Bijlage plantoelichting Paraplubestemmingsplan Gasleiding Amsterdamse Bos
Tekst van het document
7.7 Wet Natuurbescherming Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: <0000> Natuurnetwerk Nederland (NNN) en, <0000> Natura 2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000 gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. In de provincie Noord-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud aan
vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat. Onderzoek soortenbescherming Soortenbescherming In het kader van voorliggend planvoornemen is een Natuurtoets opgesteld door Natuurbalans - Limes Divergens BV. De bijbehorende rapportage is opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting. Inzicht in het voorkomen van beschermde soorten is verkregen door het uitvoeren van een oriënterend veldbezoek. Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden op 11 december 2020. Uit de quickscan blijkt dat: <0000> Het verspreidingsbeeld van streng beschermde soorten op de ingreeplocatie en binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep is niet voldoende actueel en volledig om effecten van de ingreep te kunnen beoordelen. <0000> Binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep kunnen de volgende streng beschermde soorten voorkomen: grote bosaardbei, Kartuizer anjer, knollathyrus, knolspirea, kranskarwij, vleermuizen en boommarter.
Verder dient gedurende het broedseizoen rekening gehouden te worden met broedende vogels (zowel met als zonder jaarrond beschermd nest) en dient er tussen april en augustus rekening gehouden te worden met rugstreeppad. <0000> Negatieve effecten kunnen worden voorkomen door het treffen van mitigerende maatregelen voorafgaand of tijdens de werkzaamheden. <0000> Indien de voorgestelde mitigerende maatregelen worden uitgevoerd, wordt overtreding van verbodsbepalingen uit artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb voorkomen. Mitigerende maatregelen Vleermuizen <0000> Werkzaamheden vinden overdag plaats tussen een half uur na zonsopkomst en een half uur voor zonsondergang. <0000> Het gebruik van terreinverlichting dient zoveel mogelijk vermeden te worden. Als dat niet geheel te voorkomen is, dient gebruik gemaakt te worden van amberkleurige LED vlaklichtverlichting en deze dient niet uit te stralen in mogelijke leefgebieden van vleermuizen (bomen, bosranden, waterpartijen, etc.). <0000> Nabij bomen dient in de avond en nacht geen materiaal of materieel opgeslagen te worden, zodat de vrije aanvliegroute voor vleermuizen blijft gewaarborgd. Hiervoor gelden de volgendevoorwaarden: <0000> Binnen 5 m van bomen vindt geen opslag van materieel/materiaal plaats. Overdag mag er wel binnen deze zone worden gewerkt.
<0000> Binnen 20 m van bomen vindt geen opslag van materieel/materiaal hoger dan 2 m hoogte plaats. Boommarter <0000> De werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de kwetsbare periode van boommarter. De kwetsbare periode van boommarter duurt van maart tot en met augustus. Broedvogels met jaarrond beschermd nest <0000> De werkzaamheden worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van roofvogels. Voor buizerd is deze kwetsbare periode vastgesteld van februari t/m augustus (BIJ12, 2017). Deze ruime periode overlapt met het broedseizoen van eventueel andere aanwezige soorten en is daarom een goed uitgangspunt.
<0000>
Indien dit niet mogelijk is, dient vervolgonderzoek plaats te vinden naar de aanwezigheid van oude kraaiennesten en roofvogelnesten binnen minimaal 75 m van de werklocaties in het Amsterdamse bos. In eerste instantie kan dit middels één veldbezoek in de periode zonder blad aan de bomen. Indien nesten worden aangetroffen, is uitgebreider onderzoek in het voorjaar noodzakelijk.
Rugstreeppad <0000> Om vestiging van rugstreeppad tegen te gaan, dient het ontstaan van plassen (regen)water op het werkterrein voorkomen te worden in de periode april t/m augustus. Vissen <0000> In het kader van de zorgplicht, die ook geldt voor algemene soorten, is het noodzakelijk om het droogleggen van de watergang onder ecologische begeleiding uit te voeren. Die begeleiding houdt in dat, voordat de watergang wordt droog gepompt, aanwezige vissen worden weggevangen en verplaatst naar een locatie verderop in de sloot buiten de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep. Om te voorkomen dat vissen terugkeren tijdens de werkzaamheden, dient dit plaats te vinden na het afdammen van de sloot. Conclusie Soortenbescherming Het verspreidingsbeeld van grote bosaardbei, Kartuizer anjer, knollathyrus, knolspirea en kranskarwij is niet compleet. Vervolgonderzoek naar deze en overige beschermde plantensoorten is nodig, zodat (negatieve) effecten van de ingreep kunnen worden beoordeeld en eventuele mitigerende maatregelen kunnen worden aangegeven. Verder is onderzoek naar aanwezigheid van jaarrond beschermde vogelnesten nodig indien niet buiten de kwetsbare periode van deze soorten kan worden gewerkt. Naar aanleiding van de quickscan is een nader onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8. In het plangebied is onderzoek uitgevoerd naar marterachtigen, ringslang, dagvlinders en beschermde flora.
