectnota Hamerkwartier is per deelgebied vervolgens een inschatting gemaakt van het bruto vloeroppervlak en het aandeel van de verschillende

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 22/26

gebouwfuncties. Hierbij is tevens een conversieslag gemaakt van de gebouwzijdige warmte-/koudevraag naar de benodigde warmte en koude uit de bodem. De warmtevraag is groter dan de koudevraag. Bodemzijdig dienen de bodemenergiesystemen energetisch in balans te zijn of met een beperkt koudeoverschot. Om dit te bereiken is door de gemeente een collectief regeneratienet voorzien, waarmee warmte uit het IJ kan worden ingezet voor het herstellen van de onbalans. De COP/SPF van de warmtepomp voor ruimteverwarming en tapwaterbereiding is hierbij ingeschat op respectievelijk 4,5 en 2,5. Tot slot is de absolute warmtevraag vervolgens gedeeld door het oppervlak van het Bruto Uitgeefbaar Veld (BUV). Hiermee ontstaat een beeld van de dichtheid van de warmtevraag. De resultaten zijn gevisualiseerd in Figuur 4.2. 7000 6000 5000 4000 3000 2000 1000 0 A1 A2 A3 A4 A5 A6 A7 C1 C3 C4 C5 C6 C7 D3 D4 D5 E1 E2 F

G H I1 I2 I3 I4

GJ/ha Figuur 4.2 | Dichtheid van de warmtevraag per locatie in GJ/ha/jaar

In bovenstaand figuur valt te zien dat de dichtheid van de warmtevraag per locatie behoorlijk varieert met ruim een factor 2. Dit is het gevolg van het verschil in bouwhoogte zoals opgenomen in de Projectnota.

4.3

POTENTIEEL BODEMENERGIE EN MATCH VRAAG/AANBOD Potentieel bodemenergie Op basis van het gehanteerde ordeningspatroon met monobronnen is aan de hand van een aantal indicatieve simulatieberekeningen in een inschatting gemaakt van het beschikbare potentieel aan bodemenergie. Ten einde de hydrologische en thermische effecten acceptabel te laten blijven is hierbij als uitgangspunt een minimale afstand tussen de monobronnen van 50 m gehanteerd. Het beschikbare potentieel van de open bodemenergiesystemen (monobronnen) komt hiermee uit op een jaarlijks aanbod van 5.000 – 7.000 GJ/ha. Dit is exclusief het eventueel nog aanvullend te benutten potentieel met de toepassing van gesloten bodemenergiesystemen tussen 0 en 90 m-mv. Match vraag/aanbod De totale (bodemzijdige) jaarlijkse warmtevraag in het gebied bedraagt 67.500 GJ. Uitgaande van een totaal oppervlak van het gehele gebied Hamerkwartier (exclusief oppervlak water) à 39 ha, bedraagt de dichtheid van de jaarlijkse warmtevraag 1.730 GJ/ha. Let wel, deze waarde kan niet

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 23/26

worden vergeleken met de waarden zoals opgenomen in Figuur 4.2 aangezien in de analyse op plotniveau het oppervlak van het openbaar terrein niet is verdisconteerd in de dichtheid van de warmtevraag. Dit terwijl dit wel is gedaan bij de bepaling van het potentieel per hectare. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het beschikbare potentieel (5.000 – 7.000 GJ/ha) de warmtevraag (1.730 GJ/ha) ruimschoots overstijgt en dat naar verwachting voldoende bodemenergie binnen het plangebied beschikbaar is om in de vraag te voorzien.

4.4

TOELICHTING GEBRUIKSREGELS In het Hamerkwartier wordt er “drukte” in de ondergrond verwacht. Dit betekent dat er regie nodig is bij het gebruik van de ondergrond om tot optimale benutting van bodemenergie te komen.

4.4.1

Afweging toepassing type bodemenergiesysteem Open of gesloten bodemenergiesystemen Gezien de beoogde omvang/hoogte van de nieuwbouwontwikkelingen en de beperkt beschikbare ruimte voor de inpassing van bodemenergiesystemen, is de verwachting dat de toepassing van open bodemenergiesystemen veelal het beste aansluit bij de intensiteit van de warmtevraag. De praktische inpassing van gesloten systemen met bodemlussen zal in de meeste gevallen problematisch worden. Monobronnen of doubletten Op basis van indicatieve berekeningen met een gehanteerd kengetal van 30 W/m2 bvo is bepaald dat per ontwikkeling gemiddeld genomen een broncapaciteit van circa 50 m3/h benodigd zal zijn. Voor de meeste ontwikkelingen kan derhalve worden volstaan met één monobron en in enkele gevallen twee monobronnen. Het voordeel van monobronnen ten opzichte van de toepassing van doubletten is dat voor een monobron slechts gezocht hoeft te worden naar één geschikte locatie in plaats van twee. Daarnaast kan de bron op korte afstand van de afnemer worden gepositioneerd waardoor de openbare ruimte niet onnodig wordt belast met leidingwerk tussen de bronnen. Daarnaast hoeft slechts een afstand van 50 m in acht te worden genomen tussen de monobronnen terwijl bij doubletten de benodigde afstand tussen de warme en koude bronnen al snel oploopt tot circa 150 m.

