CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan Acacialaan 20-22

Raadscommissie voor Ruimte, wonen en natuur 3 februari 2022, gemeente amstelveenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Acacialaan 20-22 (met gecoördineerde omgevingsvergunning)14.360 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In de Waterwet is gekozen voor een systeem waarin iedere bestuurslaag haar beleid formuleert en dit vastlegt in plannen. De plannen geven aan wat iedere bestuurslaag wil doen in een bepaalde planperiode om de doelstellingen van het waterbeheer te halen. Deze plannen zijn bindend voor de eigen bestuurslaag. De Waterwet sluit op dit punt zoveel mogelijk aan bij de sturingsvisie van de Wet ruimtelijke ordening. Om water integraal onderdeel te laten uitmaken van de ruimtelijke planning, is het nodig dat de ruimtelijke gevolgen van de wateropgaven in ruimtelijke plannen worden uitgewerkt. Om dit effectief te kunnen doen, wordt in het planstelsel van de Waterwet een koppeling gelegd met het planstelsel van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Dit wil zeggen dat de waterplannen op Rijksniveau en op provinciaal niveau ook ruimtelijke plannen (structuurvisies) zijn op basis van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Waterbeheerplan AGV, Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht 2010-2015 Het beleid van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht is vertaald in het Waterbeheerplan 2016­2021 en de keur 2019. In het Waterbeheersplan is uitgewerkt hoe AGV invulling geeft aan haar taken op het gebied van waterbeheer, zoals veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit. De Keur is de water­ schap verordening van AGV. De regels in de Keur beschermen de waterkeringen en watergangen.

Voor werkzaamheden rond water of een dijk is een vergunning van het waterschap nodig. Bijvoor­ beeld bij de aanleg van leidingen, lozingen op het oppervlaktewater, het plaatsen van bouwwerken of het onttrekken van grondwater. Bij ontwikkelingen waarbij sprake is van een toename van verhard oppervlak van meer dan 1.000 m2 dient de toename hiervan gecompenseerd te worden. Gerekend over het toenemend verhard dient ter compensatie circa 10% á 20 % extra (open) wateroppervlak gerealiseerd te worden. Meestal blijkt 10% voldoende te zijn, maar in stedelijke gebieden met een hoog percentage bebouwing kan dit op­ lopen tot 20%. Naast het realiseren van wateroppervlak kan een initiatiefnemer ook compenseren door alternatieve ‘regenwaterbergingsvoorzieningen’, aan te leggen. De berekening voor alternatieve bergingssystemen is gebaseerd op een ontwerpbui van 70 mm/dag en verwaarlozing van de gemaalcapacite Stedelijk Waterplan Het stedelijk waterplan (2008­2015) bevat maatregelen om het stedelijk water minimaal te laten voldoen aan de wettelijke eisen. In het kader van een inventarisatie

vastgesteld toelichting Acacialaan 20­22

pagina

is gebleken dat er geen tekort aan waterberging is in de huidige situatie. Het is echter wel wenselijk om meer waterberging te realiseren om toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen te faciliteren. Hierop vooruitlopend is binnen de bestemming 'Groen' ook water mogelijk. De ecologische waterkwaliteit voldoet niet aan de eisen. Het is wenselijk meer oevers te voorzien van een milieuvriendelijke oever en nieuwe oevers ecologisch in te richten. De ecologische kwaliteit wordt met name veroorzaakt door de inlaat van gebiedsvreemd water. Als eerste aanzet voor de oplossing van dit probleem wordt in de Middenpolder naast de afvalwaterzuiveringsinstallatie een biologische nazuivering gerealiseerd. Dit heeft tot gevolg dat voor het desbetreffende gebied geen beperkende bestemmingen mogen gelden. Gemeentelijk rioleringsplan (GRP) 2010-2015 Op basis van de Waterwet heeft de gemeente een zorgplicht voor het transport van afvalwater, voor hemelwaterafvoer en voor grondwateroverlast en ­onderlast. In het gemeentelijk rioleringsplan wordt uiteengezet hoe deze zorg wordt ingevuld. Het grondwaterzorgplan is een uitwerking van de grondwaterzorgtaak die in het GRP staat omschreven.

