CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Overzicht wijzigingen GR AM Werkorganisatie

Raadsvergadering 5 juni 2024, gemeente amstelveenBij agendapunt: Wijziging Gemeenschappelijke Regeling (GR) Amstelland en Meerlanden (AM) werkorganisatie3.455 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Was-wordt lijst Gemeenschappelijke regeling Amstelland Meerlanden Werkorganisatie Artikel 1 Begrippen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. “college” het college van burgermeester en wethouders dat deelneemt aan deze regeling; b. “deelnemer(s)” de gemeente waarvan het college aan deze regeling deelneemt; c. “duurzaam” blijvend. d. “gedeputeerde staten” gedeputeerde staten van Noord-Holland; e. “personeel” een persoon of personen, die een publiekrechtelijke dan wel een privaatrechtelijke arbeidsrelatie heeft of hebben met de Werkorganisatie; f. “Pw” Participatiewet; g. “raad” de raad van deelnemer aan deze regeling; h. “regeling” de gemeenschappelijke regeling Amstelland en Meerlanden Werkorganisatie, ook genoemd: de Werkorganisatie; i. “samenwerkingsgebied het grondgebied van de colleges die deelnemen aan deze regeling; j. “verminderde loonwaarde” De waarde van de arbeidsprestatie van een werknemer met een arbeidsbeperking of ziekte, die lager ligt dan het wettelijk minimumloon. k. “wetten” Wsw en Pw; l. “Wgr” Wet gemeenschappelijke regelingen; m. “Wsw” Wet Sociale Werkvoorziening. Artikel 2 Aanhaling van artikelen

Artikel 2 Aanhaling van artikelen

Artikel 3 Bedrijfsvoeringsorganisatie en samenwerkingswerkgebied Artikel 4 Belang en doelstelling

Artikel 3 Bedrijfsvoeringsorganisatie en samenwerkingswerkgebied Artikel 4 Belang en doelstelling

Artikel 5 Bevoegdheden 1. Ter verwezenlijking van de in artikel 4, eerste lid sub a, genoemde belangen en taken dragen de colleges hun door de formele wetgever in de Wsw geattribueerde bevoegdheden over aan het bestuur van de Werkorganisatie, uitgezonderd de van voornoemde geattribueerde bevoegdheden afgeleide bevoegdheden om beleidsregels vast te stellen.

Artikel 5 Bevoegdheden 2. Ter verwezenlijking van de in artikel 4, eerste lid sub a, genoemde belangen en taken dragen de colleges hun door de formele wetgever in de Wsw geattribueerde bevoegdheden over aan het bestuur van de Werkorganisatie, uitgezonderd de van voornoemde geattribueerde bevoegdheden afgeleide bevoegdheden om beleidsregels vast te stellen.

2.

Ter verwezenlijking van de in artikel 4, eerste lid sub b, genoemde belangen en taken is ieder college gehouden ten aanzien van de hem door de formele wetgever in de Pw geattribueerde bevoegdheden inzake arbeidsinschakeling mandaat, alsmede de bevoegdheid tot verlening van ondermandaat, te verlenen aan het bestuur van de Werkorganisatie, voor zover het betreft de arbeidsinschakeling van personen met een loonwaarde tot 70%. Het bestuur stelt een model op voor het mandaat. 3. Ter verwezenlijking van de in artikel 4, eerste lid sub b, genoemde belangen en taken staat het een college vrij ten aanzien van de hem door de formele wetgever in de Pw geattribueerde bevoegdheden inzake arbeidsinschakeling mandaat, alsmede de bevoegdheid tot verlening van ondermandaat, te verlenen aan het bestuur van de Werkorganisatie, voor zover het betreft de arbeidsinschakeling van personen met een loonwaarde tussen de 70-100% en/of op de collegetaak ten aanzien van arbeidsmatige dagbesteding. Het bestuur kan bij besluit bepalen dat de Werkorganisatie tevens het mandaat van een college tot uitvoering van andere taken en bevoegdheden van inzake arbeidsinschakeling mag uitoefenen. Het bestuur stelt een model op voor het mandaat.

