02. Bekendmaking Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam jan 2023.docx
Tekst van het document
Bij berekening van de kosten van een woonruimteaanpassing is het uitrustingsniveau van een sociale huurwoning bepalend.
20
Vervoersvoorzieningen Bij koop van een individuele vervoersvoorziening wordt het persoonsgebonden budget vastgesteld op de hoogte van de goedkoopst adequate voorziening. Het budget wordt indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud of verzekering. De bedragen voor het persoonsgebonden budget worden gebaseerd op de gemeentelijke uitgaven voor de voorzieningen in natura. Wanneer een andere voorziening wordt aangeschaft dan geïndiceerd komen eventuele aanvullende kosten niet in aanmerking voor vergoeding. De volgende maatwerkvoorzieningen worden alleen als persoonsgebonden budget verstrekt. Gebruik taxi of vervoer door derden. Gebruik rolstoeltaxi of vervoer door derden. Gebruik taxi of vervoer door derden naast gebruik van fiets, scootmobiel of (elektrische) rolstoel. Aanpassing aan een eigen vervoermiddel. Rolstoelen Bij koop van een rolstoel wordt het persoonsgebonden budget vastgesteld op de hoogte van de goedkoopst adequate voorziening. Het budget wordt indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud of verzekering. De bedragen voor het persoonsgebonden budget worden gebaseerd op de gemeentelijke uitgaven voor de voorzieningen in natura. Aanvullende individuele ondersteuning en Ambulante ondersteuning De hoogte van het persoonsgebonden budget is afhankelijk van de mate van ondersteuning.
Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: Vinger aan de polscontact, om de Amsterdammer in beeld te houden, waarbij toetsend contact plaatsvindt met als doel de preventie van toename van de zorgvraag en signalering van risico op terugval: uitgangspunt 6 uur per jaar. Meer of minder uren kunnen worden toegekend als de noodzaak daartoe onderbouwd wordt. Licht intensieve ondersteuning als toetsen en adviseren nodig zijn: uitgangspunt 1,75 uur per week. Meer of minder uren kunnen worden toegekend als de noodzaak daartoe onderbouwd wordt. Matig intensieve ondersteuning als naast toetsen en adviseren ook instructie nodig is: uitgangspunt 4,5 uur per week. Meer of minder uren kunnen worden toegekend als de noodzaak daartoe onderbouwd wordt. Hoog intensieve ondersteuning als bovendien toezicht nodig is om inzicht en overzicht te houden: uitgangspunt 6 uur per week. Extra uren kunnen beargumenteerd worden toegekend als de noodzaak daartoe onderbouwd wordt. Dagbesteding Indien de aanvrager voldoet aan de criteria dan wordt dagbesteding toegekend. Voor de hoogte van het budget is het uitgangspunt maximaal 6 dagdelen per week. Extra dagdelen kunnen beargumenteerd worden toegekend als de noodzaak daartoe onderbouwd wordt.
Voor de resultaatgebieden Inloop dagbesteding en Meewerken-plus is verstrekking als persoonsgebonden budget niet mogelijk, omdat deze leveringsvorm niet goed past bij het karakter van de resultaatgebieden. 21
Indien geïndiceerd wordt een financiële tegemoetkoming voor vervoer naar dagbesteding toegekend. Zie paragraaf 4.10.8 voor meer informatie over de voorwaarden. Beschermd wonen Voor het vaststellen van de hoogte van een persoonsgebonden budget vormen de GGZ-C Zorgzwaartepakketten (ZZP) 3 tot en met 5 conform de AWBZ 2014 het maximum. Voor cliënten in een gezamenlijk wooninitiatief bestaat de mogelijkheid om een toeslag toe te kennen; voor de bestedingsmogelijkheden van deze toeslag wordt aangesloten bij de mogelijkheden die de gelijksoortige toeslag op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) biedt. De indicatiesteller bepaalt aan de hand van het Pgb-plan en het gesprek daarover voor welke onderdelen de cliënt in aanmerking komt. Bepalend hierbij is de mate waarin de cliënt bescherming en ondersteuning nodig heeft. Ambulante ondersteuning maakt altijd onderdeel uit van een Pgb voor beschermd wonen. De noodzaak van persoonlijke verzorging, verpleging, hulp bij het huishouden, dagbesteding en vervoer wordt separaat door de indicatiesteller bepaald. De mate waarin een cliënt dagbesteding nodig heeft, wordt bepaald aan de hand van de behoefte van de cliënt aan ondersteuning bij het verkrijgen van een dagstructuur. De noodzaak voor het bieden van vervoer door de gemeente hangt ervan af of de cliënt redelijkerwijs in staat is zelf vervoer te regelen.
De indicatiesteller kan gemotiveerd afwijken van de ondersteuningswens die de cliënt in zijn Pgb-plan heeft opgenomen. Logeeropvang De hoogte van het Pgb wordt gebaseerd op een bedrag per etmaal. Het Pgb kan besteed worden om te logeren bij een professionele aanbieder van logeeropvang (bijvoorbeeld een instelling of logeerhuis). b Voorwaarden voor verstrekking Het besluit over de inzet van Pgb wordt genomen door de gemeente op advies van het buurtteam, het Sociaal Wijkteam in postcodegebied en het indicatieadviesbureau, waarbij het buurtteam of het Sociaal Wijkteam waar nodig andere betrokken organisaties consulteren. In het onderstaande wordt een aantal voorwaarden, beperkingen en afwijkingsmogelijkheden vastgesteld en waar nodig toegelicht. Besteding buiten Amsterdam 1. De budgethouder kan het persoonsgebonden budget voor ten hoogste dertien weken per kalenderjaar inzetten voor betaling van zorg te verlenen tijdens zijn verblijf buiten Amsterdam. 2. De budgethouder kan het persoonsgebonden budget voor ten hoogste zes weken per kalenderjaar inzetten voor betaling van zorg, te verlenen tijdens zijn verblijf buiten Nederland. 3. Het college kan op aanvraag de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn verlengen. 4. Op besteding buiten Amsterdam zijn overigens alle verplichtingen met betrekking tot het persoonsgebonden budget van toepassing. 5.
In afwijking van het eerste en het tweede lid kan een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden niet buiten Amsterdam worden besteed. Experimenteerruimte 1. Het college kan in het kader van onderzoek naar nieuwe zorgvormen voorzieningen toekennen via een persoonsgebonden budget die bij wijze van experiment afwijken van deze Nadere regels. 22
2. De afwijkingsbevoegdheid kan omvatten dat de voorziening voor een afwijkende periode wordt toegekend, dat de zorg in inhoud en/of vorm afwijkt, dat een monitoring- en evaluatieprocedure wordt bepaald of dat een voorziening tussentijds wordt gewijzigd. 3. De hoogte van persoonsgebonden budget wordt bepaald aan de hand van het Pgb-tarief voor de Wmo-voorziening die het meest tegemoetkomt aan de ondersteuningsvraag. Toelichting op de experimenteerruimte Hierbij wordt gedacht aan de situatie waar voor een cliënt het huidige, bestaande aanbod niet heeft gezorgd voor de beoogde ondersteuning of verbetering van de situatie. Het is dan mogelijk om bij wijze van experiment andere, nieuwe vormen van zorg uit te proberen, om te kijken of de cliënt zo adequater ondersteund kan worden. Beperkingen keuzevrijheid In een aantal gevallen is er in beginsel geen keuze voor een persoonsgebonden budget. Er is in aanvulling op artikel 4.2 lid 2 Wmo-verordening geen keuze voor een persoonsgebonden budget als: 1. Het een toekenning betreft voor een plek in opvang, het collectief vervoer, een auto, autobus of gesloten buitenwagen, of voor hulp bij het huishouden OGGZ of Bijzondere schoonmaak. 2. Het een toekenning betreft voor een voorziening die reeds in natura is verstrekt of een aanpassing daaraan. 3.