Keur AGV 2019 De Keur van hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) is gericht op het beschermen van de aan­ en afvoer van water en bescherming tegen wateroverlast en overstroming en de ecologische toestand van het watersysteem. De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem. Volgens de Waterwet gaat het daarbij om drie hoofddoelstellingen: <0000> voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste; <0000> beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen; <0000> vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. De Keur is van toepassing op allerlei activiteiten in, op of nabij waterkeringen of wateren. In het Keurbesluit Vrijstellingen heeft AGV beschreven onder welke voorwaarden bepaalde activiteiten zijn toegestaan, zonder dat een Keurvergunning nodig is. In veel gevallen geldt wel een meldplicht. AGV beoordeelt de vergunningaanvraag en bepaalt de vergunningsvoorwaarde met behulp van de Beleidsregels Keurvergunningen. Bij een vergunning levert AGV voorschriften over de manier waarop de aanvrager de activiteit moet uitvoeren. Relevantie/beschrijving plangebied Bij ruimtelijke ingrepen dient een watertoets te worden uitgevoerd. Doel van de watertoets is om de relatie tussen planvorming en de waterhuishouding te versterken.

Bouwplannen dienen daartoe te worden getoetst door de waterbeheerder. Daarbij moeten alle gevolgen met betrekking tot water tegen het licht worden gehouden. Het voorliggende initiatief is gelegen binnen het gebied van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht maar buiten enige waterkeringszone. Een dubbelbestemming 'Water ­ Waterkering' is in dit geval dus niet aan de orde. Indien door de ontwikkeling het verharde oppervlak toeneemt, dient dit gecompenseerd te worden. Het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht hanteert voor compensatie een extra wateroppervlak van 10% van de toename van het verhard oppervlak. Toename van het verhard oppervlak van minder dan 1000 m2 hoeft niet te worden gecompenseerd. T.b.v. het iniatief is een watertoets uitgevoerd, zie bijlage 3 Econsultancy, Watertoets Acialaan 20­22, 29 september 2021). De herontwikkeling omvat de realisatie van 28 appartementen met bijbehorende parkeervoorzieningen. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met circa 100 m2. Gelet hierop bestaat er geen reden tot watercompensatie. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt circa 1.140 m2. In de uitvoeringsfase bestaat de mogelijkheid dat wordt overgegaan tot de

vastgesteld toelichting Acacialaan 20­22

pagina

realisatie van een groen dak. Hierbij wordt regenwater geborgen en vertraagd afgevoerd richting het bestaande hemelwaterriool. In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar op de aanwezige hemelwaterriolering in de omliggende straten. Hierdoor vindt ten opzichte van de huidige situatie geen verslechtering van de waterhuishouding plaats. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De realisatie komt neer op een aanbod c.q. toename van circa 8,4 m³/dag. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Het aspect water staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

7.3 Kabels en leidingen Om de bedrijfszekerheid en de continuïteit van het transport door kabels en leidingen te garanderen, krijgen grote kabels en leidingen in bestemmingsplannen een planologische bescherming door middel van een dubbelbestemming. Binnen die dubbelbestemming mag niet zonder toestemming worden gebouwd of gegraven, waarmee de belangen van de kabel­ en leidingbeheerders én van de eindafnemers worden beschermd. Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet inde weg.

7.4 Archeologie Beleidskader Om uitvoering te geven aan de Wet op de archeologische monumentenzorg heeft de gemeente Amstelveen in 2008 haar archeologisch beleid vastgesteld. Hiertoe is een archeologische verwachtingskaart opgesteld. Op deze kaart zijn in verschillende gradaties de verwachte archeologische waarden opgenomen, waaraan criteria zijn verbonden. Relevantie plangebied Het plangebied is gelegen op gronden aangeduid met waarde Archeologie 5. Dit houdt in dat er een lage archeologische verwachtingswaarde in het gebied is. De betreffende gronden zijn namelijk verveend en drooggemaakt. Voor deze gronden geldt dat bodemingrepen die verder reiken dan 30 cm onder maaiveld en een oppervlakte verstoren van meer dan 1 hectare archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd dient te worden. Het initiatief voorziet niet in een dergelijke ingreep. Wel is de dubbelbestemming Waarde­ Archeologie 5 opgenomen, als signaalfunctie. Het aspect archeologie staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