2. Ter verwezenlijking van de in artikel 4, eerste lid sub b, genoemde belangen en taken is ieder college gehouden ten aanzien van de hem door de formele wetgever in de Pw geattribueerde bevoegdheden inzake arbeidsinschakeling mandaat, alsmede de bevoegdheid tot verlening van ondermandaat, te verlenen aan het bestuur van de Werkorganisatie. Dit betreft de arbeidsinschakeling van personen met een arbeidsbeperking waardoor sprake is van een duurzame verminderde loonwaarde. Het bepalen van deze doelgroep gebeurt op basis van een gezamenlijk vastgestelde indicatorenlijst. Het bestuur stelt een model op voor het mandaat. 3. Ter verwezenlijking van de in artikel 4, eerste lid sub b, genoemde belangen en taken staat het een college vrij ten aanzien van de hem door de formele wetgever in de Pw geattribueerde bevoegdheden inzake arbeidsinschakeling mandaat, alsmede de bevoegdheid tot verlening van ondermandaat, te verlenen aan het bestuur van de Werkorganisatie, voor zover het betreft de arbeidsinschakeling van personen die behoren tot de overige doelgroep van de Participatiewet en/of op de collegetaak ten aanzien van arbeidsmatige dagbesteding. Het bestuur kan bij besluit bepalen dat de Werkorganisatie tevens het mandaat van een college tot uitvoering van andere taken en bevoegdheden van inzake arbeidsinschakeling mag uitoefenen. Het bestuur stelt een model op voor het mandaat.

Artikel 6 Bestuursorgaan

Artikel 6 Bestuursorgaan

Artikel 7 De samenstelling van het bestuur

Artikel 7 De samenstelling van het bestuur

Artikel 8 Aanwijzing van de voorzitter

Artikel 8 Aanwijzing van de voorzitter

Artikel 9 De bevoegdheden van het bestuur

Artikel 9 De bevoegdheden van het bestuur

Artikel 10 De bevoegdheden van de voorzitter

Artikel 10 De bevoegdheden van de voorzitter

Artikel 11 Vertegenwoordiging

Artikel 11 Vertegenwoordiging

Artikel 12 Relatie bestuur – raden en colleges van de gemeenten

Artikel 12 Relatie bestuur – raden en colleges van de gemeenten

Artikel 13 Relaties leden van het bestuur –colleges van de gemeenten 1. Een lid van het bestuur is voor het door hem in dat bestuur gevoerde bestuur verantwoording verschuldigd aan het college dat hem als lid heeft aangewezen. 2. Een lid van het bestuur geeft aan het college dat hem als lid heeft aangewezen, ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren bestuur nodig is, alsmede alle inlichtingen waarom door één of meer leden van dat college wordt verzocht.

Artikel 13 Informatie en verantwoording 1. Het bestuur verstrekt aan de raden de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen en daarnaast alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. De inlichtingen kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden verstrekt. 2. Een lid van het bestuur legt aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen. 3. Een lid van het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt. 4. Een lid van het bestuur legt aan de raad van de gemeente waarvan het college hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen. 5. Een lid van het bestuur verstrekt aan de raad van de gemeente waarvan het college hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van die raad gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt.

Artikel 14 De vergadering van het bestuur

Artikel 14 De vergadering van het bestuur

Artikel 15 Besluitvorming

Artikel 15 Besluitvorming

Artikel 16 De algemeen directeur

Artikel 16 De algemeen directeur

Artikel 17 De controller

Artikel 17 De controller

Artikel 18 Rechtspositieregeling

Artikel 18 Rechtspositieregeling

Artikel 19 Algemeen

Artikel 19 Algemeen Artikel 20 Kadernota Het bestuur zendt het ontwerp van de algemene financiële en beleidsmatige kaders voor 30 april aan de raden, waarbij de raden gedurende twaalf weken in de gelegenheid worden gesteld een

zienswijze bij het bestuur naar voren te brengen. Het bestuur stelt de algemene financiële en beleidsmatige kaders uiterlijk 31 juli vast. Artikel 20 Begroting 1. Het bestuur stelt jaarlijks voor 15 april een ontwerpbegroting op voor het volgende kalenderjaar en zendt deze terstond, doch uiterlijk acht weken voordat deze door het bestuur wordt vastgesteld, voorzien van een toelichting, aan de raden en de colleges van de deelnemers. De raden van de deelnemers kunnen binnen acht weken na toezending van de ontwerpbegroting het bestuur, doch uiterlijk voor 1 juli, van hun zienswijzen over de ontwerpbegroting doen blijken. 2. Het bestuur stelt de begroting voor 1 juli vast en zendt binnen twee weken na de vaststelling afschriften aan de colleges. 3. Het bestuur zendt de vastgestelde begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli aan gedeputeerde staten.

Artikel 21 Zienswijzeprocedure en vaststelling begroting 1. Het bestuur zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat deze wordt vastgesteld toe aan de raden. 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raden kunnen binnen acht weken bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. 4. Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient. 5. Voorafgaand aan het besluit tot vaststelling van de begroting, bedoeld in het vierde lid, stelt het bestuur de raden schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, en de eventuele conclusies die het bestuur daaraan verbindt. 6. Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 7. Het bestuur zendt de begroting, vergezeld van de zienswijze bedoeld in het derde lid, binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval voor 15 september aan gedeputeerde staten. 8. Het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, waarbij wijziging wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten.

