Toelichting bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
Tekst van het document
In gebieden met intensief bodemgebruik is het niet altijd mogelijk om de juiste bodemkwaliteit tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten te bereiken. Het Besluit bodemkwaliteit (Bkk) biedt dan de mogelijkheid om op projectniveau af te wijken van de generieke normen, mits op gebiedsniveau de kwaliteit niet verminderd en dit beleid door lokaal bestuur wordt vastgesteld. In Amstelveen is wel gebiedspecifiek beleid opgenomen in de Nota bodembeheer(2019). De samenwerkende gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, OuderAmstel en Uithoorn willen met deze Nota een praktische richtlijn bieden hoe in de regio met grond, vrijkomende grond en baggerspecie moet worden omgesprongen. Er zijn geen regels opgenomen die het bestemmen van gebruiksfuncties beperken. Daar is ook weinig aanleiding voor, omdat de chemische bodemkwaliteit over het algemeen geen knelpunt vormt voor bestaand en toekomstig bodemgebruik. De 3 sporen komen te zijner tijd samen in de Omgevingswet. De uitgangspunten van de Nota bodembeheer worden dan vertaald in de omgevingsvisie en resp. omgevingsplannen. Provinciale milieuverordening De provincie beschermt aardkundig interessante gebieden, 'aardkundige waarden', die iets vertellen over manier waarop het landschap is ontstaan. Ze vormen ons aardkundig erfgoed.
In de praktijk betekent dit dat alleen grond mag worden toegepast die voldoet aan de bodemchemische normen en die bodemfysisch vergelijkbaar is met de in het toepassingsgebied voorkomende grondsoort. Dit is vastgelegd in de Provinciale milieuverordening. Paragraaf 5.1.3 geeft inzicht in het aanwezige aardkundige erfgoed. Gebieden met aardkundige waarden dienen planologisch te worden beschermd. Relevantie plangebied Bodemopbouw De locatie is omstreeks 1969 bouwrijp gemaakt, van landelijk naar stedelijk. Omstreeks 1980 zijn er verschillende gebouwen in het plangebied gebouwd. Rond 2017 is de sporthal op het Oostelijke Halfrond 9 gesloopt (nu onbebouwd). De locatie bevindt zich op een hoogte tussen de 3.919 en 4.349 m NAP (bron: AHN.nl). Waarschijnlijk lag het oorspronkelijke niveau op 4.8 m NAP. Waarmee is opgehoogd is niet bekend,
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 24
aannemelijk is dat er schoon zand is gebruikt gezien de informatie van de bodemkwaliteitskaart. Bodemkwaliteit Er is een verkennend en aanvullend bodem en asbestonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3, rapport van 12 mei 2017, project 26790). Na het uitvoeren van aanvullend onderzoek blijkt de bodem ter plaatse van boring 03 op een diepte van 0,4 tot 0,6 mmv sterk verontreinigd is met minerale olie. De omvang van de sterk verontreinigde grond bedraagt circa 10 m3, er is derhalve geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet Bodembescherming. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan de herontwikkeling van de locatie de olieverontreiniging te verwijderen, hiervoor een plan van aanpak op te stellen en de werkzaamheden milieukundig te begeleiden. In de omliggende boringen zijn maximaal lichte verhogingen met minerale olie aangetoond. In het grondwater zijn geen verhogingen met minerale olie en/of vluchtige aromaten aangetoond. In de boven en ondergrond zijn lichte verhogingen met zware metalen, PAK minerale olie en PCB’s aangetoond. In het grondwater zijn maximaal lichte verhogingen met zware metalen en xylenen aangetoond. Er is geen verdenking op asbest op basis van de
beschikbare info.
7.2 Water Beleidsdoelen water Het doel van waterbeheer in Nederland bestaat van oudsher uit het beschermen tegen overstromingen en het ontwateren van laaggelegen gebieden. Door de klimaatverandering is nieuw beleid gemaakt voor deze taken van veiligheid en peilbeheer. Dit vereist mogelijk ruimte vanwege de versterking en verbreding van dijken en waterkerende werken of voor extra waterberging. Een ander doel betreft het zorgen voor schoon en gezond water. Voor schoon water is een goed functionerend watersysteem vereist met voldoende volume en doorstroming. Een ecologische oeverinrichting is wenselijk, maar legt beslag op de ruimte. Grondwater wordt volop benut voor de productie van drinkwater. De laatste jaren ontwikkelt het grondwater zich tot een bron en/of opslagmedium voor warmte. Dit vormt een bijdrage aan de beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Efficiëntie van benutting is een van de redenen voor ruimtelijke ordening van de ondergrond. Wettelijk kader De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Voor de organisatie van het waterbeheer bevat het Waterbesluit de toedeling van oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk en regels over het verstrekken van informatie met betrekking tot het waterbeheer.
Ook regelt het Waterbesluit procedurele en inhoudelijke aspecten van het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren en enkele inhoudelijke aspecten van de plannen in verband met implementatie van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico's. Voorts bevat het besluit bepalingen over de wijze waarop de aanvraag om een watervergunning wordt gedaan, waaronder de gevallen waarin een elektronische aanvraag wordt ingediend. De Waterregeling bevat regels over de organisatie van het waterbeheer, een aantal kaarten over de toedeling van beheer, de begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en de aanwijzing van de drogere oevergebieden, alsmede regels voor gegevensverstrekking aan het Rijk op grond van Europese verplichtingen. Verder regelt de Waterregeling een enkel inhoudelijk aspect van het regionaal waterplan en de beheerplannen.