De persoon met beperkingen jonger is dan 18 jaar en het een aanvraag betreft voor een roerende woonvoorziening, vervoersvoorziening of een rolstoel. 4. Voorzienbaar is dat in de (medische) situatie van de persoon met beperkingen zich binnen de looptijd van het persoonsgebonden budget een ingrijpende wijziging voordoet en het een aanvraag betreft voor een roerende woonvoorziening, vervoersvoorziening of een rolstoel. 5. Aan de persoon met beperkingen door het college intensieve deskundige begeleiding (casemanagement) is toegekend voor het indienen van een aanvraag en het een aanvraag betreft voor een roerende woonvoorziening, vervoersvoorziening of een rolstoel. Toelichting op de beperkingen In bovenstaande situaties wordt vanuit efficiencyoverwegingen de keuze voor een persoonsgebonden budget beperkt. Deze overwegingen zijn de volgende: 1. Onder efficiencyoverwegingen kan ook het verantwoord laten functioneren van het collectief vervoerssysteem en de opvang vallen. Het college heeft een zwaarwegend financieel belang om rechthebbenden te laten deelnemen aan deze voorzieningen ten einde ze in stand te houden, en daarnaast bestaat het risico op dubbele kosten. 2. Het betreft unieke en dure voorzieningen die in geval van in natura verstrekking door de gemeente worden geleased.
Vanwege de leaseconstructie zou een persoonsgebonden budget waarmee een aanvrager zelf een vergelijkbare voorziening kan verwerven altijd hoger zijn dan de gemeentelijke uitgave in natura. Bovendien zijn er praktische problemen met het vaststellen van een budget voor onderhoud en verzekering, omdat de kosten sterk zijn gerelateerd aan het gebruik. Dit geldt voor auto, autobus en gesloten buitenwagen. 3. De producten Hbh OGGZ en Hbh Bijzondere schoonmaak worden veelal verstrekt aan personen met een psychische beperking en problemen op meerdere leefgebieden, waarover onvoldoende regie gevoerd kan worden. Het betreft bovendien zorgproducten die niet op de reguliere markt te verkrijgen zijn. Daarnaast dient de uitvoerder van deze zorgproducten specifieke competenties te bezitten om de taken en werkzaamheden uit te kunnen voeren. Met name het actief kunnen signaleren van problemen en veranderingen of het motiveren van de cliënt om mee te helpen.
23
4. De uitsluiting van een aanpassing aan een reeds in natura verstrekt middel voorkomt dat één voorziening twee eigenaren krijgt. Voor een reeds verstrekt middel dat nog adequaat is wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt. 5. De voorziening zal kortere tijd adequaat zijn dan de looptijd van het budget. Bij de in natura verstrekking kunnen de in deze situatie verstrekte voorzieningen worden herverstrekt. Omdat herverstrekking van een door een cliënt met een persoonsgebonden budget gekocht middel zeer complex, zo niet onmogelijk is, ontstaan hoge extra kosten. Dit treedt op bij voorzieningen voor kinderen, voor zover die voorzieningen ‘mee moeten groeien’, en bij mensen bij wie te voorzien is dat de (medische) situatie zich binnen de looptijd van het budget ingrijpend zal wijzigen. 6. De combinatie van een persoonsgebonden budget met intensieve begeleiding maakt dat de functie van casemanager anders en moeilijker wordt. De casemanager heeft onder andere als taak het afstemmen van beslissingen en leveringen van voorzieningen van de gemeentelijke backoffices en leveranciers voor mensen in complexe situaties.
Als een cliënt zou kiezen voor verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget, dan zou de casemanager zich ook bezig moeten gaan houden met begeleiding van mensen bij het verwerven van voorzieningen op de vrije markt, waarbij de afstemming op genoemde punten wordt bemoeilijkt. 4.3 Aanvullende individuele ondersteuning en Ambulante ondersteuning (artikel 4.3 Wmo-verordening 2015) 4.3.1 Aanvullende individuele ondersteuning
a Productbeschrijving Aanvullende individuele ondersteuning wordt geboden aan Amsterdammers met een ondersteuningsvraag op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en vindt plaats op individuele basis of in groepsverband. Aanvullende individuele ondersteuning is gericht op het verhogen van de kwaliteit van leven en op persoonlijke ontplooiing van de individuele Amsterdammer waarbij de zelfredzaamheid,en de maatschappelijke participatie wordt bevorderd, gestabiliseerd of ondersteuning wordt geboden bij achteruitgang. Dit wordt bereikt door het behalen van concrete resultaatafspraken. Hierbij wordt altijd rekening gehouden met individuele omstandigheden en mogelijkheden. Aanvullende individuele ondersteuning kan na informatie en advies en vraagverheldering zowel kort- als langdurig en in meer of mindere mate intensief geboden worden. Indien er sprake is van aanvullende individuele ondersteuning, minder dan 3 maanden, wordt een verslag gemaakt. Voor aanvullende individuele ondersteuning voor een periode van 3 maanden of langer, wordt een verslag in de vorm van een ondersteuningsplan opgesteld.
Aanvullende individuele ondersteuning kent drie te bereiken resultaten: Grip op het dagelijks leven en persoonlijk functioneren Opbouwen en onderhouden sociaal netwerk Deelnemen aan het maatschappelijk leven Het ontlasten van mantelzorgers kan onderdeel uitmaken van de resultaten. Grip op het dagelijks leven en persoonlijk functioneren Dit resultaat richt zich op het bieden van ondersteuning bij het uitvoeren en structureren van dagelijkse, praktische vaardigheden op alle voor de Amsterdammer relevante levensgebieden. 24
Het hebben of het creëren van een stabiele leefsituatie waarbij de administratie en andere zaken op orde zijn, maakt hiervan onderdeel uit. De Amsterdammer wordt, waar nodig, ondersteund bij het uitvoeren van activiteiten, het aanleren van vaardigheden en het nemen van besluiten. Als de Amsterdammer tijdens het werken aan doelen uit het ondersteuningsplan beperkingen ondervindt door zijn gedrag, kan het verkrijgen van inzicht in het effect van dit gedrag onderdeel uitmaken van de ondersteuning. Opbouwen en onderhouden sociaal netwerk Dit resultaat richt zich op het bieden van ondersteuning bij het aangaan en onderhouden van sociale contacten, om eenzaamheid te voorkomen en het sociale netwerk te vergroten, zodat het sociale netwerk van de Amsterdammer ook zoveel mogelijk steun en een positieve bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt kan leveren. Het verkrijgen van inzicht in het effect van het sociale netwerk op het persoonlijk functioneren van de Amsterdammer kan onderdeel van de aanvullende individuele ondersteuning zijn. Deelnemen aan het maatschappelijk leven Dit resultaat betreft het bieden van ondersteuning bij participatie in de samenleving. De Amsterdammer wordt ondersteund bij het realiseren en behouden van wat hij wil en kan bijdragen aan de samenleving.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan deelnemen aan buurtactiviteiten, groepsactiviteiten, vrijwilligerswerk, betaald werk, dagbesteding, opleiding, etc. De Amsterdammer krijgt ondersteuning bij het vinden en ondernemen van passende activiteiten waarmee hij (zo goed mogelijk) in staat is om deel te nemen aan het maatschappelijke leven. Inzet van aanvullende individuele ondersteuning kan leiden tot de inzet van de Wmo voorziening dagbesteding. b Voorwaarden voor verstrekking Het besluit over de inzet van aanvullende individuele ondersteuning wordt genomen door de gemeente op advies van het buurtteam of het Sociaal Wijkteam in postcodegebied Weesp, waarbij zij waar nodig andere betrokken organisaties consulteren. Aanvullende individuele ondersteuning wordt geboden aan Amsterdammers die beperkingen hebben bij het zelfstandig functioneren of zonder de ondersteuning risico lopen om hun zelfredzaamheid te verliezen. Als de ondersteuningsvraag op het gebied van zelfredzaamheid en participatie niet met voorliggende voorzieningen is op te lossen, kan een aanvraag worden gedaan voor aanvullende individuele ondersteuning. Bij de beoordeling van deze aanvraag blijft het versterken van de eigen kracht en het inzetten van de voorliggende oplossingen het uitgangspunt.