Het zesde lid is ook van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt, en in dat geval inzending aan gedeputeerde staten binnen vier weken na vaststelling plaatsvindt.

Artikel 21 Financiering 1. In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage iedere deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken en de organisatiekosten daarvan door de Werkorganisatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 24 van de regeling. 2. Het bestuur bepaalt op basis van de begroting jaarlijks het voorschot voor de taakuitvoering en de organisatie van de

Artikel 22 Financiering 1. In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage iedere deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken en de organisatiekosten daarvan door de Werkorganisatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 24 van de regeling. 2. Het bestuur bepaalt op basis van de begroting jaarlijks het voorschot voor de taakuitvoering en de organisatie van de

3. 4.

5. 6.

Werkorganisatie dat de Werkorganisatie van iedere deelnemer dient te ontvangen. De deelnemers betalen de voorschotten in 12 maandelijkse termijnen aan de Werkorganisatie. Het bestuur brengt het eerste maandelijkse voorschot jaarlijks voor het begin van ieder kalenderjaar bij het college in rekening. De deelnemers zullen er steeds voor zorgdragen dat de Werkorganisatie over voldoende middelen beschikt om tijdig aan haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. Jaarlijks verstrekken de deelnemers aan de Werkorganisatie de volledige, van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het betreffende jaar ontvangen rijksmiddelen ten behoeve van de uitvoering van de Wsw en Pw en de daarmee samenhangende wetten en regelingen voor zover deze zien op de in artikel 4 en 5 van deze regeling genoemde taken en bevoegdheden. De in het vierde lid genoemde middelen worden vastgelegd in de begroting van de Werkorganisatie. Indien het bestuur blijkt dat een deelnemer weigert de uitgaven voor de Werkorganisatie op de begroting te zetten, doet het onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van het bepaalde in de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.

Artikel 22 Rekening en jaarverslag 1. Het bestuur legt over elk kalenderjaar verantwoording af over de inkomsten en de uitgaven onder overlegging van de daarop betrekking hebbende bescheiden. 2. Het bestuur voegt daarbij een verslag van een onderzoek naar de getrouwheid en rechtmatigheid van de baten en lasten ingesteld door een daartoe overeenkomstig het bepaalde in de controleverordening aangewezen accountant. 3. Het bestuur zendt de ontwerprekening en het concept jaarverslag voor 15 april aan de raden van de deelnemers. 4. Het bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag voor 1 juli vast. De vaststelling van de jaarrekening strekt het bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden. Het bestuur doet van de vaststelling mededeling aan de colleges. 5. Het bestuur zendt binnen twee weken na de vaststelling, doch voor 15 juli de vastgestelde jaarrekening en het jaarverslag aan gedeputeerde staten.

3. 4.

5. 6.

Werkorganisatie dat de Werkorganisatie van iedere deelnemer dient te ontvangen. De deelnemers betalen de voorschotten in 12 maandelijkse termijnen aan de Werkorganisatie. Het bestuur brengt het eerste maandelijkse voorschot jaarlijks voor het begin van ieder kalenderjaar bij het college in rekening. De deelnemers zullen er steeds voor zorgdragen dat de Werkorganisatie over voldoende middelen beschikt om tijdig aan haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. Jaarlijks verstrekken de deelnemers aan de Werkorganisatie de volledige, van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het betreffende jaar ontvangen rijksmiddelen ten behoeve van de uitvoering van de Wsw. Ten aanzien van de Pw en de daarmee samenhangende wetten en regelingen voor zover deze zien op de in artikel 4 en 5 van deze regeling genoemde taken en bevoegdheden worden door de deelnemende gemeenten middelen beschikbaar gesteld. De in het vierde lid genoemde middelen worden vastgelegd in de begroting van de Werkorganisatie. Indien het bestuur blijkt dat een deelnemer weigert de uitgaven voor de Werkorganisatie op de begroting te zetten, doet het onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van het bepaalde in de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.

Artikel 23 Jaarrekening en jaarverslag 1. Het bestuur legt over elk kalenderjaar verantwoording af over de inkomsten en de uitgaven onder overlegging van de daarop betrekking hebbende bescheiden. 2. Het bestuur voegt daarbij een verslag van een onderzoek naar de getrouwheid en rechtmatigheid van de baten en lasten ingesteld door een daartoe overeenkomstig het bepaalde in de controleverordening aangewezen accountant. 3. Het bestuur zendt de ontwerp jaarrekening en het concept jaarverslag voor 30 april aan de raden van de deelnemers. 4. De raden kunnen binnen acht weken bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerp jaarrekening en concept jaarverslag naar voren brengen. 5. Voorafgaand aan het besluit tot vaststelling van de jaarrekening stelt het bestuur de raden schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, en de eventuele conclusies die het bestuur daaraan verbindt.