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 25
In de Waterwet is gekozen voor een systeem waarin iedere bestuurslaag haar beleid formuleert en dit vastlegt in plannen. De plannen geven aan wat iedere bestuurslaag wil doen in een bepaalde planperiode om de doelstellingen van het waterbeheer te halen. Deze plannen zijn bindend voor de eigen bestuurslaag. De Waterwet sluit op dit punt zoveel mogelijk aan bij de sturingsvisie van de Wet ruimtelijke ordening. Om water integraal onderdeel te laten uitmaken van de ruimtelijke planning, is het nodig dat de ruimtelijke gevolgen van de wateropgaven in ruimtelijke plannen worden uitgewerkt. Om dit effectief te kunnen doen, wordt in het planstelsel van de Waterwet een koppeling gelegd met het planstelsel van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Dit wil zeggen dat de waterplannen op Rijksniveau en op provinciaal niveau ook ruimtelijke plannen (structuurvisies) zijn op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EGkaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving.
De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysischchemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal waterplan Het Nationaal Waterplan 20162021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009 – 2015. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 20162021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Bestuursakkoord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: <0000> heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; <0000> beheersbaar programma voor de waterkeringen; <0000> doelmatig beheer van de waterketen, <0000> werkzaamheden slim combineren; <0000> het waterschapsbestuur. Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 26
De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie Het Deltaprogramma voor 2018 bevat voor het eerst een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie: een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk dat de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen versnelt en intensiveert. Het doel van dit deltaplan is adaptatie te versnellen en te intensiveren, zodat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht In het plan zijn 7 ambities opgenomen: 1. kwetsbaarheid in steden in beeld brengen middels een stresstest; 2. risicodialoog voeren op verschillende niveaus met gebiedspartners en een strategie opstellen; 3. uitvoerings en investeringsagenda opstellen per regio; 4. het koppelen van uitvoeringsagenda met andere ruimtelijke opgaven (bijv. nieuwbouw en (groot)onderhoud); 5. stimuleren met financiële middelen en faciliteren middels het delen van kennis, instrumenten en ervaringen; 6. reguleren en borgen in beleid en regelgeving; 7. handelen bij calamiteiten indien er toch overlast en schade is bij extreme weersituaties. De ambities, afspraken en acties kunnen alleen gerealiseerd worden door intensief met elkaar samen te werken. Keur 2019 – Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het projectgebied valt binnen het hoogheemraadschap Amstel, Gooi, Vecht.
Binnen dit hoogheemraadschap is de Keur 2019 van kracht, dit is de opvolger van de Keur 2017. De Keur is één van de instrumenten van beheer die de waterbeheerder ter beschikking staat om de doelstellingen van waterbeheer te behalen. De drie hoofddoelstellingen die vanuit de Waterwet zijn aangegeven zijn: <0000> voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste; <0000> beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen; <0000> vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen. Waterbeheerplan 6 20222028 De Waterwet en straks de Omgevingswet vereisen dat waterschappen elke 6 jaar de aanpak van hun watertaken vastleggen in een waterbeheerprogramma. Het WBP6 is afgestemd met landelijke en regionale plannen zoals de Omgevingsvisies van Rijk, provincies en gemeenten. De klimaatverandering zorgt voor grote uitdagingen. Van stijgende zeespiegel en overstromingsgevaar tot watertekort en van afnemende biodiversiteit en bodemdaling tot de bouw van meer dan 100.000 woningen in onze regio. Dit zijn de 5 maatschappelijke opgaves <0000> bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw; <0000> tegengaan van bodemdaling; <0000> versterking van de biodiversiteit; <0000> energieneutraal werken; <0000> Nederland circulair in 2050. Gemeentelijk rioleringsplan (GRP) 20212026 Het GRP gaat voor een gezonde, duurzame en leefbare stad.
er worden maatregelen genomen om regenwater en rioolwater te scheiden om overtollig water beheerst te laten
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 27
wegstromen naar bermen, sloten of speelweiden. Daarnaast wordt bestrating gebruikt die meer water doorlaat en worden groene daken gestimuleerd. Relevantie plangebied Door Tauw is een klimaatquickscan opgesteld (zie bijlage 4, 12122022 met kenmerk: N0021278548BMSV05pwsNL). De nieuwe ontwikkeling van het Alleman Kwartier bestaat uit een tweetal complexen, waarbij de gemeente kavels heeft gedefinieerd welke ontwikkeld kunnen worden. De verharding neemt toe ten aanzien van de situatie 2020, maar ten aanzien van de situatie 2017 (met de Bankrashal) neemt de verharding enigszins af (circa 234 m2). Het is wel belangrijk dat de verharding en maaiveldinrichting met aandacht voor klimaatadaptatie worden ontwerpen. Ten aanzien van wateroverlast, hitte en droogte zijn de volgende aandachtspunten ten aanzien van het uitwerken van het ontwerp: Wateroverlast Ambitie: Bij een bui van 70 mm in één uur stroomt er vanuit de openbare ruimte geen water gebouwen in. <0000> Voldoende infiltratie, afvoer en berging in het ontwerp terug laten komen: a. Op maaiveld (particuliere kavels) b. Op maaiveld (openbaar) c.