Als de noodzaak voor het inzetten van aanvullende individuele ondersteuning is vastgesteld worden met de Amsterdammer in een verslag of ondersteuningsplan de afspraken vastgelegd. In een ondersteuningsplan staan de beoogde resultaten, doelen en activiteiten. Tevens wordt vastgelegd voor welke periode en met welke frequentie de ondersteuning wordt ingezet. Het uitgangspunt is dat de geboden ondersteuning niet zwaarder of langer wordt ingezet dan nodig is. Uitgangspunt is dat jaarlijks een evaluatie plaatsvindt of, en zo ja welke afspraken er nodig zijn voor de inzet van aanvullende individuele ondersteuning. Bij aanvullende individuele ondersteuning wordt eerst gekeken naar wat de Amsterdammer zelf kan en welke ondersteuning zijn sociale netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de Amsterdammer wordt onderzocht en gestimuleerd. Op basis daarvan wordt vastgesteld welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is.
Het inzetten van eigen kracht 25
Hierbij kan in dit kader gedacht worden aan het handhaven van voorzieningen die al ingezet waren, zoals een belastingadviseur. Denk ook aan praktische oplossingen, zoals het kopen van een agenda en het plakken van briefjes ter herinnering aan taken.
Het vergroten van de inzet van het eigen sociale netwerk Onderzocht wordt op welke wijze de Amsterdammer door zijn netwerk ondersteund kan worden, bijvoorbeeld door familieleden, vrienden of buren. Het gaat hier allereerst om de zogenoemde gebruikelijke hulp (zie ook hoofdstuk 2). Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse begeleiding die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden (zie hoofdstuk 2.3). Daarnaast wordt in het persoonlijke netwerk van de Amsterdammer gezocht naar aanvullende ondersteuning op basis van vrijwilligheid of wederkerigheid. Hierbij kan gedacht worden aan één van de kinderen die de Amsterdammer helpt bij het maken van en begeleiden naar afspraken, een tante die ondersteunt bij de administratie of buren die telefonisch de ‘vinger aan de pols’ houden. Ook kan gedacht worden aan een maatje die de Amsterdammer ergens heen begeleidt, een telefooncirkel en het inschakelen van een sport-, muziek- of andere vereniging.
Een beroep doen op andere wetgeving Indien een Amsterdammer een Wlz indicatie heeft of daarvoor in aanmerking komt, vindt de benodigde individuele begeleiding in het kader van de Wlz plaats en niet in het kader van de Wmo.
Het gebruik maken van voorzieningen sociale basis Bij het aanbod in de sociale basis kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ondersteuning vanuit een Huis van de Wijk/buurthuis of de inzet van vrijwilligers.
Tot slot staat hieronder een aantal afbakeningen met betrekking tot aanvullende individuele ondersteuning. Afbakening aanvullende individuele ondersteuning en ondersteuning door het buurtteam Aanvullende individuele ondersteuning kan alleen worden ingezet als ondersteuning door het buurtteam niet passend is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er ondersteuning nodig is die langdurig van aard is, én (tijds)intensief, én waarvoor een professional met specifieke (specialistische) expertise nodig is. Zoals bij Amsterdammers met zwaardere problematiek als gevolg van één van de volgende beperkingen, of een combinatie daarvan: 1. Niet-Aangeboren Hersenletsel (NAH) 2. Licht Verstandelijke Beperking (LVB) 3. Autisme 4. Zintuigelijke beperking auditief 5. Zintuigelijke beperking visueel In de praktijk zal er steeds door het buurtteam een maatwerkafweging gemaakt worden over wie de meest passende ondersteuning kan bieden: het buurtteam zelf of (in samenwerking met) een aanbieder. Afbakening aanvullende individuele ondersteuning en hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden betreft het overnemen van huishoudelijke activiteiten die de Amsterdammer niet meer zelf kan uitvoeren, al dan niet in combinatie met de regievoering over deze activiteiten.
Regievoering over het huishouden kan inhouden dat de huishoudelijke hulp de Amsterdammer actief stimuleert huishoudelijke activiteiten uit te voeren waarbij toezicht nodig is. 26
Bij de Amsterdammer die uitsluitend beperkingen ervaart ten aanzien van het doen van het huishouden wordt de voorziening hulp bij het huishouden ingezet. Als de Amsterdammer alleen regie over huishoudelijke taken nodig heeft en geen hulp bij het huishouden, wordt aanvullende individuele ondersteuning ingezet. Hierbij valt te denken aan het plannen en voorbespreken van huishoudelijke activiteiten waarna de Amsterdammer deze zelfstandig kan uitvoeren. Een ambulant ondersteuner voert geen huishoudelijke taken uit. Afbakening persoonlijke verzorging Wmo en persoonlijke verzorging Zorgverzekeringswet Persoonlijke verzorging betreft meestal het overnemen van zelfzorg die de Amsterdammer niet meer zelf kan doen, al dan niet in combinatie met de regievoering over deze activiteiten. Het gaat bijvoorbeeld om in- en uit bed gaan, wassen, lichamelijke verzorging, bewegen, toiletgang, eten/drinken, aan- en uitkleden. Als er sprake is van het structureren, organiseren of aansporen van persoonlijke verzorging door een regieprobleem kan dit onderdeel uitmaken van de aanvullende individuele ondersteuning binnen de Wmo. In dit geval heeft de Amsterdammer naar verwachting ook beperkingen bij de uitvoering en regievoering van andere dagelijkse activiteiten waarvoor aanvullende individuele ondersteuning nodig is. In alle andere situaties valt persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet.
Inname, attenderen op, aanreiken en toedienen van medicatie zijn altijd handelingen binnen de persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet. Het toekennen van alléén persoonlijke verzorging is vanuit de Wmo niet mogelijk. Afbakening aanvullende individuele ondersteuning Wmo en behandeling Zorgverzekeringswet Behandeling binnen de Zorgverzekeringswet betreft werken aan geformuleerde verbeterdoelen op een gestructureerde en methodische manier. Hiervoor is specifieke (para)medische deskundigheid vereist van bijvoorbeeld een fysio- of ergotherapeut, psycholoog of psychiater. Behandeling kan gericht zijn op herstel van ziekte, aandoening of beperking, maar ook op het voorkomen van verergering. Onder behandeling valt ook het leren omgaan met (de gevolgen van) een ziekte, aandoening of beperking en het aanleren van nieuw gedrag. Als het gaat om oefenen, ondersteuning bij inslijten van vaardigheden, handelingen, gedrag en ondersteuning bij het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, kan dit ook onder aanvullende individuele ondersteuning vallen. De vaardigheden, handelingen en gedrag kunnen in een (para)medisch voortraject als onderdeel van behandeling al aangeleerd zijn. Behandeling en aanvullende individuele ondersteuning kunnen naast elkaar bestaan en elkaar versterken.