7.5 Geluid De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor­ en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de Wet geluidhinder en voor vliegverkeerlawaai in de Wet luchtvaart en het bijbehorende Luchthavenindelingbesluit. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon­ en leefklimaat. In de Wet geluidhinder zijn voorkeursgrenswaarden vastgesteld. Als daar niet aan voldaan kan worden, is het in bepaalde situaties mogelijk om zogenoemde hogere waarden vast te stellen. Voor het onderhavige initiatief is het volgende relevant.

vastgesteld toelichting Acacialaan 20­22

pagina

Wegverkeer Er moet inzicht worden gegeven in de geluidsbelasting op nieuwe geluidgevoelige bestemmingen die gesitueerd worden binnen de zone van een weg. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe weg zal ook de geluidsbelasting veroorzaakt door verkeer op de nieuwe weg op de bestaande geluidgevoelige bestemmingen in beeld moeten worden gebracht. Relevantie plangebied Ten behoeve van het initiatief is akoestisch onderzoek verricht, zie bijlage 4 'Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Acacialaan 20­22 te Amstelveen, 7 augustus 2020'. De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de Lindenlaan, Sportlaan en de de Van der Hooplaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden tevens de nabijgelegen niet­gezoneerde wegen (Acacialaan, Appellaan, Fluweelboomlaan en de Spaanse Aaklaan) in het onderzoek betrokken. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van het appartementencomplex. Voor elke zijde van het appartementencomplex zijn toetspunten ten behoeve van maximaal 4 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken­ en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2020.1.

De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 42 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt m.b.t. het wegverkeer geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. Daarnaast is relevant dat de beoogde woningen zijn gelegen naast een aantal bestaande functies in de directe omgeving die geluid veroorzaken. Direct naast het appartementengebouw is een kinderdagverblijf Partou en een sportschool gelegen. Om dit in beeld te brengen is tevens akoestisch onderzoek verricht, zie bijlage 5, Econsutancy, Akoestisch onderzoek industrielawaai Acacialaan 20­22 te Amstelveen. Het akoestisch onderzoek heeft als doel het bepalen van de geluidsbelasting op de appartementen en deze te toetsen aan de richtwaarden uit de VNG­publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Uit dit onderzoek blijkt t.a.v het kinderdagverblijf dat de maximale geluidniveaus de richtwaarde van 70 dB(A) overschrijden in de dagperiode en worden veroorzaakt door schreeuwende kinderen van het kinderdagverblijf. De berekende maximale geluidniveaus zijn incidenteel en komen maar enkele keren per dag voor. Van slaapverstoring is in zowel de avond­ en nachtperiode geen sprake.

Het woon­ en leefklimaat in de appartementen (binnenniveau) ten gevolge van de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus wordt, bij aansluiting op de grenswaarden voor aanpandige gevoelige gebouwen van 35(A) etmaalwaarde, bij een geluidwering van de gevels van minimaal 20 dB gegarandeerd. De maximale geluidniveaus ten gevolge van schreeuwende kinderen wordt, bij aansluiting op de grenswaarden voor aanpandige gevoelige gebouwen van 55 dB(A) etmaalwaarde, bij een geluidwering van de gevels van minimaal 27 dB gegarandeerd. Daaraan kan worden voldaan in de uitvoering van het bouwplan. Voor het stemgeluid afkomstig van de jeugd ter plaatse van de openbare speeltuin geldt dat dit een kenmerk van een woonwijk is. Het treffen van maatregelen is niet realistisch en stuit op overwegende stedenbouwkundige bezwaren. Het woon­ en leefklimaat in de appartementen (binnenniveau) ten gevolge van de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus wordt, bij aansluiting op de grenswaarden voor aanpandige gevoelige gebouwen van respectievelijk 35 en 55 dB(A) etmaalwaarde, bij een geluidwering van de gevels van minimaal 20 dB gegarandeerd. Ook hieraan kan worden voldaan.

vastgesteld toelichting Acacialaan 20­22

pagina

Ten aanzien van de nabijheid van sportschool Buenting kunnen ­ om een acceptabel woon­ en leefklimaat te garanderen ­ maatwerkschriften worden opgesteld. Met deze maatregelen is sprake van een acceptabel akoestisch woon­ en leefklimaat en gelden geen belemmeringen voor de activiteiten van de sportschool. Deze maatregelen, waaraan de eigenaar van de sportschool wil meewerken, kunnen t.z.t. in een separate procedure worden opgelegd.