Op gebouwen (daken) <0000> Planpeil, groenpeil en straatpeil zodanig afstemmen dat er in het groen en op straat de buffer gebruikt kan worden zonder dat water het gebouw instroomt <0000> Vertraagde afvoer door bijvoorbeeld de parkeerplaatsen te benutten als waterbuffer Hitte Ambitie: De negatieve gezondheidsimpact op kwetsbare groepen wordt verkleind; de openbare ruimte en gebouwen worden hittebestendiger ingericht. <0000> Bestaande bomen zoveel mogelijk inpassen in het plangebied <0000> De kruinen van de bomen die gekapt moeten worden gemeten en die worden gecompenseerd zo veel mogelijk in het plangebied, maar anders elders in de wijk <0000> Schaduw creëren op looppaden zodat het medisch centrum en wijkcentrum goed bereikbaar blijft tijdens hete dagen <0000> Hitte koppelen aan het koelingsvraagstuk van gebouwen. De gebouwen hittebestendig ontwerpen en daarmee energie voor koeling besparen tijdens hete dagen Droogte Ambitie: Droogte leidt niet tot onomkeerbare schade aan gebouwen, infrastructuur en natuur.
<0000> Verhouding verharding/groen zal ook bij de uitwerking van het ontwerp behouden moeten blijven, zodat de ontwikkeling infiltratiepositief is <0000> De soortkeuze van de nieuwe bomen afstemmen op de fluctuerende grondwaterstanden <0000> Het groen inrichten waarbij zoveel mogelijk wordt ingezet op de bufferende werking van groen en het vasthouden van water tijdens hevige regenbuien <0000> Maatregelen die schade door bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 30 jaar in het ontwerp opnemen, zoals langdurige voorbelasting om restzetting te beperken, en daarmee zettingsverschillen tussen gebouwen en infrastructuur te minimaliseren Riolering en HWA Het hemelwater zal afgekoppeld worden van de riolering. Dit betekent dat het gebruik van lood, zink en koper dat in contact kan komen met hemelwater niet is toegestaan. Ook wordt teerhoudende dakbedekking (PAK's) vermeden en mag er niet met Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 28
verontreinigende stoffen verduurzaamd hout in de bouw en bij de inrichting van de openbare ruimte worden gewerkt. De woningen en het medisch centrum/wijkcentrum zullen aangesloten worden op een gescheiden stelsel. Het regenwater zal worden afgevoerd naar de riolering en/of oppervlaktewater.
7.3 Archeologie Wet op de archeologische monumentenzorg De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Voorbeelden daarvan zijn de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de vergunningverlening voor het verstoren van archeologische rijksmonumenten. Dit houdt in dat de gemeente bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan moet onderzoeken of de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het bestemmingsplan kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta) uit 1992. Dit gaat uit van de bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld.
Kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt”, dat ervan uitgaat dat de aanvrager van een omgevingsvergunning en een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten zelf de kosten moet dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, worden meer archeologische resten in situ behouden. Het principe dat de veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden. De volgende archeologische voorschriften worden in de wet genoemd: <0000> Het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven; <0000> De verplichting tot het doen van opgravingen; <0000> Het werk laten begeleiden door een deskundige. Het rijk is het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen (paragraaf 5.4 Erfgoedwet). Vondsten met archeologische waarde dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie NoordHolland. Archeologiebeleid gemeente Amstelveen De gemeente Amstelveen heeft in 2008 archeologisch beleid vastgesteld.
Hiertoe is een archeologische verwachtingskaart opgesteld. Op deze kaart zijn in verschillende gradaties de verwachte archeologische waarden opgenomen, waaraan criteria met betrekking tot oppervlakte en diepte van bodemverstoring zijn verbonden. In 2016 is het archeologisch beleid, en de daarbij behorende archeologische verwachtingskaart
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 29
geactualiseerd. Dit geactualiseerde beleid zal door een paraplubestemmingsplan gemeentebreed worden verankerd. De gebieden met de hoogste verwachting zijn vermeld als ‘AMKterrein’ (Archeologische Monumentenkaart) of als ‘historische kern’. Dit zijn de op kaart paars gekleurde gebieden (Amsterdamseweg, oude dorp, bestaande en voormalige buitenplaatsen langs de Amstel en locaties van voormalige molens en posten Linie van Krayenhoff). Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 50 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. In de zones waar ‘historische bebouwing’ heeft plaatsgevonden (Amsterdamseweg, Handweg, Legmeerdijk, Bovenkerkerweg en de Amsteldijk) geldt verplicht archeologisch onderzoek bij bodemverstoringen groter dan 100 m2. De zone van het onverveend bovenland (gebied ten westen van de Amsteldijk, groot loopveld (tracé ten zuiden van de A9) en het onverveende gebied in het noordwesten van Amstelveen) heeft een middelhoge verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 1.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Tot deze categorie van middelhoge archeologische verwachtingswaarde behoren ook de getijinversieruggen, die liggen in de Bovenkerkerpolder en de Noorderlegmeerpolder. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 5.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart.
Het overgrote deel van Amstelveen bestaat uit verveend, drooggemaakt of met zand opgespoten gebied. Binnen dit gebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 10.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Relevantie plangebied Paragraaf 5.1.3. geeft inzicht in de archeologische verwachtingswaarde van het plangebied. De archeologische verwachtingswaarde is hier laag. De bodemverstoringen blijft onder de 10.000 vierkante meter. Mochten er tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen dan geldt een meldingsplicht bij de gemeente Amstelveen.
