CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage C bij Gebiedsvisie Quickscan Wet natuurbescherming Bovenkerkerwegzone

Raadsvergadering 8 oktober 2025, gemeente amstelveenBij agendapunt: Gebiedsvisie Bovenkerkerwegzone8.351 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN BOVENKERKERWEGZONE TE AMSTELVEEN Definitief rapport

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 18-6-2023

VERANTWOORDING

Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:

Uitvoering: Adres:

Gemeente Amstelveen Dhr. R. Koekenbier Laan Nieuwer-Amstel 1 1182 JR Amstelveen 06 34525764 r.koekenbier@amstelveen.nl

Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

Projectleider:

ing. S. van Lieshout

Auteur: Kwaliteitscontrole:

D.Y. Sallé MSc. ing. S. van Lieshout

Projectcode: Status: Datum:

AMNA2305 Definitief 18-6-2023

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2

SAMENVATTING

De gemeente Amstelveen is voornemens de huidige zes gebouwen op vijf ontwikkeleilanden te amoveren en nieuwe woningen te realiseren. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. De bebouwing in het projectgebied biedt potentiële verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen en nestlocaties voor de gierzwaluw en de huismus. Het groen in het projectgebied biedt mogelijk essentieel leefgebied voor de huismus en potentiële verblijfplaatsen voor marterachtigen op enkele locaties waar de struwelen goed ontwikkeld zijn. In de bomen in het projectgebied zijn mogelijk jaarrond beschermde nesten aanwezig. De bomen met boomholtes bieden daarnaast potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen. In het projectgebied kunnen algemene amfibieën, broedvogels, vissen en zoogdieren voorkomen. Andere beschermde soorten worden door het ontbreken van potentieel habitat niet in het projectgebied verwacht voor te komen. Tijdens de geplande werkzaamheden worden met de sloop van de bebouwing mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen en nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus vernietigd en kunnen individuen van de gebouwbewonende vleermuizen, gierzwaluw en de huismus worden gedood.

Met het verwijderen van struweel kunnen verblijfplaatsen van marterachtigen worden vernietigd en individuen van de marterachtigen worden gedood. Daarnaast kunnen nesten en individuen van algemene broedvogels worden verstoord. Tijdens het kappen van bomen kunnen jaarrond beschermde nesten en nesten van algemene broedvogels worden verstoord en/of vernietigd. Indien bomen met boomholtes gekapt worden kunnen verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen vernietigd worden en individuen van boombewonende vleermuizen worden gedood. Het projectgebied is niet in een beschermd natuurgebied gelegen De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. De emissie van stikstof is onder te verdelen in de emissie tijdens de realisatiefase en de emissie tijdens de gebruiksfase. Tijdens de realisatiefase kunnen de activiteiten van de bouwsector leiden tot een tijdelijke toename in stikstofemissie Dit kan mogelijk een effect hebben op stikstofgevoelige habitats in de omliggende Natura 2000gebieden. De stikstofemissie van de nieuwe bebouwing en de bijbehorende verkeersbewegingen kunnen mogelijk groter zijn dan de stikstofemissie van de huidige situatie.

Doordat de geplande ontwikkeling kan leiden tot een toename in stikstofemissie tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase, is er een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden. Tijdens de werkzaamheden vinden kapwerkzaamheden plaats. Doordat de bomen zich binnen de bebouwde kom van Amstelveen bevinden is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk. Het is aan te bevelen om aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen en marterachtigen evenals de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van broedvogels uit te voeren. Het onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen dient afgestemd te zijn op de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige de dwergvleermuis. Het onderzoek naar boombewonende vleermuizen dient te beginnen met endoscopisch onderzoek van de boomholtes om vast te stellen of deze daadwerkelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Het onderzoek naar marterachtigen dient afgestemd te zijn op de aanwezigheid van de bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel.

Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, buizerd, ransuil en de sperwer. Het is daarnaast aan te bevelen om in de winterperiode een bomencheck uit te voeren op de aanwezigheid van boomholtes en potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels. In de winterperiode is het doorzicht goed, vanwege het ontbreken van blad aan de bomen. Het is aan te bevelen overdag te werken en zodoende de nachtelijke verlichting zo veel mogelijk te beperken om verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen in

3

de Wet natuurbescherming te voorkomen. Indien er additionele nachtelijke verlichting wordt toegepast is het wenselijk gebruik te maken van een richtarmatuur zodat strooilicht naar de omgeving wordt voorkomen. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst NoordHolland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten. Het is in het algemeen aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.