Behandeling kan invloed hebben op de intensiteit en duur van de aanvullende individuele ondersteuning. Van de Amsterdammer wordt verwacht dat hij zo optimaal mogelijk gebruik maakt van bestaande behandelmogelijkheden. Bij twijfel of er nog behandeling mogelijk is, kan een medisch advies worden opgevraagd. Afbakening aanvullende individuele ondersteuning en beschermd wonen Wmo Als de Amsterdammer gebruik maakt van de voorziening beschermd wonen, geldt dat geen aanvullende individuele ondersteuning ingezet kan worden. Beschermd wonen is namelijk een totaalpakket waarbij de ondersteuning (bij beschermd wonen begeleiding genoemd) al 24 uur per dag beschikbaar is. 4.3.2 Ambulante ondersteuning a Productomschrijving Ambulante ondersteuning bestaat uit het ondersteunen van de cliënt om zelfredzamer te worden op diverse levensgebieden: huisvesting, werk & opleiding, inkomen & budgetbeheer, 27
administratie, zinvolle tijdsbesteding, het voeren van een huishouden, huiselijke relaties, geestelijke en lichamelijke gezondheid (inclusief gedrag), middelengebruik, vaardigheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), het structureren van de dag, opbouwen van een sociaal netwerk, herstellen van contacten en voorkomen van eenzaamheid, opvoeden en hechting indien er sprake is van ouder(s) met kinderen. Het gaat om individueel maatwerk per cliënt, waarbij samen met de cliënt en eventueel naasten en in afstemming met andere betrokken hulpverleners, zoals behandelaars, de doelen op de verschillende levensgebieden worden bepaald. Er wordt een ondersteuningsplan opgesteld waarin de doelen staan die samen met de cliënt zijn opgesteld. b Voorwaarden voor verstrekking Het besluit over de inzet van ambulante ondersteuning wordt genomen door de gemeente op advies van het buurtteam of het Sociaal Wijkteam in postcodegebied Weesp, of door de Centrale Toegang. Amsterdammers die in aanmerking komen voor ambulante ondersteuning hebben complexe meervoudige problematiek en zijn niet zelfredzaam op meerdere leefgebieden. Zij zijn in staat om met intensieve specialistische ondersteuning zelfstandig te kunnen wonen. Zonder deze ondersteuning kunnen cliënten zich niet handhaven op een woonplek.
De ondersteuning bestaat uit intensieve en/of specialistische begeleiding die plaatsvindt op een zelfstandige of stabiele woonplek en die herstelgericht wordt ingezet op het vergroten en/of behouden van de zelfredzaamheid en participatie aan de maatschappij en het voorkomen, oplossen en beheersen van crisissituaties. Daarnaast kan ambulante ondersteuning geboden worden aan Amsterdammers die dak- of thuisloos zijn, maar waarbij ook de bovengenoemde meervoudige problematiek aanwezig is. Hierbij wordt er samen met de Amsterdammer gezocht naar een woonoplossing. Amsterdammers die alleen een huisvestingsvraag hebben en waarbij geen sprake is van meervoudig complexe problematiek komen niet in aanmerking voor ambulante ondersteuning. ~ 4.4 Dagbesteding (artikel 4.4 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Dagbesteding is een Wmo-voorziening die geboden wordt aan Amsterdammers die als gevolg van een beperking of specifieke omstandigheid onvoldoende zelfredzaam zijn op het gebied van een zinvolle invulling van de dag, het hebben van sociale contacten en maatschappelijke deelname. Dagbesteding begeleidt de Amsterdammer bij het bevorderen en behouden van zelfredzaamheid en biedt begeleiding bij achteruitgang van zelfredzaamheid. Een cliënt kan ook in aanmerking komen voor dagbesteding als overbelasting van mantelzorgers daarmee wordt voorkomen.
Dagbesteding wordt aangeboden in een groep en is gericht op het hebben van contacten met meerdere personen. De begeleiding is deskundig in het bieden van passende activiteiten, structuur, toezicht en/of zorg en richt zich daarnaast ook op een afgewogen samenstelling van de groep en de omgeving waarin de dagbesteding plaatsvindt. Van de Amsterdammer wordt verwacht dat hij zelf regelt dat hij op de afgesproken momenten aanwezig is op de dagbestedingslocatie. 28
Dagbesteding kent vier te bereiken resultaten: de mogelijkheid tot inlopen, meedoen in de samenleving, Meewerken in de samenleving en Meewerken-plus. Deze resultaten hebben een logische opbouw in de mate van prestaties die de Amsterdammer per resultaat kan behalen. De mogelijkheid tot inlopen Dit resultaat biedt een laagdrempelige inloopmogelijkheid voor het zinvol invullen van de dag. De Amsterdammer heeft hier de mogelijkheid tot het vinden van een beschutte omgeving in combinatie met sociaal contact. Met deze inloop worden Amsterdammers bereikt die zich niet zelf melden en vaak professionele ondersteuning mijden waarvoor een melding of aanvraag nodig is. Er is deskundige begeleiding aanwezig voor het herkennen van problematiek en om vertrouwen te wekken, om zorg te starten, ook als de Amsterdammer daar nog weerstand tegen heeft. Het doel van de inloop kan ook zijn dat er een ondersteuningsplan wordt opgesteld of doorverwijzing plaatsvindt. Meedoen in de samenleving Dit resultaat biedt de Amsterdammer ondersteuning in groepsverband om (duurzame) sociale contacten op te bouwen, te onderhouden en mee te doen in Amsterdam. Het tegengaan van sociaal isolement en eenzaamheid, het hebben of creëren van een stabiele dagstructuur en het oefenen van vaardigheden kunnen doelen van de ondersteuning zijn.
Meewerken in de samenleving Het resultaat Meewerken in de samenleving is bedoeld om Amsterdammers in staat te stellen zingevende activiteiten, zoals vrijwilligerswerk te verrichten. Bij Meewerken verricht de Amsterdammer activiteiten en werkzaamheden die maatschappelijke waarde hebben, waarbij sociale en werk gerelateerde contacten ontstaan en die bijdragen aan de ontwikkeling van de (werknemers)vaardigheden en/ of bijdraagt aan het herstel. Meewerken-plus Bij Meewerken-plus krijgt de Amsterdammer ondersteuning om vanuit dagbesteding (Meewerken) de stap naar betaald werk te zetten. De ondersteuning is gericht op het verder ontwikkelen van arbeidsmatige vaardigheden én bij het beroep passende sociale en communicatieve vaardigheden. Deelnemers participeren samen met anderen (in groeps- of teamverband) in een veilige beroepsmatige omgeving, waarbij zij taken en werkzaamheden uitvoeren die economische waarde hebben. b Voorwaarden voor verstrekking Het besluit over de inzet van Dagbesteding wordt genomen door de gemeente op advies van het buurtteam, het Sociaal Wijkteam in postcodegebied Weesp of op advies van een gecontracteerde aanbieder Dagbesteding, waarbij het buurtteam of het Sociaal Wijkteam en gecontracteerde aanbieders onderling afstemmen en elkaar consulteren.
Dagbesteding wordt geboden aan Amsterdammers die beperkingen hebben bij een zinvolle tijdsbesteding met sociale contacten en maatschappelijk verkeer. Als de ondersteuningsvraag op het gebied van dagbesteding niet met voorliggende voorzieningen is op te lossen, kan een aanvraag worden gedaan voor de maatwerkvoorziening dagbesteding. Bij de beoordeling van deze aanvraag blijft het versterken van de eigen kracht en de het inzetten van voorliggende oplossingen het uitgangspunt. Het resultaat de mogelijkheid tot inlopen is als uitzondering op de andere resultaten van dagbesteding toegankelijk zonder aanvraag, voorafgaand gesprek of ondersteuningsplan, maar 29
kan daar wel toe leiden. Gezien het karakter van dit resultaat is verstrekking als persoonsgebonden budget niet mogelijk. Uitgangspunt in het vraagverhelderingsgesprek is dat bij Amsterdammers vanaf 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd de mogelijke inzet van betaald werk en ontwikkeling naar betaald werk (Meerwerken-plus) en daarnaast ook het kunnen functioneren in een groep of in contact met anderen. Het best passende resultaat wordt ingezet. De toeleiding naar betaald werk is leidend. Amsterdammers tot 18 jaar kunnen bij uitzondering, met een overdracht vanuit de Jeugdwet en/of de Participatiewet, ook dagbesteding vanuit de Wmo ontvangen. De resultaten zijn uitsluitend in groepsverband mogelijk. Meewerken-plus kan wel individueel worden ingezet, maar altijd als aanvulling op de groepsactiviteit vanuit Meewerken. De geboden ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan nodig is. Uitgangspunt is dat jaarlijks een evaluatie plaatsvindt of, en zo ja welke afspraken er nodig zijn voor de inzet van dagbesteding. Als het vervoer naar dagbesteding vanwege beperkingen niet zelfstandig mogelijk is, dient de Amsterdammer eerst een beroep te doen op de inzet van het sociaal netwerk of andere informele oplossingen.