7.4 Geluid Beleidskader In het algemeen maakt een bestemmingsplan de aanwezigheid van geluidproducerende bronnen, zoals industrie en wegverkeer, ruimtelijk mogelijk. Ook worden bestemmingen mogelijk gemaakt die een zekere mate van rust behoeven, zoals woningen en ziekenhuizen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de Wet geluidhinder en voor vliegverkeerlawaai in de Wet luchtvaart en het bijbehorende Luchthavenindelingbesluit. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon en leefklimaat. In de Wet geluidhinder zijn voorkeursgrenswaarden vastgesteld. Als daar niet aan voldaan kan worden, is het in bepaalde situaties mogelijk om zogenoemde hogere waarden vast te stellen. De gemeenteraad van Amstelveen heeft de "Deelnota Hogere Waarden" vastgesteld. In deze nota is de procedure uitgewerkt om de hogere waardenprocedure te doorlopen. In het hogere waardenbeleid is een aantal aspecten opgenomen die bij de afweging van een hogere waarde een rol speelt. Deze aspecten zijn: 1. het heersende geluidsniveau; 2. het toetsingskader om af te wijken van het heersende geluidsniveau; 3. cumulatie en compensatie. Industrie algemeen Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 30
Voor de kleinere bedrijfsterreinen waarvoor zonering niet verplicht is geven de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (VROM 1998) en de VNGuitgave 'Bedrijven en milieuzonering', richtlijnen over de wijze waarop met het aspect geluid in bestemmingsplannen moet worden omgegaan. De Handreiking geeft onder meer, ter voorkoming van geluidshinder bij geluidsgevoelige bestemmingen, streefwaarden. Voor de grote industrieterreinen, spoor en verkeerswegen is in de Wet geluidhinder (Wgh) een wettelijk kader ontwikkeld voor geluidzonering gekoppeld aan een systeem van grenswaarden. Wegverkeer Tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan moet inzicht worden gegeven in de geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die gesitueerd worden binnen de zone van een weg. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe weg zal ook de geluidsbelasting veroorzaakt door verkeer op de nieuwe weg op de bestaande geluidgevoelige bestemmingen in beeld moeten worden gebracht. Luchtverkeer Bij de ingebruikname van de vijfde baan van Schiphol (Polderbaan) op 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit (Lib) in werking getreden. Hiermee zijn nieuwe beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. Naast het luchthavengebied is een beperkingengebied aangegeven.
In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het gaat om o.a. een geluidssloopzone en een beperkingen geluidszone. Deze bepalingen moeten in de bestemmingsplannen worden verwerkt. Relevantie plangebied In het kader van de ruimtelijke procedure is een geluidsonderzoek benodigd naar alle relevante geluidsbronnen in de directe omgeving van het project. Op 24 november 2023 heeft Tauw een akoestisch onderzoek wegverkeer en stemgeluid basisschool uitgevoerd voor het Alleman Kwartier, 33 appartementen en een multifunctioneel pand met een wijkcentrum en een medisch centrum met apotheek (zie bijlage 5, projectnummer 1278548). Op 29 januari 2024 is een extra notitie opgesteld (zie bijlage 6, kenmerk: N0031278548CDJV02efmNL). Wegverkeer De nieuw te bouwen appartementen zijn gelegen binnen de geluidszone van het Oostelijk Halfrond, het Westelijk Halfrond, De Evenaar, Olympiadelaan, Camaera Obscuralaan en Max Havelaarlaan, allemaal 50 km/uur wegen, Den Bloeyenden Wijngaerdt en Straat van Mozambique, beide 30 km/uur wegen. De grenswaarde voor het wegverkeerslawaai bij nieuw te bouwen woningen bedraagt Lden 48 dB. De maximale grenswaarde die kan worden verleend is afhankelijk van de situatie en is voor binnenstedelijke wegen maximaal 63 dB en voor buitenstedelijke wegen 53 dB.
De geluidbelasting vanwege het verkeer op het Oostelijk Halfrond overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB tot maximaal 55 dB. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt nergens overschreden. Het ontwerp besluit Hogere grenswaarde heeft gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Zie bijlage 7 voor het vastgestelde besluit Hogere grenswaarde. Basisschool De geluidbelasting in het kader van het Activiteitenbesluit is in beeld gebracht. Onderzoek naar de geluidwering is nodig bij die delen van de uitwendige scheidingsconstructie, waar de grenswaarde wordt overschreden, en waarachter een geluidsgevoelige verblijfsruimte is gepland. De eisen met betrekking tot de minimale geluidwering van de gevel zijn opgenomen in het Bouwbesluit. De woningen die gerealiseerd worden moeten altijd voldoen aan het bouwbesluit. Vanwege de basisschool Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 31
De Bloeiwijzer met schoolplein, is de geluidbelasting veroorzaakt door activiteiten gerelateerd aan de school onderzocht. Tot de school behoort ook een schoolplein waar veelvuldig gebruik van wordt gemaakt. Uit het onderzoek blijkt dat geluid van spelende kinderen op het schoolplein hoge tot zeer hoge geluidbelasting op de gevels van de nieuw te bouwen woningen veroorzaakt, met name op de west en zuidgevel. Op de noordgevel is eveneens sprake van een verhoogd geluidniveau als gevolg van spelende kinderen op het schoolplein. Aan de hand van de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt de beoordeling van geluidhinder volgens een stappenplan uitgevoerd. Om te kunnen spreken van een acceptabel woon en leefklimaat is volgens stap 2 van de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ een geluidbelasting van ten hoogste 50 dB(A) (langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT)) en ten hoogste 70 dB(A) piekgeluid (LA,max) het uitgangspunt. De berekende geluidbelasting die door de school wordt veroorzaakt op een aantal nieuw te bouwen woningen is fors hoger dan aangegeven in stap 2.