In het plangebied zijn de onderzochte beschermde soorten niet aangetroffen. Vanwege bekende waarnemingen in de omgeving van het plangebied, kan de ringslang mogelijk sporadisch voorkomen in het plangebied. Derhalve zijn een aantal voorwaarden opgesteld met betrekking tot de uitvoering. Zolang deze voorwaarden worden opgevolgd is een ontheffing Wet natuurbescherming niet aan de orde. Vervolgstappen zijn niet aan de orde, de soortbescherming staat het voornemen niet in de weg Onderzoek gebiedsbescherming In bijlage 7 is het aspect gebiedsbescherming nader toegelicht. Natura 2000-gebieden Er ligt geen Natura 2000-gebied binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000- gebied zijn op voorhand uitgesloten. Enkel kan een effect ontstaan als gevolg van stikstofdepositie, aangezien stikstof via de lucht verder reikt dan alle andere storingsfactoren. De stikstofdepositie van de ontwikkeling is inzichtelijk gemaakt in bijlage 9.
Voor Natura 2000-gebieden 'Kennemerland-Zuid', 'Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske', 'Polder Westzaan', 'Botshol', 'Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder', 'Naardermeer', 'Oostelijke Vechtplassen', 'Noordhollands Duinreservaat' en 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' geldt dat de achtergrondconcentratie hoger is dan de kritische depositiewaarden van een aantal habitattypen die in deze Natura 2000-gebieden voorkomen. In deze gebieden neemt de depositie met maximaal 0,02 mol/ha/jaar toe. Deze toename van de depositie is niet meetbaar en verwaarloosbaar bij de jaarlijkse variatie in de achtergrondconcentratie. Dergelijk lage deposities hebben daarnaast geen meetbare gevolgen voor de groeisnelheid van planten en leiden niet tot verschuivingen in de
aanwezige habitattypen. Er wordt dus geconcludeerd dat de tijdelijke toename van de depositie geen significant negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Als gevolg van deze tijdelijk zeer lage depositie is er geen natuurvergunning nodig. Deze lijn wordt ondersteund met verschillende jurisprudentie waaronder AbRS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1110 (Bp. Callantsoog: geringe tijdelijke toename op overbelast habitat (0,04 gedurende max 3 mnd)). Natuurnetwerk Nederland De ingreeplocatie ligt binnen de begrenzing van het NNN. Het Amsterdamse bos ligt in het NNN en behoort, samen met Nieuwe Meer en Amstelveense Poel, tot het deelgebied Zuidwest Rijnland. Het Amsterdamse bos vormt een groot groen gebied naast het verstedelijkte gebied van Amsterdam. Het is een parkachtig landschap van bossen, graslanden en waterpartijen. Het Amsterdamse Bos heeft een grote diversiteit aan dieren, planten en bomen. Het is een natuurgebied met verschillende karakters: een mozaïek aan nat, droog, bos, grasland, riet en open water. Het effect van de maatregelen is van tijdelijke aard en beperkt zich tot de in- en uittredes van de HDD voor het tracé Bosbaan Amstelveen en de meest oostelijke ingreeplocatie. Het grootste deel van de ingreep binnen het NNN vindt plaats middels een HDD (boring), waardoor hier effecten op voorhand zijn uitgesloten.
Aangezien geen bomen worden gekapt is het effect van de maatregelen tijdelijk van aard. Het maaiveld wordt naderhand weer hersteld. De vegetatie kan zich vervolgens weer herstellen. Kruiden- en faunarijk grasland herstelt in korte tijd. Op het vochtig bos met productie zijn geen effecten te verwachten, aangezien geen bomenkap plaatsvindt. Daarmee is er geen sprake van permanent oppervlakteverlies of verlies van samenhang. Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN zijn op voorhand uitgesloten. Bomen Voor de ontwikkeling zijn vooraf de mogelijk knelpunten voor bomen verkend, zie bijlage 10. In dit onderzoek is advies gegeven voor de mogelijk knelpunten. Dit advies wordt bij de uitvoering opgevolgd. Advies ondergronds: Gebruik minimaal rijplaten waar de HGM’s (mobiele kranen) naast het asfalt moeten bewegen. Advies bovengronds: Het gaat naar schatting om een vijftal takken uit de onderkant van de kronen. De maximale takdoorsnede bedraagt 15 cm. De kroonvorm van de betreffende bomen wordt hierdoor niet aangetast. Voorwaarde voor een zo beperkt mogelijk invloed op de bomen is dat het snoeiwerk wordt uitgevoerd door een deskundig boomverzorger. Bijvoorbeeld een gecertificeerd ETW-er (European Tree Worker). Wees zo zuinig mogelijk bij het verwijderen van takken.
Houdt daarom de boomverzorger ook tijdens het werk beschikbaar zodat er eventueel een tak kan worden verwijderd die men op voorhand het voordeel van de twijfel gunde. Conclusie gebiedsbescherming Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
7.8 Niet gesprongen explosieven Als gevolg van gevechtshandelingen kunnen er ontplofbare oorlogsresten (OO) in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven. Er ontstaat bij het spontaan aantreffen en beroeren van OO uit de Tweede Wereldoorlog mogelijk een verhoogd veiligheidsrisico.
