Bijlage C3 - Toelichting quickscan ecologie Appellaan 6
Tekst van het document
QUICKSCAN ECOLOGIE Appellaan/Notenlaan te Amstelveen
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 15-1-2025
VERANTWOORDING
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres:
Gemeente Amstelveen Dhr. A. Deda Postbus 4 1180 BA Amstelveen
Tel: E-mail:
a.deda@amstelveen.nl 06-43462494
Uitvoering: Adres: Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Projectleider:
ing. C.J. Aalbers
Auteur: Kwaliteitscontrole:
ing. I. Godijk ing. C.J. Aalbers
Projectcode: Datum:
AMNA2505 15-1-2025
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is aangesloten bij brancheorganisatie Netwerk Groene Bureaus.
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2
SAMENVATTING
De gemeente Amstelveen is voornemens het terrein aan de Appellaan/Notenlaan te Amstelveen te ontwikkelen. Deze ingreep wordt gezien als een activiteit in de fysieke leefomgeving. Onderzocht is of deze ingreep in het kader van de Omgevingswet een flora- en fauna-activiteit betreft. De bomen met holtes bieden potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen. In het projectgebied kunnen algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Indien de bomen met holtes worden gekapt, kunnen er verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen worden vernield. Ook kunnen er individuen van boombewonende vleermuizen worden verstoord en/of gedood. Daarnaast kunnen gedurende de werkzaamheden algemene (provinciaal vrijgestelde) amfibieën en zoogdieren worden gedood. Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen van vogels (globaal maart t/m augustus) plaatsvinden, kunnen broedende vogels worden verstoord of gedood. Nadelige directe effecten als gevolg van het projectvoornemen op het NNN en Natura 2000-gebieden worden niet verwacht. Het NNN en Natura 2000-gebieden liggen buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden in het projectgebied. De werkzaamheden kunnen door de inzet van mobiele werktuigen en door werkverkeer in de realisatiefase mogelijk leiden tot een verhoogde stikstofemissie.
Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden worden significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden als gevolg van de werkzaamheden niet verwacht. In de gebruiksfase vindt er verandering van gebruik plaats, waardoor er in de gebruiksfase een verhoogde stikstofemissie wordt verwacht. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand echter niet worden uitgesloten. Een AERIUSberekening kan hierover uitsluitsel bieden. De betreffende ingreep betreft in het kader van de Omgevingswet naar verwachting een flora- en fauna-activiteit. Teneinde vast te stellen wat de effecten van de activiteit in de fysieke leefomgeving op beschermde soorten zijn, wordt vervolgonderzoek aanbevolen. Het wordt aanbevolen de bomen met holtes niet te kappen. Indien de bomen met holtes worden gekapt, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden naar verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Het onderzoek naar boombewonende vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) uit te voeren.
Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels worden vernietigd en kunnen individuen van broedvogels worden verstoord. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Daarnaast is de zorgplicht van toepassing. Deze is altijd van toepassing voor alle in het wild levende soorten, ook wanneer er gebruik wordt gemaakt van een gedragscode, vergunning of vrijstelling. Derhalve is het aan te bevelen om voor ten minste de aanwezige beschermde soorten en Rode lijstsoorten mitigerende maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol om negatieve gevolgen voor de leefomgeving te voorkomen en te beperken. De te kappen houtopstand bevindt zich binnen de bebouwingscontour houtkap zoals vastgesteld in het omgevingsplan van de gemeente Amstelveen. De bepalingen in het Besluit activiteiten leefomgeving (art. 11.111 Bal) met betrekking tot het vellen van houtopstanden zijn daarmee niet van toepassing.
3
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding ...................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel.................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ................................................................................................. 5 1.2.1 Soortbescherming ................................................................................................................. 5 1.2.2 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 7 1.2.3 Houtopstanden ..................................................................................................................... 7 1.2.4 Zorgplicht.............................................................................................................................. 8 1.2.5 Omgevingsvergunning .......................................................................................................... 8 1.3 Leeswijzer................................................................................................................................ 9 2 2.1 2.2
Projectgebied en ontwikkelingen ............................................................................................. 10 Projectgebied ......................................................................................................................... 10 Ontwikkelingen....................................................................................................................... 10
3 Soortbescherming .................................................................................................................... 12 3.1 Bronnenonderzoek ................................................................................................................. 12 3.2 Habitatscan............................................................................................................................ 12 3.2.1 Amfibieën ........................................................................................................................... 12 3.2.2 Broedvogels........................................................................................................................ 13 3.2.3 Ongewervelden................................................................................................................... 13 3.2.4 Reptielen ............................................................................................................................ 13 3.2.5 Vaatplanten ........................................................................................................................ 14 3.2.6 Vissen ................................................................................................................................