Om bij de nieuw te bouwen woningen nog te kunnen spreken van een redelijk acceptabel woon en leefklimaat is het mogelijk om, overeenkomstig stap 3 van de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, op de gevels van de nieuw te bouwen woningen een geluidbelasting van ten hoogste 55 dB(A) (langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT)) en ten hoogste 70 dB(A) piekgeluid (LA,max) toe te staan. De berekende geluidbelasting ten gevolge van spelende kinderen op het schoolplein is op een aantal gevels hoger dan toepasbaar is volgens stap 3 van de VNG publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Om die reden is het van belang dat de westgevel van het gehele woongebouw wordt uitgevoerd als dove gevel. Dat betekent dat de westgevel ter plaatse van de woningen ten noorden van de binnentuin een geluidwering van de gevel moet hebben van 36 dB(A) en ter plaatse van de woningen ten zuiden van de binnentuin een geluidwering van 37 dB(A). De westzijde tussen het blok aan de noordzijde en het blok aan de zuidzijde van de binnentuin moet uitgevoerd worden als geluidsscherm over de gehele breedte en hoogte tussen de bouwblokken.
Dit geluidsscherm moet aan de volgende eisen voldoen: <0000> Het geluidsscherm dient geheel gesloten uitgevoerd te worden, er mogen geen naden, kieren of andere openingen in aanwezig zijn; <0000> Het geluidsscherm moet zonder naden of kieren aansluiten op de westgevels van de bouwblokken; <0000> Het geluidsscherm moet een minimum gewicht hebben van 10 kg/m2; <0000> Het geluidsscherm moet uit geschikt nader te bepalen materiaal zijn vervaardigd, dat mag ook glas zijn. Ook bij toepassing van een geluidsscherm aan de westgevel zal de geluidbelasting ten gevolge van de school, op een aantal woningen hoger zijn dan aangegeven in stap 2 van de VNG publicatie. Blok ten noorden van de binnentuin: de zuidgevel is als geluidluw te kwalificeren. Blok ten zuiden van de binnentuin: Op de noordgevel van een aantal woningen op de derde verdieping in het blok ten zuiden van de binnentuin is de geluidbelasting alsnog hoger dan 50 dB(A), namelijk tussen 51 en 53 dB(A). Bij deze woningen is de noordgevel daardoor niet als geluidluw te kwalificeren. Om die reden zal de ter plaatse van die woningen in het blok ten zuiden van de binnentuin als dove gevel uitgevoerd moeten worden. Uitzondering hierop bij elke woning is de gevel ter plaatse van de doorgang naar het balkon.
Het balkon dient zodanig afgeschermd te zijn dat de geluidbelasting op het balkon niet hoger is dan 55 dB(A) (Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau). De dove zuidgevel moet een geluidwering hebben van minimaal 31 dB(A).
7.5 Luchtkwaliteit
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 32
Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: <0000> er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; <0000> een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; <0000> een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; <0000> een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSLprojecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen.
Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: <0000> de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) moeten vanaf 2015 voldoen aan de grenswaarde van 40 µg/m3; <0000> voor fijn stof (PM10) geldt vanaf 2011 een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; <0000> de 24uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); <0000> voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, zijn ook grenswaarden vastgesteld. Deze zijn niet strenger dan de huidige norm voor daggemiddelde concentraties van PM10. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' zoals een school of kinderopvang in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. Binnen dit bestemmingsplan bevinden zich geen gevoelige bestemmingen.
Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig. Relevantie plangebied In het kader van de ruimtelijke procedure is het effect is van de nieuwe wooncomplexen op de luchtkwaliteit bepaald en is er een ‘niet in betekende mate’ toets uitgevoerd door Tauw op 31 oktober 2022 (zie bijlage 8, kenmerk N0011278548EZMV02pwsNL). Het effect voor het project draagt minder dan 1,2 μg/m3 bij aan de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 33
luchtkwaliteit wordt daarmee beschouwd als ‘niet in betekende mate’ en vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit wettelijk inpasbaar op basis van artikel 5.16 lid 1c van de Wet milieubeheer. Ook is aangetoond dat de concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plan de wettelijke grenswaarden niet zullen overschrijden ten gevolge van het plan. Daarmee is de ontwikkeling ook inpasbaar op basis van artikel 5.16 lid 1a van de Wet milieubeheer.
7.6 Verkeer en parkeren Parkeren en verkeersveiligheid parkeerterrein Den Bloeyenden Wijngaerdt Het verkeer en parkeren voor het nieuwe woongebouw en het nieuwe medisch centrum en wijkcentrum in dit bestemmingsplan worden bezien in relatie tot de totaalontwikkeling waarbij ook de huidige plek van het wijkcentrum en medisch centrum worden herontwikkeld en de parkeersituatie rondom SBO De Bloeiwijzer ook in ogenschouw moet worden genomen. Het parkeerterrein aan Den Bloeyenden Wijngaerdt kent in de basis al een goede bereikbaarheid en toegankelijkheid vanwege de omvang en de mogelijkheid om een rondje te rijden (Kiss and Ride ook voor taxibussen voor de SBO). De huidige verkeersafwikkeling bij het speciaal basisonderwijs en voor het wijkcentrum en medisch centrum is in principe relatief veilig. Na bezoek aan de SBO en daaropvolgende gesprekken blijkt het feitelijke gebruik in piektijden wel te leiden tot zorgen. Om deze zorgen naar aanleiding van de reacties van de SBO school en bewoners uit de directe omgeving weg te nemen, zijn verbeteringen in de verkeersafwikkeling in het plan opgenomen. De routering op het parkeerterrein zal worden uitgevoerd met schuine parkeerplaatsen in combinatie met eenrichtingsverkeer. Halverwege kan ook een doorsteek worden gemaakt. Hiermee wordt beoogd de verkeersstromen rondom SBO De Bloeiwijzer duidelijker te begeleiden.