7.6 Verkeer en parkeren

Beschreven moet worden of de toekomstige bestemming meer verkeer genereert dan het geldende bestemming. Indien een verkeerstoename te verwachten is dient verantwoord te worden dat de omliggende buurt/wijkontsluiting voldoende is om de toename te verwerken. Verkeer en ontsluiting De toevoeging van de circa 28 woningen levert een verkeersgeneratie op van gemiddeld 90 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De huidige functies (dansschool plus woning) leveren in totaal 87 motorvoertuigbewegingen per etmaal op. Dit betekent dat de verkeerstoename door de nieuwbouw zo goed als nihil zal zijn. Voor de ontsluiting en bereikbaarheid van de locatie zal de bestaande in­/uitrit naar de Acacialaan worden gebruikt, welke tot op heden ook goed functioneert. Het voetpad aan de zuidzijde van het plangebied dient gehandhaafd te blijven voor langzaam verkeer om de bereikbaarheid richting het park en de winkelstraat Van der Hooplaan te borgen. Bewoners van het nieuwe appartementencomplex kunnen de voordeur bereiken via de weg over het eigen parkeerterrein Het plangebied wordt rechtstreeks ontsloten door de Acacialaan, een straat met een snelheidsregime van 30 km per uur. Per openbaar vervoer wordt het plangebied ontsloten door bushalte Sportlaan (lijnen 347, 348, 357 en 358 R­net) ).

Deze halte ligt op ongeveer 300 meter loopafstand van het plangebied, waardoor de ontsluiting per openbaar vervoer goed genoemd kan worden. Parkeren Het bestaande parkeerterrein kent in de basis al een goede bereikbaarheid en toegankelijkheid omdat deze niet veel wijzigt ten opzichte van de huidige situatie. Op basis van het bouwplan dat uitgaat van 26 middeldure koopappartementen met een bruto vloeroppervlakte van minder dan 100 m2 en 2 dure koopappartementen zijn er ­ inclusief bezoekersparkeren ­ 29 parkeerplaatsen benodigd op basis van de Nota Parkeren (26 x 1,0 + 2 x 1,7) In het definitieve bouwplan is de mogelijkheid opgenomen voor 33 parkeerplaatsen (inclusief bezoekers parkeren) opgenomen, Het aspect verkeer en parkeren staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

7.7 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;

vastgesteld toelichting Acacialaan 20­22

pagina

een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSL­projecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen. Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) moeten vanaf 2015 voldoen aan de grenswaarde van 40 µg/m3; voor fijn stof (PM10) geldt vanaf 2011 een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; de 24­uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, zijn ook grenswaarden vastgesteld. Deze zijn niet strenger dan de huidige norm voor daggemiddelde concentraties van PM10.

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' ­ zoals een school of kinderopvang ­ in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig. Als NIBM­categorie is aangewezen een woningbouwontwikkeling van maximaal 1500 woningen met één ontsluitingsweg.

Relevantie plangebied Binnen dit bestemmingsplan bevinden zich geen gevoelige bestemmingen. Het Besluit gevoelige bestemmingen is dus niet van toepassing. Het oprichten van 28 woningen is ver gelegen onder het hierboven genoemde aantal van 1500 woningen en dus een ontwikkeling die niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig. Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

7.8 Externe veiligheid

vastgesteld toelichting Acacialaan 20­22

pagina

Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Amstelveen gaat het met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen in de omgeving van het bedrijf. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG­tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10­6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties. Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Circulaire risico normering vervoer gevaarlijke stoffen In onder meer de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is het externe veiligheidsbeleid voor vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd.