14 3.2.7 Vleermuizen........................................................................................................................ 14 3.2.8 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................ 15 3.2.9 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies ........................................................... 15 3.2.10 Rode lijstsoorten ................................................................................................................. 15 3.3 Effecten ................................................................................................................................. 15 3.3.1 Effecten ontwikkelingen....................................................................................................... 16 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Omgevingswet .................................................................. 16 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied............................................................................ 16 3.4.2 Mitigerende maatregelen ..................................................................................................... 16 3.4.3 Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten ................................................................ 17 4 4.1
Gebiedsbescherming ............................................................................................................... 18 Effecten ................................................................................................................................. 19
5
Houtopstanden ......................................................................................................................... 20
6 6.1 6.2
Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................. 21 Conclusies ............................................................................................................................. 21 Aanbevelingen ....................................................................................................................... 21
7 Literatuur .................................................................................................................................. 23 Bijlage 1: Beoordelingsregels Omgevingswet ...................................................................................... 24 Bijlage 2: Foto-impressie .................................................................................................................... 26 Bijlage 3: Tabel mogelijk aanwezige beschermde soorten ................................................................... 27 Bijlage 4: Tabel mogelijk aanwezige Rode lijstsoorten ......................................................................... 30 Bijlage 5: Kaart resultaten habitatscan ................................................................................................ 32
4
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL De gemeente Amstelveen is voornemens het terrein aan de Appellaan/Notenlaan te Amstelveen te ontwikkelen. Deze ingreep wordt gezien als een activiteit in de fysieke leefomgeving. De initiatiefnemer van een activiteit in de fysieke leefomgeving dient er zorg voor te dragen dat de Omgevingswet niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Omgevingswet in relatie tot flora en fauna noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk vervolgonderzoek en/of een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. De bomen in het projectgebied vallen binnen de door de gemeenteraad van Amstelveen vastgestelde bebouwde kom. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het kappen van de bomen.
1.2
NATUURBESCHERMINGSWETGEVING Natuurbescherming is opgenomen in de Omgevingswet. Dit beslaat gebiedsbescherming, soortbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Nationale Omgevingsvisie. Voor wat betreft de soortbescherming in de Omgevingswet zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen en Rode lijstsoorten. Middels een provinciale verordening kunnen de nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de bepalingen uit de natuurbeschermingswetgeving. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. De voor flora- en fauna-activiteiten meest relevante onderdelen van de natuurbeschermingswetgeving zijn hier opgenomen. 1.2.1
SOORTBESCHERMING
Het is conform artikel 5.1, lid 2g van de Omgevingswet verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die tot schadelijke gevolgen kunnen leiden voor van nature in het wild levende dieren en planten (zogenaamde flora- en fauna-activiteiten). Ten aanzien van flora- en fauna-activiteiten die tot nadelige gevolgen kunnen leiden voor soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten zijn vanuit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van toepassing. Daarnaast is onder artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving een specifieke zorgplicht aangewezen. De specifieke zorgplicht verplicht een ieder met het voornemen een project te realiseren of een andere handeling te verrichten na te gaan of die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor flora en fauna en passende maatregelen te treffen. Europees beschermde soorten - Vogels De bepalingen voor wat betreft Europees beschermde vogels zijn opgenomen in artikel 11.37 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a.
5
Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De bepalingen voor wat betreft overige Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 11.46 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Nationaal beschermde soorten De bepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 11.54 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B.
Rode lijstsoorten Voor Rode lijstsoorten is de specifieke zorgplicht (Besluit activiteit leefomgeving, artikel 11.27) van toepassing. Tevens zijn er soorten die naast een status als Rode lijstsoort beschermd worden door middel van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of als nationaal beschermde soort. De bescherming ten aanzien van deze soorten via de Vogelrichtlijn (Bal, artikel 11.37), Habitatrichtlijn (Bal, artikel 11.46) of als nationaal beschermde soort (Bal, artikel 11.54) zijn leidend. Dit betekent dat er voor activiteiten met nadelige gevolgen voor deze soorten een vergunningsplicht van toepassing is. Voor nationaal beschermde soorten kan er door middel van provinciale omgevingsverordeningen een vrijstelling van de wettelijke bepalingen zijn aangewezen. Voor Rode lijstsoorten zijn er geen vrijstellingen. Dit houdt in dat voor een nationaal beschermde soort die vrijgesteld is door middel van een provinciale omgevingsverordening met een Rode lijststatus de specifieke zorgplicht (Bal, artikel 11.27) van toepassing is. Voor activiteiten met nadelige gevolgen voor deze soorten is een vergunningplicht niet van toepassing. Er dienen echter wel passende (preventieve) maatregelen getroffen te worden in het kader van de specifieke zorgplicht. Zulke passende (preventieve) maatregelen dienen door een deskundige vastgesteld te worden.
