bijlage 7 verkennend natuuronderzoek Acacialaan 20-22
Tekst van het document
Rapport Projectnummer: 369235 Referentienummer: SWNL0249767 Datum: 26-09-2019
Verkennend natuuronderzoek Acacialaan 20 – 22, te Amstelveen Oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Concept
Opdrachtgever: Ten Brinke Vastgoedontwikkeling BV Burgemeester van der Zandestraat 21 7051 CS VARSSEVELD
Sweco Robijnstraat 11 1812 RB Alkmaar Postbus 214 1800 AE Alkmaar
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Alkmaar Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Raisja Spijker Junior adviseur ecologie T +31 88 811 41 77 M +31 6 20 00 04 85
Verantwoording Titel
Verkennend natuuronderzoek Acacialaan 20 – 22, te Amstelveen
Subtitel
Oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Projectnummer
369235
Referentienummer
369235 Verkennend Natuuronderzoek
Revisie
C1.0
Datum
26-09-2019
Auteur
Raisja Spijker
E-mailadres
raisja.spijker@sweco.nl
Gecontroleerd door
Mark Grutters
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Maarten Mouissie
Paraaf goedgekeurd
2 (23)
Inhoudsopgave 1
Inleiding ............................................................................................................. 4
1.1
Aanleiding ........................................................................................................... 4
1.2
Kader van het onderzoek ..................................................................................... 4
1.3
Ligging plangebied en voorgenomen activiteiten .................................................. 4
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden .............................................. 8
2.1
Toetsingskader .................................................................................................... 8
2.2
Inventarisatie ....................................................................................................... 9
2.3
Analyse van de mogelijke effecten ..................................................................... 10
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming.............................................. 11
3.1
Toetsingskader .................................................................................................. 11
3.2
Methode ............................................................................................................ 13
3.3
Voorkomende ecotopen ..................................................................................... 14
3.4
Planten .............................................................................................................. 14
3.5
Vleermuizen ...................................................................................................... 15
3.6
Overige zoogdieren ........................................................................................... 15
3.7
Vogels ............................................................................................................... 15
3.8
Amfibieën en Reptielen ...................................................................................... 15
3.9
Vissen ............................................................................................................... 16
3.10
Ongewervelden ................................................................................................. 16
4
Natuurbeleidskaders ....................................................................................... 17
4.1
Toetsingskader .................................................................................................. 17
4.2
Natuurnetwerk Nederland .................................................................................. 17
4.3
Gebieden buiten het NNN .................................................................................. 18
5
Conclusies ....................................................................................................... 20
5.1
Wet natuurbescherming ..................................................................................... 20
5.2
Natuurbeleidskaders .......................................................................................... 20
5.3
Vrijgestelde soorten ........................................................................................... 20
Referenties ...................................................................................................................... 23
3 (23)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding In verband met de voorgenomen ontwikkeling aan de Acacialaan 20 -22 in gemeente Amstelveen, zal het huidige pand in het plangebied (figuur 1) worden gesloopt. Wanneer bij dergelijke ontwikkelingen beschermde plant- of diersoorten of beschermde gebieden in het geding zijn, dienen deze te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. Om inzichtelijk te maken of de kans bestaat dat dit het geval is bij de voorgenomen plannen is dit verkennende onderzoek uitgevoerd. 1.2 Kader van het onderzoek Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: • Wet natuurbescherming: ° Natura 2000-gebieden; ° Soorten; • Natuurnetwerk Nederland (NNN); • Gebieden buiten het NNN. Het verkennend onderzoek is er op gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied. Toetsing heeft plaatsgevonden op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders. In het rapport worden de mogelijke vervolgstappen besproken die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. 1.3 Ligging plangebied en voorgenomen activiteiten Het plangebied is gelegen aan de Acacialaan nr.
20-22 te Amstelveen in de provincie Noord-Holland (figuur 1). Het plangebied ligt in de wijk Keizer Karelpark. De wijk wordt gekenmerkt door wegen met een groene aankleding, forse groensingels met waterpartijen en grote groene plekken. In de straten staan bomen van de soorten waarnaar de straten vernoemd zijn.
4 (23)
Figuur 1.