De verwachting is dat in 2013 de circulaire opgevolgd zal worden door het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). In dit besluit staan regels op het gebied van externe veiligheid voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. Er worden bijvoorbeeld verplichte veiligheidsafstanden tot deze transportroutes vastgelegd. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Relevantie plangebied Mede gelet op de ligging nabij een hogedruk aardgasleiding die ten zuiden van het plangebied is gelegen is er een kwantitatieve risicoanalyse verricht. Het onderzoek (zie bijlage 6 Econsultancy, Externe Veiligheid, Acacialaan 20­22 Amstelveen, rapportnummer 10703.005) heeft als doel te bepalen of er wordt voldaan aan de grenswaarde ten aanzien van veiligheidsaspecten, zoals genoemd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Uit de kwantitatieve risicoanalyse volgt dat het groepsrisico als gevolg van de buisleiding hoger is dan 0,1 x oriëntatiewaarde, maar wel

vastgesteld toelichting Acacialaan 20­22

pagina

lager dan de oriëntatiewaarde. Het plaatsgebonden risico als gevolg van de buisleiding ter hoogte van het onderzoeksgebied is lager dan 10­6 /jaar en voldoet daarmee aan de grenswaarde. Echter aangezien de appartementen binnen de 1% letaliteitszone zijn gelegen en het groepsrisico ter hoogte van het plangebied hoger is dan 0,1 x oriëntatiewaarde, kan niet worden volstaan met een beperkte verantwoording. Maatgevend scenario is een fakkelbrand door leidingfalen. De kans op leidingfalen is uiterst klein en doet zich in feite alleen voor wanneer op of rond de leiding werkzaamheden worden uitgevoerd. De kans op slachtoffers kan verder worden beperkt door bewoners vooraf te informeren over aanstaande werkzaamheden, de mogelijke scenario’s en hoe hierop te handelen. Het voorschrijven van strikter toezicht tijdens werkzaamheden verkleint de kans op calamiteiten. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

7.9 Ecologie Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van soorten en leefgebieden. De wet is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn). De wet kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Gedeputeerde Staten kunnen in sommige gevallen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen. Vrijwel alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder andere soorten vallen onder andere de ringslang en de grote modderkruiper. De gemeente Amstelveen adviseert om de gedragscodes van Stadswerk te gebruiken. Er is een code voor bestendig beheer en onderhoud en een code voor ruimtelijke ingrepen. Relevantie plangebied Ten behoeve van het initiatief is een quick scan ecologie uitgevoerd (zie bijlage 7 Sweco, Verkennend natuuronderzoek Acacialaan 20 – 22, te Amstelveen). Uit dit onderzoek zijn de volgende conclusies te herleiden. Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000­gebied ’Botshol’ ligt op circa 5,8 km afstand van het plangebied. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000­gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging, verdroging, verstoring door verlichting, verstoring door mechanische effecten. Om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren wordt gebruikt gemaakt van verschillend materieel. Deze machines kunnen onder andere stikstof uitstoten wat uiteindelijk neer zal dalen (stikstofdepositie). Ook in de gebruiksfase kan sprake zijn van emissies. Om de hoeveelheid stikstofdepositie te bepalen dient een AERIUS­berekening te worden uitgevoerd. Hieruit kan naar voren komen dat het uitvoeren van een project specifieke beoordeling noodzakelijk is. Soortenbescherming De gebouwen zijn geschikt voor de gebouw bewonende vleermuissoorten gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust­ en/of voortplantingsplaatsen is noodzakelijk. Dit nadere onderzoek is uitgevoerd, zie bijlage 8 Sweco, aanvullend vleermuisonderzoek Acacialaan 20­22.

vastgesteld toelichting Acacialaan 20­22

pagina

Tijdens de veldbezoeken in het voorjaar zijn geen zwermende, gevelgrijpende, invliegende en/of uitvliegende vleermuizen in het plangebied waargenomen. Tijdens de rondes in het najaar zijn in het plangebied geen baltsende gewone en ruige dwergvleermuis waargenomen, buiten het plangebied zijn twee paarterritoria van de gewone dwergvleermuis en een paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis vastgesteld. Tijdens het aanvullend natuuronderzoek zijn binnen het plangebied geen vaste rust­ en verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Wel zijn tijdens de veldbezoeken in het plangebied enkele foeragerende vleermuizen waargenomen. De vleermuizen foerageren voornamelijk in het omliggende groen en niet in het plangebied, de aanwezigheid van essentieel foerageergebied is uitgesloten. Er zijn tijdens het onderzoek enkele passerende gewone dwergvleermuizen waargenomen, de vliegrichting in het najaar was niet eenduidig, in het voorjaar vlogen ze langs de bomenlaan voornamelijk richting het oosten. De aanwezigheid van een essentiële vliegroute is vanwege het lage aantal dieren uitgesloten. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