6
1.2.2
GEBIEDSBESCHERMING
Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 5.1, lid 1e van de Omgevingswet verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Met betrekking tot activiteiten in Natura 2000-gebieden zijn onder paragraaf 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving specifieke zorgplichtbepalingen vastgesteld. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit kwaliteit leefomgeving’ (Bkl) en zijn uitgewerkt in de provinciale omgevingsverordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud van de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN (Bkl, artikel 7.8). Bij activiteiten binnen het natuurnetwerk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurwerk dienen deze gevolgen zodanig te worden gecompenseerd dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.
1.2.3
HOUTOPSTANDEN
Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De bepalingen in het Besluit activiteiten leefomgeving kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de aangewezen bebouwingscontour houtkap bij besluit van de gemeenteraad vastgesteld omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het vellen van houtopstanden die wel onder de bepalingen in het Bal vallen, geldt een meldplicht bij gedeputeerde staten en een herplantplicht.
7
1.2.4
ZORGPLICHT
Specifieke zorgplicht De bepalingen voor wat betreft de specifieke zorgplicht zijn opgenomen in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1.
2.
3.
1.2.5
Degene die een flora- en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a.
voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1) van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de Vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2) van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de Habitatrichtlijn; 3) dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de Rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚, van de wet; en 4) voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d.
alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.
OMGEVINGSVERGUNNING
Voor het overtreden van de wettelijke artikelen en bepalingen van de Omgevingswet en bijbehorende besluiten kan een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit worden aangevraagd (Bkl, artikel 8.74). Een vergunning met betrekking tot flora- en fauna-activiteiten wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan de Beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteiten. Deze zijn opgenomen in bijlage 1.
8
1.3
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven. Hierin wordt ingegaan op de locatie en ligging van het projectgebied, inclusief de relevante structuren en elementen in het projectgebied en de directe omgeving. Verder omvat dit hoofdstuk een beschrijving van de geplande ontwikkelingen in het projectgebied en de daarbij horende werkzaamheden en planning. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Omgevingswet beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Omgevingswet beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Omgevingswet beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.
9
2
PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN
2.1
PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Amstelveen in kilometerhok: X: (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.
118
/
Y:
478
Afbeelding 1: Ligging projectgebied
Het projectgebied betreft een braakliggend terrein. Het is laag begroeid met onder andere grassen met verschillende kruiden, waaronder de grote brandnetel, pitrus en de ridderzuring. De westzijde van het projectgebied grenst aan de Notenlaan en aan de zuidzijde grenst het aan de appellaan. Aan de westzijde van het projectgebied bevindt zich een bomenrij die bestaat uit drie exemplaren van de walnoot. Aan de oostzijde van het gebied bevinden zich twee exemplaren van een sierappel. In het midden van het projectgebied is een plas aanwezig. Vermoedelijk betreft dit een tijdelijke plas als gevolg van regenachtig weer. In de omgeving van het projectgebied bevinden zich woonhuizen en intensief beheerde grasvelden. In bijlage 2 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.
2.2
ONTWIKKELINGEN
De gemeente Amstelveen is voornemens om op het braakliggende terrein 38 sociale huurappartementen te ontwikkelen in de vorm van een U-vormig complex van maximaal 3 bouwlagen. De planning van de werkzaamheden is op het moment van schrijven nog onbekend. Afbeelding 2 geeft de huidige situatie weer. In afbeelding 3 is de geplande ontwikkeling schematisch weergegeven.
10
Afbeelding 2: Huidige situatie
Afbeelding 3: Geplande ontwikkeling
11
3
SOORTBESCHERMING
3.1
BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten gebruik kunnen maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en soortenorganisaties, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de Nationale Databank Flora en Fauna) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. In bijlage 3 is de lijst met beschermde soorten welke op basis van het bronnenonderzoek bekend zijn in de omgeving van het projectgebied voor te komen. Uit het bronnenonderzoek volgt tevens een overzicht met Rode lijstsoorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. Dit overzicht is in bijlage 4 opgenomen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht.
Provinciale vrijstelling De ‘Vergunningvrije ruimtelijke inrichting of bestendig beheer’ betreft een vrijstelling van het verbod op vangen en vernielen of beschadigen van de vaste voortplantings- of rustplaatsen bij ruimtelijke inrichting, ontwikkeling, bestendig beheer en onderhoud. Voor de provincie Noord-Holland zijn middels artikel 4.10 van de “Omgevingsverordening Noord-Holland 2022” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 11.54, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze aanwijzing geldt enkel voor de soorten die in Bijlage 5c van de “Omgevingsverordening Noord-Holland 2022” zijn opgenomen. Dit is geen vrijbrief, de specifieke zorgplicht uit artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten. Daarnaast geldt in de provincie Noord-Holland een meldingsplicht voor aanvang van de werkzaamheden indien gebruik wordt gemaakt van deze vrijstelling.