6. Het bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag voor 1 juli vast. De vaststelling van de rekening strekt het bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden. Het bestuur doet van de vaststelling mededeling aan de colleges. 7. Het bestuur zendt binnen twee weken na de vaststelling, doch voor 15 juli de vastgestelde jaarrekening en het jaarverslag aan gedeputeerde staten. Artikel 23 Kostenverdeling 1. Het vaststellen van de door elke deelnemer verschuldigde bijdrage aan de regeling geschiedt op basis van een door het bestuur vastgestelde verdeelsleutel voor de bijdrage als bedoeld in dit lid. De verdeelsleutel maakt onderscheid tussen de kosten voor uitvoering van het basispakket en van het optionele pakket als bedoeld in artikel 5, vierde lid. Het bestuur stelt bij unanimiteit de verdeelsleutel vast. Alvorens het bestuur de verdeelsleutel vaststelt, zendt bestuur het voorstel voor de verdeelsleutel toe aan de raden van de deelnemers. De raden van de deelnemers kunnen gedurende acht weken hun zienswijzen over het voorstel voor de verdeelsleutel bij het bestuur indienen. Het bestuur betrekt de ingediende zienswijzen bij de besluitvorming inzake de verdeelsleutel. 2.

De verdeelsleutel voor de kosten voor de taak van de Werkorganisatie als bedoeld in artikel 5, eerste lid sub a is gebaseerd op het aantal voltijd-equivalenten (ziektedagen daaronder begrepen), gedurende welke uit de deelnemers afkomstige werknemers bij de Werkorganisatie waren geplaatst op 31 december van het desbetreffende jaar. 3. Het vaststellen van de door elke deelnemer verschuldigde definitieve bijdrage geschiedt binnen een maand na de voorlopige vaststelling van de rekening door het bestuur naar rato van het aantal voltijd-equivalenten (ziektedagen daaronder begrepen), gedurende welke uit de deelnemers afkomstige werknemers bij de Werkorganisatie waren geplaatst op 31 december van het betreffende jaar. 4. Een nadelig exploitatiesaldo over een dienstjaar wordt – voorzover het niet op een nadere wijze kan worden gedekt – op de in het eerste lid genoemde wijze aan de deelnemers in rekening gebracht. 5. Binnen een maand na vaststelling van de rekening worden de door de deelnemers verschuldigde bijdragen verrekend met de door de deelnemers betaalde voorschotten.

Artikel 24 Kostenverdeling 1. Het vaststellen van de door elke deelnemer verschuldigde bijdrage aan de regeling geschiedt op basis van een door het bestuur vastgestelde verdeelsleutel voor de bijdrage als bedoeld in dit lid. De verdeelsleutel maakt onderscheid tussen de kosten voor uitvoering van het basispakket en van het optionele pakket als bedoeld in artikel 5, vierde lid. Het bestuur stelt bij unanimiteit de verdeelsleutel vast. Alvorens het bestuur de verdeelsleutel vaststelt, zendt bestuur het voorstel voor de verdeelsleutel toe aan de raden van de deelnemers. De raden van de deelnemers kunnen gedurende acht weken hun zienswijzen over het voorstel voor de verdeelsleutel bij het bestuur indienen. Het bestuur betrekt de ingediende zienswijzen bij de besluitvorming inzake de verdeelsleutel. 2. De verdeelsleutel voor de kosten voor de taak van de Werkorganisatie als bedoeld in artikel 5, eerste lid sub a is gebaseerd op het aantal voltijd-equivalenten (ziektedagen daaronder begrepen), gedurende welke uit de deelnemers afkomstige werknemers bij de Werkorganisatie waren geplaatst op 31 december van het desbetreffende jaar. 3.

Het vaststellen van de door elke deelnemer verschuldigde definitieve bijdrage geschiedt binnen een maand na de voorlopige vaststelling van de jaarrekening door het bestuur naar rato van het aantal voltijd-equivalenten (ziektedagen daaronder begrepen), gedurende welke uit de deelnemers afkomstige werknemers bij de Werkorganisatie waren geplaatst op 31 december van het betreffende jaar. 4. Een nadelig exploitatiesaldo over een dienstjaar wordt – voorzover het niet op een nadere wijze kan worden gedekt – op de in het eerste lid genoemde wijze aan de deelnemers in rekening gebracht. 5. Binnen een maand na vaststelling van de jaarrekening worden de door de deelnemers verschuldigde bijdragen verrekend met de door de deelnemers betaalde voorschotten.