4

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding............................................................................................................................................. 6 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 6 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ...................................................................................................... 6 1.2.1 Gebiedsbescherming .................................................................................................................. 6 1.2.2 Soortbescherming ...................................................................................................................... 7 1.2.3 Houtopstanden ........................................................................................................................... 8 1.2.4 Ontheffing en gedragscode ........................................................................................................ 8 1.3 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 8 2 2.1 2.2

Projectgebied en ontwikkelingen .................................................................................................... 9 Projectgebied ................................................................................................................................. 9 Ontwikkelingen............................................................................................................................. 10

3 Soortbescherming .......................................................................................................................... 11 3.1 Bronnenonderzoek....................................................................................................................... 11 3.2 Habitatscan .................................................................................................................................. 11 3.2.1 Vleermuizen.............................................................................................................................. 11 3.2.2 Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................................... 12 3.2.3 Vogels ...................................................................................................................................... 12 3.2.4 Amfibieën.................................................................................................................................. 13 3.2.5 Reptielen .................................................................................................................................. 13 3.2.6 Vissen .......................................................................................................................................

13 3.2.7 Ongewervelden ........................................................................................................................ 13 3.2.8 Vaatplanten .............................................................................................................................. 14 3.2.9 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies .............................................................. 14 3.3 Effecten ........................................................................................................................................ 14 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ............................................................................................................ 15 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming ....................................................... 16 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied ............................................................................... 16 3.4.2 Mitigerende maatregelen .......................................................................................................... 16 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming .......................................................................................... 16 4 4.1

Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 18 Effecten ........................................................................................................................................ 18

5

Houtopstanden ............................................................................................................................... 19

6 6.1 6.2

Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 20 Conclusies ................................................................................................................................... 20 Aanbevelingen ............................................................................................................................. 20

7 Literatuur......................................................................................................................................... 22 Bijlage 1: Foto-impressie .......................................................................................................................... 23 Bijlage 2: Resultaten habitatscan ............................................................................................................. 24 Bijlage 3: Tabel mogelijk aanwezige soorten ........................................................................................... 26

5

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING EN DOEL De gemeente Amstelveen is voornemens de huidige zes gebouwen op vijf ontwikkeleilanden te amoveren en nieuwe woningen te realiseren. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. Er vinden kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden noodzakelijk.

1.2

NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Nationale Omgevingsvisie. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1

GEBIEDSBESCHERMING

Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in het NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

6

1.2.2

SOORTBESCHERMING

Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

7

1.2.3

HOUTOPSTANDEN

Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Hieronder zijn de meest relevante onderdelen uit dit hoofdstuk beschreven. De bepalingen in de Wet natuurbescherming kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor het kappen van bomen die wel onder houtopstanden Wnb vallen geldt een meldplicht bij Gedeputeerde Staten en een herplantplicht.

1.2.4

ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE

Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.

1.3

LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.

8

2

PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN

2.1

PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Amstelveen in kilometerhokken: X: 117 / Y: 477 en X: 117 / Y: 476 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.

Afbeelding 1: Ligging projectgebied

Het projectgebied bestaat uit vijf ontwikkeleilanden waarop zes gebouwen aanwezig zijn. Op het noordelijkste eiland (1) zijn twee kantoorgebouwen aanwezig. Het noordelijkste kantoorgebouw (1a) is opgetrokken uit baksteen en heeft gevels bedekt met beplating. In de gevels van de begane grond zijn open stootvoegen aanwezig. Langs de kozijnen van de ramen en in de voegen tussen de betonblokken zijn kieren aanwezig. Het dak is plat met een hoogstwaarschijnlijk bitumen dakbedekking.

9

Het zuidelijker gelegen kantoorgebouw (1b) heeft gevels bestaande uit ramen met een betonrand onder het dak. Het dak is plat en voorzien van een metalen daktrim. Langs de kozijnen en onder de daktrim zijn mogelijk kieren aanwezig. Op het eiland zijn groenstructuren aanwezig in de vorm van struiken rondom de parkeerterreinen en bomen op en rondom de parkeerterreinen. Op het op één na noordelijkste eiland (2) is een kantoorgebouw aanwezig. Het kantoorgebouw (2) heeft een met natuurstenen bedekte gevel en is deels opgetrokken uit ramen. Het dak is plat met een metalen daktrim. Langs de kozijnen en onder de daktrim zijn mogelijk openingen aanwezig. Rondom het parkeerterrein zijn struiken en bomen aanwezig. In de bomen op het parkeerterrein zijn boomholtes aanwezig. Op het middelste eiland (3) is een grasveld met appelbomen aanwezig. Het gebouw op het op één na zuidelijkste eiland (4) betreft het restaurant Fussia (4). Het restaurantgebouw is opgetrokken uit baksteen en glas. Het dak betreft een kruisvormig dak waarvan elke poot vanuit het midden schuin afloopt. Het dak is bedekt met shingles. In de gevel van het gebouw zijn open stootvoegen aanwezig. Daarnaast zijn er openingen tussen de shingles aanwezig. Langs de randen van het eiland en op het parkeerterrein zijn bomen en lage struiken aanwezig. Op het zuidelijkste eiland (5) zijn twee gebouwen aanwezig.