3.2
HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd wanneer het habitat geschikt is voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 27 november 2024 en is uitgevoerd door ing. I. Godijk en ing. M.R. Hansma. Het was tijdens het veldbezoek circa 7.6 °C, windkracht 4 Bft. en zwaar bewolkt. De resultaten van de habitatscan zijn op kaart weergegeven in bijlage 5. 3.2.1
AMFIBIEËN
In de omgeving van het projectgebied zijn de Alpenwatersalamander en de rugstreeppad bekend voor te komen. De Alpenwatersalamander komt voor in langzaam stromend of stilstaand water met weinig tot geen vis. De natuurlijke verspreiding van de Alpenwatersalamander in Nederland betreft Limburg, Brabant en het oosten van Zeeland. Individuen van de Alpenwatersalamander in de omgeving van het projectgebied, betreffen uitgezette of ontsnapte exemplaren. Deze zijn derhalve niet strikt beschermd. De rugstreeppad gebruikt bij voorkeur visvrije ondiepe poelen en watergangen als voortplantingswater. Voor landbiotoop geeft de rugstreeppad voorkeur aan braakliggende terreinen. Het winterbiotoop bevindt zich in vergraafbare grond of holen welke zich boven het grondwaterniveau bevinden. In het midden van het projectgebied bevindt zich een plas die geschikt kan zijn als voortplantingswater voor de rugstreeppad. Het braakliggende terrein biedt een suboptimaal landbiotoop en overwinteringslocaties. Het bekend verspreidingsgebied van de rugstreeppad in de omgeving van het projectgebied is gelegen in de Bovenkerkerpolder en de polders ten oosten van de Amstel. Tussen de bekende waarnemingen en het projectgebied liggen barrières, zoals grote wegen en sloten.
Tevens bevindt zich het projectgebied in de bebouwde kom en ontbreekt er tussen de bekende waarnemingen en het projectgebied aaneengesloten geschikt habitat voor de rugstreeppad. Derhalve worden beschermde functies van de rugstreeppad uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied. 12
In de directe omgeving van het projectgebied kunnen algemene, provinciaal vrijgestelde amfibieën voorkomen, zoals de bruine kikker en de gewone pad.
3.2.2
BROEDVOGELS
In de omgeving van het projectgebied zijn de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, slechtvalk, sperwer en de steenuil bekend voor te komen. De gierzwaluw en de huismus gebruiken onder andere open ruimtes en spleten bij dakranden en ruimte onder dakpannen als nestlocatie. Door de afwezigheid van bebouwing in het projectgebied kan de aanwezigheid van nestlocaties voor de gierzwaluw en de huismus in het projectgebied worden uitgesloten. Door het ontbreken van dichte groenstructuren in het projectgebied wordt functioneel leefgebied van de huismus uitgesloten voor te komen in het projectgebied. Tijdens de habitatscan zijn er in het projectgebied en de directe omgeving geen bomen met potentieel jaarrond beschermde nesten vastgesteld. Derhalve worden nestlocaties van de boomvalk, buizerd, ransuil en de sperwer uitgesloten voor te komen in het projectgebied. Overige broedvogels met jaarrond beschermde nesten worden eveneens niet verwacht voor te komen, vanwege het ontbreken van potentieel geschikte nestlocaties of het ontbreken van geschikt habitat. Categorie 5-soorten van de aangepaste lijst met jaarrond beschermde vogelnesten (RVO, 2009) kunnen binnen het projectgebied of binnen de omgeving van het projectgebied overgaan tot broeden. De te verwachten soorten zijn onder andere de ekster en de zwarte kraai.
In de omgeving van het projectgebied zijn voor deze soorten voldoende uitwijkmogelijkheden te vinden in onder andere bebouwing, tuinen en parken. Het projectgebied biedt geschikt broedbiotoop voor algemeen voorkomende broedvogels zoals de houtduif en de merel.
3.2.3
ONGEWERVELDEN
In de omgeving van het projectgebied zijn de grote vos en de platte schijfhoren bekend voor te komen. Het voortplantingshabitat van de grote vos betreft open bosgebieden met aanwezigheid van de waardplanten iep, wilg en/of zoete kers. De grote vos voedt zich voornamelijk met honingdauw, rottend fruit en sap van bomen. In het projectgebied ontbreken waardplanten van de grote vos, derhalve worden beschermde functies van de grote vos uitgesloten voor te komen in het projectgebied. De platte schijfhoren komt voor in licht stromend en stilstaand water met rijke watervegetatie. In het projectgebied is geen water met rijke watervegetatie aanwezig. Derhalve kunnen beschermde functies van de platte schijfhoren worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied.