Ligging van het plangebied (rood).
Het plangebied bestaat uit een parkeerterrein en een vrijstaand pand met rondom een tuin. De benedenverdieping van het pand wordt gebruikt als dansschool en de bovenverdieping is ingericht als woonhuis. Een groot deel van de tuin wordt weinig onderhouden. Het parkeerterrein gelegen voor het pand is bestraat met straatbaksteen, er zijn 24 parkeerplekken aanwezig. Zie figuur 2 voor een impressie van het plangebied.
5 (23)
Figuur 2.
Impressie van het plangebied
De opdrachtgever is voornemens om een appartementencomplex met 22 appartementen te realiseren (figuur 3). Voor de realisatie van het complex wordt het bestaande pand gesloopt, de locatie bouwrijp gemaakt en worden alle huidige bomen en het struweel verwijderd. De huidige bestemming van het plangebied is maatschappelijk. Een wijziging van het bestemmingsplan wordt aangevraagd voor de bestemming wonen.
6 (23)
Figuur 3.
Ontwerp appartementencomplex.
7 (23)
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden
2.1 Toetsingskader Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn) in Nederland. Plannen, projecten of andere handelingen met negatieve effecten op deze beschermde gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. De voorliggende natuurtoets geeft daarom een eerste inzicht in de mogelijke effecten van het project op Natura 2000-gebieden en de gevolgen daarvoor voor verder onderzoek of vergunningprocedures. De natuurtoets kan de volgende mogelijke conclusies hebben: • Geen nader onderzoek: effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten, bijvoorbeeld omdat er geen Natura 2000-gebieden in de omgeving aanwezig zijn en het voornemen geen verreikende effecten heeft. • Effecten kunnen niet op voorhand worden uitgesloten; er is een voortoets nodig om een betere inschatting te krijgen. Als significante effecten op grond van een voortoets niet zijn uit te sluiten, is een passende beoordeling nodig. • Indien met de natuurtoets direct duidelijk is, dat zonder mitigatie significante effecten niet zijn uit te sluiten, kan ook direct een passende beoordeling uitgevoerd worden. Indien significantie van effecten op basis van de passende beoordeling niet kan worden uitgesloten volgt een ADC-toets.
Aangetoond dient te worden dat er geen alternatieven zijn met minder effecten, er sprake is dwingende redenen van groot openbaar belang en in compensatie is voorzien. Indien negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten is in ieder geval een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. Beoordeling effecten stikstofdepositie Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Afdeling heeft geoordeeld dat het PAS niet aan alle eisen van de Habitatrichtlijn voldoet. Het PAS geeft onvoldoende zekerheid dat met de uitgifte van ontwikkelingsruimte significante gevolgen voor Natura 2000 zijn uitgesloten. De consequentie is dat het PAS niet als basis voor toestemming voor projecten of andere activiteiten kan worden gebruikt. Er zal daarom een eigenstandige projectspecifieke ecologische beoordeling in de vorm van een voortoets en eventueel een passende beoordeling moeten worden gemaakt. De ABRvS heeft enkele wettelijke bepalingen uit de Wnb, het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming onverbindend verklaard. De belangrijkste consequenties daarvan zijn: • Het verbod op extern salderen is opgeheven. Er mag dus weer extern gesaldeerd (salderen met emissierechten van stoppende veehouderijen of industriële bedrijven) worden.
Dit echter onder strikte voorwaarden. Zo mogen de stoppende bedrijven niet al zijn meegenomen in het PAS. In beginsel zijn in het PAS alle bedrijven opgenomen die binnen 1 km van Natura 2000-gebieden liggen en in de periode 2015-2018 zijn gestopt. • De PAS-lijst met 118 PAS-gebieden is onverbindend verklaard. In de eigenstandige ecologische beoordeling moet dus ook getoetst worden op de niet PAS-gebieden (o.a. Vogelrichtlijngebieden). • Drempelwaarde (0,05 mol N/ha/jr) en afstandsgrenswaarden (o.a. 3 km voor wegverkeer) komen te vervallen.