Verstoring van vleermuizen dient vanwege het verbod op verstoren en de zorgplicht te worden voorkomen door het toepassen van gerichte verlichting. Het aanlichten van de bomenrij ten zuiden van het plangebied door bouwverlichting dient in de actieve periode van de vleermuis ((maart­oktober) tussen zonsondergang en zonsopkomst te worden voorkomen. Alle in Nederland broedende vogels zijn beschermd gedurende hun broedseizoen. De werkzaamheden aan de bomen en het struweel dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden. Indien dit niet mogelijk is dient er eerst een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden alvorens er gekapt gaat worden. Indien er daadwerkelijk vogels broeden zal de kap uitgesteld moeten worden tot na het broedseizoen. Er worden in het plangebied met zekerheid twee bomen gekapt en drie gesnoeid en, wanneer nodig, gekapt om ruimte te maken voor de plannen. In de bomen zijn geen holtes en of loszittende bast aangetroffen. De bomen zijn niet geschikt als verblijfplaatsen voor boombewonende soorten. In de bomen zijn geen nesten van jaarrond beschermde vogels aanwezig. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Wel kunnen algemene soorten, zoals de merel, houtduif, roodborst, pimpelmees en koolmees, nesten bouwen in de bomen en struiken.

Wanneer de werkzaamheden binnen het broedseizoen (april – juni/augustus) plaatsvinden, dient er voorafgaand aan de kap­ en snoeiwerkzaamheden een broedvogelcontrole te worden uitgevoerd door een ecoloog Natuurbeleidskaders Natuurnetwerk Nederland De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op beschermde gebieden in het kader van het NNN. Er is geen nader veldonderzoek en/of effectonderzoek noodzakelijk. Er zijn geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen/beperken. Er is geen nadere procedure noodzakelijk in de vorm van een “nee, tenzij­toets”. Gebieden met natuurwaarden buiten het NNN De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op beschermde gebieden met natuurwaarden buiten het NNN gelegen. Er is geen nader veldonderzoek en/of effectonderzoek noodzakelijk. Er zijn geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen/beperken. Er is geen nadere procedure noodzakelijk in de vorm van een “nee, tenzij­toets”. 5.3 Vrijgestelde soorten Voor de start van de werkzaamheden dient er een melding gemaakt te worden van de aanwezigheid van vrijgestelde soorten bij de omgevingsdienst Noord­Holland Noord. Op basis van waargenomen soorten tijdens het veldonderzoek en een habitat­geschiktheidsbeoordeling dient er een melding gemaakt worden voor de volgende soorten: <0000> egel; <0000> bosmuis; <0000> huisspitsmuis.

vastgesteld toelichting Acacialaan 20­22

pagina

Gezien de voorgenomen bouw en de daarbij in de gebruiksfase verwachte verkeersbewegingen is een mogelijk effect vanwege de toename van stikstofdepositie op Natura 2000­gebieden niet op voorhand uit te sluiten. Om die reden is een stikstofberekening uitgevoerd (zie bijlage 9, Econsultancy, onderzoek stikstofdepositie Acacialaan 20­22 te Amstelveen). Uit dit onderzoek blijkt dat de relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase plaats vinden door de verkeersbewegingen ten behoeve van de aanvoer van materialen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de sloop en constructie ten behoeve van de realisatie van het plan. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. De berekening van het projecteffect van de beoogde situatie is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. Het projecteffect op de Natura 2000­gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen ontheffing benodigd is voor het aspect stikstof. De Wet natuurbescherming staat de uitvoering van het initiatief niet in de weg.