Het betreft een kantoorgebouw (5a) en een schoolgebouw (5b). Het kantoorgebouw heeft een met natuursteen bedekte gevel en bestaat deels uit kozijnen met ramen. Het dak is plat. Er zijn mogelijk kieren aanwezig langs de kozijnen. Het schoolgebouw is opgetrokken uit gevels met beplating en ramen. Het dak is plat. Langs de kozijnen zijn kieren aanwezig. Op en rondom de parkeerterreinen op het eiland zijn bomen en struikgewas aanwezig. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.

2.2

ONTWIKKELINGEN De bebouwing in het projectgebied zal worden geamoveerd. Hierna worden volgens de huidige gebiedsvisie zes clusters van woongebouwen en/of appartementengebouwen gerealiseerd. De vormgeving van deze nieuwe bebouwing ligt nog niet vast maar zal circa 1000 woningen betreffen met een maximale accentbouwhoogte van elf bouwlagen. Hiervoor worden bomen gekapt en mogelijk struweel verwijderd. Grote delen van de groenstructuren zullen echter ook behouden blijven. Er vinden geen werkzaamheden plaats aan de watergangen en de straten en fietspaden tussen de ontwikkelingseilanden.

10

3

SOORTBESCHERMING

3.1

BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.

Voor de provincie Noord-Holland zijn middels artikel 4.9 van de “Omgevingsverordening NH 2020” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten. Daarnaast geldt in de provincie Noord-Holland een meldingsplicht bij aanvang van de werkzaamheden indien gebruik wordt gemaakt van deze vrijstelling.

3.2

HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 20 april 2023 en is uitgevoerd door D.Y. Sallé MSc. Tijdens de habitatscan was het droog en vrijwel geheel bewolkt met een temperatuur van 9 °C en winkracht 3 Bft uit het noordoosten. 3.2.1

VLEERMUIZEN

In de omgeving van het projectgebied zijn de franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis bekend voor te komen. In twee gebouwen (1a en 4) in het projectgebied zijn open stootvoegen aanwezig. Alle gebouwen in het projectgebied bevatten kieren langs de kozijnen, tussen de geveldelen of onder de daktrim. Deze openingen kunnen door vleermuizen als invliegopening gebruikt worden. De achterliggende ruimte kan mogelijk als zomer-, kraam- of paarverblijfplaats gebruikt worden door vleermuizen. In de gebouwen met stootvoegen betreft de achterliggende ruimte de spouwmuur welke mogelijk door vleermuizen gebruikt kunnen worden als zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats. De bebouwing in het projectgebied biedt mogelijke verblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. De ruimtes in de bebouwing kunnen eveneens door de meervleermuis gebruikt worden als zomer- en kraamverblijfplaats. Paar- en winterverblijfplaatsen van de meervleermuis bevinden zich hoofdzakelijk in langs migratieroutes, bunkers, forten, mergelgroeven en kelders en worden niet verwacht in het projectgebied aanwezig te zijn. In het merendeel van de bomen op het parkeerterrein van het tweede eiland (2) zijn boomholtes aanwezig.

Deze boomholtes bieden potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen. De bomen in het projectgebied bieden mogelijke verblijfplaatsen voor de franjestaart, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis.

11

In het projectgebied zijn lijnvormige structuren aanwezig, in de vorm van de watergangen en de bebouwing, welke door vleermuizen gebruikt kunnen worden als onderdeel van een vliegroute. De groenstructuren en watergangen in en nabij het projectgebied kunnen mogelijk dienen als foerageergebied voor vleermuizen. De resultaten zijn schematisch weergegeven in bijlage 2.

3.2.2

GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN

In de omgeving van het projectgebied zijn de boommarter, bunzing, eekhoorn, hermelijn, steenmarter, waterspitsmuis en de wezel bekend voor te komen. De boommarter heeft een voorkeur voor aaneengesloten bosgebied maar er zijn ook waarnemingen gedaan vanuit de stedelijke omgeving en kleinere bosschages in open landschap. De soort maakt voor verblijfplaatsen gebruik van onder andere boomholtes, boomwortels dassenburchten, konijnenholen, takkenbossen en vossenholen en beweegt zich door het leefgebied via bomen, heggen en andere groenstructuren. In het projectgebied zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor de boommarter aanwezig, wel is op meerdere plekken dicht struweel aanwezig. Daarnaast zijn de polders ten zuiden van het projectgebied geschikt als leefgebied voor de boommarter. Derhalve worden beschermde functies van de boommarter niet verwacht in het projectgebied aanwezig te zijn. De eekhoorn komt met name voor in bossen, parken en tuinen. Eekhoornnesten worden gekenmerkt door de aanwezigheid van bladeren die uitsteken uit het bolvormige takkennest of de boomholte die als nestlocatie fungeert. Tijdens de habitatscan zijn geen nesten van de eekhoorn waargenomen. Tevens is er geen groene verbinding aanwezig tussen het projectgebied en de bekende populatie van de eekhoorn in het Amsterdamse bos op circa drie kilometer afstand van het projectgebied.