Het parkeren ten behoeve van het nieuwe wijkcentrum en medisch centrum wordt opgelost aan Den Bloeyenden Wijngaerdt. Het parkeren voor de woonbestemming wordt deels op eigen terrein, binnen de woonbestemming, en deels aan Den Bloeyenden Wijngaerdt opgelost. In dit project wordt uitgegaan van de Parkeernormen uit de gerectificeerde Nota Parkeernormen 2021, deelgebied B2 (Amstelveen Noord zonder betaald parkeren). Daarnaast is, conform de parkeernota, het uitgangspunt dat de parkeerbehoefte van het nieuwe medisch centrum dubbel te gebruiken is met de parkeerplaatsen voor de woningen indien deze volledig openbaar toegankelijk zijn. De parkeerdruk die werd veroorzaakt door de voormalige Bankrashal wordt verrekend met de parkeerdruk die wordt veroorzaakt door de nieuwe functies. Daarnaast wordt het bestaande parkeerterrein op Den Bloeyenden Wijngaerdt uitgebreid in capaciteit. Verkeer De ontsluiting van het plangebied per auto en fiets zal hoofdzakelijk plaats vinden tussen De Evenaar en Oostelijk Halfrond via Den Bloeyenden Wijngaerdt. De verkeersgeneratie van het nieuwe wijkcentrum wijkt niet af van de huidige situatie. Voor wat betreft de nieuwe functies neemt het medisch centrum met 1.300 m² toe, ook worden in het gebied 120 tot 130 woningen toegevoegd.
De toevoeging van het voorgestelde aantal en categorie woningen levert een verkeersgeneratie op van gemiddeld 533 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor het medisch centrum is de verkeersgeneratie gemiddeld 486 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De voormalige functies hadden een verkeersgeneratie van 162 motorvoertuigbewegingen (medisch centrum) en 284 motorvoertuigen (sporthal). Dit totaal is een toename van 573 motorvoertuigen per etmaal, die goed is op te vangen op het huidige wegennet rondom het plangebied. Zowel Den Bloeyenden Wijngaerdt als De Evenaar en aansluitende wegen kennen ruim
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 34
voldoende restcapaciteit om deze ontwikkelingen op te vangen. Een en ander betekent dat de verkeerstoename door de nieuwbouw mogelijk is op de bestaande infrastructuur. Aan het Oostelijk Halfrond wordt een inrit gemaakt voor de parkeerplaatsen van het woongebouw. De inrit wordt zodanig gepositioneerd dat de huidige bewoners van het Oostelijk Halfrond hier zo weinig mogelijk hinder van gaan ondervinden. Langzaam verkeer Er wordt geen nieuwe auto aansluiting gemaakt tussen Den Bloeyenden Wijngaerdt en Olympiadelaan. Het houten bruggetje dat nu een verbinding legt voor fietsers en wandelaars met de Olympiadelaan blijft wel te gebruiken voor hulpdiensten, maar is verder vooral bedoeld voor het gebruik van wijkpark de Groene Schakel. De voetpaden in en rondom het plangebied dienen verder behouden te blijven, dit ook om verplaatsing van kabels en leidingen te voorkomen.
7.7 Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Amstelveen gaat het met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen in de omgeving van het bedrijf. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPGtankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".
Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 106 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties. Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen inwerking getreden. Deze wet vervangt de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.
Het doel van Basisnet is om gevaarlijke stoffen te kunnen vervoeren tussen de belangrijkste industriële plaatsen in Nederland en in het buitenland en de risico's voor omwonenden langs de routes binnen de wettelijke grenzen te houden. Het systeem Basisnet heeft Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 35
betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over grote vaarwegen, spoorwegen en autowegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Relevantie plangebied Het plangebied ligt niet in de invloedssfeer van een weg waarover gevaarlijk transport plaats vindt of in de invloedssfeer van een inrichting of leidingentracé dat een gevarenzone rond zich heeft.
7.8 Natuur
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van soorten en leefgebieden. De wet is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn). De wet kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Gedeputeerde Staten kunnen in sommige gevallen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen. Vrijwel alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder andere soorten vallen onder andere de ringslang en de grote modderkruiper. De gemeente Amstelveen adviseert om de gedragscodes van Stadswerk te gebruiken. Er is een code voor bestendig beheer en onderhoud en een code voor ruimtelijke ingrepen. Relevantie plangebied Op 15 januari 2021 is er een natuuronderzoek gedaan door adviesbureau ECOlogisch naar kleine marterachtigen en vleermuizen in het kader van de natuurwetgeving (zie bijlage 9, projectcode AMVL2003). Binnen het projectgebied zijn geen kleine marterachtigen aangetroffen.
Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Essentiële vliegroutes of essentiële foerageergebieden zijn niet aangetroffen binnen het projectgebied. Van de gewone dwergvleermuis kan er een paarverblijfplaats worden verwacht in het flatgebouw ten oosten van het projectgebied. Binnen het projectgebied zijn geen beschermde functies aangetroffen. Er zijn voor de geplande werkzaamheden geen vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Wel dient er rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht en geldt er een meldplicht bij de start van de werkzaamheden bij de Omgevingsdienst NoordHolland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart 1 augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Stikstofberekening
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 36
Er is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd door Tauw (zie bijlage 10, d.d. 7 maart 2023, projectnr. 1278548) om de stikstofdepositie als gevolg van het project op Natura 2000gebieden te berekenen. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is Botshol op 6,1 km afstand van de projectlocatie. In de berekeningen wordt onderscheid gemaakt tussen de aanlegfase en de gebruiksfase. In de berekeningen zijn de emissies van NOX en NH3 van de relevante bronnen meegenomen. Het gaat hierbij om: <0000> Mobiele werktuigen tijdens de aanlegfase <0000> Emissies ten gevolge van stationair draaiende vrachtwagens tijdens de aanlegfase <0000> Verkeersbewegingen van en naar de locatie tijdens de aanleg en de gebruiksfase Er zijn in dit onderzoek twee berekeningen uitgevoerd om de stikstofdepositiebijdrage van het plan op de Natura 2000gebieden in kaart te brengen: <0000> Berekening stikstofdepositiebijdrage ten gevolge van de aanlegfase <0000> Berekening stikstofdepositiebijdrage ten gevolge van de gebruiksfase De bijdrage aan de stikstofdepositie van het plan Alleman kwartier is berekend met de vigerende versie het rekeninstrument AERIUS Calculator (versie 2022). Met het rekenmodel AERIUS zijn geen depositieresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar berekend op nabijgelegen Natura 2000gebieden, zowel tijdens de aanlegfase als tijdens de gebruiksfase.