7.10 Bedrijven en milieuzonering

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon­ en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. De VNG­brochure wordt gebruikt als hulpmiddel (niet als blauwdruk) bij het opstellen van bestemmingsplannen met nieuwe milieugevoelige functies of nieuwe milieubelastende functies. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren, wel is het een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken. In de brochure zijn aan de verschillende bedrijfsactiviteiten, milieucategorieën en richtafstanden toegekend voor de aspecten gevaar, stof, geur en geluid. De afstanden zijn gebaseerd op een rustige woonwijk. Als er sprake is van een gemengd gebied mag er een afstandstrap minder worden gehanteerd.

Relevantie plangebied De beoogde woningen zijn gelegen naast een aantal bestaande functies in de directe omgeving die geluid veroorzaken. Direct naast het appartementengebouw is een kinderdagverblijf Partou en een sportschool gelegen. Uit het akoestische onderzoek (zie paragraaf 7.5

7.11 Bezonning Er bestaan geen wettelijke normen en eisen ten aanzien van bezonning voor bebouwing. Gemeenten zijn bij de onderbouwing of er t.a.v. dit aspect sprake is van ‘een goede ruimtelijke ordening’ vrij om dit in te vullen. Vaak wordt gebruik gemaakt van de door TNO ontwikkelde (lichte norm), die minimaal twee uur zon per dag (niet aansluitend vereist) in de periode 19 februari tot en met 21 oktober voorschrijft, en een “strenge' norm, die drie uur zon per dag (niet aansluitend vereist) in de periode 21 januari tot en met 22 november voorschrijft.

vastgesteld toelichting Acacialaan 20­22

pagina

De volledige formulering van de ‘lichte norm’ luidt als volgt: ‘er wordt voldaan aan de lichte TNO­norm als de zon minimaal 2 uur per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van de woonkamer valt, gedurende de periode 19 februari t/m 21 oktober’. 19 februari en 21 oktober zijn de data waarop de schaduwwerking het grootst is vanwege de lage stand van de zon. Na 19 februari zal de situatie elke dag verbeteren tot en met 21 juni, wanneer de zon op haar hoogst staat en er dus nauwelijks schaduwwerking is. Daarna wordt de schaduwwerking weer elke dag een beetje groter, tot het einde van de onderzoeksperiode op 21 oktober. Vanwege dit ‘parabolische’ effect volstaat het om de schaduwwerking op drie dagen te onderzoeken: 19 februari, 21 juni en 21 oktober. Op elk van deze data wordt met een interval van 1 uur onderzocht hoe de schaduwwerking op de omliggende woningen op de betreffende dag is, zodat inzichtelijk is hoeveel uur per dag de te onderzoeken gevels in de schaduw liggen. Bij het toetsen aan de TNO­norm dient de bezonning van het midden van de venster bank in de woonkamer onderzocht te worden. In de regel bevindt de woonkamer zich in ieder geval aan de voorzijde van de woning.

Relevantie plangebied Ten behoeve van het initiatief is onderzoek verricht naar de gevolgen van het bouwplan voor de bezonningssituatie, zie bijlage 10 bezonningsstudie, Hoogveen architecten juli 2020. Uit dit onderzoek blijkt dat er aan de 'strenge' TNO­norm kan worden voldaan. Voor de omliggende objecten is in het geheel geen schaduwwerking te verwachten, ook gelet op de draairichting van de zon en de afstand van de omliggende woningen tot het nieuw te realiseren appartementengebouw.

7.12 M.e.r.- beoordeling Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van een bestemmingsplan planmer­plichtig, projectmer­plichtig of mer­beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG­richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: <0000> <0000> <0000>

de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en relevantie plangebied In het Besluit milieueffectrapportage staat dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer­beoordelingsplichtig is als de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 28 appartementen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu met een vorm­vrije mer­beoordeling. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de

vastgesteld toelichting Acacialaan 20­22

pagina

potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Hiermee is invulling gegeven aan de vorm­vrije merbeoordeling. Op basis hiervan heeft bevoegd gezag het besluit genomen om dat er geen mer­procedure of mer­beoordelingsprocedure conform het Besluit m.e.r. nodig is.

vastgesteld toelichting Acacialaan 20­22

pagina

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=d8181311-fd2a-4fce-a234-5e6694f2ba35