02. Bekendmaking Nadere regels.docx
Tekst van het document
Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: Vinger aan de polscontact, om de Amsterdammer in beeld te houden, waarbij toetsend contact plaatsvindt met als doel de preventie van toename van de zorgvraag en signalering van risico op terugval: uitgangspunt 6 uur per jaar. Meer of minder uren kunnen worden toegekend als de noodzaak daartoe onderbouwd wordt. Licht intensieve ondersteuning als toetsen en adviseren nodig zijn: uitgangspunt 1,75 uur per week. Meer of minder uren kunnen worden toegekend als de noodzaak daartoe onderbouwd wordt. Matig intensieve ondersteuning als naast toetsen en adviseren ook instructie nodig is: uitgangspunt 4,5 uur per week. Meer of minder uren kunnen worden toegekend als de noodzaak daartoe onderbouwd wordt. Hoog intensieve ondersteuning als bovendien toezicht nodig is om inzicht en overzicht te houden: uitgangspunt 6 uur per week. Extra uren kunnen beargumenteerd worden toegekend als de noodzaak daartoe onderbouwd wordt. Dagbesteding Indien de aanvrager voldoet aan de criteria dan wordt dagbesteding toegekend. Voor de hoogte van het budget is het uitgangspunt maximaal 6 dagdelen per week. Extra dagdelen kunnen beargumenteerd worden toegekend als de noodzaak daartoe onderbouwd wordt.
Voor de resultaatgebieden Inloop dagbesteding en Meewerken-plus is verstrekking als persoonsgebonden budget niet mogelijk, omdat deze leveringsvorm niet goed past bij het karakter van de resultaatgebieden. 21
Indien geïndiceerd wordt een financiële tegemoetkoming voor vervoer naar dagbesteding toegekend. Zie paragraaf 4.10.8 voor meer informatie over de voorwaarden. Begeleid Thuis De hoogte van een persoonsgebonden budget wordt bepaald op basis van uren, afhankelijk van de intensiteit van de ondersteuning: Voor cliënten in een gezamenlijk wooninitiatief bestaat de mogelijkheid om een toeslag toe te kennen; voor de bestedingsmogelijkheden van deze toeslag wordt aangesloten bij de mogelijkheden die de gelijksoortige toeslag op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) biedt. Het initiatief komt in aanmerking als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De zeggenschap van het initiatief ligt bij de bewoners, (onbezoldigde) familieleden en/of andere mantelzorgers die zijn verankerd in een rechtsvorm zonder winstoogmerk, zoals een vereniging of stichting. b. Er is sprake van ten minste één gemeenschappelijke verblijfsruimte waar gezamenlijke activiteiten worden georganiseerd. c. In een kleinschalige woonvorm waar cliënt verblijft, wonen minimaal 5 en maximaal 26 cliënten op één adres of binnen een straal van 300 meter. Logeeropvang De hoogte van het Pgb wordt gebaseerd op een bedrag per etmaal. Het Pgb kan besteed worden om te logeren bij een professionele aanbieder van logeeropvang (bijvoorbeeld een instelling of logeerhuis).
b Voorwaarden voor verstrekking Het besluit over de inzet van Pgb wordt genomen door de gemeente op advies van het buurtteam, het Sociaal Wijkteam in postcodegebied Weesp en het indicatieadviesbureau, waarbij het buurtteam of het Sociaal Wijkteam waar nodig andere betrokken organisaties consulteren. In het onderstaande wordt een aantal voorwaarden, beperkingen en afwijkingsmogelijkheden vastgesteld en waar nodig toegelicht. Besteding buiten Amsterdam 1. De budgethouder kan het persoonsgebonden budget voor ten hoogste dertien weken per kalenderjaar inzetten voor betaling van zorg te verlenen tijdens zijn verblijf buiten Amsterdam. 2. De budgethouder kan het persoonsgebonden budget voor ten hoogste zes weken per kalenderjaar inzetten voor betaling van zorg, te verlenen tijdens zijn verblijf buiten Nederland. 3. Het college kan op aanvraag de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn verlengen. 4. Op besteding buiten Amsterdam zijn overigens alle verplichtingen met betrekking tot het persoonsgebonden budget van toepassing. 5. In afwijking van het eerste en het tweede lid kan een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden niet buiten Amsterdam worden besteed. Experimenteerruimte 1. Het college kan in het kader van onderzoek naar nieuwe zorgvormen voorzieningen toekennen via een persoonsgebonden budget die bij wijze van experiment afwijken van deze Nadere regels. 2.
De afwijkingsbevoegdheid kan omvatten dat de voorziening voor een afwijkende periode wordt toegekend, dat de zorg in inhoud en/of vorm afwijkt, dat een monitoring- en evaluatieprocedure wordt bepaald of dat een voorziening tussentijds wordt gewijzigd. 3. De hoogte van persoonsgebonden budget wordt bepaald aan de hand van het Pgb-tarief voor de Wmo-voorziening die het meest tegemoetkomt aan de ondersteuningsvraag. 22
Toelichting op de experimenteerruimte Hierbij wordt gedacht aan de situatie waar voor een cliënt het huidige, bestaande aanbod niet heeft gezorgd voor de beoogde ondersteuning of verbetering van de situatie. Het is dan mogelijk om bij wijze van experiment andere, nieuwe vormen van zorg uit te proberen, om te kijken of de cliënt zo adequater ondersteund kan worden. Beperkingen keuzevrijheid In een aantal gevallen is er in beginsel geen keuze voor een persoonsgebonden budget. Er is in aanvulling op artikel 4.2 lid 2 Wmo-verordening geen keuze voor een persoonsgebonden budget als: 1. Het een toekenning betreft voor een plek in opvang, het collectief vervoer, een auto, autobus of gesloten buitenwagen, of voor hulp bij het huishouden OGGZ of Bijzondere schoonmaak. 2. Het een toekenning betreft voor een voorziening die reeds in natura is verstrekt of een aanpassing daaraan. 3. De persoon met beperkingen jonger is dan 18 jaar en het een aanvraag betreft voor een roerende woonvoorziening, vervoersvoorziening of een rolstoel. 4. Voorzienbaar is dat in de (medische) situatie van de persoon met beperkingen zich binnen de looptijd van het persoonsgebonden budget een ingrijpende wijziging voordoet en het een aanvraag betreft voor een roerende woonvoorziening, vervoersvoorziening of een rolstoel. 5.
Aan de persoon met beperkingen door het college intensieve deskundige begeleiding (casemanagement) is toegekend voor het indienen van een aanvraag en het een aanvraag betreft voor een roerende woonvoorziening, vervoersvoorziening of een rolstoel. Toelichting op de beperkingen In bovenstaande situaties wordt vanuit efficiencyoverwegingen de keuze voor een persoonsgebonden budget beperkt. Deze overwegingen zijn de volgende: 1. Onder efficiencyoverwegingen kan ook het verantwoord laten functioneren van het collectief vervoerssysteem en de opvang vallen. Het college heeft een zwaarwegend financieel belang om rechthebbenden te laten deelnemen aan deze voorzieningen ten einde ze in stand te houden, en daarnaast bestaat het risico op dubbele kosten. 2. Het betreft unieke en dure voorzieningen die in geval van in natura verstrekking door de gemeente worden geleased. Vanwege de leaseconstructie zou een persoonsgebonden budget waarmee een aanvrager zelf een vergelijkbare voorziening kan verwerven altijd hoger zijn dan de gemeentelijke uitgave in natura. Bovendien zijn er praktische problemen met het vaststellen van een budget voor onderhoud en verzekering, omdat de kosten sterk zijn gerelateerd aan het gebruik. Dit geldt voor auto, autobus en gesloten buitenwagen. 3.