Als deze opties niet voorhanden zijn dan bespreekt hij mogelijke vervoersalternatieven met de zorgaanbieder, die vanuit gemaakte afspraken met de gemeente Amsterdam een passende vervoersoplossing zal bieden. In het geval van een Pgb worden voorliggende voorzieningen voor vervoer tevens in overweging genomen. Indien deze onvoldoende toereikend zijn kan een financiële tegemoetkoming voor vervoer van en naar dagbesteding worden geïndiceerd. (zie paragraaf 4.10.8). Bij dagbesteding wordt eerst gekeken naar wat de Amsterdammer zelf kan en welke ondersteuning zijn sociale netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de Amsterdammer wordt onderzocht en gestimuleerd. Op basis daarvan wordt vastgesteld welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is.
Het inzetten van eigen kracht Hierbij kan gedacht worden aan oplossingen die iemand al had ingezet voordat de beperking optrad, het deelnemen aan activiteiten voor en door bewoners in de buurt, aansluiting vinden bij verenigingen of clubs, het volgen van cursussen, het uitbouwen van hobby’s, het zoeken van vrijwilligerswerk, onderwijs of een reguliere baan.
Het vergroten van de inzet van het eigen sociale netwerk Hierbij kan gedacht worden aan familieleden, vrienden of kennissen die een vorm van dagbesteding organiseren voor de Amsterdammer, zoals iemand die een vast dagdeel op bezoek komt, iemand die de Amsterdammer meeneemt naar een sociale gelegenheid of een vrijwilliger die wekelijks met de Amsterdammer gaat wandelen. Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde begeleiding bieden, is ondersteuning vanuit de Wmo niet aan de orde.
Een beroep doen op andere wetgeving De Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) kunnen voorliggend zijn op ondersteuning vanuit de Wmo. De Wlz kan voorliggend zijn als blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid en/of permanent toezicht nodig is. De Zvw kan voorliggend zijn als behandeling mogelijk is. Wanneer de doelgroep te maken heeft met meervoudige domeinoverstijgende problematiek op het terrein van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning of de Participatiewet wordt voor een goede afstemming van de ondersteuning gezorgd. 30
Het gebruik maken van aanbod in de sociale basis Voorzieningen in de sociale basis kunnen een oplossing bieden voor de problemen op het gebied van dagbesteding. Hierbij kan gedacht worden aan activiteiten voor en door bewoners zoals eettafels, koffieochtenden en wandelgroepen. Maar ook aan activiteiten gericht op het met elkaar kennis laten maken van mensen uit de buurt, stadsdeel of buurtgebonden voorzieningen zoals Algemene Ontmoetingscentra (AOC) en ‘een huis van de buurt’.
Tot slot staat hieronder nog een aantal afbakeningen met betrekking tot dagbesteding. Afbakening dagbesteding met aanvullende individuele ondersteuning / ambulante ondersteuning Aanvullende individuele ondersteuning / ambulante ondersteuning en dagbesteding onderscheiden zich in de te behalen resultaten en de wijze van begeleiding. Aanvullende individuele ondersteuning / ambulante ondersteuning is ondersteuning gericht op het zelfstandig functioneren zodat mensen in hun privéleven hun zaken op orde houden en zelfstandig kunnen leven. Dagbesteding richt zich op het bieden van activiteiten zodat mensen een zinvolle daginvulling hebben en andere mensen ontmoeten. Dagbesteding vindt altijd plaats in groepsverband. Afbakening dagbesteding Wmo en dagbesteding Wlz en Zvw Als de Amsterdammer een Wlz-indicatie heeft dan is de daaruit gefinancierde dagbesteding voorliggend op dagbesteding uit de Wmo. Na of tijdens Zvw-behandeling kan de Amsterdammer behoefte hebben aan dagbesteding. Als de zelfredzaamheid van de Amsterdammer naar verwachting onvoldoende blijft dan is ondersteuning vanuit de Wmo een mogelijkheid. Het betreft dan ondersteuning bij sociale en maatschappelijke participatie van de cliënt, als het gaat om toepassen, ondersteunen bij inslijten of behouden van vaardigheden/handelingen.
4.6 Opvang en Beschermd wonen 4.6.1 Maatschappelijke opvang (artikel 4.5, eerste lid Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving In de maatschappelijke opvang zijn in Amsterdam vijf clusters van voorzieningen te onderscheiden: Begeleid wonen met reguliere (niet- intensieve) begeleiding Groepswonen met reguliere (niet- intensieve) begeleiding Intramuraal (24 uurs) met reguliere (niet- intensieve) begeleiding Gezinsopvang Meerzorg (specifieke opvang voor mensen met somatische problematiek) Toegang wordt beoordeeld door de Centrale Toegang aan de hand van de criteria in de Wmoverordening 2015 en aan de hand van de zelfredzaamheidsmatrix. De GGD Amsterdam bepaalt aan de hand van een stedelijke wachtlijst wanneer en waar welke cliënt geplaatst wordt. Voor slachtoffers van huiselijk geweld wordt voorzien in crisisopvang. Deze duurt in beginsel maximaal zes weken; in uitzonderingsgevallen kunnen daar zes weken bij komen. Het doel van de crisisopvang is dat de slachtoffers en eventueel hun kinderen tot rust komen en bedenken welke 31
stappen er voor de toekomst nodig zijn. Het eerste wat er in de crisisopvang gebeurt, is bekijken hoe groot het actuele risico op geweld is. Als het erop lijkt dat de problemen uit de hand lopen, bekijkt de hulpverlener welke actie er nodig is. Dat gebeurt altijd samen met het slachtoffer en met eventuele kinderen. Als de veiligheid dat toelaat wordt ook de pleger van het geweld hierbij betrokken. Bij acute dreiging of geweld kan de politie worden ingeschakeld. In levensbedreigende situaties kunnen cliënten, in overleg met de gezinshulpverlener, opgevangen worden in een ‘Safe House’ of op een andere locatie elders in het land. b Voorwaarden voor verstrekking De Wmo-verordening 2015 noemt in de artikelen 4.1 en 4.5 lid 1 een aantal criteria. Eerst wordt beoordeeld of iemand in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang. Die beoordeling vindt plaats op basis van toelatingscriteria. De toegang tot opvang in Amsterdam is voorbehouden aan een persoon die: 1.
De Nederlandse nationaliteit heeft, of als vreemdeling rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Toelichting In uitzonderlijke situaties wordt ook aan ‘niet rechthebbenden’ tijdelijk toegang verleend tot de maatschappelijke opvang. Het gaat om situaties die mensonterend zijn, of waarbij zonder opvang kinderen (jonger dan 18 jaar) op straat zouden moeten verblijven. Grondslag hiervoor is de werking van internationale mensenrechtenverdragen, met name artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Tegelijkertijd is sprake van een cliënt 2.
die feitelijk of residentieel dakloos is, al dan niet voorafgaand aan opname in een (psychiatrische) kliniek, of aan detentie, en 3. onvoldoende of beperkt zelfredzaam is op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden, en 4. niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen. 5. Specifiek voor gezinsopvang geldt dat bij co-ouderschap een ouder toegang tot de voorziening krijgt als de ouder aan de criteria voor opvang voldoet en: de ouder minimaal voor 50% van de tijd de zorg heeft voor kind(eren), of er sprake is van een gefaseerde terugplaatsing van kind(eren) voor minimaal 50% van de tijd Gedurende het verblijf in de gezinsopvang gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: Client draagt zorg voor (een) minderjarig(e) kind(eren); Client verstrekt de juiste gegevens op basis waarvan de gemeente een beslissing kan nemen Client en gezinsleden werken mee aan de begeleiding; Client en gezinsleden werken mee aan overplaatsing naar een andere locatie; Client en gezinsleden houden zich aan de huisregels van de opvanglocatie; Client en gezinsleden accepteren een passende (omslag)woning; 32
Client betaalt de eigen bijdrage of huur of werkt mee aan een betalingsregeling als er te weinig inkomen is; Client en gezinsleden hebben geen verslaving of acute psychiatrische problematiek die zo ernstig is dat deze zorg niet binnen de maatschappelijke opvang voor gezinnen kan worden gegeven.