Opslag en/of recirculatie Het gebruik van recirculatiesystemen is niet toegestaan, omdat het rendement van deze systemen lager is dan bij een opslagsysteem en daarmee het beschikbare bodempotentieel niet optimaal benut wordt.

4.4.2

Keuze opslagpakket en combinatie verschillende type systemen Het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket is relatief diep gelegen, heeft een hoge doorlatendheid en heeft een relatief grote dikte. Hierdoor is dit pakket geschikt voor monobronnen met een capaciteit tot circa 80 m³/uur. Om interactie tussen open en gesloten bodemenergiesystemen te voorkomen wordt een verticale scheiding tussen deze twee type systemen aangehouden en zijn gesloten bodemenergiesystemen toegestaan tot een diepte van 90 m-mv. De bronfilters van open bodemenergiesystemen worden toegestaan vanaf 100 m-mv. Met deze insteek wordt prioriteit gegeven aan de open systemen aangezien hiermee de grootste bijdrage kan worden geleverd aan de warmtetransitie binnen het Hamerkwartier.

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV/20190515 24/26

Per kavel kunnen één of meerdere monobronnen toegepast worden. Bij een kleine energievraag is het ook mogelijk om een gesloten bodemenergiesysteem toe te passen. Door gebruik te maken van een verticale scheiding tussen deze typen systemen, wordt een zo flexibel mogelijk plan gecreeerd: - Gesloten bodemenergiesystemen kunnen toegepast worden tot een diepte van 90 m-mv. - De bronfilters van een monobronsysteem moet gerealiseerd worden vanaf een diepte van 100 m-mv. De verticale scheiding tussen de verschillende type systemen is schematisch weergeven in Figuur 4.3

Figuur 4.3 | Schematische weergave diepteligging verschillende type systemen

4.4.3

Energiebalans Het beschikbare potentieel kan optimaal worden benut als alle bodemenergiesystemen met een energiebalans functioneren. Op basis van ervaring bij soortgelijke locaties blijkt dat de invloed van een beperkt koudeoverschot (115%) slechts een kleine invloed heeft op de omvang van de thermische effecten. Daarom is in de ordeningsregels opgenomen dat een beperkt koudeoverschot tot maximaal 115% is toegestaan.

4.4.4

Zonering Er is geen zonering opgenomen. De monobronnen en gesloten bodemenergiesystemen kunnen overal binnen het plangebied gerealiseerd worden, met in acht neming van de gebruiksregels en de aanwezige omgevingsbelangen.

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV

Bijlage 1 Bodemenergiekaart

H a m e rk w a rtie rinA m s te rd a m B o d e m e n e rg ie k a a rt L e g e n d a p la n g e b ie d

B e sta a n db o d e m e n e rg ie sy ste e m g e slo te nb o d e m e m e rg ie sy ste e m w a rm eb ro nd o u b le t k o u d eb ro nd o u b le t

G e b ru ik s re g e ls G E B R U IK S R E G E L SO P E NS Y S T E M E N 1H e to p e nb o d e m e n e rg ie s y s te e m d ie n tu itg e v o e rdtew o rd e na lse e nm o n o b ro n s y s te e m .E rd ie n tg e b ru ikte w o rd e ng e m a a k tv a nh e to p s la g p rin c ip e(g e e nre c irc u la tie ). 2B ij to e p a s s in gv a ne e nm o n o b ro n s y s te e m d ie n th e tb o v e n s teb ro n filte ro pe e nd ie p tev a n a f1 0 0m -m v g e re a lis e e rdtew o rd e n . 3H e to n d e rs teb ro n filte rv a ne e nm o n o b ro n s y s te e m d ie n tz od ie pm o g e lijk ,v a n a fm in im a a l1 4 5m -m v g e re a lis e e rdtew o rd e n . 4H e tk o u d eb ro n filte rd ie n tb o v e nh e tw a rm eb ro n filte rsg e re a lis e e rdtew o rd e n . 5D eh o riz o n ta leo n d e rlin g ea fs ta n dtu s s e nm o n o b ro n n e nb e d ra a g tm in im a a l5 0m . 6D eb ro n n e nv a ne e no p e nb o d e m e n e rg ie s y s te e m d ie n e ninb e g in s e lb in n e nd eg re n z e nv a nh e te ig e n p e rc e e l tew o rd e ng e re a lis e e rd .