De producten Hbh OGGZ en Hbh Bijzondere schoonmaak worden veelal verstrekt aan personen met een psychische beperking en problemen op meerdere leefgebieden, waarover onvoldoende regie gevoerd kan worden. Het betreft bovendien zorgproducten die niet op de reguliere markt te verkrijgen zijn. Daarnaast dient de uitvoerder van deze zorgproducten specifieke competenties te bezitten om de taken en werkzaamheden uit te kunnen voeren. Met name het actief kunnen signaleren van problemen en veranderingen of het motiveren van de cliënt om mee te helpen. 4. De uitsluiting van een aanpassing aan een reeds in natura verstrekt middel voorkomt dat één voorziening twee eigenaren krijgt. Voor een reeds verstrekt middel dat nog adequaat is wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt. 5. De voorziening zal kortere tijd adequaat zijn dan de looptijd van het budget. Bij de in natura verstrekking kunnen de in deze situatie verstrekte voorzieningen worden herverstrekt. Omdat herverstrekking van een door een cliënt met een persoonsgebonden budget gekocht middel zeer complex, zo niet onmogelijk is, ontstaan hoge extra kosten. Dit treedt op bij 23
voorzieningen voor kinderen, voor zover die voorzieningen ‘mee moeten groeien’, en bij mensen bij wie te voorzien is dat de (medische) situatie zich binnen de looptijd van het budget ingrijpend zal wijzigen. 6. De combinatie van een persoonsgebonden budget met intensieve begeleiding maakt dat de functie van casemanager anders en moeilijker wordt. De casemanager heeft onder andere als taak het afstemmen van beslissingen en leveringen van voorzieningen van de gemeentelijke backoffices en leveranciers voor mensen in complexe situaties. Als een cliënt zou kiezen voor verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget, dan zou de casemanager zich ook bezig moeten gaan houden met begeleiding van mensen bij het verwerven van voorzieningen op de vrije markt, waarbij de afstemming op genoemde punten wordt bemoeilijkt. 4.3 Aanvullende individuele ondersteuning (artikel 4.3 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Aanvullende individuele ondersteuning wordt geboden aan Amsterdammers met een ondersteuningsvraag op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en vindt plaats op individuele basis of in groepsverband.
Aanvullende individuele ondersteuning is gericht op het verhogen van de kwaliteit van leven en op persoonlijke ontplooiing van de individuele Amsterdammer waarbij de zelfredzaamheid,en de maatschappelijke participatie wordt bevorderd, gestabiliseerd of ondersteuning wordt geboden bij achteruitgang. Dit wordt bereikt door het behalen van concrete resultaatafspraken. Hierbij wordt altijd rekening gehouden met individuele omstandigheden en mogelijkheden. Aanvullende individuele ondersteuning kan na informatie en advies en vraagverheldering zowel kort- als langdurig en in meer of mindere mate intensief geboden worden. Indien er sprake is van aanvullende individuele ondersteuning, minder dan 3 maanden, wordt een verslag gemaakt. Voor aanvullende individuele ondersteuning voor een periode van 3 maanden of langer, wordt een verslag in de vorm van een ondersteuningsplan opgesteld. Aanvullende individuele ondersteuning kent drie te bereiken resultaten: Grip op het dagelijks leven en persoonlijk functioneren Opbouwen en onderhouden sociaal netwerk Deelnemen aan het maatschappelijk leven Het ontlasten van mantelzorgers kan onderdeel uitmaken van de resultaten.
Grip op het dagelijks leven en persoonlijk functioneren Dit resultaat richt zich op het bieden van ondersteuning bij het uitvoeren en structureren van dagelijkse, praktische vaardigheden op alle voor de Amsterdammer relevante levensgebieden. Het hebben of het creëren van een stabiele leefsituatie waarbij de administratie en andere zaken op orde zijn, maakt hiervan onderdeel uit. De Amsterdammer wordt, waar nodig, ondersteund bij het uitvoeren van activiteiten, het aanleren van vaardigheden en het nemen van besluiten. Als de Amsterdammer tijdens het werken aan doelen uit het ondersteuningsplan beperkingen ondervindt door zijn gedrag, kan het verkrijgen van inzicht in het effect van dit gedrag onderdeel uitmaken van de ondersteuning. Opbouwen en onderhouden sociaal netwerk Dit resultaat richt zich op het bieden van ondersteuning bij het aangaan en onderhouden van sociale contacten, om eenzaamheid te voorkomen en het sociale netwerk te vergroten, zodat het 24
sociale netwerk van de Amsterdammer ook zoveel mogelijk steun en een positieve bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt kan leveren. Het verkrijgen van inzicht in het effect van het sociale netwerk op het persoonlijk functioneren van de Amsterdammer kan onderdeel van de aanvullende individuele ondersteuning zijn. Deelnemen aan het maatschappelijk leven Dit resultaat betreft het bieden van ondersteuning bij participatie in de samenleving. De Amsterdammer wordt ondersteund bij het realiseren en behouden van wat hij wil en kan bijdragen aan de samenleving. Denk hierbij bijvoorbeeld aan deelnemen aan buurtactiviteiten, groepsactiviteiten, vrijwilligerswerk, betaald werk, dagbesteding, opleiding, etc. De Amsterdammer krijgt ondersteuning bij het vinden en ondernemen van passende activiteiten waarmee hij (zo goed mogelijk) in staat is om deel te nemen aan het maatschappelijke leven. Inzet van aanvullende individuele ondersteuning kan leiden tot de inzet van de Wmo voorziening dagbesteding. b Voorwaarden voor verstrekking Het besluit over de inzet van aanvullende individuele ondersteuning wordt genomen door de gemeente op advies van het buurtteam of het Sociaal Wijkteam in postcodegebied Weesp, waarbij zij waar nodig andere betrokken organisaties consulteren.
Aanvullende individuele ondersteuning wordt geboden aan Amsterdammers die beperkingen hebben bij het zelfstandig functioneren of zonder de ondersteuning risico lopen om hun zelfredzaamheid te verliezen. Als de ondersteuningsvraag op het gebied van zelfredzaamheid en participatie niet met voorliggende voorzieningen is op te lossen, kan een aanvraag worden gedaan voor aanvullende individuele ondersteuning. Bij de beoordeling van deze aanvraag blijft het versterken van de eigen kracht en het inzetten van de voorliggende oplossingen het uitgangspunt. Als de noodzaak voor het inzetten van aanvullende individuele ondersteuning is vastgesteld worden met de Amsterdammer in een verslag of ondersteuningsplan de afspraken vastgelegd. In een ondersteuningsplan staan de beoogde resultaten, doelen en activiteiten. Tevens wordt vastgelegd voor welke periode en met welke frequentie de ondersteuning wordt ingezet. Het uitgangspunt is dat de geboden ondersteuning niet zwaarder of langer wordt ingezet dan nodig is. Uitgangspunt is dat jaarlijks een evaluatie plaatsvindt of, en zo ja welke afspraken er nodig zijn voor de inzet van aanvullende individuele ondersteuning. Bij aanvullende individuele ondersteuning wordt eerst gekeken naar wat de Amsterdammer zelf kan en welke ondersteuning zijn sociale netwerk kan bieden.
De mate van zelfredzaamheid van de Amsterdammer wordt onderzocht en gestimuleerd. Op basis daarvan wordt vastgesteld welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is.
Het inzetten van eigen kracht Hierbij kan in dit kader gedacht worden aan het handhaven van voorzieningen die al ingezet waren, zoals een belastingadviseur. Denk ook aan praktische oplossingen, zoals het kopen van een agenda en het plakken van briefjes ter herinnering aan taken.