3.2.4
REPTIELEN
In de omgeving van het projectgebied zijn de muurhagedis en de ringslang bekend voor te komen. De muurhagedis is een soort die gebonden is aan rivierdalen en warme stenige plekken. Deze soort komt oorspronkelijk alleen voor in Limburg. Individuen in de omgeving van het projectgebied, betreffen uitgezette of ontsnapte individuen. Deze zijn derhalve niet strikt beschermd. Daarnaast is er geen geschikt habitat voor de muurhagedis aanwezig. Derhalve kan de muurhagedis worden uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied. De ringslang is een watergebonden slang die zonplaatsen, schuil- en foerageerplekken tot zijn beschikking moet hebben. De ringslang heeft broeihopen bestaande uit bladeren en/of compost als voortplantingsbiotoop. Er zijn geen broeihopen of potentiële verblijfplaatsen voor de ringslang in het projectgebied waargenomen. Tevens zijn de eerder genoemde elementen onvoldoende aanwezig om jaarrond leefgebied te bieden aan de ringslang. Beschermde functies van de ringslang worden derhalve uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied.
13
3.2.5
VAATPLANTEN
In de omgeving zijn de akkerboterbloem, dreps, grote bosaardbei, karthuizeranjer, kleine schorseneer, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, kranskarwij, naakte lathyrus, naaldenkervel, ruw parelzaad, schubvaren, smalle raai, wilde ridderspoor, wolfskers en de Zweedse kornoelje bekend voor te komen. De akkerboterbloem, dreps, grote bosaardbei, karthuizeranjer, kleine schorseneer, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, kranskarwij, naakte lathyrus, naaldenkervel, ruw parelzaad, wilde ridderspoor, wolfskers en de Zweedse kornoelje betreffen aangeplante of verwilderde exemplaren. Deze soorten genieten derhalve geen strikte bescherming. Tevens is er geen geschikt habitat voor deze soorten binnen het projectgebied aanwezig. Derhalve kunnen groeiplaatsen van deze soorten worden uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied. De schubvaren groeit op kalkhoudend stenig substraat zoals oude muren die gevoegd zijn met kalkspecie. In het projectgebied is geen geschikt substraat voor de schubvaren aanwezig. Groeiplaatsen van de schubvaren in het projectgebied kunnen uitgesloten worden. Smalle raai groeit op zonnige open plaatsen op droge stikstofhoudende gronden. Standplaatsen van de smalle raai betreffen spoorwegterreinen en graanakkers. Het projectgebied bevat geen vergelijkbare geschikte standplaatsen.
Derhalve kunnen groeiplaatsen van de smalle raai in het projectgebied worden uitgesloten.
3.2.6
VISSEN
In de omgeving van het projectgebied zijn geen beschermde vissoorten bekend voor te komen. Tevens bevat het projectgebied geen watergangen. Derhalve kunnen beschermde vissoorten worden uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied.
3.2.7
VLEERMUIZEN
In de omgeving van het projectgebied zijn de franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en de watervleermuis. Gebouwbewonende vleermuizen gebruiken onder andere open stootvoegen, ruimtes onder dakpannen, kieren bij de dakranden en dakoverstekken, kieren rondom kozijnen en open dilatatievoegen om toegang de krijgen tot achterliggende ruimtes die gebruikt kunnen worden als verblijfplaats. In het projectgebied zijn geen gebouwen aanwezig. Derhalve kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. Boombewonende vleermuizen gebruiken onder andere afgebroken takken, doorgerotte holtes, loszittend schors en/of scheuren in takken als verblijfplaats. Binnen het projectgebied zijn twee bomen met holtes vastgesteld (zie afbeelding 4). Derhalve kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, zoals de gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis in het projectgebied niet worden uitgesloten.
Afbeelding 4: Boomholtes
Het projectgebied en de directe omgeving kunnen onderdeel uitmaken van vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen. In de omgeving zijn soortgelijke, alternatieve vliegroutes en foerageergebieden ruim aanwezig. 14
3.2.8
GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN
In de omgeving van het projectgebied zijn de boommarter, bunzing, eekhoorn, hermelijn, otter, steenmarter, waterspitsmuis en de wezel bekend voor te komen. De boommarter en de steenmarter komen voor in zowel bosrijke en parkachtige gebieden als in stedelijke gebieden. Verblijfplaatsen in stedelijke gebieden bevinden zich onder andere in holen en in of onder bebouwing. Tijdens de habitatscan zijn er geen potentiële verblijfplaatsen of gebruikssporen van de boommarter en de steenmarter vastgesteld. Het voorkomen van beschermde functies voor de boommarter en de steenmarter in het projectgebied wordt derhalve uitgesloten. De bunzing, hermelijn en de wezel vormen samen de groep kleine marterachtigen. Kleine marterachtigen komen voor op plaatsen met voldoende schuil- en foerageermogelijkheden en maken gebruik van elementen als puinstapels, takkenhopen, muizen- en konijnenholen en dichte vegetaties als verblijfplaats. Het projectgebied bevat geen geschikt habitat voor de kleine marterachtigen. Tijdens de habitatscan zijn geen potentiële verblijfplaatsen of gebruikssporen waargenomen in het projectgebied. Derhalve kunnen verblijfplaatsen van de kleine marterachtigen in het projectgebied worden uitgesloten voor te komen. De eekhoorn komt voor in bossen en parken. In het projectgebied bevinden zich vijf bomen. In deze bomen zijn er geen nesten van de eekhoorn aangetroffen.