7H e to p e nb o d e m e n e rg ie s y s te e m b e re ik tu ite rlijkv ijfja a rn ad ed a tu m v a nin g e b ru ik n a m ee e nm o m e n t w a a ro pd eh o e v e e lh e idk o u d ed ied o o rh e ts y s te e m a a nd eb o d e m isto e g e v o e g d ,te nm in s te1 0 0 % e nte n h o o g s te1 1 5 % b e d ra a g tv a nd eh o e v e e lh e idw a rm ted iev a n a fd ied a tu m d o o rh e ts y s te e m a a nd eb o d e m is to e g e v o e g de nh e rh a a ltd itte lk e n su ite rlijkv ijfja a rn ah e tla a ts tem o m e n tw a a ro pd ies itu a tiew e rdb e re ik t. 8U itd ev e rg u n n in g a a n v ra a gv o o rh e tb o d e m e n e rg ie s y s te e m d ie n tteb lijk e nd a th e ttev e rg u n n e ns y s te e m v o ld o e ta a nb o v e n s ta a n d eg e b ru ik s re g e ls . 9B ij a fw ijk in gv a ne n ig eg e b ru ik s re g e lz o a lso p g e n o m e nind itp la n ,d ie n td o o rd ein itia tie fn e m e ra a n g e to o n d tew o rd e nd a th e ts y s te e m g e e nz o d a n ig ein te rfe re n tiek a nv e ro o rz a k e nm e te e na n d e rb e s ta a n do fb e o o g d b o d e m e n e rg ie s y s te e m d a th e td o e lm a tigfu n c tio n e re nv a nh e ta n d e res y s te e m k a nw o rd e ng e s c h a a d .

D a a rn a a s td ie n ta a n g e to o n dtew o rd e nd a tg e e ns p ra k eisv a no n d o e lm a tigg e b ru ikv a nb o d e m e n e rg ie .D e z e o n d e rb o u w in gd ie n tb ij d ev e rg u n n in g s a a n v ra a gte rb e o o rd e lin ga a n g e b o d e ntew o rd e na a nh e tb e v o e g d g e z a g . G E B R U IK S R E G E LG E S L O T E NS Y S T E M E N 1D eb o d e m lu s s e nv o o re e ng e s lo te nb o d e m e n e rg ie s y s te e m m o g e nto te e nd ie p tev a nm a x im a a l9 0m -m v a a n g e b ra c h tw o rd e n . 2E e ng e s lo te nb o d e m e n e rg ie s y s te e m d ie n tb in n e nd eg re n z e nv a nh e te ig e np e rc e e l tew o rd e ng e re a lis e e rd . 3U itd ev e rg u n n in g a a n v ra a gv o o rh e tb o d e m e n e rg ie s y s te e m d ie n tteb lijk e nd a th e ttev e rg u n n e ns y s te e m v o ld o e ta a nb o v e n s ta a n d eg e b ru ik s re g e ls . 4B ij a fw ijk in gv a ne n ig eg e b ru ik s re g e lz o a lso p g e n o m e nind itp la n ,d ie n td o o rd ein itia tie fn e m e ra a n g e to o n d tew o rd e nd a th e ts y s te e m g e e nz o d a n ig ein te rfe re n tiek a nv e ro o rz a k e nm e te e na n d e rb e s ta a n do fb e o o g d b o d e m e n e rg ie s y s te e m d a th e td o e lm a tigfu n c tio n e re nv a nh e ta n d e res y s te e m k a nw o rd e ng e s c h a a d .

D a a rn a a s td ie n ta a n g e to o n dtew o rd e nd a tg e e ns p ra k eisv a no n d o e lm a tigg e b ru ikv a nb o d e m e n e rg ie .D e z e o n d e rb o u w in gd ie n tb ij d ev e rg u n n in g s a a n v ra a gte rb e o o rd e lin ga a n g e b o d e ntew o rd e na a nh e tb e v o e g d g e z a g .

Ino p d ra c h tv a n

U itg e v o e rdd o o r

± 0

5 0

1 0 0

2 0 0

3 0 0

4 0 0 M e te rs E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs

R e fe re n tie : A u te u r: D a tu m : G e c o n tro le e rdd o o r: S ta tu s :

6 8 4 8 2 /S V H .d eJ o n g e 2 -7 -2 0 1 9 S tijnV e rp la k v e rs ie1 .0

Datum Referentie Pagina

2 juli 2019 68482/SV

Velperweg 37 6824 BE Arnhem Postbus 605 6800 AP Arnhem

T 026 35 35 555 E info@iftechnology.nl I www.iftechnology.nl

NL60 RABO 0383 9420 47 KvK Arnhem 09065422 BTW nr. NL801045599B01

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11092575/1