Het vergroten van de inzet van het eigen sociale netwerk Onderzocht wordt op welke wijze de Amsterdammer door zijn netwerk ondersteund kan worden, bijvoorbeeld door familieleden, vrienden of buren. Het gaat hier allereerst om de zogenoemde gebruikelijke hulp (zie ook hoofdstuk 2). Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse begeleiding die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden (zie hoofdstuk 2.3). 25
Daarnaast wordt in het persoonlijke netwerk van de Amsterdammer gezocht naar aanvullende ondersteuning op basis van vrijwilligheid of wederkerigheid. Hierbij kan gedacht worden aan één van de kinderen die de Amsterdammer helpt bij het maken van en begeleiden naar afspraken, een tante die ondersteunt bij de administratie of buren die telefonisch de ‘vinger aan de pols’ houden. Ook kan gedacht worden aan een maatje die de Amsterdammer ergens heen begeleidt, een telefooncirkel en het inschakelen van een sport-, muziek- of andere vereniging.
Een beroep doen op andere wetgeving Indien een Amsterdammer een Wlz indicatie heeft of daarvoor in aanmerking komt, vindt de benodigde individuele begeleiding in het kader van de Wlz plaats en niet in het kader van de Wmo.
Het gebruik maken van voorzieningen sociale basis Bij het aanbod in de sociale basis kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ondersteuning vanuit een Huis van de Wijk/buurthuis of de inzet van vrijwilligers.
Tot slot staat hieronder een aantal afbakeningen met betrekking tot aanvullende individuele ondersteuning. Afbakening aanvullende individuele ondersteuning en ondersteuning door het buurtteam Aanvullende individuele ondersteuning kan alleen worden ingezet als ondersteuning door het buurtteam niet passend is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er ondersteuning nodig is die langdurig van aard is, én (tijds)intensief, én waarvoor een professional met specifieke (specialistische) expertise nodig is. Zoals bij Amsterdammers met zwaardere problematiek als gevolg van één van de volgende beperkingen, of een combinatie daarvan: 1. Niet-Aangeboren Hersenletsel (NAH) 2. Licht Verstandelijke Beperking (LVB) 3. Autisme 4. Zintuigelijke beperking auditief 5. Zintuigelijke beperking visueel In de praktijk zal er steeds door het buurtteam een maatwerkafweging gemaakt worden over wie de meest passende ondersteuning kan bieden: het buurtteam zelf of (in samenwerking met) een aanbieder. Afbakening aanvullende individuele ondersteuning en begeleid thuis Begeleid thuis onderscheidt zich van aanvullende individuele ondersteuning doordat er bij Begeleid Thuis sprake is van een meervoudig complexe doelgroep met een intensieve zorgvraag op het gebied van psychiatrie en/of psychosociaal (bijv.
voormalig dakloosheid), en/of verslaving en/of een (licht) verstandelijke beperking en/of forensische achtergrond. De problematiek kan zo groot zijn dat begeleiding intensief of veelvuldig ongepland noodzakelijk is en die 24 uur per dag beschikbaar moet zijn. Afbakening aanvullende individuele ondersteuning en hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden betreft het overnemen van huishoudelijke activiteiten die de Amsterdammer niet meer zelf kan uitvoeren, al dan niet in combinatie met de regievoering over deze activiteiten. Regievoering over het huishouden kan inhouden dat de huishoudelijke hulp de Amsterdammer actief stimuleert huishoudelijke activiteiten uit te voeren waarbij toezicht nodig is. 26
Bij de Amsterdammer die uitsluitend beperkingen ervaart ten aanzien van het doen van het huishouden wordt de voorziening hulp bij het huishouden ingezet. Als de Amsterdammer alleen regie over huishoudelijke taken nodig heeft en geen hulp bij het huishouden, wordt aanvullende individuele ondersteuning ingezet. Hierbij valt te denken aan het plannen en voorbespreken van huishoudelijke activiteiten waarna de Amsterdammer deze zelfstandig kan uitvoeren. Een ambulant ondersteuner voert geen huishoudelijke taken uit. Afbakening persoonlijke verzorging Wmo en persoonlijke verzorging Zorgverzekeringswet Persoonlijke verzorging betreft meestal het overnemen van zelfzorg die de Amsterdammer niet meer zelf kan doen, al dan niet in combinatie met de regievoering over deze activiteiten. Het gaat bijvoorbeeld om in- en uit bed gaan, wassen, lichamelijke verzorging, bewegen, toiletgang, eten/drinken, aan- en uitkleden. Als er sprake is van het structureren, organiseren of aansporen van persoonlijke verzorging door een regieprobleem kan dit onderdeel uitmaken van de aanvullende individuele ondersteuning binnen de Wmo. In dit geval heeft de Amsterdammer naar verwachting ook beperkingen bij de uitvoering en regievoering van andere dagelijkse activiteiten waarvoor aanvullende individuele ondersteuning nodig is. In alle andere situaties valt persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet.
Inname, attenderen op, aanreiken en toedienen van medicatie zijn altijd handelingen binnen de persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet. Het toekennen van alléén persoonlijke verzorging is vanuit de Wmo niet mogelijk. Afbakening aanvullende individuele ondersteuning Wmo en behandeling Zorgverzekeringswet Behandeling binnen de Zorgverzekeringswet betreft werken aan geformuleerde verbeterdoelen op een gestructureerde en methodische manier. Hiervoor is specifieke (para)medische deskundigheid vereist van bijvoorbeeld een fysio- of ergotherapeut, psycholoog of psychiater. Behandeling kan gericht zijn op herstel van ziekte, aandoening of beperking, maar ook op het voorkomen van verergering. Onder behandeling valt ook het leren omgaan met (de gevolgen van) een ziekte, aandoening of beperking en het aanleren van nieuw gedrag. Als het gaat om oefenen, ondersteuning bij inslijten van vaardigheden, handelingen, gedrag en ondersteuning bij het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, kan dit ook onder aanvullende individuele ondersteuning vallen. De vaardigheden, handelingen en gedrag kunnen in een (para)medisch voortraject als onderdeel van behandeling al aangeleerd zijn. Behandeling en aanvullende individuele ondersteuning kunnen naast elkaar bestaan en elkaar versterken.
Behandeling kan invloed hebben op de intensiteit en duur van de aanvullende individuele ondersteuning. Van de Amsterdammer wordt verwacht dat hij zo optimaal mogelijk gebruik maakt van bestaande behandelmogelijkheden. Bij twijfel of er nog behandeling mogelijk is, kan een medisch advies worden opgevraagd. ~ 4.4 Dagbesteding (artikel 4.4 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Dagbesteding is een Wmo-voorziening die geboden wordt aan Amsterdammers die als gevolg van een beperking of specifieke omstandigheid onvoldoende zelfredzaam zijn op het gebied van een zinvolle invulling van de dag, het hebben van sociale contacten en maatschappelijke deelname. Dagbesteding begeleidt de Amsterdammer bij het bevorderen en behouden van zelfredzaamheid en biedt begeleiding bij achteruitgang van zelfredzaamheid. Een cliënt kan ook in aanmerking 27
komen voor dagbesteding als overbelasting van mantelzorgers daarmee wordt voorkomen. Dagbesteding wordt aangeboden in een groep en is gericht op het hebben van contacten met meerdere personen. De begeleiding is deskundig in het bieden van passende activiteiten, structuur, toezicht en/of zorg en richt zich daarnaast ook op een afgewogen samenstelling van de groep en de omgeving waarin de dagbesteding plaatsvindt. Van de Amsterdammer wordt verwacht dat hij zelf regelt dat hij op de afgesproken momenten aanwezig is op de dagbestedingslocatie. Dagbesteding kent vier te bereiken resultaten: de mogelijkheid tot inlopen, meedoen in de samenleving, Meewerken in de samenleving en Meewerken-plus. Deze resultaten hebben een logische opbouw in de mate van prestaties die de Amsterdammer per resultaat kan behalen. De mogelijkheid tot inlopen Dit resultaat biedt een laagdrempelige inloopmogelijkheid voor het zinvol invullen van de dag. De Amsterdammer heeft hier de mogelijkheid tot het vinden van een beschutte omgeving in combinatie met sociaal contact. Met deze inloop worden Amsterdammers bereikt die zich niet zelf melden en vaak professionele ondersteuning mijden waarvoor een melding of aanvraag nodig is. Er is deskundige begeleiding aanwezig voor het herkennen van problematiek en om vertrouwen te wekken, om zorg te starten, ook als de Amsterdammer daar nog weerstand tegen heeft.