Daarmee kan geconcludeerd worden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000gebieden ten gevolge van het plan. Het aspect stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor het vaststellen van het plan.
7.9 Duurzaam bouwen en energie PLECK 5.0 Het duurzaamheidsbeleid van Amstelveen gaat over de Energietransitie, Circulaire Economie en Klimaatadaptatie (PLECK). Het maatschappelijk belang van een duurzame samenleving is groeiende. Klimaatextremen van het afgelopen jaar leiden tot een steeds groter en breder gedragen besef van de noodzaak om maatregelen te nemen om minder CO2 uit te stoten. De gemeente hanteert als algemene doelstelling de volgende CO2 doelen: <0000> De gemeentelijke organisatie is in 2030 fossiel onafhankelijk en werkt CO₂uitstootvrij; <0000> In 2040 wil Amstelveen 95% minder CO2 uitstoten ten opzichte van 1990. Energietransitie Het proces waarbij we stap voor stap op een andere manier gaan zorgen voor energieopwekking. De veranderingen betreffen onder andere de overgang van fossiele brandstoffen, zoals aardgas, naar duurzame energiebronnen. Doelen energietransitie: <0000> De gemeentelijke organisatie is in 2030 fossielonafhankelijk; <0000> Het gemeentelijk vastgoed is in 2030 gasloos; <0000> In 2040 wil het bestuur van de stad onafhankelijk van fossiele brandstoffen functioneren, dan is alle energie die we in Amstelveen gebruiken afkomstig van hernieuwbare energiebronnen. Dit heeft betrekking op vervoer, energiegebruik in woningen en gebouwen en door bedrijven en instellingen. Circulaire economie Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 37
Een circulaire economie is een economisch systeem dat het hergebruiken van producten en grondstoffen als uitgangspunt neemt. Het oneindig hergebruiken van grondstoffen maakt een economie circulair. De aanpak voor Circulaire economie is verdeeld in 4 onderwerpen: 1. Inkoop en aan besteding <0000> 10% circulair inkopen in 2020 en 50% in 2025. 2. Grondstoffen <0000> In 2022 hergebruiken we 75% van onze grondstoffen die vrijkomen uit huishoudens; <0000> Maximaal 100 kilo restafval per inwoner per jaar in 2022. De doelstelling van het Landelijk Afvalbeheer Plan is aangescherpt naar 30 kilo restafval per inwoner per jaar in 2025; <0000> Bedrijfsafval beter scheiden. 3. Circulair bouwen <0000> Ervaring opdoen met circulair bouwen. Klimaatadaptatie Aanpassing van de stad aan de verwachte verandering van het klimaat, zoals het toenemen van neerslag, de effecten van verwachte toename van temperatuur (hittestress) en droogte. Doel klimaatadaptatie: <0000> Sinds 2020 wordt de stad klimaatbestendig ingericht, om de stad aan het veranderende klimaat aan te passen. In 2050 zal heel Amstelveen klimaatrobuust ingericht zijn. Het gaat om de onderdelen: wateroverlast, droogte, hitte en waterveiligheid. Verordening Bodemenergie gemeente Amstelveen De gemeente Amstelveen heeft als doelstelling dat in 2040 de AM regio energieneutraal is.
Dat wil zeggen dat er evenveel energie duurzaam opgewekt wordt als er in de regio gebruikt wordt. Door middel van de toepassing van bodemenergie kan een bijdrage geleverd worden aan realisatie van die doelstelling. Bodemenergie maakt gebruik van de energie (temperatuur) van grondwater. Via een warmtewisselaar wordt energie aan het grondwater onttrokken of toegevoegd. In de winter wordt warmte onttrokken om gebouwen te verwarmen. In de zomer kunnen gebouwen worden gekoeld. In de praktijk wordt onderscheid gemaakt tussen open bodemenergiesystemen en gesloten bodemenergiesystemen. Gesloten bodemenergiesysteem In een gesloten systeem wordt geen grondwater opgepompt. Er wordt een gesloten buis in de bodem aangebracht, waardoor koelvloeistof wordt verpompt. Deze systemen worden ook wel bodemwarmtewisselaars genoemd. De systemen zijn relatief compact, geschikt voor kleine vermogens en relatief eenvoudig te installeren. Ze zijn daarom geschikt voor eengezinswoningen. Bij grotere energievraag kunnen meerdere buizen aan elkaar worden gekoppeld. Open bodemenergiesystemen Bij open bodemenergiesystemen wordt grondwater verpompt . Via een warmtewisselaar wordt energie aan het grondwater onttrokken in de vorm van warmte. De warmte wordt afgegeven aan een gebouw. Het afgekoelde grondwater wordt terug in de bodem gepompt. In de zomer kan een gebouw met koude worden gekoeld.