Derhalve wordt de eekhoorn niet verwacht in het projectgebied aanwezig te zijn. De kleine marterachtigen, de bunzing, hermelijn en de wezel, komen voor in gebieden met (groen)structuren en stedelijk gebied. Gebieden moeten voldoende dekking bieden in de vorm van houtstapels of struweel en voldoende proodieren. Als verblijfplaats worden vaak oude holen van onder andere konijnen, muizen, ratten en vossen gebruikt. In het projectgebied zijn mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen aanwezig in de zones met goed ontwikkeld struweel. Daarnaast zijn er waarnemingen van de wezel gedaan in de directe omgeving van het projectgebied. De aanwezigheid van beschermde functies van kleine marterachtigen in het projectgebied kan niet uitgesloten worden. De steenmarter is een cultuurvolger en houdt van een omgeving waarin bijvoorbeeld braakliggend terrein, stenenhopen en groenstructuren aanwezig zijn. Verblijfplaatsen bevinden zich in de bebouwing, steenhopen, takkenhopen, oude schuurtjes, boomholtes en holen in de grond. In het projectgebied zijn mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor de steenmarter aanwezig. Daarnaast zijn de polders ten zuiden van het projectgebied geschikt als leefgebied voor de steenmarter. Derhalve kan de aanwezigheid van beschermde functies van de steenmarter in het projectgebied niet uitgesloten worden.

De waterspitsmuis komt voornamelijk voor langs heldere wateren met watervegetatie en hoge oevervegetatie. De watergangen in het projectgebied bieden geen geschikt habitat voor de waterspitsmuis. Derhalve wordt de waterspitsmuis niet verwacht in het projectgebied aanwezig te zijn. In het projectgebied kunnen algemene, provinciaal vrijgestelde zoogdieren voorkomen zoals de egel en algemene muizensoorten.

3.2.3

VOGELS

In de omgeving van het projectgebied zijn de gierzwaluw en de huismus bekend voor te komen. De gierzwaluw broedt in de ruimte onder de dakpannen en andere ruimtes welke vrij aan te vliegen zijn en bereikt deze ruimtes via invliegopeningen in de gevel of tussen dakpannen en de dakrand. Daarbij gebruikt de gierzwaluw ook kieren of spleten in de muren. De kantoorgebouwen in het projectgebied hebben platte daken en bieden geen geschikte nestplaatsen voor de gierzwaluw. Het restaurantgebouw (4) heeft openingen bij het dak welke suboptimaal geschikt zijn voor de gierzwaluw. Derhalve kunnen nestlocaties van de gierzwaluw in het projectgebied niet uitgesloten worden voor te komen. De kantoorgebouwen in het projectgebied bieden geen potentiële nestlocaties voor de huismus. Het restaurantgebouw (4) heeft openingen bij het dak welke mogelijk geschikt zijn voor de huismus. Tijdens de habitatscan zijn individuen van de huismus waargenomen in de achtertuinen tegenover het 12

zuidelijkste eiland (5) van het projectgebied. Het struweel in het projectgebied, met name in het zuidelijke deel, maakt mogelijk deel uit van het essentieel leefgebied van de huismus. Derhalve kan de aanwezigheid van beschermde functies van de huismus in het projectgebied niet uitgesloten worden. In het projectgebied zijn drie potentieel jaarrond beschermde nesten aanwezig, in de vorm van ekster- of kraaiennesten. Ekster- en kraaiennesten kunnen een potentiële nestlocatie bieden voor de boomvalk, ransuil en de sperwer en zijn bij gebruik door betreffende soorten jaarrond beschermd. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in de directe omgeving van het projectgebied kan niet uitgesloten worden. De resultaten zijn schematisch weergegeven in bijlage 2. In het projectgebied kunnen nestlocaties van algemene vogels zoals merels en kauwen aanwezig zijn.

3.2.4

AMFIBIEËN

In de omgeving van het projectgebied zijn de Alpenwatersalamander en de rugstreeppad bekend voor te komen. De Alpenwatersalamander geeft de voorkeur aan stilstaand water als voortplantingsbiotoop. De rugstreeppad geeft de voorkeur aan ondiep, snel opwarmend water als voortplantingsbiotoop. Als landbiotoop gebruiken beide soorten gebied met groenstructuren en vergraafbare (zand)grond. De waarnemingen van de Alpenwatersalamander in de omgeving van het projectgebied bevinden zich buiten het natuurlijke verspreidingsgebied en betreffen uitgezette of ontsnapte dieren. De watergangen in het projectgebied zijn relatief diep waardoor deze suboptimaal geschikt zijn voor de rugstreeppad. Derhalve worden de Alpenwatersalamander en de rugstreeppad niet verwacht in het projectgebied voor te komen. In het projectgebied kunnen algemene, provinciaal vrijgestelde amfibieën zoals de bruine kikker en de gewone pad voorkomen.

3.2.5

REPTIELEN

In de omgeving van het projectgebied zijn de muurhagedis en de ringslang bekend voor te komen. De muurhagedis komt voornamelijk voor in aterrijke gebieden met stenige plekken. De waarnemingen van de muurhagedis in de omgeving van het projectgebied bevinden zich ruim buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van en betreffen uitgezette of ontsnapte dieren. De ringslang komt voor in waterrijke gebieden die veelal grenzen aan zanderige grond. In het projectgebied zijn geen broeihopen en weinig dichte vegetatie, schuilmogelijkheden en potentiële verblijfplaatsen voor de ringslang aanwezig. Derhalve worden de muurhagedis en de ringslang niet verwacht in het projectgebied aanwezig te zijn.

3.2.6

VISSEN

In de omgeving van het projectgebied zijn geen bekende vissen bekend voor te komen. De watergangen in het projectgebied zijn niet verbonden met wateren waarin beschermde vissen vastgesteld zijn, derhalve kan de aanwezigheid van beschermde vissen in het projectgebied uitgesloten worden. De aanwezigheid van algemene vissen in het projectgebied kan niet uitgelsloten worden.

3.2.7

ONGEWERVELDEN

De onderzochte groep ongewervelden bestaat onder andere uit libellen, vlinders en weekdieren. In de omgeving van het projectgebied zijn de grote vos en de platte schijfhoren bekend voor te komen. Het voortplantingshabitat van de grote vos betreft open bosgebieden met aanwezigheid van de waardplanten iep, populier, wilg en/of zoete kers. De grote vos voedt zich voornamelijk met honingdauw, rottend fruit en sap van bomen. Er zijn verschillend exemplaren van de schietwilg aanwezig net buiten het projectgebied als potentiële waardplanten voor de grote vos, maar door het ontbreken van potentieel leefgebied met voldoende foerageermogelijkheden worden beschermde functies voor de grote vos niet in het projectgebied verwacht voor te komen. Het voortplantingshabitat van de grote weerschijnvlinder betreft open bosgebieden met aanwezigheid van de waardplant boswilg of grauwe wilg. De grote weerschijnvlinder voedt zich voornamelijk met honingdauw en sap van bomen. Er zijn geen exemplaren van de boswilg of grauwe wilg aanwezig in het projectgebied, daarnaast ontbreekt potentieel leefgebied met voldoende foerageermogelijkheden. Derhalve kunnen beschermde functies voor de grote weerschijnvlinder in het projectgebied uitgesloten worden.

13

Het voortplantingsbiotoop van de iepenpage betreft bossen, bosranden en parken met aanwezigheid van waardplant iep of iep cultivar. De iepenpage voedt zich voornamelijk met honingdauw en bloemennectar. Er zijn geen iepen aanwezig in het projectgebied, daarnaast ontbreekt potentieel leefgebied met voldoend foerageermogelijkheden. Derhalve kunnen beschermde functies voor de iepenpage in het projectgebied uitgesloten worden. De platte schijfhoren geeft de voorkeur aan voedselrijk stilstaand water met waterplanten. De watergangen in het projectgebied bevatten mogelijk waterplanten en er is weinig tot geen stroming aanwezig. De in de omgeving bekende waarneming van de platte schijfhoren bevind zich in de polder op ruim 4 kilometer van het projectgebied. Doordat de poldersloten en de watergangen in het projectgebied verbonden zijn, kan de aanwezigheid van de platte schijfhoren in het projectgebied niet uitgesloten worden.

3.2.8

VAATPLANTEN

In de omgeving van het projectgebied zijn de akkerboterbloem, dreps, grote bosaardbei, kartuizeranjer, kleine schorseneer, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, kranskarwij, muurbloem, naakte lathyrus, ruw parelzaad, schubvaren, wilde ridderspoor en de Zweedse kornoelje bekend voor te komen. Met uitzondering van de blaasvaren, groensteel, muurbloem en schubvaren bevinden de waarnemingen van deze beschermde planten zich buiten het natuurlijke verspreidingsgebied. De in de omgeving waargenomen exemplaren zijn adventief en daardoor niet strikt beschermd. Het projectgebied bestaat voor het merendeel uit bebouwing en parkeerplaatsen. Er zijn in het projectgebied geen oude muren aanwezig die als standplaats kunnen fungeren voor de muurbloem en schubvaren. Tijdens de habitatscan zijn geen beschermde vaatplanten waargenomen. In het projectgebied worden derhalve geen standplaatsen van beschermde vaatplanten verwacht.

3.2.9

MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES

Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep

Functies

Bescherming Wnb

Mogelijk aanwezig in:

Algemene

Leefgebied

Artikel 3.10 (Wnb A)

Groenstructuren en watergangen

Broedvogels

(Jaarrond beschermde) Nesten

Artikel 3.1 (VR)

Struweel en bomen

Bunzing

Verblijfplaatsen

Artikel 3.10 (Wnb A)

Struweel en dekking

Gierzwaluw

Nestlocaties

Artikel 3.1 (VR)

Openingen bij dakrand

Hermelijn

Verblijfplaatsen

Artikel 3.10 (Wnb A)

Struweel en dekking

Huismus

Nestlocaties

Artikel 3.1 (VR)

Ruimtes in het dak

amfibieën,

vissen en zoogdieren*

Functioneel leefgebied

Groen rond bebouwing

Platte schijfhoren

Leefgebied

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)

Watergangen

Steenmarter

Verblijfplaatsen

Artikel 3.10 (Wnb A)

Struweel en dekking

Vleermuizen

Verblijfplaats(en)

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)

Bebouwing spouwmuur/dakrand Boomholtes

Vliegroutes en foerageergebied Wezel

Verblijfplaatsen

Watergangen en groenstructuren Artikel 3.10 (Wnb A)

Struweel en dekking

* Vrijgesteld in de provincie Noord-Holland, zorgplicht blijft wel van toepassing (Artikel 1.11)

3.3

EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn.

14

3.3.1

EFFECTEN ONTWIKKELINGEN

De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Daarnaast zijn de beschermde soorten en functies beschreven waar geen effecten op worden verwacht bij uitvoering van de werkzaamheden. Geen effecten Er vinden geen werkzaamheden plaats aan de watergangen. Derhalve zullen de werkzaamheden naar verwachting geen negatief effect hebben op het leefgebied van de platte schijfhoren en algemene vissen. Daarnaast blijven vliegroutes van vleermuizen welke het water volgen behouden, mits de verlichtingssituatie ongewijzigd blijft. Tijdelijke effecten Indien tijdens de geplande werkzaamheden gebruik gemaakt wordt van additionele nachtelijke verlichting kunnen foeragerende en passerende vleermuizen worden verstoord. Permanente effecten Tijdens de geplande werkzaamheden wordt de bebouwing in het projectgebied gesloopt. Hierbij kunnen de mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen verloren gaan. Daarnaast kunnen mogelijk aanwezige nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus verloren gaan. Tevens kunnen individuen van de gebouwbewonende vleermuizen, huismus en de gierzwaluw worden gedood. Tijdens het verwijderen van struweel kan er mogelijk aanwezig essentieel leefgebied van de huismus verloren gaan nabij eiland 5.

Wanneer de geplande werkzaamheden binnen het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) plaats vinden kunnen broedgevallen van vogels worden verstoord. Tijdens de geplande werkzaamheden worden bomen gekapt en struweel verwijderd. Hierbij kunnen jaarrond beschermde nesten en nesten van algemene broedvogels worden beschadigd of vernield. Indien bomen met boomholtes worden gekapt kunnen er verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen verloren gaan. Tevens kunnen er individuen van boombewonende vleermuizen worden gedood wanner deze tijdens het kappen in de boomholte aanwezig zijn. Tijdens grondverzet en kap van goed ontwikkeld struweel, kunnen mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel worden aangetast of vernietigd. Tevens kunnen individuen van de bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel worden gedood. Tijdens het verwijderen van groen en grondverzet kunnen mogelijk aanwezige algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. De resultaten zijn schematisch weergegeven in bijlage 2. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep

Effect

Verbodsbepaling

Algemene amfibieën

Opzettelijk doden

Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub A

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Bunzing

Opzettelijk verstoren Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 4 Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub A

Opzettelijk beschadigen / vernielen verblijfplaats

Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub B

Gierzwaluw

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 4 Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub A

Opzettelijk beschadigen / vernielen verblijfplaats

Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub B

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 4 Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub A

Opzettelijk beschadigen / vernielen verblijfplaats

Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub B

en zoogdieren* Broedvogels

Hermelijn Huismus

Steenmarter

15

Vleermuizen

Wezel

Opzettelijk doden

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats Opzettelijk doden

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4 Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub A

Opzettelijk beschadigen / vernielen verblijfplaats

Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub B

* Vrijgesteld in de provincie Noord-Holland, zorgplicht blijft wel van toepassing (Artikel 1.11)

3.4

AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING

3.4.1

AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED

Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor beschermde vleermuizen, broedvogels met jaarrond beschermde nesten en marterachtigen. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen en marterachtigen evenals de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van broedvogels. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, buizerd, ransuil en de sperwer. Het onderzoek naar marterachtigen dient afgestemd te zijn op de aanwezigheid van de bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel. Het is aan te bevelen om in de winterperiode een bomencheck uit te voeren op de aanwezigheid van boomholtes en potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels. In de winterperiode is het doorzicht goed, vanwege het ontbreken van blad aan de bomen. Tijdens de habitatscan is mogelijk niet alles volledig overzichtelijk geweest.

3.4.2

MITIGERENDE MAATREGELEN

Om overtreding op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties van de huismus en de gierzwaluw aanwezig. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van nestlocaties zullen (indien nestlocaties aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig binnen het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van marterachtigen aanwezig binnen het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nesten aanwezig in bomen die worden gekapt of die zich binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten zullen (indien jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen mogelijk bomen en struweel worden verwijderd.

Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart - 15 juli) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.

3.4.3

ONTHEFFING WET NATUURBESCHERMING

De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en verstoring

16

niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.

17

4

GEBIEDSBESCHERMING

Het projectgebied is niet in een beschermd natuurgebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Botshol op circa 5,9 kilometer ten oosten. Op circa 120 meter van het projectgebied ligt een gedeelte van het NNN. Dit betreft een natuurontwikkelingsgebied.

Afbeelding 2: Projectgebied ten opzichte van beschermde natuur (provincie Noord-Holland)

4.1

EFFECTEN

Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. Tijdens de realisatiefase kunnen de activiteiten van de bouwsector (o.a. bouwen en slopen) leiden tot stikstofdepositie op Natura 2000gebieden. Dit komt onder andere door bouwverkeer en machines voor sloop, bouw en grondverzet. Dit kan mogelijk een effect hebben op stikstofgevoelige habitats in de omliggende Natura 2000-gebieden. De stikstofemissie van de nieuwe bebouwing en de bijbehorende verkeersbewegingen kunnen mogelijk groter zijn dan de stikstofemissie van de huidige bebouwing en bijbehorende verkeersbewegingen. Doordat de geplande ontwikkeling kan leiden tot een toename in stikstofemissie tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase, is er een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden.

18

5

HOUTOPSTANDEN

De bomen in het projectgebied vallen binnen de door de gemeenteraad vastgestelde bebouwde kom, zie afbeelding 3. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het kappen van de bomen.

Afbeelding 3: Grens bebouwde kom Amstelveen ten opzichte van het projectgebied (bron: provincie Noord-Holland)

19

6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

6.1

CONCLUSIES De bebouwing in het projectgebied biedt potentiële verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen en nestlocaties voor de gierzwaluw en de huismus. Het groen in het projectgebied biedt mogelijk essentieel leefgebied voor de huismus nabij eiland 5 en potentiële verblijfplaatsen voor marterachtigen in goed ontwikkelde groenstructuren. In de bomen in het projectgebied zijn mogelijk jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig. De bomen met boomholtes bieden daarnaast potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen. In het projectgebied kunnen algemene amfibieën, broedvogels, vissen en zoogdieren voorkomen. Andere beschermde soorten worden door het ontbreken van potentieel habitat niet in het projectgebied verwacht voor te komen. Tijdens de geplande werkzaamheden worden met de sloop van de bebouwing mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen en nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus vernietigd en kunnen individuen van de gebouwbewonende vleermuizen, gierzwaluw en de huismus worden gedood. Met het verwijderen van goed ontwikkeld struweel kunnen verblijfplaatsen van marterachtigen worden vernietigd en individuen van de marterachtigen worden gedood. Daarnaast kunnen nesten en individuen van algemene broedvogels worden verstoord.

Tijdens het kappen van bomen kunnen jaarrond beschermde nesten en nesten van algemene broedvogels worden verstoord en/of vernietigd. Indien bomen met boomholtes gekapt worden kunnen verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen vernietigd worden en individuen van boombewonende vleermuizen worden gedood. Het projectgebied is niet gelegen in een beschermd natuurgebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. De emissie van stikstof is onder te verdelen in de emissie tijdens de realisatiefase en de emissie tijdens de gebruiksfase. Tijdens de realisatiefase kunnen de activiteiten van de bouwsector leiden tot een tijdelijke toename in stikstofemissie Dit kan mogelijk een effect hebben op stikstofgevoelige habitats in de omliggende Natura 2000gebieden. De stikstofemissie van de nieuwe bebouwing en de bijbehorende verkeersbewegingen kunnen mogelijk groter zijn dan de stikstofemissie van de huidige situatie. Doordat de geplande ontwikkeling kan leiden tot een toename in stikstofemissie tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase, is er een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden. Tijdens de werkzaamheden vinden kapwerkzaamheden plaats.

Doordat de bomen zich binnen de bebouwde kom van Amstelveen bevinden is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.

6.2

AANBEVELINGEN Het is aan te bevelen om aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen en marterachtigen evenals de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van broedvogels uit te voeren. Het onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen dient afgestemd te zijn op de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige de dwergvleermuis. Het onderzoek naar boombewonende vleermuizen dient te beginnen met endoscopisch onderzoek van de boomholtes om vast te stellen of deze daadwerkelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Het onderzoek naar marterachtigen dient afgestemd te zijn op de aanwezigheid van de bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel. Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, ransuil en de sperwer. Het is daarnaast aan te bevelen om in de winterperiode een bomencheck uit te voeren op de aanwezigheid van boomholtes en potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels. In de winterperiode is het doorzicht goed, vanwege het ontbreken van blad aan de bomen. Het is aan te bevelen overdag te werken en zodoende de nachtelijke verlichting zo veel mogelijk te beperken om verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming te voorkomen.

Indien er additionele nachtelijke verlichting wordt toegepast is het wenselijk gebruik te maken van een richtarmatuur zodat strooilicht naar de omgeving wordt voorkomen.

20

Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst NoordHolland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten. Het is in het algemeen aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tabel 3: Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep

Aanvullend onderzoek

Onderzoeksperiode

Algemene broedvogels

Nesten, indien niet buiten het broedseizoen

Binnen de periode 1 maart t/m 15 juli

gewerkt wordt Broedvogels;

jaarrond

Nesten

1 maart – 1 augustus

Bunzing

Verblijfplaatsen

1 mei – 1 augustus (gehele jaar)

Gierzwaluw

Nesten

1 juni t/m 15 juli

Hermelijn

Verblijfplaatsen

1 mei – 1 augustus (gehele jaar)

Huismus

Nesten en functioneel leefgebied

1 april - 15 mei

Steenmarter

Verblijfplaatsen

1 mei – 1 augustus (gehele jaar)

Vleermuizen

Endoscopisch onderzoek

Gehele jaar, bij voorkeur 1 december t/m

Vleermuizen

Zomer- en kraamverblijfplaatsen

15 mei - 15 juli (bebouwing)

beschermde nesten

28 februari 1 juni - 15 juli (bomen)1 Vleermuizen

Massawinterverblijfplaatsen

1 augustus - 10 september (bebouwing)

Vleermuizen

Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen

15 augustus - 1 oktober (bebouwing) 15 augustus - 15 september (bomen)1

Vleermuizen

Winterverblijfplaatsen

Wezel

Verblijfplaatsen

1

1 december - 28 februari (bomen) 1 mei – 1 augustus (gehele jaar)

1

=Indien de boomholtes geschikt bevonden worden.

21

7

LITERATUUR

BIJ12 (2017) Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument gewone grootoorvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2022) Kennisdocument huismus, versie 2.1, BIJ12 februari 2023. BIJ12 (2017) Kennisdocument kamsalamander, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument rosse vleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument rugstreeppad, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument ruige dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument watervleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017.

Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, (2011) Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Netwerk Groene Bureaus (2017) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020) Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020. Internet NDFF www.gbif.org www.geoapps.noord-holland.nl/GeoWebP www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.vlinderstichting.nl www.verspreidingsatlas.nl www.zoogdiervereniging.nl

22

Bijlage 1:

Foto-impressie

Gebouw 1a

Gebouw 1b

Gebouw 2

Eiland 3

Gebouw 4

Gebouw 5a

Gebouw 5b

Watergang bij eiland 5 23

Bijlage 2:

Resultaten habitatscan

24

25

Bijlage 3:

Tabel mogelijk aanwezige soorten

Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in de omgeving van het projectgebied Soortgroep Naam Bescherming

Afstand

Amfibieën

Alpenwatersalamander

Wnb A

< 1km

Amfibieën

bastaardkikker1

Wnb A

< 4km*

Amfibieën

bruine kikker1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

gewone pad1

Wnb A

< 2km*

Amfibieën

kleine watersalamander1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

meerkikker1

Wnb A

< 2km*

Amfibieën

rugstreeppad

HR IV & Bern II

< 2km*

Ongewervelden

grote vos

Wnb A

< 4km

Ongewervelden

platte schijfhoren

HR IV

< 3km

Reptielen

muurhagedis

HR IV & Bern II

< 3km

Reptielen

ringslang

Wnb A

< 2km*

Vaatplanten

akkerboterbloem

Wnb B

< 4km

Vaatplanten

dreps

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

grote bosaardbei

Wnb B

< 4km

Vaatplanten

kartuizeranjer

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

kleine schorseneer

Wnb B

< 4km

Vaatplanten

kluwenklokje

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

knollathyrus

Wnb B

< 4km

Vaatplanten

knolspirea

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

kranskarwij

Wnb B

< 4km

Vaatplanten

muurbloem

Wnb B

< 4km

Vaatplanten

naakte lathyrus

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

ruw parelzaad

Wnb B

< 4km

Vaatplanten

schubvaren

Wnb B

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=ff7c227b-162a-4c4a-a419-cdbc6191c37b