Toelichting: Beoordeling dakloosheid Om vast te kunnen stellen of iemand feitelijk dan wel residentieel dakloos is wordt de woongeschiedenis van een cliënt in kaart gebracht, waar mogelijk ondersteund door gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP). Beoordeling zelfredzaamheid De maatwerkvoorziening opvang is bedoeld voor personen die zich niet zelfstandig kunnen handhaven in de maatschappij. Dat is het geval als iemand, door zware of meervoudige problematiek, geen regie meer kan voeren over zijn eigen leven (waaronder zorg en onderdak). De Centrale Toegang brengt de problematiek en beperkingen in kaart met behulp van de Zelfredzaamheidsmatrix, waarbij de volgende levensdomeinen worden beoordeeld: geestelijke gezondheid, middelengebruik, lichamelijke gezondheid, huisvesting, huiselijke relaties, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie, werk en opleiding, basale ADL-vaardigheden, instrumentele ADL, tijdsbesteding, financiën en justitie. Bij alle domeinen wordt onderscheid gemaakt in: ‘acute problematiek’ (1); ‘niet zelfredzaam’ (2); ‘beperkt zelfredzaam’ (3); ‘voldoende zelfredzaam’ (4) en ‘volledig zelfredzaam’ (5). Op basis van de scores op de verschillende domeinen wordt de zelfredzaamheid vastgesteld. Voor meerpersoonshuishoudens geldt dat de zelfredzaamheid van het systeem als geheel wordt beoordeeld.
Als er zorg voor minderjarige kinderen is worden bovendien de opvoedvaardigheden en kindveiligheid in kaart gebracht door een aanvullende beoordeling op de volgende domeinen: lichamelijke verzorging, sociaal emotionele ondersteuning, scholing en opvang. Als de zorgvragen kunnen worden opgelost met alleen woonruimte en eventueel andere (algemene of maatwerk) voorzieningen, wordt geen maatschappelijke opvang verstrekt. Maatschappelijke opvang is niet bedoeld als een alternatieve route naar woonruimte. Co-ouderschap Om de afspraken omtrent co-ouderschap te kunnen toetsen gelden de volgende aanvullende voorwaarden: De gelijke verdeling van de zorg over beide ouders (50/50% regeling) is vastgelegd in een officieel ouderschapsplan, omgangsplan, plan van aanpak hulpverlening en/of perspectiefplan jeugdzorg. Het omgangsplan/ouderschapsplan is bekrachtigd door een mediator, notaris, JBRA, professionele hulpverlener of vastgesteld bij de rechtbank. Bij een relatiebreuk waarbij geen officiële instantie is betrokken, is het omgangsplan/ouderschapsplan bekrachtigd met een gelegaliseerde handtekening. Om aan te kunnen sluiten bij de voorwaarden voor de uitstroom naar een omslagwoning moet bij de aanvraag hiervan de ouder daadwerkelijk minimaal 50% van de tijd zorgdragen voor kind(eren). 33
Landelijke toegankelijkheid (4.5, vierde lid Wmo-verordening 2015) De VNG heeft in 2019 een vernieuwd Convenant Landelijke Toegankelijkheid opgesteld dat de landelijke toegankelijkheid van de opvang moet waarborgen. Belangrijkste uitgangspunt van het convenant is dat gekeken wordt naar de gemeente waar het duurzaam herstel van de cliënt het beste gerealiseerd kan worden. Onderzoek Als een cliënt die dakloos is in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang, vindt conform het convenant onderzoek plaats op de volgende onderdelen om te bepalen in welke gemeente de opvang het beste geboden kan worden: Woongeschiedenis: Onderzocht wordt waar de laatste woonplaats was van cliënt voordat die dakloos werd. Hiervoor wordt het BRP geraadpleegd. Als blijkt dat de cliënt woonachtig was in een andere gemeente voorafgaand aan de dakloosheid kan de cliënt worden overgedragen aan de gemeente van herkomst. Dit kan alleen als hierover overeenstemming is met de gemeente van herkomst. Als niet duidelijk kan worden vastgesteld waar de cliënt zijn laatste woonadres had, is de aanmeldgemeente aan zet om het onderzoek uit te voeren. De wens van de cliënt: Uit het onderzoek moet duidelijk worden waar de cliënt opgevangen wil worden en waarom de opvang in de gemeente van voorkeur kan bijdragen aan het herstel van de cliënt.
Het sociaal netwerk van de cliënt: In het onderzoek wordt onderzocht welk netwerk de cliënt heeft, en of dit netwerk een positieve of juist negatieve invloed heeft op het herstel van de cliënt. Werk, dagbesteding of onderwijs: In het onderzoek wordt in kaart gebracht of en zo ja waar de cliënt dagbesteding heeft in de vorm van (vrijwilligers)werk of onderwijs, en of dit op positieve wijze bijdraagt aan het herstel van de cliënt. Hulpverlening of ondersteuningstrajecten: onderzocht wordt welke hulpverleningstrajecten er lopen, en bij welke zorgaanbieders, en in hoeverre deze bijdragen aan het herstel van de cliënt. Criminele activiteiten: Tot slot wordt in kaart gebracht of er sprake is van criminele activiteiten, of er politie- of justitie contacten zijn en of een traject in de aanmeldgemeente bijdraagt aan het verminderen van deze activiteiten. Ook wordt gekeken of er (justitiële) maatregelen genomen waarmee rekening gehouden moet worden. Op basis van het onderzoek wordt besloten in welke gemeente de maatwerkvoorziening en daarmee het herstel het beste kan plaatsvinden. Als dit in een andere gemeente dan Amsterdam is, vindt er overleg plaats met die gemeente. Is de ontvangende gemeente het eens met de conclusie dan vindt er een overdracht plaats.
Als gemeenten er onderling niet uitkomen, kan de casus worden voorgelegd aan de Commissie geschillen landelijke toegankelijkheid die is ondergebracht bij de VNG. De uitspraak van de commissie is bindend. Gedurende de behandeling van het geschil vangt de aanmeldgemeente de cliënt op. 4.6.2 Hulp en opvang na huiselijk geweld (artikel 4.5, tweede lid Wmo-verordening 2015)
34
a Productbeschrijving Voor slachtoffers van huiselijk geweld wordt voorzien in opvang en de bijbehorende begeleiding. Opvang via een noodbed, maximaal vijf dagen, is bedoeld voor volwassenen en hun eventuele kinderen die als gevolg van ernstig geweld de thuissituatie acuut moeten verlaten. Voor slachtoffers van huiselijk geweld wordt voorzien in crisisopvang voor in beginsel zes weken met als doel slachtoffers en eventueel hun kinderen tot rust te laten komen en verder te werken aan stabilisatie en analyse van de problematiek. Plaatsing in een safehouse vindt plaats bij acuut (levens)gevaar. Ambulante hulpverlening voor slachtoffers van huiselijk geweld kent verschillende aspecten. Allereerst het geven van informatie en advies zodat cliënt zelfstandig veilig verder kan. Daarnaast zijn er lichte, middelzware en intensieve trajecten die tot doel hebben dat in het gezin geen huiselijk geweld meer voorkomt en/of dat de gezinsleden hebben geleerd hoe ze op nietgewelddadige manier om kunnen gaan met conflicten en andere aanleidingen tot huiselijk geweld. Ambulante hulpverlening omvat ook nazorg zodat cliënt zelfstandig verder kan leven en zelf zorg kan dragen voor de veiligheid van zichzelf en het gezin. b Voorwaarden voor verstrekking De toegang tot hulp en opvang na huiselijk geweld, kent afwijkende criteria die zijn vastgelegd in de Wmo-verordening in artikel 4.5 lid 2.