Het doel van de inloop kan ook zijn dat er een ondersteuningsplan wordt opgesteld of doorverwijzing plaatsvindt. Meedoen in de samenleving Dit resultaat biedt de Amsterdammer ondersteuning in groepsverband om (duurzame) sociale contacten op te bouwen, te onderhouden en mee te doen in Amsterdam. Het tegengaan van sociaal isolement en eenzaamheid, het hebben of creëren van een stabiele dagstructuur en het oefenen van vaardigheden kunnen doelen van de ondersteuning zijn. Meewerken in de samenleving Het resultaat Meewerken in de samenleving is bedoeld om Amsterdammers in staat te stellen zingevende activiteiten, zoals vrijwilligerswerk te verrichten. Bij Meewerken verricht de Amsterdammer activiteiten en werkzaamheden die maatschappelijke waarde hebben, waarbij sociale en werk gerelateerde contacten ontstaan en die bijdragen aan de ontwikkeling van de (werknemers)vaardigheden en/ of bijdraagt aan het herstel. Meewerken-plus Bij Meewerken-plus krijgt de Amsterdammer ondersteuning om vanuit dagbesteding (Meewerken) de stap naar betaald werk te zetten. De ondersteuning is gericht op het verder ontwikkelen van arbeidsmatige vaardigheden én bij het beroep passende sociale en communicatieve vaardigheden. Deelnemers participeren samen met anderen (in groeps- of teamverband) in een veilige beroepsmatige omgeving, waarbij zij taken en werkzaamheden uitvoeren die economische waarde hebben.
b Voorwaarden voor verstrekking Het besluit over de inzet van Dagbesteding wordt genomen door de gemeente op advies van het buurtteam, het Sociaal Wijkteam in postcodegebied Weesp of op advies van een gecontracteerde aanbieder Dagbesteding, waarbij het buurtteam of het Sociaal Wijkteam en gecontracteerde aanbieders onderling afstemmen en elkaar consulteren. Dagbesteding wordt geboden aan Amsterdammers die beperkingen hebben bij een zinvolle tijdsbesteding met sociale contacten en maatschappelijk verkeer. Als de ondersteuningsvraag op 28
het gebied van dagbesteding niet met voorliggende voorzieningen is op te lossen, kan een aanvraag worden gedaan voor de maatwerkvoorziening dagbesteding. Bij de beoordeling van deze aanvraag blijft het versterken van de eigen kracht en de het inzetten van voorliggende oplossingen het uitgangspunt. Het resultaat de mogelijkheid tot inlopen is als uitzondering op de andere resultaten van dagbesteding toegankelijk zonder aanvraag, voorafgaand gesprek of ondersteuningsplan, maar kan daar wel toe leiden. Gezien het karakter van dit resultaat is verstrekking als persoonsgebonden budget niet mogelijk. Uitgangspunt in het vraagverhelderingsgesprek is dat bij Amsterdammers vanaf 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd de mogelijke inzet van betaald werk en ontwikkeling naar betaald werk (Meewerken-plus) en daarnaast ook het kunnen functioneren in een groep of in contact met anderen. Het best passende resultaat wordt ingezet. De toeleiding naar betaald werk is leidend. Amsterdammers tot 18 jaar kunnen bij uitzondering, met een overdracht vanuit de Jeugdwet en/of de Participatiewet, ook dagbesteding vanuit de Wmo ontvangen. De resultaten zijn uitsluitend in groepsverband mogelijk. Meewerken-plus kan wel individueel worden ingezet, maar altijd als aanvulling op de groepsactiviteit vanuit Meewerken. De geboden ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan nodig is.
Uitgangspunt is dat jaarlijks een evaluatie plaatsvindt of, en zo ja welke afspraken er nodig zijn voor de inzet van dagbesteding. Als het vervoer naar dagbesteding vanwege beperkingen niet zelfstandig mogelijk is, dient de Amsterdammer eerst een beroep te doen op de inzet van het sociaal netwerk of andere informele oplossingen. Als deze opties niet voorhanden zijn dan bespreekt hij mogelijke vervoersalternatieven met de zorgaanbieder, die vanuit gemaakte afspraken met de gemeente Amsterdam een passende vervoersoplossing zal bieden. In het geval van een Pgb worden voorliggende voorzieningen voor vervoer tevens in overweging genomen. Indien deze onvoldoende toereikend zijn kan een financiële tegemoetkoming voor vervoer van en naar dagbesteding worden geïndiceerd. (zie paragraaf 4.10.8). Bij dagbesteding wordt eerst gekeken naar wat de Amsterdammer zelf kan en welke ondersteuning zijn sociale netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de Amsterdammer wordt onderzocht en gestimuleerd. Op basis daarvan wordt vastgesteld welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is.
Het inzetten van eigen kracht Hierbij kan gedacht worden aan oplossingen die iemand al had ingezet voordat de beperking optrad, het deelnemen aan activiteiten voor en door bewoners in de buurt, aansluiting vinden bij verenigingen of clubs, het volgen van cursussen, het uitbouwen van hobby’s, het zoeken van vrijwilligerswerk, onderwijs of een reguliere baan.
Het vergroten van de inzet van het eigen sociale netwerk Hierbij kan gedacht worden aan familieleden, vrienden of kennissen die een vorm van dagbesteding organiseren voor de Amsterdammer, zoals iemand die een vast dagdeel op bezoek komt, iemand die de Amsterdammer meeneemt naar een sociale gelegenheid of een vrijwilliger die wekelijks met de Amsterdammer gaat wandelen. Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde begeleiding bieden, is ondersteuning vanuit de Wmo niet aan de orde.
29
Een beroep doen op andere wetgeving De Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) kunnen voorliggend zijn op ondersteuning vanuit de Wmo. De Wlz kan voorliggend zijn als blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid en/of permanent toezicht nodig is. De Zvw kan voorliggend zijn als behandeling mogelijk is. Wanneer de doelgroep te maken heeft met meervoudige domeinoverstijgende problematiek op het terrein van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning of de Participatiewet wordt voor een goede afstemming van de ondersteuning gezorgd.
Het gebruik maken van aanbod in de sociale basis Voorzieningen in de sociale basis kunnen een oplossing bieden voor de problemen op het gebied van dagbesteding. Hierbij kan gedacht worden aan activiteiten voor en door bewoners zoals eettafels, koffieochtenden en wandelgroepen. Maar ook aan activiteiten gericht op het met elkaar kennis laten maken van mensen uit de buurt, stadsdeel of buurtgebonden voorzieningen zoals Algemene Ontmoetingscentra (AOC) en ‘een huis van de buurt’.
Tot slot staat hieronder nog een aantal afbakeningen met betrekking tot dagbesteding. Afbakening dagbesteding met aanvullende individuele ondersteuning Aanvullende individuele ondersteuning en dagbesteding onderscheiden zich in de te behalen resultaten en de wijze van begeleiding. Aanvullende individuele ondersteuning is ondersteuning gericht op het zelfstandig functioneren zodat mensen in hun privéleven hun zaken op orde houden en zelfstandig kunnen leven. Dagbesteding richt zich op het bieden van activiteiten zodat mensen een zinvolle daginvulling hebben en andere mensen ontmoeten. Dagbesteding vindt altijd plaats in groepsverband. Afbakening dagbesteding Wmo en dagbesteding Wlz en Zvw Als de Amsterdammer een Wlz-indicatie heeft dan is de daaruit gefinancierde dagbesteding voorliggend op dagbesteding uit de Wmo. Na of tijdens Zvw-behandeling kan de Amsterdammer behoefte hebben aan dagbesteding. Als de zelfredzaamheid van de Amsterdammer naar verwachting onvoldoende blijft dan is ondersteuning vanuit de Wmo een mogelijkheid. Het betreft dan ondersteuning bij sociale en maatschappelijke participatie van de cliënt, als het gaat om toepassen, ondersteunen bij inslijten of behouden van vaardigheden/handelingen.