Het projectgebied biedt geen geschikt habitat voor de eekhoorn. Derhalve kunnen beschermde functies van de eekhoorn uitgesloten worden voor te komen in het projectgebied. De otter is gebonden aan stromende wateren met voldoende dekking en rust. Verblijfplaatsen van deze soort bevinden zich nabij oevers met dichte vegetatie. Het projectgebied bevat geen geschikt habitat voor de otter. Derhalve worden beschermde functies van de otter uitgesloten voor te komen in het projectgebied. De waterspitsmuis is bekend voor te komen in de omgeving van het projectgebied. De waterspitsmuis komt voornamelijk voor in gebieden nabij water met oevers met een goed ontwikkelde vegetatie. In het projectgebied is een plas aanwezig. Deze plas is echter tijdelijk en is geïsoleerd ten opzichte van andere wateren. Het voorkomen van beschermde functies voor de waterspitsmuis in het projectgebied wordt derhalve uitgesloten. In de directe omgeving van het projectgebied kunnen algemene, provinciaal vrijgestelde zoogdieren voorkomen, zoals de egel, haas, konijn en verschillende muizensoorten.
3.2.9
MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES
Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep
Functies
Bescherming Ow
Mogelijke aanwezigheid:
Algemene amfibieën en zoogdieren*
Leefgebied
Artikel 11.27 (Bal)
Gehele projectgebied
Algemene broedvogels
Nesten
Artikel 11.37 (Bal)
Bomen
Boombewonende vleermuizen
Verblijfplaatsen
Artikel 11.46 (Bal)
Boomholtes
*= Vrijgesteld in de provincie Noord-Holland in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De zorgplicht (Artikel 11.27 Bal) blijft van toepassing.
3.2.10
RODE LIJSTSOORTEN
In de nabije omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van Rode lijstsoorten. In bijlage 4 is opgenomen welke Rode lijstsoorten dit betreft en of er geschikt habitat voor deze soorten aanwezig is.
3.3
EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Omgevingswet wordt overtreden. Mochten deze
15
maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten van de Omgevingswet noodzakelijk zijn.
3.3.1
EFFECTEN ONTWIKKELINGEN
De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Daarnaast zijn de beschermde soorten en functies beschreven waar geen effecten op worden verwacht bij uitvoering van de werkzaamheden. Geen effecten Indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen (maart – augustus) plaatsvinden, worden geen effecten verwacht op broedgevallen van algemene vogels. Wanneer de bomen met holtes onaangetast blijven tijdens de werkzaamheden zijn er geen effecten te verwachten op verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Tijdelijke effecten Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden in het actieve seizoen van vleermuizen (april – oktober) en er tussen zonsondergang en zonsopkomst gebruik wordt gemaakt van additionele verlichting kunnen vleermuizen worden verstoord. Permanente effecten Indien de bomen met holtes worden gekapt kunnen er verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen worden vernield. Ook kunnen er individuen van boombewonende vleermuizen worden verstoord of gedood. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen van vogels (globaal maart t/m augustus) plaatsvinden, kunnen er nesten van algemene broedvogels worden vernield en kunnen er individuen worden verstoord en/of gedood. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood.
Hiervoor geldt een meldplicht bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep Algemene
amfibieën
en
Effect
Bepaling
Opzettelijk doden
Artikel 11.27 Bal
Opzettelijk doden
Artikel 11.37 lid 1a (Bal)
Opzettelijk vernielen / beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren
Artikel 11.37 lid 1b (Bal)
Opzettelijk verstoren
Artikel 11.37 lid 1d (Bal)
Opzettelijk doden
Artikel 11.46 lid 1a (Bal)
Opzettelijk verstoren
Artikel 11.46 lid 1b (Bal)
Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats
Artikel 11.46 lid 1d (Bal)
zoogdieren* Algemene broedvogels
Boombewonende vleermuizen
*= Vrijgesteld in het kader van activiteiten in de provincie Noord-Holland. Echter blijft de specifieke zorgplicht (Artikel 11.27 Bal) van toepassing.
3.4
AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE OMGEVINGSWET
3.4.1
AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED
Het projectgebied herbergt mogelijk beschermde functies voor boombewonende vleermuizen. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Wanneer bomen met holtes worden gekapt is het aan te bevelen vervolgonderzoek uit te laten voeren naar vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis.