Veiligheid is het belangrijkste criterium. 4.6.3 Beschermd wonen (artikel 4.5, derde lid Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Beschermd wonen gaat om het bieden van onderdak en begeleiding aan personen van 18 jaar en ouder met een psychische aandoening en/of verstandelijke beperking die (nog) niet geheel zelfstandig kunnen functioneren binnen de samenleving. Centraal staat op participatie gerichte ondersteuning vanuit een beschermende woonomgeving. De voorzieningen voor beschermd wonen worden in Amsterdam onderverdeeld in vier clusters: Begeleid wonen met intensieve begeleiding Groepswonen met intensieve begeleiding Intramuraal (24-uurs) met intensieve begeleiding Meerzorg (specifieke opvang voor mensen met somatische problematiek) Persoonlijke verzorging en verpleging kunnen onderdeel zijn van de voorziening beschermd wonen. Toegang wordt beoordeeld door de Centrale Toegang aan de hand van de criteria in de Wmoverordening 2015 en aan de hand van beslisbomen die deze criteria vertalen in een handleiding. De GGD Amsterdam bepaalt aan de hand van een stedelijke wachtlijst wanneer en waar welke cliënt geplaatst wordt. Indien er een wachttijd is voor plaatsing, verwijst de Centrale Toegang naar overbruggingszorg. b Voorwaarden voor verstrekking De Wmo-verordening 2015 noemt in de artikelen 4.1 en 4.5 lid 3 een aantal criteria.
Van belang is, dat de Centrale Toegang bij de beoordeling tot toegang altijd voor de lichtste oplossing kiest, passend bij de mogelijkheden van de cliënt. Dat betekent dat plaatsing in het cluster begeleid wonen de voorkeur heeft boven plaatsing in een van de andere clusters. De toegang tot beschermd wonen in Amsterdam is voorbehouden aan een persoon die: 35
1.
De Nederlandse nationaliteit heeft, of als vreemdeling rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Toelichting Cliënt dient de noodzakelijke documenten te overleggen (geldig identiteitsbewijs, verblijfsstatus).
Tegelijkertijd sprake is van een cliënt 2. 3. 4.
die een psychiatrische aandoening heeft en/of een verstandelijke beperking, en waarbij er voor hem sprake is van noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de psychiatrische aandoening en/of de verstandelijke beperking, en die niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen. Toelichting Uitgangspunt: de huidige cliëntgroep (in 2014) heeft de AWBZ-indicatie zorgzwaartepakket (ZZP) C; psychiatrische aandoening is daarvoor een grondslag. In de wettekst wordt ook de grondslag psychosociaal genoemd. Die laatstgenoemde groep kan: als sprake is van dakloosheid en beperkte zelfredzaamheid vallen onder de doelgroep voor de opvang; als geen sprake is van dakloosheid ondersteund worden in de thuissituatie (dus lichter Wmo-aanbod) als geen sprake is van beperkte zelfredzaamheid maar wel van dakloosheid gebruik maken van lichter Wmo-aanbod, zoals maatschappelijke dienstverlening.
De criteria beogen enerzijds het benoemen van de cliëntgroep voor de Wmo en tegelijkertijd afbakening naar: lichtere groepen (voormalige ZZP 1 en 2 GGZ, huidige MO) zwaardere groepen (huidige GGZ ZZP B, die tot de doelgroep van de Wlz dan wel Zvw behoren) andere problematiek die op de voorgrond staat (bijvoorbeeld somatiek) Daarom hanteert Amsterdam de volgende criteria: noodzaak van bescherming die voortvloeit uit psychiatrische aandoening en/of verstandelijke beperking afbakening naar Wlz en naar lichtere groepen de psychiatrische aandoening moet leiden tot de noodzaak tot bescherming, dus: er moet een noodzaak tot bescherming zijn hiermee worden lichtere cliëntgroepen uitgesloten die moet direct verbonden zijn aan de psychiatrische aandoening en/of de verstandelijke beperking (zoals nu wordt omgegaan met dominante problematiek) ter voorkoming dat mensen waarbij somatiek op de voorgrond staat onbedoeld aanspraak gaan maken op beschermd wonen
36
Het criterium dat geen noodzaak tot 24-uurs toezicht (nabijheid) van behandelaar is, is bedoeld ter verduidelijk van de afbakening met de Wlz. Landelijke toegankelijkheid De VNG heeft in 2019 een vernieuwd Convenant Landelijke Toegankelijkheid opgesteld dat de landelijke toegankelijkheid van de opvang moet waarborgen. Belangrijkste uitgangspunt van het convenant is dat gekeken wordt naar de gemeente waar het duurzaam herstel van de cliënt het beste gerealiseerd kan worden. Onderzoek Als een cliënt die dakloos is in aanmerking komt voor Beschermd wonen, vindt conform het convenant onderzoek plaats op de volgende onderdelen om te bepalen in welke gemeente de opvang het beste geboden kan worden: Woongeschiedenis: Onderzocht wordt waar de laatste woonplaats was van cliënt voordat die dakloos werd. Hiervoor wordt het BRP geraadpleegd. Als blijkt dat de cliënt woonachtig was in een andere gemeente voorafgaand aan de dakloosheid kan de cliënt worden overgedragen aan de gemeente van herkomst. Dit kan alleen als hierover overeenstemming is met de gemeente van herkomst. Als niet duidelijk kan worden vastgesteld waar de cliënt zijn laatste woonadres had, is de aanmeldgemeente aan zet om het onderzoek uit te voeren.
De wens van de cliënt: Uit het onderzoek moet duidelijk worden waar de cliënt opgevangen wil worden en waarom de opvang in de gemeente van voorkeur kan bijdragen aan het herstel van de cliënt. Het sociaal netwerk van de cliënt: In het onderzoek wordt onderzocht welk netwerk de cliënt heeft, en of dit netwerk een positieve of juist negatieve invloed heeft op het herstel van de cliënt. Werk, dagbesteding of onderwijs: In het onderzoek wordt in kaart gebracht of en zo ja waar de cliënt dagbesteding heeft in de vorm van (vrijwilligers)werk of onderwijs, en of dit op positieve wijze bijdraagt aan het herstel van de cliënt. Hulpverlening of ondersteuningstrajecten: onderzocht wordt welke hulpverleningstrajecten er lopen, en bij welke zorgaanbieders, en in hoeverre deze bijdragen aan het herstel van de cliënt. Criminele activiteiten: Tot slot wordt in kaart gebracht of er sprake is van criminele activiteiten, of er politie- of justitie contacten zijn en of een traject in de aanmeldgemeente bijdraagt aan het verminderen van deze activiteiten. Ook wordt gekeken of er (justitiële) maatregelen genomen waarmee rekening gehouden moet worden. Op basis van het onderzoek wordt besloten in welke gemeente de maatwerkvoorziening en daarmee het herstel het beste kan plaatsvinden. Als dit in een andere gemeente dan Amsterdam is, vindt er overleg plaats met die gemeente.
Is de ontvangende gemeente het eens met de conclusie dan vindt er een overdracht plaats. Als gemeenten er onderling niet uitkomen, kan de casus worden voorgelegd aan de Commissie geschillen landelijke toegankelijkheid die is ondergebracht bij de VNG. De uitspraak van de commissie is bindend. Gedurende de behandeling van het geschil vangt de aanmeldgemeente de cliënt op. 4.7 Logeeropvang (artikel 4.6 Wmo-verordening 2015) 37
a Productbeschrijving Bij logeeropvang gaat de Amsterdammer logeren bij een professionele aanbieder van logeeropvang, bijvoorbeeld in een instelling of logeerhuis, waar in een huiselijke, veilige omgeving 24 uurs toezicht geboden kan worden. Het doel hiervan is het overnemen van de gebruikelijke hulp of de zorg van de mantelzorger(s) om overbelasting van de mantelzorger(s) te voorkomen of te verminderen. Onderdeel van logeeropvang zijn dagactiviteiten en begeleiding op maat. Aanvullend op deze logeeropvang kan ook overige noodzakelijke zorg en ondersteuning geboden worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om persoonlijke zorg en verpleging vanuit de Zvw en de ambulante ondersteuning of dagbesteding vanuit de Wmo. De inzet van deze voorzieningen tijdens het logeren verschilt per Amsterdammer en de mogelijkheden van het logeeradres. Logeeropvang kan een aaneengesloten periode of terugkerend enkele dagen zijn. Aaneengesloten logeeropvang is bijvoorbeeld ten behoeve van vakantie van de mantelzorger. Bij terugkerende logeeropvang geldt een maximum van drie etmalen per week. Voor logeeropvang geldt een totaal van 36 etmalen per cliënt per jaar.