8 (23)
• De referentiedata uit het PAS (de feitelijke depositie in periode 2012-2014) voor het bepalen of sprake is van een toename aan stikstofdepositie komen te vervallen. Dat wil zeggen dat weer relevant wordt of voor een bepaalde activiteit toestemming is verleend voordat het betreffende gebied waar die activiteit gevolgen voor heeft als Vogelrichtlijngebied werd aangewezen respectievelijk als Habitatrichtlijngebied door de Europese Commissie op de lijst van gebieden van communautair belang werd geplaatst. Voor Vogelrichtlijngebieden gaat het hierbij om 10 juni 1994 of later (veelal 24 maart 2000), bij Habitatrichtlijngebieden gaat het in de regel om 7 december 2004. Voor het uitvoeren van de stikstofberekening wordt nog steeds gebruik gemaakt van de Aerius calculator. in de aanlegfase zal er sprake zijn van emissies door werktuigen en verkeersbewegingen bij aanvoer van materialen. In de gebruiksfase kan eveneens ene lichte verhoging van stikstofemissies optreden door het grotere aantal huishoudens dat verwarmd zal worden. Naar verwachting zullen de emissies beperkt zijn, en zullen deze niet ver in de omgeving merkbaar zijn. Indien gasloos gebouwd wordt is de stokstofemissie in de gebruiksfase te verwaarlozen. Om hier zekerheid over te verkrijgen kan een Aeriusberekening uitgevoerd worden.
2.2 Inventarisatie Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van de N2000-kaart zoals die via Nationaal Georegister. Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ’Botshol’ op een afstand circa 5,8 km van het plangebied is gelegen, zie figuur 4.
Figuur 4.
Ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied.
9 (23)
2.3 Analyse van de mogelijke effecten Geluid en beweging die met de werkzaamheden gepaard gaat reiken enkele honderden meters ver. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (op 5,8 km afstand) zijn negatieve effecten van geluid en beweging op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. De werkzaamheden leiden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten. De werkzaamheden gaan gepaard met emissie van stikstof. Deze emissie kan zich vrij gemakkelijk over een afstand van enkele kilometers verplaatsen en zodoende van invloed zijn op het Natura 2000-gebied ‘Botshol’, een gebied met instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelige habitattypen. Het meest gevoelige habitattype zijn de kranswierwateren (H3140) en overgangs- en trilvenen (H7140). Om de werkzaamheden uit te kunnen voeren wordt gebruikt gemaakt van verschillend materieel. Deze machines kunnen onder andere stikstof uitstoten wat uiteindelijk neer zal dalen (stikstofdepositie). Indien er gasloos gebouwd gaat worden is de stikstofemissie in de gebruiksfase verwaarloosbaar.
Om de hoeveelheid stikstofdepositie te bepalen dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Hieruit kan naar voren komen dat het uitvoeren van een project specifieke beoordeling noodzakelijk is.
10 (23)
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming
3.1 Toetsingskader In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) • lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: ° onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; ° onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of ° onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond.
11 (23)
Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid heeft om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Met artikel 4 van de verordening van de provincie Noord-Holland wordt een dergelijke vrijstelling gegeven. De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen ziet worden genoemd in tabel 1. In artikel 5 van deze verordening is de meldings- en rapportageplicht opgenomen. In de melding zal de eigenaar, de grondgebruiker of degene aan wie namens hem, conform artikel 3.15 zevende lid van de wet, toestemming is verleend, aangeven wanneer er waar werkzaamheden uitgevoerd zullen worden uitgevoerd (Provincie Noord-Holland, 2016). Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is.
Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorieën soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de wet. Er is dan geen ontheffing nodig. Tabel 1. Vrijgestelde soorten in Noord-Holland (Provincie Noord-Holland, 2016).
12 (23)
Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna: Zorgplicht (artikel 1.11) • lid 1) Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. • lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: ° onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, ° onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of ° onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. • lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. 3.2 Methode Bronnenonderzoek De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied.
De inventarisatie bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek en habitatgeschiktheidsbeoordeling. Geluid en beweging zijn over enkele honderden meters hoor- en zichtbaar. Mede hierdoor is het studiegebied ca. 1 ha. Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: • Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), periode 2014-2019; • NDFF Verspreidingsatlas; • SOVON (www.sovon.nl); • EIS Nederland (www.eis-nederland.nl); • Vlinderstichting (www.vlinderstichting.nl); • RAVON (www.ravon.nl); • Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl). Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaats gevonden op 4 september 2019 door een deskundig ecoloog van Sweco.