Het afgekoelde of opgewarmde grondwater wordt teruggepompt. Er zijn verschillende systemen in omloop, waarvan de warmtekoude opslag (WKO) het meest bekend is. Hierbij wordt de opwarming in de zomer gebruikt om grondwater op te warmen, dat in de winter wordt gebruikt voor verwarming. Er is sprake van opslag bij
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 38
twee bronnen, een warmte en koude bron. Dit kan naast elkaar, maar ook boven elkaar. De brondiepte kan tot 200 meter bedragen. Open bodemenergiesystemen zijn niet geschikt voor kleine vermogens, vereisen meer vooronderzoek en zijn duurder. Daarom worden ze veelal toepast bij bedrijven/kantoren en collectieve woonvormen, zoals appartementcomplexen/woonwijken. Interferentiegebieden Toepassing van bodemenergie leidt tot een ondergrondse ruimteclaim. Omdat de druk op de beschikbare ruimte in bepaalde delen van Amstelveen groot is, wil de gemeente het gebruik sturen. Indien bodemenergiesystemen te dicht op elkaar geplaatst, dan bestaat het risico dat thermische invloedsgebieden elkaar overlappen. Dit wordt interferentie genoemd. Het gevolg van interferentie is dat er minder energie beschikbaar is dan was verwacht. Realisatie van een groot aantal bodemenergiesystemen in een beperkt gebied kan dus alleen wanneer de systemen 'slim' ten opzichte van elkaar gepositioneerd worden. In gebieden waar dergelijke druk op de (energieopslag)capaciteit van de bodem voorzien wordt, is het wenselijk dat regie wordt gevoerd om vraag naar en beschikbaarheid van ruimte voor bodemenergie op elkaar af te stemmen. Energie Sinds 1 januari 2021 geldt BENG (Bijna Energieneutrale Gebouwen) als nieuwe wetgeving in Nederland die de huidige EPCnorm voor nieuwbouw vervangt.
BENG is gebaseerd op de “Trias Energetica”, een driestappenstrategie om een energiezuinig ontwerp te maken. De huidige EPCmethode om de energieprestatie van woningen te berekenen voldoet niet meer. Bij de huidige EPC nieuwbouweis is het bijvoorbeeld mogelijk om het energieverlies van een woning door de gebouwvorm, bijvoorbeeld door een grote glaswand, te compenseren met zonnepanelen. Er is daardoor bij de huidige eis geen relatie met het energieverbruik per m2. De BENG eisen houden hier wel rekening mee. Er wordt een aparte eis gesteld aan de buitenkant van een gebouw, de zogenoemde schil, om de energiebehoefte te limiteren. Dit noemen we BENG 1. Daarnaast moet de energievraag van een gebouw zo veel mogelijk uit hernieuwbare energie bestaan: de BENG 3eis. En tenslotte moet de resterende energiebehoefte zo efficiënt mogelijk worden opgewekt: BENG 2.
7.10 Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) Wettelijk kader Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan een m.e.r.(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Voor plannen en besluiten die nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt vaak een m.e.r. doorlopen. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging houdt in dat B&W voortaan ook een besluit moeten nemen over de vormvrije m.e.r.beoordeling. Voor de vormvrije m.e.r.beoordeling gelden twee voorwaarden: <0000> het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de Dlijst van het Besluit m.e.r. <0000> de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de Dlijst). Via een vormvrije m.e.r.beoordeling worden de milieueffecten van de gewenste ontwikkeling onderzocht. Op basis hiervan wordt beoordeeld of een milieueffectrapportage of m.e.r.beoordeling moet worden opgesteld. Toetsing Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 39
activiteiten die voorkomen op de Dlijst uit het Besluit m.e.r. (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen). Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang van het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het voornemen om 33 woningen en een multifunctioneel centrum te realiseren ligt (ver) onder de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. Op basis hiervan moet gekeken worden of een vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk is. Gevoelig gebied De projectlocatie is niet gelegen in of nabij een gebied dat wordt beschermd vanuit de natuurwaarden. De locatie is daarnaast zodanig ver verwijderd van een Natura 2000gebied dat van externe werking geen sprake kan zijn. Tevens ligt het niet in de buurt van het Natuurnetwerk Nederland of overig beschermd natuurgebied. De projectlocatie behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.
Milieugevolgen De omvang van de voorgenomen ontwikkeling brengt geen zodanige productie van afvalstoffen, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen met zich mee op basis waarvan belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In de vorige paragrafen zijn verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieugevolgen. Zodra het multifunctioneel centrum is opgeleverd zal het bestaande wijk en medisch centrum worden gesloopt. Hier zal op termijn ook woningbouw worden gerealiseerd. Deze ontwikkeling is zodanig beperkt qua omvang dat deze geen invloed heeft op bovenstaande onderbouwing. Er spelen geen andere ontwikkelingen in de nabijheid van het plangebied. Daarnaast wordt opgemerkt dat in het verleden op de huidige situatie ook al een stedelijke functie binnen het projectgebied aanwezig was. Conclusie Er worden 33 woningen en een multifunctioneel centrum gerealiseerd. Uit de effecten die in de toelichting zijn beschreven kan worden geconcludeerd dat als gevolg van de bouw en bijbehorende faciliteiten en parkeervoorzieningen er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Geconcludeerd wordt dat er geen milieueffectrapport te worden opgesteld en geen m.e.r.beoordeling te worden uitgevoerd (zie bijlage 11 voor het besluit).
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Oostelijk Halfrond 9
pagina 40