Logeeropvang kent de volgende drie te bereiken resultaten: het bieden van veilige logeeropvang in een huiselijke omgeving, met als doel om overbelasting van mantelzorger(s) te voorkomen of te verminderen; waarborging van primaire en dagelijkse levensbehoeften van de cliënt, zo nodig met dagactiviteiten en begeleiding op maat; het bieden van logeeropvang in onverwachte situaties. Logeeropvang betreft altijd de eerste twee resultaten. Het bieden van veilige logeeropvang in een huiselijke omgeving om overbelasting van mantelzorger(s) te voorkomen of te verminderen Binnen dit resultaat wordt de zorg van de mantelzorger tijdelijk overgenomen door een professionele aanbieder, bijvoorbeeld in een logeerverblijf van een zorgaanbieder. De mantelzorger wordt hierdoor ontlast. Het karakter van het logeeradres is zoveel mogelijk veilig en huiselijk. De mantelzorger kan door de inzet van logeeropvang eigen activiteiten plannen en uitvoeren. Hiermee wordt de mantelzorger ondersteund om zijn mantelzorgtaken langdurig vol te houden. Waarborging van primaire en dagelijkse levensbehoeften voor de cliënt Binnen dit resultaat wordt ondersteuning geboden bij het uitvoeren en structureren van dagelijkse, praktische vaardigheden tijdens het verblijf. Zo nodig worden dagactiviteiten en begeleiding op maat geboden.
De inzet van overige noodzakelijke zorg en ondersteuning verschilt per Amsterdammer en de mogelijkheden van het logeeradres. Het bieden van logeeropvang in onverwachte situaties De gemeente kan in onverwachte situaties logeeropvang bieden, bijvoorbeeld wanneer een mantelzorger plotseling wegvalt en een cliënt hierdoor tijdelijk niet in staat is om zelfstandig thuis te wonen. Dit kan niet als er een medische aanleiding is voor opname van de cliënt, als de cliënt thuis al zorg krijgt vanuit de Wlz of een niet verzilverde Wlz-indicatie heeft. b Voorwaarden voor verstrekking Het besluit over de inzet van Logeeropvang wordt genomen door de gemeente op advies van het buurtteam, het Sociaal Wijkteam in postcodegebied Weesp of op advies van een gecontracteerde aanbieder Logeeropvang. 38
Logeeropvang kan worden ingezet voor Amsterdammers die gezien hun zorgbehoefte aangewezen zijn op zorg met intensief toezicht, waardoor er gedurende langere tijd meer dan gebruikelijke hulp nodig is. Ontlasting van de persoon die gebruikelijke hulp of mantelzorg aan de Amsterdammer levert, is noodzakelijk; zonder de inzet van logeeropvang dreigt overbelasting. Logeeropvang is aanvullend op het wonen in de thuissituatie. Bij logeeropvang wordt eerst gekeken naar wat de Amsterdammer zelf kan en welke ondersteuning zijn sociale netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de Amsterdammer wordt onderzocht en gestimuleerd. Vervolgens wordt gekeken naar de inzet van aanbod uit de sociale basis, algemene voorzieningen en voorliggende voorzieningen vanuit andere wetgeving. Pas daarna wordt vastgesteld of en zo ja welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is.
Het inzetten van eigen kracht Hierbij kan in dit kader gedacht worden aan het installeren van domotica hulpmiddelen waardoor de Amsterdammer gedurende een aantal uren alleen in huis kan blijven. Mogelijk kan alarmering of video op afstand de mantelzorger de gelegenheid bieden om even weg te gaan.
Het vergroten van de inzet van het eigen sociale netwerk Iemand uit het eigen netwerk kan de zorg gedurende een aantal uren overnemen. Deze hulp is vrijwillig. Als het gaat om de normale, dagelijkse begeleiding die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden, is sprake van gebruikelijke hulp. Zie hoofdstuk 2 voor meer informatie over gebruikelijke hulp.
Een beroep doen op andere wetgeving o Zorgverzekeringswet (Zvw) Wanneer een Amsterdammer aangewezen is op verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg, kan logeeropvang op grond van de basisverzekering van de Zvw ingezet worden. Dit wordt eerstelijnsverblijf genoemd (Elv). Hierbij valt te denken aan tijdelijk verblijf na een medische ingreep. Verblijf met geneeskundige zorg valt buiten de gemeentelijke taken. Ook als er sprake is van palliatief terminale zorg is er sprake van verblijf op grond van de Zvw. Eerstelijns verblijf Zvw is voorliggend op logeeropvang vanuit de Wmo o Wet langdurige zorg (Wlz) Wanneer een Amsterdammer een indicatie heeft in het kader van de Wlz of op basis van zorgzwaarte daarvoor in aanmerking komt en nog thuis woont, dient kortdurend verblijf op grond van de Wlz aangevraagd te worden. Kortdurend verblijf Wlz is voorliggend op logeeropvang vanuit de Wmo.
Het gebruik maken van voorzieningen in de sociale basis en algemene voorzieningen De Amsterdammer kan mogelijk meedoen aan welzijnsactiviteiten, waardoor de mantelzorger een paar uur respijt heeft. Ook kan ondersteuning worden geboden om het dagelijks leven van mensen zo zelfstandig mogelijk in te richten of kan een vrijwilliger gevonden worden die een paar uren de zorg voor de Amsterdammer over kan nemen.
Als de noodzaak voor logeeropvang op grond van de Wmo is vastgesteld, wordt bekeken hoeveel etmalen dit nodig is om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen of te verminderen. Het uitgangspunt is dat de geboden logeeropvang niet langer wordt ingezet dan nodig is, met een maximum van 36 etmalen per cliënt per jaar. Met de Amsterdammer worden in een 39
ondersteuningsplan afspraken vastgelegd over de doelen die worden nagestreefd, de activiteiten die worden ingezet, de te bereiken resultaten, en hoe lang en frequent de logeeropvang wordt ingezet. Uitgangspunt is dat jaarlijks opnieuw wordt bekeken of, en zo ja welke afspraken er nodig zijn voor de inzet van logeeropvang. Tot slot staat hieronder nog een afbakening met betrekking tot logeeropvang. Het gebruik maken van de maatwerkvoorzieningen aanvullende individuele ondersteuning, ambulante ondersteuning of dagbesteding De Amsterdammer kan mogelijk een beroep doen op aanvullende individuele ondersteuning, ambulante ondersteuning en/of dagbesteding, waardoor de mantelzorger wordt ontlast. Hierbij is het uitgangspunt dat de maatwerkvoorziening die het best past bij de situatie van de Amsterdammer en diens mantelzorger de voorkeur heeft. Logeeropvang kan worden ingezet naast aanvullende individuele ondersteuning, ambulante ondersteuning en/of dagbesteding. Afbakening met de Zvw en de Wlz Er kan vanuit de Wmo geen logeeropvang worden ingezet als er een medische aanleiding is voor een verblijf in een zorginstelling, dan moet er een beroep gedaan worden op een Eerstelijnsverblijf (ELV) voorziening vanuit de Zvw. Als de cliënt thuis al zorg krijgt vanuit de Wlz of een niet verzilverde Wlz-indicatie heeft, moet er een beroep gedaan worden op de Wlz voor logeeropvang.