4.6 Begeleid thuis en beschermd verblijf en opvang en ondersteuning voor slachtoffers van huiselijk geweld 4.6.1 Aanvullende criteria voor Begeleid thuis en beschermd verblijf (artikel 4.5, eerste en tweede lid Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Begeleid thuis Deze maatwerkvoorziening richt zich op intensieve en/of specialistische begeleiding die plaatsvindt op een zelfstandige of stabiele woonplek. De begeleiding bestaat uit het ondersteunen van de cliënt om zelfredzamer te worden op diverse leefgebieden.
30
Beschermd verblijf Deze maatwerkvoorziening richt zich op intensieve specialistische begeleiding die plaatsvindt vanuit de 24-uursvoorziening waar de cliënt verblijft en wordt ingezet op diverse levensgebieden
b Voorwaarden voor verstrekking Het besluit over de inzet van begeleid thuis wordt genomen door de gemeente op advies van het buurtteam, of het Sociaal Wijkteam in postcodegebied Weesp, of door de Centrale Toegang. Het besluit over de inzet van beschermd verblijf wordt genomen door de Centrale Toegang. Na toelating tot beschermd verblijf krijgen cliënten of direct een plek binnen beschermd verblijf of worden zij op een stedelijke wachtlijst geplaatst. Toegang voor begeleid thuis en beschermd verblijf wordt beoordeeld aan de hand van de criteria in de Wmo- verordening 2015 en aan de hand van de zelfredzaamheidsmatrix. Voor meerpersoonshuishoudens geldt dat de zelfredzaamheid van het systeem als geheel wordt beoordeeld. Als er zorg voor minderjarige kinderen is worden bovendien de opvoedvaardigheden en kindveiligheid in kaart gebracht door een aanvullende beoordeling op de volgende domeinen: lichamelijke verzorging, sociaal emotionele ondersteuning, scholing en opvang.
Specifiek voor beschermd verblijf en begeleid thuis voor gezinnen geldt dat bij co-ouderschap een ouder toegang tot de voorziening krijgt als de ouder aan de toegangscriteria van de voorziening voldoet en: de ouder minimaal voor 50% van de tijd de zorg heeft voor kind(eren), of er sprake is van een gefaseerde terugplaatsing van kind(eren) voor minimaal 50% van de tijd Gedurende het traject gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: Cliënt draagt zorg voor (een) minderjarig(e) kind(eren); Cliënt verstrekt de juiste gegevens op basis waarvan de gemeente een beslissing kan nemen Cliënt en gezinsleden werken mee aan de begeleiding. In aanvulling op deze voorwaarden geldt voor beschermd verblijf: Cliënt en gezinsleden werken mee aan overplaatsing naar een andere locatie; Cliënt en gezinsleden houden zich aan de huisregels van de opvanglocatie; Cliënt en gezinsleden accepteren een passende (omslag)woning; Cliënt betaalt de eigen bijdrage of huur of werkt mee aan een betalingsregeling als er te weinig inkomen is; Cliënt en gezinsleden hebben geen verslaving of acute psychiatrische problematiek die zo ernstig is dat deze zorg niet binnen beschermd verblijf voor gezinnen kan worden gegeven.
Om de afspraken omtrent co-ouderschap te kunnen toetsen gelden de volgende aanvullende voorwaarden: De gelijke verdeling van de zorg over beide ouders (50/50% regeling) is vastgelegd in een officieel ouderschapsplan, omgangsplan, plan van aanpak hulpverlening en/of perspectiefplan jeugdzorg. Het omgangsplan/ouderschapsplan is bekrachtigd door een mediator, notaris, JBRA, professionele hulpverlener of vastgesteld bij de rechtbank. 31
Bij een relatiebreuk waarbij geen officiële instantie is betrokken, is het omgangsplan/ouderschapsplan bekrachtigd met een gelegaliseerde handtekening.
Om aan te kunnen sluiten bij de voorwaarden voor de uitstroom naar een omslagwoning moet bij de aanvraag hiervan de ouder daadwerkelijk minimaal 50% van de tijd zorgdragen voor kind(eren).
Landelijke toegankelijkheid (4.5, vierde lid Wmo-verordening 2015) De VNG heeft in 2019 een vernieuwd Convenant Landelijke Toegankelijkheid opgesteld dat de landelijke toegankelijkheid van de maatwerkvoorziening opvang en beschermd wonen moet waarborgen. Belangrijkste uitgangspunt van het convenant is dat gekeken wordt naar de gemeente waar het duurzaam herstel van de cliënt het beste gerealiseerd kan worden. Onderzoek Als een cliënt die dakloos is in aanmerking komt voor de maatwerkvoorziening opvang of beschermd wonen, vindt conform het convenant onderzoek plaats op de volgende onderdelen om te bepalen in welke gemeente de opvang het beste geboden kan worden: Woongeschiedenis: Onderzocht wordt waar de laatste woonplaats was van cliënt voordat die dakloos werd. Hiervoor wordt het BRP geraadpleegd. Als blijkt dat de cliënt woonachtig was in een andere gemeente voorafgaand aan de dakloosheid kan de cliënt worden overgedragen aan de gemeente van herkomst. Dit kan alleen als hierover overeenstemming is met de gemeente van herkomst. Als niet duidelijk kan worden vastgesteld waar de cliënt zijn laatste woonadres had, is de aanmeldgemeente aan zet om het onderzoek uit te voeren. De wens van de cliënt: Uit het onderzoek moet duidelijk worden waar de cliënt opgevangen wil worden en waarom de opvang in de gemeente van voorkeur kan bijdragen aan het herstel van de cliënt.
Het sociaal netwerk van de cliënt: In het onderzoek wordt onderzocht welk netwerk de cliënt heeft, en of dit netwerk een positieve of juist negatieve invloed heeft op het herstel van de cliënt. Werk, dagbesteding of onderwijs: In het onderzoek wordt in kaart gebracht of en zo ja waar de cliënt dagbesteding heeft in de vorm van (vrijwilligers)werk of onderwijs, en of dit op positieve wijze bijdraagt aan het herstel van de cliënt. Hulpverlening of ondersteuningstrajecten: onderzocht wordt welke hulpverleningstrajecten er lopen, en bij welke zorgaanbieders, en in hoeverre deze bijdragen aan het herstel van de cliënt. Criminele activiteiten: Tot slot wordt in kaart gebracht of er sprake is van criminele activiteiten, of er politie- of justitie contacten zijn en of een traject in de aanmeldgemeente bijdraagt aan het verminderen van deze activiteiten. Ook wordt gekeken of er (justitiële) maatregelen genomen waarmee rekening gehouden moet worden. Op basis van het onderzoek wordt besloten in welke gemeente de maatwerkvoorziening en daarmee het herstel het beste kan plaatsvinden. Als dit in een andere gemeente dan Amsterdam is, vindt er overleg plaats met die gemeente. Is de ontvangende gemeente het eens met de conclusie dan vindt er een overdracht plaats.