Onbedoelde detonaties kunnen bij de uitvoering van werkzaamheden in het ergste geval leiden tot dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving. Spontane OO vondsten kunnen resulteren in meerwerkkosten door stagnatie van de uitvoeringswerkzaamheden. Onderzoek Omdat er gegraven gaat worden in de bodem heeft de Gasunie een explosievenonderzoek laten uitvoeren door AVG. In het rapport 'Vooronderzoek OO, (d.d. 26 oktober 2021), zijn hiervan de bevindingen beschreven (zie bijlage 11). De volgende gevechtshandelingen / OO gerelateerde handelingen hebben in en nabij het onderzoeksgebied plaatsgevonden: <0000> Het neerkomen van afwerpmunitie. <0000> De aanleg van loopgraven, wapen-/ en geschutstellingen, munitieopslagen te velde en andere militaire objecten binnen verdedigingswerken. De volgende OO kunnen mogelijk in het onderzoeksgebied worden aangetroffen: <0000> Afwerpmunitie. <0000> Gedumpte munitie ter plaatse van de verdedigingswerken. Het onderzoeksgebied is gedeeltelijk verdacht op OO. Ter plaatse van de niet verdachte gebieden kunnen de werkzaamheden onder reguliere condities worden uitgevoerd. Voor de verdachte gebieden dient nader onderzoek te worden uitgevoerd. Dit onderzoek wordt afgerond voor de start van de werkzaamheden en wordt afgestemd met de gemeente. Conclusie Het aspect explosieven geeft geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
7.9 Duurzaamheid Op lange termijn (2050) heeft Nederland de ambitie klimaatneutraal te zijn. Voor dit streven is het nodig om af te stappen van het aardgas en over te gaan op duurzamere bronnen. Voor Amstelveen en regio is op korte termijn geen grootschalig geschikte alternatief beschikbaar voor gas. Om tot die tijd de leveringszekerheid van energie te kunnen garanderen is een gedeeltelijke ombouw van het gasleidingnet nodig. Ombouw ter plaatse van de Bosbaan is voor Amstelveen en regio noodzakelijk om de aansluiting met de energiecentrale Diemen te garanderen. Deze energiecentrale van Vattenfall fungeert als een energiehub voor elektriciteit maar ook voor restwarmte o.a. voor het warmtenet Amstelveen en regio. De ombouw naar het hoogcalorische (met een hoge verbrandingsenergie) gasnet is nodig omdat gas uit het Groningerveld een lagere verbrandingsenergie heeft dan het buitenlandse gas waarnaartoe wordt overgestapt. De aan te leggen gasleiding kan geschikt worden gemaakt voor eventueel transport van duurzame waterstof.
7.10 Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) Volgens het Besluit milieueffectrapportage dient voor activiteiten van onderdeel D te worden bepaald of er ten gevolge van de voorgenomen activiteit sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Afhankelijk van waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu is een milieueffect-rapportage (m.e.r., de procedure) al dan niet nodig en dient er wel of geen MER (milieueffect-rapport, het document) te worden opgesteld. Dit is ter beoordeling aan het bevoegd gezag. In relatie met aardgastransportleidingen is van belang categorie D 8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage: "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas, olie of CO2-stromen ten behoeve van geologische opslag of de wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van chemicaliën". Er is hier sprake van vormvrije m.e.r.-beoordeling, omdat de drempelwaarden van deze categorie D 8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage niet worden overschreden. De voorgenomen aanleg heeft namelijk geen betrekking op een buisleiding geprojecteerd in gevoelig gebied zoals bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage (zoals natuurgebieden). Conclusie De aanmeldingsnotitie ten behoeve van de m.e.r.-beoordeling gaat in op de mogelijke negatieve gevolgen voor het milieu. Op basis van de onderzoeken van de verschillende aspecten kan worden geconcludeerd dat de benodigde werkzaamheden en het gebruik van het tracé niet waarschijnlijk tot belangrijke nadelige milieueffecten zullen leiden.
Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Amstelveen heeft ingestemd met de notitie en heeft besloten dat voor de voorgenomen ontwikkeling een milieueffectrapportage niet noodzakelijk wordt geacht. Dit besluit en de aanmeldnotitie zijn bijgevoegd als bijlage 12.
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Historisch bodemonderzoek
Bijlage 2 Grondmechanisch rapport
Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek Klimbos
Bijlage 4 Geohydrologisch rapport
Bijlage 5 Archeologisch onderzoek
Bijlage 6 Kwantitatieve risicoanalyse
Bijlage 7 Natuurtoets
Bijlage 8 Nader ecologisch onderzoek
Bijlage 9 Memo stikstofdepositie
Bijlage 10 Bomenonderzoek Amsterdamse bos
Bijlage 11 Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten
Bijlage 12 Besluit en Aanmeldnotitie m.e.r. Raasdorp-Sloten