3.4.2
MITIGERENDE MAATREGELEN
Om overtreding op de Omgevingswet te voorkomen dienen de volgende mitigerende maatregelen te worden genomen. Deze maatregelen hebben tot doel effecten op beschermde soorten en Rode lijstsoorten tot een minimum te beperken. Enkele van deze maatregelen betreffen: Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen aanwezig binnen het projectgebied. Er wordt aanbevolen om de bomen met holtes te behouden zodat er geen negatieve effecten te
16
-
-
-
verwachten zijn op de boombewonende vleermuizen. Indien de bomen met holtes worden gekapt, wordt aanbevolen eerst een onderzoek naar boomholtes uit te voeren om de geschiktheid van de holtes te beoordelen. Mochten er geschikte holtes aanwezig zijn dient het aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Na aanvullend onderzoek zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende en/of compenserende maatregelen voorgesteld worden. Om verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen te voorkomen, dient het gebruik van additionele, nachtelijke verlichting tijdens de actieve periode van vleermuizen (april – oktober) te worden voorkomen. Indien additionele verlichting noodzakelijk is, dient gebruik te worden gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting en/of een richtarmatuur om strooilicht naar de omgeving te voorkomen. Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen mogelijk bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden.
Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kan vluchten.
Het is aan te bevelen om voor ten minste de aanwezige beschermde soorten en Rode lijstsoorten mitigerende maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol of mitigatieplan om negatieve gevolgen voor de leefomgeving te voorkomen en te beperken. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst NoordHolland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling.
3.4.3
OMGEVINGSVERGUNNING FLORA- EN FAUNA-ACTIVITEITEN
De noodzaak voor een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit vervolgonderzoek zal moeten blijken of er beschermde functies of soorten in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en overtreding van de bepalingen in de natuurwetgeving niet voorkomen kan worden, dient een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten te worden aangevraagd. Hier kunnen specifieke voorwaarden in de vorm van compenserende of mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.
17
4
GEBIEDSBESCHERMING
Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ligt op circa 6 kilometer van het projectgebied en betreft “Botshol”. Op circa 600 meter en 2,5 kilometer van het projectgebied ligt een gedeelte van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit betreffen kerngebieden met bestaande natuur. De ligging van het projectgebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden is op kaart weergegeven in afbeelding 5 en 6.
Afbeelding 5: Projectgebied ten opzichte van Natura 2000 (apps.geodan.nl)
Afbeelding 6: Projectgebied ten opzichte van NNN (apps.geodan.nl)
18
4.1
EFFECTEN Directe effecten Het projectgebied bevindt zich niet in de nabijheid van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. Indirecte effecten De werkzaamheden kunnen door de inzet van mobiele werktuigen en door werkverkeer in de realisatiefase mogelijk leiden tot een verhoogde stikstofemissie. Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden worden significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden als gevolg van de werkzaamheden niet verwacht. In de gebruiksfase vindt er verandering van gebruik plaats, waardoor er in de gebruiksfase een verhoogde stikstofemissie wordt verwacht. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand echter niet worden uitgesloten. Een AERIUSberekening kan hierover uitsluitsel bieden.
19
5
HOUTOPSTANDEN
De mogelijk te kappen houtopstand bevindt zich binnen de bebouwingscontour houtkap zoals vastgesteld in het omgevingsplan van de gemeente Amstelveen (afbeelding 7). De bepalingen in het Besluit activiteiten leefomgeving (art. 11.111 Bal) met betrekking tot het vellen van houtopstanden zijn daarmee niet van toepassing.
Afbeelding 7: Bebouwingscontour houtkap Amstelveen (geoapps.noord-holland.nl)
20
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
6.1
CONCLUSIES Er zijn mogelijk functies voor beschermde soorten in het projectgebied aanwezig. De geplande werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting van beschermde functies en daarmee tot overtreding van de natuurwetgeving. De bomen met holtes bieden potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen. In het projectgebied kunnen algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Indien de bomen met holtes worden gekapt, kunnen er verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen worden vernield. Ook kunnen er individuen van boombewonende vleermuizen worden verstoord en/of gedood. Daarnaast kunnen gedurende de werkzaamheden algemene (provinciaal vrijgestelde) amfibieën en zoogdieren worden gedood. Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen van vogels (globaal maart t/m augustus) plaatsvinden, kunnen broedgevallen worden verstoord en/of gedood worden. De werkzaamheden kunnen door de inzet van mobiele werktuigen en door werkverkeer in de realisatiefase mogelijk leiden tot een verhoogde stikstofemissie. Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden worden significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden als gevolg van de werkzaamheden niet verwacht. In de gebruiksfase vindt er een verandering van gebruik plaats, waardoor er in de gebruiksfase een verhoogde stikstofemissie wordt verwacht.
Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Een AERIUS-berekening kan hierover uitsluitsel bieden. De te kappen houtopstand bevindt zich binnen de bebouwingscontour houtkap zoals vastgesteld in het omgevingsplan van de gemeente Amstelveen. De bepalingen in het Besluit activiteiten leefomgeving (art. 11.111 Bal) met betrekking tot het vellen van houtopstanden zijn daarmee niet van toepassing.
6.2
AANBEVELINGEN Het is aan te bevelen de bomen met holtes niet te kappen. Indien de bomen met holtes worden gekapt, wordt aanbevolen eerst in de winterperiode een onderzoek naar boomholtes uit te voeren om de geschiktheid van de holtes te beoordelen. Mochten er geschikte holtes aanwezig zijn dient het aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Het onderzoek dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) uit te voeren. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels worden vernietigd en kunnen individuen van broedvogels worden verstoord. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen tijdens de werkzaamheden.
Een voorbeeld hiervan is het werken in één richting, richting te handhaven groen, waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kan vluchten. Het is aan te bevelen om aanvullende nachtelijke verlichting tijdens de uitvoering van de werkzaamheden zo veel mogelijk te beperken om verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen te voorkomen. Indien er additionele nachtelijke verlichting wordt toegepast, is het wenselijk gebruik te maken van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting met een richtarmatuur, zodat strooilicht naar de omgeving wordt voorkomen. In tabel 3 zijn de uit te voeren aanvullende onderzoeken en onderzoeksperiodes weergeven.
21
Tabel 3: Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep
Aanvullend onderzoek
Onderzoeksperiode
Algemene broedvogels
Nesten, indien tijdens het broedseizoen van
Bij werkzaamheden in maart - augustus
vogels wordt gewerkt Boombewonende
Zomer- en kraamverblijfplaatsen
1 juni t/m 15 juli
vleermuizen
Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen
15 augustus t/m 15 september
Winterverblijfplaatsen/boomholtecontrole
1 december t/m 28 februari
Het is aan te bevelen om voor ten minste de aanwezige beschermde soorten en Rode lijstsoorten mitigerende maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol om negatieve gevolgen voor de leefomgeving te voorkomen en te beperken.
22
7
LITERATUUR
BIJ12 (2017) Kennisdocument buizerd, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2024) Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 2.0, BIJ12 april 2024. BIJ12 (2017) Kennisdocument gewone grootoorvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2023) Kennisdocument gierzwaluw, versie 2.0, BIJ12 juli 2023. BIJ12 (2023) Kennisdocument huismus, versie 2.1, BIJ12 februari 2023. BIJ12 (2024) Kennisdocument kleine marterachtigen, versie 1.1, BIJ12 juli 2024. BIJ12 (2017) Kennisdocument roek, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument rosse vleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017 BIJ12 (2024) Kennisdocument ruige dwergvleermuis, versie 2.0, BIJ12 september 2024. BIJ12 (2017) Kennisdocument rugstreeppad, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument watervleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, (2011) Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Netwerk Groene Bureaus (2023) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, november 2023. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020) Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020.
Internet Nationale Databank Flora en Fauna www.apps.geodan.nl www.gbif.org www.geoapps.noord-holland.nl www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl
23
Bijlage 1: Beoordelingsregels Omgevingswet Beoordelingsregels Natura 2000-activiteit 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Natura 2000activiteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als door middel van een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. 2. In afwijking van het eerste lid kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, de omgevingsvergunning worden verleend, als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er geen alternatieve oplossingen zijn; b. het project nodig is om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; c. er nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. 3. Als het project significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, geldt, in afwijking van het tweede lid, onder b, de voorwaarde dat het project nodig is vanwege: a. argumenten die verband houden met de gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; b.
andere dwingende redenen van groot openbaar belang, als de procedure van de aanvraag van een opvatting vanuit de Europese Commissie over dwingende redenen van groot openbaar belang bij Natura 2000-gebieden is toegepast. Gemeentelijke programmatische aanpak stikstof 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Natura 2000activiteit waarop een gemeentelijke programmatische aanpak stikstof van toepassing is, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de Natura 2000-activiteit voldoet aan de in het programma opgenomen bepalingen. 2. Het eerste lid geldt niet voor een projectbesluit waarin is bepaald dat: a. het projectbesluit geldt als een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit; b. het eerste lid niet van toepassing is op dat projectbesluit. Beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: soorten Vogelrichtlijn 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2.
Er is sprake van een in de wet genoemd belang en activiteiten voor de betreffende soort of soortgroep; In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; Voor het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen, vee, bomen, visserij of wateren; Ter bescherming van flora en fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt; om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; 3. De activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van deze soort.
24
Beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: soorten Habitatrichtlijn 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang en activiteiten voor de betreffende soort of soortgroep; in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; 3.
De activiteit doet geen afbreuk aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: andere soorten 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang en activiteiten voor de betreffende soort of soortgroep; in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning