Bijlage 9 toelichting Natuuronderzoek Oostelijk Halfrond 9
Tekst van het document
NATUURONDERZOEK ALLEMAN KWARTIER AMSTELVEEN Kleine marterachtigen en vleermuizen Definitief rapport
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 15-1-2021
VERANTWOORDING
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:
Uitvoering: Adres:
Gemeente Amstelveen Drs. Ester de Rooij Afdeling Stedelijke Ontwikkeling Laan Nieuwer-Amstel 1 1182 JR Amstelveen 020 540 4591 e.de.rooij@amstelveen.nl
Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 64 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Auteur: Kwaliteitscontrole:
Ing. S.T.J. Kuip Ing. S. van Lieshout
Projectcode: Status: Datum:
AMVL2003 Definitief 15-1-2021
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2
INHOUDSOPGAVE
1 1.1 1.2
Inleiding ........................................................................................................................................ 4 Aanleiding en doel...................................................................................................................... 4 Wettelijk kader ........................................................................................................................... 4
2 Onderzoeksmethodiek ................................................................................................................. 6 2.1 Kleine marterachtigen ................................................................................................................ 6 2.2 Vleermuizen ............................................................................................................................... 6 2.2.1 Zomer- en kraamverblijfplaatsen ............................................................................................. 6 2.2.2 Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen ................................................................................... 6 2.2.3 Winterverblijfplaatsen .............................................................................................................. 7 2.2.4 Vliegroutes en foerageergebieden........................................................................................... 7 2.3 Overzicht inventarisaties ............................................................................................................ 7 3 Resultaten ..................................................................................................................................... 8 3.1 Kleine marterachtigen ................................................................................................................
8 3.2 Vleermuizen ............................................................................................................................... 8 3.2.1 Zomer- en kraamverblijfplaatsen ............................................................................................. 8 3.2.2 Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen ................................................................................... 8 3.2.3 Winterverblijfplaatsen .............................................................................................................. 8 3.2.4 Vliegroutes en foerageergebieden........................................................................................... 8 3.3 Beschermde functies projectgebied ............................................................................................ 8 4 Conclusie en aanbevelingen ........................................................................................................ 9 4.1 Conclusie ................................................................................................................................... 9 4.2 Aanbevelingen t.o.v. de Wet natuurbescherming ........................................................................ 9 Bijlage 1: Kaart resultaten vleermuisonderzoek ....................................................................................
10 Bijlage 2: Kaart locatie cameravallen .................................................................................................... 11
3
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL De gemeente Amstelveen is voornemens om het Wijkcentrum Alleman Kwartier te herontwikkelen. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. In 2019 is door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. verkennend natuuronderzoek uitgevoerd middels een quickscan ecologie. Uit de quickscan is gebleken dat het projectgebied mogelijk functies herbergt voor kleine marterachtigen en vleermuizen. In opdracht van gemeente Amstelveen is derhalve een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van het projectgebied door beschermde soorten. Dit rapport bevat de resultaten van het onderzoek en aanbevelingen ten opzichte van de Wet natuurbescherming.
1.2
WETTELIJK KADER Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. Wanneer er door uitvoering van werkzaamheden sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen uit artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.
Alle vleermuizen zijn op Europees niveau beschermd. De verbodsbepalingen voor Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.1 (vogels) en 3.5 (overige soortgroepen) van de Wet natuurbescherming. Kleine marterachtigen zijn op nationaal niveau beschermd. De verbodsbepaling voor nationale beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 (Nationaal beschermde soorten) van de Wet natuurbescherming.
4
Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen (Artikel 3.5 Wet natuurbescherming) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten (Artikel 3.10 Wet natuurbescherming) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
5
2
ONDERZOEKSMETHODIEK
2.1
KLEINE MARTERACHTIGEN De groep kleine marterachtigen bestaat uit de bunzing, hermelijn en de wezel. Het onderzoek naar de hermelijn en de wezel is primair uitgevoerd met behulp van zogenaamde ‘wezelcamera’. Dit zijn standaard cameravallen welke in een behuizing met twee openingen geschikt voor marterachtigen worden geplaatst. In de behuizing is vervolgens geurstof en lokvoer aangebracht. Deze cameravallen zijn in de periode juli – augustus, vijf weken actief geweest, waarbij ze periodiek zijn uitgelezen en de batterijen zijn ververst. De wezelcamera is geschikt voor het in beeld brengen van de hermelijn en de wezel en in mindere mate ook de bunzing. Voor het in beeld brengen van de lokale verspreiding van de bunzing is daarom aanvullend op een strategische plaats een cameraval in het veld geplaatst. Voor de camera is een geurstof aangebracht om de trefkans op individuen van de bunzing te vergroten. De cameraval locaties zijn ter plaatse in het veld bepaald aan de hand van het voorkomen van geschikt habitat. De verschillende inventarisatiemethoden vullen elkaar aan en zullen een nauwkeurig beeld van de verspreiding weergeven. Bij dit onderzoek zijn er twee wezelcamera’s en één cameraval geplaatst (bijlage 2). Het voorkomen van de wezel en de hermelijn is naast de aanwezigheid van voldoende dekking ook afhankelijk van de aanwezigheid van voldoende prooidieren.
Om die reden is bij de plaatsing en bij de controles ook specifiek gelet op sporen, prooiresten en individuen van prooidiersoorten voor de marterachtigen. De inventarisaties zijn uitgevoerd conform de "handreiking wezel, hermelijn en bunzing" van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord1. In paragraaf 2.3 is een overzicht gegeven van de uitgevoerde inventarisaties en de weersomstandigheden.
2.2
VLEERMUIZEN Onderzoek naar vleermuizen is te verdelen in het inventariseren van zomer- en kraamverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen, zwermplaatsen, winterverblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Per mogelijke functie is er onderzoek verricht conform het Vleermuisprotocol 2017 2. De inventarisaties met betrekking tot vleermuizen zijn met behulp van een zogenaamde batdetector uitgevoerd. Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt standaard met de Pettersson D240X of een vergelijkbare detector. Dit apparaat vangt de ultrasone geluiden van vleermuizen op en maakt deze hoorbaar voor het menselijk gehoor. Daarnaast biedt het apparaat de mogelijkheid geluiden op te nemen voor analyse achteraf. Enkele soorten zijn namelijk zeer moeilijk te determineren in het veld en vereisen een controle met behulp van analyse-software. In paragraaf 2.3 is een overzicht gegeven van de uitgevoerde inventarisaties en de weersomstandigheden. De toegepaste methodiek wordt hier per functie nader toegelicht.
2.2.1
ZOMER- EN KRAAMVERBLIJFPLAATSEN
In de periode 15 mei - 15 juli 2020 is het projectgebied onderzocht op de aanwezigheid van zomer- en kraamverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze inventarisatie bestaat uit drie rondes, waarvan er één in de vroege ochtend vanaf circa twee uur voor zonsopkomst is uitgevoerd. De overige twee rondes hebben 's avonds plaatsgevonden vanaf zonsondergang.
2.2.2
PAARVERBLIJFPLAATSEN EN ZWERMPLAATSEN
In de periode 15 augustus - 15 september 2020 zijn twee inventarisaties van twee uur uitgevoerd, teneinde paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen vast te stellen dan wel uit te sluiten. Hiervan is één ronde gecombineerd uitgevoerd met het onderzoek naar de aanwezigheid van zwermende dieren in het kader van winterverblijfplaatsen van vleermuizen. 1
Handreiking wezel, hermelijn en bunzing, Omgevingsdienst Noord-Holland Noord(2017), januari 2017.
2
Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017). Vleermuisprotocol 2017, maart 2017.
6
2.2.3
WINTERVERBLIJFPLAATSEN
In de periode 1 augustus – 10 september 2020 is het projectgebied onderzocht op de aanwezigheid van zwermende dieren in het kader van winterverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze inventarisatie bestaat uit twee ronden van twee uur vanaf middernacht. Hiervan is één ronde gecombineerd uitgevoerd met het onderzoek naar paarverblijven van vleermuizen. Tussen de twee inventarisaties naar zwermplaatsen is een minimum tussenperiode van tien dagen gehanteerd.
2.2.4
VLIEGROUTES EN FOERAGEERGEBIEDEN
De inventarisaties naar vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen zijn simultaan met de overige vleermuisinventarisaties uitgevoerd. Hierbij zijn de aanwezige vliegroutes en/of foerageergebieden op kaart ingetekend.
2.3
OVERZICHT INVENTARISATIES In tabel 1 is een overzicht gegeven van de data en weersomstandigheden van de onderzoeken. De inventarisaties zijn uitgevoerd door Ing. B. Albers, A. van Dijk BSc., Ing. S.T.J. Kuip, Ing. V.B. Pol, Ing. P.J. Schep en Ing. E. Vinke. Tabel 1: Overzicht inventarisaties Datum Tijd Hoofdgroep
Activiteit
Weersomstandigheden
20-05-2020 21:37 – 23:37
Vleermuizen
Zomer- en kraamverblijven
Half tot zwaar bewolkt, windkracht 2, 13 °C
21-05-2020 03:35 – 05:35
Vleermuizen
Zomer- en kraamverblijven
Half tot zwaar bewolkt, windkracht 2, 12 °C
29-06-2020 22:06 – 00:06
Vleermuizen
Zomer- en kraamverblijven
Vrijwel geheel bewolkt, windkracht 4, 15 °C
16-07-2020 n.v.t.
Kleine marterachtigen Camera’s plaatsen
Geheel bewolkt, windkracht 3, 19 °C
01-08-2020 00:00 – 02:00
Vleermuizen
Winterverblijven (zwermgedrag)
Zwaar bewolkt, windkracht 3, 17 °C
21-08-2020 00:00 – 02:00
Vleermuizen
Paarverblijven en zwermplaatsen
Half bewolkt, windkracht 4, 21 °C
21-08-2020 n.v.t.
Kleine marterachtigen Ophalen cameravallen
Half bewolkt, windkracht 4, 26 °C
11-09-2020 05:09 – 07:09
Vleermuizen
Half tot zwaar bewolkt, windkracht 2, 13 °C
Paarverblijven en zwermplaatsen
7
3
RESULTATEN
3.1
KLEINE MARTERACHTIGEN Er zijn geen kleine marterachtigen in het projectgebied waargenomen. Sporen van de kleine marterachtigen, prooiresten en individuen van prooidiersoorten zijn niet aangetroffen. 3.2
VLEERMUIZEN Binnen het projectgebied zijn de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en de ruige dwergvleermuis, waargenomen. Per onderzochte functie wordt het gebruik van het projectgebied nader toegelicht. In bijlage 1 zijn de resultaten van het onderzoek op kaart weergegeven. 3.2.1
ZOMER- EN KRAAMVERBLIJFPLAATSEN
In het projectgebied zijn er geen zomer- of kraamverblijfplaatsen aangetroffen. In deze periode zijn foeragerende individuen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis waargenomen. Daarnaast is er een passerende laatvlieger waargenomen.
3.2.2
PAARVERBLIJFPLAATSEN EN ZWERMPLAATSEN
In het projectgebied zijn geen paarverblijfplaatsen of zwermplaatsen aangetroffen. Gedurende deze periode zijn baltsende individuen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis waargenomen in en buiten het projectgebied. Het eenmalig voorkomen van een baltsend individu van de gewone dwergvleermuis is waargenomen boven de weg tussen Wijkcentrum Alleman en de gymzaal op het oostelijk halfrond. Het individu vloog over in noordelijke richting en is vervolgens niet meer waargenomen. Buiten het projectgebied aan de oostzijde is er een baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis waargenomen. Het continue baltsgedrag vond plaats aan de noordzijde van het flatgebouw buiten het projectgebied en vertoonde daardoor geen binding met het gebouw binnen het projectgebied. Er is een baltsend overvliegend individu van de ruige dwergvleermuis eenmalig waargenomen buiten het projectgebied bij de gymzaal. Dit individu toonde geen binding met het Wijkcentrum.
3.2.3
WINTERVERBLIJFPLAATSEN
In het najaar is in en bij het projectgebied geen zwermactiviteit van vleermuizen waargenomen dat kan duiden op de aanwezigheid van een (massa)winterverblijfplaats.
3.2.4
VLIEGROUTES EN FOERAGEERGEBIEDEN
Binnen het projectgebied zijn er geen essentiële vliegroutes waargenomen. Er zijn een aantal overvliegende individuen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis waargenomen richting het park aan de westzijde van het projectgebied. Er is eenmalig een overvliegend individu van de rosse vleermuis boven het grasveld aan de noordoostzijde van het projectgebied waargenomen. Een overvliegend individu van de laatvlieger richting het flatgebouw aan de oostzijde van het projectgebied is tijdens meerdere inventarisaties waargenomen. Het grasveld ten zuiden van Wijkcentrum Alleman wordt gebruikt als foerageergebied door de gewone dwergvleermuis met een maximum aantal gelijktijdig foeragerende individuen van vier. Er is eenmalig een foeragerend individu van de ruige dwergvleermuis waargenomen. Dit gebied wordt echter niet gezien als essentieel foerageergebied, omdat er in de directe omgeving genoeg groenvoorziening aanwezig is.
3.3
BESCHERMDE FUNCTIES PROJECTGEBIED Er zijn geen beschermde functies aangetroffen in het projectgebied.
8
4
CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN
4.1
CONCLUSIE Binnen het projectgebied zijn geen kleine marterachtigen aangetroffen. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Essentiële vliegroutes of essentiële foerageergebieden zijn niet aangetroffen binnen het projectgebied. Van de gewone dwergvleermuis kan er een paarverblijfplaats worden verwacht in het flatgebouw ten oosten van het projectgebied. 4.2
AANBEVELINGEN T.O.V. DE WET NATUURBESCHERMING Binnen het projectgebied zijn geen beschermde functies aangetroffen. Er zijn voor de geplande werkzaamheden geen vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Wel dient er rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht en geldt er een meldplicht bij de start van de werkzaamheden bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart - 1 augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden.
9
Bijlage 1:
Kaart resultaten vleermuisonderzoek
10
Bijlage 2:
Kaart locatie cameravallen
11