6. Enig positief exploitatiesaldo over een dienstjaar komt ten goede aan de deelnemers. Dit saldo wordt naar rato van hun bijdrage conform de verdeelsleutel voor de bijdrage als bedoeld in het eerste lid binnen drie maanden na vaststelling van de jaarrekening ter beschikking gesteld aan de deelnemers. Artikel 24 Toetreding

Artikel 25 Toetreding

Artikel 25 Uittreding

Artikel 26 Uittreding

Artikel 26 Wijziging

Artikel 27 Wijziging

Artikel 27 Opheffing

Artikel 28 Opheffing

Artikel 28 Aanvullende bevoegdheden van het bestuur

Artikel 29 Aanvullende bevoegdheden van het bestuur

Artikel 29 Archief

Artikel 30 Archief Artikel 31 Privacy en informatieveiligheid 1. De deelnemers voldoen bij de verwerking van persoonsgegevens en informatie-uitwisseling aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, waaronder in ieder geval ook de Algemene Verordening Gegevensbescherming. 2. Alle deelnemers blijven zelf verantwoordelijk voor de eigen gegevensopslag en adequate en complete dossiervorming binnen de eigen gemeentelijke organisatie. 3. De gegevensuitwisseling tussen de deelnemers wordt vastgelegd in aparte verwerkersovereenkomsten. 4. De Werkorganisatie voldoet aan de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) of aan de ISO 27001 en 27002 serie en overlegt een Trusted Party Memorandum en het bijbehorende auditrapport aan de deelnemers waaruit blijkt dat zij aan de gestelde norm voldoen. 5. De wettelijke standaarden rondom informatiebeveiliging worden door de Werkorganisatie overgenomen zo nodig in overleg met de Chief Information Security Officers van de deelnemers. Artikel 32 Inspraak Inspraak door ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden wordt georganiseerd via de gemeenten. Deze inspraak kan leiden tot een verzoek om inlichtingen aan of besluitvorming door het bestuur.

Artikel 33 Evaluatie 1. Het bestuur draagt zorg voor een vierjaarlijkse evaluatie van de regeling. 2. Onderdeel van de evaluatie, bedoeld in het eerste lid, is in ieder geval: - de wijze waarop het bestuur bijdraagt aan het belang waarvoor het is ingesteld en de kwaliteit van zijn taakuitvoering; - de kostenverdeling; - de governance van het bestuur, waaronder het voorzitterschap, de sturing en verantwoording; en - de reserveontwikkeling. Artikel 30 Inwerkingtreding, duur en titel van de regeling Deze regeling kan worden aangehaald als: gemeenschappelijke regeling Amstelland en Meerlanden Werkorganisatie.

Artikel 34 Inwerkingtreding en duur Het bestuur voegt overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet, de gegevens toe in het daartoe bestemde register.

Artikel 31 Geschillen

Artikel 35 Geschillen

Artikel 32 Klachtenregeling

Artikel 36 Klachtenregeling Artikel 37 Governancecode en integriteit 1. De Werkorganisatie onderschrijft, gelet op de actieve regierol en de verantwoordingsplicht van de gemeente, uitdrukkelijk het belang van een goede governance waaronder het nastreven van waarden als transparantie, betrouwbaarheid, participatie en verantwoording en bereikt daarmee dat bewust publieke verantwoording wordt afgelegd over activiteiten en kwaliteit van de dienstverlening; 2. Met het oog op het eerste lid onderschrijft de Werkorganisatie daarom de principes van het Handvest Publiek Verantwoorden en brengt deze waarden in de praktijk; 3. De Werkorganisatie beschikt over een integriteitsbeleid, waarin in ieder geval de volgende aspecten zijn uitgewerkt: a. niet integer handelen (misstanden): handelingen die de organisatie schade, zoals het lekken van vertrouwelijke informatie, omkopen, nevenactiviteiten b. ongewenst gedrag: handelingen die de medewerker als persoon schaden, zoals seksuele en fysieke intimidatie, roddelen, pesten, negeren c. een gedragscode voor medewerkers van de Werkorganisatie

4. De Werkorganisatie rapporteert jaarlijks bij het jaarverslag over het integriteitsbeleid Artikel 38 Citeerwijze Deze regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke regeling Amstelland en Meerlanden Werkorganisatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=eb6c9dca-d5ce-4692-869e-09818de8c8b3