13 (23)
Tekstbox 1.
Definitie ecologisch deskundige.
Onder een ecologisch deskundige wordt een persoon verstaan die aantoonbare kennis en ervaring heeft op het gebied van soort specifieke ecologie doordat deze: • op HBO- of universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie, en/of; •
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en/of werkzaam is voor een terrein beherende organisatie;
•
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties, en/of; zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming
•
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in kader van Wet natuurbescherming van toepassing is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wnb beschermde planten- en diersoorten. Nietbeschermde Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet natuurbescherming. 3.3 Voorkomende ecotopen Het pand heeft spouwmuren met aan de onderzijde van de muren een ventilatierooster en op een aantal plekken open stootvoegen aan de bovenzijde van de muur. Het pand heeft gedeeltelijk een plat dak en dakterras en de schuin lopende delen van het dak zijn met bitumen shingles bedekt. In de tuin staan een aantal boomsoorten waaronder de den, eik, els en iep. In de bomen zijn geen nesten en holtes aangetroffen. Daarnaast is er struweel aanwezig zoals liguster, vlinderstruik, hondsroos, hortensia en meidoorn. Een deel van het plangebied is bestraat met tegels.
Op het overige deel is de bodem bedekt met brandnetel, bosaardbei, klimop en veelbloemige roos. 3.4 Planten Uit gegevens van de NDFF database blijkt dat de karthuizer anjer op circa 500 meter van het plangebied is waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten waargenomen binnen het plangebied. De karthuizer anjer groeit in schrale- en kalkgraslanden, in bosschages langs bermen en dijken en op leisteenhellingen en zandsteenrotsen (NDFF-Verspreidingsatlas). Het plangebied voorziet niet in de juiste habitat voor deze soort. Ook voor andere beschermde plantensoorten is geen geschikt biotoop aanwezig. Het wordt uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden een negatief effect heeft op beschermde plantensoorten. Een ontheffing in het kader van de wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk.
14 (23)
3.5 Vleermuizen In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van vleermuizen in en in de omgeving van het plangebied. De bomen in het plangebied zijn niet geschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten, vanwege de kleine omtrek van de stammen en het ontbreken van holtes, spleten en los zittende bast. Het gebouw is vanwege de spouwmuur met open stootvoegen geschikt voor gebouw bewonende soorten. Het gebouw is geschikt voor de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis, dit zijn algemene soorten die wel verwacht kunnen worden in het plangebied. Vanwege de kleine openingen (stootvoegen) in de spouw en het ontbreken van dakpannen en toegangen tot ruimten in het dak wordt de aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de grotere laatvlieger uitgesloten. Nader onderzoek naar vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis is noodzakelijk. 3.6 Overige zoogdieren In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van beschermde zoogdieren in en in de omgeving van het plangebied. Uit gesprek met de huidige eigenaar kwam naar voren dat in de tuin vaak egels en diverse muizensoorten worden gezien/gehoord. Voor de egel en diverse muizensoorten geldt in de provincie Noord-Holland een vrijstelling i.c.m. een meldplicht. Beschermde zoogdieren worden op grond van bekend verspreiding en biotoopvoorkeur niet verwacht.
Wel kunnen enkele algemene, vrijgestelde, zoogdiersoorten worden verwacht in het plangebied. Dit zijn o.a. egel, huisspitsmuis, bosmuis en konijn. 3.7 Vogels In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4). In de bomen op het terrein zijn tijdens het veldbezoek geen nesten en/of sporen van nesten aangetroffen. De aanwezigheid van nesten van soorten met jaarrond beschermde nesten zoals de buizerd, sperwer en ransuil is uitgesloten. Nesten van vogels die gebruikmaken van bebouwing zijn tevens uitgesloten. De dakconstructie is niet geschikt voor de huismus en het gebouw bevat geen openingen geschikt voor de gierzwaluw. Een ontheffing in het kader van de wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk. Tekstbox 2.