Als gemeenten er onderling niet uitkomen, kan de casus worden voorgelegd aan de Commissie geschillen landelijke toegankelijkheid die is ondergebracht bij de VNG. De uitspraak van de commissie is bindend. Gedurende de behandeling van het geschil vangt de aanmeldgemeente de cliënt op. 32
4.6.2 Opvang en ondersteuning voor slachtoffers van huiselijk geweld (artikel 4.5, derde lid Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Voor slachtoffers van huiselijk geweld wordt voorzien in opvang en ondersteuning. Waar het kan wordt ambulante hulp geboden. Dit varieert van kortdurende tot lange intensieve trajecten en is gericht op het stoppen van geweld, het aanpakken van risicofactoren die bijdragen aan het geweld en ten slotte herstel. Wanneer ingeschat wordt dat ambulante hulp niet toereikend is om de veiligheid te waarborgen kan er overgegaan worden tot opvang. In de opvangperiode wordt gewerkt aan drie fasen van veiligheid: het bieden van acute veiligheid, het aanpakken van risicofactoren en herstel. Opvang via een noodbed, maximaal drie dagen, is bedoeld voor volwassenen en hun eventuele kinderen die vanwege een acuut onveilige situatie de thuissituatie moeten verlaten. Crisisopvang, 6 tot 9 weken, is bedoeld voor volwassenen en hun eventuele kinderen als er sprake is van structurele onveiligheid. Indien nodig kan er na het verblijf in de crisisopvang nog een fase van begeleid wonen geboden worden. In sommige situaties kunnen cliënten, in overleg met de gezinshulpverlener, opgevangen op een andere locatie elders in het land. b Voorwaarden voor verstrekking Het besluit over de inzet van ondersteuning en opvang na huiselijk geweld wordt gedaan door de Blijf Groep.
De toegang tot hulp en opvang na huiselijk geweld, kent afwijkende criteria die zijn vastgelegd in de Wmo-verordening in artikel 4.5 lid 3. Onveiligheid vanwege huiselijk geweld is het belangrijkste criterium. 4.7 Logeeropvang (artikel 4.6 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Bij logeeropvang gaat de Amsterdammer logeren bij een professionele aanbieder van logeeropvang, bijvoorbeeld in een instelling of logeerhuis, waar in een huiselijke, veilige omgeving 24 uurs toezicht geboden kan worden. Het doel hiervan is het overnemen van de gebruikelijke hulp of de zorg van de mantelzorger(s) om overbelasting van de mantelzorger(s) te voorkomen of te verminderen. Onderdeel van logeeropvang zijn dagactiviteiten en begeleiding op maat. Aanvullend op deze logeeropvang kan ook overige noodzakelijke zorg en ondersteuning geboden worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om persoonlijke zorg en verpleging vanuit de Zvw en de aanvullende individuele ondersteuning of dagbesteding vanuit de Wmo. De inzet van deze voorzieningen tijdens het logeren verschilt per Amsterdammer en de mogelijkheden van het logeeradres. Logeeropvang kan een aaneengesloten periode of terugkerend enkele dagen zijn. Aaneengesloten logeeropvang is bijvoorbeeld ten behoeve van vakantie van de mantelzorger. Bij terugkerende logeeropvang geldt een maximum van drie etmalen per week.
Voor logeeropvang geldt een totaal van 36 etmalen per cliënt per jaar. Logeeropvang kent de volgende drie te bereiken resultaten: het bieden van veilige logeeropvang in een huiselijke omgeving, met als doel om overbelasting van mantelzorger(s) te voorkomen of te verminderen; 33
waarborging van primaire en dagelijkse levensbehoeften van de cliënt, zo nodig met dagactiviteiten en begeleiding op maat; het bieden van logeeropvang in onverwachte situaties. Logeeropvang betreft altijd de eerste twee resultaten. Het bieden van veilige logeeropvang in een huiselijke omgeving om overbelasting van mantelzorger(s) te voorkomen of te verminderen Binnen dit resultaat wordt de zorg van de mantelzorger tijdelijk overgenomen door een professionele aanbieder, bijvoorbeeld in een logeerverblijf van een zorgaanbieder. De mantelzorger wordt hierdoor ontlast. Het karakter van het logeeradres is zoveel mogelijk veilig en huiselijk. De mantelzorger kan door de inzet van logeeropvang eigen activiteiten plannen en uitvoeren. Hiermee wordt de mantelzorger ondersteund om zijn mantelzorgtaken langdurig vol te houden. Waarborging van primaire en dagelijkse levensbehoeften voor de cliënt Binnen dit resultaat wordt ondersteuning geboden bij het uitvoeren en structureren van dagelijkse, praktische vaardigheden tijdens het verblijf. Zo nodig worden dagactiviteiten en begeleiding op maat geboden. De inzet van overige noodzakelijke zorg en ondersteuning verschilt per Amsterdammer en de mogelijkheden van het logeeradres.
Het bieden van logeeropvang in onverwachte situaties De gemeente kan in onverwachte situaties logeeropvang bieden, bijvoorbeeld wanneer een mantelzorger plotseling wegvalt en een cliënt hierdoor tijdelijk niet in staat is om zelfstandig thuis te wonen. Dit kan niet als er een medische aanleiding is voor opname van de cliënt, als de cliënt thuis al zorg krijgt vanuit de Wlz of een niet verzilverde Wlz-indicatie heeft. b Voorwaarden voor verstrekking Het besluit over de inzet van Logeeropvang wordt genomen door de gemeente op advies van het buurtteam, het Sociaal Wijkteam in postcodegebied Weesp of op advies van een gecontracteerde aanbieder Logeeropvang. Logeeropvang kan worden ingezet voor Amsterdammers die gezien hun zorgbehoefte aangewezen zijn op zorg met intensief toezicht, waardoor er gedurende langere tijd meer dan gebruikelijke hulp nodig is. Ontlasting van de persoon die gebruikelijke hulp of mantelzorg aan de Amsterdammer levert, is noodzakelijk; zonder de inzet van logeeropvang dreigt overbelasting. Logeeropvang is aanvullend op het wonen in de thuissituatie. Bij logeeropvang wordt eerst gekeken naar wat de Amsterdammer zelf kan en welke ondersteuning zijn sociale netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de Amsterdammer wordt onderzocht en gestimuleerd.
Vervolgens wordt gekeken naar de inzet van aanbod uit de sociale basis, algemene voorzieningen en voorliggende voorzieningen vanuit andere wetgeving. Pas daarna wordt vastgesteld of en zo ja welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is.
Het inzetten van eigen kracht Hierbij kan in dit kader gedacht worden aan het installeren van domotica hulpmiddelen waardoor de Amsterdammer gedurende een aantal uren alleen in huis kan blijven. Mogelijk kan alarmering of video op afstand de mantelzorger de gelegenheid bieden om even weg te gaan.
Het vergroten van de inzet van het eigen sociale netwerk 34
Iemand uit het eigen netwerk kan de zorg gedurende een aantal uren overnemen. Deze hulp is vrijwillig. Als het gaat om de normale, dagelijkse begeleiding die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden, is sprake van gebruikelijke hulp. Zie hoofdstuk 2 voor meer informatie over gebruikelijke hulp.
Een beroep doen op andere wetgeving o Zorgverzekeringswet (Zvw) Wanneer een Amsterdammer aangewezen is op verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg, kan logeeropvang op grond van de basisverzekering van de Zvw ingezet worden. Dit wordt eerstelijnsverblijf genoemd (Elv). Hierbij valt te denken aan tijdelijk verblijf na een medische ingreep. Verblijf met geneeskundige zorg valt buiten de gemeentelijke taken. Ook als er sprake is van palliatief terminale zorg is er sprake van verblijf op grond van de Zvw. Eerstelijns verblijf Zvw is voorliggend op logeeropvang vanuit de Wmo o Wet langdurige zorg (Wlz) Wanneer een Amsterdammer een indicatie heeft in het kader van de Wlz of op basis van zorgzwaarte daarvoor in aanmerking komt en nog thuis woont, dient kortdurend verblijf op grond van de Wlz aangevraagd te worden. Kortdurend verblijf Wlz is voorliggend op logeeropvang vanuit de Wmo.
Het gebruik maken van voorzieningen in de sociale basis en algemene voorzieningen De Amsterdammer kan mogelijk meedoen aan welzijnsactiviteiten, waardoor de mantelzorger een paar uur respijt heeft. Ook kan ondersteuning worden geboden om het dagelijks leven van mensen zo zelfstandig mogelijk in te richten of kan een vrijwilliger gevonden worden die een paar uren de zorg voor de Amsterdammer over kan nemen.
Als de noodzaak voor logeeropvang op grond van de Wmo is vastgesteld, wordt bekeken hoeveel etmalen dit nodig is om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen of te verminderen. Het uitgangspunt is dat de geboden logeeropvang niet langer wordt ingezet dan nodig is, met een maximum van 36 etmalen per cliënt per jaar. Met de Amsterdammer worden in een ondersteuningsplan afspraken vastgelegd over de doelen die worden nagestreefd, de activiteiten die worden ingezet, de te bereiken resultaten, en hoe lang en frequent de logeeropvang wordt ingezet. Uitgangspunt is dat jaarlijks opnieuw wordt bekeken of, en zo ja welke afspraken er nodig zijn voor de inzet van logeeropvang. Tot slot staat hieronder nog een afbakening met betrekking tot logeeropvang. Het gebruik maken van de maatwerkvoorzieningen aanvullende individuele ondersteuning, begeleid thuis of dagbesteding De Amsterdammer kan mogelijk een beroep doen op aanvullende individuele ondersteuning, begeleid thuis en/of dagbesteding, waardoor de mantelzorger wordt ontlast. Hierbij is het uitgangspunt dat de maatwerkvoorziening die het best past bij de situatie van de Amsterdammer en diens mantelzorger de voorkeur heeft. Logeeropvang kan worden ingezet naast aanvullende individuele ondersteuning, begeleid thuis en/of dagbesteding.
Afbakening met de Zvw en de Wlz Er kan vanuit de Wmo geen logeeropvang worden ingezet als er een medische aanleiding is voor een verblijf in een zorginstelling, dan moet er een beroep gedaan worden op een Eerstelijnsverblijf (ELV) voorziening vanuit de Zvw. Als de cliënt thuis al zorg krijgt vanuit de Wlz of een niet verzilverde Wlz-indicatie heeft, moet er een beroep gedaan worden op de Wlz voor logeeropvang. 35
Als een cliënt aanspraak kan maken op logeeropvang op grond van de Wlz en er is nog geen sprake van een indicatie, dan moet hiervoor zo snel mogelijk een aanvraag worden ingediend bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). 4.8 Woonvoorzieningen (artikel 4.7 Wmo-verordening 2015) Inleiding Normaal gebruik van de woning Woonvoorzieningen worden verstrekt om beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren. Het normale gebruik van de woonruimte omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om eten bereiden, slapen, lichaamsreiniging, essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals kleding wassen, aan- en uitkleden en het wassen en verschonen van een geheel van zijn verzorger(s) afhankelijk kind. Voor een kind is spelen zonder gevaar voor de eigen gezondheid ook een elementaire woonfunctie. Problemen die een persoon met beperkingen ondervindt bij het normale gebruik van de woonruimte moeten door de verstrekking van woonvoorzieningen worden opgelost. Het streven zal in beginsel erop gericht zijn de problemen geheel weg te nemen of aanzienlijk te verminderen. Om verschillende redenen zal dat niet altijd zo kunnen zijn. Die redenen kunnen gelegen zijn in de persoon met beperkingen, dan wel in de aard van de woonruimte.
Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden versterkt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer. Deze voorziening heeft tot doel het tot rust doen brengen van personen met een specifieke beperking. Bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar De woonruimte moet bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar zijn en mag geen aantoonbare problemen in het normale gebruik opleveren. Met bereikbaar wordt bedoeld dat de persoon met beperkingen zonder hulp vanaf de openbare weg tot de toegangsdeur van de woonruimte kan komen. Toegankelijk betekent dat de persoon met beperkingen zonder hulp in de woonruimte kan komen. Met bruikbaar wordt bedoeld dat de persoon met beperkingen zelfstandig alle binnen de woonruimte gebruikelijke activiteiten kan verrichten, zonder problemen te ondervinden veroorzaakt door de bouwkundige aard van de woning. Een woonvoorziening wordt alleen toegekend indien deze de woonruimte bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar maakt voor de persoon met beperkingen, door het wegnemen of aanzienlijk verminderen van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning. Er moet sprake zijn van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de ondervonden (naar objectieve maatstaf aanwezige) problemen, en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de betreffende woning.
Ook moeten de problemen in of bij de woning zelf ondervonden worden. Geluids- of geuroverlast, problemen met buren, onveiligheidsgevoelens en allergie ten gevolge van omgevingsfactoren buiten de woning zijn in principe geen redenen voor verstrekking van een woonvoorziening. Er worden ook geen voorzieningen verstrekt met het doel overlast voor derden te beperken. De woonruimte 36
Onder woonruimte wordt verstaan: 1. een woning met uitzondering van kamers die zelfstandig verhuurd worden; 2. een woonwagen als bedoeld in de Woningwet; 3. een woonschip op een ligplaats, zijnde een woonschip en een ligplaats als bedoeld in de Huisvestingswet; 4. een verblijf van een binnenschip als domicilie is gekozen in Amsterdam, blijkens het openbaar register voor schepen. Bij de woonruimte horen ook de toegang tot de woonruimte zelf, tot de tuin en tot het balkon, voor zover daarbij daadwerkelijk problemen worden ondervonden op het gebied van de toegankelijkheid. Ook kan worden voorzien in een stalling voor een vervoersvoorziening. Reguliere parkeerplaatsen vallen echter niet onder het begrip ‘woning’; de toegang tot het trottoir evenmin. Hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en kamerverhuur zijn uitgesloten om in aanmerking te komen voor een woonvoorziening. Er worden geen woonvoorzieningen verstrekt aan Amsterdammers die in een Wlz-instelling verblijven. Hierop wordt een uitzondering gemaakt, namelijk het logeer- en bezoekbaar maken van een andere woonruimte dan de instelling waar de Amsterdammer woont (zie verder onder 4.8.2 ‘Woonruimteaanpassingen’). Amsterdammers die met een Wlz-indicatie zelfstandig wonen en hun eigen woonlasten betalen, kunnen in aanmerking komen voor woonvoorzieningen.
Aan bewoners van sloopwoningen en kraakpanden worden alleen eenvoudige, losse, her te gebruiken woonvoorzieningen verstrekt, aangezien het hier gaat om woningen, waarbij de verdere woonduur op losse schroeven staat. Bij verhuizing naar een onzelfstandige woonruimte is het slechts mogelijk voor woonvoorzieningen in aanmerking te komen, indien de woonruimte deel uitmaakt van een woongebouw of een woning, geheel of gedeeltelijk verhuurd ten behoeve van groepswonen door ouderen, personen met beperkingen of een daarmee vergelijkbare woonvorm. De bewoners dienen te beschikken over een individueel huurcontract of (mede)eigenaar te zijn. Voor specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen zijn voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige extra kosten kunnen worden meegenomen uitgesloten. Achterstallig onderhoud De gemeente is niet gehouden voorzieningen te verstrekken als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud, dan wel het gevolg zijn van het feit dat de woning niet voldoet aan de op dat gebied geldende wettelijke voorschriften.