Vogels met jaarrond beschermde nesten.
Vogels met jaarrond beschermde nesten categorie 1 t/m 4 en vogels met jaarrond beschermde nesten als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen (categorie 5). Categorie 1: Categorie 2: Categorie 3: Categorie 4: Categorie 5:
Jaarrond gebruikte nesten (steenuil) Zeer honkvaste koloniebroeders of afhankelijk bebouwing Zeer honkvaste broeders of afhankelijk bebouwing (geen kolonie) Vogels die ieder jaar terugkeren naar specifiek nest Honkvaste broeders, maar voldoende flexibel
3.8 Amfibieën en Reptielen In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van beschermde amfibieën en reptielen in en in de omgeving van het plangebied. In het plangebied is geen water aanwezig. De aanwezigheid van voortplantingsplaatsen voor amfibieën is hierdoor uitgesloten. Het voorkomen van beschermde amfibieën is uitgesloten. De enige watergang op circa 80 meter van het plangebied is voorzien van houten beschoeiing en is hierdoor niet geschikt voor amfibieën en reptielen. De aanwezigheid van beschermde amfibieën en reptielen wordt vanwege het ontbreken van voortplantingswater en de stedelijk ligging uitgesloten.
15 (23)
Wel kunnen algemene amfibieën worden verwacht die het plangebied als landhabitat of overwinteringslocatie gebruiken. Dit zijn alle vrijgestelde soorten, te weten gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker en kleine watersalamander. Een ontheffing in het kader van de wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk. Wel geldt de zorgplicht voor de vrijgestelde soorten. 3.9 Vissen In het plangebied is geen water aanwezig, een negatief effect op beschermde soorten is hierdoor uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk. 3.10 Ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen een zeer specifiek habitat. Volgens zowel de NDFF komen binnen en in de omgeving van het plangebied geen beschermde ongewervelde soorten voor. In het plangebied zijn geen geschikte leefomstandigheden voor deze soorten aanwezig. Beschermde ongewervelde soorten zijn op basis van het ontbreken van geschikt habitat uit te sluiten. Het wordt uitgesloten dat het aanleggen van het parkeerterrein en het dempen van de sloot negatief effect heeft op beschermde soorten. Een ontheffing in het kader van de wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk. Voor alle aanwezige niet-beschermd eof vrijgestelde soorten dient de zorgplicht in acht genomen te worden. Hiertoe moeten maatregelen genomen worden die beschadigen van individuen zoveel mogelijk voorkomen.
16 (23)
4
Natuurbeleidskaders
4.1 Toetsingskader Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd bestaat uit: • Provinciaal beleid ° Natuurnetwerk Nederland (NNN). ° Gebieden buiten het NNN. 4.2 Natuurnetwerk Nederland Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het NNN voor de provincie Noord-Holland is vastgelegd in Artikel 19 van de PRV (Provinciale Ruimtelijke Verordening). De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het “nee, tenzij-principe”. In onderstaand schema is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. In de provincie Noord-Holland is de externe werking van het NNN niet van toepassing.
Schema: Het ”nee, tenzij"-principe van het compensatiebeginsel.
Inventarisatie, analyse en toetsing effecten Het plangebied ligt op circa 800 meter van het NNN, zie figuur 5. Externe werking op het NNN is in de provincie Noord-Holland niet van toepassing. Een nadere procedure is niet van toepassing.
17 (23)
Figuur 5.
Ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van het NNN.
4.3 Gebieden buiten het NNN Toetsingskader De bescherming van weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden in de provincie Noord-Holland is vastgelegd in Artikel 25 van de PRV (Provinciale Ruimtelijke Verordening). De afweging voor ingrepen in deze gebieden gaat volgens het “nee, tenzij-principe”. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een weidevogelgebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dienen te worden gecompenseerd. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van weidevogelgebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. Inventarisatie, analyse en toetsing effecten Het plangebied ligt op circa 2 km van het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied, zie figuur 6, en op circa 11 km van het dichtstbijzijnde ganzenfoerageergebied, zie figuur 7. Externe werking op gebieden buiten het NNN is in de provincie Noord-Holland niet van toepassing. Een nadere procedure is niet van toepassing.
18 (23)
Figuur 6.
Ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van de ganzenfoerageergebieden (beige)
Figuur 7.
Ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van de weidevogelleefgebieden (rosé).
19 (23)
5
Conclusies
5.1 Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ’Botshol’ ligt op circa 5,8 km afstand van het plangebied. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging, verdroging, verstoring door verlichting, verstoring door mechanische effecten. Om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren wordt gebruikt gemaakt van verschillend materieel. Deze machines kunnen onder andere stikstof uitstoten wat uiteindelijk neer zal dalen (stikstofdepositie). Ook in de gebruiksfase kan sprake zijn van emissies. Om de hoeveelheid stikstofdepositie te bepalen dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Hieruit kan naar voren komen dat het uitvoeren van een project specifieke beoordeling noodzakelijk is. Soortenbescherming De gebouwen zijn geschikt voor de gebouw bewonende vleermuissoorten gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen is noodzakelijk. Alle in Nederland broedende vogels zijn beschermd gedurende hun broedseizoen. De werkzaamheden aan de bomen en het struweel dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden. Indien dit niet mogelijk is dient er eerst een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden alvorens er gekapt gaat worden.
Indien er daadwerkelijk vogels broeden zal de kap uitgesteld moeten worden tot na het broedseizoen. 5.2 Natuurbeleidskaders Natuurnetwerk Nederland De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op beschermde gebieden in het kader van het NNN. Er is geen nader veldonderzoek en/of effectonderzoek noodzakelijk. Er zijn geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen/beperken. Er is geen nadere procedure noodzakelijk in de vorm van een “nee, tenzij-toets”. Gebieden met natuurwaarden buiten het NNN De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op beschermde gebieden met natuurwaarden buiten het NNN gelegen. Er is geen nader veldonderzoek en/of effectonderzoek noodzakelijk. Er zijn geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen/beperken. Er is geen nadere procedure noodzakelijk in de vorm van een “nee, tenzij-toets”. 5.3 Vrijgestelde soorten Voor de start van de werkzaamheden dient er een melding gemaakt te worden van de aanwezigheid van vrijgestelde soorten bij de omgevingsdienst Noord-Holland Noord. Op basis van waargenomen soorten tijdens het veldonderzoek en een habitatgeschiktheidsbeoordeling dient er een melding gemaakt worden voor de volgende soorten: • egel; • bosmuis; • huisspitsmuis.
20 (23)
Tekstbox 3.
Melden vrijgestelde soorten.
Volgens het beleid van provincie Noord-Holland dienen vrijgestelde soorten die binnen het projectgebied aanwezig zijn of worden verwacht, voorafgaand aan de werkzaamheden, bij het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Noord-Holland Noord) digitaal te worden gemeld. De melding van vrijgestelde soorten kan digitaal worden gedaan via: https://www.odnhn.nl/Wet_natuurbescherming/Soortenbescherming/Meldingsformulier_vrijgesteld e_soorten
21 (23)
Samenvattende tabel Effecten Wet natuurbescherming, Natura 2000- gebieden Wet natuurbescherming, soortenbescherming
• • • • •
Botshol Stikstofdepositie Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis
Natuurnetwerk Geen Nederland Gebieden met • Geen natuurwaarden buiten de NNN * mogelijke maatregelen om effecten te voorkomen
Nader veld onderzoek • Geen
Nader effect onderzoek • AERIUSberekening
Mitigerende maatregelen* • Nog niet bekend
Nadere procedure • Nog niet bekend
• Vaste rust en
• Geen
• Nog niet bekend
• Nog niet bekend
• Geen
• Geen
• Geen
• Geen
• Geen
• Geen
• Geen
• Geen
voorplantingsplaatsen
22 (23)
Referenties NDFF Database voorkomende beschermde diersoorten. Ecogrid. Ingezien van https://ndffecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul#0 op 4 september 2019. NDFF verspreidingsatlas. Ingezien van https://www.verspreidingsatlas.nl/ op 4 september 2019. Provincie Noord-Holland (2016). Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland. Provinciaal Blad Nr. 6151.
23 (23)