Integrale beoordeling Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden, begeleiding of compensatie vanuit de Wlz of Zvw kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Verder wordt beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten, inclusief het treffen van redelijkerwijs te vergen oppasmaatregelen van ouders of verzorgers. Ook wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen 37
als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning. Bij de indicatie voor woonruimteaanpassingen wordt beoordeeld welke aanpassingen noodzakelijk zijn om de gehele woonruimte langdurig geschikt te maken. Ook wordt beoordeeld of de aanpassingen technisch uitvoerbaar zijn. Primaat verhuizen Onder woonvoorzieningen vallen naast aanpassingen in de woning ook een aantal vergoedingen, waaronder een financiële tegemoetkoming bij een verhuizing. Als vast is komen te staan dat compensatie geboden moet worden c.q. een voorziening moet worden toegekend dan biedt het college deze door de goedkoopst adequate voorziening te verstrekken. Voorwaarde om voor subsidiëring van een woonruimteaanpassing in aanmerking te komen is dan ook dat er geen goedkoper alternatief realiseerbaar is door verhuizing of aangepaste inrichting. Uitgangspunt is dat verhuizen het primaat heeft. Het primaat verhuizen houdt in dat verhuizen naar een geschikte woonruimte voorrang heeft boven woonruimteaanpassingen, wanneer de kosten van de aanpassingen naar verwachting hoger zijn dan het in het Financieel besluit vastgelegde bedrag.
Als een meer geschikte woonruimte beschikbaar is, bestaat de mogelijkheid dat in die woonruimte aanpassing nog steeds noodzakelijk is, maar dat de kosten van de aanpassing aanzienlijk lager zijn dan wanneer de persoon met beperkingen niet zou verhuizen. Of een woning aangepast wordt, is mede afhankelijk van de vraag of aangepaste of geschikte woningen beschikbaar zijn, van de sociale omstandigheden maar ook van de beoordeling of aanpassingen technisch uitvoerbaar zijn en welke voorziening de goedkoopst adequate is. Geschikte woning beschikbaar Een verhuizing is adequaat als op redelijke termijn een woning beschikbaar komt. Ligt het in de verwachting dat de persoon met beperkingen binnen een redelijke termijn in aanmerking komt voor een geschiktere woning, dan is het ondoelmatig om zijn woning aan te passen. Het kan echter enige tijd duren voordat een meer geschikte woonruimte vrijkomt die eventueel aanzienlijk goedkoper kan worden aangepast. Als redelijke termijn wordt een periode van twee jaar beschouwd. Een meer geschikte woning is een woning die niet of beperkt moet worden aangepast, dan wel met aanmerkelijk lagere investeringen kan worden aangepast.
Voorrangsregeling van hoog naar laag Deze regeling van de Amsterdamse woningcorporaties biedt 65 plussers, die aan een aantal voorwaarden voldoen, de gelegenheid om in hun eigen buurt te verhuizen van een hooggelegen woning naar een woning op de begane grond, de eerste verdieping of een woning welke bereikbaar is met lift. 65 plussers met een toekenning voor een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing (Wmo verhuiskostenvergoeding) en 70 plussers houden hun oude huur (maken dus geen huursprong), tenzij er wordt verhuisd naar een nieuwbouwwoning. Andere 65 plussers kunnen gebruik maken van de regeling maar behouden niet de huur van hun oude woning. Van de persoon met beperkingen van 65 jaar of ouder wordt verwacht dat hij gebruik maakt van de voorrangsregeling van hoog naar laag, indien van toepassing. Gebruikmaking van deze regeling vergroot de kans op het vinden van een geschikte woning binnen een redelijke termijn. Afwijkingen van primaat verhuizen a. Sociale participatie en maatschappelijke activering Van het primaat verhuizen kan worden afgeweken als een verhuizing zal leiden tot een aanmerkelijke verschraling van het leven, bijvoorbeeld door het verlies van de sociale infrastructuur van de persoon met beperkingen. Het sociale netwerk speelt bij de afweging een belangrijke rol. Hierbij wordt betrokken: de aanwezigheid van mantelzorg in de directe 38
woonomgeving (bijvoorbeeld familieleden die in de buurt wonen); de aanwezigheid van verschillende voorzieningen; de binding met het stadsdeel. Als dit netwerk een essentiële bijdrage levert aan het langer zelfstandig kunnen blijven wonen van de persoon met beperkingen dan kan dit een aanleiding zijn om van het primaat verhuizen af te wijken. Als 65 plussers gebruik kunnen maken van de voorrangsregeling van hoog naar laag is er geen reden om af te wijken van het primaat verhuizen. b. Medische contra-indicatie Als er een (sociaal-)medische contra-indicatie is voor verhuizing van de aanvrager en/of de partner vervalt het primaat verhuizen. c. Eigenaar/bewoner Voor een eigenaar/bewoner van een woonruimte zal verhuizing andere gevolgen hebben dan wanneer men een woning huurt. Voor een eigenaar/bewoner heeft een verhuizing, behalve het vinden van een geschikte woning, tot gevolg dat moet worden overgegaan tot verkoop van het huis. Indien de kosten van de aanpassingen hoger zijn dan het in het Financieel besluit vastgestelde bedrag, dan kan de gemeente eigenaar/bewoners de keuze bieden tussen maximaal het bedrag genoemd bij het primaat verhuizen en als zodanig vastgelegd in het Financieel besluit, of een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing.
4.8.1 Financiële tegemoetkoming verhuizen a Productbeschrijving Een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing, inclusief de inrichting, is een forfaitair bedrag dat wordt toegekend aan a. een persoon met beperkingen bij verhuizing naar een geschikte, eventueel nog te verbouwen woning of een interim woning; b. een persoon die ten behoeve van een persoon met beperkingen verhuist uit een rolstoelwoning met als doel de rolstoelwoning leeg achter te laten. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is een door het college vastgesteld bedrag. De beschikking is maximaal vier jaar geldig. Daarnaast geldt in beginsel dat de aanvrager niet opnieuw in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing indien de eerder verstrekte indicatie onbenut is gebleven en de aanvrager niet regelmatig op een woning van WoningNet heeft gereageerd. Voor de hoogte van de tegemoetkoming is de verhuisdatum bepalend. Men kan dus in aanmerking komen voor een ander forfaitair bedrag dan oorspronkelijk in de beschikking is toegezegd. Dit doet zich voor als tussen de datum van de toezegging van de tegemoetkoming en de daadwerkelijke verhuizing het door het college vastgestelde bedrag is aangepast.
De Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 kent een bijzondere volgordebepaling (artikel 2.4.7, zesde lid) op grond waarvan bepaalde woningzoekenden eerder in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning voor een rolstoelwoning dan andere woningzoekenden. Het artikel onderscheidt drie categorieën woningzoekenden. Amsterdammers aan wie een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing naar een rolstoelgeschikte woning is toegekend, worden ingedeeld in één van deze categorieën. b Voorwaarden voor verstrekking Aan persoon met beperkingen a. Wegens beperkingen in het normale gebruik is verhuizing medisch noodzakelijk. 39
Er moet zijn vastgesteld dat wegens beperkingen in het normale gebruik van de woning verhuizing medisch noodzakelijk is. Van noodzaak is slechts sprake indien de beperkingen niet te voorzien waren, doordat ze bijvoorbeeld plotseling ontstaan zijn en het normale gebruik van de woning daadwerkelijk belemmeren. Hiervan kan sprake zijn als er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden (naar objectieve medische maatstaf aanwezige) beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de persoon met beperkingen bewoonde woning. De beperkingen moeten voorts in of bij de woning zelf (waaronder ook de toegankelijkheid en de bereikbaarheid van de woning moet worden begrepen) worden ondervonden. b. Verhuizen naar zelfstandige woning. Uitgangspunt is dat men naar een - zelfstandige - woning gaat verhuizen, en niet naar kamers of een niet-zelfstandige woonruimte. Van een niet-zelfstandige woonruimte is sprake, als de wezenlijke voorzieningen zich buiten de eigenlijke woonruimte bevinden. Als wezenlijke voorzieningen worden de keuken en het toilet aangemerkt. c. Verhuizen naar geschikte woning. De tegemoetkoming wordt alleen uitbetaald indien de te betrekken woonruimte voldoet aan de gestelde wooneisen en aan de overige voorwaarden uit de Wmo-verordening 2015.